De 1-ste Balkenende-norm. Het naleven van regels door de overheid zelf dient als een visie te worden aangemerkt

CENSUUR IN NEDERLAND ©

 

(143) Voogdij: De moeder! (93) De Le Poole norm. Vaste Kamercommissie voor Justitie: "Raad voor de Kinderbescherming laat belang moeder zwaarder wegen dan belang vader" Hun advisering lijkt daardoor uiterst partijdig, waarbij de rapportage vaak te wensen overlaat. Hoe wil de staatssecretaris dit voorkomen?"

(546) Geld is Macht! Macht is Recht! Nederlandse rechtspraak met smerige streken! 030806-270509 DOORLOOPTIJD BIJNA DRIE JAAR procedure bezwaarschrift tegen Plan van Aanpak als representatief voorbeeld van die geweldige onpartijdige rechtspraak in Nederland als burgers tegen jeugdzorg procederen!

Lachwekkend! Kinderbescherming zit niet meer bij rechter aan tafel. (1) (12) Lachwekkend! Nu bellen de vertegenwoordigers van de Staat met de kinderrechter buiten de hoorzitting om nog voordat een verzoek wordt ingediend! (101) (124) (180) Lachwekkend! UN heeft nog steeds niet op klacht van Hop tegen Nederland beslist als representatief voorbeeld van "corruptie van coalities" tussen UN en Nederland (95) (710)

 

De vierde Balkenende norm. Om het gewone volk te kunnen naaien, financieel uit te kleden en kapot te maken worden medewerkers van Justitie opgeleid"om toe te schrijven naar de conclusie"

 

De moord op Nienke Kleiss is weer een voorbeeld hoe het Openbaar Ministerie en rechtersleger toeschrijven naar de conclusie en vitale gegevens weglaten met als gevolg dat er opnieuw een burger Cees B. door de rechtspraak werd genaaid.

De politie heeft niet meteen na de moord het Nederlands Forensisch Instituut gebeld dat met spoed specialisten in sporenonderzoek kon leveren.

De kans op regen en de invallende duisternis van die zomeravond in 2000 deden de recherche om ongeveer kwart over negen besluiten het lichaam van Nienke over te brengen naar het mortuarium. Het oprichten van een tent met verlichting had volgens Posthumus meer voor de hand gelegen.

Ruim vier uur na de moord werd het lichaam van Nienke Kleiss door de politie naar een mortuarium in een gewoon uitvaartcentrum in Schiedam gebracht. Daar opent een medewerkster van het centrum de lijkzak nog even, wrijft het meisje over de wang en plaatst nog een klein beertje op de baar. Hierdoor is gevaar van contaminatie, besmetting van het spoor van de dader ontstaan meldt het rapport van  droog.

Pas de volgende dag ging het lichaam naar het NFI in Rijswijk. Daar werd vastgesteld dat door vochtontwikkeling ‘het sporenbeeld op het lichaam sterk in negatieve zin is beïnvloed.’ Sporen op het lichaam waren daardoor vermengd, besmet of verdwenen.

Die omstandigheden waren mede de oorzaak van het meest omstreden onderzoek dat het NFI ooit heeft uitgevoerd. Het was ook het grootste tot dan toe. Het instituut had twee van haar meest ervaren onderzoekers op de zaak gezet, Ate Kloosterman en Richard Eikelenboom. Zij staan bekend om hun zorgvuldigheid en kunde.

Het tweetal gebruikte, naast de klassieke methode voor DNA-onderzoek, ook de zeer gevoelige LCN-methode, waarmee met heel weinig gevonden lichaamscellen toch een DNA-profiel kan worden bepaald. De kans op een onjuiste uitkomst is daarbij zo groot, dat normaal gesproken het resultaat alleen gebruikt mag worden als de proef een aantal keren achter elkaar kan worden behaald. In het geval van het moordwapen lukt dat niet.

Bij Nienke werd op twee plaatsen nog gaaf DNA gevonden van een onbekende man, de mogelijke dader: op haar linkerlaars en in haar nagelvuil. Maar ook op het moordwapen, de lange schoenveter waarmee zij gewurgd is, werd een spoor gevonden.

De NFI’ers twijfelden aan de schuld van Cees B. Zij wezen officier van justitie Bernadette Edelhauser erop dat het vreemd is dat van B. geen enkel DNA-spoor is gevonden na zo’n gewelddadige misdaad. Eikelenboom wijst met nadruk op de sporen die zijn gevonden op het moordwapen. Volgens hem zijn ze bruikbaar. Zijn collega Kloosterman denkt van niet. Hij besluit, als eindverantwoordelijke, de sporen niet in het NFI-rapport te zetten. Toen Edelhauser niet overtuigd was, zocht het tweetal het hogerop. Procureur-generaal Hulsebek, toenmalige topman van het OM, arrangeerde een tweede ontmoeting met Edelhauser. Die was opnieuw niet overtuigd, net als even later haar collega voor het hoger beroep Mariëtte Renckens. Wat vervolgens met al die discussie over het DNA-materiaal wordt gedaan, vormt een van de grootste pijnpunten van het hele rapport ‘Posthumus’. Edelhauser noch Renckens maakt in het strafdossier melding van hun gesprekken bij het NFI in het strafdossier. Zij melden die ook niet rechtstreeks aan de rechters. Hetzelfde verwijt treft NFI-onderzoekers Kloosterman en Eikelenboom. Ondanks hun inspanningen om gehoor te krijgen voor hun twijfel, zwijgen zij daarover bij rechtbank en hof. 

Bron: Advocaat-generaal Frits Posthumus Rapport OM  179 pagina inzake kleine en grove fouten in het onderzoek inzake de moord op Nienke Kleiss.

 

 

Evaluatieonderzoek Schiedammer Parkmoord

1

VOORWOORD

In de afgelopen zeven maanden heb ik in opdracht van het College van procureurs-generaal een evaluatieonderzoek uitgevoerd naar de Schiedammer parkmoord. Het College heeft opdracht gegeven die zaak te evalueren, omdat er reden was te veronderstellen dat iemand veroordeeld was voor feiten die hij niet gepleegd had. Het onderzoek heeft meer tijd gekost dan was voorzien: ruim zeven in plaats van ongeveer drie maanden. Dat kwam doordat het onderzoek veel bewerkelijker en omvangrijker was dan verwacht. Ik wil graag mijn dank uitspreken aan Theo Vermeulen en Emmy van der Bijl, die met hun team een grote steun waren in het onderzoek. Ook wil ik Ybo Buruma en André de Vries bedanken voor hun adviezen en assistentie. Allen die geïnterviewd zijn wil ik dank zeggen voor hun bereidheid te spreken over deze zaak. Doel van het evaluatieonderzoek is lering trekken. Ik hoop dat dat doel wordt bereikt. Amsterdam, augustus 2005 Frits Posthumus

2

3

INHOUDSOPGAVE

pag

1 VERANTWOORDING ............................................................................................................................ 7

1.1 Inleiding................................................................................................................................................ 7

1.2 Opdracht College van procureurs-generaal.......................................................................................... 8

1.3 Bij het evaluatieonderzoek betrokken personen ................................................................................... 9

1.4 Werkwijze evaluatieonderzoek............................................................................................................. 9

1.4.1 Interne review: Salvador ........................................................................................................... 9

1.4.2 Evaluatieonderzoek ................................................................................................................ 10

1.5 Onvolledigheid van het onderzoeksmateriaal ..................................................................................... 11

1.6 Protocol Rotterdam-Rijnmond............................................................................................................. 12

1.7 Aangifte strafbare feiten ...................................................................................................................... 12

1.8 Opbouw van het rapport...................................................................................................................... 13

1.9 Aanbevelingen ................................................................................................................................... 13

2 AFBAKENING VAN HET EVALUATIEONDERZOEK ........................................................................ 15

3 ORGANISATORISCHE ASPECTEN...................................................................................................17

3.1 De eerste uren ................................................................................................................................... 17

3.2 De Recherche Assistentie Groep........................................................................................................ 17

3.3 Kennis- en ervaringsniveau; huisvesting............................................................................................. 18

3.4 Teamleiding........................................................................................................................................ 19

3.5 Parket................................................................................................................................................. 20

3.6 Briefings en overleg teamleiding-officieren van justitie ....................................................................... 20

3.7 Verslaglegging ................................................................................................................................... 21

3.8 Eindevaluatie van RAG ‘Park’ ............................................................................................................. 22

3.9 Belangstelling van buiten het team; externe druk ............................................................................... 23

3.10 Deskundigen .................................................................................................................................... 23

3.11 Beoordeling...................................................................................................................................... 24

3.12 Tegenspraak/kritische blik................................................................................................................. 25

3.13 Conclusies........................................................................................................................................ 27

3.14 Aanbevelingen ................................................................................................................................. 27

4 HET TECHNISCHE ONDERZOEK...................................................................................................... 29

4.1 Inleiding.............................................................................................................................................. 29

4.2 Technische recherche........................................................................................................................ 29

4.2.1 De vier plaatsen delict............................................................................................................. 29

4.2.2 Inzet technische recherche ..................................................................................................... 30

4.2.3 Videoteam..............................................................................................................................31

4.2.4 Onderzoek op PD A................................................................................................................ 31

4.2.5 Onderzoek op PD B................................................................................................................ 34

4.2.6 Onderzoek op PD D................................................................................................................ 34

4.2.7 Onderzoek op PD C................................................................................................................ 35

4.2.8 Behandeling van het stoffelijk overschot van Nienke op 22 en 23 juni 2000.......................... 35

4.2.9 Reconstructie .......................................................................................................................... 36

4.2.10 Luchtfoto's..............................................................................................................................36

4.2.11 Maikel..................................................................................................................................... 36

4.2.12 Samenwerking technische recherche-tactische recherche..................................................... 38

4.2.13 Verslaglegging ........................................................................................................................ 38

4.2.14 Sporenoverzicht ...................................................................................................................... 39

4.3 NFI ..................................................................................................................................................... 40

4.3.1 Organisatorisch...................................................................................................................... 40

4.3.2 Betrokkenheid officier van justitie bij de forensische onderzoeken......................................... 40

4.3.3 Onderzoeken door het NFI in de Schiedammer parkmoord ................................................... 40

4.3.4 Microsporenonderzoek en sectie op het NFI .......................................................................... 41

4.3.5 Haaronderzoek ....................................................................................................................... 41

4.3.6 DNA-onderzoeken; mengprofielen.......................................................................................... 41

4.3.7 Twijfels bij het NFI................................................................................................................... 43

4

4.3.8 Rapportages NFI..................................................................................................................... 46

4.4 Het Openbaar Ministerie ..................................................................................................................... 47

4.5 Conclusies.......................................................................................................................................... 47

4.6 Aanbevelingen ................................................................................................................................... 49

5 HET TACTISCHE ONDERZOEK......................................................................................................... 53

5.1 Inleiding.............................................................................................................................................. 53

5.2 Opsporingsonderzoek tussen 23 juni 2000 en de bekentenissen van Kees B. .................................. 54

5.2.1 Opsporingshandelingen die erop gericht waren vast te stellen wie op 22 juni 2000 aan het

eind van de middag/begin van de avond in het Beatrixpark waren geweest........................................ 54

5.2.2 Opsporingshandelingen die werden verricht naar aanleiding van het signalement dat Maikel

had gegeven........................................................................................................................................ 56

5.2.3 Opsporingshandelingen die gericht waren op enkele personen voor wie het team meer dan

gemiddelde belangstelling had, met uitzondering van Kees B. ............................................................ 60

5.2.4 Opsporingshandelingen gericht op Kees B. tot 5 september 2000......................................... 61

5.2.5 Overige opsporingshandelingen ............................................................................................. 63

5.3 Opsporingsonderzoek na de bekentenissen van Kees B. .................................................................. 63

5.4 Opsporingsactiviteiten en aspecten die in beide periodes speelden .................................................. 65

5.4.1 Reconstructie .......................................................................................................................... 65

5.4.2 Scenario's ...............................................................................................................................65

5.4.3 Confrontaties.......................................................................................................................... 65

5.4.4 Beschikbaarheid van hulpmiddelen, systemen en deskundigheid binnen de politie .............. 67

5.5 Beoordeling........................................................................................................................................ 69

5.5.1 Opsporingsonderzoek tussen 23 juni 2000 en de bekentenissen van Kees B....................... 69

5.5.2 Onderzoek na de bekentenissen van Kees B......................................................................... 70

5.5.3 Confrontaties.......................................................................................................................... 72

5.5.4 Invloed van buiten................................................................................................................... 72

5.5.5 Gebruik van bestaande hulpmiddelen en systemen en van deskundigheid........................... 73

5.6 Conclusies.......................................................................................................................................... 75

5.7 Aanbevelingen ................................................................................................................................... 75

6 MAIKEL............................................................................................................................................... 77

6.1 Feitelijkheden..................................................................................................................................... 77

6.1.1 Data verhoren Maikel.............................................................................................................. 77

6.1.2 Verhoorders ............................................................................................................................ 77

6.1.3 Deskundigen.......................................................................................................................... 78

6.1.4 De studioverhoren van Maikel ................................................................................................ 83

6.1.5 Confrontatie ............................................................................................................................ 84

6.1.6 Overig .................................................................................................................................... 84

6.2 Beoordeling........................................................................................................................................ 84

6.2.1 Twijfel over Maikel .................................................................................................................. 84

6.2.2 Getuige/verdachte................................................................................................................... 85

6.2.3 Verantwoording in procesdossier van contacten met en werkzaamheden van deskundigen. 86

6.2.4 De rol van deskundige 2 in het opsporingsonderzoek............................................................ 87

6.2.5 Studioverhoren....................................................................................................................... 88

6.2.6 Aantal verhoren Maikel ........................................................................................................... 90

6.3 Conclusies.......................................................................................................................................... 90

6.4 Aanbevelingen ................................................................................................................................... 92

7 DE VERHOREN VAN KEES B. ........................................................................................................... 93

7.1 Feitelijkheden..................................................................................................................................... 93

7.1.1 Chronologisch overzicht verhoren .......................................................................................... 93

7.1.2 Het beeld van Kees B. .......................................................................................................... 102

7.1.3 Meeluisterende politieambtenaar.......................................................................................... 104

7.1.4 Het verhoorkoppel................................................................................................................. 105

7.1.5 Reacties na bekentenis Kees B. ........................................................................................... 106

7.1.6 Kees B. over de politieverhoren............................................................................................ 106

7.2 Beoordeling...................................................................................................................................... 109

7.2.1 Voorbereiding verhoren ........................................................................................................ 109

7.2.2 Wijze van verbaliseren.......................................................................................................... 110

7.2.3 Scenarioverhoor................................................................................................................... 111

7.2.4 Videoverhoren...................................................................................................................... 111

5

7.2.5 Verbazing over bekentenis ................................................................................................... 112

7.2.6 Daderwetenschap................................................................................................................ 112

7.2.7 Verhoormethoden en -technieken......................................................................................... 113

7.3 Conclusies........................................................................................................................................ 115

7.4 Aanbevelingen ................................................................................................................................. 116

8 AUDIOVISUELE VASTLEGGING VAN VERDACHTENVERHOREN .............................................. 117

8.1 Valse bekentenissen ......................................................................................................................... 117

8.2 Audiovisuele vastlegging van verdachtenverhoren...........................................................................119

8.3 Schiedammer parkmoord.................................................................................................................. 120

8.4 Conclusies........................................................................................................................................ 121

8.5 Aanbevelingen ................................................................................................................................. 121

9 DE OFFICIER VAN JUSTITIE .......................................................................................................... 123

9.1 Dossiersamenstelling ........................................................................................................................ 123

9.1.1 Feitelijkheden....................................................................................................................... 123

9.1.2 Beoordeling.......................................................................................................................... 128

9.1.3 Conclusie ..............................................................................................................................133

9.2 Omgang van de officieren van justitie met het onderzoeksteam ...................................................... 134

9.2.1 Feitelijkheden....................................................................................................................... 134

9.2.2 Beoordeling.......................................................................................................................... 135

9.2.3 Conclusie ..............................................................................................................................136

9.3 Behandeling van de zaak bij de rechtbank ....................................................................................... 136

9.3.1 Feitelijkheden....................................................................................................................... 136

9.3.2 Beoordeling.......................................................................................................................... 141

9.3.3 Conclusie ..............................................................................................................................141

9.4 Requisitoir ........................................................................................................................................ 142

9.4.1 Feitelijkheden....................................................................................................................... 142

9.4.2 Beoordeling.......................................................................................................................... 142

9.4.3 Conclusie ..............................................................................................................................143

9.5 De voorlichtende rol van de officier van justitie aan de rechtbank en de verdediging ...................... 144

9.5.1 Feitelijkheden....................................................................................................................... 144

9.5.2 Beoordeling.......................................................................................................................... 144

9.5.3 Conclusie ..............................................................................................................................144

9.6 Aanbevelingen ................................................................................................................................. 144

10 DE ADVOCAAT-GENERAAL............................................................................................................ 147

10.1 Feitelijkheden................................................................................................................................. 147

10.1.1 Algemeen.............................................................................................................................147

10.1.2 Verzoeken van de kant van de verdediging in de hoger beroepsfase .................................. 148

10.1.3 Lijst met vragen en ongerijmdheden inzake Kees B............................................................. 156

10.2 Beoordeling.................................................................................................................................... 159

10.3 Conclusie ....................................................................................................................................... 162

10.4 Aanbevelingen ............................................................................................................................... 162

11 DE FAMILIERECHERCHEUR ........................................................................................................... 163

11.1 Inleiding.......................................................................................................................................... 163

11.2 De Schiedammer parkmoord .......................................................................................................... 163

11.2.1 De ouders van Nienke .......................................................................................................... 163

11.2.2 Maikel en zijn ouders ............................................................................................................ 164

11.3 Conclusies...................................................................................................................................... 165

11.4 Aanbevelingen ............................................................................................................................... 166

12 HOOFDCONCLUSIES...................................................................................................................... 167

13 BELANGRIJKSTE AANBEVELINGEN.............................................................................................171

6

14 BIJLAGEN

Bijlage 1: Onderzoeksopdracht College van procureurs-generaal

Bijlage 2: Personen betrokken bij het evaluatieonderzoek

Bijlage 3: Geïnterviewde personen

Bijlage 4a: Brief mr. Posthumus aan Korpsbeheerder Rotterdam-Rijnmond

Bijlage 4b: Protocol Rotterdam-Rijnmond

Bijlage 5: Chronologisch overzicht feiten en gebeurtenissen

Bijlage 6: Kaarten van het Beatrixpark

Bijlage 7: Mediatijdlijn

VERANTWOORDING 7

1 VERANTWOORDING

1.1 Inleiding

Op donderdag 22 juni 2000, iets na 18.00 uur, loopt een jongetje, naakt en met een schoen om zijn nek gebonden, uit de bosjes in het Beatrixpark in Schiedam. Het jongetje, Maikel, net een paar dagen 11 jaar, loopt in de richting van een nabijgelegen brug en roept om hulp naar iemand, die toevallig op die brug staat. Deze roept een voorbij fietsende man aan. Die man is Kees B.. Hij is op weg van zijn werk naar het huis van zijn moeder, een fietsrit die hij vaker maakt en die hem door het Beatrixpark voert. Kees B. belt om 18.08.11 uur naar 112. De 112-centrale verbindt Kees B. door met de meldkamer in Rotterdam. Kees B. meldt dat in het Beatrixpark iets ergs gebeurd is en dat politie en ziekenauto met spoed moeten komen. Hij zegt dat bij een jongetje een schoen om de nek is gebonden en dat het jongetje onder het bloed zit. Hij zegt ook dat er nog iemand dood in de bosjes ligt. De politie is rond 18.15 uur ter plaatse. Als de politie bij de plaats van het delict aankomt, hebben zich al een flink aantal personen verzameld op en bij de brug. Een aantal van hen is de bosjes ingelopen. Maikel had namelijk gezegd dat in de bosjes nog iemand lag. Degenen die de bosjes waren ingelopen, hadden daar inderdaad een tweede persoon zien liggen. Later blijkt dat het een meisje is, Nienke, 10 jaar oud. GGD-medewerkers constateren kort na 18.15 uur dat Nienke overleden was. Maikel vertelde op de dagen na 22 juni 2000 aan de politie wat er was gebeurd in het park. Nienke en Maikel hadden die middag na schooltijd in het Beatrixpark gespeeld. Zij waren in de kinderboerderij geweest en hadden gespeeld in speeltuin Fort Drakensteijn. (Zowel de kinderboerderij als de speeltuin liggen in het Beatrixpark.) Nienke en Maikel waren op hun fietsen naar het park gegaan. Zij hadden hun fietsen neergezet bij de achteringang van de kinderboerderij. Toen Maikel en Nienke rond 17.15 uur op weg waren naar de woning van Nienke - zij moesten om 17.30 uur eten - werden zij vlakbij waar hun fietsen stonden vastgegrepen door een man die hen meenam de bosjes in. Daar moesten Nienke en Maikel zich van de man uitkleden. Dat uitkleden duurde best lang, mede doordat Maikel een soort legerschoenen aan had met erg lange veters. De dader had aan de schoenen van Maikel en de laarzen van Nienke getrokken om ze uit te krijgen. Tijdens het uitkleden liep op korte afstand iemand met een zwart-witte hond voorbij. Toen deze persoon voorbij was gelopen duwde de dader Nienke en Maikel verder de bosjes in. Nienke en Maikel moesten seksuele handelingen bij elkaar verrichten. Daarna probeerde de man Maikel met zijn handen te wurgen en stak hij Maikel met een mes. Maikel hield zich daarna voor dood. Hij zag daarna niet wat er met Nienke gebeurde, maar hij hoorde het wel. Nadat de dader Maikel had gestoken, richtte hij zijn aandacht op Nienke. Maikel hoorde dat Nienke zich verzette. Na enige tijd wurgde de dader Nienke met de veter van één van Maikel’s schoenen. Vervolgens bond hij de veter van de andere schoen om de nek van Maikel, die zich ook toen voor dood hield. Daarop verliet de dader de bosjes. Maikel schat dat de tijd dat hij zich voor dood hield misschien wel 20 of 30 minuten duurde. Maikel bleef nog even wachten en is vervolgens de bosjes uitgelopen. Maikel beschreef de dader als een jonge, blanke man met erg veel puisten en een erg wit gelaat. Maikel beschreef ook de kleding die de dader droeg. Naar aanleiding van de feiten in het Beatrixpark is een groot opsporingsonderzoek gestart door een Recherche Assistentie Groep (RAG),1 die RAG ‘Park’ genoemd werd. In dat onderzoek is op 5 september 2000 een man aangehouden. Dat was Kees B., de man die op 22 juni 2000 naar 112 had gebeld. Aanvankelijk was hij als getuige gezien, maar vanaf medio juli 2000 begon het opsporingsteam hem met andere ogen te bekijken. Op 9 en 10 september 2000 heeft Kees B. verklaringen afgelegd waarin hij zei dat hij de 1 In andere politieregio’s was dat een Recherche Bijstandsteam (RBT).

VERANTWOORDING 8

feiten in het Beatrixpark had gepleegd. Kees B. heeft na 11 september 2000 steeds ontkend dat hij iets te maken had met die feiten. De rechtbank in Rotterdam en later het gerechtshof in Den Haag hebben Kees B. op 29 mei 2001 respectievelijk 8 maart 2002 schuldig bevonden aan de feiten die op 22 juni 2000 in het Beatrixpark waren gepleegd en hem voor die feiten veroordeeld. De bekentenissen die hij op 9 en 10 september 2000 bij de politie had afgelegd, wogen zwaar in het bewijs tegen Kees B.. Het cassatieberoep van Kees B. is op 15 april 2003 verworpen. Een herzieningsverzoek van Kees B. is op 7 september 2004 afgewezen door de Hoge Raad. In augustus 2004 heeft een andere man, Wik H., verklaard over zijn betrokkenheid bij de feiten in het Beatrixpark. Het onderzoek dat vervolgens door politie en justitie is ingesteld - dat onderzoek heeft de projectnaam Capri gekregen - heeft geresulteerd in bewijsmateriaal dat belastend is voor H.2 Bij beslissing van 25 januari 2005 heeft de Hoge Raad de aanvragen tot herziening van de plaatsvervangend Procureur-Generaal bij de Hoge Raad en de raadsman van Kees B. gegrond verklaard, de schorsing van de tenuitvoerlegging van het arrest van het gerechtshof in Den Haag van 8 maart 2002 bevolen en de zaak naar het gerechtshof in Amsterdam verwezen. Lopende het onderzoek tegen H. is de executie van Kees B.’s gevangenisstraf opgeschort.3 Het is inmiddels zo goed als zeker dat Kees B. ten onrechte veroordeeld is voor de feiten die gepleegd zijn op 22 juni 2000 in het Beatrixpark.4 Deze vermeende gerechtelijke dwaling heeft geleid tot vragen en bezorgdheid over het functioneren van politie en justitie. 1.2 Opdracht College van procureurs-generaal Tegen deze achtergrond heeft het College van procureurs-generaal op 28 december 2004 opdracht gegeven tot een evaluatie van de Schiedammer parkmoordzaak. In de opdracht staat onder meer: “Probleemstelling In complexe ernstige zaken moet het risico op een uiteindelijk onjuiste uitkomst worden geminimaliseerd. Een zaak waarin dit risico zich lijkt te hebben voorgedaan, leent zich bij uitstek voor onderzoek ter verbetering. De centrale vraag is of steeds is gehandeld overeenkomstig de professionele maatstaven die bij dit soort van ernstige zaken in het strafproces moeten worden aangelegd.

Doel van het onderzoek en afbakening. Het College van procureurs-generaal beoogt met het onderzoek vast te stellen hoe het proces van waarheidsvinding is verlopen. Dit om hier lering uit te trekken ter verhoging van de kwaliteit van de opsporing en vervolging. Het onderzoek zou kunnen leiden tot een aangepaste aanwijzing over het herbeoordelen van zaken die breder is dan de huidige Aanwijzing Tweede beoordeling (“second opinion”) opsporingsonderzoek. Doel is nadrukkelijk niet om naar zondebokken te zoeken, maar aanknopingspunten voor verbetering te vinden. Het onderzoek richt zich op wat in het opsporingsonderzoek en in de vervolging is geschied ten aanzien van de kwaliteit van de bewijsvergaring, bewijsanalyse en bewijspresentatie zowel in het dossier als ter terechtzitting. Dit geldt zowel de behandeling in eerste als in tweede aanleg. Omwille van staatsrechtelijke beginselen blijft buiten het onderzoek welke rol de rechter in dit strafproces heeft gespeeld. Slechts op basis van het voorhanden open materiaal, zoals het proces-verbaal ter 2 H. is bij vonnis van 27 april 2005 van de rechtbank in Rotterdam veroordeeld tot een gevangenisstraf van 20 jaar en TBS met dwangverpleging. Hij is onder meer veroordeeld voor de feiten die op 22 juni 2000 hebben plaatsgevonden in het Beatrixpark. 3 Kees B. is op 10 december 2004 in vrijheid gesteld. 4 Het gerechtshof in Amsterdam heeft zich ten tijde van het schrijven en publicatie van dit rapport nog niet uitgesproken over de zaak. Daarom kan, strikt genomen, nog niet als vaststaand gegeven worden aangenomen dat de veroordeling van Kees B. onterecht was.

VERANTWOORDING 9

terechtzitting en het vonnis/arrest zal de wisselwerking tussen waarheidsvinding en presentatie aan bod komen.” De volledige opdracht van het College van procureurs-generaal gaat als bijlage 1 bij het rapport. 1.3 Bij het evaluatieonderzoek betrokken personen Bij het evaluatieonderzoek, dat op 10 januari 2005 van start is gegaan, ben ik bijgestaan door twee externe deskundigen: prof. mr. Y. Buruma, hoogleraar straf- en strafprocesrecht aan de Radboud Universiteit in Nijmegen, en de heer A.P. de Vries, voormalig plaatsvervangend korpschef van de politieregio Gelderland-Midden. Verder heb ik bijstand gehad van een team politieambtenaren onder leiding van mr. E.E. van der Bijl, officier van justitie, en inspecteur T.J.M. Vermeulen. Een lijst met de namen van de leden van het politieteam gaat als bijlage 2 bij dit rapport.

1.4 Werkwijze evaluatieonderzoek

1.4.1 Interne review: Salvador. Het evaluatieonderzoek dat in opdracht van het College van procureurs-generaal is uitgevoerd, was niet de eerste interne terugblik op het opsporingsonderzoek in de Schiedammer parkmoordzaak. Toen eind 2004 aannemelijk was geworden dat de verkeerde verdachte veroordeeld was, hebben de hoofdofficier van justitie in Rotterdam en de korpschef van de regiopolitie Rotterdam-Rijnmond opdracht gegeven een interne review te houden. Een reviewteam onder leiding van mr. A.T. van Nederpelt, officier van justitie in Den Haag, en de heer A. Jansen, hoofdinspecteur van de regiopolitie Rotterdam-Rijnmond, heeft tussen 24 november en 28 december 2004 onderzoekswerkzaamheden verricht voor die review. Het interne reviewonderzoek heeft de projectnaam ‘Salvador’ gekregen. De doelstelling van het interne reviewonderzoek, zoals neergelegd in een besluit van 24 november 2004, luidde: “Het geven van een zaaksinhoudelijke beoordeling van alle door het RAG Park verrichte onderzoekshandelingen, gericht op het in het kader van de waarheidsvinding creëren van nieuwe gezichtspunten en het op basis daarvan doen van aanbevelingen voor het verrichten van aanvullend technisch dan wel tactisch opsporingsonderzoek. Op basis van deze bevindingen zal nadere besluitvorming omtrent ev. vervolgonderzoek plaatsvinden. Gelet op het lopende opsporingsonderzoek tegen de verdachte Wik H. dienen eventuele aanbevelingen voor nader onderzoek naar deze onderzoeksrichting alsmede naar de onderzoeksrichting Kees B., met voorrang ter beschikking te komen.” Het team dat zich bezig hield met het interne reviewonderzoek heeft de doelstelling zo uitgelegd dat drie onderzoeksrichtingen werden onderscheiden:

- Wik H.;

- een mogelijke onbekende andere (mede)dader;

- Kees B..

Bij deze verdeling moet bedacht worden dat toen de interne review begon, niet de duidelijkheid bestond die er nu is over de schuld van Wik H. en de vermoedelijke onschuld van Kees B.. Bij de eerste twee onderzoeksrichtingen ging het er vooral om te kijken of er aanbevelingen voor technisch en tactisch opsporingsonderzoek gedaan konden worden waar het onderzoeksteam Capri, dat bezig was met het onderzoek tegen Wik H., iets aan had. De onderzoeksrichting Kees B. was vooral gericht op de 

VERANTWOORDING 10

kwaliteit van de opsporing en de vervolging in het onderzoek RAG ‘Park’ en had een meer evaluatief karakter. Dat deel van het onderzoek was bedoeld om antwoord te krijgen op de vraag of zich in het onderzoek knelpunten hadden voorgedaan en zo ja, welke oorzaken daaraan ten grondslag hadden gelegen en of er aanbevelingen ter lering voor de toekomst voor politie en/of Openbaar Ministerie gedaan zouden kunnen worden. Toen het interne reviewteam met zijn werkzaamheden begon, liep het onderzoek Capri tegen Wik H. al. Het onderzoeksteam Capri had de beschikking over het onderzoeksmateriaal van RAG ‘Park’ dat in het archief in Schiedam aanwezig was. Dat waren twaalf dozen (A t/m L) en een ordner. Het onderzoeksteam Capri heeft per doos en ook van de ordner een inventarislijst gemaakt. Het materiaal bevatte zowel het eindproces-verbaal, dat wil zeggen het proces-verbaal dat aan het eind van het onderzoek door de politie aan de officier van justitie is aangeboden en dat de officier aan de rechtbank en de verdediging heeft gegeven, als de stukken die destijds niet waren toegevoegd aan het eindproces-verbaal. Het materiaal bestond hoofdzakelijk uit papier, maar er zat ook digitaal en audiovisueel materiaal bij. Toen het interne reviewteam Salvador met zijn werkzaamheden begon, heeft het van al het papieren onderzoeksmateriaal kopieën gemaakt. Het interne reviewteam heeft verder bij een aanzienlijk aantal personen die bij RAG ‘Park’ betrokken waren geweest gevraagd of zij nog aantekeningen of onderzoeksmateriaal hadden. De verzamelde stukken zijn vervolgens door het interne reviewteam conform een bepaalde methodiek heringericht. 5 Daarna is het heringerichte dossier grotendeels gedigitaliseerd, waarbij gebruik is gemaakt van Zylab. Dat programma wordt gebruikt om een papieren archief te digitaliseren. Zylab maakt het mogelijk documenten te scannen, te archiveren en vervolgens te doorzoeken en te reproduceren. Reeds ten tijde van de interne review kwam men tot de ontdekking dat door de herinrichting van de stukken een vermenging was opgetreden tussen het procesdossier enerzijds en de overige, destijds voor het procesdossier niet relevant geachte stukken, anderzijds. Dat probleem is opgelost door het fysieke procesdossier van het gerechtshof te gebruiken. Het interne reviewteam is op 28 december 2004 gestopt met zijn werkzaamheden vanwege de hierboven vermelde opdracht van het College van procureurs-generaal tot een evaluatieonderzoek. De werkzaamheden waren toen niet afgerond. Ook de herinrichting en de digitalisering van het onderzoeksmateriaal waren niet afgerond.

1.4.2 Evaluatieonderzoek

Het materiaal dat door het interne reviewteam was verzameld is in de week van 10 januari 2005 aan mij overgedragen. Van de producten die dat team zelf gemaakt heeft, zijn een tijdlijn en een deel van het werkjournaal aan mij overgedragen. Na een inventarisatie van het aan mij overgedragen materiaal is het proces van verzamelen, herinrichten en digitaliseren voortgezet conform de methode die door het interne reviewteam was gebruikt. In het kader van het evaluatieonderzoek zijn personen die vanuit hun werk bij justitie of politie betrokkenheid hebben gehad bij RAG ‘Park’ (nogmaals) benaderd met de vraag of zij nog beschikten over materiaal dat betrekking had op dat onderzoek. Ook het Nederlands Forensisch Instituut is een aantal malen gevraagd om medewerking en inzage in stukken. Het verzamelde onderzoeksmateriaal bestaat uit de stukken die aan de rechter en de verdediging zijn voorgelegd, maar ook uit interne werkjournalen, persoonsdossiers, tipformulieren, werkopdrachten, persoonlijke aantekeningen en audiovisueel materiaal. Het materiaal is bestudeerd en geanalyseerd. De centrale vraag 5 Ontwikkeld door het Landelijk Team Kindermoord (LTK).

VERANTWOORDING 11

was: wat heeft bijgedragen aan de waarschijnlijk onterechte veroordeling van Kees B.? Eerst heb ik mij op hoofdlijnen een beeld van de zaak gevormd. In die fase zijn een aantal hypothesen en vragen ontwikkeld en uitgebouwd. Om de hypothesen te toetsen is een lijst met vraagpunten gemaakt. In de verdiepingsfase die op deze algemene fase is gevolgd, is geprobeerd vast te stellen wat in het tactische en technische opsporingsonderzoek door wie was gedaan, wanneer en waarom. Ook is onderzocht welke rol externen bij het onderzoek hebben gehad. Zowel onderzoekstechnische als organisatorische aspecten zijn bij de dossierstudie onderzocht. In deze fase zijn ook de interviews voorbereid.

De volgende fase was het interviewen van personen die bij het onderzoek naar de Schiedammer parkmoord betrokken waren geweest. De interviews zijn afgenomen door leden van het politieteam dat mij ondersteunde, mr. Van der Bijl, prof. mr. Buruma, de heer De Vries en mijzelf. Er is voor gekozen om niet alleen medewerkers van politie en justitie te interviewen. Ook medewerkers van het NFI en externe deskundigen zijn geïnterviewd, alsmede onder anderen de ouders van Nienke, de ouders van Maikel, Maikel zelf, en Kees B. en diens raadsman. Als bijlage 3 bij het rapport is een lijst gevoegd met daarop de namen van alle geïnterviewde personen. Allen die benaderd zijn voor een interview hebben daar positief op gereageerd. Voorafgaand aan het interview is een brief gestuurd met daarin onder meer een uiteenzetting over het doel en de achtergrond van het evaluatieonderzoek en een aantal ‘spelregels’ voor onder meer het opnemen op band van het interview, de uitwerking van het interviewverslag en het vernietigen van de bandopname. De interviewverslagen zijn geen woordelijke uitwerkingen van hetgeen gezegd is in het interview. Het zijn zakelijke weergaven met af en toe een of meer woordelijk weergegeven passages. De conceptverslagen zijn voorgelegd aan de geïnterviewden. Zij konden opmerkingen maken. Het bijgewerkte verslag moest vervolgens worden getekend door de geïnterviewde. De geluidsopnames van de interviews zijn op één uitzondering na vernietigd.6 Als ik in het vervolg van het rapport spreek over een interview, dan bedoel ik daarmee het interview dat is afgenomen in het kader van het evaluatieonderzoek. Een medewerker van het NFI en een voormalig medewerker van het NFI hebben mij op 10 mei 2005 een presentatie gegeven over DNA, toegespitst op het DNA-onderzoek in de Schiedammer parkmoord. Een docent aan de Politieacademie in Zutphen die betrokken is geweest bij de totstandkoming van het ‘Protocol Studioverhoren’ en bij opleidingen en trainingen van zedenrechercheurs die studioverhoren afnemen, en de beheerder van de kindvriendelijke verhoorstudio in Amsterdam hebben op mijn verzoek gekeken naar een aantal fragmenten uit de studioverhoren van Maikel. Ik heb dat gevraagd omdat ik behoefte had aan het oordeel van externe deskundigen over de studioverhoren van Maikel. In het evaluatieonderzoek is voor het opslaan en verwerken van gegevens gebruik gemaakt van een Acces-database. Acces is een Microsoft-programma waarmee een database kan worden aangelegd. Het stelt de gebruiker in staat de database aan te passen aan de eigen wensen en behoeftes. De omvang van een Acces-database is niet onbeperkt. Verder is gebruik gemaakt van ZyIab. 1.5 Onvolledigheid van het onderzoeksmateriaal Bij het verzamelen van het materiaal is gebleken dat een aantal documenten die bestaan (moeten) hebben niet te vinden zijn of vernietigd zijn. In de eerste plaats ontbreekt een document ‘F10 Briefje met antwoorden en begeleidend schrijven over verhoor Kees B., 15/08/69’. Dat document was blijkens een inventarislijst wél aanwezig toen Capri het onderzoeksmateriaal kreeg uit het archief in Schiedam, maar is daarna, nog voor overdracht van het onderzoeksmateriaal aan het reviewteam, zoekgeraakt. 6 Deze opname is op uitdrukkelijk verzoek van de geïnterviewden niet vernietigd.

VERANTWOORDING 12

Verder bleek dat de leider onderzoek zijn aantekeningen niet lang voor het begin van de interne review bij een interne verhuizing had weggegooid. De plaatsvervangend leider onderzoek van RAG ‘Park’ heeft in het interview gezegd dat hij tijdens het onderzoek een persoonlijk verslag heeft bijgehouden en dat na afloop aan de leider onderzoek heeft gegeven ter archivering. De leider onderzoek spreekt dat tegen. Navraag dezerzijds bij de regiopolitie Rotterdam-Rijnmond heeft het journaal van de plaatsvervangend leider onderzoek niet boven water gebracht. De administratie van de kindvriendelijke verhoorstudio in Rotterdam was onvolledig. In elk geval ontbraken daar veel gegevens over de studioverhoren van Maikel. Tijdens één van de interviews kwam naar voren dat veel gegevens van RAG ‘Park’ in 2000/2001 waren ingescand in Zylab. Vervolgens is bij de politie in Rotterdam-Rijnmond navraag gedaan naar het bestaan van deze gegevens. Toen bleek dat alle ingescande gegevens verloren waren gegaan doordat bij het maken van een jaarbackup en bij het ontmantelen van een server fouten waren gemaakt. Er is slechts een index bewaard gebleven. In die index staan geen namen van documenten maar alleen nummers. In totaal zouden ongeveer 3.500 pagina´s zijn ingescand. Hoewel dus zeker is dat een aantal documenten of bestanden ontbreken en niet gegarandeerd kan worden dat al het materiaal boven water is gekomen, ben ik van mening dat er geen grote lacunes zitten in het verzamelde onderzoeksmateriaal. 1.6 Protocol Rotterdam-Rijnmond De korpsbeheerder in de regio Rotterdam-Rijnmond heeft op 6 januari 2005 een protocol ondertekend, dat ervolgens is verspreid onder degenen die betrokken waren geweest bij RAG ‘Park’. In het protocol wordt aandacht besteed aan het evaluatieonderzoek en hoe daar mee om te gaan. Op mijn verzoek (d.d. 13 januari 2005) heeft de korpsbeheerder een aantal wijzigingen aangebracht in de tekst, waarna een gewijzigd protocol is verspreid.7 Mijn brief aan de korpsbeheerder en het gewijzigde protocol zijn bijgevoegd als bijlagen 4a en 4b. De in het protocol beschreven werkwijze heeft mijns inziens bij een aantal geïnterviewde politieambtenaren geleid tot een terughoudende opstelling. 1.7 Aangifte strafbare feiten Tegen twee politieambtenaren die bij RAG ‘Park’ betrokken waren, te weten de twee rechercheurs die de meeste verhoren van Kees B. hebben afgenomen, is op 5 januari 2005 namens Kees B. aangifte gedaan ter zake van dwang (art. 284 Sr). Hangende het evaluatieonderzoek is geen vervolg gegeven aan de aangifte. De dreiging van een strafrechtelijk onderzoek maakte het noodzakelijk in de contacten met deze twee politieambtenaren behoedzaam te zijn. Ik heb hen niet geïnterviewd maar ik heb schriftelijk vragen voorgelegd. Deze vragen zijn beantwoord. Uiteraard gaat door deze wijze van bevraging het directe contact verloren. 7 Het gewijzigde protocol is net als het oorspronkelijke protocol gedagtekend 6 januari 2005, maar is totstandgekomen op een datum die ligt na mijn brief.

VERANTWOORDING 13

1.8 Opbouw van het rapport

De centrale vraag in het rapport is: wat heeft bijgedragen of wat kan hebben bijgedragen aan de naar het zich laat aanzien onterechte veroordeling van Kees B.. In het volgende hoofdstuk worden de begrenzingen van het evaluatieonderzoek aangegeven. In Hoofdstuk 3 wordt ingegaan op organisatorische aspecten bij politie en justitie ten tijde van het onderzoek naar de Schiedammer parkmoord. In de Hoofdstukken 4 en 5 wordt achtereenvolgens aandacht besteed aan het technisch onderzoek en het tactische opsporingsonderzoek.In Hoofdstuk 6 komt aan de orde of de manier waarop politie en justitie tegen Maikel hebben aangekeken van invloed is geweest op de latere gang van zaken. Hoofdstuk 7 gaat in op de verhoren van Kees B., in het bijzonder die van 9 en 10 september 2000. In Hoofdstuk 8 wordt aandacht besteed aan het audiovisueel opnemen van verklaringen van verdachten. In Hoofdstuk 9 wordt gekeken naar de dossiersamenstelling en het optreden van de officieren van justitie tijdens het onderzoek. Hoofdstuk 10 behandelt het optreden van de advocaat-generaal bij het gerechtshof in Den Haag. In Hoofdstuk 11 ga ik in op de functie van de familierechercheur. Hoofdstuk 12 bevat de hoofdconclusies van het evaluatieonderzoek. Aan het eind van de meeste hoofdstukken staan aanbevelingen. In Hoofdstuk 13 worden de belangrijkste daarvan herhaald. Achter het rapport zijn diverse bijlagen gevoegd. Behalve de al genoemde bijlagen zijn bijgevoegd een chronologisch overzicht van relevante feiten en gebeurtenissen in of tijdens het onderzoek (bijlage 5), twee kaarten van het Beatrixpark (bijlage 6) en een mediatijdlijn (bijlage 7). Af en toe citeer ik uit stukken uit het onderzoeksmateriaal dat mij ter beschikking stond. Ik heb in die citaten enkele spel- en stijlfouten verbeterd. Getuigen die in het onderzoek voorkomen, duid ik soms aan met de letter G, gevolgd door een nummer. Dat is het nummer dat die getuige heeft gekregen in het eindproces-verbaal van RAG 'Park'. Getuigen van wie de verklaringen niet zijn opgenomen in het eindproces-verbaal hebben geen G-nummer gekregen. Deze getuigen duid ik aan met hun initialen. De meeste betrokkenen bij het onderzoek in de Schiedammer parkmoord duid ik niet aan met hun naam. Van dat uitgangspunt ben ik afgeweken bij degenen van wie de naam al zo vaak in de publiciteit is geweest dat het geen zin zou hebben de naam niet te noemen: Nienke, Maikel, Kees B. en Wik H.

1.9 Aanbevelingen

Ik heb vastgesteld dat het onderzoeksmateriaal in deze zaak enige lacunes vertoont. Het bewaren en archiveren van onderzoeksmateriaal levert vaak problemen op, zowel bij politie als bij justitie. Die problemen doen zich voor bij oude zaken, maar ook bij recente zaken. Wanneer een zaak ‘van de plank’ of uit het archief wordt gehaald, blijkt niet zelden dat materiaal zoek is of vernietigd is. Het gaat daarbij niet alleen om papieren onderzoeksmateriaal, maar ook om digitaal of audiovisueel materiaal, foto’s en negatieven, om materiaal van de technische recherche, om stukken van overtuiging en monsters die genomen zijn van stukken van overtuiging. Het is niet duidelijk welke regels gelden voor het bewaren van onderzoeksgegevens en -materialen. Medewerkers bij politie en justitie weten niet waaraan zij zich moeten houden. Niemand voelt zich verantwoordelijk voor het beheer. Nu het met de huidige stand van de techniek soms mogelijk is een oude zaak tot oplossing te brengen en gelet op het wetsvoorstel ten aanzien van de wijziging van de regels in het Wetboek

VERANTWOORDING 14

van Strafrecht over verjaringstermijnen,8 is het belangrijk dat het onderzoeksmateriaal volledig is en dat het onder goede omstandigheden bewaard wordt. Het verdient dan ook aanbeveling dat er duidelijke regels worden opgesteld voor het bewaren en archiveren van onderzoeksmateriaal en dat de verantwoordelijkheid voor het beheer ervan eenduidig wordt belegd. 8 Kamerstukken II, 2003/04, 28 495.

AFBAKENING VAN HET EVALUATIEONDERZOEK 15

2 AFBAKENING VAN HET EVALUATIEONDERZOEK

Het evaluatieonderzoek is in drie opzichten begrensd. In de eerste plaats is het evaluatieonderzoek begrensd in de tijd. De periode die onderzocht is, loopt van 22 juni 2000 tot 8 maart 2002. Op de eerste datum zijn de feiten in het Beatrixpark in Schiedam gepleegd, waarna het opsporingsonderzoek van de Recherche Assistentie Groep (RAG) ‘Park’ is begonnen. Op de laatste datum heeft het gerechtshof in Den Haag arrest gewezen in de zaak tegen Kees B.. De cassatieprocedure en de twee herzieningsprocedures zijn niet meegenomen in dit evaluatieonderzoek.9 Ook het opsporingsonderzoek dat onder de naam Capri is ingesteld nadat Wik H. had verklaard over zijn betrokkenheid bij de feiten, blijft buiten beschouwing. In de tweede plaats is er een begrenzing ten aanzien van de strafbare feiten. Kees B. is op 5 september 2000 aangehouden omdat hij er van verdacht werd de strafbare feiten in het Beatrixpark op 22 juni 2000 gepleegd te hebben. Lopende het onderzoek rees de verdenking dat Kees B. zich ook schuldig had gemaakt aan andere strafbare feiten op zedengebied. Die verdenkingen zijn ook door het onderzoeksteam RAG ‘Park’ onderzocht. Kees B. is vervolgd voor10: 1. moord, subsidiair gekwalificeerde doodslag op Nienke op 22 juni 2000;  poging tot moord, subsidiair poging tot gekwalificeerde doodslag, meer subsidiair het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel (al dan niet met voorbedachten rade), en meest subsidiair een poging tot dat laatste, steeds met Maikel als slachtoffer en gepleegd op 22 juni 2000; 3. verkrachting van Nienke, dan wel een poging daartoe op 22 juni 2000; 4. wederrechtelijke vrijheidsberoving van Nienke en Maikel op 22 juni 2000; . verkrachting, subsidiair poging tot verkrachting, meer subsidiair feitelijke aanranding van de eerbaarheid en meest subsidiair ontucht, gepleegd in de periode van 1 januari 1995 tot en met 31 december 1999, met een jongen X, gepleegd in Vlaardingen; 6. verleiding van een minderjarige jongen Y op 30 mei 1999 in Vlaardingen. Er waren twee dagvaardingen: de feiten 1 tot en met 4 stonden op de eerste dagvaarding, de feiten 5 en 6 op de tweede. De rechtbank heeft de twee zaken gevoegd. De rechtbank heeft feiten 1 subsidiair, 2 subsidiair, 3 primair, 4, 5 meest subsidiair en 6 bewezen verklaard en Kees B. veroordeeld tot 18 jaar gevangenisstraf en TBS met dwangverpleging. Kees B. heeft hoger beroep ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank. Het hoger beroep is later partieel ingetrokken, namelijk voor zover het betrekking had op de veroordeling voor feit 5. Het gerechtshof heeft feiten 1 subsidiair, 2 subsidiair, 3 primair, 4 en 6 bewezen verklaard en voor die feiten een gevangenisstraf van 18 jaar en TBS met dwangverpleging opgelegd. Voor feit 5 heeft het gerechtshof de straf bepaald op 1 jaar gevangenisstraf (art. 423 lid 4 Sv). In deze evaluatie heb ik alleen gekeken naar het optreden van politie en Openbaar Ministerie ten aanzien van de feiten 1 tot en met 4, omdat bij die feiten een onterechte veroordeling aannemelijk lijkt. 9 In de cassatieprocedure heeft de Hoge Raad op 15 april 2003 arrest gewezen (LJN AF5257; NJ 2003, 364). In de eerste herzieningsprocedure is de aanvraag tot herziening op 7 september 2004 afgewezen door de Hoge Raad (LJN AQ9834; NS 2004, 367). In de tweede herzieningsprocedure (LJN AS1872) zijn de aanvragen tot herziening, zoals in Hoofdstuk I is vermeld, op 25 januari 2005 toegewezen. 10 Ter wille van de leesbaarheid heb ik bij de hieronder vermelde strafbare feiten niet steeds de juridische kwalificaties van die feiten gebruikt.

AFBAKENING VAN HET EVALUATIEONDERZOEK 16

In de derde plaats is het evaluatieonderzoek begrensd doordat in de opdracht van het College van procureurs- generaal staat dat met het oog op staatsrechtelijke beginselen de rol van de rechter buiten beschouwing  oet blijven. Er is daarom niet gekeken naar de rol van de rechters-commissarissen die in deze zaak actief zijn geweest en evenmin naar de rol van de raadkamerrechters en de zittingsrechters bij rechtbanken hof die de zaak inhoudelijk hebben behandeld. Er zijn geen interviews gehouden met personen die destijds behoorden tot de zittende magistratuur. Wel is het mogelijk geweest om, door tussenkomst van de Raad voor de Rechtspraak, aan de leden van de rechtbank en het gerechtshof die de strafzaak tegen Kees B. inhoudelijk behandeld hebben, schriftelijk feitelijke vragen voor te leggen. Daarvan is één keer gebruik gemaakt, namelijk om te vragen of bepaalde stukken (een deskundigenrapport en een ‘bewijswijzer’) deel uitmaakten van het dossier waarover de zittingsrechters beschikten.

ORGANISATORISCHE ASPECTEN 17

3 ORGANISATORISCHE ASPECTEN

In dit hoofdstuk worden punten van organisatorische aard bij de politie en bij het Openbaar Ministerie en tussen die twee organisaties beschreven en beoordeeld. In een aparte paragraaf wordt ingegaan op (het ontbreken van) tegenspraak en kritische geluiden in het opsporingsonderzoek. 3.1 De eerste uren Na de melding via 112 van een ernstig feit in het Beatrixpark in Schiedam, zijn door de regionale meldkamer van de politieregio Rotterdam-Rijnmond de GGD en de nodige politie-eenheden naar het park gestuurd, bijvoorbeeld diverse surveillanceauto’s en de technische recherche. Ook zijn door de meldkamer de verschillende autoriteiten (de schouwarts, districtschef, burgemeester, officier van justitie) gewaarschuwd. Van dezelfde handeling of gebeurtenis wijken de tijdregistratie van de meldkamer van de regiopolitie en detijdregistraties in het intern door het onderzoeksteam bijgehouden politiejournaal of in processen-verbaal soms van elkaar af. Daardoor is achteraf niet steeds met zekerheid vast te stellen wat op welk moment heeft plaatsgevonden. De eerste uren na de melding waren hectisch maar niet chaotisch, blijkt uit de interviews. Voor zover valt na te gaan, zijn in deze eerste uren de meeste dingen goed gegaan. In dit hoofdstuk komen vooral de organisatorische aspecten ten aanzien van de tactische recherche aan de orde. In het volgende hoofdstuk wordt nader ingegaan op het technisch onderzoek en de organisatie daarvan. 3.2 De Recherche Assistentie Groep Op de avond van 22 juni 2000 is, na overleg van de districtschef Schiedam en een lid van de korpsleiding van het korps Rotterdam-Rijnmond, besloten een Recherche Assistentie Groep (RAG) te formeren. Een RAG was te vergelijken met een recherchebijstandsteam (RBT); tegenwoordig spreekt men van een Team Grootschalige Opsporing (TGO). Deze RAG heeft de naam RAG ‘Park’ gekregen. Binnen de regio Rotterdam-Rijnmond bestond de zogenaamde RAG-map. In die map zaten onder meer de ‘Regionale Regeling Recherche Assistentie Groepen’, een overzicht 'Eerste activiteiten bij start R.A.G.', een lijst met 'Aandachtspunten eerste briefing RAG-team', taakomschrijvingen van een aantal belangrijke functies in een RAG, telefoonlijsten, een document over reconstructies, richtlijnen voor meervoudige confrontaties, en een artikel over (dader)profielanalyse. Deze documenten waren bijna zonder uitzondering niet voorzien van datum, versienummer, auteur, en dergelijke. Voor een aantal leidinggevende posities in een RAG bestond een regiobrede lijst met namen van personen die daarvoor in aanmerking kwamen volgens een piketrooster. Voor de overige leden van een RAG gold dat de districten de plicht hadden mensen te leveren, maar kon het district zelf bepalen wie wanneer werd geleverd aan een RAG. In de ‘Regionale Regeling Recherche Assistentie Groepen’ staat: ”Wanneer om inzet gevraagd wordt, moet er geleverd worden.”11 In de regeling staat niet binnen welke termijn geleverd moest worden. Wel staat erin dat geen mensen geleverd moeten worden die bijvoorbeeld de eerste dagen van het onderzoek roostervrij waren of binnen de eerste vier weken van het onderzoek langdurig verlof hadden. Volgens de regionale richtlijnen voor RAG-onderzoeken kwam de leider onderzoek (hierna l.o.) uit het district waar het feit had plaatsgevonden en kwam de plaatsvervangend leider onderzoek (hierna plv. 11 Het woord ‘moet’ is in de Regeling vetgedrukt en onderstreept.

ORGANISATORISCHE ASPECTEN 18

l.o.) uit een ander district. De pv-coördinator (in de RAG-structuur werd hij de pv-functionaris genoemd) kwam bij voorkeur uit het district waar de feiten hadden plaatsgevonden. De leden van RAG ‘Park’ kwamen uit de gehele regio Rotterdam-Rijnmond. Het district Schiedam was, als district waar de feiten hadden plaatsgevonden, het zwaarst vertegenwoordigd. In de regel bestond een RAG uit een beperkte groep rechercheurs (ongeveer 12) en was een beperkte tijd (14 dagen) beschikbaar voor het onderzoek. Als na 14 dagen niet serieus uitzicht op een verdachte bestond, werd het onderzoek vaak stilgelegd. In de Schiedammer parkmoord is van die uitgangspunten afgeweken. De korpsleiding van de regio Rotterdam-Rijnmond heeft, bij monde van de toenmalig directeur justitiële bedrijfsvoering, in een heel vroeg stadium laten weten dat de onderste steen boven moest komen en dat in dít onderzoek menskracht en tijd geen beperkende factoren zouden zijn. Dat waren geen lege woorden. Menskracht was geen probleem in RAG ‘Park’. Het team telde in het begin tegen de 30 medewerkers. Het Europees Kampioenschap Voetballen dat rond 22 juni 2000 in onder meer Rotterdam plaatsvond, heeft geen effect gehad op de totstandkoming of omvang van het team. De afbouw van het team vond, aldus het hoofd van de districtsrecherche in Schiedam in het interview, plaats op initiatief van de teamleiding12 van RAG ‘Park’. Verschillende geïnterviewde leidinggevenden hebben gezegd dat er, in tegenstelling tot andere onderzoeken waarbij een RAG was geformeerd, niet of nauwelijks druk is uitgeoefend door chefs uit andere politiedistricten om mensen die door hen ter beschikking waren gesteld aan RAG ‘Park’, te laten terugkeren naar het eigen onderdeel. De plv. l.o. heeft in het interview gezegd dat de beslissing om het team af te bouwen kort na de bekennende verklaringen van Kees B. is genomen door de l.o. en de zaaksofficier. Hij was toen zelf op vakantie. De l.o. heeft in het interview gezegd dat de bekentenis van Kees B. de reden was dat het onderzoeksteam werd gehalveerd. De l.o. heeft, in tegenstelling tot andere geïnterviewden, gezegd dat ook de druk van andere districten, die uitgeleende medewerkers terug wilden hebben, een rol speelde bij de inkrimping. Er was dus vanuit de politie-organisatie geen druk op RAG ‘Park’ om het onderzoek binnen een bepaalde tijd met een beperkte groep mensen af te ronden. Niet gebleken is dat zulke druk vanuit het Openbaar Ministerie werd gelegd op de zaaksofficier van justitie of het onderzoeksteam. Evenmin is gebleken dat de korpsleiding of de parketleiding zich actief bemoeiden met het inhoudelijke verloop van het onderzoek. 3.3 Kennis- en ervaringsniveau; huisvesting In het team zaten zowel (zeer) ervaren als minder ervaren rechercheurs. Qua leeftijd was er variatie. In het team zaten mannen en vrouwen. Ook een aantal jeugd- en zedenrechercheurs maakte deel uit van het team. Als wordt afgegaan op deelname aan eerdere RAG’s, gevolgde opleidingen en ervaring bij de recherche, was het kennis- en ervaringsniveau, gemiddeld genomen, redelijk tot goed. Overigens zijn volgens de huidige plaatsvervangend korpschef van de regio Rotterdam-Rijnmond pas in de afgelopen jaren eisen geformuleerd ten behoeve van de kwaliteit van de leden van een team grootschalige onderzoeken (voorheen RAG’s). De technische recherche maakte geen deel uit van het team. Dat was gebruikelijk in een RAG-onderzoek. Tussen het onderzoeksteam RAG ‘Park’ en de technische recherche was al snel weinig contact. Daarop en op de consequenties daarvan wordt in hoofdstuk 4 ingegaan. 12 Onder teamleiding versta ik de l.o. + de plv. l.o.

ORGANISATORISCHE ASPECTEN 19

Ten behoeve van de studioverhoren van Maikel is kortstondig een zedenrechercheur uit een ander district ingeschakeld. Hij heeft twee verhoren van Maikel afgenomen. In hoofdstuk 6 kom ik terug op deze rechercheur en deze verhoren. De teamleiding van RAG ‘Park’ heeft in een vroeg stadium van het onderzoek aan de korpsleiding gevraagd om meer analysecapaciteit. Dat verzoek is gehonoreerd: er zijn twee analisten aan het team toegevoegd. Voor zover bekend, is nadien niet nogmaals aan de korpsleiding gevraagd om meer personeel of personeel met een bepaalde bekwaamheid ter beschikking van RAG ‘Park’ te stellen. Door verschillende geïnterviewden is gezegd dat geen van de leden van het onderzoeksteam een overheersende persoonlijkheid had. Over de sfeer binnen het team zijn geen bijzondere opmerkingen gemaakt in de interviews, die zou goed geweest zijn. Het onderzoeksteam RAG ‘Park’ was gehuisvest in het toenmalige politiebureau van Schiedam. De meeste teamleden zaten in één grote werkruimte, waar normaal gesproken de Schiedammer districtsrecherche zat. De jeugd- en zedenrechercheurs die afkomstig waren uit het district Schiedam zaten in een aparte, maar wel aangrenzende kamer. De analisten en de pv-coördinator zaten ook apart. De teamleiding zat in een kamer die door middel van deels glazen wanden was afgeschermd van de grote werkruimte. De ruimte waarin de teamleiding zat, werd binnen het onderzoeksteam vanwege het vele glas ook wel ‘het aquarium’ genoemd.

3.4 Teamleiding. De teamleiding van RAG ‘Park’ was in handen van twee inspecteurs. Zij kenden elkaar niet voordat zij in RAG ‘Park’ gingen samenwerken. De ene inspecteur kwam uit het district Schiedam, de ander uit een ander district. De inspecteur uit Schiedam had wel leidinggevende ervaring, maar RAG ‘Park’ was het eerste RAG-onderzoek waarvan hij formeel leider onderzoek was. De inspecteur uit het andere district had meer leidinggevende ervaring. Hij had al eerder RAG-onderzoeken geleid. Een onderzoek met het gewicht en de omvang van RAG ‘Park’ had hij niet eerder geleid. Door veel geïnterviewden, afkomstig zowel van binnen als van buiten het onderzoeksteam, werd verschillend geantwoord op de vraag wie de leider onderzoek was. Volgens sommigen was de inspecteur uit Schiedam de l.o. Dat zou overeenkomstig de normale gang van zaken in een RAG zijn. Anderen, onder hen de zaaksofficier, de districtschef en de toenmalige directeur justitiële bedrijfsvoering van de regiopolitie Rotterdam-Rijnmond, zeiden dat de inspecteur uit het andere district de l.o. was. Weer anderen zagen weinig verschil tussen de twee inspecteurs en meenden dat zij een gelijkwaardige rol vervulden. Uit de interviews komt naar voren dat de inspecteur uit het andere district meer recherche- en leidinggevende ervaring had, dat hij in communicatief opzicht sterker was en dat hij naar de teamleden veel meer sturend was dan de inspecteur uit Schiedam. In de contacten met onder anderen de zaaksofficier, de districtschef en het hoofd van de Schiedammer districtsrecherche trad hij (in elk geval op zijn minst) feitelijk op als de l.o. Hij was informeel de leider. De l.o. heeft in het interview gezegd dat er sprake was van gedeeld leiderschap tussen hem en de inspecteur uit het andere district en dat dat goed werkte. De plv. l.o. heeft in het interview gezegd dat hij zelf niet veel waarde hechtte aan het onderscheid tussen l.o. en plv. l.o. Hij zegt dat hij de leidersrol naar zich heeft toegetrokken.

ORGANISATORISCHE ASPECTEN 20

In dit rapport hou ik de formele lijn aan en noem ik dus de inspecteur uit Schiedam de leider onderzoek en de inspecteur uit het andere district de plaatsvervangend leider onderzoek. De verhouding tussen de l.o. en de plv. l.o. was goed. De manier waarop door vooral de plv. l.o. leiding werd gegeven aan het team lijkt strak geweest te zijn. Werkopdrachten werden uitgezet door de teamleiding. Getuigen mochten in beginsel pas het bureau verlaten als de teamleiding het proces-verbaal van verhoor had gelezen, dit om te voorkomen dat de getuige vertrok terwijl belangrijke vragen niet gesteld waren. De plv. l.o. was bijna de hele maand september 2000 op vakantie. Dat was een belangrijke maand in het onderzoek in de Schiedammer parkmoord: in die maand is Kees B. aangehouden, hebben belangrijke verhoren van Kees B. plaatsgevonden en is de beslissing genomen het onderzoeksteam in te krimpen. De leiding op politieniveau van het RAG 'Park' berustte toen bij de l.o.

3.5 Parket. Binnen het Rotterdamse arrondissementsparket werden zaken uit het district Schiedam behandeld door het team Oost en Schiedam. Op de avond van 22 juni 2000 (om 20.09 uur) is het teamhoofd van dat team in kennis gesteld van wat in het Beatrixpark was gebeurd. Het teamhoofd, een officier van justitie 1e klas,13 is samen met een raio-officier uit haar team naar Schiedam gegaan. (Met raio-officier bedoel ik een rechterlijk ambtenaar in opleiding tijdens de parketstage.) Beiden zijn die avond zowel in het Beatrixpark als op het politiebureau in Schiedam geweest. Op het bureau hebben zij een bespreking bijgewoond. Het teamhoofd heeft het onderzoek niet aan zich gehouden vanwege werkdruk. Dat is waarschijnlijk besloten op 23 juni 2000. De officier van justitie die de zaak heeft overgenomen, ik zal haar hierna aanduiden als de zaaksofficier, was binnen het team Oost en Schiedam een van de meer ervaren officieren. Zij was sinds 1994 officier van justitie. Sinds eind 1999 was zij gebiedsofficier voor Schiedam. Verder was zij voor een deel van haar werktijd coördinerend jeugdofficier op het Rotterdamse parket. Een onderzoek van deze omvang en met deze impact had zij niet eerder geleid. De raio-officier zat in het begin van het tweede jaar van zijn parketstage. Hij heeft in het onderzoek naar de Schiedammer parkmoord veel gedaan, maar er bestaat geen twijfel dat de zaaksofficier de leiding had. De raio-officier liep mee met de zaaksofficier, die trouwens ook zijn opleider was. De zaaksofficier en de raio-officier hebben geen signalen afgegeven aan hun teamhoofd of aan de parketleiding dat zij te weinig tijd hadden voor het onderzoek of dat zij het onderzoek om een andere reden niet aankonden. In de interviews is niet gebleken van te grote werkdruk bij de officieren van justitie tijdens dit onderzoek.

3.6 Briefings en overleg teamleiding-officieren van justitie Elke dag was er op het politiebureau in Schiedam een briefing van het onderzoeksteam. De briefing werd geleid door de l.o. of de plv. l.o. In de briefing werd hoofdzakelijk gesproken over de gebeurtenissen van de vorige werkdag en werden de werkzaamheden van de komende dag besproken en nieuwe opdrachten 13 De aanduiding ‘1e klas’ is een bepaalde rang binnen de hiërarchische structuur van het Openbaar Ministerie. 

ORGANISATORISCHE ASPECTEN 21

uitgezet. De briefing bood niet de gelegenheid uitgebreid met elkaar van gedachten te wisselen over een of meer aspecten van het onderzoek. De zaaksofficier heeft in de eerste maanden van het onderzoek zo goed als alle briefings van het team bijgewoond. Ook de raio-officier was vaak aanwezig op de briefings. De officieren namen niet actief deel aan de briefings; zij luisterden. Door de briefings (bijna) dagelijks bij te wonen bleven zij op de hoogte van het onderzoek. Vaak was er na de briefing overleg tussen de zaaksofficier, raio-officier, l.o. en plv. l.o. In dat overleg werd gesproken over de stand en de voortgang van het onderzoek. Ook werd gesproken en beslist over de te volgen onderzoeksrichtingen. Door deelnemers aan dit overleg is in de interviews gezegd dat het niet zo was dat één van hen de baas was. De raio-officier heeft gezegd dat de plv. l.o. wel meer dan de l.o. zijn stempel op het overleg drukte. De plv. l.o. heeft gezegd dat de zaaksofficier een sturende rol had. De l.o. zei dat in het onderzoek niets gedaan werd zonder toestemming van de zaaksofficier. Er zijn geen notulen gemaakt van dit overleg. Er is niet gesproken over notulering van dit overleg of de gemaakte afspraken. Van het overleg tussen teamleiding en officieren van justitie zijn, afgezien van summiere persoonlijke aantekeningen van de officieren, geen schriftelijke stukken gemaakt, althans bewaard gebleven. Tussen teamleiding en officieren van justitie waren ook telefonische contacten. 

3.7 Verslaglegging Zoals gezegd werden geen notulen gemaakt van het overleg tussen de officieren van justitie en de teamleiding. Binnen RAG ‘Park’ werd door de politie een intern werkjournaal bijgehouden. Door alle leden van het team, inclusief de l.o. en de plv. l.o., werden gegevens ingevoerd in het journaal. Degene die in het journaal iets invoerde, vermeldde in de regel alleen zijn of haar voornaam. Als in het journaal werd verwezen naar een ander teamlid was dat ook vaak alleen met de voornaam. Voor de toenmalige teamleden was zonder meer duidelijk wie de betreffende aantekening had gemaakt of wie werd bedoeld. Jaren later is het voor een buitenstaander echter niet altijd makkelijk te achterhalen wie bedoeld wordt met een bepaalde voornaam. Ook is in het journaal van RAG ‘Park’ niet altijd duidelijk wanneer een bepaalde handeling is uitgevoerd, omdat datum en tijd waarop de onderzoekshandeling is uitgevoerd niet steeds vermeld zijn. Het journaal van RAG ‘Park’ is behoorlijk uitgebreid (bijna 600 pagina’s). In het journaal staat veel belangrijke informatie over bijvoorbeeld: welke getuige is door wie gehoord en wat heeft de getuige gezegd, de inhoud van tips die binnengekomen waren, verslag van allerlei onderzoekshandelingen. Ook wordt vaak een koppeling gelegd tussen onderzoekshandeling en werkopdracht. Het journaal geeft geen antwoord op vragen als: is er gesproken over de wijze van confronteren van getuigen met foto’s, wat waren de argumenten om Kees B. als getuige met de cautie te horen, is er na de bekentenis van Kees B. gesproken over het al dan niet inslaan of voortzetten van andere onderzoeksrichtingen, welke beslissingen zijn door wie, wanneer en waarom genomen, wat is er besproken met externen (NFI bijvoorbeeld), enz. Het journaal geeft dus wel inzicht in het wie en wat van het onderzoek en onderzoekshandelingen, maar niet in het waarom daarvan. Een journaal van de teamleiding is er niet (meer). De plv. l.o. heeft in het interview gezegd dat hij in een Word-bestand een eigen journaal had bijgehouden en dat hij dat na afloop van het onderzoek aan de l.o. heeft gegeven ter archivering. Laatstgenoemde betwist dat echter. Navraag mijnerzijds bij de regiopolitie Rotterdam-Rijnmond heeft het (bestaan van het) journaal van de plv. l.o. niet boven water gebracht. De l.o.

ORGANISATORISCHE ASPECTEN 22

heeft gezegd dat hij veel aantekeningen had gemaakt lopende het onderzoek, maar dat hij die op enig moment, niet lang voordat de interne review van Salvador in november 2004 van start ging, heeft weggegooid bij een verhuizing van de ene werkplek naar de andere.14 In het politiejournaal zijn veel handelingen van de officieren van justitie niet vastgelegd. De zaaksofficier en de raio-officier hebben vooral in de beginperiode persoonlijke aantekeningen bijgehouden van bijvoorbeeld briefings of overleggen met de l.o. en de plv. l.o. Deze aantekeningen zijn erg summier en onvolledig, maar bieden niettemin op een aantal punten enig inzicht in het waarom van bepaalde beslissingen. Volgens de RAG-richtlijnen van de politieregio Rotterdam-Rijnmond moest de l.o. na afloop van een RAGonderzoek een managementverslag van de loop van het onderzoek maken.15 In dat verslag moesten onder meer aan de orde komen de aanleiding van het onderzoek, de inzet van mensen en middelen, de gebruikte technieken en tactieken, de financiën, het resultaat en aanbevelingen. Volgens diverse geïnterviewden is zo'n eindrapportage niet gemaakt door de l.o. van RAG ‘Park’. Er is ook niet om gevraagd door leidinggevenden. Volgens de 'Taakomschrijving (Plaatsvervangend) Leider Onderzoek' moest de l.o. eenmaal per week de voortgang van het RAG-onderzoek evalueren met zijn districtsleiding. In de taakomschrijving staat niet of die wekelijkse evaluatie mondeling of schriftelijk moest gebeuren. Als er binnen RAG 'Park' al wekelijkse evaluaties zijn geweest, is daarvan in elk geval geen verslaglegging gemaakt of bewaard gebleven. 

3.8 Eindevaluatie van RAG ‘Park’ Op 8 juni 2001 is het onderzoek RAG ‘Park’ geëvalueerd. Deze evaluatie werd door de politie gehouden. De evaluatie werd geleid door het hoofd van de Schiedammer districtsrecherche. De zaaksofficier en de directeur justitiële bedrijfsvoering waren aanwezig. Het heeft moeite gekost de notulen van deze evaluatie te pakken te krijgen. Een aantal van de punten die op de evaluatie naar voren zijn gebracht zijn: de werkruimte van het onderzoeksteam, het ontbreken van een programma voor de verwerking en ordening van persoonsgegevens, (psychologische) opvang/begeleiding van medewerkers van het onderzoeksteam tijdens het onderzoek, en communicatie binnen het team en communicatie met politieambtenaren buiten het team. Ook staat in de notulen: “Advies: tijdens een rag-onderzoek twee onafhankelijke leiders-onderzoek de zaak laten beoordelen om te kijken of alles loopt zoals het moet”. Verdere toelichting op dit punt ontbreekt in het verslag van de evaluatiebijeenkomst. Het verslag van de evaluatiebijeenkomst is waarschijnlijk niet verspreid onder de voormalig teamleden van RAG ‘Park’. Mij is niet bekend of er iets is gedaan met de punten die op deze evaluatie naar voren zijn gebracht. Op het parket in Rotterdam is het onderzoek RAG ‘Park’ in 2000 of 2001 niet geëvalueerd. Dat was, zei het teamhoofd van het parketteam Oost en Schiedam in het interview, toen niet gebruikelijk. 14 Binnen de huidige TGO-structuur is per 1 januari 2004 voorzien in een afsprakenjournaal. De bedoeling is daarin alle strategische en tactische afspraken die in het kader van een onderzoek zijn gemaakt vast te leggen. Niet alleen de afspraken zelf, maar ook de motivering en de plaats, datum en tijd van de afspraak en degenen die de afspraak maken worden opgenomen in het afsprakenjournaal. Het afsprakenjournaal is iets wat teamleiding en zaaksofficier samen maken.

15 Punt 7 van de ‘Regionale Regeling Recherche Assistentie Groepen’.

ORGANISATORISCHE ASPECTEN 23

3.9 Belangstelling van buiten het team; externe druk. De korpsleiding en de parketleiding hadden interesse in de voortgang van het onderzoek. Zij onderkenden dat de Schiedammer parkmoord een zaak was waarvan zij op de hoogte behoorden te zijn. De korpsleiding (in de persoon van de directeur justitiële bedrijfsvoering) werd daarover op een aantal manieren geïnformeerd: door de districtschef van de politie in Schiedam, door het hoofd van de Schiedammer districtsrecherche en rechtstreeks door de l.o. en plv. l.o. van RAG ‘Park’. De directeur justitiële bedrijfsvoering heeft in het begin van het onderzoek een aantal briefings van het onderzoeksteam bijgewoond. Ook is hij een keer aanwezig geweest bij een bespreking van teamleiding en officieren van justitie. De districtschef en het hoofd van de districtsrecherche bleven op de hoogte van het onderzoek door briefings bij te wonen en door rechtstreekse contacten met de teamleiding. De lijnen tussen districtschef/hoofd districtsrecherche en onderzoeksteam waren kort, want het onderzoeksteam was ondergebracht in het toenmalige politiebureau van Schiedam. De districtschef volgde het onderzoek in het begin op de voet. Na enige tijd is hij van de voorgrond verdwenen. Gezondheidsproblemen droegen daaraan bij. Het hoofd van de Schiedammer districtsrecherche, die het onderzoek van nabij volgde, was een groot deel van de maand september 2000 op vakantie. De parketleiding (in de persoon van de plaatsvervangend hoofdofficier van justitie, die tevens rechercheofficier was) werd rechtstreeks over de zaak geïnformeerd door de zaaksofficier en door haar teamhoofd. Het teamhoofd werd, heeft zij in het interview gezegd, in grote lijnen op de hoogte gehouden van het onderzoek door de zaaksofficier. In het periodieke controlgesprek tussen de Rotterdamse hoofdofficier van justitie en het teamhoofd is het onderzoek mogelijk een gespreksonderwerp geweest. Voor zover bekend is door de parketleiding niet gelijktijdig met zaaksofficier én teamhoofd over het onderzoek gesproken. Verslaglegging van zulke besprekingen is er niet (meer). Binnen het onderzoeksteam en bij de officieren van justitie bestond het gevoel dat het erg belangrijk was dat deze zaak werd opgelost. De l.o. heeft in het interview gezegd dat er veel druk werd uitgeoefend op het team en de teamleiding. De druk kwam van de kant van de burgemeester van Schiedam, de korpsleiding en de pers. De plv. l.o. heeft in het interview gezegd dat er een enorme druk was op het onderzoek. Die druk werd veroorzaakt door de grote angst die heerste in Schiedam, de ernst van de zaak, de leeftijd van de slachtoffers en de constante aanwezigheid van de pers. Sommigen van de overige teamleden hebben wel gemerkt dat er veel druk lag op het team, anderen niet, bleek uit de interviews. De Schiedammer districtschef zei in het interview dat er een enorme druk was om de zaak op te lossen, maar dat het geen verkeerde druk was. De teamleiding en de officieren van justitie zeggen dat druk van leidinggevenden en maatschappelijke druk (waaronder de media) hun werk niet beïnvloed heeft.

3.10 Deskundigen

Binnen het onderzoek RAG 'Park' zijn veel deskundigen ingeschakeld. Een deel van de deskundigen die werden ingeschakeld had eerder gewerkt voor de regiopolitie Rotterdam-Rijnmond. Sommige andere deskundigen werden bij het onderzoek gehaald omdat een bij het onderzoek betrokkene over die deskundige had gehoord. In 2000 was er geen landelijke deskundigenbank waarin men kon kijken wie op een bepaald gebied deskundig was. Sinds 1 februari 2005 zijn drie landelijke deskundigenmakelaars werkzaam bij de politieacademie. Via hen kan een beroep worden

ORGANISATORISCHE ASPECTEN 24

Er kan een onderscheid worden gemaakt tussen externe deskundigen op forensisch-technisch gebied, deskundigen binnen de politie-organisatie, en deskundigen op gedragskundig gebied. In de eerste groep vallen de deskundigen van het NFI. Hun rol komt in het volgende hoofdstuk aan de orde. In de tweede groep vallen onder anderen de misdaadprofilers en de medewerkers van ViCLAS (Violent Crimes Analysis System) die in 2000 bij de CRI (thans dNRI) ondergebracht waren. Deze deskundigen hebben zichzelf gemeld bij het onderzoeksteam om hun diensten aan te bieden. Het contact tussen het onderzoeksteam en deze deskundigen is niet soepel verlopen. In hoofdstuk 5, dat over het tactische opsporingsonderzoek gaat, kom ik hierop terug. De derde groep deskundigen bestaat uit gedragswetenschappers. Bij Maikel zijn vier gedragswetenschappers om advies, rapportage of begeleiding gevraagd. In het hoofdstuk over Maikel (Hoofdstuk 6) zal ik nader ingaan op de werkzaamheden van deze deskundigen. Bij een aantal verhoren van Kees B. is gebruik gemaakt van de diensten van een psycholoog die vaker voor de regiopolitie Rotterdam-Rijnmond werkte. In Hoofdstuk 7, dat over de verhoren van Kees B. gaat, kom ik op hem terug.

3.11 Beoordeling

Degenen die van de kant van politie en justitie leiding gaven aan het opsporingsonderzoek van RAG ‘Park’

hadden geen van allen eerder een zaak van deze omvang, dit gewicht en deze impact geleid. De man die

formeel l.o. was, had niet eerder een RAG geleid. Zolang de plv. l.o. aanwezig was, was die in feite degene

die de leiding had. Net de periode dat de plv. l.o. op vakantie was, september 2000, was voor het opsporingsonderzoek

een cruciale maand. In die maand werd het onderzoek toegespitst op Kees B.. Er is toen

niet door de districts- of korpsleiding gezorgd voor ondersteuning van de l.o. Daar heeft hij overigens ook

niet om gevraagd. Ik vind dat de districts- en/of korpsleiding op de hoogte hadden behoren te zijn van het

feit dat de l.o. niet eerder een RAG had geleid en dat zij extra aandacht aan de dag had moeten leggen in

de periode dat de ervaren man in de teamleiding afwezig was.

Ik vind het opmerkelijk dat sommige geïnterviewden de inspecteur uit Schiedam als de l.o. zagen, terwijl

anderen de inspecteur uit het andere district de l.o. noemden. Beide groepen stonden dicht bij het onderzoek.

De l.o. en de plv. l.o. kenden elkaar voor 22 juni 2000 niet. De zaaksofficier, die in juni 2000 nog niet zo

heel lang de gebiedsofficier van Schiedam was, kende de l.o. nauwelijks en de plv. l.o. niet en had niet

eerder een groot onderzoek met laatstgenoemde gedaan. Het komt mij voor dat de onbekendheid tussen

de l.o. en de plv. l.o. en tussen de zaaksofficier en de l.o. en de plv. l.o. een handicap was. Men wist niet

wat men van elkaar kon verwachten. Dat heeft mogelijk de werkwijzen beïnvloed.

De teamleiding was erg inhoudsgericht bij het leidinggeven aan het team. De l.o. en plv. l.o. deden eigenlijk

hetzelfde werk; zij vulden elkaar niet aan.

Het heeft niet ontbroken aan aandacht en belangstelling van de kant van de korpsleiding en de parketleiding

voor de gang van zaken in het opsporingsonderzoek. Maar die aandacht en belangstelling uitten zich

niet in het stellen van kritische vragen of in het verzoek een presentatie te houden van de zaak. Evenmin

werd gevraagd om of aangedrongen op tussentijdse (schriftelijke) rapportages van de teamleiding of de

gedaan op (nationale en internationale) deskundigen op allerlei gebied. De bedoeling is dat de deskundigheid van de deskundige

wordt getoetst en dat ervaringen met deskundigen worden geregistreerd in de deskundigenbank.

ORGANISATORISCHE ASPECTEN 25

zaaksofficier. Er werd genoegen genomen met antwoorden en voorlichting die, kan achteraf worden geconcludeerd,

niet de zwakke punten en valkuilen in het bewijs duidelijk maakten. De RAG-richtlijn voorzag

weliswaar in tussentijdse evaluaties, maar dat deel van de richtlijn werd niet nageleefd door de teamleiding

en op nakoming werd niet aangedrongen door hen die boven de teamleiding stonden in de politieorganisatie.

In een politiejournaal dienen, ten behoeve van intern gebruik, alle onderzoeksactiviteiten en –resultaten te

worden vastgelegd. Voor zover van onderzoeksactiviteiten geen proces-verbaal wordt opgemaakt, moet de

verslaglegging in het journaal dusdanig zijn dat het journaal later gebruikt kan worden voor het maken van

een aanvullend proces-verbaal. Het werkjournaal zou in chronologische volgorde alle opsporingshandelingen

binnen een onderzoek moeten weergeven.17 De verslaglegging binnen RAG ‘Park’ had, waar het het

weergeven van de handelingen en de identificatie van de verslagleggende teamleden betreft, uitgebreider

en beter gekund. Het ontbreken van beslissingen en het expliciteren daarvan ervaar ik als een omissie. De

niet optimale verslaglegging bemoeilijkte de reconstructie van het onderzoek. Niet optimale verslaglegging

hindert ook de 'organisatie van tegenspraak' in de loop van een onderzoek. Bij het onderzoek betrokkenen,

zowel intern als extern, kunnen dan moeilijk een totaaloverzicht krijgen. Zicht op onvolkomenheden in de

informatie of het stellen van kritische vragen kan dan uitblijven. Een goede verslaglegging maakt het teamleden,

maar ook externen als districtsleiding, korpsleiding of parketleiding mogelijk de rol van horzel te vervullen.

3.12 Tegenspraak/kritische blik

In veel onderzoeken is van meet af aan duidelijk wie de dader is of komt dat snel ondubbelzinnig vast te

staan. In zulke zaken zal geen of weinig behoefte bestaan aan een horzel, advocaat van de duivel, review,

second opinion of intercollegiale toetsing.

In sommige onderzoeken is dat anders. Bij de Schiedammer parkmoord moet eind 2000/begin 2001 voor

de officieren van justitie en de leiding van het politieteam duidelijk geweest zijn dat dit geen ‘open and shut

case’ was en dat er serieuze twijfel mogelijk was over de schuld van Kees B. en de kracht van het bewijs

tegen hem. Het heeft echter, nadat Kees B. bekend had, binnen en buiten het team ontbroken aan personen

die de dan ingeslagen onderzoeksrichting ter discussie hebben gesteld. De te stellen vraag is dan welke

factoren het niet vóórkomen van een dergelijk tegengeluid in de hand hebben gewerkt.

Tijdsdruk en capaciteitsproblemen hebben vermoedelijk geen rol gespeeld. Eerder is aangegeven dat zowel

korps- als parketleiding een hoge prioriteit aan het onderzoek toekenden. Zo gingen de voor RAGteams

gebruikelijke regels ten aanzien van menskracht en tijd (bijvoorbeeld een looptijd van circa twee

weken) niet op. Er is niet of nauwelijks druk uitgeoefend om mensen die ter beschikking waren gesteld van

RAG 'Park' te laten terugkeren naar hun onderdeel.

Maatschappelijke druk (waaronder de media) om de zaak op te lossen was wel voelbaar maar heeft, naar

zeggen van teamleiding en officieren van justitie in de interviews, geen invloed gehad op de werkzaamheden.

Een te sterke verbondenheid met het onderzoek kan de optie van een andere onderzoeksrichting of het

kritisch bezien van de ingeslagen onderzoeksrichting hebben geblokkeerd. In dat geval hebben een of meer

personen te dicht op het onderzoek gezeten en waren zij zo overtuigd van de schuld van Kees B. en de

17 Vgl. T. Egberink en A. van Amelsvoort, ‘Algemene aspecten van vastlegging’, op het Politiekennisnet.

ORGANISATORISCHE ASPECTEN 26

kracht van het bewijs tegen hem, dat moeilijk gesproken kon worden van een afstandelijke en kritische

houding. Niet uitgesloten is dat dit tijdens het onderzoek is gebeurd en dat andere leden van het onderzoeksteam

daarin zijn meegesleept.

Het onderzoek is na de bekentenissen van Kees B. niet breed gehouden. Integendeel, na de bekentenissen

van Kees B. in het weekend van 9 en 10 september 2000 werd het onderzoeksteam ingekrompen en werd

praktisch alleen nog maar onderzoek gedaan naar Kees B.. Niemand heeft voorgesteld of opdracht gegeven

om een koppel rechercheurs of de analisten te belasten met de taak de hypothese dat Kees B. de dader

was te ontkrachten of om een overzicht van zwakke punten te maken. Daarvoor was ook na de bekentenis

van Kees B. tijd en menskracht beschikbaar. Zo hebben de twee, later aan het onderzoek toegevoegde,

analisten geen overzicht hoeven te maken van de verschillen in de verklaringen van Maikel en Kees B..

Ook hebben zij geen overzicht hoeven te maken van vraagpunten over de rol van Kees B. en zijn bekentenissen.

Er is geen opdracht gegeven overige onderzoeksrichtingen goed in kaart te brengen.

Organisatie van tegenspraak binnen het team. Veel leden van RAG ‘Park’ die geïnterviewd zijn, zeggen dat

binnen het team ruimte was een afwijkende mening te verkondigen. In interviews hebben een aantal leden

van RAG ‘Park’ gezegd dat zij altijd wel twijfels hadden over de schuld van Kees B. en over bijvoorbeeld de

tijdlijn die was gemaakt. In de stukken en uit de interviews die zijn afgenomen blijkt erg weinig van afwijkende

meningen of discussies in het team. Bij het gebrek aan kritiek speelt misschien mee dat de meeste

teamleden geen totaaloverzicht van de zaak hadden. Achteraf is niet te zien dat er presentaties zijn gegeven

aan het gehele team over bijvoorbeeld het beschikbare bewijs, de verklaringen van Maikel of het technisch

onderzoek.

Een review is nagelaten. Een review is een methodiek om een lopend opsporingsonderzoek periodiek,

objectief en systematisch te toetsen, teneinde de kwaliteit ervan te vergroten. In het onderzoek RAG 'Park'

is de mogelijkheid van een review ter sprake gekomen. De plv. l.o. heeft in het interview gezegd dat hij een

maand na het begin van het onderzoek aan zijn eigen districtschef heeft gevraagd om een review van het

onderzoek. Volgens de l.o. was het idee om drie maanden na de aanvang van het onderzoek een review te

houden. Toen Kees B. als verdachte in beeld kwam is besloten om te wachten met zo'n review; door de

aanhouding van Kees B. vond men een review niet meer nodig.

Geen kritische vragen vanuit de hiërarchische lijn. In het voorgaande is aangegeven dat in beide kolommen

(de politie en het OM) regelmatig sprake was van contact van de teamleiding c.q. de zaaksofficier met de

leiding van die organisaties. Dat contact had vooral betrekking op het verloop van het onderzoek. In deze

contacten werd niet diep ingegaan op de zaak door korps- dan wel parketleiding. Niet duidelijk is of in die

contacten beslispunten werden geëxpliciteerd. De indruk bestaat dat degenen die in de hiërarchische lijn

boven de teamleiding c.q. zaaksofficier stonden, na de bekentenissen van Kees B. afgingen op berichtgeving

van teamleiding en zaaksofficier en niet kritisch doorvroegen. Van de mogelijkheden die er bestonden

om na afloop van het onderzoek dieper op de zaak in te gaan is klaarblijkelijk geen gebruik gemaakt. Zo is

er geen eindrapportage ten behoeve van het management gemaakt van het RAG 'Park' en is vermoedelijk

evenmin iets gedaan met de punten uit de eindevaluatie.

Niet optimale informatiedeling. Op onvolkomenheden of kwetsbaarheden in informatie of op het ontbreken

van informatie kan in de meeste gevallen pas zicht worden verkregen wanneer men op een gegeven moment

- achteraf - zicht heeft op alle beschikbare informatie. Niet alle bij het onderzoek betrokkenen (in het

team alsook daarbuiten bij politie en justitie) hadden dat zicht. Een additioneel punt (in dit onderzoek) is dat

het journaal wel inzicht gaf in het wie en wat van de onderzoekshandelingen maar niet in het waarom van

beslissingen. Dat kan het voor hen lastig gemaakt hebben beslissingen ten aanzien van volgende in het

onderzoek te nemen stappen te beoordelen.

ORGANISATORISCHE ASPECTEN 27

Pas bij de behandeling in hoger beroep is het de advocaat-generaal geweest die als eerste aantoonbaar

blijk heeft gegeven van een kritische kijk op de zaak. Zij heeft een uitgebreid overzicht gemaakt van ‘vragen

en ongerijmdheden in de zaak Kees B.’. In dat overzicht somt zij vele punten op die haars inziens vreemd

zijn.

3.13 Conclusies

Degenen die van de kant van politie en justitie leiding gaven aan het opsporingsonderzoek van RAG ‘Park’

hadden geen van allen eerder een zaak van deze omvang, dit gewicht en deze impact geleid. Dit, in combinatie

met het feit dat betrokkenen niet eerder intensief met elkaar hadden samengewerkt, heeft het verloop

van het onderzoek mogelijk negatief beïnvloed.

De functie van de zaaksofficier als kritisch betrokkene bij het opsporingsonderzoek, kwam niet tot ontplooiing

doordat zij erg dicht op het onderzoek en de teamleiding zat. De l.o. en de plv. l.o. boden daarvoor geen

compensatie, mogelijk door een gebrek aan leidinggevende kennis en ervaring voor een onderzoek als het

onderhavige. Dat heeft in de weg gestaan aan bijsturing. Dit speelde zeker een rol in de periode na de bekentenissen

van Kees B..

Het ontbreken van interne en externe tegenspraak en kritische geluiden en het ontbreken van kritische

aandacht voor de zaak bij de korps- en parketleiding hebben in de weg gestaan aan bijsturing van de lijn

die na de bekentenissen van Kees B. was ingezet door de teamleiding en de zaaksofficier. Die lijn, die inhield

dat na 10 september 2000 eigenlijk alleen onderzoek werd gedaan naar de hypothese dat Kees B. de

dader van de feiten in het Beatrixpark was, heeft in de gehele verdere procedure doorgewerkt in het nadeel

van Kees B..

Het ontbreken van beslissingen en het expliciteren van de motivering daarvan wordt als een omissie ervaren.

Niet optimale verslaglegging hindert ook de 'organisatie van tegenspraak' in de loop van een onderzoek.

Degenen die bij het onderzoek betrokken zijn, zowel intern als extern, kunnen dan moeilijk een totaaloverzicht

krijgen. Zicht op onvolkomenheden in de informatie of het stellen van kritische vragen kunnen

dan uitblijven. Een goede verslaglegging maakt het teamleden, maar ook externen als districtsleiding,

korpsleiding of parketleiding mogelijk de rol van horzel te vervullen. De niet optimale verslaglegging bemoeilijkte

overigens ook de reconstructie van het onderzoek.

3.14 Aanbevelingen

Op 1 januari 2004 is het ‘Raamwerk Team Grootschalige Opsporing (TGO)’ in werking getreden. Dat

raamwerk is een landelijk model dat onder verantwoordelijkheid van de Raad van Hoofdcommissarissen

door het programmabureau Abrio is opgesteld. De regiokorpsen moeten het raamwerk uitvoeren en nader

invullen met regionale TGO-regelingen. Doel van het Raamwerk TGO en de regionale uitvoeringsregelingen

is verhoging van de kwaliteit van de opsporing bij kapitale delicten. De kwaliteitsverbetering komt onder

meer tot uiting in de aanwijzing van een vaste kern leidinggevenden, de aanwijzing van een vaste kern van

ervaren medewerkers, competentieprofielen voor de verschillende functies binnen een TGO, aanscherping

van de rol van de teamleider TGO, uniformering ten aanzien van de te gebruiken processen-verbaal, draaiboeken,

checklists e.d., implementatie van het PD-management (zie Hoofdstuk 4), tussentijdse en eindrapportages

en collegiale toetsing. Het laatste onderwerp is nader uitgewerkt in het document met de titel

““Thema of voortgang review” bij een team grootschalige opsporing”. Verlenging van onderzoeken vindt

thans in Rotterdam plaats in een Stuurploeg Zware Criminaliteit, waarin het OM is vertegenwoordigd door

ORGANISATORISCHE ASPECTEN 28

de rechercheofficier. Dan is telkenmale sprake van een kritische beoordeling van de voortgang; een permanente

reflectie is daarmee verzekerd.

Het Raamwerk TGO en de regionale TGO-regelingen voorzien in potentie in oplossingen van een aantal

problemen die bij RAG ‘Park’ te zien waren: het gebrek aan leidinggevende ervaring bij de teamleiding, de

teveel inhoudsgerichte sturing door de teamleiding, het ontbreken van kritische aandacht van de kant van

de korpsleiding, de gebrekkige verslaglegging, het ontbreken van tussentijdse voortgangsrapportages. Het

verdient daarom aanbeveling dat de TGO-structuur in de praktijk wordt gevolgd.

Leiding geven aan een grootschalig onderzoek vraagt speciale capaciteiten, vaardigheden en kennis. In het

Raamwerk TGO wordt dat onderkend. In de ontwikkeling van de capaciteiten, vaardigheden en kennis van

degenen die leiding geven aan grote onderzoeken moet geïnvesteerd worden.

Betrek bij onderzoeken in ernstige zaken waarbij de schuldvraag niet ondubbelzinnig duidelijk is, van buiten

komende referenten. Onder referenten versta ik niet bij het onderzoek betrokken (recherche)deskundigen,

die de beschikbare informatie krijgen, tegen het licht houden en op grond van hun ervaring en deskundigheid

vragen kunnen stellen c.q. nog niet in het onderzoek aangevoerde argumenten te berde kunnen brengen.

Als (in beginsel) onafhankelijke deskundigen als referent zijn ingeschakeld, kunnen zij echter niet meer

worden gepresenteerd als onafhankelijk deskundige ter terechtzitting.

Benoem de onderzoeksrichtingen die niet worden uitgerechercheerd en administreer en archiveer die op

een manier dat er later op kan worden teruggegrepen.

In een opsporingsonderzoek kan een onderscheid worden gemaakt tussen de identificatiefase (fase waarin

gezocht wordt naar de dader) en de bewijsfase (fase waarin een zitting bij de rechter wordt voorbereid).

Juist in de tweede fase is de organisatie van tegenspraak van belang. Het verdient aanbeveling dat binnen

het Openbaar Ministerie in bepaalde categorieën zaken, bijvoorbeeld zaken waarin de politie volgens de

TGO-structuur heeft gewerkt, lopende het onderzoek informatievoorziening aan leidinggevenden binnen het

parket wordt gestandaardiseerd, alsmede dat een geïnstitutionaliseerde vorm van tegenspraak wordt ontwikkeld

en dat na afloop evaluatie plaatsvindt.

In de politie-interne verslaglegging van grootschalige onderzoeken moet duidelijk zijn welke politiefunctionaris

wat heeft geregistreerd. In de verslaglegging dienen in ieder geval beslissingen te worden vermeld en

toegelicht.

Ontwikkel een instructie voor het Openbaar Ministerie voor de verschillende vormen van interne verslaglegging

in bepaalde categorieën zaken en zie toe op naleving. Deze instructie zou ingepast kunnen worden in

de ‘Handleiding behandeling gevoelige zaken’.18 Tenminste zouden er interne voortgangsrapportages moeten

zijn waarin door de zaaksofficier, al dan niet samen met de teamleiding, verantwoording wordt afgelegd

over het onderzoek.

Laat (voor zover het uitgangspunt van need to know dat toelaat) in teams met regelmaat presentaties

plaatsvinden van de beschikbare informatie.

18 Vastgesteld door het College van procureurs-generaal op 10 april 2001 en in werking getreden op 15 juni 2001.

HET TECHNISCHE ONDERZOEK 29

4 HET TECHNISCHE ONDERZOEK

4.1 Inleiding

De strafbare feiten die onderzocht zijn door RAG 'Park' zijn gepleegd op 22 juni 2000. Het onderzoek in de

zaak Kees B. heeft gelopen tot begin 2002. Sinds 22 juni 2000 en sinds begin 2002 is er op het gebied van

forensisch-technisch onderzoek veel veranderd. Het DNA-onderzoek bijvoorbeeld heeft sinds begin 2002

nieuwe ontwikkelingen gekend.19 Verder is de komst van medewerkers van het Nederlands Forensisch

Instituut (NFI) naar een plaats delict (PD) binnen de forensisch-technische opsporingsketen geen zeldzaamheid.

Ook in de werkwijzen van de technische recherche (TR) is sinds juni 2000 veel veranderd. Het

werk van de TR is op een aantal punten professioneler geworden, bijvoorbeeld door de invoering van het

PD-management en door kwaliteitskringen van technisch rechercheurs.

Er was geen technisch bewijs tegen Kees B.. Toch is het van belang in te gaan op de technische aspecten

van het onderzoek in de Schiedammer parkmoord. In de eerste plaats omdat technisch bewijs in strafzaken

steeds belangrijker wordt. In de Schiedammer parkmoord zijn een aantal punten in het technisch onderzoek

aan te wijzen die ook nu nog (kunnen) spelen en die vatbaar zijn voor verbetering. In de tweede plaats

omdat er in de contacten met het NFI een paar bijzondere aspecten zitten. In de derde plaats omdat het

wellicht bevreemding wekt dat het ontbreken van technisch bewijs in deze zaak niet in het voordeel van

Kees B. heeft gewerkt.

Hierna geef ik een beschrijving van de feitelijkheden en een beoordeling van achtereenvolgens de technische

recherche, het NFI en het OM.

4.2 Technische recherche

4.2.1 De vier plaatsen delict

In het onderzoek RAG 'Park' zijn vier plaatsen delict (PD’s) benoemd. Als bijlage bij het rapport zijn twee

kaarten van het Beatrixpark gevoegd. Op de kaarten zijn de vier PD's aangegeven.

- PD A was het deel van het Beatrixpark waar de strafbare feiten jegens Nienke en Maikel waren

gepleegd en het gebied daaromheen.

- PD B was de plek waar de fietsen van Nienke en Maikel stonden en het gebied daaromheen.

- PD C was het deel van het park waar door een aantal getuigen een (enge) man met een fiets was

gezien en het gebied daaromheen.

- PD D was het deel van het park waar door tenminste één getuige een vreemde man was gezien

(ander signalement dan van de man op PD C) en het gebied daaromheen.

Op de avond van 22 juni 2000 waren PD's A, B en D bekend. PD C is enkele dagen later in beeld gekomen,

nadat door een aantal getuigen verklaringen waren afgelegd over een (enge) man die daar op 22 juni 2000

aan het eind van de middag op een bankje had gezeten. De aanduidingen A t/m D zijn daarom vermoedelijk

pas na 27 juni 2000 toegekend. Overigens is het in de processen-verbaal van de TR moeilijk om vast te

stellen hoe PD’s C en D in beeld zijn gekomen.

19 Deze ontwikkelingen op DNA-gebied vormen mede de verklaring dat in het onderzoek tegen Wik H. in 2004/2005 meer DNAbewijs

is gevonden dan in het onderzoek in de zaak Kees B. in de jaren 2000-2002. Er waren in 2004/2005 betere technieken

om DNA-materiaal te isoleren, het Y-STR DNA-onderzoek is nu veel gevoeliger dan toen en bij de LCN-methode is vooruitgang

geboekt.

HET TECHNISCHE ONDERZOEK 30

Een aantal bruggen in het park zijn binnen RAG 'Park' ook aangeduid met de letters A t/m D. De aanduiding

van zowel de plaatsten delict als de bruggen met dezelfde letters werkt verwarrend, temeer daar de meeste

bruggen en PD's die dezelfde letter hebben niet naast elkaar liggen.

4.2.2 Inzet technische recherche

Op 22 juni 2000, om 18.07/18.08 uur, wordt via 112 en de meldkamer van de regiopolitie Rotterdam-

Rijnmond melding gemaakt van een ernstig misdrijf in het Beatrixpark in Schiedam. Om 18.17 uur stelt de

meldkamer technisch rechercheur 1, die regionaal piket heeft, in kennis. Technisch rechercheur 1 is vervolgens

naar het Beatrixpark gegaan. Op grond van de beschikbare gegevens kan niet met zekerheid vastgesteld

worden hoe laat hij bij de PD aankwam. Hij zelf zegt dat hij rond 19.15-19.20 uur ter plaatse was. Het

tijdstip 19.20 uur is vermeld in een proces-verbaal van technisch onderzoek dat mede door hem is opgemaakt.

In een ander proces-verbaal dat mede door technisch rechercheur 1 is opgemaakt, staat dat er al

om 18.20 uur onderzoek is verricht door de TR. Dat tijdstip kan niet juist zijn. Het interne politiejournaal

vermeldt dat technisch rechercheur 1 om 20.15 uur ter plaatse was en dat technisch rechercheur 2 toen

onderweg was. De tijdsvermelding (die redelijk nauwkeurig lijkt te zijn) op een videoband die op 22 juni

2000 's avonds gemaakt is, laat zien dat de TR in elk geval rond 20.00 uur ter plaatse was.

Het tijdstip 19.20 uur lijkt het meest aannemelijk als tijdstip van aankomst. In dat geval heeft het na de

waarschuwing dus ongeveer één uur geduurd voor technisch rechercheur 1 ter plaatse was.

Op de avond van 22 juni 2000 zijn in totaal drie technisch rechercheurs actief geweest in het Beatrixpark.

Technisch rechercheur 1, degene die als eerste aanwezig was, had een volledige opleiding voor technisch

rechercheur gehad en had ruime ervaring met technische onderzoeken, ook bij ernstige delicten. Technisch

rechercheur 2 werkte in juni 2000 anderhalf jaar in die functie en had alleen de basiscursus voor het verrichten

van eenvoudige technische onderzoeken gevolgd (TRM 1). Deze zaak was zijn eerste grote onderzoek.

Technisch rechercheur 3 was volledig opgeleid en had ervaring met technisch onderzoek bij ernstige

delicten.

Technisch rechercheur 2 is op verzoek van technisch rechercheur 1 naar het Beatrixpark gekomen. Technisch

rechercheur 3 is op verzoek van technisch rechercheurs 1 en 2 ter plaatse gekomen.

Technisch rechercheurs 1 en 2 hebben op de avond van 22 juni 2000 samen het onderzoek op PD A gedaan,

zowel het onderzoek op de enge PD A als op de ruime PD A. Met de enge PD A wordt bedoeld de

plek waar het stoffelijk overschot van Nienke was gevonden en de paar vierkante meter daaromheen. Met

de ruime PD A wordt bedoeld het gebied daaromheen en dat begrensd was zoals aangegeven op de kaart

die als bijlage bij het rapport is gevoegd.

Technisch rechercheur 3 heeft op de avond van 22 juni 2000 het technisch onderzoek op PD B en PD D

uitgevoerd.

In juni 2000 was de technische recherche in de regio Rotterdam-Rijnmond nog decentraal georganiseerd.

Alle - twaalf - districten in de politieregio Rotterdam-Rijnmond hadden een eigen technische recherche. De

ontwikkeling naar een regionaal georganiseerde technische recherche was in juni 2000 wel al in gang gezet,

maar nog niet afgerond. Als leidinggevende van de districtelijke technische recherche trad vaak het

hoofd van de districtelijke Operationele Ondersteunende Eenheid (OOE) op. De OOE was een eenheid

waar een veelheid van diensten onder viel. Het hoofd van de OOE had niet altijd kennis van zaken van het

werk van de TR op inhoudsniveau.

HET TECHNISCHE ONDERZOEK 31

Technisch rechercheurs in de politieregio Rotterdam-Rijnmond werkten ten tijde van de feiten in het Beatrixpark

primair voor het eigen district. Wel draaiden zij volgens een rooster technisch recherchepiket voor

de gehele regio.

De drie technisch rechercheurs die in deze zaak op 22 juni 2000 werkzaamheden hebben verricht, kwamen

uit drie verschillende districten. Zij kenden elkaar niet of nauwelijks. Zij waren niet op de hoogte van elkaars

opleidingsniveau, werkervaring en werkwijzen. Men was niet op elkaar ingespeeld.

Ten tijde van het onderzoek op de avond van 22 juni 2000 was geen PD-coördinator of kaderlid van de

technische recherche aanwezig in het Beatrixpark. Op die avond zijn wel twee officieren van justitie (onder

hen niet de latere zaaksofficier) en diverse leden van de tactische recherche in het park geweest (onder

hen de Schiedammer districtschef, het hoofd van de Schiedammer districtsrecherche en de latere leider

onderzoek). Zij kenden de technisch rechercheurs niet of nauwelijks en zij gingen er allen stilzwijgend van

uit dat de technisch rechercheurs vakbekwaam waren en wisten wat zij deden en moesten doen. Kritische

vragen als: is het mogelijk microsporen af te nemen op de PD, moet het NFI worden gewaarschuwd, wordt

de PD niet te snel vrijgegeven, zijn voor zover mij bekend niet door hen gesteld aan de technisch rechercheurs.

4.2.3 Videoteam

Niet lang na de melding van een ernstig delict in het Beatrixpark is een videoteam van de politie dat toevallig

in dienst was en dat zich bezig hield met het maken van opnames voor de politie in het kader van het

voetbalkampioenschap EK 2000 en geen ervaring had met het maken van opnames op een PD, op eigen

initiatief naar het park gegaan. Dat team heeft op de avond van 22 juni 2000 video-opnames gemaakt in het

park. Het videoteam was vóór de TR in het park en heeft ook toen opnames gemaakt. Na de komst van de

TR heeft het videoteam op aanwijzing van de TR opnames gemaakt van de enge PD A. Later zijn van die

video-opnames 25 stills gemaakt van het lichaam van Nienke. Het videoteam was niet opgeleid voor het

maken van opnames ten behoeve van technisch onderzoek.

De kwaliteit van de video-opnames laat te wensen over: de opnames geven geen duidelijk beeld van het

park, de loop van paden is niet helder, de enge PD A is van afstand opgenomen en er is niet ingezoomd op

technisch relevante zaken zoals bijvoorbeeld het sporenbeeld op en bij het lichaam van Nienke.

4.2.4 Onderzoek op PD A

Voordat technisch rechercheur 1 in het Beatrixpark was aangekomen, was geruime tijd verstreken. De eerste

maatregelen op en rond PD A zijn getroffen door de uniformdienst, die als eerste in het park was. Voor

zover over het optreden van de uniformdienst gegevens beschikbaar zijn, lijkt men juist te hebben gehandeld.

Mogelijk had PD A ruimer kunnen worden afgezet.

Het precieze tijdstip waarop het technisch onderzoek op PD A is begonnen, is niet met zekerheid vast te

stellen. Afgaande op de tijdstippen die zichtbaar zijn op de videoband, is het onderzoek van technisch rechercheurs

1 en 2 op de enge PD A waarschijnlijk begonnen rond 20.15 uur. Waarschijnlijk had technisch

rechercheur 1 voor die tijd al een aantal handelingen (zoals het maken van foto's) op de ruime PD A verricht.

Rond 21.20 uur is het lichaam van Nienke in de lijkenzak gelegd en is het lichaam weggehaald van de

enge PD A. Het onderzoek aan het lichaam van Nienke heeft dus ruim één uur in beslag genomen.

Nadat het lichaam van Nienke was weggehaald, is het onderzoek op de enge PD A voortgezet tot uiterlijk

22.45 uur. Tussen 22 juni 2000, 22.45 uur en 23 juni 2000, 00.36 uur heeft een sectie Mobiele Eenheid

(ME) een zoeking verricht op de ruime PD A. In linie is de sectie ME de ruime PD A doorgelopen.

HET TECHNISCHE ONDERZOEK 32

Technisch rechercheurs 1 en 2 waren daarbij aanwezig. Als een lid van de ME iets zag liggen, hield de

gehele linie halt. Vervolgens werd aan technisch rechercheur 1 of 2 aangewezen wat men had gezien. De

technisch rechercheurs beoordeelden het gevonden voorwerp. Vervolgens werd op aangeven van technisch

rechercheurs 1 of 2 aan de ME het signaal gegeven om verder te gaan met zoeken.

Over het onderzoek op de enge en ruime PD A kan ten aanzien van de volgende punten iets worden gezegd:

a. het niet veiligstellen van sporen van het lichaam van Nienke;

b. het veiligstellen en onderzoeken van andere sporen;

c. het gebruik van cijferbordjes;

d. het ontbreken van een beschrijving van het sporenbeeld op en bij het lichaam van Nienke;

e. het fotomateriaal dat is gemaakt;

f. de zoeking door de mobiele eenheid;

g. het niet inzetten van een hond.

ad a. het niet veiligstellen van sporen van het lichaam van Nienke

Op de enge PD A zijn geen microsporen veiliggesteld van het lichaam van Nienke. De bemonstering van

het lichaam zou op basis van een bewuste afweging van dat moment plaatsvinden door het NFI in het laboratorium.

Niet is overwogen om het NFI naar de plaats delict te roepen. Dat had wel gekund. In juni 2000

had de afdeling Biologie van het NFI de mogelijkheid om snel ter plaatse te komen om bij technisch onderzoek

bij ernstige delicten te assisteren bij het veiligstellen van microsporen. Die dienstverlening van het NFI

was in die tijd weliswaar nog niet ingeburgerd bij de technische recherches in het land, maar er was wel

bekendheid aan gegeven in die kringen, althans bij leidinggevenden in die kringen. In het landelijk overleg

van het NFI met de Adviesgroep Forensisch Onderzoek (AGFO)20 was die mogelijkheid al vóór juni 2000

aan de orde geweest. Vast staat dat er in deze zaak op de avond van 22 juni 2000 geen overleg heeft

plaatsgevonden tussen de technisch rechercheurs en het NFI.

Het onderzoek op de enge PD A heeft niet erg lang geduurd. Eén geïnterviewde technisch rechercheur

geeft daarvoor als reden dat de weersomstandigheden (dreigende regen) tot spoed noopten. De andere

twee technisch rechercheurs zeggen daar echter niets van. Uit door mij opgevraagde informatie van het

KNMI over het weer in Schiedam op 22 juni 2000 blijkt dat het na 15.15 uur niet geregend heeft, maar dat

het laat op de avond zwaar bewolkt werd. Een andere geïnterviewde technisch rechercheur geeft als reden

voor het snelle werken de invallende duisternis op. Zowel het een als het ander had met relatief eenvoudige

middelen overkomen kunnen worden (tent of andere afdekking; kunstlicht). In het interview van de l.o. is

naar voren gebracht dat door de TR was gezegd dat snelheid was geboden omdat insecten het sporenbeeld

zouden kunnen verstoren.

ad b. het veiligstellen en onderzoeken van andere sporen

Er is voor gekozen de kledingstukken die op de enge PD A waren aangetroffen, na het fotograferen direct

te verpakken om een onderzoek bij het NFI de meeste kans van slagen te geven. Op de enge PD A zijn

nog een aantal andere stukken van overtuiging veiliggesteld, onder meer verpakkingsmateriaal van etenswaren.

Niet vermeld is echter waar dat materiaal lag ten opzichte van de slachtoffers Nienke en Maikel. Ook

is niet gebleken dat de verpakkingsmaterialen onderzocht zijn. Technisch rechercheur 1 heeft in het interview

gezegd dat de verpakkingen van de etenswaren onderzocht zijn. Een proces-verbaal waarin dat onderzoek

is weergegeven, heb ik echter niet aangetroffen bij de stukken die mij ter beschikking stonden.

20 De AGFO is een overlegorgaan waarin de hoofden van de regionale technische recherches zijn vertegenwoordigd.

HET TECHNISCHE ONDERZOEK 33

Om verschillende redenen had het van belang kunnen zijn te weten waar die verpakkingsmaterialen lagen.

Ook had onderzoek daarvan relevant kunnen zijn, bijvoorbeeld om de volgende redenen:

- De werkwijze van de dader, zoals beschreven door Maikel, had aanleiding kunnen geven tot de

gedachte dat de dader het park, althans een bepaald deel van het park goed kende. De aanwezigheid

van verpakkingen van etenswaren had erop kunnen duiden dat de dader vaker op die plek

had gezeten en daar had gegeten. Op het verpakkingsmateriaal hadden dadersporen kunnen zitten.

- Het was mogelijk geweest dat de dader de verpakkingen had opgepakt of opzij had geschoven of

per ongeluk had aangeraakt toen hij de feiten pleegde.

- In een verhoor van een verdachte had gebruik gemaakt kunnen worden van het gegeven dat er

bepaalde spullen waren gevonden op de PD, hetzij ter insluiting van die verdachte, hetzij ter uitsluiting.

ad c. het gebruik van cijferbordjes

Bij het fotograferen van de enge PD A en van het slachtoffer Nienke op de enge PD is gebruik gemaakt van

cijferbordjes. Die bordjes zijn geplaatst in een metalen driepootstatief. Zulke bordjes en statieven worden in

het algemeen niet gedesinfecteerd na een vorig gebruik. Op de foto's is te zien dat één cijferbordje óp het

lichaam van Nienke is gezet. Daardoor is een aanzienlijk risico op contaminatie of het vernietigen van aanwezige

sporen of het maken van nieuwe sporen genomen.

ad d. het ontbreken van een beschrijving van het sporenbeeld op en bij het lichaam van Nienke

In de stukken van de TR ontbreekt een beschrijving en een duiding van het sporenbeeld op en bij het lichaam

van Nienke. In de stukken staat niets over bijvoorbeeld:

- hoe de kleding op en bij het lichaam van Nienke lag;

- wat de zichtbare verwondingen van Nienke waren;

- wat de zichtbare sporen waren;

- wat de ligging en houding van het lichaam van Nienke was;

- hypothesen over de ligging van het stoffelijk overschot en het ontstaan van de sporen.

ad e. het fotomateriaal

Van de enge PD A en van het slachtoffer Nienke op de enge PD A zijn relatief weinig fotografische opnames

gemaakt, namelijk 28. Ter vergelijking: van de afdamming, het leegpompen en het doorzoeken van

een waterpartij in het Beatrixpark op een latere datum zijn 72 foto's gemaakt. Wel zijn er, zoals gezegd, van

de video-opnames die op de avond van 22 juni 2000 gemaakt zijn, stills gemaakt van de enge PD A.

Het ontbreekt aan fotografische detailopnames van sporen en kleding. De ligging van het stoffelijk overschot

en de verwondingen van Nienke zijn evenmin gedetailleerd gefotografeerd. Ook ontbreken detailopnames

van de schoen die om haar nek was gebonden, en van de knopen in de veter van die schoen.

Alle foto's van Nienke op de enge PD A zijn van één kant genomen. Daardoor staat onder meer de voorzijde

van het gelaat van Nienke niet op deze foto's. Als verklaring is gegeven dat aan de andere kant bosschages

waren. Waarom de technisch rechercheurs niet zonder de PD te verstoren in de bosschages hadden

kunnen gaan staan, wordt niet duidelijk.

Door het ontbreken van gedetailleerde foto's en door de eenzijdige blik van de foto's is aan de hand van de

foto's geen goed beeld te krijgen van de enge PD A, de ligging van Nienke, de letsels van Nienke, de aanwezige

stukken van overtuiging en sporen op de enge PD A en de onderlinge relatie daartussen.

HET TECHNISCHE ONDERZOEK 34

Bij het maken van de foto's op de PD heeft men kennelijk gebruik gemaakt van direct flitslicht. Daardoor is

de voorgrond en het onderwerp van de foto uitgebleekt en is de achtergrond donker weergegeven. Details

in het gefotografeerde kunnen daardoor verloren zijn gegaan.

ad f. de zoeking door de mobiele eenheid

Op de avond van 22 juni 2000 heeft van ongeveer 22.45 tot 00.36 uur een zoeking plaatsgevonden op de

ruime PD A door een sectie ME. Niet duidelijk is geworden waarom deze zoeking niet is uitgesteld tot de

volgende ochtend. Immers, toen de zoeking begon was het al bijna donker. Men heeft met kunstlicht gezocht.

Betwijfeld kan worden of dat veel heeft geholpen bij het zoeken. Bedacht moet worden dat gezocht

werd in een deel van het park waar niet alleen laag gras, maar ook hoog gras, onkruid, bosschages en

bomen stonden.

Van deze zoeking door de ME zijn video-opnames gemaakt. Daarop is te zien dat gevonden spullen worden

bekeken door technisch rechercheurs 1 en 2 en dat vervolgens een aantal van die spullen op een

hoopje bij elkaar wordt gelegd. Dat opent de weg naar contaminatie van sporen.

Van wat is gevonden bij deze zoeking is geen overzichtelijke verslaglegging gemaakt.

Blijkens een aantekening in het journaal werd op 26 juni 2000 ontdekt dat een deel van PD A mogelijk niet

was doorzocht. Dat was het deel tussen de bosschages waar Nienke was gevonden en het water. Nog los

van de vraag of dat deel van PD A inderdaad niet was doorzocht: het geeft aan dat er op de avond van 22

juni 2000 niet gestructureerd en methodisch is gewerkt, althans dat er geen goede verslaglegging en/of

terugkoppeling van de werkzaamheden van de TR op de avond van de 22e juni had plaatsgevonden.

ad g. het niet inzetten van een hond

Op de avond van 22 juni 2000 was al bekend dat Maikel was gestoken en dat er vrij veel bloed was vrijgekomen.

Het was mogelijk geweest een speurhond in te zetten die getraind is op het zoeken op bloedgeur.

De hond had dan op de ruime PD A kunnen zoeken naar bijvoorbeeld een bebloed mes. Niet gebleken is

dat dit is overwogen.

4.2.5 Onderzoek op PD B

Op PD B stonden de fietsen van Nienke en Maikel. Deze PD is door de uniformdienst afgezet. Technisch

rechercheur 3 heeft vier foto's gemaakt. Hij heeft in het interview gezegd dat hij niet weet of de fietsen onderzocht

zijn. Uit de stukken blijkt niet wat er is gebeurd met de fietsen (bijvoorbeeld of zij in beslag genomen

zijn). Op de foto’s is te zien dat de fietsen verschoven lijken te zijn en dat er bij de fietsen een bandenspoor

is. In RAG ‘Park’ was, voor zover dat valt na te gaan, geen aandacht voor het bandenspoor of de

verschuiving van de fietsen. Er is in elk geval geen onderzoek naar gedaan, terwijl dat mogelijk van belang

had kunnen zijn. Pas in het onderzoek tegen Wik H. is duidelijk geworden waar dat bandenspoor vandaan

kwam.21

4.2.6 Onderzoek op PD D

PD D is in beeld gekomen op de avond van 22 juni 2000 door mededelingen van getuige A.K., die rond

18.00 uur een man had gezien op PD D. Die man was een jaar of 50, had een gezet postuur en was vrij

21 Een politieauto was opzettelijk tegen de fietsen aangereden om ruimte te maken voor de ambulance.

HET TECHNISCHE ONDERZOEK 35

fors. De man had een fiets bij zich. De man had op een bank gezeten op PD D. Naast de bank stond een

afvalbak. Deze PD is onderzocht door technisch rechercheur 3, die daarvan proces-verbaal heeft opgemaakt.

Hij heeft zeven foto's gemaakt en heeft een aantal stukken van overtuiging in beslag genomen: vier

lege blikjes uit een afvalbak, een leeg sigarettenpakje van de grond achter het bankje, twee lange haren

vanaf de bank, en zes peuken van de grond in de omgeving van het bankje. Ook is een gipsafdruk gemaakt

van een schoenspoor dat schuin voor de afvalbak stond.

4.2.7 Onderzoek op PD C

PD C is in beeld gekomen door getuigenverklaringen die na 22 juni 2000 zijn afgelegd. PD C was in elk

geval op 26 juni 2000 in beeld bij het onderzoeksteam. Dat blijkt uit een aantekening in het journaal op die

dag: “Tevens kwam er een nieuwe PD bij, nl. de bankjes waar onze verdachte mogelijk heeft gezeten. Hier

heeft de TR diverse peuken veiliggesteld. ... [G]enoemde plaats [zal] op 27/06/00 door een groep OG worden

doorzocht.” PD C is op 27 juni 2000 onderzocht door andere technisch rechercheurs dan 1, 2 en 3. Op

deze PD zijn toen enkele stukken van overtuiging in beslag genomen, namelijk een keukenmes, drie flesjes

en drie blikjes. Van PD C zijn enkele foto's gemaakt.

4.2.8 Behandeling van het stoffelijk overschot van Nienke op 22 en 23 juni 2000

Er is geen FT-norm voor het veiligstellen en bewaren van een stoffelijk overschot. Het stoffelijk overschot

van Nienke is op 22 juni 2000, rond 21.20 uur in een lijkenzak geplaatst. Later die avond is het stoffelijk

overschot naar een mortuarium in een uitvaartcentrum in Schiedam gebracht. De volgende dag is haar

lichaam in de lijkenzak overgebracht naar het NFI. Daar heeft op 23 juni 2000 sectie plaatsgevonden.

Gebleken is dat het stoffelijk overschot van Nienke in het uitvaartcentrum niet bewaard is in een ruimte

waar onbevoegden geen toegang toe hadden. Een medewerkster van het uitvaartcentrum heeft de koelcel

waarin het stoffelijk overschot werd bewaard geopend. Zij heeft het lichaam van Nienke gedeeltelijk uit de

koelcel gehaald en met een gehandschoende hand over de wang van Nienke gestreken. Zij heeft een bruin

speelgoedbeertje bij de lijkenzak (wel er buiten) gelegd.22 Hierdoor is gevaar van contaminatie ontstaan.

Door de medewerkster van het uitvaartcentrum is blijkens de aantekening in het journaal gezegd dat er

gaten in de lijkenzak zaten. In een interview is dat ook naar voren gekomen. Het is niet duidelijk geworden

of er inderdaad gaten in de lijkenzak hebben gezeten.

Uit foto's die gemaakt zijn bij de sectie en uit diverse interviews is komen vast te staan dat door de wijze

waarop het stoffelijk overschot van Nienke is bewaard en vervoerd tussen 22 juni 2000, 21.20 uur en de

sectie op 23 juni 2000, het sporenbeeld op het lichaam sterk in negatieve zin is beïnvloed. Op het NFI bleek

namelijk dat er erg veel vochtontwikkeling was geweest in en op het lichaam van Nienke. Daardoor waren

sporen op het lichaam van Nienke vermengd, gecontamineerd of verdwenen. Diverse geïnterviewden spreken

daarover. Het wordt bevestigd door fotomateriaal, zij het dat het moeilijk is een vergelijking te maken

van het sporenbeeld op het lichaam op de enge PD A en het sporenbeeld op het NFI, omdat er zo weinig

foto's gemaakt zijn op de enge PD A en op het NFI. Op foto's die op 23 juni 2000 op het NFI zijn gemaakt,

is te zien dat er bloed op de bovenzijde van de rug en de schouder van Nienke zit. Op een foto die is gemaakt

op de enge PD A is te zien dat op de rug van Nienke 'slechts' een veegspoor zit.

22 Dat blijkt uit een aantekening in het journaal van 13 november 2000. Van het gesprek met de medewerkster van het uitvaartcentrum

is geen proces-verbaal opgemaakt. In het relaasproces-verbaal wordt geen melding gemaakt van het gesprek.

HET TECHNISCHE ONDERZOEK 36

4.2.9 Reconstructie

Een technische reconstructie op de enge PD A op basis van foto's, video-opnames, sporen en verklaringen

is achterwege gebleven. Zo'n reconstructie had mogelijk meer inzicht gegeven in wat er was gebeurd op de

enge PD A en had mogelijk behulpzaam kunnen zijn bij beantwoording van de vraag of wat Maikel verklaarde

wel mogelijk was.

Maanden na de feiten is een 3Dvis computeranimatie gemaakt van PD A en de ruime omgeving daarvan.

Op de animatie zijn een aantal relevante plaatsen te zien en zijn de bewegingen van een aantal personen

weergegeven. Ik heb de resultaten gezien. Hoewel een 3Dvis computeranimatie een goed middel kan zijn,

geeft de animatie in deze zaak totaal geen realistisch beeld van de situatie in het park. De animatie draagt

niets bij aan de zaak. Dat is waarschijnlijk de reden dat de animatie niet aan het dossier is toegevoegd.

4.2.10 Luchtfoto's

Kort na de melding van de feiten in het Beatrixpark via 112 zijn vanuit een helikopter luchtfoto's gemaakt

van het park. Daarbij zitten een paar foto's van PD A en brug B. De negatieven van deze luchtfoto's zijn

zoek geraakt. Dat is jammer, want op een aantal foto's van brug B is te zien dat daarop een paar mensen

staan. Eén van hen, een man die op zijn rug wordt gezien en die een blauwe spijkerbroek en een donkerkleurig

shirt draagt, zou Kees B. kunnen zijn. Kees B. droeg die dag, naar eigen zeggen, een blauwe spijkerbroek

en een blauw shirt. Ook is op de luchtfoto’s een fiets te zien met daaraan een voorwerp, mogelijk

een tas of een zak met de kleuren wit en rood. Kees B. zegt dat hij aan zijn fiets een plastic zak had hangen.

Van de aanwezige foto's zijn later vergrotingen gemaakt. Die zijn niet gemaakt van de originele negatieven,

want die waren zoekgeraakt. Van de aanwezige luchtfoto’s zijn negatieven gemaakt en daarvan zijn vergrotingen

gemaakt. De vergrotingen zijn niet scherp. Als de negatieven van de originele luchtfoto's beschikbaar

waren geweest, hadden scherpere vergrotingen gemaakt kunnen worden.

Door het dichte bladerdek van de bomen in het park zijn bijvoorbeeld de PD’s, de paden in het park en de

achteringang van de kinderboerderij niet of amper te zien op de luchtfoto’s.

De luchtfoto’s zijn gemaakt rond 18.33 uur. De helikopter was niet speciaal voor het maken van foto’s van

het Beatrixpark opgestegen van Zestienhoven, maar was sinds 17.40 uur in de lucht voor het verkeer op de

snelwegen in en rond Rotterdam. De helikopter had van 17.40 tot 17.55 uur boven de A 29 gevlogen. Om

18.05 uur was de helikopter bij het Hartelkruis (A 15; ten zuidwesten van Schiedam). Om 18.15 uur kwam

de melding van de feiten in het Beatrixpark en is de helikopter op verzoek van de meldkamer daarheen

gevlogen. De helikopter is rond 18.28 uur boven het park aangekomen. Het fotorolletje werd op verzoek

van de l.o. opgehaald en naar de TR gebracht.23

4.2.11 Maikel

Maikel is, nadat de dader was weggegaan, weggelopen van de enge PD A. Toen hij uit de bosjes kwam,

had hij geen kleding aan. Om zijn nek zat een schoen, die vastgebonden was met de veter van die schoen.

Omstanders hebben in het park de schoen losgemaakt. Maikel is korte tijd later (18.40 uur) naar het ziekenhuis

gebracht.

23 Ik ontleen deze gegevens aan een mutatierapport van 22 juni 2000, dat op 7 april 2005 in het kader van het evaluatieonderzoek

is opgevraagd bij de Rotterdamse politie.

HET TECHNISCHE ONDERZOEK 37

Maikel is als mogelijke drager van sporen verwaarloosd. Uiteraard stond hulpverlening aan Maikel voorop.

Maar na de eerste hulpverlening is verzuimd grondig sporenonderzoek uit te voeren bij Maikel. Van de

hals/nek van Maikel zijn geen bemonsteringen gedaan. Er is wel nagelvuil bij Maikel veiliggesteld, maar dat

is niet gedaan door een technisch rechercheur, maar door een verpleegkundige. Mogelijk zijn daardoor

sporen gemist.

Op 25 juni 2000 zijn in het ziekenhuis zes foto’s van Maikel en zijn letsels gemaakt. De foto's maken wel

duidelijk op welke plekken op het lichaam van Maikel verwondingen zaten, maar laten de meeste verwondingen

niet zien, omdat het merendeel is afgedekt met verband. Het letsel van Maikel is pas vijf dagen na

het misdrijf beschreven door een arts. In deze geneeskundige verklaring, die niet bij het eindproces-verbaal

is gevoegd, wordt onder meer over acht messteken gesproken en over kneuzingen in de hals als gevolg

van verwurging. Over lengte of diepte van de messteken wordt in deze verklaring niets gezegd.

In het dossier zit wel een medische verklaring van 28 juni 2000. Die verklaring is opgemaakt door de korpsarts,

die informatie heeft ingewonnen bij de behandelend chirurg. In deze verklaring wordt ook over acht

messteken gesproken en over kneuzing van de nekspieren en strottenhoofd. In de verklaring staat dat de

diepte van de messteken varieerde van 1 tot 1,5 cm. Over de lengte van de messteken wordt in de verklaring

van 28 juni 2000 niets gezegd.

In een notitie van 13 oktober 2000 heeft de korpsarts genoteerd dat hij op 2 juli 2000 van de behandelend

chirurg had gehoord dat de steek- c.q. snijwonden in lengte varieerden van 1,5 tot 2 cm en in diepte van 1

tot 1,5 cm. Ook staat in de notitie dat bij de chirurg vanwege lengte, diepte en aspect van de wonden de

indruk was gewekt dat de wonden met een stanleymes zouden zijn toegebracht. Deze chirurg heeft later, in

antwoord op vragen die door de rechter-commissaris aan hem waren voorgelegd, een belangrijke nuancering

aangebracht in wat de korpsarts heeft opgeschreven. Hij zegt dan dat hij destijds tegen de politiearts

gezegd had dat de steekwonden zouden kunnen zijn toegebracht met een stanleymes. Kennelijk heeft deze

chirurg wel zelf het idee geopperd dat een stanleymes gebruikt zou kunnen zijn.

De wonden van Maikel zijn niet bekeken door een forensisch arts. Later in het onderzoek is nog geprobeerd

- tevergeefs - met een MRI-scan meer gegevens over de verwondingen van Maikel te krijgen.

Het gegeven dat de steekwonden van Maikel mogelijk waren veroorzaakt door een stanleymes, is een eigen

leven gaan leiden en heeft een rol gespeeld in de zaak tegen Kees B.: hij gebruikte immers afbreekmesjes

op zijn werk; het mesje van een afbreekmes en het mesje van een stanleymes zijn vergelijkbaar.

Wellicht zou over de vraag met wat voor mes de wonden waren toegebracht meer duidelijkheid zijn geweest

als een forensisch arts naar de wonden had gekeken of als er goede detailfoto’s zouden zijn geweest

van de wonden. Nu is men afgegaan op een mening van een chirurg, van wie niet bekend is of hij deskundig

is voor vragen als met welk mes de wond is veroorzaakt. De chirurg heeft een mogelijkheid geopperd

en niet een zekerheid.

Uit het politiejournaal blijkt dat een medewerker van het NFI telefonisch heeft meegedeeld dat op de zool

van de schoen die om de nek van Maikel zat, bloed was aangetroffen met daarop aarde. Dat zou kunnen

betekenen dat er contact was geweest tussen de schoen en de aarde, nadat er bloed op de schoen was

gekomen. Dat zou in strijd zijn met de verklaring van Maikel. Dit is één van de redenen geweest dat aan de

verklaringen van Maikel werd getwijfeld (zie daarover verder in hoofdstuk 6). Uit navraag bij het NFI blijkt

echter dat het bloed níet onder de aarde doorloopt. Bovendien ging het niet om de schoen die om de nek

van Maikel zat, maar om de schoen die om de nek van Nienke zat.

De veter om de nek van Maikel was overigens zo bebloed dat onderzoek daaraan door het NFI als zinloos

werd bestempeld.

HET TECHNISCHE ONDERZOEK 38

4.2.12 Samenwerking technische recherche-tactische recherche

De technisch rechercheurs maakten geen deel uit van het onderzoeksteam RAG ‘Park’. Door alle geïnterviewde

technisch rechercheurs is naar voren gebracht dat er in de eerste dagen van het onderzoek een

normaal, constructief contact was tussen de technische recherche en de tactische recherche. Door technisch

rechercheur 1 is kort na 22 juni 2000 een forensisch intakegesprek georganiseerd op het NFI. Daarbij

waren naast hijzelf, technisch rechercheur 2 en medewerkers van het NFI, onder anderen aanwezig de

teamleiding en de twee officieren van justitie. Op die bijeenkomst is gesproken over de onderzoeksmogelijkheden

en de prioritering van de onderzoeken. Van deze bijeenkomst of van de genomen beslissingen

bestaat voor zover mij bekend geen verslag.

Al vrij snel verminderde het contact tussen techniek en tactiek en na verloop van enkele weken was er zo

goed als geen contact meer. De technisch rechercheurs kregen zelfs het gevoel buiten de zaak gehouden

te worden, is in een paar interviews door technisch rechercheurs gezegd.

Contacten met het NFI, zoals het insturen van stukken van overtuiging, vraagstelling aan het NFI, terugkoppeling

van (voorlopige) resultaten door het NFI, en besprekingen over de voortgang, lagen al kort na het

begin van het onderzoek in handen van de teamleiding, in het bijzonder van de l.o. Zo heeft bijvoorbeeld op

10 juli 2000 op het NFI een bespreking plaatsgevonden die als vervolg kan worden gezien op het forensisch

intakegesprek. Behalve medewerkers van het NFI waren daarbij aanwezig de officieren van justitie en

de teamleiding. De technisch rechercheurs waren niet op de hoogte en waren niet uitgenodigd voor deze

bespreking.

4.2.13 Verslaglegging

Door de technisch rechercheurs is geen technisch journaal bijgehouden waarin zij verslag hebben gedaan

van bijvoorbeeld hun contacten met het onderzoeksteam en het NFI, of van intern overleg waarbij is gesproken

over onderzoeksmogelijkheden.

De processen-verbaal van de technisch rechercheurs die in RAG 'Park' werkzaamheden hebben verricht,

zijn summier. Belangrijke informatie ontbreekt:

- Het lichaam van Nienke op de enge PD A is verkeerd ingetekend op de tekeningen die gemaakt

zijn door de technische recherche. Daarnaast is Nienke zó klein ingetekend, dat op de tekening

ligging en houding bijna niet te zien zijn.

- In de processen-verbaal van de technisch rechercheurs is niet terug te vinden of op PD A een

schouwarts bij het lichaam van Nienke is geweest.

- Niet is terug te vinden dat, voordat de technisch rechercheurs op PD A waren, er een flink aantal

personen op die PD geweest was (GGD-medewerkers, politieambtenaren, getuigen). Die informatie

is niet onthouden aan rechtbank of verdediging; in het dossier zitten namelijk veel verklaringen

van mensen die op PD A geweest zijn. Maar de lezer moet zelf gaan zoeken. Een overzicht van

personen die op PD A geweest waren en wat zij daar gedaan hadden, was wenselijk en misschien

noodzakelijk geweest. Die personen konden namelijk de PD verstoord hebben of daar sporen achtergelaten

hebben. Het is belangrijk te weten wat er op de PD is veranderd na het plegen van het

feit. Zoveel mogelijk moet worden uitgesloten dat sporen op de PD zijn veroorzaakt door anderen

dan de dader. De relatie tussen sporen, de plaats en de dader moet immers worden aangetoond.

Het is dan belangrijk te weten welke sporen er (kunnen) zijn bijgemaakt en/of verplaatst door anderen

dan de dader.

HET TECHNISCHE ONDERZOEK 39

- In de processen-verbaal van de TR ontbreekt vaak een vermelding van de precieze vindplaats van

stukken van overtuiging (SVO); niet alle gevonden SVO’s en sporen zijn ingetekend op de tekeningen

bij de processen-verbaal van de TR.

- Uit de processen-verbaal van de TR wordt van veel kledingstukken die op de enge PD A gevonden

zijn niet duidelijk welke van Nienke waren en welke van Maikel.

- In de interviews hebben technisch rechercheurs 1 en 2 gezegd dat zij bij hun onderzoek op de enge

PD A aanwijzingen hadden dat het lichaam van Nienke gedraaid was. Daarover is niets te vinden

in hun proces-verbaal.

- In hun proces-verbaal zeggen technisch rechercheurs 1 en 2 over de enge PD A onder het kopje

‘Omschrijving P.D.’ onder meer: "De vegetatie ter plaatste was in een straal van ongeveer 2 vierkante

meter vertrapt en om het lijk lagen diverse kledingstukken verspreid. Tevens lagen er diverse

verpakkingen van etenswaren. De aangetroffen situatie wekte niet direct de indruk dat er een worsteling

had plaatsgevonden. Ook het lichaam van N. Kleiss vertoonde geen uiterlijke tekenen van

geweld, die op een worsteling konden duiden." Onder het kopje ‘Conclusie’ staat: “Uit vorenstaande

concluderen wij het volgende: Dat de vegetatie op de plaats delict in een straal van ongeveer 2

vierkante meter was platgetrapt. Dat de aangetroffen situatie niet de indruk wekte dat er een worsteling

had plaats gehad, dit mede gezien het feit dat de kleding rondom het lichaam lag verspreid.”

De omschrijving en de conclusie zijn bijna gelijk. Verder wordt niet duidelijk waarop technisch rechercheurs

1 en 2 deze conclusies hebben gebaseerd.

Kennelijk is de schriftelijke verslaglegging van de TR niet gecontroleerd of kritisch bekeken door iemand

binnen de TR. Ook de teamleiding en de officieren van justitie hebben genoegen genomen met de processen-

verbaal van de TR. In elk geval blijkt niet dat is gevraagd om aanvulling of verheldering.

4.2.14 Sporenoverzicht

In RAG 'Park' zijn veel stukken van overtuiging (SVO's) in beslag genomen. Niet alleen op 22 juni 2000,

maar ook op andere data. Op veel van die stukken is technisch onderzoek verricht. In het evaluatieonderzoek

is gebleken dat het vaak erg moeilijk is de gang van een stuk van overtuiging of een spoor te volgen

vanaf het moment van inbeslagname tot en met de rapportage van bijvoorbeeld het NFI. Dat is overigens

niet uniek voor deze zaak. De moeilijkheden ontstaan onder meer doordat politie, parket en NFI steeds

weer andere nummers toekennen aan hetzelfde SVO: de systemen van deze organisaties zijn niet op elkaar

afgestemd. Ook ontstaan problemen doordat een en hetzelfde voorwerp niet steeds hetzelfde wordt

omschreven. Bijvoorbeeld: hetzelfde kledingstuk wordt door de politie omschreven als hemd en door het

NFI als T-shirt. Dat is natuurlijk geen probleem als er weinig spullen in beslag genomen zijn. Maar als er

meer hemden/T-shirts in beslag genomen zijn, kan het een probleem opleveren. Ook wordt soms de kleur

anders aangeduid. In RAG 'Park' is daarnaast de nummerreeks T001 en volgende een paar keer gebruikt

bij het aanduiden van sporen. Dat kwam doordat verschillende technisch rechercheurs op verschillende

PD’s gewerkt hebben en zij geen afspraken hadden gemaakt voor de nummering van stukken van overtuiging.

In RAG 'Park' heeft het, voor zover dat valt na te gaan, ontbroken aan een totaaloverzicht van stukken van

overtuiging en sporen. Deze verwarring komt de kwaliteit van het opsporingsonderzoek niet ten goede:

- De chain of evidence en de chain of custody is vaak onduidelijk.

- De vraag of alles onderzocht is wat onderzocht moest worden, kan niet beantwoord worden.

- De vraag of alle onderzoeksopdrachten zijn uitgevoerd is niet steeds (snel en eenvoudig) te beantwoorden.

HET TECHNISCHE ONDERZOEK 40

4.3 NFI

4.3.1 Organisatorisch

Gelet op de aard en de ernst van de zaak is op directieniveau door het NFI besloten dat men een ruimhartig

onderzoeksbeleid zou voeren. In de regel was (en is) het aantal sporen dat onderzocht wordt in een bepaalde

zaak gelimiteerd. Dat was in de Schiedammer parkmoord echter niet het geval.

Binnen het NFI is een ervaren onderzoeker van de afdeling Biologie aangewezen als teamleider. Hij onderhield

de contacten met de politie en hij moest zorgen voor afstemming van de werkzaamheden van de verschillende

afdelingen van het NFI die bij het onderzoek betrokken waren. De teamleider was niet degene

die later de NFI-rapporten maakte en ondertekende, omdat hij die bevoegdheid niet had. De rapporten

werden gemaakt en ondertekend door een deskundige op DNA-gebied. Daarbij baseerde de deskundige

zich op onderzoeksverslagen en een conceptrapportage van de teamleider en van andere onderzoekers.

Tussen het NFI enerzijds en politie/officieren van justitie anderzijds zijn diverse contacten geweest. Door

gebrekkige verslaglegging bij alle betrokkenen bleek het achteraf niet mogelijk een overzicht te maken

waarop met zekerheid alle contacten vermeld zijn. Ook de inhoudelijke kant van de contacten kan vaak niet

meer worden vastgesteld.

4.3.2 Betrokkenheid officier van justitie bij de forensische onderzoeken

Hiervoor kwam al ter sprake dat technisch rechercheur 1 een forensisch intakegesprek had georganiseerd.

Door geïnterviewde (voormalig) leidinggevenden bij het NFI is gezegd dat in ernstige zaken waarbij naar

verwachting veel onderzoek moet worden uitgevoerd door het NFI, zo'n gesprek nuttig is. De officier van

justitie moet daar volgens hen bij zijn, omdat hij/zij degene is die beslissingen moet nemen en kan sturen.

Misschien is ook de kennis van de TR niet altijd voldoende om het tactische team en de officier van justitie

goed te kunnen voorlichten over de mogelijkheden en onmogelijkheden van de techniek en over de juiste

vraagstelling aan het NFI. Het persoonlijke contact tussen NFI en officier van justitie vergemakkelijkt de

werkrelatie, aldus de geïnterviewden.

In de Schiedammer parkmoord waren de officieren van justitie bij dit intakegesprek. Afgaande op het politiejournaal

hebben de officieren van justitie ook later in het onderzoek blijk gegeven van interesse in de werkzaamheden

van het NFI.

4.3.3 Onderzoeken door het NFI in de Schiedammer parkmoord

In de Schiedammer parkmoord heeft het NFI erg veel onderzoek verricht. Deze zaak was de eerste waarin

het NFI microsporenonderzoek aan een stoffelijk overschot heeft uitgevoerd. Het zwaartepunt van het NFIonderzoek

lag bij het DNA-onderzoek. In deze zaak is voor het eerst op grote schaal gebruik gemaakt van

de Low Copy Number-methode (daarover verder hieronder). Maar er is ook tamelijk veel haaronderzoek

gedaan (zowel met mensenharen als met dierenharen). Ook zijn een knopendeskundige en een schoenspoordeskundige

van het NFI geraadpleegd.24

24 Op de laatste twee ga ik niet in.

HET TECHNISCHE ONDERZOEK 41

4.3.4 Microsporenonderzoek en sectie op het NFI

Op 23 juni 2000 heeft een patholoog van het NFI sectie verricht op het lichaam van Nienke. Voorafgaand

aan de sectie hebben medewerkers van de afdeling Biologie van het NFI een microsporenonderzoek (contactsporen,

vezels en haren) aan het lichaam van Nienke uitgevoerd. Van het microsporenonderzoek zijn

voor zover bekend geen aantekeningen gemaakt of bewaard gebleven. Daardoor kan niet meer precies

vastgesteld worden wat is veiliggesteld en vanaf welke plek op het lichaam dat is gebeurd.

De schoen die om de nek/hals van Nienke zat, is pas op het NFI losgeknipt. Ook de veter, een potentieel

belangrijke sporendrager, was inmiddels ernstig gecontamineerd door de vochtontwikkeling in de lijkenzak.

Op 23 juni 2000 zijn op het NFI 28 foto's gemaakt. Waarschijnlijk zijn een aantal van die foto's gemaakt

tijdens het microsporenonderzoek. Bij deze 28 foto's ontbreekt een overzichtsfoto van het lichaam van

Nienke met het sporenbeeld op het lichaam zoals dat eruit zag toen het lichaam uit de lijkenzak werd gehaald.

Ook op 23 juni 2000 zijn weinig detailfoto's gemaakt (bijvoorbeeld niet van het letsel aan de hals/nek

en van de knopen in de veter).

De sectie is op de gebruikelijke wijze uitgevoerd en het sectierapport is op de gebruikelijke wijze opgebouwd.

Enkele maanden na de sectie zijn door het Openbaar Ministerie vragen gesteld over de sectie(

bevindingen). Het waren vragen die in direct verband stonden met de door de dader gepleegde feiten.

De patholoog die de sectie had verricht kon niet op alle vragen antwoord geven omdat hij te weinig gegevens

had en het verslag van de sectie te summier was.

4.3.5 Haaronderzoek

Bij het haaronderzoek is vooral het onderzoek van een haar die was gevonden op het linker-bovenbeen van

Nienke van belang. Met die haar is een haarpaletonderzoek gedaan. De uitkomst was dat de haar paste in

het hoofdhaarpalet en mogelijk afkomstig was van Kees B.. De kwalificatie ‘mogelijk’ is de laagste positieve

kwalificatie. In feite is de waarde van een dergelijke kwalificatie bij vergelijkend haaronderzoek erg gering,

omdat er geen gegevens zijn over hoeveel mensen een dergelijk haarpalet hebben. Kennelijk is uit het NFIrapport

onvoldoende duidelijk geworden dat de kwalificatie ‘mogelijk’ bij haarpaletonderzoek inhoudelijk

weinig voorstelt.

Met deze haar is ook DNA-onderzoek gedaan. Er is toen een profiel gevonden van een onbekend vrouwelijk

individu. Waarschijnlijk was het lichaamsmateriaal/celmateriaal waaruit het DNA-profiel is gehaald niet

afkomstig uit de haarwortel. De zaaksofficier heeft in haar requisitoir gesteld dat de aanwezigheid van

vrouwelijk DNA-materiaal óp de haar niet betekent dat de haar van een vrouw is. De mogelijkheid dat de

haar van Kees B. was, bleef voor haar dus open.

Er is verder een tamelijk uitgebreid vergelijkend haaronderzoek gedaan met dierenharen, waarbij onder

meer van de katten van Kees B. haren zijn gebruikt. Dit onderzoek heeft niet geleid tot resultaten die belastend

waren voor Kees B..

4.3.6 DNA-onderzoeken; mengprofielen

Het DNA-onderzoek in de Schiedammer parkmoord was omvangrijk. In RAG ‘Park’ zijn circa 100 SVO's

onderzocht op de aanwezigheid van biologische sporen. Hiervan zijn er ongeveer 70 betrokken in het DNAonderzoek.

Daarnaast zijn bijna 40 referentiemonsters in het onderzoek betrokken. Het gaat hier om monsters

van familieleden van Nienke en Maikel en van mensen die op PD A waren geweest op 22 juni 2000.

Niet één van de aangetroffen DNA-sporen kwam overeen met het profiel van Kees B..

HET TECHNISCHE ONDERZOEK 42

Aanvankelijk heeft het NFI de ‘gewone’ technieken gebruikt bij het DNA-onderzoek. In aanvulling op dat

onderzoek heeft het NFI eind 2000/begin 2001 ook op grote schaal de Low Copy Number-technologie toegepast.

Ten tijde van de rechtbankfase was het NFI daarvoor nog niet geaccrediteerd. Het ontbreken van

accreditatie wil echter niet zeggen dat het NFI niet-professioneel omging met die technologie of daar weinig

kennis van had. De LCN-technologie maakt het mogelijk om van heel weinig lichaamscellen een DNAprofiel

te genereren. De technologie is erg gevoelig voor artefacten, dat wil zeggen dat soms pieken verschijnen

op plaatsen waar ze niet zouden moeten zijn en dat soms pieken afwezig zijn waar ze wel zouden

moeten zijn (‘spookpieken’ respectievelijk ‘allelic dropout’). Daardoor kunnen er makkelijk resultaten ontstaan

die niet kloppen en is de interpretatie van profielen die met de LCN-methode zijn verkregen soms

ingewikkeld. Om fouten zoveel mogelijk te voorkomen, worden de testen een aantal maal gedaan. Alleen

als al deze testen hetzelfde patroon opleveren, is het resultaat voldoende betrouwbaar om er conclusies

aan te kunnen verbinden.

Met behulp van de LCN-methode zijn van vijf plekken ingewikkelde DNA-mengprofielen verkregen die hier

extra aandacht verdienen. Het gaat om profielen afkomstig van:

a. de wreef van de linkerlaars van Nienke [ADH561];25

b. het nagelvuil van de linkerhand van Nienke [ADH674];

c. de veter om de hals van Nienke [ADH670];

d. de buik van Nienke [ADH591];

e. de linkerschouder van Nienke [ADH 590].

De NFI-medewerkers constateerden dat het celmateriaal van in elk geval de laars en het nagelvuil niet

alleen celmateriaal van Nienke en Maikel bevatte, maar ook celmateriaal van een derde onbekend individu.

Niet kon worden uitgesloten dat het celmateriaal afkomstig was van hetzelfde mannelijke individu. Een

aantal merkers in beide profielen kwamen overeen en wezen in de richting van dezelfde persoon. De punten

van overeenkomst waren niet op zeer specifieke merkers. Het onvolledige profiel van de onbekende

derde is op basis van een zogenaamd ‘best guess profiel’ op 16 januari 2001 vergeleken met de 1010

DNA-profielen die toen in de DNA-profielenbank stonden. Er is gezocht op vier merkers. In de databank

zaten vijf profielen die dezelfde vier merkers bevatten en 21 profielen die drie van de vier merkers bevatten.

Nader onderzoek met deze 26 profielen wees echter uit dat geen van de 26 profielen overeenkwam met het

profiel van de onbekende derde in het nagelvuil en op de laars. Het profiel van de onbekende man zat dus

niet in de profielenregistratie.

Op vrijdag 19 januari 2001 heeft een bespreking op het NFI plaatsgevonden. Daarbij waren aanwezig de

eerdergenoemde onderzoeker en deskundige van de afdeling Biologie van het NFI, en naar alle waarschijnlijkheid

de twee officieren van justitie en de l.o. en de plv. l.o. Bij de laatste vier personen zeg ik ‘naar alle

waarschijnlijkheid’, omdat ik van dit gesprek alleen een conceptverslag tot mijn beschikking had (gemaakt

op 23 januari 2001), waarin niet volstrekt duidelijk wordt wie aanwezig was. De notulen zijn kennelijk nooit

goedgekeurd. In deze bijeenkomst is aan de hand van de piekenpatronen gesproken over de DNA-profielen

die waren gevonden in het nagelvuil, op de buik, op de linkerlaars en op de veter om de hals van Nienke.

Blijkens het verslag is door de NFI-medewerkers gezegd dat deze sporen niet persé dadersporen hoefden

te zijn. Ook is gezegd dat het DNA-profiel van Kees B. niet in de patronen paste. De onderzoeker zei dat

naar zijn oordeel in alle profielen steeds het profiel van eenzelfde derde persoon herkenbaar was. Het NFI

heeft voorgesteld dat in de omgeving van Nienke van meer mensen DNA-materiaal zou worden afgenomen

25 De TR kent aan een SVO altijd een nummer toe. Dat is vaak een T-nummer. Indien een SVO in aanmerking komt voor DNAonderzoek

krijgt het SVO een uniek DNA-identiteitszegel, dat bestaat uit drie letters en drie cijfers. Ook dat nummer wordt door

de TR aan een SVO gegeven. Het zijn zegels die door het NFI zijn ontwikkeld, maar door de TR worden aangebracht. Een

hekje met een cijfer erachter geeft aan het spoor-, vlek- of monsternummer. Soms worden van één SVO meer monsters genomen.

Bijvoorbeeld van de veter die om de hals van Nienke zat zijn tien monsters genomen. De monsterneming gebeurt op het

NFI.

HET TECHNISCHE ONDERZOEK 43

(kennelijk in de hoop dat het gevonden profiel van de onbekende met een van hen zou matchen). Dat voorstel

werd verworpen omdat het ongeloofwaardig werd gevonden om verder te zoeken nu er een bekennende

verdachte was. Op 19 januari 2001 is ook gesproken over het uitbrengen van een aanvullende rapportage

door het NFI. Dat rapport is uitgebracht op 29 maart 2001. In de tabel met de resultaten van het LCN

DNA-onderzoek is onder meer te lezen:

- “Wreef linkerlaars [T-001/ADH561] vlek #2 complex mengprofiel van de slachtoffers Nienke en

Maikel en een derde persoon”;

- “Nagelvuil linkerhand [T-056/ADH674] #1 complex mengprofiel van de slachtoffers Nienke en Maikel

en een derde persoon”;

- “Veter [T-052/ADH670] vlek #1 mengprofiel van de slachtoffers Nienke en Maikel”;

- “Veter [T-052/ADH670] vlek #2 mengprofiel van de slachtoffers Nienke en Maikel”;

- “Veter [T-052/ADH670] vlek #10 mengprofiel van de slachtoffers Nienke en Maikel”;

- “Bemonstering buik [T-037/ADH591] #1 mengprofiel slachtoffer Nienke en onreproduceerbaar

tweede profiel”;

- “Bemonstering linkerschouder [T-036/ADH 590] #1 mengprofiel slachtoffer Nienke en vermoedelijk

slachtoffer Maikel.”

Onder het kopje ‘Conclusie’ is in het rapport te lezen:

“Het celmateriaal op de wreef van de linkerlaars [ADH561 #2] en in het nagelvuil van de linkerhand

[ADH674 #1] van het slachtoffer Nienke bestaat uit een mengsel van celmateriaal van de slachtoffers

Nienke en Maikel en is bovendien vermengd met celmateriaal van een derde onbekend individu.

De LCN DNA-mengprofielen van het celmateriaal op de laars en in het nagelvuil vertoonden

een opvallende overeenkomst. Op grond hiervan kan niet worden uitgesloten dat het hier handelt

om hetzelfde onbekende individu.

Het profiel van het onbekende individu was niet in verband te brengen met de profielen van de verdachte

en niet met de profielen van de getuigen. Bovendien werd het onbekende profiel van het

celmateriaal op de laars vergeleken met de DNA-profielen in de DNA-profielenregistratie. Het onbekende

profiel op de laars kon met geen enkel profiel in het DNA-profielenregistratie systeem in

verband worden gebracht.”

4.3.7 Twijfels bij het NFI

Uit het rapport van 29 maart 2001 kan niet worden afgeleid dat het profiel van een onbekende niet alleen

waarneembaar was in het profiel van het nagelvuil en de linkerlaars, maar ook zou kunnen zitten in een of

meer van de overige profielen. De twee NFI-medewerkers die het meest bij het DNA-onderzoek betrokken

waren, de een onderzoeker en de ander deskundige, verschilden van mening over de interpretatie van de

profielen die waren verkregen van sporen c t/m e. De onderzoeker was van mening dat de kenmerken allemaal

wezen in de richting van dezelfde onbekende man. De deskundige durfde niet zover te gaan. Hij

heeft in het interview en bij de presentatie aan mij op 10 mei 2005 aangegeven dat de profielen van c t/m e

belabberd waren en dat hij bij de interpretatie van de ingewikkelde mengprofielen rekening moest houden

met allerlei fouten die bij de LCN-methode kunnen ontstaan. De profielen waren naar zijn mening onvoldoende

betrouwbaar vanwege de volgende factoren:

• niet reproduceerbaarheid (herhaling had niet hetzelfde resultaat opgeleverd),

• teveel achtergrondsignalen als gevolg van contaminatie en

• te beperkte meetgegevens als gevolg van de zeer geringe hoeveelheid beschikbaar materiaal.

Om deze redenen heeft de deskundige deze profielen de kwalificatie "geen profiel" meegegeven en ze in

de rapportage buiten beschouwing gelaten. Vanuit wetenschappelijk oogpunt wordt het NFI immers geacht

alleen te rapporteren over onderzoeksresultaten die een zekere mate van betrouwbaarheid hebben. In het

HET TECHNISCHE ONDERZOEK 44

meningsverschil tussen de twee had de deskundige het laatste woord. Daarom is gerapporteerd zoals is

gerapporteerd op 29 maart 2001.26

Hoewel de twee NFI-medewerkers van mening verschilden over de vraag of in alle profielen de kenmerken

van dezelfde donor zaten, waren zij het erover eens dat in deze profielen niet alleen de profielen van Nienke

en/of Maikel zaten, maar ook het profiel van een derde. Ook waren zij het erover eens dat het profiel van

Kees B. niet terug te vinden was in de mengprofielen.

Bij beide NFI-medewerkers ontstond grote twijfel over de betrokkenheid van Kees B. bij de strafbare feiten.

Die twijfel werd veroorzaakt door het volledig ontbreken van sporen van Kees B. en het aantreffen van het

celmateriaal van een onbekende man, tenminste op de laars en in het nagelvuil. Hun twijfel was zo sterk,

dat zij die hebben neergelegd bij de toenmalige directeur van de afdeling Biologie van het NFI. De twee

medewerkers hebben aan deze directeur een diepgaande uiteenzetting gegeven van de zaak. De directeur

van de afdeling Biologie nam de twijfels serieus en heeft de zaak vervolgens besproken met de algemeen

directeur van het NFI. Ook die nam de twijfels serieus. Voor beide directeuren speelde mee dat de deskundige

bekend stond als degelijk en voorzichtig: als zelfs hij zijn twijfel kenbaar maakte, moest het wel serieus

zijn.

De directeur van de afdeling Biologie en de algemeen directeur hebben vervolgens een gesprek aangevraagd

bij de procureur-generaal (PG) die destijds portefeuillehouder was voor forensisch technisch onderzoek.

Dat gesprek heeft plaatsgevonden op het kantoor van de PG. De directeuren hebben de PG verteld

van de twijfels die bij de NFI-medewerkers leefden, zonder dat zij inhoudelijk op de zaak zijn ingegaan. De

PG heeft vervolgens toegezegd dat hij de zaaksofficier zou (laten) vragen een gesprek aan te gaan met het

NFI. De PG heeft inderdaad naar de plaatsvervangend hoofdofficier Rotterdam gebeld en er is een gesprek

gevoerd op het NFI waarbij aanwezig waren de zaaksofficier, de directeur Biologie van het NFI en de twee

medewerkers die hun twijfels hadden kenbaar gemaakt. Het gesprek heeft volgens een aantal betrokkenen

plaatsgevonden op 10 juli 2001. Dat was na de behandeling van de strafzaak door de rechtbank in Rotterdam

en nadat hoger beroep was ingesteld. Van het gesprek, dat heeft plaatsgevonden op een directiekamer

op het NFI, zijn geen notulen gemaakt.

Een gesprek waarin op deze wijze door het NFI aan het OM twijfels werden kenbaar gemaakt, was (toen)

een unicum voor het NFI. Het was ook niet eerder voorgekomen dat een directeur van het NFI naar de PG

was gegaan met een dergelijke kwestie.

In het gesprek hebben de twee NFI-medewerkers aan de zaaksofficier hun twijfels over de betrokkenheid

van Kees B. bij de strafbare feiten geuit. De onderzoeker zei dat alle mengprofielen volgens hem wezen in

de richting van dezelfde onbekende man. De ander, de deskundige, was voorzichtiger en durfde niet zover

te gaan. De twee NFI-medewerkers en de directeur van de afdeling Biologie hebben in de interviews allen

gezegd dat de twijfels die bij het NFI bestonden, in duidelijke bewoordingen onder de aandacht van de

zaaksofficier zijn gebracht.

In het interview bleek dat de zaaksofficier zich het gesprek op het NFI en ook de intermediaire rol van de

PG herinnerde. Zij kon zich herinneren dat de onderzoeker had gezegd dat justitie de verkeerde man vasthield.

De zaaksofficier heeft in het interview gezegd dat zij niet gecharmeerd was van de manier waarop de

onderzoeker zijn standpunt kenbaar maakte. Zij herinnert zich niet dat de onderzoeker heeft aangegeven

dat het DNA-profiel van de onbekende man ook op de veter en op het lichaam van Nienke zat. De zaaksof-

26 Ook moet worden bedacht dat in 2001 geen DNA-profiel voorhanden was waarmee de patronen vergeleken konden worden.

Van Wik H. was in 2004/2005 wel een volledig DNA-profiel beschikbaar. Daardoor werd vergelijking een stuk eenvoudiger.

HET TECHNISCHE ONDERZOEK 45

ficier zegt dat zij niet de ogen heeft gesloten voor de opmerkingen van de onderzoeker van het NFI, maar

deze kritiek een plaats heeft gegeven.

Het teamhoofd van de zaaksofficier heeft in het interview gezegd dat het gesprek op het NFI en de rol van

de PG daarbij haar niet bekend waren. De plaatsvervangend hoofdofficier Rotterdam was wel op de hoogte

van het gesprek. Het ressortsparket bij het Haagse gerechtshof is door de zaaksofficier niet op de hoogte

gesteld van het gesprek van 10 juli 2001 en de bij de NFI-medewerkers levende twijfels.

In de appelfase, namelijk op 17 januari 2002, heeft een bespreking plaatsgevonden tussen drie medewerkers

van het NFI, onder wie de eerdergenoemde onderzoeker en de eerdergenoemde deskundige,27 twee

gedragskundigen van de dNRI (een misdaadprofiler en een psycholoog) en de advocaat-generaal (AG) en

haar juridisch medewerker. Het initiatief tot dit gesprek kwam van de AG. Van dit gesprek heb ik drie

verschillende notulen. Geen van de verslagen is goedgekeurd. In deze bespreking is onder meer gepraat

over de mengprofielen die gevonden waren op de linkerlaars, in het nagelvuil en op andere plaatsen. Aan

de hand van de profielen heeft de onderzoeker zijn standpunt op tafel gelegd, namelijk dat het profiel van

de onbekende derde dat in het nagelvuil en op de laars was aangetroffen, teruggevonden kon worden in de

andere profielen, waaronder dat van de veter die om de nek van Nienke had gezeten. Ik citeer uit één van

de notulen (te weten die van de AG of haar juridisch medewerker):

- “LCN (Low Copy number), DNA-techniek waarbij met een geringe hoeveelheid DNA middels

een “vermeerder”-techniek een DNA profiel verkregen wordt, is inmiddels geaccrediteerd.

- Nagelvuil Nienke: Nienke was een nagelbijtster. Dit maakt het spoor van haar nagelvuil/

nagelriem i.p. sterker in de zin dat het vuil er geen maanden zit. Ook het feit dat zij en Maikel

daarvoor met water hadden gespeeld, maakt dat het spoor er niet te lang kan zitten. Schatting

NFI: 1-24 uur.

- Linkerlaars Nienke: mengprofiel: Maikel, Nienke en een 3e onbekend persoon.

- Dit profiel van onbekend persoon (man), zit in het nagelvuil van Nienke en ook op de linkerlaars.

Dit profiel komt ook bij andere profielen terug echter in geringe mate --> geen duidelijk

spoor, maar wel een aanwijzing.

- DNA van verdachte is nergens aangetroffen/valt uit te sluiten.”

Bij deze passage staat bij ‘andere profielen’ een pijltje dat wijst naar de handgeschreven woorden “veter om

hals Nienke”.

In hetzelfde verslag staat:

“Op mijn uiteindelijke vragen: is het DNA-spoor van een derde onbekend persoon een daderspoor?

Sluit het niet vinden van DNA van verdachte op de PD verdachte uit als dader? geven de heren

van het NFI geen 100% oordeel. Zij merken op dat in 9 van de 10 soortgelijke gevallen er wel DNA

van verdachte gevonden zou moeten zijn. Over het DNA van de onbekende derde persoon kan

niet met zekerheid gezegd worden dat het van de dader is, wel is het voor de zaak interessant om

te weten van wie dit DNA is.”

De twee gedragskundigen van de dNRI uitten in deze bijeenkomst vanuit gedragskundig oogpunt hun twijfels

over Kees B. als dader van de feiten in het Beatrixpark.

Ik heb gesproken met bijna alle mensen die bij deze bijeenkomst waren. Iedereen kan zich de bijeenkomst

herinneren. De indrukken van de aanwezigen verschillen nogal. De medewerkers van het NFI en de dNRI

dachten dat zij de AG ervan hadden doordrongen en overtuigd dat er erg veel twijfel mogelijk was over de

betrokkenheid van Kees B.. Aan het eind van de bijeenkomst dachten zij dat de AG vrijspraak zou vragen.

27 Zij het dat de deskundige naar zijn zeggen alleen het eind van de bespreking heeft bijgewoond.

HET TECHNISCHE ONDERZOEK 46

De AG heeft in het interview gezegd dat zij er zeker van is dat zij in de bespreking geen twijfels over de

schuld van Kees B. heeft geuit. De AG heeft in het interview gezegd dat zij op die bijeenkomst geen dingen

had gehoord waarvan zij onrustig moest worden. De AG kon zich niet herinneren dat in deze bijeenkomst is

gesproken over een profiel van de veter. De AG zag de deskundige als meer gezaghebbend dan de onderzoeker

en is op de rapportage van de deskundige en diens verklaring ter terechtzitting bij het gerechtshof

afgegaan.

In eerste aanleg is de DNA-deskundige ter terechtzitting gehoord. Bij het gerechtshof zijn zowel de deskundige

als de onderzoeker ter zitting gehoord. In de verklaringen die zij ter terechtzitting hebben afgelegd,

hebben zij de twijfels die bij hen leefden over Kees B. niet kenbaar gemaakt. Dat kwam, zeggen zij, mede

doordat niet de juiste vragen werden gesteld. Ook niet door de officier van justitie of de AG. Zij gaven antwoord

op de vragen die gesteld werden en brachten niet spontaan aanvullende punten op.

De DNA-deskundige en de onderzoeker hebben mij op 10 mei 2005 een presentatie gegeven over de

mengprofielen die hierboven zijn genoemd. In de presentatie is, onder meer aan de hand van

piekenpatronen die ook op de bijeenkomst van 19 januari 2001 waren getoond, aangegeven wat de problemen

waren bij de interpretatie van deze mengprofielen en het piekenpatroon en waarover de onderzoeker

en de deskundige met elkaar van mening verschilden. De deskundige en de onderzoeker zijn het trouwens

nog steeds niet helemaal met elkaar eens over wat kan worden afgeleid uit de patronen. De presentatie

maakte in elk geval duidelijk hoe ingewikkeld de interpretatie van de LCN DNA-mengprofielen in deze

zaak was. Het deskundigenrapport blijkt per definitie niet een uitputtende weergave te zijn van het gehele

forensische onderzoek. Uit de presentatie blijkt dat het mogelijk is dat in een mondelinge toelichting duidelijker

uitleg over het in het rapport neergelegde onderzoek kon worden gegeven aan de hand van voorbeelden.

4.3.8 Rapportages NFI

De rapporten van het NFI over de DNA-onderzoeken in deze zaak zijn voor een leek moeilijk te lezen. Door

de veelheid van onderzochte sporen zijn de rapporten gecompliceerd van samenstelling. De rapporten zijn

beknopt. De rapporten geven geen inzicht in het vooronderzoek dat op het NFI heeft plaatsgevonden en in

de plaatsen waar de sporen zijn veiliggesteld. Deze beknopte wijze van rapporteren is niet uniek voor DNArapportages.

28

Het rapport van 29 maart 2001 maakt niet duidelijk dat in een aantal gevallen sprake was van onreproduceerbare

profielen (ook wel 'afgekeurde profielen' genoemd). Deze profielen werden in het rapport niet

vermeld omdat zij door de onreproduceerbaarheid onbetrouwbaar waren, waardoor geen conclusies konden

worden getrokken ten aanzien van die profielen. Deze standaardwijze van rapportage is wetenschappelijk

verantwoord. In de regel is deze wijze van rapportage in het voordeel van de verdachte: hij wordt

immers niet ingesloten. Het ging dus om een manier van rapportage die niet speciaal is gekozen om materiaal

dat ontlastend was voor Kees B., buiten het rapport te houden. Niettemin heeft deze standaardwijze

van rapportage in de zaak B. mogelijk in het nadeel van de verdachte gewerkt, nu bijna niet is gerapporteerd

dat er ook onreproduceerbare profielen waren gevonden. Vermelding daarvan zou mogelijk aanleiding

zijn geweest voor vragen van de rechter of de verdediging29.

Overigens kan in het algemeen de vraag worden gesteld of het niet gewenst zou zijn om in de rapportages

van het NFI te vermelden dat er ook onreproduceerbare profielen zijn gevonden.

28 Vgl. J.F. Nijboer, ‘Gerechtelijke dwalingen en de rol van de deskundigen. Een vergelijking tussen Engeland en Nederland, ín:

Justitiële Verkenningen 2003, afl. 1, p. 117.

29 Bij de bemonstering van de buik was wel vermeld dat er een onreproduceerbaar tweede profiel was gevonden. Dit heeft niet

geleid tot vragen.

HET TECHNISCHE ONDERZOEK 47

De NFI-medewerkers hebben getracht de bij hen levende twijfels over de betrokkenheid van Kees B. duidelijk

te maken aan de officier en de advocaat-generaal, in de hoop en verwachting dat die de twijfels op

waarde zouden weten te schatten. Dat deden zij in gesprekken, omdat de rapportage daarvoor niet de

ruimte bood.

4.4 Het Openbaar Ministerie

Bij de officieren van justitie bestond belangstelling voor het technisch onderzoek. Dat gold in het bijzonder

het onderzoek van het NFI. Uit de stukken blijkt echter niet van actieve bemoeienis met het werk van de TR

of met de inhoud van de processen-verbaal die de TR had gemaakt.

Het ontbreken van technisch bewijs dat Kees B. aan de PD of aan de feiten koppelde heeft, zo laat het zich

aanzien, bij de zaaksofficier niet geleid tot twijfels over de schuld van Kees B.. In het requisitoir gebruikt zij

de afwezigheid van celmateriaal van Kees B. als teken van daderschap: alleen de dader weet immers dat

hij geen sporen heeft achtergelaten.

De zaaksofficier heeft de professionele twijfels van de NFI-medewerkers naar haar zeggen een plaats gegeven.

Duidelijk is dat de op 19 januari 2001 gedane mededelingen en de op 10 juli 2001 geuite twijfels

voor haar geen aanleiding vormden haar mening over de schuld van Kees B. en de kracht van het bewijs

dat er was in heroverweging te nemen, voor noch na de behandeling van de zaak bij de rechtbank. Opmerkelijk

is dat de zaaksofficier geen AG heeft betrokken bij het gesprek dat op 10 juli 2001 heeft plaatsgevonden.

Immers, er was toen al hoger beroep ingesteld. Ook is het opmerkelijk dat de zaaksofficier de AG niet

achteraf heeft geïnformeerd over dit gesprek. De twijfels bij de NFI-medewerkers hebben er evenmin toe

geleid dat werd nagegaan of aanvullend DNA-onderzoek in binnen- of buitenland mogelijk was dat meer

duidelijkheid zou kunnen geven over de ingewikkelde DNA-mengprofielen. Er is ook niet gevraagd om een

aanvullend rapport van het NFI of iets dergelijks. Voor de AG geldt ook dat de twijfels van de NFImedewerkers

niet hebben geleid tot heroverweging. Ik vind dat de officier van justitie en ook de AG, meer

hadden moeten doen met datgene wat zij gehoord hadden van de NFI-medewerkers. In Hoofdstuk 9, dat

over de officier van justitie gaat, en Hoofdstuk 10, dat over de AG gaat, ga ik hier nader op in.

De PG die destijds het forensisch technisch onderzoek in zijn portefeuille had, heeft een intermediaire rol

gespeeld. Ik vind het terecht dat hij zich tot die rol heeft beperkt en zich niet met de inhoud heeft bemoeid.

4.5 Conclusies

Hoewel de veroordeling van Kees B. niet berust op technisch bewijs dat hem aan het feit of de PD koppelt,

heeft het technisch onderzoek een belangrijke rol gespeeld in de zaak tegen Kees B.. Als op de PD microsporen

van het lichaam van Nienke waren veiliggesteld en als de wijze waarop het lichaam van Nienke

is bewaard tot aan de sectie anders was geweest, zouden meer en betere sporen zijn veiliggesteld. Waarschijnlijk

zou dan (nog) duidelijker zijn geweest dat Kees B. niet paste in het sporenbeeld en waarschijnlijk

zouden er meer incriminerende sporen zijn gevonden.

De kwaliteit van de werkzaamheden van de TR had op een aantal punten beter gekund. Onder meer ten

aanzien van de uitgebreidheid en overzichtelijkheid van de verslaglegging, het fotografisch materiaal, de

overzichtelijkheid van de sporen(verwerking), de precisie en overzichtelijkheid van tekeningen, de verslaglegging

van negatieve resultaten en de interne verslaglegging. Dat had meer duidelijkheid gegeven voor de

tactische onderzoekers, de officieren van justitie, de rechters en de verdediging. Overigens is aan de TR

niet gevraagd om aanvullende processen-verbaal op bovenstaande punten.

HET TECHNISCHE ONDERZOEK 48

In RAG 'Park' heeft het aan synergie ontbroken tussen de technische en de tactische recherche. De TR

heeft geen bijdrage geleverd of kunnen leveren aan te kiezen onderzoeksrichtingen. Gestructureerde contacten

zouden wellicht geleid hebben tot betere vraagstelling aan het NFI, tot beter inzicht in wat er mogelijk

gebeurd was en tot een beter sporenmanagement. Ook op het punt van PD-management had informatieuitwisseling

tussen techniek en tactiek van belang kunnen zijn.

De gebrekkige verslaglegging bij politie, OM en NFI van contacten die er geweest zijn tussen deze drie

organisaties heeft een goede reconstructie van bepaalde aspecten van het onderzoek in deze strafzaak

bemoeilijkt.

De rapportages van het NFI zijn voor degenen voor wie zij bestemd zijn niet altijd makkelijk te doorgronden.

In de onderhavige zaak waren sommige rapportages op DNA-gebied erg complex, zowel door het aantal

onderzochte sporen als door de wijze van rapportage.

Aan het NFI worden soms vragen voorgelegd over DNA waarop het NFI geen wetenschappelijk verantwoorde

reactie kan geven. Bijvoorbeeld: hoe vaak komt het voor dat bij een delict waarbij veel lichamelijk

contact was tussen dader en slachtoffer geen sporen van de dader worden gevonden (ook geen microsporen)?

Of: hoe lang blijft DNA-materiaal in nagelvuil zitten en maakt het uit of de drager van het materiaal

nagelbijter is? Naar zulke vragen is geen of nauwelijks onderzoek gedaan dat harde resultaten geeft. Antwoorden

op zulke vragen waren van belang geweest in deze zaak.

Het NFI heeft er in deze zaak, voor het eerst in zijn geschiedenis, in gesprekken met het OM er op gewezen

dat er twijfels waren over de betrokkenheid van Kees B. bij de strafbare feiten. Die gesprekken hebben tot

niets geleid. De vraag kan gesteld worden of het NFI de twijfels op een andere manier kenbaar had moeten

maken aan de andere procespartijen die bij de zaak betrokken waren. Ik ben van mening dat het NFI dat

niet had hoeven doen. De NFI-medewerkers kenden immers slechts een deel van de zaak; het tactische

gedeelte van de zaak kenden zij nauwelijks. Zij konden dus niet inschatten of de zaak tegen Kees B. sterk

was of niet. Verder vind ik dat het niet de verantwoordelijkheid is van het NFI de andere procespartijen op

de hoogte te brengen van twijfel.

In eerste aanleg is de DNA-deskundige ter terechtzitting gehoord. Bij het gerechtshof zijn zowel de deskundige

als de onderzoeker ter zitting gehoord. In de verklaringen die zij ter terechtzitting hebben afgelegd,

hebben zij de twijfels die bij hen leefden over Kees B. niet kenbaar gemaakt. Dat kwam, zeggen zij, mede

doordat niet de juiste vragen werden gesteld, ook niet door de officier van justitie of de AG. Zij gaven antwoord

op de vragen die gesteld werden en brachten niet spontaan aanvullende punten op. Benadrukt moet

worden dat een getuige-deskundige ‘naar zijn geweten’ zijn werk moet (kunnen) doen. Dat kan betekenen

dat twijfels ongevraagd naar voren gebracht moeten worden. Een andere mogelijkheid zou zijn dat de officier

zulke twijfels moet doorgeven aan de rechter en de verdediging.

De twijfels die door de NFI-medewerkers naar voren waren gebracht, hadden natuurlijk niet hoeven te leiden

tot het stopzetten van de vervolging van Kees B. of het vragen van vrijspraak. De officier of AG konden

best van mening zijn dat de NFI-medewerkers het verkeerd zagen. Maar in het algemeen moet professionele

twijfel die geuit wordt door het NFI als zwaarwegend worden beschouwd en in het strafproces onderwerp

van bespreking worden gemaakt. Dat is in de onderhavige zaak in onvoldoende mate gebeurd. Dat heeft in

het nadeel van Kees B. uitgewerkt.

Of de zaak tegen Kees B. in eerste aanleg of in hoger beroep anders zou zijn afgelopen als de rechtbank of

het hof kennis had genomen van de twijfels die bij NFI-medewerkers leefden, kan ik niet met zekerheid

HET TECHNISCHE ONDERZOEK 49

beantwoorden. De kans op een andere afloop acht ik niet denkbeeldig. Maar los daarvan: dit was informatie

waarvan de rechter en de verdediging op de hoogte hadden behoren te zijn.

4.6 Aanbevelingen

Recherche

Het verdient aanbeveling in grote(re) onderzoeken een coördinator van de technische recherche toe te

voegen aan de teamleiding of één technisch rechercheur aan te wijzen als contactpersoon voor het tactische

team. De technisch rechercheur kan de schakel zijn tussen tactisch team/zaaksofficier en NFI. Vaak

spreken het NFI en een tactisch rechercheur/zaaksofficier niet dezelfde taal. Een technisch rechercheur,

mits goed opgeleid, kan een brugfunctie vervullen tussen NFI en opsporingsteam.30

Het verdient aanbeveling om van alle technische onderzoeken, dus ook van de technische onderzoeken

met negatieve uitkomst, verslag te doen in proces-verbaalvorm of in rapportvorm en die verslaglegging toe

te voegen aan het dossier. Bij krachtige in potentie ontlastende technische bevindingen moet hieraan expliciet

aandacht worden besteed.

Door de technisch rechercheurs is geen technisch journaal bijgehouden waarin zij verslag hebben gedaan

van bijvoorbeeld hun contacten met het onderzoeksteam en het NFI, of van intern overleg waarbij is gesproken

over onderzoeksmogelijkheden. Het verdient aanbeveling dat de TR, voor intern gebruik, een

technisch journaal bijhoudt.

De ‘chain of evidence’ en de ‘chain of custody’ van de stukken van overtuiging (SVO) was vaak onduidelijk.

Dat kan problemen opleveren in strafzaken. Naarmate technisch bewijs onaantastbaarder is en belangrijker

in de bewijsvoering wordt, komt er immers meer aandacht voor de formele kanten van technisch onderzoek:

zijn de FT (forensisch-technische)-normen in acht genomen, zijn de SVO’s wel goed bewaard, hoe zit het

met de administratie e.d. Het verdient aanbeveling om binnen een onderzoeksteam waar veel in beslag

genomen is, iemand te belasten met het sporenbeheer. Die persoon moet een overzicht bijhouden van de

SVO’s en sporen in het onderzoek. Hij moet kunnen zeggen waar de SVO’s zijn, welke onderzoeksopdrachten

zijn uitgezet en uitgevoerd, en wat de resultaten van de onderzoeken waren.

Daarnaast zou - op landelijk niveau - een database ontwikkeld moeten worden ten behoeve van registratie

van SVO’s, die het mogelijk maakt SVO’s en sporen te volgen gedurende het onderzoek en waarin ook

onderzoeksopdrachten verwerkt kunnen worden.31

Voor de lange termijn is het misschien mogelijk een landelijk systeem in te voeren waarbij met behulp van

technische mogelijkheden een SVO of een spoor een uniek nummer krijgt en gevolgd kan worden door het

onderzoek en de hele strafrechtsketen heen (en ook daarna, als dat nodig is). Dat systeem moet gebruikt

worden door politie, justitie en NFI.

30 Over opleidingen op forensisch technisch gebied, zie onder meer: J. van der Wegen, ‘Volgepompt met kennis. Nieuwe leergang

‘Recherchemedewerker/technisch rechercheur’, in: Recherche Magazine 2004 nr. 3, p. 30; H. Vogelsang, ‘Stroomversnelling

in de opsporing. Forensisch-technisch bewijs in tactische context blijven zien’ in: Recherche Magazine 2005 nr. 3, p. 7; H.

Vogelsang, ‘Nieuwe positie in de opsporing. Forensisch-technische opleidingen van start, in: Recherche Magazine 2005, nr. 3

p. 16.

31 Binnen het evaluatieonderzoek van de Schiedammer parkmoord is gebruik gemaakt van een Acces-database. In deze database

zijn gegevens met betrekking tot SVO’s en sporen uit RAG ‘Park’ ingevoerd. Daarbij is geprobeerd zoveel mogelijk te

werken volgens de FT-norm 903.01 van maart 2005. Vanuit de database kan een matrix worden gegenereerd met daarop de

ingevoerde gegevens. Het is ook mogelijk in de database te zoeken. In de genoemde FT-norm 903.01 worden aanbevelingen

gedaan over de administratie rondom SVO’s en sporen.

HET TECHNISCHE ONDERZOEK 50

Door de behandeling van het stoffelijk overschot van Nienke zijn sporen verloren gegaan. Er is geen FTnorm

voor het veiligstellen en bewaren van een stoffelijk overschot. Het verdient aanbeveling zo'n FT-norm

te ontwikkelen. In zo'n FT-norm zouden regels moeten worden opgenomen over bijvoorbeeld de kwaliteit en

het materiaal van de lijkenzak, over hoe een stoffelijk overschot vervoerd en bewaard moet worden, en dat

het bewaard moet worden in een afgesloten ruimte waartoe alleen de politie toegang heeft.

De drie technisch rechercheurs die in deze zaak op 22 juni 2000 werkzaamheden hebben verricht, kwamen

uit drie verschillende districten. Zij kenden elkaar niet of nauwelijks. In het algemeen kan gezegd worden

dat een centraal georganiseerde technische recherche voordelen heeft boven een gedecentraliseerde.

Terzake kundige leidinggevenden, eenheid van uitrusting, eenduidigheid in werkwijzen, inzicht in kennis- en

ervaringsniveau van de individuele medewerkers bij leidinggevenden, uitwisseling van kennis en ervaring,

invoering van nieuwe technieken, bijscholing, controle op de kwaliteit van de processen-verbaal en dergelijke:

het zijn allemaal zaken die in een grote centraal georganiseerde technische rechercheafdeling beter

geregeld kunnen worden dan in kleine decentraal georganiseerde afdelingen.

De processen-verbaal van de technisch rechercheurs waren erg summier. Een kwaliteitscheck had de kwaliteit

waarschijnlijk verhoogd. Het ware verstandig een kwaliteitscontrole te ontwikkelen voor processenverbaal

of rapporten van de TR. In het algemeen verdient het aanbeveling de processen-verbaal van de TR

te laten nalopen door een terzake kundig kaderlid van de TR op begrijpelijkheid, duidelijkheid en correctheid.

De teamleiding en de officier van justitie moeten in een zaak als deze kritisch zijn op het werk van de

TR.

De snij- en steekwonden van het slachtoffer Maikel zijn niet door een forensisch arts onderzocht en geïnterpreteerd.

In het onderzoek is men afgegaan op meningen van een behandelend arts, die niet forensisch

geschoold was. Indien een forensisch arts zou zijn ingeschakeld, zou er waarschijnlijk betrouwbaarder informatie

zijn geweest over de aard van het letsel van Maikel en het voorwerp waarmee het letsel was toegebracht.

In zaken als deze is het aan te bevelen een forensisch arts in te schakelen.

NFI

Vragen van het Openbaar Ministerie over de sectiebevindingen konden enkele maanden na de sectie niet

beantwoord worden. Het verdient aanbeveling meer beeldopnames te maken van gerechtelijke secties.

Ook verdient het aanbeveling na te gaan of de schriftelijke verslaglegging van secties uitgebreider en gedetailleerder

moet of verduidelijkt kan worden met foto’s.

Door een aantal NFI-medewerkers en -leidinggevenden is naar voren gebracht dat in een zeer klein aantal

zaken bij het NFI grote twijfel bestaat over de betrokkenheid van een verdachte bij het strafbare feit. In die

gevallen weet het NFI vaak niet waar men met die twijfel heen moet. Voor zulke gevallen moet een procedure

worden ontwikkeld om deze twijfel ter kennis te brengen aan de verantwoordelijken binnen het OM of

aan de zittende magistratuur. In elk geval zou een deskundige zijn twijfel duidelijk kenbaar moeten kunnen

maken in zijn rapport.

OM

Persoonlijke betrokkenheid van de officier van justitie bij het forensisch-technisch onderzoek en bij de contacten

met het NFI is belangrijk. De kennis van technische onderzoeken is bij de meeste officieren van

justitie kleiner dan wenselijk en noodzakelijk is. Het verdient aanbeveling te investeren in het vergroten van

die kennis.

HET TECHNISCHE ONDERZOEK 51

Algemeen

De wijze van rapporteren van het NFI sluit vaak niet aan bij het kennisniveau van politie, OM, rechter en

verdediging. Het is wenselijk dat de wereld van de forensische deskundigen en de wereld van de juristen

naar elkaar toe groeien. Het NFI moet uitgebreider en duidelijker rapporteren. Politie en juristen moeten

moeite doen zich te verdiepen in het forensisch-technische werk.

Het verdient voor politie/justitie en ook voor het NFI aanbeveling betere verslaglegging bij te houden van

contacten tussen NFI en politie/justitie.

De verdediging is voor het laten verrichten van (aanvullend) DNA-onderzoek afhankelijk van de officier van

justitie of de rechter. In de onderhavige zaak heeft de verdediging ook niet kunnen kennisnemen van de

twijfel van het NFI. Het verdient aanbeveling om te bezien of en hoe de positie van de verdediging in deze

versterkt moet worden.

HET TECHNISCHE ONDERZOEK 52

HET TACTISCHE ONDERZOEK 53

5 HET TACTISCHE ONDERZOEK

5.1 Inleiding

De feiten waarvan Nienke en Maikel slachtoffer zijn geworden, zijn gepleegd op 22 juni 2000 aan het eind

van de middag. Kort nadat die feiten bekend waren geworden was de politie ter plaatse. Toen is het tactische

opsporingsonderzoek begonnen. Brigadier S., de eerste politieambtenaar die ter plaatse was, heeft

van Maikel een beknopt signalement gekregen. Dat heeft hij doorgegeven aan de meldkamer. Die heeft dat

verspreid. Op de avond van 22 juni 2000 is uitgekeken naar een man die voldeed aan het verspreide signalement.

In dit hoofdstuk ga ik in op het tactische opsporingsonderzoek dat vanaf 23 juni 2000 door het onderzoeksteam

RAG ‘Park’ is uitgevoerd. In tijd kan een onderscheid worden gemaakt in twee periodes:

- de periode tussen 23 juni 2000 en de bekentenissen van Kees B. (paragraaf 5.2.);

- de periode na de bekentenissen van Kees B. (paragraaf 5.3.).

Een aantal aspecten van het tactische onderzoek die in beide periodes speelden, behandel ik in paragraaf

5.4.

In de eerste periode was RAG ‘Park’ als veel onderzoeken waarin het niet meteen duidelijk is in welke richting

de verdachte moet worden gezocht. Ik maak onderscheid in opsporingsactiviteiten op een aantal terreinen:

- opsporingshandelingen die erop gericht waren vast te stellen wie op 22 juni 2000 aan het eind van

de middag/begin van de avond in het Beatrixpark waren geweest (5.2.1.);

- opsporingshandelingen die werden verricht naar aanleiding van het signalement dat Maikel had

gegeven (5.2.2.);

- opsporingshandelingen die gericht waren op enkele personen voor wie het team meer dan bijzondere

belangstelling had, met uitzondering van Kees B. (5.2.3.);

- opsporingshandelingen gericht op Kees B. (5.2.4.);

- overige opsporingshandelingen (5.2.5.).

In de tweede periode was het onderzoek toegespitst op Kees B..

Het opsporingsonderzoek was omvangrijk. Met veel energie, menskracht en gedrevenheid is de politie aan

de slag gegaan om de dader te vinden. Het publiek heeft zich niet onbetuigd gelaten. In totaal zijn ongeveer

620 tips binnengekomen.32

In RAG ‘Park’ heeft de politie bijna 370 personen als getuige gehoord. Deze getuigen hebben samen zo’n

440 verklaringen afgelegd. 121 getuigenverklaringen, afkomstig van 81 getuigen, zijn in het eindprocesverbaal

opgenomen. Verder heeft de politie tientallen ambtshandelingen verricht.

32 In sommige stukken wordt gesproken over meer dan 1100 tips. Dat is wel te verklaren: er zijn namelijk 1144 onderzoeksformulieren

gemaakt. Die bevatten echter niet allemaal een tip. Veel onderzoeksformulieren bevatten namelijk alleen een werkopdracht.

HET TACTISCHE ONDERZOEK 54

5.2 Opsporingsonderzoek tussen 23 juni 2000 en de bekentenissen van Kees B.

5.2.1 Opsporingshandelingen die erop gericht waren vast te stellen wie op 22 juni 2000 aan het eind van

de middag/begin van de avond in het Beatrixpark waren geweest

Vooral in de eerste weken is door RAG ‘Park’ veel tijd en aandacht besteed aan het achterhalen en horen

van personen die op 22 juni 2000 's middags en aan het begin van de avond in het Beatrixpark waren geweest.

De nadruk daarbij lag op mensen die op/bij PD A en brug B waren geweest, maar het ging ook breder.

Hoewel een aantal getuigen tegen de politie heeft gezegd dat het die middag opvallend rustig was in het

park, waren er toch veel mensen in het park geweest op de middag van 22 juni 2000: mensen die hun hond

hadden uitgelaten, mensen die van werk naar huis waren gefietst, mensen die hadden meegedaan aan de

fietsvierdaagse die op 22 juni om 18.00 uur van start was gegaan, mensen die op de in het Beatrixpark

gelegen kinderboerderij hadden gewerkt, mensen die in speeltuin ‘Fort Drakensteijn’ waren geweest en

mensen die om andere redenen in het park waren geweest.

Van een aantal van de personen die op/bij PD A en brug B waren geweest toen Maikel uit de bosjes kwam

of die kort daarna waren aangekomen, waren de personalia ter plaatse opgenomen door de uniformdienst.

Onder hen waren getuige G 40 (de man naar wie Maikel toegelopen was toen hij uit de bosjes kwam) en

Kees B.. Kees B. had zijn personalia, adres en telefoonnummer aan brigadier S. gegeven voor hij doorfietste.

Met veel anderen heeft de politie later contact gehad (getuigen G 41 t/m G 53).

Ook met personen die kort voor 18.00 uur in de buurt van PD A waren gewest, is de politie in contact gekomen.

Onder hen:

- getuige G 35, die rond 17.30 uur door het Beatrixpark fietste en op het gras nabij brug A een fiets

in het gras zag liggen;

- getuigen G 36 en G 37, die tussen 17.00 en 18.00 uur samen hun honden hadden uitgelaten in het

park en die rond 17.30 uur in de buurt van PD A liepen en toen nabij brug A een fiets in het gras

hadden zien liggen;

- getuige G 39, die van zijn werk naar huis fietste en die terwijl hij langs PD A fietste een gesmoorde

kreet uit de bosjes van PD A hoorde.

Op een aantal dagen, onder meer op 26 en 27 juni 2000, hebben leden van RAG ‘Park’ passantenonderzoeken

gehouden in het park. Verder is eind juni 2000 bij het volkstuinencomplex dat naast het park ligt

onderzoek gedaan. Tussen 3 en 6 juli 2000 heeft de politie enkele controleurs van de hengelsportvereniging

benaderd in de hoop dat één van hen iets opvallends had gezien in het Beatrixpark op 22 juni 2000.

Ook heeft de politie alle medewerkers van de kinderboerderij bevraagd. Deze onderzoeken hebben, kan

achteraf worden vastgesteld, geen nuttige informatie opgeleverd.

In een later stadium heeft het opsporingsonderzoek de geografische kring verder verruimd. Op 23 augustus

2000 is een begin gemaakt met buurtonderzoeken in de omgeving van het Beatrixpark. Uit het journaal kan

worden afgeleid dat daarmee is gestopt op of rond 7 september 2000. In de periode tussen 23 augustus en

7 september 2000 is vooral in de wijk Kethel-vaart buurtonderzoek gedaan. Die wijk grenst aan het Beatrixpark.

Die wijk ligt ten noorden van de A20, de snelweg die Schiedam door midden scheidt. Maar ook in de

wijken Tuindorp en Blijdorp is buurtonderzoek uitgevoerd. Tuindorp ligt ten noorden van de A20, Blijdorp

direct ten zuiden van de A20. Bij de buurtonderzoeken is de politie met een aantal mensen in contact gekomen

die op 22 juni 2000 in het park waren geweest.

HET TACTISCHE ONDERZOEK 55

Niet gevonden zijn: (een) Turkse man(nen) met kinderen, een vrouw met hond en een kalende man met

bril.

Een aantal personen van wie men wist dat die op de middag van 22 juni 2000 in het park waren geweest,

zijn uiteindelijk niet gevonden. Ik besteed daar tamelijk uitgebreid aandacht aan, omdat het later van belang

zal blijken te zijn voor de onderbouwing van de verklaringen van Kees B. en de dossiersamenstelling (par.

9.1.2).

Onder de personen die niet gevonden zijn zit of zitten één of twee Turkse mannen met een paar kinderen.

Kees B. heeft verklaard dat hij een Turkse man met kinderen heeft gezien in de buurt van de achteringang

van de kinderboerderij. Waarschijnlijk was dat rond 17.40-17.45 uur. Hij was die mensen ook eerder tegengekomen,

namelijk toen hij naar de speeltuin in het park fietste en toen hij achter een jongetje aanfietste. Er

zijn een flink aantal anderen die ook over Turkse mensen spreken. De getuigen zijn niet unaniem over het

aantal Turkse mannen: sommigen hebben het over één man, anderen over twee. Ook het aantal kinderen

is niet steeds gelijk. De meeste getuigen denken dat de man/mannen Turks was/waren, maar een enkeling

zegt dat hij/zij mogelijk Marokkaans was/waren.

- Getuige G 833 zegt dat zij tussen 16.15-16.30 uur in speeltuin Drakensteijn twee Turkse mannen

met twee kinderen heeft gezien.

- Getuige G 934 zegt dat zij van 16.25 tot 17.00 uur in de genoemde speeltuin een Turkse of Marokkaanse

man met twee of drie kinderen heeft gezien.

- Getuige M. van de V.35 zegt dat hij op een tijdstip tussen 17.00 en 18.00 uur twee Turkse mannen

met twee Turkse kinderen in de genoemde speeltuin heeft gezien.

- Getuige G 1836 zegt dat zij rond 17.45 uur een Turkse man met kinderen heeft gezien nabij de

achteringang van de kinderboerderij in het Beatrixpark. Zij heeft met de man gepraat over een

drachtige koe die daar stond.

- Getuige F.D.37 zegt dat hij rond 17.55 uur één of twee Turkse of Marokkaanse mannen met één of

twee kinderen heeft gezien bij de heemtuin in het Beatrixpark.

- Getuige M.D.38 zegt dat zij op 22 juni 2000 met haar collega's S.D. en E.M. door het park fietste en

rond 17.45 uur in de buurt van de achteringang van de kinderboerderij en de ingang van de heemtuin

in het Beatrixpark twee Turkse mannen met twee kinderen heeft gezien. Haar collega S.D.

heeft het over één Turkse man met kinderen die zij rond 17.40 uur ziet. Haar collega E.M. kan

de precieze tijd niet aangeven. Hij spreekt over twee buitenlands uitziende mannen en twee kinderen

die in de richting van de heemtuin liepen.39

Hoewel er verschillen zijn, kan uit de onderlinge samenhang van de verklaringen van deze getuigen en de

verklaring van Kees B. naar mijn oordeel worden afgeleid dat zij allen over dezelfde man(nen) en kinderen

spreken.

In het onderzoek RAG 'Park' is geprobeerd de Turkse man(nen) met kinderen te vinden, onder meer door

een in het Turks vertaalde oproep te verspreiden in Schiedam en op te hangen op een paar plaatsen waarvan

men wist of dacht dat daar veel Turkse mensen kwamen. Dat heeft echter niets opgeleverd. (Ook in het

onderzoek tegen Wik H. is geprobeerd deze Turkse mensen te vinden, maar ook daar zonder succes.)

33 Verklaring van 25 juni 2000; opgenomen in eindproces-verbaal.

34 Verklaring van 26 juni 2000; opgenomen in eindproces-verbaal.

35 Verklaring van 9 augustus 2000; niet opgenomen in het eindproces-verbaal.

36 Verklaring van 26 juni 2000; opgenomen in het eindproces-verbaal.

37 Verklaring van 22 augustus 2000; niet opgenomen in het eindproces-verbaal.

38 Verklaring van 9 augustus 2000; niet opgenomen in het eindproces-verbaal.

39 De verklaringen van S.D. is afgelegd op 17 augustus 2000, die van E.M. op 10 augustus 2000. Deze verklaringen zijn niet

opgenomen in het eindproces-verbaal.

HET TACTISCHE ONDERZOEK 56

Ook een vrouw met een hond waarover Kees B. spreekt is niet gevonden. Kees B. zegt dat hij de vrouw -

hij schat haar leeftijd tussen de 30 en 40; zij had half lang donkerblond haar - met een bruine hond zag

toen hij de Turkse man met kinderen zag in de buurt van de achteringang van de kinderboerderij. Getuige

G 3240 heeft verklaard dat hij rond 17.45-17.50 uur langs de achterkant van de kinderboerderij fietste. Hij

zag tussen brug B en brug C een vrouw met een hond lopen. De vrouw was 30 tot 40 jaar oud en had donkerkleurig

haar. Zij droeg lichtkleurige kleding. De hond was een 'beetje roestbruin van kleur', had kort haar

en hangende oren en was ongeveer 60 cm hoog. Eind juli 2000 is in een plaatselijk huis-aan-huis blad een

oproep geplaatst waarin mensen die regelmatig hun hond uitlieten in het Beatrixpark werden opgeroepen

zich te melden bij de politie. Daar hebben enkele mensen op gereageerd, maar niet de vrouw met de hond

waarover Kees B. en getuige G 32 spreken.

Ook een kalende man van een jaar of 50-60 met bril, die over brug C zou zijn gefietst terwijl Kees B. op die

brug stond, is niet gevonden. Blijkens een ongedateerde notitie blijkt dat (vermoedelijk) twee analisten van

RAG ‘Park’ de stukken zijn doorgelopen om te zien of daarin een man is te vinden die zou kunnen passen

bij die beschrijving. In de notitie worden elf mannen genoemd die rond de 50 zijn. Op de lijst wordt melding

gemaakt van de verklaring van de hiervoor al genoemde getuige F.D. Hij heeft op 22 augustus 2000 verklaard

dat hij op 22 juni 2000 rond 17.50 uur over brug C het Beatrixpark in fietste. Op de brug heeft hij een

hem tegemoetkomende fietser gezien die hij beschrijft als een blanke man van rond de 50, brildragend,

rond gezicht. Over het haar zegt de getuige niets. De verklaring van getuige F.D. is niet bij het eindprocesverbaal

gevoegd. Uit de stukken waarover ik de beschikking had, blijkt niet of er iets is gedaan met deze

namenlijst.

5.2.2 Opsporingshandelingen die werden verricht naar aanleiding van het signalement dat Maikel had

gegeven

Signalement

Bij het onderzoek werd in het begin aansluiting gezocht bij het door Maikel gegeven signalement van de

dader. Enkele dagen na de feiten heeft de politie een aandachtsvestiging gemaakt en verspreid. Daarin

staat dat de politie in relatie tot het misdrijf in het Beatrixpark belangstelling had voor een man die voldeed

aan het volgende signalement:

- blanke man

- 20-35 jaar oud

- 180 cm lang

- normaal postuur

- opvallend bleek gelaat

- onverzorgde rode en zwarte puisten in het gezicht, waarvan er verschillende waren opengekrabd

- piercing met een goudkleurig ringetje in een van de oorschelpen

- donkerkleurig -mogelijk leren- jack

- donkere baseballpet

- blauwe spijkerbroek

- mogelijk gebruikmakend van een fiets.

Er zijn zoekslagen gemaakt in de volgende politiesystemen:

- Multipol (het basis bedrijfsprocessensysteem van de regiopolitie Rotterdam-Rijnmond);

- de bedrijfsprocessensystemen van aangrenzende politieregio's;

- het landelijke HKS (Herkenningssysteem).

40 Verklaring van 24 juni 2000; opgenomen in het eindproces-verbaal.

HET TACTISCHE ONDERZOEK 57

Daarbij werd gezocht op mannen tussen de 16 en 30 jaar met zedenantecedent(en), die op enigerlei wijze

affiniteit hadden met Schiedam en omgeving.

Het signalement is bekend gemaakt in de media, wat heeft geleid tot honderden tips uit het hele land

(waaronder ook veel tips van politieambtenaren uit andere regio’s) over mannen met pukkels en puisten.

Tijdens het onderzoek door RAG ‘Park’ is aan de Schiedammer parkmoord geen aandacht besteed in het

TV-programma ‘Opsporing Verzocht’.

Ook is door het onderzoeksteam navraag gedaan bij allerlei justitiële inrichtingen (o.m. TBS-klinieken; penitentiaire

inrichtingen) om te zien of daar iemand zat of had gezeten die in aanmerking zou kunnen komen

voor het plegen van de feiten.

Excel-bestand/Acces-database

In totaal zijn door tips en zoekslagen 547 namen naar boven gekomen van potentiële verdachten. Die namen

zijn in een excel-bestand gezet. Dat bestand is aangemaakt op 29 juni 2000. Het Salvador-team heeft

vastgesteld dat het bestand tot 13 september 2000 is geactualiseerd. Van deze personen werd uit politiebestanden

informatie opgevraagd. Door de teamleiding werd vervolgens per persoon een prioriteit toegekend:

hoog, midden of laag. Criteria voor de prioritering heb ik niet gevonden. Ook was het mogelijk dat

besloten werd iemand van de lijst van potentiële verdachten af te voeren.

Het was de bedoeling dat van degenen die een hoge en middenprioriteit hadden gekregen een persoonsdossier

werd aangelegd. Van velen met een middenprioriteit is geen persoonsdossier aangelegd. In totaal

zijn van 290 personen van de lijst van 547 persoonsdossiers aangelegd. Van die personen is veelal nadere

informatie opgevraagd bij bijvoorbeeld de afdeling bevolking van een gemeente, het documentatieregister

of bij financiële instellingen. Van een aantal van deze personen heeft het observatieteam op verzoek van

RAG ‘Park’ foto’s gemaakt.41

Op een datum die naar alle waarschijnlijkheid ligt in de laatste tien dagen van juli 2000 - de precieze datum

kon niet vastgesteld worden in het evaluatieonderzoek - is men begonnen met het overzetten van de persoonsgegevens

in een Acces-database. Ik kom daar later in dit hoofdstuk op terug (par. 5.4.4). De werkzaamheden

met de persoonsdossiers en de database waren niet afgerond toen Kees B. op 5 september

2000 werd aangehouden.

(Enge) man op bankje op PD C

Verschillende getuigen hebben gesproken over een man die zij op 22 juni 2000 ’s middags hadden gezien

in het Beatrixpark, zittend op een bankje op de plek die later is aangeduid met PD C. Op PD C staan twee

bankjes. De bankjes staan in de buurt van de achteringang van de kinderboerderij en de heemtuin. Op de

kaart die als bijlage bij het rapport zit, zijn de bankjes aangegeven.

Getuige G 24 heeft verklaard42 dat zij die middag, rond 16.40 uur, op één van de twee bankjes een man zag

zitten. Bij de man stond een fiets, licht van kleur, normaal model. Getuige G 24 zegt dat de fiets op de standaard

stond. (N.B.: de fiets van Kees B. had geen standaard; opmerking FP). De man was blank, had een

ongezond bleek gezicht en een spitse neus. Hij had geen bril, baard of snor. Hij droeg een petje dat donker

van kleur was en een rood embleem had. Hij droeg een donkerkleurige jas, mogelijk een bomberjack, een

41 Naar aanleiding van het verspreide signalement is niet getipt op Kees B.. In de eerste week van het onderzoek zijn drie tips

binnengekomen op Wik H. Van hem is een summier persoonsdossier aangelegd. H. had een middenprioriteit gekregen. Er is in

RAG 'Park' geen onderzoek naar H. verricht, althans dat blijkt niet.

42 Verklaring van 1 juli 2000; gevoegd bij het eindproces-verbaal.

HET TACTISCHE ONDERZOEK 58

blauwe spijkerbroek en lichtkleurige schoenen. De getuige schat de leeftijd van de man rond de 30. Met

deze getuige is geen enkele vorm van confrontatie gehouden.

Getuige G 2543 heeft rond 16.55 uur op dezelfde plek een man gezien. Hij schat de man op 16-18 jaar oud.

De man had een tenger postuur. Hij had een baseballcap op zijn hoofd. Hij had een blikje in zijn handen.

Tegen een prullenbak stond een fiets. Getuige G 25 weet geen verdere bijzonderheden. Met deze getuige

is geen enkele vorm van confrontatie gehouden.

Getuige G 2644 ziet rond 17.00 uur op dezelfde plek een man. Hij ziet ook een fiets: donker van kleur, klassiek

model, bel, hoog normaal stuur. De fiets stond tegen een vuilnisbak. De man zat dood voor zich uit te

staren. Getuige G 26 omschrijft de man als blank, tussen de 25-30 jaar oud, opvallend spierwit gezicht,

middenblond haar, geen baard, snor of bril, normaal postuur. Over de kleding zegt hij dat de man een zwarte

baseballcap op had, een zwart of blauw jack droeg en een donkerkleurige spijkerbroek en witte sportschoenen

aan had. Met deze getuige is op 22 augustus 2000 een opsporingsconfrontatie (zie par. 5.4.3)

gehouden. De lijst met getoonde foto´s zit niet achter het proces-verbaal van de confrontatie. Dat met getuige

G 26 een opsporingsconfrontatie is gedaan blijkt niet uit het eindproces-verbaal.

Getuige G 2745 was samen met getuige G 26. Getuige G 27 spreekt in zijn verklaring over een man met een

lijkbleek gezicht op een bankje op PD C. De man zat te roken en zat erbij alsof hij half dood was. Ook zijn

ogen vielen de getuige op: alsof hij spleetogen had. De man had geen baard of snor. Hij droeg een zwarte

baseballcap en onder de pet kwam iets blonds vandaan. De man droeg een jack. De getuige denkt dat de

man witte schoenen aan had. Getuige G 27 heeft ook een fiets gezien: een oude, afgetrapte fiets, rood van

kleur. Met deze getuige is op 31 augustus 2000 een opsporingsconfrontatie gehouden. De lijst met getoonde

foto´s zit niet achter het proces-verbaal van de confrontatie. Dat met getuige G 27 een opsporingsconfrontatie

is gedaan blijkt niet uit het eindproces-verbaal.

Getuige G 2846 heeft een man gezien die een onverzorgde indruk maakte. De getuige schat de leeftijd van

de man op 40-60. Hij zat te roken. Getuige G 28 heeft bij de man een fiets gezien: een donkerkleurige herenfiets,

zonder opvallende dingen zoals handremmen en versnellingen. Met deze getuige is geen enkele

vorm van confrontatie gehouden.

Verder is er een verklaring van getuige G 31.47 Hij had op 22 juni 2000 tot een uur of 5 gevist in het park. Bij

zijn wandeling naar de uitgang van het park zag hij bij brug A een man lopen. De man kwam hem tegemoet.

Getuige G 31 beschrijft de man als blank, tussen de 17-25 jaar, ongeveer 1 m 85 lang, pukkels in zijn

gezicht, voornamelijk op de wangen, doordringende blik in zijn ogen, slank postuur, droeg een lichtkleurig

petje en een lichtkleurig T-shirt en een trainingsbroek. Getuige G 31 zegt niets over een fiets. Met deze

getuige is op 24 augustus 2000 een opsporingsconfrontatie gehouden. De lijst met getoonde foto´s zit niet

achter het proces-verbaal van de confrontatie. Dat met getuige G 31 een opsporingsconfrontatie is gedaan

blijkt niet uit het eindproces-verbaal.

Niet gevoegd bij het eindproces-verbaal is de verklaring van 28 juni 2000 van getuige T.Y. Hij heeft verklaard

dat hij op 22 juni 2000, rond 16.10-16.15 uur, vlakbij het park een blanke man zag, leeftijd tussen de

25 en 30, met een eng, wit gezicht. Hij kan niet zeggen of de man puisten had. De man had een normaal

postuur en een lang, smal gezicht. Hij droeg een blauwe jas en een spijkerbroek en mogelijk een rood T-

43 Verklaring van 27 juni 2000; gevoegd in het eindproces-verbaal.

44 Verklaring van 26 juni 2000; gevoegd in het eindproces-verbaal.

45 Verklaring van 23 juni 2000; gevoegd in het eindproces-verbaal.

46 Verklaring van 26 juni 2000; gevoegd in het eindproces-verbaal.

47 Verklaring van 24 juni 2000; gevoegd in het eindproces-verbaal.

HET TACTISCHE ONDERZOEK 59

shirt. Met getuige T.Y. is op 21 augustus 2000 een opsporingsconfrontatie gedaan. (De foto van Wik H. zat

niet bij de getoonde foto´s.)

Evenmin gevoegd in het eindproces-verbaal is de verklaring van getuige Q.B., afgelegd op 26 juni 2000. Hij

zegt dat hij op 22 juni 2000, rond 18.00 uur, met drie vriendjes het Beatrixpark in fietste en toen een man

zag die het park uitliep. De getuige kon alleen de linkerkant van het gezicht van de man zien. De man had

een pokdalige huid. De huidskleur van de man wordt door de getuige omschreven als iemand die vaak

onder de zonnebank ligt. Eén van de drie vriendjes is niet gehoord, een tweede heeft geen man gezien en

de derde heeft wel een man gezien, maar weet niet hoe hij eruit zag.

Later in dit hoofdstuk komt aan de orde dat er enkele daderscenario’s zijn gemaakt. De man met het witte

gezicht op het bankje was één van de scenario’s. Er is een oproep gedaan in de media aan deze man om

zich te melden bij de politie. Dat heeft geen resultaat gehad.

Tramlijn 1

In het opsporingsonderzoek is tramlijn 1 een paar keer in beeld gekomen. Tramlijn 1 loopt van het Oostplein

in Rotterdam naar de wijk Woudhoek in Schiedam. Op 6 juli 2000 is trambestuurder S. gehoord. Hij

werkte meestal op tramlijn 1. Zijn verklaring zit niet bij het eindproces-verbaal. Hij heeft zich naar aanleiding

van het verspreide signalement gemeld bij de politie. Op 7 juli 2000 is trambestuurder W. gehoord. Zijn

verklaring zit evenmin bij het eindproces-verbaal. Op 22 juni 2000 was W. bestuurder op lijn 1. Hij kon zich

herinneren dat op die dag rond 19.00 uur een man was ingestapt op halte Parkweg en twee of drie haltes

voor het eindpunt (het eindpunt is in de wijk Woudhoek) was uitgestapt. De man was een jaar of 30-40 en

had wild krullend haar. Hij had een pokdalig gezicht met pukkels. Zowel aan S. als aan W. is een fotoserie

getoond van 11 foto’s van mensen die woonden in de wijk Woudhoek en op wie tips waren binnengekomen.

S. en W. herkenden niemand.

Op zaterdag 15 juli 2000, rond 18.50 uur, kwam de moeder van Maikel naar het politiebureau in Schiedam.

Zij vertelde dat zij en Maikel, rond 18.15 uur die avond, met de auto over de Burgemeester Van Haarenlaan

in Schiedam reden. Achterin een tram op lijn 1 richting Rotterdam, zag zij een man zitten die volgens haar

leek op het signalement van de dader dat door Maikel was gegeven. De man droeg een blauwe pet, had

een donkere jas aan en had een smal wit gezicht. Of hij pukkels had, had moeder niet kunnen zien. Moeder

vroeg aan Maikel of de man in de tram leek op de dader, waarop Maikel zei dat hij de betreffende man voor

90% herkende als de dader.

Diezelfde avond nog heeft het onderzoeksteam de bestuurder van de betreffende tram achterhaald. Hij had

in zijn tram niemand gezien met het signalement dat de moeder van Maikel had gegeven, maar zei erbij dat

hij het achterste deel van de tram niet goed in de gaten kan houden. Ook is die avond, zonder resultaat,

gepost bij de tramhaltes van lijn 1 in de wijk Woudhoek. Uit de stukken blijkt niet dat onderzocht is of er in

de tram of langs de route van de tram door bijvoorbeeld bewakingscamera's opnames waren gemaakt

waarop de man te zien was die door Maikel en zijn moeder was gezien.

Naar aanleiding van de melding van de moeder van Maikel is op dinsdag 18 juli 2000 een zoekslag gemaakt

in HKS op blanke mannen tot ongeveer 40 jaar, met een proces-verbaal op zedengebied, woonachtig in

de wijken Kethel, Spaland, Groenoord of Woudhoek of een link hebbend met die wijken. Deze wijken liggen

alle in het deel van Schiedam dat ten noorden van de A20 ligt. Deze zoekslag leverde vier personen op

(niet Wik H. of Kees B.). Die vier personen zijn met onderliggende stukken voorgelegd aan de l.o./plv. l.o.,

die moesten beslissen of van hen persoonsdossiers moesten worden aangelegd. Van alle vier is bij de

stukken een persoonsdossier aangetroffen.

HET TACTISCHE ONDERZOEK 60

Tussen 26 juli en 8 augustus 2000 hebben leden van RAG ‘Park’ op zes dagen controleacties uitgevoerd

op de route van tramlijn 1. Dat heeft geen resultaat gehad. Kennelijk is het tramproject op 8 augustus

beëindigd.

Cameraobservatie

Van 11 tot 25 augustus 2000 is er cameraobservatie geweest op een flatgebouw in de S-straat in de wijk

Woudhoek in Schiedam, omdat daar een man zou wonen die voldeed aan het verspreide signalement. Dat

heeft niets opgeleverd. Voor deze observatie had de zaaksofficier een bevel gegeven.

5.2.3 Opsporingshandelingen die gericht waren op enkele personen voor wie het team meer dan gemiddelde

belangstelling had, met uitzondering van Kees B.

Neppriester ‘Lars van Overveld’

Door RAG ‘Park’ is tamelijk veel tijd besteed aan een man die later een fantast bleek te zijn. Op 12 juli 2000

werd het onderzoeksteam RAG 'Park' gebeld door een man die zich Lars van Overveld noemde en zei dat

hij priester was. Hij vertelde tegen de politie dat die avond bij hem een man was komen biechten en dat die

man in de biecht had verteld dat zijn broer, die in Schiedam woonde, Nienke had vermoord. De biechtende

man had de priester gevraagd het verhaal 'een beetje' bekend te maken aan de politie. De priester gaf zijn

mobiele telefoonnummer aan de politie. Tussen 13 en 26 juli 2000 heeft RAG 'Park' een paar keer geprobeerd

in contact te komen met de priester via het door hem opgegeven telefoonnummer. Dat lukte één

keer. Er werd toen een afspraak gemaakt, die niet door de priester werd nagekomen. Via het door de

priester gegeven telefoonnummer kreeg de politie op 27 juli 2000 contact met een man die zei dat hij abt

was in het klooster van de Heilig Hart-kerk in Rotterdam en dat hij Lars kende. In Rotterdam bestaat geen

Heilig Hart-kerk. De politie had het ernstige vermoeden dat men te maken had met een neppriester. De

gedachte rees dat de man die zich voordeed als priester mogelijk betrokken was bij de misdrijven in het

Beatrixpark of beschikte over informatie die relevant was voor het onderzoek.

Tussen 17 en 29 augustus 2000 zijn de telefoongesprekken die werden gevoerd over het door Lars van

Overveld gegeven nummer opgenomen en afgeluisterd. Nader onderzoek van Rag 'Park' leidde tot de identificatie

van de gebruiker van dat telefoonnummer. Zijn echte naam was niet Lars van Overveld.

Die man is op 29 augustus 2000 op last van de raio-officier buiten heterdaad aangehouden op verdenking

van overtreding van de artikelen 289/287 Sr (moord/doodslag) en 242 Sr (verkrachting). Met toestemming

van de verdachte is op 29 augustus 2000 zijn woning in Breda doorzocht. Op 29, 30 en 31 augustus is de

man verhoord. Het onderzoek heeft uitgewezen dat hij niets met de feiten in het Beatrixpark te maken had

gehad. Hij is op 31 augustus 2000 in vrijheid gesteld. Deze man is, naast Kees B., de enige die in het kader

van het opsporingsonderzoek RAG ‘Park’ is aangehouden.

De zaak tegen deze neppriester had parketnummer 10/020014-00. (Het parketnummer van de zaak tegen

Kees B. was 10/020018-00.) In het eindproces-verbaal wordt geen melding gemaakt van de activiteiten in

de richting van Lars van Overveld.

Een man genaamd H.N.

Ook voor een man genaamd H.N. bestond tijdens het onderzoek meer dan gemiddelde aandacht. Op 10 en

23 augustus 2000 is deze man door leden van RAG 'Park' verhoord. Hij was uit andere hoofde aangehouden

(voor zedendelicten met kinderen). De man, geboren in 1947, is door leden van RAG ‘Park’ als

HET TACTISCHE ONDERZOEK 61

getuige gehoord, maar heeft wel de cautie gekregen. Met zijn toestemming hebben leden van RAG 'Park'

zijn woning doorzocht. Daarbij zijn een kettingslot, een zakmes en een pet in beslag genomen. Ook is

gekeken naar het profiel van zijn werkschoenen om te onderzoeken of dat overeen kwam met een schoenafdruk

die in het park was gevonden op PD D. Het mes van N. is voor onderzoek naar het NFI gestuurd.

Van N. is een persoonsdossier aangelegd. H.N. had niet te maken met de feiten in het Beatrixpark. In het

eindproces-verbaal wordt wel melding gemaakt van N.

Een man genaamd R.J.

Er was ook meer dan gemiddelde belangstelling voor R.J.. Leden van RAG 'Park' hebben met hem gesproken

op 23 en 24 augustus 2000. Hij is verhoord als getuige, maar heeft wel de cautie gekregen. De naam

van J. was op 5 juli 2000 door het CRI onder de aandacht van RAG 'Park' gebracht, omdat J. op internet

sterk geïnteresseerd was in kinderporno en omdat hij in Schiedam woonde. Van J. is een persoonsdossier

aangelegd. R.J. had niet te maken met wat gebeurd was in het Beatrixpark. In het eindproces-verbaal wordt

geen melding gemaakt van J.

Maikel

Natuurlijk is in de eerste weken van het onderzoek veel tijd en aandacht besteed aan het horen van Maikel

en het uitwerken van de verhoren die in de kindvriendelijke verhoorstudio waren opgenomen. In de eerste

dagen van het onderzoek zag het opsporingsteam Maikel als 100% slachtoffer, maar al snel ging men met

andere ogen naar hem kijken. In Hoofdstuk 6 ga ik daar op in.

5.2.4 Opsporingshandelingen gericht op Kees B. tot 5 september 2000

Aanvankelijk was Kees B. slechts getuige. Op 25 juni 2000 is hij in die hoedanigheid verhoord door twee

leden van RAG ‘Park’. Medio juli 2000 gebeurde er iets waardoor RAG ‘Park’ anders naar Kees B. ging

kijken. Op 12 juli 2000 werd Kees B. op de A-laan in Vlaardingen gezien door een jongetje. Dat jongetje

herkende Kees B. van een jaar eerder, toen Kees B. hem in Vlaardingen onzedelijke voorstellen had gedaan.

Dat jongetje is meteen naar zijn vader, politieambtenaar in de regio Rotterdam-Rijnmond, gegaan om

te vertellen dat hij de man had gezien die hem een jaar eerder had benaderd. De vader is direct met zijn

zoontje meegegaan naar de A-laan. Toen zij daar aankwamen, was Kees B. daar nog steeds. De vader

heeft Kees B. aangesproken. Kees B. gaf meteen toe wat hij een jaar eerder gedaan had, zei dat hij spijt

had en dat hij hulp nodig had. De vader heeft toen een afspraak met Kees B. gemaakt voor een gesprek op

het politiebureau in Vlaardingen. Later die dag heeft de vader in een politiesysteem laten kijken of er iets

over Kees B. bekend was. Hij hoorde toen dat Kees B. voorkwam in het onderzoek RAG 'Park'. De vader

heeft daarop contact opgenomen met het team RAG 'Park' en heeft verteld wat was gebeurd. RAG 'Park'

was geïnteresseerd in Kees B.. De afspraak die de vader had met Kees B. is op 14 juli 2000 door twee

leden van RAG ‘Park’ afgezegd. Vervolgens is door hen een nieuwe afspraak gemaakt voor 17 juli 2000.

Op 14 juli 2000 is door een lid van RAG ‘Park’ bij de Rijksdienst voor het Wegverkeer en het Centraal Bureau

Rijvaardigheidsbewijzen gevraagd of van Kees B. een pasfoto beschikbaar was.

Op 17 juli 2000 ’s avonds is Kees B. verhoord. Het gesprek viel uiteen in twee delen. In het eerste deel

werd hij verhoord als getuige zonder cautie. In het tweede deel werd hij ook verhoord als getuige maar toen

met cautie. In Hoofdstuk 7 ga ik in op de inhoud van de verhoren. Dat wat Kees B. over zichzelf vertelde

(bijvoorbeeld dat hij kinderen seksueel benaderde), de opvallende gelijkenis van de fiets van Kees B. met

een fiets die door getuigen in het park was gezien, liggend op het gras nabij PD A, in combinatie met de

aanwezigheid van Kees B. in het Beatrixpark nabij PD A op 22 juni 2000, vergrootte de aandacht van het

HET TACTISCHE ONDERZOEK 62

onderzoeksteam voor Kees B. aanmerkelijk. Op 17 juli 2000 zijn, met zijn toestemming, foto’s gemaakt van

Kees B., van zijn fiets en van zijn schoenen.

Na 17 juli 2000 bleef de politie aandacht houden voor Kees B.. Op 19 juli 2000 zijn Kees B.’s werkgeefster

en twee van zijn collega’s verhoord door een lid van RAG ‘Park’. In deze verhoren is onder meer gesproken

over de werktijden in het algemeen en die op 22 juni 2000 in het bijzonder. De twee collega´s verklaarden

onafhankelijk van elkaar dat zij normaal gesproken werken van 9.00 uur tot 17.30 uur, maar dat het ook wel

eens wat later wordt, maar nooit veel later dan 17.45 uur. Over 22 juni 2000 zeiden zij dat Kees B. waarschijnlijk

tot het eind van de dienst op het werk was. Zij denken dat zij die dag tot na 17.30 hebben gewerkt.

Deze verhoren zijn afgenomen op het werk van Kees B.. Kees B. zelf was toen op het werk en de rechercheur

heeft toen, blijkens het journaal, aan Kees B. uitleg gegeven over art. 27 van het Wetboek van Strafvordering

(definitie verdachte).

Bij de stukken waarover ik beschikte bij het evaluatie-onderzoek zit een e-mail waaruit kan worden opgemaakt

dat een lid van RAG ‘Park’ een keer met de werkgeefster van Kees B. in haar woning in Rotterdam

heeft gesproken, mogelijk op 15 juli 2000. Ik citeer uit die e-mail:

“10.00 uur

In haar woning aan de T...-weg [huisnummer] te Rotterdam gesproken met een vrouw genaamd

[naam werkgeefster en geboortedatum en –plaats en telefoonnummer].

Zij verklaarde het volgende:

- Kees B. werkt sinds een tweetal maanden bij [naam bedrijf] als magazijnmedewerker.

- Werktijden worden niet door middel van een prikklok o.i.d. bijgehouden.

- De werktijden zijn 09.00-17.30 uur. Soms iets langer als er een bodedienstauto (Van

Gend en Loos) geladen moet worden. Dit is echter nooit later dan 17.45 uur. Voor zover

[naam werkgeefster] uit haar geheugen kan putten is dit op donderdag 22/06/2000

niet het geval geweest.

- Kees B. komt op de fiets naar zijn werk.

- Kees B. heeft een gsm.

- Kees B. had op vrijdag 23/06/2000 vrij (vakantie) t/m donderdag 29/06/2000.

- Op die vrijdag de 23e heeft hij nog gesproken over het voorval met [naam werkgeefster]

en leek over zijn toeren.

- Op 30/06/2000 is Kees B. weer begonnen met werken.

- Op 13/07/2000 heeft hij zich ziek gemeld bij [naam bedrijf].

- Kees B. heeft contact met slachtofferhulp ivm de gebeurtenis.”

Van een verhoor van de werkgeefster in haar woning zit geen proces-verbaal bij de stukken.

Op 24 juli 2000 zijn aan getuigen G 35 en G 37 foto’s getoond van de fiets van Kees B.. Op 25 juli 2000

heeft Kees B. met twee rechercheurs van RAG ‘Park’ de route van zijn werk naar het park nagefietst. Op 28

juli 2000 zijn aan getuige G 55 drie foto’s van Kees B. en één foto van de fiets van Kees B. getoond. Op 1

augustus 2000 heeft een rechercheur van RAG ‘Park’ bij het bedrijf waar Kees B. werkte navraag gedaan

naar de alarminstallatie. Daarvan is geen proces-verbaal opgemaakt. Er is wel een aantekening van gemaakt

in het journaal. Op 3 en 4 augustus 2000 is Kees B. opnieuw verhoord. Op de laatste datum heeft hij

op verzoek van de politie een blauw Duckhams-shirt en een blauw T-shirt afgegeven voor vergelijkend

vezelonderzoek. In het journaal staat:

"Bij PV gehoord de getuige/verdachte Kees B. In overleg met [de plv. l.o.] aan Kees B. het donkerkleurige

shirt gevraagd welke hij als een soort van bedrijfskleding draagt. Deze werd in de woning

van B. door hem afgegeven. Later Kees B. nog een keer gebeld en hem meegedeeld dat het voor

een vergelijkend onderzoek ging en hij begreep dit en hij stelde het aan ons ter beschikking."

Die kledingstukken zijn op 8 augustus 2000 naar het NFI gegaan.

HET TACTISCHE ONDERZOEK 63

Op 29 en 30 augustus 2000 is Kees B. geobserveerd bij zijn werk. Op 29 augustus is gezien dat B. zijn

werk verliet om 17.38 uur. Op 30 augustus is gezien dat hij om 17.35 uur wegging van zijn werk. In de observatieverbalen

wordt niets gezegd over het wel of niet zien van een Van Gend & Loos wagen. In het relaas

van het eindproces-verbaal wordt opgemerkt dat op 29 augustus de Van Gend & Loos wagen om

17.38 uur was vertrokken bij Kees B.’s werk en dat op 30 augustus de Van Gend & Loos wagen nog niet

was geweest toen Kees B. vertrok.

Hoewel er veel aandacht voor Kees B. was, was het tot begin september 2000 niet zo dat alle aandacht van

het onderzoeksteam op Kees B. was gericht.

De bijzondere aandacht die de politie vóór 5 september 2000 voor Kees B. had was gebaseerd op de volgende

feiten en omstandigheden:

- hij was volgens de politie ten tijde van de feiten waarvan Nienke en Maikel het slachtoffer waren in

het Beatrixpark;

- hij was om 18.08 uur bij PD A;

- hij hield zich afzijdig op PD A;

- hij had een seksuele voorkeur voor kinderen;

- zijn fiets vertoonde opvallende overeenkomsten met de fiets die door getuigen was gezien, liggend

op het gras nabij PD A.

Op 5 september 2000 is Kees B. aangehouden. Op die dag is B.’s woning doorzocht. Er waren voldoende

feiten en omstandigheden om hem als verdachte aan te merken. Toen Kees B. aangehouden werd, was

het niet zo dat hij werd gezien als dé verdachte. Het was, hebben de zaaksofficier, de l.o., de plv. l.o. en

diverse teamleden in de interviews gezegd, eigenlijk de bedoeling om hem aan te houden, te ondervragen

en te zien of hij kon worden uitgesloten als verdachte; het team kon niet blijven doorgaan met het horen van

Kees B. als getuige met cautie.

5.2.5 Overige opsporingshandelingen

Telecommunicatie-onderzoek

Rond 10 augustus 2000 zijn bij vijf grote telecombedrijven zendmastgegevens opgevraagd voor het tijdvak

van 16.00 uur tot 19.00 uur op 22 juni 2000 voor de zendmasten in de omgeving van het Beatrixpark. De

zendmastgegevens zijn verstrekt en onderzocht, heeft één van de geïnterviewde analisten van RAG ‘Park’

gezegd. Het resultaat van dat onderzoek zit niet bij de stukken.

5.3 Opsporingsonderzoek na de bekentenissen van Kees B.

Na de bekentenissen van Kees B. op 9 en 10 september 2000 (zie Hoofdstuk 7) is te zien dat een verenging

optreedt in het onderzoek. Kort na de bekentenis van B. is door de l.o. besloten het onderzoeksteam in

te krimpen. De l.o. heeft in het interview gezegd dat het team werd ingekrompen omdat Kees B. bekend

had. In het journaal van vrijdag 15 september 2000 staat: “Met ingang van as maandag 18 september zal

RAG PARK bestaan uit de volgende medewerkers”. Daarna volgen de namen van acht vaste en vier incidentele

medewerkers. De vaste medewerkers waren de l.o., de wachtcommandant, twee analisten en vier

rechercheurs. (De plv. l.o. en de latere pv-coördinator worden niet genoemd in het namenlijstje. Zij waren

op 15 september op vakantie.) De incidentele medewerkers waren de vier familierechercheurs. In hoofdstuk

3 heb ik aangegeven dat er vanuit de korpsleiding of de parketleiding geen druk werd uitgeoefend het team

in te krimpen.

HET TACTISCHE ONDERZOEK 64

De onderzoekshandelingen die na 10 september 2000 zijn verricht, zijn bijna allemaal te koppelen aan

Kees B.. Er zijn na 10 september nog twee doorzoekingen geweest in de woning van B. (op 29 september

2000 en op 10 november 2000). Er is veel werk gemaakt van het in beeld brengen van de contacten die

Kees B. had (gehad) met minderjarigen in zijn (woon)omgeving. Veel getuigen die voor 5 september 2000

waren gehoord, zijn na 10 september 2000 nogmaals gehoord. Verder zijn kennissen van Kees B. ondervraagd.

Veel tijd is gaan zitten in de verhoren van Kees B. en de woordelijke uitwerking van die verhoren.

Het tijdstip waarop Kees B. op 22 juni 2000 van zijn werk was vertrokken, was van belang in de tijdlijn. De

tachograafschijven van de twee Van Gend & Loos wagens die op 22 juni 2000 ’s middags bij het werk van

Kees B. waren geweest, zijn in beslag genomen. De tijdsregistratie van de twee schijven liep niet parallel.

Er is weinig onderzoek gedaan naar de betrouwbaarheid van de tachograafinstallaties in de twee vrachtwagens,

bijvoorbeeld door de installaties in de vrachtwagens te onderzoeken. De tachograafschijven waren

weliswaar geijkt, maar de ijking geldt niet voor de tijdinstelling van de tachograaf. De chauffeurs van de

twee vrachtwagens zijn wel ondervraagd over de nauwkeurigheid van de installaties.

Op 7 september 2000 heeft de zaaksofficier een vordering 126n Sv gedaan aan KPN ter verkrijging van

historische telecomgegevens van het mobiele telefoonnummer van Kees B. voor de periode van 21 juni

2000, 17.30 uur tot 23 juni 2000, 17.30 uur. Die gegevens zijn verstrekt en gebruikt in het onderzoek. Uit

deze gegevens bleek dat Kees B.’s mobiele telefoon op 22 juni 2000, rond 18.07/18.08 uur (toen 112 werd

gebeld)48 en op 23 juni 2000 om 15.10 uur dezelfde zendmast had aangestraald. Dat is in het nadeel van

Kees B. uitgelegd, namelijk als aanwijzing dat hij die middag van de 23e in of nabij het Beatrixpark was

geweest. Niet gebleken is dat er nader onderzoek is gedaan bij het telecombedrijf naar het bereik van die

specifieke zendmast of de richting van waaruit de zendmast was aangekozen.

In het journaal hebben na 10 september 2000 verreweg de meeste aantekeningen te maken met Kees B..

In het journaal staat een paar keer bij onderzoekshandelingen die niet met Kees B. te maken hebben dat

deze niet meer relevant zijn door de bekentenis van Kees B..

De verenging in het onderzoek blijkt ook uit het feit dat, zoals naar voren kwam in interviews, de werkzaamheden

aan de persoonsdossiers gestopt zijn na de bekentenissen van Kees B.. Ook de persoonsdossiers

die een hoge prioriteit hadden gekregen zijn terzijde gelegd. Voor de tips die ten tijde van de bekentenis

van Kees B. nog niet waren onderzocht geldt hetzelfde.

Bij de stukken die mij ter beschikking stonden zit een getypt overzicht van 13 november 2000 met de titel

'Nog te verrichten onderzoeken’. Op het document staat niet door wie of voor wie het is gemaakt. Op het

overzicht staan ongeveer 20 punten die nog onderzocht moeten worden. Bijna alle punten hebben met

Kees B. te maken.

Ook het concept-verslag van de bijeenkomst van 19 januari 2001 op het NFI (zie Hoofdstuk 3) geeft aan dat

(bijna) alleen op Kees B. onderzoek werd gedaan. Tijdens die bespreking is door het NFI voorgesteld om

van meer mensen uit de kring van Nienke DNA-materiaal af te nemen. Dat voorstel is afgewezen, omdat

men Kees B. had als bekennende verdachte.

48De 112-meldkamer geeft 18.08.11 uur als tijdstip waarop de melding is gedaan. Op de historische printgegevens van de

mobiele telefoon van Kees B., welke gegevens in het kader van het opsporingsonderzoek zijn opgevraagd, staat als tijdstip

waarop naar 112 is gebeld door Kees B.: 18.07.58 uur. De duur van het telefonisch contact dat toen is gevolgd en dat het contact

met 112 omvat en het contact met de Rotterdamse meldkamer, was 129 seconden. De zendmast die werd aangekozen bij

dit telefonisch contact had nummer 11857.

HET TACTISCHE ONDERZOEK 65

5.4 Opsporingsactiviteiten en aspecten die in beide periodes speelden

5.4.1 Reconstructie

Met veel personen die verklaringen hebben afgelegd is een individuele reconstructie gedaan. Het ging

daarbij vooral om het narijden of nalopen van routes om te zien hoe lang iemand over een bepaald traject

deed en hoe laat hij/zij ergens geweest zou kunnen zijn. Niet blijkt dat is overwogen om de diverse individuele

reconstructies met elkaar te combineren of dat aan het landelijk reconstructieteam om advies is gevraagd

over de mogelijkheden of onmogelijkheden van een grote reconstructie.

De raadsman van Kees B. heeft tijdens de behandeling van de zaak bij het gerechtshof verzocht een reconstructie

te houden. Dat verzoek is afgewezen.

5.4.2 Scenario's

Bij het onderzoeksmateriaal zitten vier dadertheorieën, elk voorzien van argumenten pro en contra een

bepaalde theorie. Drie van de vier theorieën hebben betrekking op Maikel en mensen uit zijn omgeving. De

vierde heeft betrekking op de man met het witte gezicht op het bankje. Volgens de raio-officier zijn deze

scenario's in het begin van het onderzoek aan de orde geweest, maar zij zouden pas op papier gezet zijn

door de l.o. toen Kees B. al vast zat. De reden voor het op dat moment op papier zetten van de scenario's

is niet duidelijk geworden. Evenmin is duidelijk wat er mee gedaan is.

5.4.3 Confrontaties

In het onderzoek RAG 'Park' zijn veel confrontaties geweest, zowel voor als na 10 september 2000. Slechts

een klein deel zit in het eindproces-verbaal dat naar de rechtbank en de verdediging is gegaan. De confrontaties

die buiten het procesdossier zijn gebleven, zijn niet ontlastend voor Kees B..

De confrontaties kunnen in drie groepen verdeeld worden.

De eerste groep bestaat uit opsporingsconfrontaties die met 49 getuigen gehouden zijn. Opsporingsconfrontaties

zijn meervoudige fotoconfrontaties waarbij op grond van het door de getuige gegeven signalement

een selectie wordt gemaakt uit het bestand politiefoto's. De foto's die voldoen aan het door de getuige

gegeven signalement worden met een geautomatiseerd fotokijksysteem dat is gekoppeld aan HKS aan de

getuige getoond. Deze opsporingsconfrontaties hebben bijna allemaal plaatsgevonden tussen begin augustus

en begin september 2000. Zij zijn uitgevoerd met getuigen die hadden verklaard een man gezien te

hebben die zij eng vonden of die zou passen binnen het verspreide signalement. Dat waren lang niet allemaal

getuigen die op 22 juni 2000 iemand in het park hadden gezien. De foto’s die getoond werden aan

deze getuigen zijn door het fotokijksysteem geselecteerd. Het was niet zo dat de getoonde foto’s geselecteerd

werden uit de lijst van 547 potentiële verdachten. Voor Kees B. zijn deze confrontaties niet relevant.

De foto van Kees B. zat niet in HKS en kon dus ook niet geselecteerd worden. Van deze opsporingsconfrontaties

zijn processen-verbaal gemaakt. Daarin staat hoeveel foto´s de getuige heeft gezien en of de

getuige wel of niet iemand herkende of meende te herkennen. Bij een aantal van die processen-verbaal

ontbreekt de bijlage waarop de nummers staan van de getoonde foto´s.

De tweede groep confrontaties waren de fotoconfrontaties met mensen die op 22 juni 2000 rond 18.00 uur

bij PD A en op/bij PD A en brug B waren geweest. Het exacte aantal personen dat rond die tijd op die plek

is geweest, heeft RAG ‘Park’ niet kunnen vaststellen, maar de meeste mensen die toen daar geweest zijn,

zijn achterhaald. Van de meesten van hen is een foto gemaakt. Die foto’s zijn in een map gedaan. De map

is getoond aan personen die op 22 juni rond 18.00 uur op/bij PD A en brug B waren geweest. Dit werd aanHET

TACTISCHE ONDERZOEK 66

vankelijk gedaan om duidelijkheid te krijgen over wie toen daar geweest was en wie wat had gedaan. Later

werden de foto’s getoond om erachter te komen wat Kees B. had gedaan en hoe hij zich had gedragen.

Van de personen die bij op/bij PD A en brug B waren geweest op 22 juni rond 18.00 uur, herkende niemand

Kees B. met zekerheid. Een paar getuigen zeiden bij het zien van de foto van Kees B. dat het postuur van

de man op de foto hen deed denken aan iemand die op de brug aanwezig was. Overigens werden maar

weinig mensen die aanwezig waren geweest met zekerheid herkend door andere aanwezigen.

De derde categorie confrontaties is voor Kees B. het belangrijkst. Van de hierna te noemen confrontaties is

steeds proces-verbaal opgemaakt. Deze processen-verbaal zijn gevoegd in het eindproces-verbaal. Het

gaat om de volgende confrontaties.

- De confrontatie in persoon met een vrouw, getuige G 54, die op de ochtend van 23 juni 2000 een

man in het Beatrixpark had gezien op PD A: G 54 was toen samen met haar buurman, de hieronder

te noemen getuige G 55. Met getuige G 54 is op 5 september 2000 op het politiebureau in

Schiedam een één-op-één confrontatie gehouden, waarbij zij Kees B. voor 85 à 90% herkende als

de man die zij had gezien.

- De fotoconfrontatie op 28 juli 2000 met een man, getuige G 55, die op de ochtend van 23 juni 2000

met getuige G 54 bij PD A een man en een fiets had gezien: aan hem zijn drie foto’s van Kees B.

getoond. Bij twee van de foto’s zegt hij dat de man op de foto het postuur heeft van de man die hij

in het park heeft gezien. Bij de derde foto zegt hij dat hij die man niet kent. Aan getuige G 55 is ook

een foto van de fiets van Kees B. getoond. Daarvan zegt hij dat de fiets op de foto soortgelijk is

aan de fiets die hij op 23 juni 2000 heeft gezien.

- De fotoconfrontaties met de fiets van Kees B.: een aantal getuigen had op 22 juni 2000 rondom het

tijdstip van de feiten een fiets in het park nabij PD A zien liggen. Aan hen zijn foto's van de fiets van

Kees B. getoond. Dat waren getuigen G 35, G 36 en G 37. Aan getuige G 35 zijn op 24 juli 2000

foto’s van de fiets van Kees B. getoond. De getuige zegt dat de fiets qua model veel lijkt op de fiets

die hij heeft zien liggen, maar dat hij niet met 100% zekerheid kan zeggen dat het dezelfde fiets is.

Aan getuige G 35 wordt ook een foto getoond van het slot van de fiets van Kees B.. Daarvan zegt

hij dat hij zich dat slot in combinatie met de fiets die hij heeft zien liggen niet kan herinneren.

- Aan getuige G 36 zijn begin december 2000 per e-mail een aantal foto’s van de fiets van Kees B.

voorgelegd. Getuige G 36 verbleef toen voor langere tijd in de Verenigde Staten. Op 5 december

2000 vindt vervolgens een telefonisch verhoor plaats. De getuige zegt: “Ik kan u zeggen dat ik mij

de tering schrok toen ik de foto’s zag. Ik herkende de fiets op de foto’s als sterk gelijkend op de

fiets die ik had omschreven in mijn eerdere verklaring. Het was de fiets die ik in de berm had zien

liggen.” Aan de getuige wordt gevraagd waaraan hij de fiets herkent. Hij zegt: “Ik herkende de fiets

in eerste instantie aan de kleur en het model. Opvallend vond ik echter het grote slot dat rond het

zadel zat, het stuur en het iets vergrote zadel. Door die punten herken ik de fiets.” Achter dit verhoor

van getuige G 36 zijn twee foto’s gevoegd. Onder de foto’s staat ‘Achteraanzicht fiets verdachte

K. B.’ en ‘Vooraanzicht fiets verdachte K. B.’. De mogelijkheid bestaat dat die teksten onder

de foto’s stonden toen zij aan getuige G 36 zijn ge-emaild. Op de terechtzitting van 15 mei

2001 is getuige G 36 gehoord. De rechtbank heeft hem toen dezelfde foto’s van de fiets van Kees

B. laten zien als die hij eerder had gezien.

- Aan getuige G 37 zijn op 24 juli 2000 foto’s van de fiets van Kees B. getoond. Hij zegt dat er grote

gelijkenis is met de fiets die hij in het park heeft zien liggen, dat hij niet weet of het dezelfde fiets is,

dat hij denkt dat het de fiets niet is, omdat “het zeker weten een ander slot betrof.”

HET TACTISCHE ONDERZOEK 67

De hierboven beschreven confrontaties van de derde categorie waren van belang omdat zij zijn gebruikt

voor het bewijs dat de fiets die getuigen hadden zien liggen op het gras nabij PD A de fiets van Kees B.

was. De confrontaties met getuigen G 54 en G 55 zijn gebruikt om aannemelijk te maken dat Kees B. op 23

juni 2000 op PD A was en dat hij loog toen hij dat ontkende. In geen van deze gevallen is een meervoudige

confrontatie gehouden. De l.o. heeft in het interview gezegd dat hij geen bedenkingen had bij de één-opéén

confrontaties. De zaaksofficier heeft in het interview gezegd dat zij er pas later is achtergekomen dat

veel confrontaties enkelvoudig waren geweest.

5.4.4 Beschikbaarheid van hulpmiddelen, systemen en deskundigheid binnen de politie

Octopus

Er is door RAG 'Park' geen gebruik gemaakt van Octopus. Dat systeem, dat vooral gebruikt wordt in

grote(re) rechercheonderzoeken, was wel beschikbaar in de regio Rotterdam-Rijnmond. Octopus is niet

gebruikt vanwege problemen met opleidingen voor Octopus en autorisaties. Op het niveau van de centrale

recherchedienst in de regio Rotterdam-Rijnmond was het gebruik van Octopus in 2000 wel ingeburgerd,

maar op districtelijk niveau was dat niet het geval. In veel grote onderzoeken die op districtsniveau werden

gedraaid, werd Octopus niet gebruikt.

Acces-database

Drie leden van RAG 'Park', onder wie twee analisten, hebben op donderdag 6 juli 2000 een bezoek gebracht

aan een politieteam elders in Nederland, dat erg veel persoonsgegevens had moeten verwerken.

Binnen dat team was een Acces-database in gebruik, waarover men tevreden was. De leden van RAG

'Park' hebben bij hun collega's inspiratie opgedaan. Vervolgens is door een politieambtenaar van de regiopolitie

Rotterdam-Rijnmond - een inspecteur bij de recherche in Schiedam - een Acces-database gemaakt.

Het heeft na 6 juli 2000 enkele weken geduurd voordat die database beschikbaar was voor RAG 'Park'. De

Acces-database van RAG ‘Park’ heeft de naam RAG Support System gekregen (RSS). Het RSS was zowel

bij het invoeren van gegevens als bij het raadplegen gebruikersvriendelijk, heeft één van de analisten

gezegd. In het RSS zijn door vier medewerkers van RAG 'Park' de gegevens ingevoerd van personen van

de lijst van 547.

Het hiervoor bedoelde politieteam heeft aan RAG 'Park' een database ter beschikking gesteld met daarin

gegevens over personen die TBS hadden gekregen.

ViCLAS

Op 25 juni 2000 is een medewerker van de toenmalige CRI die gespecialiseerd was in ViCLAS op bezoek

geweest bij het onderzoeksteam. ViCLAS staat voor Violent Crime Linkage Analysis System. Het is een van

oorsprong Canadees programma voor registratie en analyse van opgeloste en niet-opgeloste zedenzaken,

moordzaken met een duidelijke seksuele component en moordzaken met een psychotische achtergrond,

voor zover deze feiten zich niet hebben afgespeeld in een verhouding waarbij dader en slachtoffer elkaar

kenden. Er moeten (erg) veel gegevens worden ingevoerd over het feit, de persoon van de dader (als die

bekend is), het fysieke, verbale en seksuele gedrag van de dader tijdens het delict, het slachtoffer e.d. Het

programma maakt het mogelijk om overeenkomsten te zien tussen zedenzaken, uiteraard voor zover die

zijn ingevoerd. Met ViCLAS is het ook mogelijk geografische zoekslagen te doen. In potentie biedt ViCLAS

goede mogelijkheden voor het leggen van verbanden tussen zedendelicten (nationaal en internationaal).

De databank moet dan wel gevuld worden met zaken.

HET TACTISCHE ONDERZOEK 68

Op 19 juli 2000 heeft een ViCLAS-medewerker twee namen doorgegeven aan RAG ‘Park’. Van deze twee

personen zijn persoonsdossiers opgemaakt. Op 27 juli 2000 zijn twee leden van RAG ‘Park’ op bezoek

geweest bij ViCLAS. Zij hebben toen verklaringen van Maikel afgegeven aan een ViCLAS-medewerker.

Wik H. had zich op 4 april 1999 schuldig gemaakt aan een zedendelict in Maassluis. Hij was voor dat feit

aangehouden en veroordeeld. De gegevens van die zaak waren niet opgenomen in ViCLAS.

Misdaadprofiler/gedragskundige invalshoek

Op 27 juni 2000 hebben een misdaadprofiler en een gedragskundige van de toenmalige CRI het RAG

‘Park’ bezocht. Zij konden vanuit gedragskundige hoek naar de feiten in het Beatrixpark kijken. Aan hen is

door een aantal leden van het onderzoeksteam uiteengezet welke informatie er was. De profiler heeft geen

daderprofiel gegeven, maar heeft wel een aantal punten genoemd waaraan gedacht zou kunnen worden

door het team. Van datgene wat de profiler zei, is door één van de leden van RAG 'Park' een puntsgewijs

verslag gemaakt.

De KLPD-medewerkers die op 25 en 27 juni 2000 bij het team zijn geweest, zijn niet op verzoek van het

onderzoeksteam gekomen, maar hebben zichzelf aangeboden.

Analisten

In RAG ‘Park’ hebben drie analisten werkzaamheden verricht. Zij hebben veel tijd besteed aan het aanleggen

van persoonsdossiers en aan het analyseren van de informatie in de persoonsdossiers. Door één van

de analisten is een tijdlijn gemaakt. Uit een gesprek met één van de analisten bleek dat de analisten zich

ook hebben bezig gehouden met de analyse van telecomgegevens. De teamleiding en de officieren van

justitie waren niet over alle analisten even tevreden, zeiden zij in de interviews. In het bijzonder één analist

zou niet de vereiste kwaliteiten hebben gehad voor een onderzoek als dit.

Op een gegeven moment zijn de analisten zich gaan bezig houden met het maken van de zogenaamde

'bewijswijzer' voor de zaaksofficier. Dat document is niet toegevoegd aan het eindproces-verbaal en is niet

bekend geworden bij rechters of verdediging, blijkt uit navraag bij deze betrokkenen. De bewijswijzer geeft

niet blijk van een kritische blik op de onderzoeksresultaten.

In het onderzoek RAG ‘Park’ was de tijdlijn een onderwerp van belang. Met de tijdlijn bedoel ik het overzicht

van gebeurtenissen en activiteiten op de middag van 22 juni 2000, in het bijzonder het tijdvak van ongeveer

17.00 tot 18.10 uur, het tijdvak waarbinnen de strafbare feiten waren gepleegd. Als werd uitgegaan van de

tijdstippen die Maikel had genoemd in zijn verklaringen, kon Kees B. de feiten niet gepleegd hebben. Ook

als niet werd uitgegaan van de verklaringen van Maikel voor de tijdstippen, was het moeilijk een tijdlijn te

maken waar Kees B. ingepast kon worden als dader. De l.o. heeft in het interview gezegd dat de tijdlijn die

gemaakt werd niet kloppend was te krijgen. De plv. l.o. heeft in het interview gezegd dat het maken van een

kloppende tijdlijn erg moeilijk was. De pv-coördinator heeft in het interview gezegd dat hij en twee analisten

geprobeerd hebben de tijdlijn kloppend te maken, maar dat dat niet gelukt is. Een van de geïnterviewde

analisten zei in antwoord op de vraag of Kees B. de feiten qua tijd gepleegd kon hebben, ‘dat ze geen

100% hadden’; hij vond zelf dat hij op 90% zat en dat Kees B. niet werd uitgesloten.

Invloed van buiten

Door velen die bij de zaak betrokken waren, zowel van binnen het onderzoeksteam als van buiten, is in de

interviews gezegd dat er grote druk op het team lag en dat dit merkbaar was. De feiten hadden veel maatschappelijke

onrust veroorzaakt. Er was veel mediabelangstelling. Van veel kanten was belangstelling voor

HET TACTISCHE ONDERZOEK 69

de voortgang van het onderzoek (media, districtsleiding, korpsleiding, parketleiding, burgemeester). Iedereen

in het onderzoeksteam was doordrongen van het belang van oplossing van deze zaak. De druk die er

was op het team heeft, zegt men, geen invloed gehad op de manier van werken en heeft niet geleid tot het

nemen van bepaalde beslissingen of het achterwege laten van aanpassingen in het onderzoek.

In RAG ‘Park’ is men de eerste maanden terughoudend naar de pers geweest. Er is, zoals hierboven al

werd gezegd in 5.2.2, ten tijde van RAG ‘Park’ geen aandacht besteed aan de Schiedammer parkmoord in

'Opsporing Verzocht'.49

5.5 Beoordeling

5.5.1 Opsporingsonderzoek tussen 23 juni 2000 en de bekentenissen van Kees B.

De gebrekkige verslaglegging van het overleg van de officieren van justitie en de teamleiding maakt het erg

moeilijk te reconstrueren wat door de leidinggevenden is besproken en beslist over onderzoeksrichtingen.

Tot aan de bekentenissen van Kees B. in het weekend van 9 en 10 september 2000 is bij het opsporingsonderzoek

in RAG 'Park' gewerkt zoals meestal gewerkt wordt bij onderzoeken naar ernstige feiten waar

niet meteen duidelijk is in welke hoek de verdachte moet worden gezocht. Het onderzoek was breed en alle

mogelijkheden werden open gehouden. Er is met veel mensen en met veel energie gewerkt aan het onderzoek.

Er is erg veel informatie verzameld. De verwerking daarvan verliep niet steeds soepel.

Binnen de regio Rotterdam-Rijnmond bestond de RAG-map. Een kopie van deze map is aan mij ter beschikking

gesteld door het korps Rotterdam-Rijnmond. In de RAG-map zaten onder meer stroomschema’s

voor werkopdrachten, blanco tipbladen en confrontatierichtlijnen. Er werd, voor zover dat valt na te gaan, bij

het verwerken en uitzetten van de tips en werkopdrachten gewerkt volgens de lijn die in de RAG-map werd

uiteengezet.

Het opsporingsonderzoek lijkt in deze periode niet erg gestructureerd geweest te zijn. Zo blijkt bijvoorbeeld

niet dat de onderzoekshandelingen die verricht moesten worden, verdeeld zijn in handelingen met een

hoge en een lagere prioriteit. Verder kan niet met zekerheid worden gezegd of er bijeenkomsten zijn geweest

waar het hele team aanwezig was en waarin de stand van zaken van het onderzoek werd besproken

of waar werd gebrainstormd of gediscussieerd over handelingen die nog gedaan konden worden. Sommige

geïnterviewde teamleden meenden dat een of meer van zulke bijeenkomsten hadden plaatsgehad, maar

andere geïnterviewde teamleden meenden dat dat niet zo was. In elk geval: als zulke bijeenkomsten hebben

plaatsgevonden, dan ontbreekt verslaglegging ervan.

In het interview met de wachtcommandant van RAG ‘Park’ kwam naar voren dat de opdrachten werden

uitgezet bij de koppels rechercheurs zonder dat de teamleiding aangaf welke prioriteit de opdracht had.

Sommige koppels hadden zoveel opdrachten dat het niet anders kon of zij moesten zelf een prioritering

aanbrengen, zei de wachtcommandant.

Het lijkt verder alsof tussen de verschillende koppels weinig samenwerking bestond. Zo kan ik bijvoorbeeld

niet zien dat in de eerste weken een gemeenschappelijke inzet is geweest om zoveel mogelijk mensen te

vinden die in het park waren geweest op 22 juni 2000. Wel is te zien dat nog lang na 22 juni 2000 nieuwe

getuigen naar voren komen die op 22 juni in het Beatrixpark waren geweest.

49 Ten tijde van het Capri-onderzoek is de zaak wel in ‘Opsporing Verzocht’ geweest.

HET TACTISCHE ONDERZOEK 70

Van samenhang tussen de werkzaamheden van de technisch rechercheurs en de tactisch rechercheurs is

niet veel te zien. In Hoofdstuk 4 (par. 4.2.12.) kwam naar voren dat de samenwerking in het begin normaal

en constructief was, maar dat er al snel een situatie ontstond dat het contact verminderde. Niet gebleken is

dat de technisch rechercheurs door de teamleiding betrokken zijn bij besprekingen over te volgen onderzoeksrichtingen.

Opmerkelijk vind ik dat het buurtonderzoek pas eind augustus 2000 van start is gegaan, dus twee maanden

na de feiten in het Beatrixpark. Er zijn argumenten om het buurtonderzoek kort na de feiten te houden: de

dader had het park moeten inkomen en uitgaan, dus mensen die in de buurt van toegangen van het park

woonden, zouden iets gezien kunnen hebben. Naarmate langer werd gewacht met het bevragen van die

mensen, werd de kans op onvolledige of onnauwkeurige herinneringen vergroot.

Er is veel tijd en aandacht besteed aan de persoonsdossiers. Hoe de hoog-midden-laag prioritering van

potentiële verdachten tot stand kwam en op grond van welke criteria werd besloten om van iemand wel of

geen persoonsdossier aan te leggen is niet duidelijk geworden. Er waren geen criteria afgesproken of vastgelegd,

althans deze waren voor mij niet te vinden. Ook is niet steeds duidelijk wat gedaan werd met de

verzamelde informatie. Bijvoorbeeld: in de eerste weken van het onderzoek is erg vaak getipt op een man

die op en rond Utrecht CS rondhing. Er is een foto van die man opgevraagd. Hij paste goed in het signalement

dat Maikel had gegeven. Van deze man is wel een persoonsdossier opgemaakt, maar van een vervolgonderzoek,

bijvoorbeeld om hem uit te sluiten als verdachte, is niet gebleken.

In het begin van het onderzoek was er bij team(leiding) en officieren van justitie veel twijfel over Maikel; een

strafbare betrokkenheid van Maikel bij de feiten was een serieuze optie. De mening van een extern deskundige

was daarbij van grote invloed. In het volgende hoofdstuk ga ik dieper in op de rol van deze deskundige.

In hoeverre in de gedachtevorming rondom Maikel gewicht is toegekend aan feiten en omstandigheden

die hem vrijpleitten, blijkt niet of nauwelijks. Als voorbeelden van zulke feiten en omstandigheden

noem ik: de feiten waren gepleegd met een mes en op of in de buurt van PD A is geen mes gevonden en

Maikel, die naakt uit de bosjes was gekomen, had het mes ook niet bij zich; Nienke en Maikel hadden nog

niet de leeftijd bereikt dat er interesse was in seksualiteit; uit verklaringen van de ouders van Nienke en

Maikel kwam niets naar voren wat aanleiding kon geven tot de gedachte dat er iets aan de hand zou zijn

met Maikel.

Als er in het begin al werd gewerkt met checklists, dan blijkt dat niet uit de stukken die ik tot mijn beschikking

had bij het evaluatieonderzoek. Of er in deze periode gerechercheerd is aan de hand van scenario’s

kan niet meer vastgesteld worden. De raio-officier heeft in het interview gezegd dat de dadertheorieën die

bij de stukken zitten aan de orde geweest zijn, maar dat ze pas later op papier zijn gezet.

5.5.2 Onderzoek na de bekentenissen van Kees B.

Hoewel Kees B. bekend had, waren er zowel binnen als buiten het onderzoeksteam bij sommigen twijfels

over de vraag of Kees B. wel de dader was. De twijfel werd echter niet of nauwelijks uitgesproken, hoewel

toch door veel geïnterviewde teamleden is gezegd dat er ruimte was een afwijkende mening te verkondigen.

Die twijfels werden vooral gevoed door de volgende omstandigheden:

- Kees B. leek helemaal niet op de dader zoals die door Maikel was beschreven;

- Maikel en Kees B. hadden elkaar gezien op brug B, vlak na de feiten, en Maikel had Kees B. toen

niet aangewezen als de dader;

- er waren, ondanks de fysieke contacten tussen Nienke en Maikel enerzijds en de dader anderzijds,

geen sporen van Kees B. gevonden op PD A of op het lichaam van Nienke;

- de tijdlijn van gebeurtenissen tussen ongeveer 17.15 uur en 18.08 uur was niet kloppend te krijgen

in die zin dat Kees B. er soepel inpaste.

HET TACTISCHE ONDERZOEK 71

Deze feiten en omstandigheden waren evident. Er waren ook nog wel andere punten die twijfel zouden

kunnen veroorzaken, maar die waren minder duidelijk.

De punten die ik zoëven heb opgesomd werden wél gezien door de officieren van justitie en de teamleiding.

Desondanks is het onderzoek na 10 september 2000 toegespitst op Kees B.. Er zijn, voor zover bekend,

geen opdrachten gegeven de stukken kritisch door te nemen op feiten en omstandigheden die tegen de

schuld van Kees B. pleitten.

Ook de twijfels die later door medewerkers van het NFI zijn uitgesproken naar aanleiding van het DNAonderzoek

hebben niet geleid tot aanpassing of heroverweging van de onderzoeksrichting en evenmin tot

opdracht nader technisch onderzoek te laten verrichten.

Natuurlijk is het makkelijk om terug te kijken. Maar objectief gezien kan niet worden volgehouden dat de

zaak tegen Kees B. sterk was. De overtuiging van de zaaksofficier dat Kees B. de dader was, is van groot

belang geweest voor de loop van het onderzoek na 10 september 2000. Door een aantal personen is gezegd

dat de zaaksofficier geen (merkbare) twijfels had over de schuld van Kees B. en evenmin over de

vraag of het bewijs dat er tegen hem was, voldoende was voor een veroordeling. De l.o. en de zaaksofficier

zaten wat dat betreft op één lijn. De plv. l.o. had wel twijfel, heeft hij in het interview gezegd. Hij heeft na

terugkomst van zijn vakantie begin oktober 2000 nog wel pogingen gedaan om het onderzoek breder te

krijgen, maar dat had weinig effect. De plv. l.o. heeft zijn twijfels over de schuld van Kees B. niet expliciet

geuit tijdens het onderzoek. De plv. l.o. heeft niet gefunctioneerd als correctiemechanisme.

De bekentenissen van Kees B. in het weekend van 9 en 10 september 2000 hebben voor de overtuiging

van de zaaksofficier een doorslaggevende rol gespeeld. Signalen dat er iets mis zou kunnen zijn met die

verhoren werden terzijde geschoven. Contra-indicaties voor de schuld van Kees B. werden weggeredeneerd

of genegeerd. In Hoofdstuk 9 zal ik daar verder op ingaan.

Bij de beslissing om het onderzoek te focussen op Kees B. speelde het volgende mee. Uit interviews blijkt

dat de l.o. en de zaaksofficier van mening waren dat het aan de buitenwereld een verkeerd signaal zou

geven om na de bekentenis van Kees B. onderzoek te doen naar andere verdachten. Want als dat bekend

zou worden, zou de indruk kunnen ontstaan dat politie en justitie niet overtuigd waren van de schuld van

Kees B.. Onderzoek naar andere verdachten of andere richtingen zou de zaak tegen Kees B. zwakker maken.

Een ander standpunt is mijns inziens mogelijk en verkieslijker. Namelijk dat het in een ernstige zaak waar

de schuld van de verdachte niet onomstreden is, juist een teken van kracht en zorgvuldigheid is om andere

scenario’s te onderzoeken. Als het onderzoek naar andere scenario’s niet leidt tot het in beeld komen van

andere verdachten of het kleiner worden van de verdenking tegen degene die als verdachte is aangemerkt,

kan zulk onderzoek de kracht van het bewijs tegen de verdachte juist vergroten.

Het maken van keuzes is in een groot opsporingsonderzoek vaak nodig, omdat er meer te onderzoeken

valt dan onderzocht kan worden.

In deze zaak is er na het afleggen van de bekentenis door Kees B. voor gekozen het onderzoek te versmallen.

Later wilde of kon men niet op deze keuze terugkomen. Dat is gevaarlijk, juist in een zaak waar zo

weinig technisch bewijs is.

HET TACTISCHE ONDERZOEK 72

5.5.3 Confrontaties

Op het gebied van confrontaties bestonden ten tijde van het onderzoek naar de Schiedammer parkmoord

richtlijnen van de recherche adviescommissie (RAC).50 51 Ingevolge de jurisprudentie van de Hoge Raad

zijn die richtlijnen niet als 'recht' te beschouwen. Volgens de Hoge Raad genieten meervoudige confrontaties

vanwege hun grotere betrouwbaarheid de voorkeur boven enkelvoudige. Er zijn situaties denkbaar dat

een meervoudige confrontatie niet of niet tijdig georganiseerd kan worden en waarin genoegen moet worden

genomen met een enkelvoudige confrontatie.52

De 49 opsporingsconfrontaties (de eerste van de drie categorieën confrontaties) zijn voorzover valt na te

gaan volgens de regels verlopen. Er zijn processen-verbaal van deze confrontaties gemaakt. Wel ontbreekt

bij een aantal de bijlage waarin staat welke foto´s zijn getoond. Daardoor kan achteraf niet worden nagegaan

of een bepaalde foto wel of niet is getoond. Onder omstandigheden kan het belangrijk zijn dat met

zekerheid te weten.

Bij de tweede categorie, de confrontaties met mensen die op 22 juni 2000 op/bij PD A of brug B waren geweest,

ging het niet zozeer om het verzamelen van bewijs, maar om het verkrijgen van duidelijkheid wie

daar geweest waren en wat door wie gedaan was. Dat die confrontaties enkelvoudig waren, is geen bezwaar.

Bij de derde categorie confrontaties, dus de confrontaties die van belang waren voor het bewijs tegen Kees

B., waren meervoudige confrontaties mogelijk en wenselijk geweest. Het had ook voor de hand gelegen dit

te doen. Ook met de fiets van Kees B. of het slot van de fiets was een meervoudige fotoconfrontatie mogelijk

geweest. Meervoudige confrontaties zouden een betrouwbaarder resultaat hebben opgeleverd en dus

bij een positief resultaat meer bewijskracht hebben gehad. Uit de interviews is niet duidelijk geworden

waarom steeds voor enkelvoudige confrontaties is gekozen. De wijze van confrontatie is geen gespreksonderwerp

geweest in het overleg van teamleiding en officieren van justitie. Kennelijk heeft niemand stilgestaan

bij het belang van meervoudige confrontaties. In de RAG-map zaten richtlijnen over meervoudige

fotoconfrontaties. Met die richtlijnen is echter niets gedaan.

5.5.4 Invloed van buiten

Als bijlage 7 bij het rapport zit een in het kader van dit evaluatieonderzoek gemaakte mediatijdlijn van de

periode 23 juni 2000 tot 20 september 2000. Daarbij is gefocust op de vraag of in de media daderwetenschap

was terug te vinden. De mediatijdlijn is beperkt tot kranten. Uit het onderzoek naar berichtgeving in

de kranten bleek dat geen daderwetenschap is verspreid.

De vraag dringt zich op of het zo zou kunnen zijn dat politie en justitie, mede met het oog op de externe

belangstelling, zo blij waren dat er een verdachte was aangehouden, en die ook nog een bekentenis had

afgelegd, dat men koste wat kost die verdachte wilde vasthouden en daarom bewust contra-indicaties heeft

genegeerd. Ik heb daarvoor geen aanwijzingen gevonden in het onderzoeksmateriaal dat mij ter beschikking

stond of in de interviews die gehouden zijn. De overtuiging die bij sommigen bestond dat Kees B. de

dader was, was niet een ‘gefabriceerde’ overtuiging tegen beter weten in.

50 Rapport identificatie van personen door ooggetuigen, Recherche Advies Commissie, juni 1992.

51 In het Besluit toepassing maatregelen in het belang van het onderzoek (Stb. 2002, 46) zijn nadere regels gesteld m.b.t. bewijsconfrontaties

in persoon. Dit besluit is op 1 maart 2002 in werking getreden en verwijst o.a. naar genoemd rapport van de

RAC.

52 HR 4 juni 1996, NJ 1996, 633 en Hoge Raad 24 september 1996, NJ 1997, 71.

HET TACTISCHE ONDERZOEK 73

5.5.5 Gebruik van bestaande hulpmiddelen en systemen en van deskundigheid

HKS, Multipol

Van bestaande politiesystemen zoals HKS en Multipol (het bedrijfsprocessensysteem van de regiopolitie

Rotterdam-Rijnmond) is goed gebruik gemaakt. Zij zijn tijdig en frequent geraadpleegd. Niet gebleken is dat

er foute informatie uit Multipol of HKS is gekomen. Wel is het zo dat er bij HKS altijd een achterstand is van

enkele maanden in de invoer van gegevens. Dat betekent dat informatie over de meest recente zaken niet

in HKS zit. Soms heeft een regio een grote achterstand bij het invoeren van gegevens.53

Octopus

Het systeem ‘Octopus’ is niet gebruikt door RAG ‘Park’. Hoewel dat systeem sturingsmogelijkheden bood,

is er om praktische redenen geen gebruik van gemaakt: de meeste medewerkers van RAG ‘Park’ konden of

mochten er niet mee werken. Eén van de analisten van RAG ‘Park’ heeft overigens op vragen van mij gezegd

dat naar zijn mening Octopus niet erg geschikt is voor het aanleggen van persoonsdossiers. Daarvoor

was de Acces-database veel beter.

Acces-database

De database die in RAG ‘Park’ is gebruikt en die gevuld is met allerlei gegevens bood goede mogelijkheden

om te zoeken en ordening aan te brengen in de enorme hoeveelheid informatie. Voor zover bekend, zijn

nooit zoekvragen ingegeven. Dat hield verband met de bekentenis van Kees B.. De teamleiding had de

database kunnen gebruiken als sturingsinstrument.

De database is pas eind juli 2000 beschikbaar gekomen voor RAG ‘Park’. Toen is begonnen met het overbrengen

van gegevens van het Excel-bestand naar de Acces-database. Het is jammer dat de database niet

eerder beschikbaar was en niet is gebruikt na de bekentenissen van Kees B.. Gebruik ervan had namelijk

duidelijk kunnen maken dat er personen waren die voldeden aan het signalement dat Maikel had gegeven,

zedenantecedenten hadden en in Schiedam en omgeving woonden. Die informatie had kunnen leiden tot

het breed houden of weer breed maken van het opsporingsonderzoek.

In de evaluatie die op 8 juni 2001 door de politie is gehouden van het onderzoek RAG ‘Park’ is naar voren

gebracht dat het lastig was de persoonsdossiers te ordenen en dat Multipol daarvoor niet de mogelijkheden

bood (net zo min als X-pol, een ander bedrijfsprocessensysteem). Op deze evaluatiebijeenkomst is gezegd

is dat er een nieuw computerprogramma zou moeten worden ontwikkeld voor het maken en bijhouden van

persoonsdossiers. Voor zover mij bekend is een dergelijk programma ook nu niet beschikbaar.

ViCLAS

ViCLAS is sinds april 1997 in gebruik bij de Nederlandse politie. In de regio Utrecht is toen een pilot gedaan.

Momenteel zijn er convenanten tussen het KLPD en alle regiokorpsen waarin de regio’s zich verplichten

om binnen redelijke termijn alle relevante zedenzaken aan te leveren aan het KLPD. Het KLPD verplicht

zich tot het analyseren van de aangeleverde zaken en terugkoppeling van de resultaten aan de regio’s. Ook

zonder convenant bestond de mogelijkheid informatie uit te wisselen. Het convenant met het korps Rotterdam-

Rijnmond is in januari 2001 gesloten.

53 Navraag mijnerzijds wanneer de gegevens van het strafbare feit dat Wik H. had gepleegd in Maassluis op 4 april 1999 waren

ingevoerd in HKS, leverde als antwoord op: in mei en juni 1999.

HET TACTISCHE ONDERZOEK 74

Wik H. had zich op 4 april 1999 in Maassluis schuldig gemaakt aan een zedenzaak. Indien die zaak zou zijn

aangeleverd en ingevoerd in ViCLAS, dan zou op grond van gedragsmatige aspecten geen link gevonden

zijn tussen dat feit en de feiten in het Beatrixpark. Wel zou de naam van Wik H. binnen ViCLAS een potentiële

kandidaat geweest zijn als er een geografische scan was gemaakt. Zo’n scan is echter niet gemaakt.

Misdaadprofiler/gedragskundige invalshoek

De profiler heeft destijds aangeboden meer te doen voor het onderzoeksteam in RAG ‘Park’. Daarvan is

geen gebruik gemaakt. De profiler heeft in het interview gezegd dat het niet ongebruikelijk is dat hij niet

wordt ingeschakeld bij ernstige delicten.

Door enkelen zijn de opmerkingen die de profiler op 27 juni 2000 had gemaakt aangezien voor een daderprofiel.

Dat was niet zo: het waren niet meer dan opmerkingen en aandachtspunten van de profiler die hij

maakte naar aanleiding van de informatie die hij die dag van het onderzoeksteam had gehoord. Een daderprofiel

is veel uitgebreider en komt niet tot stand na een kort gesprek.

Niet gebleken is dat in een later stadium van het onderzoek is gekeken naar de informatie die de profiler

had gegeven. Met hem is geen contact meer gezocht door RAG ‘Park’. Wel is de profiler op 17 januari 2002

aanwezig geweest bij de bespreking op het NFI met de AG. Hij heeft toen naar voren gebracht dat volgens

hem Kees B. niet paste in het plaatje van de dader. De AG was verrast en verbaasd over diens aanwezigheid

bij die bijeenkomst.54

Analisten

Ik vraag mij af of de analisten in RAG 'Park' geen oneigenlijke werkzaamheden hebben verricht door zich

intensief bezig te houden met de persoonsdossiers. In elk geval is het invoeren van gegevens in een Acces-

database geen analistenwerk. Dat werk werd niet gedaan door de administratieve medewerker van

RAG 'Park', omdat die zijn handen vol had met andere werkzaamheden.

Niet gebleken is dat de analisten hebben bijgedragen aan de totstandkoming van daderscenario’s of hypothesen

voor een andere onderzoeksrichting dan Kees B.. Evenmin is gebleken dat zij de teamleiding of de

officieren van justitie hebben voorzien van kritische opmerkingen over de verklaringen van Kees B. of over

het vermeende daderschap van B.. Aan de analisten is bijvoorbeeld niet gevraagd de verklaringen die waren

afgelegd over fietsen te analyseren of om de bevindingen van het technisch onderzoek te vergelijken

met de bevindingen van het tactische onderzoek, althans dat blijkt niet. De analisten hebben geen presentatie

hoeven te geven aan het team of teamleiding van de stand van zaken op een bepaald moment in het

onderzoek.

Na de bekentenissen van Kees B. hielden de analisten zich niet meer bezig met de persoonsdossiers, want

daarvan was beslist er mee te stoppen. Zij hebben zich nadien bezig gehouden met het maken van de

bewijswijzer ten behoeve van de officieren van justitie en met het maken van een tijdlijn. De tijdlijn was in

beginsel een goed middel om ordening aan te brengen. Bij gebruikmaking van de voorhanden zijnde tijdsgegevens

viel Kees B. als dader af. Het lijkt er echter op dat veel moeite is gedaan om een tijdlijn te maken

waarin Kees B. wél paste als dader. De objectieve gegevens zijn ondergeschikt gemaakt aan de overtuiging

dat Kees B. het gedaan had.

54 De profiler was waarschijnlijk op uitnodiging van een van de NFI-medewerkers aanwezig bij die bijeenkomst.

HET TACTISCHE ONDERZOEK 75

5.6 Conclusies

Het opsporingsonderzoek in RAG ‘Park’ maakt de indruk van een onderzoek waarin door veel mensen met

veel animo en inzet is gewerkt aan de oplossing van gruwelijke feiten, maar waar de structuur beter had

gekund.

De verwerking van persoonsgegevens heeft in RAG ‘Park’ vertraging ondervonden doordat het onderzoeksteam

niet vanaf het begin over een database beschikte die geschikt was voor de verwerking van gegevens

van grote aantallen personen en waar men mee kon werken.

Van Octopus is geen gebruik gemaakt, omdat binnen RAG ‘Park’ onvoldoende kennis en ervaring met dat

systeem was. Op zichzelf is Octopus een systeem dat nut had kunnen hebben in een groot onderzoek als

RAG ‘Park’. Het biedt mogelijkheden om werkzaamheden te registreren en bij te houden, het kan dienen

als sturingsinstrument en er kunnen verbanden worden gelegd tussen gegevens.

Van de kennis en aandachtspunten die de misdaadprofiler had gegeven is na de bekentenis van Kees B.

geen gebruik gemaakt. Het nalopen van de lijst met punten die hij naar voren had gebracht, zou zinvol zijn

geweest.

De analisten van RAG 'Park' hebben zich vooral bezig gehouden met werkzaamheden waarvoor analisten

niet bedoeld zijn. De teamleiding heeft de analisten niet goed ingezet. Dat is ten koste gegaan van het maken

van bijvoorbeeld overzichten van verschillen tussen de verklaringen van Kees B. en die van Maikel, het

analyseren van getuigenverklaringen, het aandragen en uitdenken van alternatieven voor de hypothesen

dat Kees B. de dader was en dergelijke.

Na de bekentenis van Kees B. is het onderzoek beperkt tot Kees B.. Het scenario dat B. de feiten niet gepleegd

had of het scenario dat een ander die feiten had gepleegd, zijn eigenlijk niet meer onder ogen gezien.

Dat was een bewuste keus, die echter niet gerechtvaardigd lijkt als gekeken wordt naar de punten

waarop twijfel mogelijk was over Kees B. als dader van de feiten in het Beatrixpark.

De confrontaties die zijn uitgevoerd met (foto’s van) Kees B. en met de fiets van Kees B. waren allemaal

enkelvoudig. Weliswaar betekent dat niet dat de resultaten onbruikbaar zijn, maar de resultaten zijn wel

minder betrouwbaar. In deze zaak waren meervoudige confrontaties mogelijk geweest. Gelet op het belang

van de uitkomst voor het bewijs tegen Kees B., hadden meervoudige confrontaties voor de hand gelegen.

Voor wat betreft de confrontatie per e-mail met foto’s van de fiets van Kees B. staat nog steeds niet vast of

er nu wel of niet een onderschrift bij de per e-mail toegezonden foto’s stond.

5.7 Aanbevelingen

Bij veel grootschalige onderzoeken komt in de eerste fase van het onderzoek erg veel informatie naar boven.

Daarop moet men voorbereid zijn, zowel met apparatuur als met mensen. Ook aan het begin van een

grootschalig onderzoek moeten systemen voor de verwerking van informatie meteen beschikbaar en operationeel

zijn. De politieambtenaren moeten overweg kunnen met de systemen die er zijn. Door leidinggevenden

binnen de politie moet er op worden toegezien dat het politiepersoneel opgeleid is voor en overweg kan

met de systemen waarvan men geacht wordt ze te gebruiken.

In veel onderzoeken is de schuldvraag van de verdachte niet problematisch. Maar er zijn onderzoeken

waarin dat anders is. Zij die langere tijd betrokken zijn geweest bij een onderzoek kunnen hun objectieve

blik op hun onderzoek verliezen. Dat kan leiden tot het niet onder ogen (willen) zien van alternatieve scenaHET

TACTISCHE ONDERZOEK 76

rio's. In opleidingen van leidinggevende politieambtenaren wordt tegenwoordig aandacht besteed aan zulke

fenomenen. Ook in opleidingen van rechterlijke ambtenaren moet aandacht worden besteed aan het voorkomen

van tunnelvisie.

Veel politieregio's leveren ondanks de afgesloten convenanten relatief weinig zedenzaken aan bij ViCLAS,

waardoor het systeem onderbenut wordt. Daardoor wordt de waarheidsvinding mogelijk belemmerd. Stimuleer

daarom de politieregio’s zedenzaken aan te leveren. Het is van belang ook oude zedenzaken op te

nemen in de ViCLAS-bestanden.

Het verdient aanbeveling leden van het OM een rechercheopleiding te laten volgen. In zo’n cursus moet

aandacht worden besteed aan bijvoorbeeld de standaardopzet van een opsporingsonderzoek, informatiemanagement,

PD-management en misdaadanalyse.

Inschakeling van een misdaadprofiler in een concreet onderzoek moet de beslissing blijven van de zaaksofficier

en de teamleider. Toch is het aan te bevelen om in bepaalde ernstige zaken, bijvoorbeeld zaken waarin

volgens de TGO-structuur wordt gewerkt, in een vroeg stadium de kennis van een misdaadprofiler te

gebruiken.

Voor bewijsconfrontaties zijn nadere regels neergelegd in het Besluit toepassing maatregelen in het belang

van het onderzoek. Hoewel de richtlijnen van de RAC m.b.t. confrontaties geen recht zijn en er omstandigheden

denkbaar zijn daarvan af te wijken, verdient het in het algemeen aanbeveling de richtlijnen

toe te passen.

In zaken die veel aandacht trekken, is contact met de media een belangrijk onderwerp. Het is belangrijk te

weten of en hoe daderwetenschap bekend is geworden buiten het onderzoeksteam. Het is om die reden

aan te bevelen bij te houden welke informatie door wie, aan wie en hoe is verspreid en hoe er in de media

bericht is over het onderzoek. Een mediatijdlijn kan daarbij helpen.

Zet analisten in voor werkzaamheden waarvoor zij bedoeld zijn.

MAIKEL

77

6 MAIKEL

6.1 Feitelijkheden

6.1.1 Data verhoren Maikel

De strafbare feiten waarvan Maikel en Nienke op 22 juni 2000 slachtoffer zijn geworden, zijn gepleegd tussen

ongeveer 17.15 uur en een paar minuten na 18.00 uur.

Op 22 juni 2000 heeft Maikel twee korte gesprekken met de politie gehad.

- Hij heeft in het Beatrixpark even gepraat met brigadier S. Maikel heeft hem gezegd dat er een man

met een puistig gezicht was geweest. Dit gesprek is gerelateerd in een proces-verbaal van bevindingen

van 22 juni 2000. Dat proces-verbaal zit bij het eindproces-verbaal.

- Verder heeft Maikel in de ziekenauto gepraat met een vrouwelijke politieambtenaar. Maikel heeft

aan haar geen signalement van de dader gegeven, maar wel in hoofdlijnen verteld wat er was gebeurd.

Van dat gesprek heeft zij een proces-verbaal van bevindingen gemaakt. Ook dat procesverbaal

zit in het eindproces-verbaal.

Maikel is op de volgende data verhoord door de politie:

- 23 juni 2000, 12.20-onbekende eindtijd, opgenomen op geluidsband;

- 25 juni 2000, 16.35-17.10, opgenomen op geluidsband;

- 27 juni 2000, 13.30-14.00, opgenomen op geluidsband;

- 4 juli 2000, 9.45-12.15, opgenomen op video;

- 7 juli 2000, 14.37-16.47, opgenomen op video;

- 12 juli 2000, 9.40-11.45, opgenomen op video;

- 14 september 2000, 10.30-onbekende eindtijd, opgenomen op geluidsband;

- 13 oktober 2000, niet opgenomen.

Van al deze verhoren zitten de processen-verbaal in het eindproces-verbaal. De verhoren van 23, 25, 27

juni, 4, 7 en 12 juli en 14 september 2000 zijn woordelijk uitgewerkt.

Verder is Maikel op 20 maart 2001 op verzoek van de raadsman bij de rechter-commissaris (hierna RC)

gehoord. Bij dat verhoor waren de raadsman van Kees B. en de officier van justitie niet aanwezig. Zij hadden

van tevoren schriftelijk vragen kunnen opgeven aan de RC. De raadsman van Kees B. heeft daarvan

gebruik gemaakt, de officier van justitie niet. De vragen van de raadsman zijn bijna allemaal gesteld. In het

verhoor is onder meer gesproken over de man die op brug B had staan bellen. Aan Maikel is niet gevraagd

of hij in de bellende man de dader herkende.

Op 16 november 2000 heeft Maikel ten behoeve van een eventueel te houden diepteverhoor een verslag

geschreven.

Maikel is steeds verhoord zonder cautie.

6.1.2 Verhoorders

Bij de acht politieverhoren van Maikel zijn drie verhoorders betrokken geweest. Degene die bij alle politieverhoren

aanwezig was, was een brigadier van de afdeling Jeugd- en Zedenzaken (JZZ) uit het district

Schiedam. Ik noem hem hierna verhoorder 1. Hij was een zeer ervaren jeugd- en zedenrechercheur. Hij

had de opleiding tot studioverhoorder gevolgd. Hij had veel studioverhoren afgenomen.

MAIKEL

78

Verhoorder 1 was verder één van de twee beheerders van de kindvriendelijke verhoorstudio in de regio

Rotterdam-Rijnmond. De studiobeheerder is verantwoordelijk voor het beheer van de verhoorstudio, de

planning van de studioverhoren en gaat na of het verhoor aan de criteria voor een studioverhoor voldoet.

Bij de verhoren tot en met 4 juli 2000 was als tweede politieambtenaar een jonge vrouwelijke rechercheur

van de JZZ uit het district Schiedam betrokken. Ik noem haar verhoorder 2. Zij had weinig ervaring en liep

mee met verhoorder 1. Zij had in de verhoren waar zij bij is geweest geen grote rol. Zij had de opleiding tot

studioverhoorder niet gevolgd.

Bij de studioverhoren van 7 en 12 juli 2000 was een brigadier van de JZZ uit een ander district aanwezig. Ik

noem hem verhoorder 3. Hij had enkele jaren ervaring als jeugd- en zedenrechercheur. Hij had de opleiding

tot studioverhoorder niet gevolgd.

Verhoorders 1 en 2 maakten deel uit van het RAG ‘Park’. Zij traden ook op als familierechercheurs voor

Maikel en diens ouders. In die hoedanigheid waren zij de schakel tussen het onderzoeksteam/justitie enerzijds

en Maikel en diens ouders anderzijds. Tussen verhoorder 1 en Maikel was een tamelijk goed contact.

Verhoorder 3 maakte geen deel uit van het onderzoeksteam RAG ‘Park’; hij is alleen ten behoeve van de

studioverhoren van 7 en 12 juli 2000 ingeschakeld.

6.1.3 Deskundigen

In RAG ‘Park’ zijn in verband met Maikel vier deskundigen ingeschakeld:

- een hoogleraar medische kinder- en jeugdpsychiatrie (hierna deskundige 1);

- een hoogleraar kinderpsychologie (hierna deskundige 2);

- een klinisch psychologe (hierna deskundige 3);

- een psycholoog (hierna deskundige 4).

Maikel werd in de eerste dagen van het onderzoek gezien als 100% slachtoffer. Al snel echter ontstond bij

het onderzoeksteam en de officieren van justitie twijfel over de betrouwbaarheid van Maikel’s verklaringen

en over de rol die hij mogelijk had gespeeld bij wat er in het Beatrixpark gebeurd was. Bij een aantal punten

in de verklaringen van Maikel vroegen zij zich af of het wel gegaan kon zijn zoals hij verteld had. Het zich

voor dood houden was een van die punten. Ook speelde mee dat zij vonden dat Maikel zo weinig emoties

toonde als hij vertelde wat er gebeurd was.

De gedachte rees dat Maikel misschien uit schaamte bepaalde informatie achterhield voor de politie, bijvoorbeeld

dat hij en Nienke in de bosjes van PD A een seksspelletje met elkaar aan het spelen waren en

daarbij overlopen waren door de dader. Ook de mogelijkheden dat Maikel strafbare betrokkenheid had

gehad bij de feiten, of de dader kende en hem afschermde, werden onder ogen gezien.

Wat ook nog meespeelde was de vraag in hoeverre het waarnemingsvermogen van Maikel tijdens de strafbare

feiten beïnvloed was door psychische factoren of door feitelijke omstandigheden.

De teamleiding en de officieren van justitie werden dus voor een aantal ingewikkelde vragen/dilemma’s

gesteld:

- Het opsporingsonderzoek maakte het noodzakelijk Maikel te horen, hij was immers de belangrijkste

getuige. Was het wel verantwoord hem bij herhaling te verhoren?

- Was Maikel alleen maar slachtoffer?

MAIKEL

79

- Had iemand uit de naaste omgeving van Maikel iets met de feiten te maken en nam Maikel die

persoon in bescherming?

- De leeftijd van Maikel (jonger dan 12) ten tijde van de feiten.

- Hield Maikel bepaalde informatie over wat hij en Nienke in het park hadden gedaan achter voor de

politie?

- Was Maikel’s waarnemingsvermogen tijdens de strafbare feiten ongestoord?

Om deze vragen/dilemma’s beter tegemoet te kunnen treden, is besloten het advies in te winnen van externe

deskundigen.

Op 29 juni 2000 heeft een gesprek plaatsgevonden met deskundige 1. De districtschef van Schiedam had

hem benaderd. Dat had hij gedaan buiten medeweten van de zaaksofficier. Desondanks is zij op 29 juni

met een aantal politieambtenaren naar deskundige 1 gegaan voor een gesprek. In dat gesprek is aan deskundige

1 een uiteenzetting gegeven van het onderzoek tot dan toe en van de verklaringen van Maikel.

Deskundige 1 heeft op 29 juni 2000 voorgesteld dat hij Maikel een dag zou observeren, maar daar zag

vooral de zaaksofficier niets in.

Deskundige 1 heeft in het interview gezegd dat op 29 juni 2000 is gesproken over het zich dood houden

door Maikel. Hij is er tamelijk zeker van dat hij gezegd heeft dat een dergelijke reactie vaker voorkomt en

dat hij daarvan (uit zijn eigen praktijk) voorbeelden kende. Door het gesprek met deskundige 1 op 29 juni

2000 waren de twijfels over Maikel bij de teamleiding en de officieren van justitie minder geworden.

Medio juli 2000 heeft deskundige 1 gekeken naar de videobanden die waren gemaakt van de drie studioverhoren

van Maikel op 4, 7 en 12 juli 2000. Kort daarna heeft er een gesprek plaatsgevonden met (een

deel van) de teamleiding en de zaaksofficier. Deskundige 1 was vanaf het begin al van oordeel dat het

onwaarschijnlijk was dat Maikel een strafbare betrokkenheid had bij de feiten. Na het bekijken van de banden

van de studioverhoren - over de wijze waarop Maikel was verhoord was hij zeer negatief - was hij van

oordeel dat er geen reden was te twijfelen aan het waarheidsgehalte van de verklaringen van Maikel.

Uit diverse interviews blijkt dat het contact tussen deskundige 1 en de zaaksofficier niet goed was.

Op vrijdag 30 juni 2000 is deskundige 2 op initiatief van de zaaksofficier bij het onderzoek betrokken. Zij

heeft hem op die dag gesproken en de verklaringen gefaxt die Maikel tot dan toe had afgelegd. De zaaksofficier

had een uitgesproken voorkeur voor deskundige 2 boven deskundige 1. Op maandag 3 juli 2000 heeft

deskundige 2 een bespreking gehad met de officieren van justitie en de teamleiding. Door dat gesprek werd

bij de teamleiding en de officieren van justitie de twijfel over Maikel weer groter. Op 4 juli 2000 heeft deskundige

2 het verhoor van Maikel in de kindvriendelijke verhoorstudio bijgewoond. Hij zat toen in de regiekamer.

In de middag van 4 juli 2000 heeft deskundige 2 telefonisch zijn bevindingen doorgegeven aan de

zaaksofficier. Hij gaf aan dat hij Maikel een heel bijzonder kind vond en dat Maikel volgens hem een groot

geheim had.

Deskundige 2 heeft ook de studioverhoren van Maikel op 7 en 12 juli 2000 in de regieruimte bijgewoond. Hij

heeft in het interview gezegd dat na afloop van elk van de studioverhoren een nabespreking plaatsvond

tussen hem en Maikel.

Deskundige 2 heeft verklaard dat hij bij het onderzoek is gehaald om de studioverhoren van Maikel te begeleiden,

wat betekende dat hij de verhoren in de gaten moest houden om te beoordelen of Maikel slachtoffer

of dader was. Hij zegt dat hij met het oog op het welzijn van Maikel is ingeroepen en dat zijn rol niet op de

strafzaak was gericht.

MAIKEL

80

De zaaksofficier heeft gezegd dat deskundige 2 bij het onderzoek is gehaald om te letten op de belangen

van Maikel tijdens de verhoren en om advies te krijgen over de wijze van verhoor van Maikel, waarbij ook

de mogelijkheid van Maikel als verdachte moest worden onderzocht.

Op 6 juli 2000 heeft het Openbaar Ministerie aan deskundige 2, als vast gerechtelijk deskundige, gevraagd

een onderzoek in te stellen naar de persoonlijkheid van Maikel en daarover uiterlijk 17 augustus 2000

schriftelijk verslag uit te brengen. De zaaksofficier heeft in het interview gezegd dat deskundige 2 de opdracht

had gekregen om een persoonlijkheidsonderzoek te verrichten teneinde de betrouwbaarheid van de

verklaringen van Maikel te onderzoeken.

Deskundige 2 heeft de opdracht aangenomen. Ten behoeve van het rapport heeft hij op 19 en 21 juli 2000

gesproken met Maikel en diens ouders.55 Het rapport is gedagtekend op 26 september 2000. Op het rapport

staat dat het een pro justitia rapport is.

Onder het kopje ‘1. Aanleiding onderzoek’ schrijft deskundige 2 onder meer:

“Op donderdag 22 juni jl. werden Maikel … en diens vriendinnetje Nienke door een onbekende

man meegenomen, terwijl zij op weg naar hun fietsen waren om van een speelmiddag … naar huis

terug te keren. De man heeft beide kinderen meegenomen naar bosschages, hen gedwongen zich

uit te kleden en seksuele handelingen met elkaar te verrichten. Maikel is daarbij een aantal steekwonden

in hals en nek toegebracht. Nienke is door de man om het leven gebracht.

Teneinde meer zicht te krijgen op de persoonlijkheid van Maikel, vervolgens op de mate waarin de

gewraakte gebeurtenissen van invloed zijn geweest op zijn belevingswereld (lees: de mate van

traumatisering) en hoe daar het beste op kan worden gereageerd, heeft [naam zaaksofficier], Officier

van Justitie te Rotterdam, een persoonlijkheidsonderzoek van Maikel aangevraagd bij ondergetekende.”

Deskundige 2 schrijft in de laatste paragraaf van zijn rapport:

“Gelet op de objectief dramatische ‘life-event’ die Maikel op de 22ste juni heeft ervaren, is het meer

dan opvallend/opmerkelijk hoe rationeel hij daar op reageert. Maikel vertoont op geen enkele wijze

aanwijzingen voor een posttraumatische stress-stoornis (DSM-IV: 309.81), noch voor een acute

stress-stoornis (DSM-IV: 308.3) ten tijde van c.q. direct volgend op de gewraakte gebeurtenis. …

Zijn meer dan goed ontwikkelde ratio compenseert – zo lijkt het – zijn minder dan adequaat ontwikkeld

(lees: gebrekkige) gevoelsleven. Dit is eerder een dispositie dan een situatief bepaalde reactie

op basis van het eerder beschreven life event. Hij gaat hier met andere woorden mee om zoals hij

dat altijd al gewend is geweest.

Maikel claimt tijdens het onderhavige onderzoek de waarheid te hebben verteld. Op kleine (perifere)

onderdelen geeft hij aan dat het in werkelijkheid anders zou zijn gegaan dan hij eerder heeft

verklaard tegenover de politie. Het overgrote deel daarvan blijft evenwel overeind. Ondanks de

neiging die Maikel tijdens de diverse verhoren heeft getoond om (delen van) zijn verhaal ‘kloppend’

te maken, lijkt hij inderdaad te hebben verklaard conform hetgeen zich in de realiteit moet hebben

afgespeeld.”

Deskundige 2 is op 9 maart 2001 op verzoek van de raadsman van Kees B. gehoord door de RC. Deskundige

2 heeft daar gezegd hoe en waarom hij bij het onderzoek betrokken is geraakt, dat hij bij de studioverhoren

aanwezig was geweest en dat hij een psychologisch onderzoek had verricht bij Maikel. In het verhoor

is aan deskundige 2 gevraagd of de verklaringen van Maikel betrouwbaar waren. Deskundige 2 heeft antwoord

gegeven op vragen van de RC en de raadsman van Kees B. over de betrouwbaarheid van de verklaringen

van Maikel, maar maakte wel de aantekening dat het in zijn professie een gouden stelregel is dat je

55 De data 19 en 21 juli heeft deskundige 2 in een brief aan mij genoemd als de data waarop de gesprekken met Maikel hebben

plaatsgevonden. In het deskundigenrapport staat dat de gesprekken hebben plaatsgevonden op 12 en 19 juli 2000. Uit aantekeningen

in het politiejournaal op 20 juli 2000 leid ik af dat de gesprekken hebben plaatsgevonden op 13 en 19 juli 2000.

MAIKEL

81

geen expliciete uitspraken hoort te doen over de betrouwbaarheid als je zelf betrokken bent geweest bij het

verloop van de verhoren. Hij heeft onder meer gezegd dat zijn conclusie luidt dat hij in de kern het verhaal

van Maikel consistent acht in de zin van betrouwbaar, rekening houdend met wat in zijn inschatting door

Maikel wordt beschouwd als de kern en wat als perifeer. Op een vraag van de raadsman zegt deskundige 2

dat zijns inziens het signalement van de dader voor Maikel perifeer is. Afgaande op het proces-verbaal dat

de RC heeft opgemaakt, is het RC-verhoor van deskundige 2 voornamelijk gegaan over de betrouwbaarheid

van de verklaringen van Maikel.

De opdracht van 6 juli 2000 aan deskundige 2 om een rapport uit te brengen en het rapport zelf zijn niet bij

het procesdossier gevoegd. De zaaksofficier heeft daarvoor in het interview als reden gegeven dat men de

privacy van Maikel wilde beschermen. De raio-officier zegt dat het rapport meer voor de ouders van Maikel

was. De ouders van Maikel en Maikel zelf kennen het rapport van deskundige 2 niet. De RIAGGmedewerkster

die Maikel sinds de feiten in het Beatrixpark begeleidt, kent het rapport evenmin.

Deskundige 2 is er ten tijde van het onderzoek van prof. Van Koppen naar de Schiedammer parkmoord

achter gekomen dat zijn rapport niet aan het procesdossier was toegevoegd. Hij was er van uit gegaan dat

het wél was toegevoegd, dat alle procesdeelnemers het rapport kenden en dat het rapport de reden was

dat hij werd opgeroepen door de RC. Deskundige 2 heeft onder meer in het interview gezegd dat hij geen

betrouwbaarheidsonderzoek ten behoeve van de bewijsvoering heeft uitgevoerd, maar een belevingsonderzoek

in het kader van eventuele hulpverlening. Bij een betrouwbaarheidsonderzoek worden alle details

van een verklaring onder de loep genomen en dat had hij niet gedaan. In het kader van de hulpverlening

ging het om de therapeutische werkelijkheid. Deskundige 2 heeft in het interview gezegd dat naar zijn mening

op ondeskundige wijze passages uit zijn RC-verklaring zijn gebruikt om een gewenst resultaat te bereiken.

In de eerste herzieningsprocedure in de zaak Kees B.56 is door de raadsman van Kees B. het een en ander

naar voren gebracht over de aard van het onderzoek dat door deskundige 2 was uitgevoerd en de – verkeerde

– conclusies die door het Hof waren getrokken uit diens RC-verklaring.

Bij het materiaal dat ik tot mijn beschikking had zitten cassettebandjes met daarop een gesprek tussen

deskundige 2 en Maikel. Ik herkende van beiden de stem. Op de geluidsdrager staat geen datum. In het

gesprek wordt ook geen datum genoemd. In het gesprek stelt deskundige 2 Maikel vragen over de gebeurtenissen

in het Beatrixpark. Ook vraagt hij aan Maikel of hij zijn verklaring op onderdelen kloppend maakt

en of hij informatie achterhoudt.

Uit de stukken (het interne politiejournaal bijvoorbeeld) en uit interviews komt naar voren dat de contacten

tussen deskundige 2 en de teamleiding en officieren van justitie goed waren. De contacten tussen deskundige

2 en Maikel waren gespannen, blijkt uit interviews.

Deskundige 3 is in november 2000 benaderd. Zij heeft in opdracht van het Openbaar Ministerie een rapport

uitgebracht over Maikel. De schriftelijke opdracht van de officier aan deskundige 3 heb ik niet aangetroffen

bij de stukken. ‘Om misverstanden te voorkomen’ heeft deskundige 3 bij brief van 20 november 2000

de met het OM gemaakte afspraken bevestigd. Blijkens haar rapport was aan deze deskundige gevraagd

een beoordeling te geven van de processen-verbaal van verhoor van Maikel, waaronder de videobanden

van de drie studioverhoren van Maikel, met betrekking tot de betrouwbaarheid van de door Maikel afgelegde

verklaringen.

56 HR 7 september 2004, LJN AQ9834; NS 2004, 367.

MAIKEL

82

Deskundige 3 heeft haar rapport op 23 januari 2001 afgesloten. Nadien heeft zij op verzoek van de raioofficier

een aantal passages uit het rapport verwijderd. De officier had dat gevraagd in het belang van Maikel’s

privacy. De deskundige had geen probleem te voldoen aan het verzoek. Het aangepaste rapport is

ingeleverd op 12 maart 2001. Het aangepaste rapport zit in het procesdossier.

In het rapport wordt ingegaan op de Totstellreflex. Daarmee wordt bedoeld een toestand die reflexmatig

kan intreden bij extreme angst en die gepaard gaat met “lagere lichaamstemperatuur, kortere bloedingstijd

en vernauwd bewustzijn met verlies aan tijdsbesef, met verlaagde pijngevoeligheid en met zg “tunnelvision”.

Deskundige 3 meent dat het verhaal van Maikel in grote lijnen behoorlijk consistent is en concludeert dat

Maikel’s verhaal betrouwbaar overkomt. Zij is van oordeel dat Maikel waarschijnlijk wel getraumatiseerd

is.57

Op 6 februari 2002, dus in de appelfase, is deskundige 3 gehoord bij de RC. Zij heeft toen onder meer verklaard:

“Mijn conclusie is dat het verhaal van Maikel betrouwbaar overkomt. Ik zeg niet dat hij de waarheid

spreekt, maar mijn inschatting is dat hij een verhaal vertelt dat betrouwbaar is. Dat heeft betrekking

op de grote lijn, want op details komen tegenstrijdigheden voor in zijn verhaal. Dat kan ook beïnvloed

zijn door bijvoorbeeld de geheugenfunctie. Bij mijn onderzoek heb ik rekening gehouden met

de mogelijkheid dat Maikel ons iets op de mouw speldt en ook met de mogelijkheid dat hij zelf wellicht

de dader is. Dat idee heb ik verworpen en ik sta daar nog steeds achter.

In de zogenaamde Totstellreflex ben je niet bewusteloos, het is een toestand van een soort lamgeslagen

fysieke krachteloosheid, maar sommige zintuigen werken wel, bijvoorbeeld het gehoor. Het

is een reflex. Onderzoek heeft aangetoond dat het ook bij mensen voorkomt. Het is niet een keuze,

het overkomt je. De zgn tunnelvision is een staat van vernauwd bewustzijn en vernauwde waarneming.

Wat Maikel beschrijft, het concentreren op de onderkant van een blaadje, is een klassieke

beschrijving die past bij een tunnelvision, een Totstellreflex. Er is geen sprake van bewusteloosheid.”

Op 8 februari 2002 heeft deskundige 3 telefonisch aan de RC laten weten dat zij bij het maken van haar

rapport had kunnen beschikken over: videobanden van de verhoren van Maikel, zeven processen-verbaal

van verhoor van Maikel, de schriftelijke rapportage van deskundige 2 naar aanleiding van diens psychologische

onderzoek58 en een letselbrief van Maikel. De RC heeft op 8 februari 2002 proces-verbaal opgemaakt

van dat telefoongesprek.

Deskundige 4 is eind 2000 benaderd met de vraag of hij een diepteverhoor/geleide herinneringsverhoor bij

Maikel kon afnemen. Door de politie was voorgesteld Maikel te onderwerpen aan zo’n verhoor, omdat (nog

steeds) het vermoeden bestond dat Maikel informatie achterhield, verzweeg of verdrongen had. Er zijn

voorbereidingen voor het diepteverhoor getroffen. Er zijn twee voorbereidende gesprekken geweest tussen

Maikel en deskundige 4. Verder heeft Maikel op 16 november 2000 een stuk geschreven over wat er gebeurd

was op 22 juni 2000. Deskundigen 4 en 2 hebben met elkaar overlegd over het diepteverhoor. Het

diepteverhoor heeft niet plaatsgevonden. Deskundige 4 had zijn bedenkingen bij zo’n verhoor van Maikel.

De officieren van justitie hadden om jurisprudentiële redenen hun bedenkingen.

57 Daarbij merk ik op dat deskundige 3 Maikel niet heeft gezien.

58 Op p. 5 van het rapport van deskundige 3 dat aan het procesdossier is toegevoegd, meldt zij dat zij het rapport van het door

deskundige 2 uitgevoerde psychologisch onderzoek heeft opgevraagd.

MAIKEL

83

6.1.4 De studioverhoren van Maikel

Maikel is op 4 juli 2000 voor het eerst verhoord in de kindvriendelijke verhoorstudio. Na afloop van dat verhoor

heeft deskundige 2 zijn indrukken aan de zaaksofficier doorgebeld. De zaaksofficier heeft op 5 of 6 juli

2000 besloten dat Maikel nogmaals verhoord moest worden in de studio.

In overleg tussen teamleiding en officieren van justitie is besloten dat Maikel stevig(er) moest worden verhoord

en dat het verhoorkoppel aangepast moest worden. Teamleiding en officieren van justitie vonden

namelijk dat verhoorders 1 en 2 niet kritisch genoeg waren tegenover Maikel: zij zagen hem teveel als

slachtoffer, terwijl bij teamleiding en officieren de twijfel over Maikel juist groter was geworden door wat

deskundige 2 had gezegd op 4 juli 2000.

De teamleiding heeft verhoorder 1 laten weten dat Maikel harder verhoord moest worden. Hoewel verhoorder

1 daar grote problemen mee had, heeft hij toch meegewerkt. Hij had daarvoor een aantal redenen:

- Het harde verhoor zou als hij weigerde mee te werken toch plaatsvinden. Als hij bij het verhoor was

kon hij het verhoor tenminste enigszins sturen.

- Maikel kende hem, zijn aanwezigheid bij het harde verhoor zou Maikel steun kunnen geven.

- Een harder verhoor was misschien in het belang van het onderzoek.

De wijziging van het verhoorkoppel van Maikel hield in dat verhoorder 2 werd vervangen door verhoorder 3.

De plv. l.o. kende verhoorder 3 en was van mening dat hij in staat zou zijn Maikel aan een kritisch verhoor

te onderwerpen. Verhoorder 3 is speciaal voor de studioverhoren ingezet. Hij heeft zich een paar dagen

ingelezen en voorbereid. Verhoorder 3 heeft in het interview gezegd dat zijn komst ‘low profile’ werd gehouden,

maar dat al snel iedereen in RAG ‘Park’ wist waarvoor hij was binnengehaald. Hij was, zei hij, de

personificatie van de theorie ‘Maikel is verdachte’. Verhoorder 3 was er na de twee studioverhoren waaraan

hij heeft meegewerkt van overtuigd dat Maikel informatie achterhield.

Aan de moeder van Maikel is toestemming gevraagd voor de verhoren van Maikel in de studio. Twee van

de drie toestemmingsverklaringen zitten in het eindproces-verbaal. De derde zou wel zijn opgemaakt, maar

is niet bijgevoegd.

In de studioverhoren van 7 en 12 juli 2000 zit Maikel tegenover de twee mannelijke verhoorders. Regelmatig

vallen er stiltes in de verhoren, soms erg lang (één keer bijna vier minuten, waarbij Maikel verhoorder 3

strak blijft aankijken). Maikel wordt in deze twee studioverhoren talloze malen geconfronteerd met twijfel en

ongeloof bij verhoorders 1 en 3. Maikel is geregeld emotioneel in deze twee verhoren. Op de beeldopnames

zijn de verhoorders meestal niet te zien. Het was in 2000 overigens niet gebruikelijk de verhoorder in

beeld te brengen.

Tijdens deze studioverhoren zat deskundige 2 in de regiekamer. Hij zag geen reden in te grijpen.

In het studioverhoor van 7 juli 2000 heeft Maikel met verhoorder 1 zijn verwurging door de dader nagespeeld,

waarbij Maikel zichzelf speelde en verhoorder 1 de dader.

In de regel wordt bij het uitgewerkte studioverhoor een ‘proces-verbaal beschrijving studioprocedure’ aangeleverd

waarin feitelijke informatie staat over bijvoorbeeld wie bij het studioverhoor aanwezig waren in

verhoor- en regieruimte. Zulke processen-verbaal zaten niet in het eindproces-verbaal van RAG ‘Park’ en

heb ik evenmin aangetroffen bij het overige onderzoeksmateriaal.

MAIKEL

84

In de administratie van de verhoorstudio in Rotterdam was slechts één document terug te vinden over de

studioverhoren van Maikel. Dat is een stamkaart waarop ingevuld is “No. 983”, “RAG Park”, “aanvr.

Korps/tel. nr.: district 2” en de naam van verhoorder 1. Veel andere vragen, waarin gevraagd wordt naar

bijvoorbeeld de datum van het interview, de personalia van de minderjarige en de regie, zijn niet ingevuld.

6.1.5 Confrontatie

Er is in het onderzoek geen confrontatie in persoon of door middel van foto’s geweest tussen Maikel en

Kees B.. Daarbij speelden tenminste twee overwegingen een rol:

- politie en officieren van justitie waren van mening dat een confrontatie te belastend was voor Maikel.

De ouders van Maikel waren ook geen voorstander van een confrontatie;

- Maikel en Kees B. hadden elkaar op 22 juni 2000 gezien toen Maikel uit de bosjes kwam; als Maikel

bij een confrontatie Kees B. zou herkennen, zou dat het gevolg kunnen zijn van het bystandereffect.

Door de plv. l.o. is in het interview als aanvullende reden naar voren gebracht dat men bang was dat Maikel

Kees B. niet zou herkennen.

Ook de raadsman van Kees B. werd op het punt van een confrontatie voor problemen gesteld. Hij wilde

rekening houden met de problemen die Maikel had of zou kunnen hebben met een confrontatie en hij hield

rekening met het bystander-effect.

Een auditieve confrontatie (met het stemgeluid van Kees B.) is door niemand voorgesteld.

6.1.6 Overig

Op donderdag 10 augustus 2000 is, blijkt uit het journaal, onderzoek gedaan naar de sluitingstijd van de

winkel van de vader van Maikel. In het journaal wordt verslag gedaan van de observatie.

Op 15 augustus 2000 is, blijkens het interne politiejournaal, bij de openbare bibliotheek door één van de

analisten van RAG ‘Park’ onderzoek gedaan naar het leesgedrag van Maikel.

Op 16 augustus 2000 hebben leden van RAG ‘Park’ een gesprek gehad met een vrouw die in 1994/1995

de lerares van Maikel was geweest.

Ik breng dit naar voren om aan te geven dat het onderzoeksteam ook medio augustus 2000 nog bijzondere

belangstelling had voor Maikel en zijn omgeving.

6.2 Beoordeling

6.2.1 Twijfel over Maikel

Bij de twijfel over Maikel moet een onderscheid worden gemaakt tussen :

- twijfels over de geloofwaardigheid van zijn verklaringen, en gedachten dat hij informatie achterhield,

en

- twijfels over de betrouwbaarheid van het waarnemingsvermogen van Maikel tijdens de strafbare

feiten.

MAIKEL

85

Eventuele betrokkenheid van Maikel bij de feiten was een scenario dat niet genegeerd kon worden in het

onderzoek.

Dat er externe deskundigheid is ingeroepen is begrijpelijk. Niet duidelijk is geworden waarom zoveel deskundigen

moesten worden ingeschakeld.

De twijfels over de geloofwaardigheid en het vermoeden van het achterhouden van informatie zijn, mede

onder invloed van deskundige 2, een eigen, hardnekkig, leven gaan leiden en hebben tot en met de veroordeling

van Kees B. door het Haagse gerechtshof belet dat geaccepteerd werd dat Maikel de waarheid sprak

en niets achterhield. Er is in de hele procedure geen moment geweest dat Maikel volledig werd geloofd. Na

de bekentenis van Kees B. zijn politie en justitie weliswaar anders tegen Maikel aan gaan kijken in die zin

dat Maikel niet langer werd gezien als iemand die een strafbare rol had gespeeld bij de feiten of die de

dader van de feiten beschermde. Maar ook na de bekentenis van Kees B. zijn de verklaringen van Maikel

nooit volledig serieus genomen. In het verhoor van 14 september 2000 bijvoorbeeld, dus na de bekentenis

van Kees B., is Maikel indringend bevraagd door verhoorder 1 of hij niet toch in de bosjes van PD A een

spelletje aan het spelen was met Nienke. Mede de twijfel over Maikel(’s verklaringen) maakte het mogelijk

om, ondanks de grote verschillen, Kees B.’s bekentenis en Maikel’s verklaringen met elkaar in overeenstemming

te brengen. Als bijvoorbeeld geloofd was dat Maikel en Nienke rond 17.15 uur aan iemand de tijd

hadden gevraagd en kort daarna waren vastgepakt door de dader, dan had Kees B. de feiten qua tijd niet

kúnnen plegen.

Twijfels over het waarnemingsvermogen van Maikel hebben ook een rol gespeeld, bijvoorbeeld ten aanzien

van het uiterlijk van de dader. Kees B. leek in het geheel niet op de man wiens signalement Maikel had

gegeven. De oordelen van deskundigen die zich in het dossier bevonden, namelijk het rapport van deskundige

3 en de mededelingen van deskundigen 2 en 3 bij de RC, maakten het echter mogelijk om dat verschil

te verklaren. De meningen van de deskundigen boden ook een antwoord op de vraag hoe het mogelijk was

dat Maikel Kees B. niet had herkend toen hij uit de bosjes kwam, als B. de dader was.

6.2.2 Getuige/verdachte

Kinderen onder de 12 kunnen niet strafrechtelijk worden vervolgd. Hoewel door art. 487 Sv de toepasselijkheid

van art. 29 lid 2 Sv bij verdachten die jonger zijn dan 12 lijkt te zijn uitgesloten, moet worden aangenomen

dat ook zij gewezen moeten worden op het zwijgrecht.59 Verschil van mening op dit punt is echter

mogelijk.

De zaaksofficier heeft in het interview gezegd dat Maikel niet de cautie heeft gekregen omdat een kind van

11 toch niet vervolgd kan worden. Achteraf vindt zij dat hij wellicht beter wel de cautie had kunnen krijgen.

De raio-officier heeft in het interview gezegd dat het niet meer dan een gevoel was dat Maikel verdachte

was en dat Maikel daarom de cautie niet heeft gehad.

De l.o. heeft in het interview gezegd dat als Maikel ouder dan 11 was geweest hij misschien was aangehouden.

Hij heeft verder gezegd dat ook de plv. l.o. die mening was toegedaan.

Verhoorder 1 heeft in het interview gezegd dat er hiaten in Maikel’s verklaringen zaten en dat men daar

achter hoopte te komen door Maikel steviger aan te pakken. Verhoorder 3 heeft in het interview gezegd dat

Maikel’s verklaringen niet klopten, maar dat hij geen verdachte was en dat hij daarom niet de cautie heeft

gekregen.

59 Cleiren & Nijboer 2003, (T&C Sv), art. 487 Sv, aant. 2f; deze aantekening staat ook in eerdere drukken.

MAIKEL

86

Ondanks de twijfel die kort na 22 juni 2000 ontstond over de rol van Maikel, is er voor gekozen hem te blijven

horen als getuige. In de laatste twee studioverhoren is hij echter de facto als verdachte gehoord. De

wijze van verhoor in de studioverhoren van 7 en 12 juli 2000 past niet bij iemand die als getuige wordt beschouwd.

Maikel is ook toen niet gewezen op zijn zwijgrecht.

6.2.3 Verantwoording in procesdossier van contacten met en werkzaamheden van deskundigen

In het procesdossier wordt geen verslag gedaan van de contacten die er zijn geweest met deskundige 1.

Ik ben van mening dat het voor de hand had gelegen daarover wel iets te melden, al was het maar in het

relaasproces-verbaal, omdat hij als deskundige was geraadpleegd en zijn mening als deskundige had gegeven.

Het had voor rechters en verdediging van belang kunnen zijn kennis te nemen van de mening van

deskundige 1.

De rol van deskundige 2 in het onderzoek was groot. Hij heeft in het begin met zijn mening dat Maikel een

groot geheim had, het onderzoek in een bepaalde richting gestuurd. Hij was door de drie studioverhoren bij

te wonen en daarvan verslag te doen en door het persoonlijkheidsonderzoek nadrukkelijk aanwezig. Toch

blijkt uit het procesdossier niet dat hij zo’n grote rol had. Door het ontbreken in het procesdossier van het

rapport van deskundige 2 en de processen-verbaal beschrijving interviewruimte, blijkt niet dat hij zo’n rapport

heeft gemaakt en dat hij bij de studioverhoren was. In het relaasproces-verbaal staat weliswaar dat

deskundige 2 de studioverhoren van Maikel had begeleid, maar dat is weinig concreet.

De argumenten om het rapport van deskundige 2 niet in het procesdossier op te nemen overtuigen niet. De

privacy van Maikel had ook op andere manier beschermd kunnen worden (bijvoorbeeld door stukken tekst

uit het rapport te halen of door de rechtbank te vragen het rapport achter gesloten deuren te behandelen).

Het argument dat het rapport voor de ouders of voor de hulpverlening was overtuigt evenmin, omdat het

rapport niet is terechtgekomen bij Maikel of diens ouders en ook niet bij de hulpverlening.

Deskundige 2 heeft zelf op het voorblad gezet dat het een pro justitia rapport is en hij ging er zelf van uit dat

het bij het procesdossier zat. In het rapport van deskundige 2 staat informatie die van belang had kunnen

zijn voor rechter en verdediging, bijvoorbeeld om de waarde van Maikel’s verklaringen in te schatten of voor

een antwoord op de vraag of een confrontatie verantwoord was voor Maikel. Ook het oordeel van deskundige

2 over de acute stressstoornis had van belang kunnen zijn voor de vraag of Maikel direct na de strafbare

feiten in staat was geweest de dader te herkennen. Voorts had de verklaring van deskundige 2 bij de

RC beter op waarde geschat kunnen worden en zou het misverstand dat is gerezen over de aard van het

onderzoek dat deskundige 2 had verricht voorkomen kunnen zijn als het rapport bij het procesdossier had

gezeten. Ik vind dan ook dat het rapport van deskundige 2 aan het procesdossier had moeten worden toegevoegd.

Over de aard van het onderzoek van deskundige 2 bestaan verschillen van inzicht tussen de zaaksofficier

en de deskundige. In de schriftelijke opdracht staat dat deskundige 2 een persoonlijkheidsonderzoek moest

uitvoeren. Zo’n onderzoek heeft deskundige 2 uitgevoerd. De zaaksofficier denkt dat deskundige 2 de betrouwbaarheid

van de verklaringen van Maikel moest onderzoeken. Deskundige 2 heeft gezegd dat een

betrouwbaarheidsonderzoek iets heel anders is dan een persoonlijkheidsonderzoek en dat hij de betrouwbaarheid

niet heeft onderzocht.

Tussen de zaaksofficier en deskundige 2 is kennelijk een misverstand gerezen, nu deskundige 2 ervan uit

gegaan was dat zijn rapport aan het dossier was toegevoegd. Deskundige 2 meent dat (mede) daardoor

zijn verklaring bij de RC uit zijn verband is gerukt en dat er verkeerde conclusies uit getrokken zijn.

MAIKEL

87

Het rapport van deskundige 3 zat wel bij het procesdossier, maar de opdracht die zij heeft gekregen niet.

Daardoor kan niet worden vastgesteld of de vraagstelling die deskundige 3 in haar rapport vermeldt overeenkomt

met de opdracht die aan haar is gegeven.

Van het contact met deskundige 4 is niets terug te vinden in het procesdossier. Dat is geen groot bezwaar

want deze deskundige heeft inhoudelijk niets gedaan en geen informatie gegeven die redelijkerwijs voor

rechters of verdediging van belang hadden kunnen zijn.

6.2.4 De rol van deskundige 2 in het opsporingsonderzoek

Deskundige 2 werd door de politie en de officieren van justitie beschouwd als zeer deskundig op het gebied

van kinderen. Hij verrichtte veel werkzaamheden voor politie en justitie in Rotterdam. Eén van de dingen die

hij deed, was het beoordelen van studioverhoren in zedenzaken. Zijn mening over Maikel (kloppend maken

van zijn verklaringen, groot geheim) overtuigde de officieren van justitie en het onderzoeksteam dat hun

twijfels over Maikel niet vreemd waren. De plv. l.o. heeft gezegd dat deskundige 2 een sturende rol had in

het begin van het onderzoek; hij was immers de specialist op dit gebied.

Daarnaast was de mening van deskundige 2 de reden en de rechtvaardiging om Maikel bij herhaling stevig

aan te pakken.

Bij sommigen die betrokken waren of aanwezig waren bij de studioverhoren bestond twijfel over de wijze

van verhoren van Maikel, maar zij wisten dat deskundige 2 in de regieruimte zat en meekeek, en zij dachten

dat als hij er niets van zei, het dus kon. De aanwezigheid van deskundige 2 in de regieruimte was de

rechtvaardiging voor het confronterende optreden. De teamleiding en de officieren van justitie zagen in de

aanwezigheid van deskundige 2 bij de studioverhoren een garantie dat de verhoren binnen de grenzen van

het toelaatbare zouden blijven.

Door de mening van deskundige 2 en door zijn aanwezigheid bij de studioverhoren, hebben de officieren

van justitie en de politiemensen die betrokken waren bij de studioverhoren hun eigen verantwoordelijkheid

voor een correct verlopend verhoor van Maikel als het ware opgegeven.

Deskundige 2 heeft gezegd dat zijn rol voor Maikel duidelijk was, dat hij geen verlengstuk van de politie was

en dat Maikel hem kon vertrouwen, en dat hij niets zou doorvertellen aan de politie. Maikel en zijn ouders

hebben echter in de interviews te kennen gegeven dat voor hen de taak van deskundige 2 binnen het onderzoek

niet duidelijk was. Zij zagen hem als onderdeel van het politieteam. Zijn aanwezigheid bij de studioverhoren

en de manier waarop hij optrad in de gesprekken in het kader van het persoonlijkheidsonderzoek

(hij stelde grotendeels dezelfde vragen als de politie had gesteld in de studioverhoren en hij gaf Maikel

het gevoel dat hij hem niet geloofde) gaven Maikel de indruk dat deskundige 2 er niet voor hem was, maar

voor de politie.

Deskundige 2 heeft geluidsopnames van een gesprek dat hij met Maikel had in het kader van het persoonlijkheidsonderzoek

aan het onderzoeksteam en/of officieren van justitie gegeven. De opname is door hen

beluisterd, hoogstwaarschijnlijk in aanwezigheid van deskundige 2. Op de geluidsdrager zelf en in het gesprek

wordt geen datum van het gesprek genoemd. Maar uit de combinatie van bepaalde dingen die in het

gesprek gezegd worden (Maikel heeft het bijvoorbeeld over het herkennen van een man in de tram; dat

voorval was op 15 juli 2000), het politiejournaal en interviews, kan worden vastgesteld dat het gesprek na

15 juli 2000, dus na het laatste studioverhoor heeft plaatsgevonden.

Waarom deskundige 2 deze opname van een in het kader van een persoonlijkheidsonderzoek gevoerd

gesprek tussen hem en Maikel heeft willen delen met politie en justitie is niet duidelijk geworden. Misschien

MAIKEL

88

dacht hij dat het opsporingsonderzoek er mee gediend werd als de geluidsopname werd beluisterd door de

officieren van justitie en de teamleiding. Dat is echter niet als reden naar voren gebracht door deskundige 2.

Het laten luisteren door de officieren en de teamleiding is in tegenspraak met wat deskundige 2 naar eigen

zeggen aan Maikel heeft verteld over zijn verhouding tot de politie. In het interview ontkende deskundige 2

overigens stellig en met argumenten dat hij geluidsopnames had gemaakt van het/de gesprek(ken) met

Maikel in het kader van het persoonlijkheidsonderzoek. In aanvullende correspondentie met mij heeft hij

aangegeven dat hij zich vergist moet hebben toen hij zei dat er geen geluidsopnames waren gemaakt.

Het delen van deze informatie door deskundige 2 met politie en justitie lijkt met heimelijkheid te zijn omgeven.

De inhoud van een door de l.o. in het interne politiejournaal opgenomen passage op donderdag 20 juli

2000 versterkt dat idee. Daar staat: “Laat in de contacten met de ouders van Maikel en hemzelf geenszins

blijken dat er informatie van [deskundige 2] komt.”

Op twee momenten is aan deskundige 2 om medewerking bij het onderzoek verzocht. In de eerste plaats is

hij op 30 juni 2000 op verzoek van de zaaksofficier bij het onderzoek betrokken. Na een gesprek met teamleiding

en zaaksofficier op 3 juli 2000 heeft hij op 4, 7 en 12 juli in de regieruimte de studioverhoren bijgewoond.

De meningen van deskundige 2 en de zaaksofficier over de taak van deskundige 2 bij de studioverhoren

komen niet geheel en al overeen. Deskundige 2 heeft verklaard dat hij bij het onderzoek is gehaald

om de studioverhoren van Maikel te begeleiden, wat betekende dat hij de verhoren in de gaten moest houden

om te beoordelen of Maikel slachtoffer of dader was. De zaaksofficier heeft gezegd dat deskundige 2

bij het onderzoek is gehaald om te letten op de belangen van Maikel tijdens de verhoren en om advies te

krijgen over de wijze van verhoor van Maikel, waarbij ook de mogelijkheid van Maikel als verdachte moest

worden onderzocht.

In de tweede plaats heeft op 6 juli 2000 het OM aan deskundige 2 gevraagd een onderzoek in te stellen

naar de persoonlijkheid van Maikel. Dit, volgens de zaaksofficier, om de betrouwbaarheid van de verklaringen

van Maikel te onderzoeken.

Door die twee in de tijd opvolgende opdrachten en daarmee gepaard gaande activiteiten, kan het niet volledig

worden uitgesloten dat bij de vervulling van de tweede opdracht (het onderzoek naar de persoonlijkheid

van Maikel dan wel de betrouwbaarheid van zijn verklaringen) de bevindingen van deskundige 2 ten aanzien

van de eerste opdracht (studioverhoren) een rol hebben gespeeld.

6.2.5 Studioverhoren

Kinderen tussen de 4 en 12 jaar die vermoedelijk getuige geweest zijn van een ernstig misdrijf of persoonlijke

betrokkenheid hebben bij een misdrijf kunnen worden gehoord in een kindvriendelijke verhoorstudio

door een daarvoor opgeleide politieambtenaar. Om de studioverhoren zo zorgvuldig mogelijk te laten verlopen,

is in 1994 een landelijk Protocol Studioverhoren ontwikkeld.60

Sinds kort maakt het Protocol deel uit van de ‘Aanwijzing opsporing en vervolging inzake seksueel misbruik’.

Deze aanwijzing van het College van procureurs-generaal is op 15 februari 2005 in werking getreden.

Onder punt 2 van de aanwijzing is opgenomen dat een slachtoffer van een zedenzaak die tussen de 4

en 12 jaar is en oudere personen bij wie sprake is van een achterstand in de ontwikkeling, gehoord dienen

te worden volgens het Protocol Studioverhoren.

60 Zie ook: drs. K.M.K. Dekens en drs. J. van der Sleen, Het kind als getuige. Theorie en praktijk van het verhoor, ’s-

Gravenhage: VUGA 1997.

MAIKEL

89

In juni 2000 bevatten de beleidsregels van het Openbaar Ministerie niet zo’n bepaling. Het Protocol Studioverhoren

was in juni 2000 wel algemeen bekend binnen politie en justitie. Het werd algemeen toegepast bij

het verhoor van jeugdige getuigen/aangevers in zedenzaken.61 Het Protocol kon in 2000 niet worden beschouwd

als gepubliceerde, verbindende richtlijn.

Het huidige Protocol Studioverhoor wijkt niet noemenswaardig af van het Protocol dat in 2000 bestond.

Er kan geen twijfel over zijn dat deze zaak studioverhoorwaardig was: Maikel was het slachtoffer en de

belangrijkste getuige van zeer ernstige misdrijven. In zo’n zaak is een studio een betere en rustiger omgeving

voor een verhoor dan een politiebureau. Een video-opname van zijn verklaring had later in de procedure

van belang kunnen zijn voor het bewijs. Ook maakte de beeldopname het mogelijk non-verbale uitingen

beter te bekijken. Bovendien kon een opgenomen verklaring door een deskundige beoordeeld worden.

De studioverhoren van 7 en 12 juli 2000 zijn harde verhoren. Deskundige 2, die de verhoren heeft bijgewoond,

heeft zelf gezegd dat hij nooit eerder een studioverhoor had gezien dat zo hard was. Hij vond het

verhoor echter voor Maikel niet onverantwoord.

Maikel is in deze twee verhoren herhaaldelijk geconfronteerd met twijfel en ongeloof van de kant van verhoorders

1 en 3 over dingen die hij in eerdere verhoren had gezegd. Maikel is door verhoorders 1 en 3 niet

zozeer geconfronteerd met feiten op grond waarvan moest worden geconcludeerd dat wat hij had gezegd

niet klopte, maar met veronderstellingen en verwachtingspatronen van de verhoorders.

Ook is Maikel door de verhoorders 1 en 3 een schuldgevoel aangepraat met vragen en verwijten over

waarom hij Nienke niet heeft geholpen.

Door een aantal verhoortechnieken was de druk in de studioverhoren van 7 en 12 juli 2000 op Maikel hoog.

Dat kwam onder meer door:

- de opstelling van twee volwassen verhoorders recht tegenover Maikel;

- het gaan staan van een van de verhoorders tegenover een zittende Maikel;

- het instellen van langdurige stiltes tijdens de verhoren;

- het gebruik maken van de techniek van good cop – bad cop, wat voor een kind van 11 verwarrend

is;

- het inspelen op het schuldgevoel van Maikel door hem te verwijten dat hij Nienke niet heeft geholpen;

- het naspelen van de verwurging.

De wijze van verhoor op 7 en 12 juli 2000 was niet afgestemd op het (ontwikkelings)niveau van een kind

van 11. Hij is als een volwassene verhoord. Zelfs als Maikel formeel was aangemerkt als verdachte zouden

de verhoortechnieken dubieus zijn geweest bij een kind van 11. Maikel was een kind dat weerstand kon

bieden aan deze druk. (Dat werd erg opmerkelijk gevonden en daarin werd een aanwijzing gezien dat Maikel

in staat was zijn verhaal aan te passen.) Bij een kind dat minder sterk in zijn schoenen had gestaan,

getuige of verdachte, waren er misschien gewenste antwoorden gegeven of was misschien zelfs een valse

bekentenis afgelegd.

Aan de ouders van Maikel is nooit verteld dat Maikel aan harde verhoren onderworpen zou worden. Tegen

de vader van Maikel is wel gezegd dat de politie dacht dat Maikel informatie achterhield. Aan de vader is

toen gevraagd tegen Maikel te zeggen dat hij bij de politie de waarheid moest vertellen. Vader, die zijn zoon

geloofde, werd door dat verzoek in een moeilijke positie gebracht.

61 vgl. HR 19 december 2000, NJ 2001, 140.

MAIKEL

90

Maikel heeft destijds niet aan zijn ouders willen vertellen hoe de studioverhoren verliepen. Hij kon er ook

niet over praten met zijn familierechercheur, omdat die als verhoorder 1 had meegedaan aan de harde

verhoren. Ook tegen deskundige 2 wilde Maikel niet zeggen wat hij echt van de studioverhoren vond.

Pas veel later zijn de ouders van Maikel er achter gekomen hoe de studioverhoren zijn verlopen. De ouders

hebben achteraf het gevoel misleid te zijn. Zij gaven keer op keer hun zoon in goed vertrouwen mee met de

politie, in de veronderstelling dat de verhoren van Maikel noodzakelijk waren voor het oplossen van de zaak

en correct zouden verlopen. Zij zeggen dat Maikel door de verhoren veel schade heeft opgelopen. Maikel

zelf heeft in het interview in het kader van het evaluatie-onderzoek gezegd dat het niet geloofd worden een

zware wissel op hem heeft getrokken.

In de studioverhoren zeggen de verhoorders 1 en 3 af en toe tegen Maikel dat deskundige 2 heeft gezegd

dat het goed is als hij over de gebeurtenissen in het park praat. De manier waarop daaraan door de verhoorders

invulling is gegeven, onder de ogen van deskundige 2, heeft bij Maikel echter problemen veroorzaakt.

Op een aantal punten is gehandeld in strijd met het Protocol Studioverhoor:

- De verhoorstudio is niet voor het verhoor aan de ouders van Maikel getoond. (De studio is wel aan

Maikel getoond.)

- Maikel is verhoord door twee verhoorders.

- Eén van de verhoorders was niet opgeleid tot studioverhoorder. Dat brengt het risico met zich dat

de niet-opgeleide verhoorder onvoldoende rekening houdt met de kwetsbaarheid van de minderjarige

getuige. Als er teveel druk wordt uitgeoefend op de getuige, kan dat juridische gevolgen hebben.

- Eén van de uitgangspunten van het Protocol Studioverhoren is dat de belasting van de getuige zo

beperkt mogelijk wordt gehouden. In de regel moet de getuige praten over iets waar hij liever niet

over praat en daarom moet het verhoor in één keer goed gaan. Om anderen te kunnen laten zien

wat er gebeurd is in het verhoor en om te voorkomen dat een aanvullend verhoor nodig is, worden

opnames gemaakt. Maikel is drie keer gehoord in de verhoorstudio. Dat is zeer uitzonderlijk.

- Er zijn geen processen-verbaal ‘beschrijving studioprocedure’ gemaakt.

6.2.6 Aantal verhoren Maikel

In de drie weken na 22 juni 2000 is Maikel zes keer verhoord. Dat is veel, gelet op wat hij had meegemaakt.

Het is ook riskant, want naarmate een getuige vaker wordt gehoord, is de kans dat hij zijn verklaringen

aanpast groter.

6.3 Conclusies

Met de belangen van Maikel is onvoldoende rekening gehouden. Hij is onderworpen aan verhoren die voor

wat betreft techniek en bejegening niet aansluiten bij een jongen van net 11 die betrokken is geweest bij

zeer ernstige strafbare feiten. Zelfs als hij verdachte was geweest, zou deze wijze van verhoor niet juist

geweest zijn.

In de bestudeerde stukken is geen verslaglegging terug te vinden van de discussies die gevoerd zijn over

de rol van Maikel, de wijze waarop hij in de beginfase van het onderzoek tegemoet moest worden getreden

en de rol van de deskundigen. Besluitvorming daaromtrent is niet op papier verantwoord. Bij de bestudeerde

stukken zitten wel enkele dadertheorieën waarvan een deel op Maikel betrekking heeft. Die theorieën

MAIKEL

91

zouden echter, zo heeft de raio-officier in het interview gezegd, pas op papier zijn gezet toen Kees B. al

vast zat.

De rol van de deskundigen die bij Maikel betrokken waren, was belangrijk. De stukken die in het procesdossier

zitten geven echter onvoldoende inzicht in wat de deskundigen hebben gedaan. Dat geldt vooral

voor deskundige 2. Hij had zeker in het begin een sturende rol. Teamleiding en officieren van justitie hebben

zich door hem laten leiden, zijn teveel afgegaan op zijn deskundigheid en zijn onvoldoende kritisch

geweest ten opzichte van deskundige 2. Deskundige 2 zat als het ware op de stoel van de opsporing.

Het rapport van deskundige 2 is ten onrechte niet toegevoegd aan het procesdossier. Er staat immers informatie

in die redelijkerwijs voor rechter en verdediging van belang was of had kunnen zijn.

De positie van deskundige 2 ten opzichte van Maikel was niet duidelijk. Terwijl deskundige 2 er volgens de

zaaksofficieren primair voor Maikel was, zagen Maikel en zijn ouders hem vooral als verlengstuk van de

politie. Een vertrouwensband tussen Maikel en deskundige 2 is dan ook nooit ontstaan. In het kader van

hulpverlening heeft deskundige 2 ogenschijnlijk geen rol gespeeld, omdat zijn rapport niet terecht is gekomen

bij degenen die zich bezig hielden met de hulpverlening aan Maikel. Door zonder toestemming van

Maikel of diens ouders een geluidsopname van een gesprek dat gevoerd was in het kader van het persoonlijkheidsonderzoek

aan justitie en/of politie te geven, is het vertrouwelijke karakter van dat gesprek geschonden.

Er is een onduidelijke situatie ontstaan rondom het rapport dat deskundige 2 heeft gemaakt. Hij was er van

uit gegaan dat zijn rapport bij het procesdossier zat. Uitlatingen die hij bij de RC heeft gedaan moesten zijns

inziens worden gezien tegen de achtergrond van dat rapport. Nu dat rapport niet bij de rechter en de

raadsman van Kees B. bekend was, zijn aan zijn woorden bij de RC misschien een verderstrekkende betekenis

toegekend dan hij had voorzien en kunnen voorzien.

Verhoorder 1 is in een positie terechtgekomen die - ook in het algemeen - onwenselijk is: hij was niet alleen

verhoorder van Maikel, maar ook familierechercheur van Maikel en zijn ouders, en studiobeheerder. Deze

functies waren in dit onderzoek niet met elkaar te combineren. In hoofdstuk 11 besteed ik hier nader aandacht

aan. In het algemeen lijken de functies van studioverhoorder en studiobeheerder niet onverenigbaar

te zijn.

Bij de studioverhoren van Maikel op 7 en 12 juli 2000 is het Protocol Studioverhoren op een aantal punten

niet in acht genomen.

De administratie van de studioverhoren in deze zaak is gebrekkig. In de administratie van de verhoorstudio

in Rotterdam-Rijnmond is slechts een stamkaart aangetroffen voor één studioverhoor (volgnummer 983),

terwijl er drie studioverhoren geweest zijn. Op die kaart staan veel minder gegevens dan gebruikelijk is.

Kopieën van processen-verbaal beschrijving interviewruimte ontbreken in de administratie.

De vraag moet worden beantwoord of de wijze waarop Maikel is benaderd van invloed is geweest op de

veroordeling van Kees B.. De wijze van verhoor van Maikel heeft niet bijgedragen aan de veroordeling.

Duidelijk is wel dat als Maikel als kroongetuige was benaderd en volledig geloofd was, Kees B. niet veroordeeld

zou zijn: hij voldeed immers niet aan het signalement dat Maikel van de dader had gegeven en in de

tijd kon Kees B. de feiten niet gepleegd hebben. Door wezenlijke onderdelen van Maikel’s verklaringen

terzijde te schuiven, kon Kees B. in de daderrol worden gebracht en gehouden.

MAIKEL

92

6.4 Aanbevelingen

In stukken die naar rechter en verdediging gaan, moet melding worden gemaakt van en zonodig verantwoording

worden afgelegd over inhoudelijke contacten tussen politie/justitie en deskundige, voor zover die

contacten het karakter van incidentele adviesinwinning op ondergeschikte punten te boven gaat.

In gecompliceerde zaken moet de deskundige die politie/justitie adviseert in het kader van de hulpverlening

niet ook degene zijn die een pro justitia rapport opmaakt.

Het Protocol Studioverhoren zou op de volgende punten moeten worden aangevuld:

- Indien een tweede studioverhoor van een jongere onder de 12 wordt uitgevoerd, moet dat beargumenteerd

worden. De argumenten moeten in een proces-verbaal worden vastgelegd. Dat procesverbaal

moet worden opgenomen in het dossier.

- Indien wordt afgeweken van de procedure zoals beschreven in het Protocol Studioverhoren moet

dat beargumenteerd worden. De argumenten moeten in een proces-verbaal worden neergelegd.

Het proces-verbaal moet bij de stukken worden gevoegd. Ook bij een tweede of verder verhoor is

een uitdrukkelijke toestemming van de officier van justitie vereist.

- Indien sprake is van een zeer ernstig misdrijf moet een ervaren studiobeheerder bij de verhoren

betrokken zijn. Studiobeheerder en studioverhoorder moeten in zo’n zaak niet in één persoon verenigd

zijn.

- Bij het maken van beeldopnames moet ook de studioverhoorder in beeld zijn, zodat niet-verbale

communicatie is te zien.

De administratie van verhoren in de kindvriendelijke verhoorstudio moet op orde zijn. Gelet op de gevoeligheid

van de opnames moet altijd duidelijk zijn wat er is gebeurd in de studio en met de banden.

In strafrechtelijke onderzoeken moet bij politie en justitie meer kritische aandacht zijn voor de rol van de

deskundige en de aan de deskundige te geven opdracht.

De functies van verhoorder van het slachtoffer en familierechercheur voor dat slachtoffer moeten niet in één

persoon verenigd zijn.

Ontwikkel een richtlijn voor het verhoor van minderjarige verdachten (onder 16 jaar) en verstandelijk gehandicapte

verdachten voor zaken waarin de verdenking bestaat van een strafbaar feit waarop een gevangenisstraf

van 6 jaren of meer is gesteld, waarbij het verhoor is afgestemd op het ontwikkelingsniveau van

de doelgroep.

DE VERHOREN VAN KEES B.

93

7 DE VERHOREN VAN KEES B.

In dit hoofdstuk ga ik in op de verhoren van Kees B., vooral de politieverhoren van zaterdag 9 en zondag 10

september 2000. In dat weekend heeft Kees B. bekennende verklaringen afgelegd.

7.1 Feitelijkheden

7.1.1 Chronologisch overzicht verhoren

Het eerste contact tussen Kees B. en de politie was op 22 juni 2000, om 18.07/18.08 uur, toen B. naar 112

belde. Kort daarop heeft Kees B. in het Beatrixpark gesproken met brigadier S., de eerste politieambtenaar

die in het park was aangekomen. S. had toen al met Maikel gepraat en van hem gehoord "dat er een man

met een puistig gezicht was geweest". Nadat S. met Maikel had gepraat, werd hij aangesproken door Kees

B.. S. heeft een aantal gegevens van Kees B. opgenomen (naam, voornaam, geboortedatum, adres en

mobiele telefoonnummer). S. is op 5 maart 2001 door de rechter-commissaris gehoord als getuige. Hij heeft

toen onder meer verklaard dat Kees B., die hij van gezicht kende, op 22 juni 2000 een rustige indruk op

hem maakte en dat hij geen bloed heeft gezien aan/op Kees B.´s handen of kleding toen hij met hem sprak.

Op 25 juni 2000, rond 14.00 uur, is Kees B. verhoord als getuige over wat hij op 22 juni rond 18.00 uur had

gezien, gehoord en gedaan.

In Hoofdstuk 5 kwam ter sprake hoe medio juli 2000 de aandacht van het onderzoeksteam voor Kees B.

verschoof, nadat het team in contact was gekomen met een politieambtenaar wiens zoon in mei 1999 door

Kees B. benaderd was. Op 14 juli 2000 is een afspraak geannuleerd die deze politieambtenaar met Kees B.

had gemaakt en is een nieuwe afspraak gemaakt voor 17 juli 2000.

Op 17 juli 2000, vanaf 20.20 uur is Kees B. als getuige verhoord. De eindtijd van dat verhoor is niet bekend,

maar een tweede verhoor op die avond is begonnen om 22.00 uur. Op 17 juli 2000 is Kees B. verhoord

door twee rechercheurs. Eén van hen zal bij alle volgende politieverhoren van Kees B. betrokken zijn. Ik

noem hem hierna verhoorder 4. In het eerste verhoor van deze avond zijn B.´s levensloop en seksuele

ontwikkeling en seksuele interesses besproken. In dat verhoor heeft hij niet de cautie gekregen. In het

tweede verhoor heeft hij wel de cautie gekregen, ook al werd hij als getuige verhoord. Blijkens het journaal

heeft Kees B. de cautie gekregen omdat de fiets waarop hij die avond naar het politiebureau was gekomen,

veel leek op de fiets die door getuige G 36 op 22 juni was gezien, liggend op het gras bij brug A nabij PD A.

In het tweede verhoor van die 17e juli is onder meer gesproken over tot hoe laat Kees B. had gewerkt op 22

juni, over de door hem die dag na zijn werk gefietste route, en wat hij in het park had gezien, gedaan en

gehoord. Ook is gesproken over een fiets die Kees B. had gezien toen hij door het park fietste. Die fiets lag

op het gras nabij brug A. Het was een grijze herenfiets, zonder handremmen en versnellingen. Kees B.

meende zich te herinneren dat om de zadelpin van die fiets een soort van kettingslot hing met een messing

beugelslot.

Kees B. heeft tijdens het tweede verhoor van die avond een deel van de verklaring van getuige G 36 te

lezen gekregen, namelijk het deel waarin die getuige een beschrijving geeft van de fiets die hij had zien

liggen. Kees B. vond na lezing van deze verklaring dat de fiets die deze getuige had beschreven wel erg

veel op zijn eigen fiets leek, "zeker in combinatie met het slot wat voor scooters gebruikt wordt".

Met toestemming van Kees B. zijn na afloop van het tweede verhoor op 17 juli 2000 foto´s van Kees B. zelf,

van zijn fiets en van zijn werkschoenen genomen.

DE VERHOREN VAN KEES B.

94

Op 19 juli 2000 heeft Kees B. even met verhoorder 4 gesproken, toen die op het werk van B. een gesprek

had met Kees B.´s werkgeefster en twee van zijn collega's. Van dat gesprek is geen proces-verbaal opgemaakt,

maar er is wel een aantekening van gemaakt in het journaal door verhoorder 4. De aantekening

luidt:

“Voor het verhoor vertelde [naam werkgeefster] dat Kees B. gisteren had verteld dat hij contact had

gehad met een advocaat omdat hij het idee had dat de politie hem in een verdachtehoekje wilde

duwen. Ook nog even een gesprek met Kees B. gehad en hem art. 27 van strafvordering uitgelegd

op sesamstraatniveau.”

Op 25 juli 2000 heeft Kees B., als getuige, de route gefietst die hij op 22 juni na zijn werk had gefietst. Verhoorder

4 was één van de twee rechercheurs die daar bij was. Kees B. bepaalde het fietstempo. In het

proces-verbaal van bevindingen wordt niet vermeld of aan Kees B. de cautie is gegeven.

Op donderdag 3 augustus 2000 is Kees B. opnieuw verhoord als getuige met cautie. Verhoorder 4 en een

mannelijke rechercheur die bij bijna alle volgende politieverhoren van Kees B. betrokken was en die ik hierna

verhoorder 5 noem, waren degenen die het verhoor afnamen. De begin- en eindtijd zijn niet bekend,

maar het verhoor zou twee uur geduurd hebben. Er is op 19 september 2000 een proces-verbaal van bevindingen

opgemaakt door verhoorders 4 en 5. In het proces-verbaal van 19 september 2000 wordt uitgelegd

waarom niet op 3 augustus 2000 proces-verbaal is opgemaakt: “Gezien het feit dat K. B. vrijwillig aan

het bureau was verschenen en het gesprek reeds 2 uur had geduurd werd het gesprek niet in een procesverbaal

verantwoord maar werden van dit verhoor aantekeningen gemaakt.” Verhoorder 4 heeft in de schriftelijke

beantwoording van vragen aangegeven dat hij niet weet waarom niet op 3 augustus 2000 procesverbaal

is opgemaakt van dit verhoor. Verhoorder 5 heeft in de schriftelijke beantwoording van vragen gezegd

dat eerder geen proces-verbaal was opgemaakt, omdat gedacht werd dat het verhoor niet relevant

was.

In het journaal van 3 augustus 2000 staat ruim een halve pagina tekst over dit verhoor. Ik citeer:

"K. B. gehoord. Hij verklaarde op 23/6 niet op de pd te zijn geweest. Hij is de avond van 22/6 eerst

naar zijn ouders gegaan en daar heeft hij gegeten. Hierna ging hij omstreeks 20.00 uur naar een

vriend waar hij tot 23.30 verbleef. Daarna is hij naar huis gegaan, keek TV op de bank en is vervolgens

in slaap gevallen. Om 07.30-08.00 uur stond hij op. Hij heeft zich gewassen, schoor zich en at

wat waarna hij op zijn fiets naar zijn moeder ging die op een school in Vlaardingen werkt. Hij heeft

daar een praatje met haar gemaakt.

Vervolgens met hem gesproken over wat hij dacht dat er mogelijk met Maikel en Nienke gebeurd zou

kunnen zijn. In de eerste instantie wilde hij niet verklaren. Hem geconfronteerd met het feit dat hij

veel persoonlijke zaken kwijt wil maar niet over de moord op Nienke wil praten. Vervolgens wilde hij

wel in derde persoon verklaren. Hierbij vertelde hij een aantal opvallende zaken te weten:

- Ze zullen onder bedreiging van een mes of pistool de bosjes mee zijn ingenomen. Bedreiging

bestond uit 'Ga mee anders maak ik je dood.’

- Vanaf de kinderboerderij of op de weg vlakbij de bosjes.

- Zij zijn beiden meegenomen omdat zij toevallig daar liepen.

- In de bosjes heeft hij niet met hen gesproken maar opdrachten gegeven.

- Zij moesten zich beiden uitkleden. Beiden om te voorkomen dat zij weg zouden rennen.

- Nienke is verkracht.

- Hij had Maikel willen doden om te voorkomen dat hij zou getuigen.

- Het was niet de bedoeling om de kinderen te doden.

- Hij heeft tegen de kinderen gezegd dat zij stil moesten zijn.

- Hij wist niet of de dader Maikel nog iets aan zou willen doen.

Verder waren een aantal zaken opmerkelijk te weten:

- Zijn seksuele voorkeur gaat uit naar vrouwen met lang blond haar.

- Geen grote borsten, wel wat, en stevig postuur.

DE VERHOREN VAN KEES B.

95

- Zijn eerste seksuele ervaring was met een meisje uit het tehuis en was in een soort parkje/

bosje."

Het proces-verbaal van 19 september 2000 - dat inclusief kop, inleiding en afsluiting, twee pagina’s beslaat

- stemt grotendeels overeen met het journaal. De belangrijkste verschillen zijn dat in het proces-verbaal niet

staat dat Kees B. in eerste instantie niet wilde verklaren, dat hij geconfronteerd is met het feit dat hij veel

persoonlijke zaken kwijt wilde maar niet over de moord op Nienke wilde praten, en dat Kees B. vervolgens

wel in de derde persoon wilde praten.

Ik zal het verhoor van 3 augustus 2000 hierna aanduiden als het scenarioverhoor, waarbij het woord ‘scenario’

de betekenis heeft van de te veronderstellen loop van de gebeurtenissen.

Het proces-verbaal van het verhoor van 3 augustus 2000 is opgenomen in de bundel stukken die op of kort

na 13 oktober 2000 ter kennis van de RC en de verdediging is gebracht. In een begeleidend relaasprocesverbaal

bij die bundel stukken staat:

"Op 03/08/2000 werd K. B. als getuige onder de cautie gehoord. Van dit verhoor werd in eerste instantie

geen proces-verbaal van verhoor opgemaakt. Daar dit verhoor nu mogelijk deels relevant is

gebleken is het alsnog in een proces-verbaal van bevindingen uitgewerkt."

Kees B. heeft in het interview gezegd dat er een verhoor heeft plaatsgevonden waarin diverse scenario´s

over wat er in het park gebeurd was of had kunnen zijn, besproken werden. Mogelijk was dat op 3 augustus,

aldus Kees B.. In dat verhoor zou verhoorder 4 hebben verteld wat volgens de politie was gebeurd.

Verhoorder 4 zou onder meer hebben verteld hoe Nienke was vermoord en hoe ze was beetgepakt. Kees

B. heeft in het interview gezegd dat hij het een vreemd verhoor vond en dat hij vooral de politie heeft laten

praten.

Verhoorder 4 heeft in de schriftelijke beantwoording van vragen over het verhoor van 3 augustus 2000 gezegd

dat in dit verhoor niet volgens een bepaalde techniek is gewerkt, "het liep zoals het liep", het ontstond

uit de interactie tussen Kees B. en de verhoorders. Verhoorder 5 heeft in de schriftelijke beantwoording van

vragen gezegd dat er geen plan was om Kees B. op deze manier te horen en dat het tijdens het verhoor

spontaan is ontstaan. Verhoorders 4 en 5 kunnen niet meer aangeven wat hun inbreng was in het verhoor.

De plv. l.o. toonde zich tijdens het interview verbaasd over het feit dat er een scenarioverhoor had plaatsgevonden

en ook over het feit dat het proces-verbaal van dat verhoor pas op 19 september 2000 was opgemaakt.

Hij is van mening dat een scenarioverhoor een gevaarlijke manier van verhoren is. De l.o. zei in

het interview dat hij niet wist dat van het verhoor van 3 augustus 2000 pas op 19 september 2000 procesverbaal

is opgemaakt. De zaaksofficier zei in het interview niet gecharmeerd te zijn van het afnemen van

een scenarioverhoor. Zij was op 3 augustus 2000 niet op de hoogte dat aan Kees B. in een verhoor hypotheses

over mogelijke gebeurtenissen in het park zouden worden voorgelegd.

Op 4 augustus 2000, vanaf 11.30 uur, is Kees B. opnieuw verhoord, weer als getuige met de cautie. Van

het verhoor is op 4 augustus 2000 proces-verbaal opgemaakt. Verhoorder 4 was één van de twee verhorende

rechercheurs. In dat verhoor zijn aan Kees B. foto´s getoond van drie personen die op 22 juni 2000

rond 18.00 uur op/bij brug B waren. Ook is opnieuw gesproken over wat Kees B. had gedaan nadat hij naar

112 had gebeld en over wat hij had gedaan op 23 juni 2000. In dit verhoor heeft de politie gevraagd of Kees

B. kledingstukken ter beschikking wilde stellen voor een vergelijkend vezelonderzoek. In het proces-verbaal

van 4 augustus 2000 wordt Kees B. als volgt sprekend opgevoerd:

"U vraagt mij of ik aan u kledingstukken ter beschikking wil stellen ten behoeve van een vergelijkend

sporenonderzoek. Ik stel u bij deze een donkerblauw poloshirt ter beschikking welke ik als

DE VERHOREN VAN KEES B.

96

een soort van bedrijfskleding draag. Ik heb dit shirt ook wel eens op mijn werk aan. Verder zal ik u

later een lichter blauw T-shirt ter beschikking stellen. Ik begrijp dat ik dit geheel op vrijwillige basis

doe en dat u geen enkel rechtsmiddel op mij kan doen toepassen."

In het journaal van 4 augustus 2000 staat:

"Bij PV gehoord de getuige/verdachte K. B.. In overleg met PLO en Kees B. het donkerkleurige

shirt gevraagd welke hij als een soort van bedrijfskleding draagt. Deze werd in de woning van K. B.

door hem afgegeven. Later K. B. nog een keer gebeld en hem medegedeeld dat het voor een vergelijkend

onderzoek ging en hij begreep dit en hij stelde het aan ons ter beschikking."

Het donkerkleurige poloshirt dat door Kees B. is afgegeven, is een shirt met het opschrift 'Duckhams'. Kees

B. had dat shirt aan toen hij op de avond van 17 juli 2000 naar het politiebureau ging. Op de foto’s die op

die avond van Kees B. zijn gemaakt, is het shirt te zien. Kees B. heeft in het interview gezegd dat de politie

op 4 augustus 2000 specifiek naar dat shirt vroeg.

De politie dacht dat het “Duckhams-shirt” een kledingstuk was dat Kees B. op 22 juni 2000 op zijn werk had

gedragen. Het is mij niet duidelijk geworden waarom de politie dat dacht. Uit B.’s verklaringen kan niet worden

gehaald dat hij degene was die de politie op die gedachte heeft gebracht. Dit punt is niet helemaal

zonder belang, omdat de rechtbank in het vonnis heeft overwogen en de AG in haar requisitoir heeft aangevoerd

dat Kees B. verkeerde kleding aan de politie heeft gegeven, zulks in het nadeel van Kees B..

In het interview heeft Kees B. gezegd dat er volgens hem tussen 22 juni en 5 september 2000 meer contacten

zijn geweest tussen hem en de politie dan hierboven zijn opgesomd. Hij meent dat er in totaal 10 tot 15

contacten waren. Het interne politiejournaal geeft echter geen steun aan die gedachte. Interviews met betrokken

politieambtenaren evenmin.

Op dinsdag 5 september 2000, om 15.00 uur, is Kees B. buiten heterdaad aangehouden op verdenking van

betrokkenheid bij de feiten in het Beatrixpark op 22 juni 2000. Kees B. was die middag op verzoek van de

politie naar het politiebureau in Schiedam gekomen. Hij dacht dat hij weer verhoord zou worden zoals bij

eerdere gelegenheden. De aanhouding kwam voor Kees B. als een verrassing, heeft hij in het interview

gezegd. Om 15.50 uur is Kees B. in verzekering gesteld door de l.o. Bij het verhoor ter gelegenheid van de

inverzekeringstelling heeft Kees B. gezegd:

"Ik vind het raar dat ik ben aangehouden. Ik weet waarvoor ik ben aangehouden. Ik snap het alleen

niet. Ik verleen toch mijn medewerking."

Op 5 september 2000 vanaf 16.00 uur, is Kees B. verhoord door verhoorders 4 en 5. De eindtijd van het

verhoor is niet bekend. Kees B. is ondervraagd over zijn jeugd, de relatie met zijn ouders en zijn seksuele

ervaringen en voorkeuren. Tijdens dit verhoor is getuige G 54 geconfronteerd met Kees B.. Zij herkende

hem voor 85-90% als de man die zij op 23 juni 2000 ´s ochtends in het Beatrixpark had gezien bij PD A.

Daarmee bekend gemaakt, ontkende Kees B. die ochtend in het Beatrixpark geweest te zijn.

Op woensdag 6 september 2000 zijn de verhoren van Kees B. voortgezet. Volgens het opgemaakte proces-

verbaal is Kees B. die dag door verhoorders 4 en 5 verhoord van 12.45 tot 18.00 uur en van 19.20 tot

22.00 uur.62 Het proces-verbaal van dit verhoor is op 6 september 2000 opgemaakt. In dit verhoor heeft

Kees B. onder meer verklaard over seksuele ervaringen in zijn jeugd. Verder heeft hij verklaard dat hij,

anders dan hij in eerdere verhoren had gezegd, op 22 juni 2000 in het Beatrixpark had rondgefietst op zoek

naar een kind dat hij kon benaderen voor een seksuele handeling en dat hij achter een blond jongetje was

62 In het journaal staat dat het verhoor duurde van 12.15 tot 22.30 uur.

DE VERHOREN VAN KEES B.

97

aangefietst. (Dat was waarschijnlijk een broertje van Nienke, dat in het park heeft gezocht naar Nienke en

Maikel.) Kees B. zegt dat hij tijdens het rondfietsen een waarschijnlijk Turkse of Marokkaanse man met

twee kinderen, een vrouw met een bruine hond, en een kalende man van rond de 50 jaar met bril had gezien.

Aan het eind van het verhoor heeft Kees B. naar voren gebracht dat hij ooit met twee minderjarige

jongens iets had gedaan op seksueel gebied. De politie was daarvan nog niet op de hoogte.

Op donderdag 7 september 2000 is Kees B. door verhoorders 4 en 5 verhoord van 12.30 tot 15.20 uur, van

17.00 tot 18.15 uur en van 20.00 tot 00.15 uur. Er is gesproken over Kees B.´s jeugd, over hoe laat hij op

22 juni 2000 van zijn werk was weggegaan, over het jongetje dat hij had achterna gefietst in het Beatrixpark

en de route, over de Turkse of Marokkaanse man met kinderen, de vrouw met de hond en de kalende man,

en de fiets die hij had zien liggen in het gras nabij PD A. In dit verhoor werd Kees B. op een gegeven moment

zo emotioneel dat het verhoor 15 minuten is onderbroken.

Op vrijdag 8 september 2000 is Kees B. voorgeleid aan de RC voor de toetsing van de inverzekeringstelling.

De RC oordeelde dat de inverzekeringstelling rechtmatig was. De raadsman van Kees B. heeft ter

gelegenheid van de voorgeleiding tegen de RC gezegd dat hij aanwezig wilde zijn bij eventuele verhoren

van zijn cliënt in het weekend. De RC had daar, aldus de raadsman in het interview, geen bezwaar tegen.

Die vrijdagavond rond 23.00 uur was er telefonisch contact tussen de RC en de raadsman. De RC liet toen

weten dat de officier van justitie niet toestond dat de raadsman aanwezig was bij verhoren van Kees B. in

het weekend. De raadsman had wettelijk gezien geen recht om aanwezig te zijn bij deze politieverhoren. De

raadsman zei in het interview dat hij nog geprobeerd heeft met de zaaksofficier in contact te komen, maar

dat dat niet is gelukt.

Op zaterdag 9 september 2000 is Kees B. in elk geval verhoord van 11.30 tot 14.00 uur, van 20.10 tot

22.00 uur en van 22.30 tot 00.30 uur. Mogelijk is hij die middag nogmaals gehoord, omdat in het procesverbaal

van het verhoor dat om 20.10 uur is begonnen, staat dat Kees B. anderhalf uur heeft kunnen nadenken.

63 Alle verhoren zijn afgenomen door verhoorders 4 en 5. Van de eerste twee verhoren van 9 september

2000 is proces-verbaal opgemaakt op 9 september 2000. Van het laatste verhoor is proces-verbaal

opgemaakt op 18 september 2000.

In het eerste verhoor van die zaterdag heeft Kees B. verklaard dat hij wel vermoedde dat hij zou worden

aangehouden en dat hij daarom bepaalde spullen had weggegooid (videobanden, seksboekjes, krantenartikel

over de moord op Nienke). Ook heeft Kees B. in dat verhoor gezegd dat het zíjn fiets was die in het

gras nabij PD A lag, dat hij zijn fiets daar had neergelegd en naar de achteringang van de kinderboerderij

en de heemtuin was gelopen, dat hij is teruggelopen, dat hij de bosjes op PD A was ingelopen en daar

Nienke en Maikel naast elkaar had zien liggen, beiden naakt en op hun rug liggend, dat Maikel onder het

bloed zat en dat er een kledingstuk op het gezicht van Nienke lag. Daarna is hij weggelopen, teruggegaan

naar zijn fiets en weggefietst in de richting van brug B. In het proces-verbaal staat dat terwijl Kees B. dit

verklaarde, hij in huilen uitbarstte. Verhoorders 4 en 5 hebben aan Kees B. gevraagd of het echt zo gebeurd

was en dat hij niet moest zeggen dat het wel zo was als het niet de waarheid was. Aan het eind van

het verhoor heeft B. gezegd:

“U vraagt aan mij waarom ik nu dit alles heb verklaard. Ik heb dit nu verteld omdat ik voor het eerst

het gevoel had dat ik niet als moordenaar wordt gezien.”

In het verhoor dat om 20.10 uur is begonnen, heeft Kees B. onder meer verklaard dat hij bij de achteringang

van de kinderboerderij twee kinderfietsen had zien staan, dat hij op zoek is gegaan naar de kinderen

63 Ik heb geprobeerd hierover duidelijkheid te krijgen door aantekeningen van de cellenwacht van het politiebureau in Schiedam

op te vragen. Ik had hoop dat in die aantekeningen zou staan hoe laat Kees B. uit zijn cel was gehaald en hoe laat hij was

teruggebracht. Die gegevens waren echter niet meer beschikbaar.

DE VERHOREN VAN KEES B.

98

die bij die fietsen hoorden, dat hij zijn fiets op het gras heeft neergelegd, de bosjes van PD A is ingelopen,

daar twee kinderen zag liggen, namelijk een jongen met bloed op zijn hoofd en een schoen om zijn nek, en

een meisje dat op haar rug lag met bij haar hoofd een donkerkleurig kledingstuk en iets zwarts bij haar nek.

In het verhoor dat om 22.30 uur is begonnen en waarvan op 18 september 2000 proces-verbaal is opgemaakt

heeft Kees B. onder meer verklaard:

- dat hij op zoek was naar een kind of kinderen voor een seksuele handeling en dat hij met dat

doel heeft rondgereden in het park;

- dat het zijn fiets was die in het gras nabij PD A lag;

- dat hij kinderfietsen had zien staan bij de achteringang van de kinderboerderij;

- dat hij van zijn fiets was gestapt om op zoek te gaan naar de kinderen die bij die fietsen hoorden;

- dat hij de bosjes is ingelopen en daar twee kinderen zag die seks met elkaar hadden;

- dat hij wilde meedoen, maar dat de kinderen dat niet wilden;

- dat hij toen het meisje vermoord heeft met een T-shirt en dat hij de jongen met een steen op het

hoofd heeft geslagen en daarna een veter om de nek van de jongen heeft gedaan.

De verhoorders hebben in het proces-verbaal genoteerd dat Kees B. deze verklaring in een emotionele

toestand aflegde, dat hij huilde en ineengedoken op de tafel hing. Na het verhoor, toen hij door verhoorder

4 naar het cellenblok werd gebracht, heeft Kees B. blijkens het proces-verbaal tegen verhoorder 4 gezegd

dat hij het niet wilde doen in de bosjes.

Het proces-verbaal van deze bekentenis is, zoals gezegd, opgemaakt op 18 september 2000. De woorden

van Kees B. zijn in de derde persoon weergegeven in dat proces-verbaal. Het proces-verbaal zat in een

bundel stukken die op of kort na 13 oktober 2000 ter kennis is gebracht van de RC en de verdediging. In

het begeleidende relaasproces-verbaal bij die bundel staat:

"Op 09/09/2000 werd K. B. als verdachte gehoord. Van dit verhoor werd geen proces-verbaal van

verhoor opgemaakt daar de verdachte erg emotioneel was. Daar dit verhoor nu mogelijk deels relevant

is gebleken is het nu alsnog in een proces-verbaal van bevindingen uitgewerkt."

Over de reden van het late opmaken van het proces-verbaal is door een aantal betrokkenen iets gezegd.

Verhoorder 4 heeft daarover op 21 maart 2001 bij de RC verklaard dat hij niet weet waarom van deze bekentenis

pas op 18 september 2000 proces-verbaal is opgemaakt. Ook verhoorder 5 zegt bij zijn verhoor bij

de RC op 21 maart 2000 dat hij niet weet waarom het proces-verbaal van dat verhoor pas op 18 september

2000 is opgemaakt en niet door Kees B. is ondertekend. Hij vermoedt dat het verhoor misschien te laat was

afgelopen om er toen direct een proces-verbaal van op te maken.

De l.o. heeft in het interview gezegd dat er niet direct proces-verbaal is opgemaakt omdat Kees B. er helemaal

doorheen zat. Hij heeft toen besloten dat de volgende dag proces-verbaal zou worden opgemaakt. Op

zondag is het er niet van gekomen. Daarna ging één van de verhoorders een paar dagen weg.

De l.o. heeft hierover als getuige ter terechtzitting van de rechtbank op 15 mei 2001 gezegd:

"De raadsman vraagt mij waarom pas op 18 september 2000 proces-verbaal is opgemaakt. Op

zondag 10 september 2000 is men verder gegaan met het verhoor. Het dossier moest daarna nog

samengesteld worden (ten behoeve van de voorgeleiding aan de RC op 11 september 2000, opm.

FP), dat is niet afgekomen op 10 september 2000."

De zaaksofficier heeft in het interview verklaard dat zij niet weet hoe het kan dat er niet direct of kort erna

proces-verbaal is opgemaakt van het verhoor dat was begonnen op zaterdag 9 september 2000 om 22.30

uur. Zij denkt dat de afwezigheid van de plv. l.o. daarbij een rol heeft gespeeld.

DE VERHOREN VAN KEES B.

99

De plv. l.o. heeft in het interview gezegd dat toen hij begin oktober 2000 terugkwam van vakantie nog geen

proces-verbaal was opgemaakt van het verhoor dat op 9 september 2000 om 22.30 uur was begonnen. Hij

wilde het proces-verbaal van die bekentenis lezen en toen bleek dat het nog niet op papier stond. De plv.

l.o. heeft naar zijn zeggen toen opdracht gegeven alsnog proces-verbaal op te maken. Hij heeft gezegd dat

toen het voorstel is gedaan het proces-verbaal te antedateren, maar dat hij dat meteen heeft verworpen. De

plv. l.o. was stellig in zijn uitlatingen dat het proces-verbaal van het verhoor van zaterdagavond 9 september

2000 nog niet was opgemaakt toen hij terugkwam van vakantie. Naar zijn mening kan de datum 18

september 2000 niet juist zijn.

Op zondag 10 september 2000 is Kees B. opnieuw verhoord door verhoorders 4 en 5. In de ochtend wilden

de verhoorders verder gaan op het punt waar zij op zaterdagavond waren gebleven. Kees B. zei die zondagochtend

echter dat zijn bekentenis van zaterdagavond laat niet op waarheid berustte; hij trok de bekentenis

in. Verhoorders 4 en 5 hebben daarop het verhoor onderbroken voor overleg met de l.o. en de zaaksofficier,

die die ochtend naar het bureau was gekomen, en de wachtcommandant. Van dit verhoor en van

deze intrekking is geen proces-verbaal opgemaakt.

De l.o. heeft in het interview gezegd dat in het overleg besloten is om het verhoor te hervatten, om vraag en

antwoord op te nemen in het proces-verbaal, om geen druk uit te oefenen en om Kees B. zijn verhaal te

laten doen. Hij erkende dat de ontkenning van zondagochtend geverbaliseerd had moeten worden.

Verhoorder 4 heeft op 21 maart 2001 bij de RC verklaard dat hij zich kan herinneren dat hij en verhoorder 5

op zondag 10 september 2000 al voor 15.30 uur even met Kees B. hadden gesproken. Dat was een praatje

geweest waarvan geen apart proces-verbaal was opgemaakt. Verhoorder 4 herinnert zich dat Kees B. toen

had gezegd dat hij terugkwam op zijn verklaring van de zaterdag, dat hij het niet gedaan had en dat het