GROEP HOP ©

De politieke groepering Groep Hop wil in 2018 weer meedoen aan de verkiezingen gemeenteraad in zoveel mogelijk gemeenten met steeds grotere netwerken.

Informant mw. Jeanne Dijkstra eindredacteur Ermelo Weekblad aan de Raad voor de Journalistiek: "Van alle kanten komen berichten dat Groep Hop moet worden doodgezwegen"

Groep Hop is ontstaan op de Veluwe en in de periode 2006 - 2018 is er nog niets veranderd en moet Groep Hop kost wat kost worden doodgezwegen. In 2006 deden we mee in Ermelo, in 2007 in de provincie Gelderland, in 2010 in Ermelo, Rheden, Zoetermeer en in 2014 in negen gemeenten, Dronten, Ermelo, Harderwijk, Putten, Lelystad, Zoetermeer, Oldambt, Rheden en Purmerend.

Bedankt alle kandidaten voor uw inzet.
Bedankt alle kiezers die op ons gestemd hebben en/of geholpen hebben met het verkrijgen van de benodigde ondersteuningsverklaringen.
Bedankt alle sponsors van Groep Hop.

 

De Betere Krant van Ermelo

Nieuwsberichten uit het Ermelo, lees verder

 

 

Gefabriceerd bewijs en succesvolle tegenwerking kenmerk werkwijze Openbaar Ministerie en Rechtspraak om een burger te naaien en te terroriseren terwijl iedereen weet dat die burger het niet heeft gedaan gaat de overheid gewoon door in de zaak Nienke Kleiss

De vierde Balkenende norm. Om het gewone volk te kunnen naaien, financieel uit te kleden en kapot te maken worden medewerkers van Justitie opgeleid" om toe te schrijven naar de conclusie. De moord op Nienke Kleiss is weer een praktijkvoorbeeld hoe het Openbaar Ministerie en rechtersleger toeschrijven naar de conclusie en vitale gegevens weglaten met als gevolg dat er alweer een burger Cees B. door de rechtspraak werd genaaid.

De politie heeft niet meteen na de moord het Nederlands Forensisch Instituut gebeld dat met spoed specialisten in sporenonderzoek kon leveren.

De kans op regen en de invallende duisternis van die zomeravond in 2000 deden de recherche om ongeveer kwart over negen besluiten het lichaam van Nienke over te brengen naar het mortuarium. Het oprichten van een tent met verlichting had volgens Posthumus meer voor de hand gelegen. >

Ruim vier uur na de moord werd het lichaam van Nienke Kleiss door de politie naar een mortuarium in een gewoon uitvaartcentrum in Schiedam gebracht. Daar opent een medewerkster van het centrum de lijkzak nog even, wrijft het meisje over de wang en plaatst nog een klein beertje op de baar. Hierdoor is gevaar van contaminatie, besmetting van het spoor van de dader ontstaan meldt het rapport van  droog.

Pas de volgende dag ging het lichaam naar het NFI in Rijswijk. Daar werd vastgesteld dat door vochtontwikkeling ‘het sporenbeeld op het lichaam sterk in negatieve zin is beïnvloed.’ Sporen op het lichaam waren daardoor vermengd, besmet of verdwenen.

Die omstandigheden waren mede de oorzaak van het meest omstreden onderzoek dat het NFI ooit heeft uitgevoerd. Het was ook het grootste tot dan toe. Het instituut had twee van haar meest ervaren onderzoekers op de zaak gezet, Ate Kloosterman en Richard Eikelenboom. Zij staan bekend om hun zorgvuldigheid en kunde.

Het tweetal gebruikte, naast de klassieke methode voor DNA-onderzoek, ook de zeer gevoelige LCN-methode, waarmee met heel weinig gevonden lichaamscellen toch een DNA-profiel kan worden bepaald. De kans op een onjuiste uitkomst is daarbij zo groot, dat normaal gesproken het resultaat alleen gebruikt mag worden als de proef een aantal keren achter elkaar kan worden behaald. In het geval van het moordwapen lukt dat niet.

Bij Nienke werd op twee plaatsen nog gaaf DNA gevonden van een onbekende man, de mogelijke dader: op haar linkerlaars en in haar nagelvuil. Maar ook op het moordwapen, de lange schoenveter waarmee zij gewurgd is, werd een spoor gevonden.

De NFI’ers twijfelden aan de schuld van Cees B. Zij wezen officier van justitie Bernadette Edelhauser erop dat het vreemd is dat van B. geen enkel DNA-spoor is gevonden na zo’n gewelddadige misdaad. Eikelenboom wijst met nadruk op de sporen die zijn gevonden op het moordwapen. Volgens hem zijn ze bruikbaar. Zijn collega Kloosterman denkt van niet. Hij besluit, als eindverantwoordelijke, de sporen niet in het NFI-rapport te zetten. Toen Edelhauser niet overtuigd was, zocht het tweetal het hogerop. Procureur-generaal Hulsebek, toenmalige topman van het OM, arrangeerde een tweede ontmoeting met Edelhauser. Die was opnieuw niet overtuigd, net als even later haar collega voor het hoger beroep Mariëtte Renckens. Wat vervolgens met al die discussie over het DNA-materiaal wordt gedaan, vormt een van de grootste pijnpunten van het hele rapport ‘Posthumus’. Edelhauser noch Renckens maakt in het strafdossier melding van hun gesprekken bij het NFI in het strafdossier. Zij melden die ook niet rechtstreeks aan de rechters. Hetzelfde verwijt treft NFI-onderzoekers Kloosterman en Eikelenboom. Ondanks hun inspanningen om gehoor te krijgen voor hun twijfel, zwijgen zij daarover bij rechtbank en hof. 

Bron: Advocaat-generaal Frits Posthumus Rapport OM  179 pagina inzake kleine en grove fouten in het onderzoek inzake de moord op Nienke Kleiss.

 

 

Evaluatieonderzoek Schiedammer Parkmoord

1

VOORWOORD

In de afgelopen zeven maanden heb ik in opdracht van het College van procureurs-generaal een evaluatieonderzoek uitgevoerd naar de Schiedammer parkmoord. Het College heeft opdracht gegeven die zaak te evalueren, omdat er reden was te veronderstellen dat iemand veroordeeld was voor feiten die hij niet gepleegd had. Het onderzoek heeft meer tijd gekost dan was voorzien: ruim zeven in plaats van ongeveer drie maanden. Dat kwam doordat het onderzoek veel bewerkelijker en omvangrijker was dan verwacht. Ik wil graag mijn dank uitspreken aan Theo Vermeulen en Emmy van der Bijl, die met hun team een grote steun waren in het onderzoek. Ook wil ik Ybo Buruma en André de Vries bedanken voor hun adviezen en assistentie. Allen die geïnterviewd zijn wil ik dank zeggen voor hun bereidheid te spreken over deze zaak. Doel van het evaluatieonderzoek is lering trekken. Ik hoop dat dat doel wordt bereikt. Amsterdam, augustus 2005 Frits Posthumus

2

3

INHOUDSOPGAVE

pag

1 VERANTWOORDING ............................................................................................................................ 7

1.1 Inleiding................................................................................................................................................ 7

1.2 Opdracht College van procureurs-generaal.......................................................................................... 8

1.3 Bij het evaluatieonderzoek betrokken personen ................................................................................... 9

1.4 Werkwijze evaluatieonderzoek............................................................................................................. 9

1.4.1 Interne review: Salvador ........................................................................................................... 9

1.4.2 Evaluatieonderzoek ................................................................................................................ 10

1.5 Onvolledigheid van het onderzoeksmateriaal ..................................................................................... 11

1.6 Protocol Rotterdam-Rijnmond............................................................................................................. 12

1.7 Aangifte strafbare feiten ...................................................................................................................... 12

1.8 Opbouw van het rapport...................................................................................................................... 13

1.9 Aanbevelingen ................................................................................................................................... 13

2 AFBAKENING VAN HET EVALUATIEONDERZOEK ........................................................................ 15

3 ORGANISATORISCHE ASPECTEN...................................................................................................17

3.1 De eerste uren ................................................................................................................................... 17

3.2 De Recherche Assistentie Groep........................................................................................................ 17

3.3 Kennis- en ervaringsniveau; huisvesting............................................................................................. 18

3.4 Teamleiding........................................................................................................................................ 19

3.5 Parket................................................................................................................................................. 20

3.6 Briefings en overleg teamleiding-officieren van justitie ....................................................................... 20

3.7 Verslaglegging ................................................................................................................................... 21

3.8 Eindevaluatie van RAG ‘Park’ ............................................................................................................. 22

3.9 Belangstelling van buiten het team; externe druk ............................................................................... 23

3.10 Deskundigen .................................................................................................................................... 23

3.11 Beoordeling...................................................................................................................................... 24

3.12 Tegenspraak/kritische blik................................................................................................................. 25

3.13 Conclusies........................................................................................................................................ 27

3.14 Aanbevelingen ................................................................................................................................. 27

4 HET TECHNISCHE ONDERZOEK...................................................................................................... 29

4.1 Inleiding.............................................................................................................................................. 29

4.2 Technische recherche........................................................................................................................ 29

4.2.1 De vier plaatsen delict............................................................................................................. 29

4.2.2 Inzet technische recherche ..................................................................................................... 30

4.2.3 Videoteam..............................................................................................................................31

4.2.4 Onderzoek op PD A................................................................................................................ 31

4.2.5 Onderzoek op PD B................................................................................................................ 34

4.2.6 Onderzoek op PD D................................................................................................................ 34

4.2.7 Onderzoek op PD C................................................................................................................ 35

4.2.8 Behandeling van het stoffelijk overschot van Nienke op 22 en 23 juni 2000.......................... 35

4.2.9 Reconstructie .......................................................................................................................... 36

4.2.10 Luchtfoto's..............................................................................................................................36

4.2.11 Maikel..................................................................................................................................... 36

4.2.12 Samenwerking technische recherche-tactische recherche..................................................... 38

4.2.13 Verslaglegging ........................................................................................................................ 38

4.2.14 Sporenoverzicht ...................................................................................................................... 39

4.3 NFI ..................................................................................................................................................... 40

4.3.1 Organisatorisch...................................................................................................................... 40

4.3.2 Betrokkenheid officier van justitie bij de forensische onderzoeken......................................... 40

4.3.3 Onderzoeken door het NFI in de Schiedammer parkmoord ................................................... 40

4.3.4 Microsporenonderzoek en sectie op het NFI .......................................................................... 41

4.3.5 Haaronderzoek ....................................................................................................................... 41

4.3.6 DNA-onderzoeken; mengprofielen.......................................................................................... 41

4.3.7 Twijfels bij het NFI................................................................................................................... 43

4

4.3.8 Rapportages NFI..................................................................................................................... 46

4.4 Het Openbaar Ministerie ..................................................................................................................... 47

4.5 Conclusies.......................................................................................................................................... 47

4.6 Aanbevelingen ................................................................................................................................... 49

5 HET TACTISCHE ONDERZOEK......................................................................................................... 53

5.1 Inleiding.............................................................................................................................................. 53

5.2 Opsporingsonderzoek tussen 23 juni 2000 en de bekentenissen van Kees B. .................................. 54

5.2.1 Opsporingshandelingen die erop gericht waren vast te stellen wie op 22 juni 2000 aan het

eind van de middag/begin van de avond in het Beatrixpark waren geweest........................................ 54

5.2.2 Opsporingshandelingen die werden verricht naar aanleiding van het signalement dat Maikel

had gegeven........................................................................................................................................ 56

5.2.3 Opsporingshandelingen die gericht waren op enkele personen voor wie het team meer dan

gemiddelde belangstelling had, met uitzondering van Kees B. ............................................................ 60

5.2.4 Opsporingshandelingen gericht op Kees B. tot 5 september 2000......................................... 61

5.2.5 Overige opsporingshandelingen ............................................................................................. 63

5.3 Opsporingsonderzoek na de bekentenissen van Kees B. .................................................................. 63

5.4 Opsporingsactiviteiten en aspecten die in beide periodes speelden .................................................. 65

5.4.1 Reconstructie .......................................................................................................................... 65

5.4.2 Scenario's ...............................................................................................................................65

5.4.3 Confrontaties.......................................................................................................................... 65

5.4.4 Beschikbaarheid van hulpmiddelen, systemen en deskundigheid binnen de politie .............. 67

5.5 Beoordeling........................................................................................................................................ 69

5.5.1 Opsporingsonderzoek tussen 23 juni 2000 en de bekentenissen van Kees B....................... 69

5.5.2 Onderzoek na de bekentenissen van Kees B......................................................................... 70

5.5.3 Confrontaties.......................................................................................................................... 72

5.5.4 Invloed van buiten................................................................................................................... 72

5.5.5 Gebruik van bestaande hulpmiddelen en systemen en van deskundigheid........................... 73

5.6 Conclusies.......................................................................................................................................... 75

5.7 Aanbevelingen ................................................................................................................................... 75

6 MAIKEL............................................................................................................................................... 77

6.1 Feitelijkheden..................................................................................................................................... 77

6.1.1 Data verhoren Maikel.............................................................................................................. 77

6.1.2 Verhoorders ............................................................................................................................ 77

6.1.3 Deskundigen.......................................................................................................................... 78

6.1.4 De studioverhoren van Maikel ................................................................................................ 83

6.1.5 Confrontatie ............................................................................................................................ 84

6.1.6 Overig .................................................................................................................................... 84

6.2 Beoordeling........................................................................................................................................ 84

6.2.1 Twijfel over Maikel .................................................................................................................. 84

6.2.2 Getuige/verdachte................................................................................................................... 85

6.2.3 Verantwoording in procesdossier van contacten met en werkzaamheden van deskundigen. 86

6.2.4 De rol van deskundige 2 in het opsporingsonderzoek............................................................ 87

6.2.5 Studioverhoren....................................................................................................................... 88

6.2.6 Aantal verhoren Maikel ........................................................................................................... 90

6.3 Conclusies.......................................................................................................................................... 90

6.4 Aanbevelingen ................................................................................................................................... 92

7 DE VERHOREN VAN KEES B. ........................................................................................................... 93

7.1 Feitelijkheden..................................................................................................................................... 93

7.1.1 Chronologisch overzicht verhoren .......................................................................................... 93

7.1.2 Het beeld van Kees B. .......................................................................................................... 102

7.1.3 Meeluisterende politieambtenaar.......................................................................................... 104

7.1.4 Het verhoorkoppel................................................................................................................. 105

7.1.5 Reacties na bekentenis Kees B. ........................................................................................... 106

7.1.6 Kees B. over de politieverhoren............................................................................................ 106

7.2 Beoordeling...................................................................................................................................... 109

7.2.1 Voorbereiding verhoren ........................................................................................................ 109

7.2.2 Wijze van verbaliseren.......................................................................................................... 110

7.2.3 Scenarioverhoor................................................................................................................... 111

7.2.4 Videoverhoren...................................................................................................................... 111

5

7.2.5 Verbazing over bekentenis ................................................................................................... 112

7.2.6 Daderwetenschap................................................................................................................ 112

7.2.7 Verhoormethoden en -technieken......................................................................................... 113

7.3 Conclusies........................................................................................................................................ 115

7.4 Aanbevelingen ................................................................................................................................. 116

8 AUDIOVISUELE VASTLEGGING VAN VERDACHTENVERHOREN .............................................. 117

8.1 Valse bekentenissen ......................................................................................................................... 117

8.2 Audiovisuele vastlegging van verdachtenverhoren...........................................................................119

8.3 Schiedammer parkmoord.................................................................................................................. 120

8.4 Conclusies........................................................................................................................................ 121

8.5 Aanbevelingen ................................................................................................................................. 121

9 DE OFFICIER VAN JUSTITIE .......................................................................................................... 123

9.1 Dossiersamenstelling ........................................................................................................................ 123

9.1.1 Feitelijkheden....................................................................................................................... 123

9.1.2 Beoordeling.......................................................................................................................... 128

9.1.3 Conclusie ..............................................................................................................................133

9.2 Omgang van de officieren van justitie met het onderzoeksteam ...................................................... 134

9.2.1 Feitelijkheden....................................................................................................................... 134

9.2.2 Beoordeling.......................................................................................................................... 135

9.2.3 Conclusie ..............................................................................................................................136

9.3 Behandeling van de zaak bij de rechtbank ....................................................................................... 136

9.3.1 Feitelijkheden....................................................................................................................... 136

9.3.2 Beoordeling.......................................................................................................................... 141

9.3.3 Conclusie ..............................................................................................................................141

9.4 Requisitoir ........................................................................................................................................ 142

9.4.1 Feitelijkheden....................................................................................................................... 142

9.4.2 Beoordeling.......................................................................................................................... 142

9.4.3 Conclusie ..............................................................................................................................143

9.5 De voorlichtende rol van de officier van justitie aan de rechtbank en de verdediging ...................... 144

9.5.1 Feitelijkheden....................................................................................................................... 144

9.5.2 Beoordeling.......................................................................................................................... 144

9.5.3 Conclusie ..............................................................................................................................144

9.6 Aanbevelingen ................................................................................................................................. 144

10 DE ADVOCAAT-GENERAAL............................................................................................................ 147

10.1 Feitelijkheden................................................................................................................................. 147

10.1.1 Algemeen.............................................................................................................................147

10.1.2 Verzoeken van de kant van de verdediging in de hoger beroepsfase .................................. 148

10.1.3 Lijst met vragen en ongerijmdheden inzake Kees B............................................................. 156

10.2 Beoordeling.................................................................................................................................... 159

10.3 Conclusie ....................................................................................................................................... 162

10.4 Aanbevelingen ............................................................................................................................... 162

11 DE FAMILIERECHERCHEUR ........................................................................................................... 163

11.1 Inleiding.......................................................................................................................................... 163

11.2 De Schiedammer parkmoord .......................................................................................................... 163

11.2.1 De ouders van Nienke .......................................................................................................... 163

11.2.2 Maikel en zijn ouders ............................................................................................................ 164

11.3 Conclusies...................................................................................................................................... 165

11.4 Aanbevelingen ............................................................................................................................... 166

12 HOOFDCONCLUSIES...................................................................................................................... 167

13 BELANGRIJKSTE AANBEVELINGEN.............................................................................................171

6

14 BIJLAGEN

Bijlage 1: Onderzoeksopdracht College van procureurs-generaal

Bijlage 2: Personen betrokken bij het evaluatieonderzoek

Bijlage 3: Geïnterviewde personen

Bijlage 4a: Brief mr. Posthumus aan Korpsbeheerder Rotterdam-Rijnmond

Bijlage 4b: Protocol Rotterdam-Rijnmond

Bijlage 5: Chronologisch overzicht feiten en gebeurtenissen

Bijlage 6: Kaarten van het Beatrixpark

Bijlage 7: Mediatijdlijn

VERANTWOORDING 7

1 VERANTWOORDING

1.1 Inleiding

Op donderdag 22 juni 2000, iets na 18.00 uur, loopt een jongetje, naakt en met een schoen om zijn nek gebonden, uit de bosjes in het Beatrixpark in Schiedam. Het jongetje, Maikel, net een paar dagen 11 jaar, loopt in de richting van een nabijgelegen brug en roept om hulp naar iemand, die toevallig op die brug staat. Deze roept een voorbij fietsende man aan. Die man is Kees B.. Hij is op weg van zijn werk naar het huis van zijn moeder, een fietsrit die hij vaker maakt en die hem door het Beatrixpark voert. Kees B. belt om 18.08.11 uur naar 112. De 112-centrale verbindt Kees B. door met de meldkamer in Rotterdam. Kees B. meldt dat in het Beatrixpark iets ergs gebeurd is en dat politie en ziekenauto met spoed moeten komen. Hij zegt dat bij een jongetje een schoen om de nek is gebonden en dat het jongetje onder het bloed zit. Hij zegt ook dat er nog iemand dood in de bosjes ligt. De politie is rond 18.15 uur ter plaatse. Als de politie bij de plaats van het delict aankomt, hebben zich al een flink aantal personen verzameld op en bij de brug. Een aantal van hen is de bosjes ingelopen. Maikel had namelijk gezegd dat in de bosjes nog iemand lag. Degenen die de bosjes waren ingelopen, hadden daar inderdaad een tweede persoon zien liggen. Later blijkt dat het een meisje is, Nienke, 10 jaar oud. GGD-medewerkers constateren kort na 18.15 uur dat Nienke overleden was. Maikel vertelde op de dagen na 22 juni 2000 aan de politie wat er was gebeurd in het park. Nienke en Maikel hadden die middag na schooltijd in het Beatrixpark gespeeld. Zij waren in de kinderboerderij geweest en hadden gespeeld in speeltuin Fort Drakensteijn. (Zowel de kinderboerderij als de speeltuin liggen in het Beatrixpark.) Nienke en Maikel waren op hun fietsen naar het park gegaan. Zij hadden hun fietsen neergezet bij de achteringang van de kinderboerderij. Toen Maikel en Nienke rond 17.15 uur op weg waren naar de woning van Nienke - zij moesten om 17.30 uur eten - werden zij vlakbij waar hun fietsen stonden vastgegrepen door een man die hen meenam de bosjes in. Daar moesten Nienke en Maikel zich van de man uitkleden. Dat uitkleden duurde best lang, mede doordat Maikel een soort legerschoenen aan had met erg lange veters. De dader had aan de schoenen van Maikel en de laarzen van Nienke getrokken om ze uit te krijgen. Tijdens het uitkleden liep op korte afstand iemand met een zwart-witte hond voorbij. Toen deze persoon voorbij was gelopen duwde de dader Nienke en Maikel verder de bosjes in. Nienke en Maikel moesten seksuele handelingen bij elkaar verrichten. Daarna probeerde de man Maikel met zijn handen te wurgen en stak hij Maikel met een mes. Maikel hield zich daarna voor dood. Hij zag daarna niet wat er met Nienke gebeurde, maar hij hoorde het wel. Nadat de dader Maikel had gestoken, richtte hij zijn aandacht op Nienke. Maikel hoorde dat Nienke zich verzette. Na enige tijd wurgde de dader Nienke met de veter van één van Maikel’s schoenen. Vervolgens bond hij de veter van de andere schoen om de nek van Maikel, die zich ook toen voor dood hield. Daarop verliet de dader de bosjes. Maikel schat dat de tijd dat hij zich voor dood hield misschien wel 20 of 30 minuten duurde. Maikel bleef nog even wachten en is vervolgens de bosjes uitgelopen. Maikel beschreef de dader als een jonge, blanke man met erg veel puisten en een erg wit gelaat. Maikel beschreef ook de kleding die de dader droeg. Naar aanleiding van de feiten in het Beatrixpark is een groot opsporingsonderzoek gestart door een Recherche Assistentie Groep (RAG),1 die RAG ‘Park’ genoemd werd. In dat onderzoek is op 5 september 2000 een man aangehouden. Dat was Kees B., de man die op 22 juni 2000 naar 112 had gebeld. Aanvankelijk was hij als getuige gezien, maar vanaf medio juli 2000 begon het opsporingsteam hem met andere ogen te bekijken. Op 9 en 10 september 2000 heeft Kees B. verklaringen afgelegd waarin hij zei dat hij de 1 In andere politieregio’s was dat een Recherche Bijstandsteam (RBT).

VERANTWOORDING 8

feiten in het Beatrixpark had gepleegd. Kees B. heeft na 11 september 2000 steeds ontkend dat hij iets te maken had met die feiten. De rechtbank in Rotterdam en later het gerechtshof in Den Haag hebben Kees B. op 29 mei 2001 respectievelijk 8 maart 2002 schuldig bevonden aan de feiten die op 22 juni 2000 in het Beatrixpark waren gepleegd en hem voor die feiten veroordeeld. De bekentenissen die hij op 9 en 10 september 2000 bij de politie had afgelegd, wogen zwaar in het bewijs tegen Kees B.. Het cassatieberoep van Kees B. is op 15 april 2003 verworpen. Een herzieningsverzoek van Kees B. is op 7 september 2004 afgewezen door de Hoge Raad. In augustus 2004 heeft een andere man, Wik H., verklaard over zijn betrokkenheid bij de feiten in het Beatrixpark. Het onderzoek dat vervolgens door politie en justitie is ingesteld - dat onderzoek heeft de projectnaam Capri gekregen - heeft geresulteerd in bewijsmateriaal dat belastend is voor H.2 Bij beslissing van 25 januari 2005 heeft de Hoge Raad de aanvragen tot herziening van de plaatsvervangend Procureur-Generaal bij de Hoge Raad en de raadsman van Kees B. gegrond verklaard, de schorsing van de tenuitvoerlegging van het arrest van het gerechtshof in Den Haag van 8 maart 2002 bevolen en de zaak naar het gerechtshof in Amsterdam verwezen. Lopende het onderzoek tegen H. is de executie van Kees B.’s gevangenisstraf opgeschort.3 Het is inmiddels zo goed als zeker dat Kees B. ten onrechte veroordeeld is voor de feiten die gepleegd zijn op 22 juni 2000 in het Beatrixpark.4 Deze vermeende gerechtelijke dwaling heeft geleid tot vragen en bezorgdheid over het functioneren van politie en justitie. 1.2 Opdracht College van procureurs-generaal Tegen deze achtergrond heeft het College van procureurs-generaal op 28 december 2004 opdracht gegeven tot een evaluatie van de Schiedammer parkmoordzaak. In de opdracht staat onder meer: “Probleemstelling In complexe ernstige zaken moet het risico op een uiteindelijk onjuiste uitkomst worden geminimaliseerd. Een zaak waarin dit risico zich lijkt te hebben voorgedaan, leent zich bij uitstek voor onderzoek ter verbetering. De centrale vraag is of steeds is gehandeld overeenkomstig de professionele maatstaven die bij dit soort van ernstige zaken in het strafproces moeten worden aangelegd.

Doel van het onderzoek en afbakening. Het College van procureurs-generaal beoogt met het onderzoek vast te stellen hoe het proces van waarheidsvinding is verlopen. Dit om hier lering uit te trekken ter verhoging van de kwaliteit van de opsporing en vervolging. Het onderzoek zou kunnen leiden tot een aangepaste aanwijzing over het herbeoordelen van zaken die breder is dan de huidige Aanwijzing Tweede beoordeling (“second opinion”) opsporingsonderzoek. Doel is nadrukkelijk niet om naar zondebokken te zoeken, maar aanknopingspunten voor verbetering te vinden. Het onderzoek richt zich op wat in het opsporingsonderzoek en in de vervolging is geschied ten aanzien van de kwaliteit van de bewijsvergaring, bewijsanalyse en bewijspresentatie zowel in het dossier als ter terechtzitting. Dit geldt zowel de behandeling in eerste als in tweede aanleg. Omwille van staatsrechtelijke beginselen blijft buiten het onderzoek welke rol de rechter in dit strafproces heeft gespeeld. Slechts op basis van het voorhanden open materiaal, zoals het proces-verbaal ter 2 H. is bij vonnis van 27 april 2005 van de rechtbank in Rotterdam veroordeeld tot een gevangenisstraf van 20 jaar en TBS met dwangverpleging. Hij is onder meer veroordeeld voor de feiten die op 22 juni 2000 hebben plaatsgevonden in het Beatrixpark. 3 Kees B. is op 10 december 2004 in vrijheid gesteld. 4 Het gerechtshof in Amsterdam heeft zich ten tijde van het schrijven en publicatie van dit rapport nog niet uitgesproken over de zaak. Daarom kan, strikt genomen, nog niet als vaststaand gegeven worden aangenomen dat de veroordeling van Kees B. onterecht was.

VERANTWOORDING 9

terechtzitting en het vonnis/arrest zal de wisselwerking tussen waarheidsvinding en presentatie aan bod komen.” De volledige opdracht van het College van procureurs-generaal gaat als bijlage 1 bij het rapport. 1.3 Bij het evaluatieonderzoek betrokken personen Bij het evaluatieonderzoek, dat op 10 januari 2005 van start is gegaan, ben ik bijgestaan door twee externe deskundigen: prof. mr. Y. Buruma, hoogleraar straf- en strafprocesrecht aan de Radboud Universiteit in Nijmegen, en de heer A.P. de Vries, voormalig plaatsvervangend korpschef van de politieregio Gelderland-Midden. Verder heb ik bijstand gehad van een team politieambtenaren onder leiding van mr. E.E. van der Bijl, officier van justitie, en inspecteur T.J.M. Vermeulen. Een lijst met de namen van de leden van het politieteam gaat als bijlage 2 bij dit rapport.

1.4 Werkwijze evaluatieonderzoek

1.4.1 Interne review: Salvador. Het evaluatieonderzoek dat in opdracht van het College van procureurs-generaal is uitgevoerd, was niet de eerste interne terugblik op het opsporingsonderzoek in de Schiedammer parkmoordzaak. Toen eind 2004 aannemelijk was geworden dat de verkeerde verdachte veroordeeld was, hebben de hoofdofficier van justitie in Rotterdam en de korpschef van de regiopolitie Rotterdam-Rijnmond opdracht gegeven een interne review te houden. Een reviewteam onder leiding van mr. A.T. van Nederpelt, officier van justitie in Den Haag, en de heer A. Jansen, hoofdinspecteur van de regiopolitie Rotterdam-Rijnmond, heeft tussen 24 november en 28 december 2004 onderzoekswerkzaamheden verricht voor die review. Het interne reviewonderzoek heeft de projectnaam ‘Salvador’ gekregen. De doelstelling van het interne reviewonderzoek, zoals neergelegd in een besluit van 24 november 2004, luidde: “Het geven van een zaaksinhoudelijke beoordeling van alle door het RAG Park verrichte onderzoekshandelingen, gericht op het in het kader van de waarheidsvinding creëren van nieuwe gezichtspunten en het op basis daarvan doen van aanbevelingen voor het verrichten van aanvullend technisch dan wel tactisch opsporingsonderzoek. Op basis van deze bevindingen zal nadere besluitvorming omtrent ev. vervolgonderzoek plaatsvinden. Gelet op het lopende opsporingsonderzoek tegen de verdachte Wik H. dienen eventuele aanbevelingen voor nader onderzoek naar deze onderzoeksrichting alsmede naar de onderzoeksrichting Kees B., met voorrang ter beschikking te komen.” Het team dat zich bezig hield met het interne reviewonderzoek heeft de doelstelling zo uitgelegd dat drie onderzoeksrichtingen werden onderscheiden:

- Wik H.;

- een mogelijke onbekende andere (mede)dader;

- Kees B..

Bij deze verdeling moet bedacht worden dat toen de interne review begon, niet de duidelijkheid bestond die er nu is over de schuld van Wik H. en de vermoedelijke onschuld van Kees B.. Bij de eerste twee onderzoeksrichtingen ging het er vooral om te kijken of er aanbevelingen voor technisch en tactisch opsporingsonderzoek gedaan konden worden waar het onderzoeksteam Capri, dat bezig was met het onderzoek tegen Wik H., iets aan had. De onderzoeksrichting Kees B. was vooral gericht op de 

VERANTWOORDING 10

kwaliteit van de opsporing en de vervolging in het onderzoek RAG ‘Park’ en had een meer evaluatief karakter. Dat deel van het onderzoek was bedoeld om antwoord te krijgen op de vraag of zich in het onderzoek knelpunten hadden voorgedaan en zo ja, welke oorzaken daaraan ten grondslag hadden gelegen en of er aanbevelingen ter lering voor de toekomst voor politie en/of Openbaar Ministerie gedaan zouden kunnen worden. Toen het interne reviewteam met zijn werkzaamheden begon, liep het onderzoek Capri tegen Wik H. al. Het onderzoeksteam Capri had de beschikking over het onderzoeksmateriaal van RAG ‘Park’ dat in het archief in Schiedam aanwezig was. Dat waren twaalf dozen (A t/m L) en een ordner. Het onderzoeksteam Capri heeft per doos en ook van de ordner een inventarislijst gemaakt. Het materiaal bevatte zowel het eindproces-verbaal, dat wil zeggen het proces-verbaal dat aan het eind van het onderzoek door de politie aan de officier van justitie is aangeboden en dat de officier aan de rechtbank en de verdediging heeft gegeven, als de stukken die destijds niet waren toegevoegd aan het eindproces-verbaal. Het materiaal bestond hoofdzakelijk uit papier, maar er zat ook digitaal en audiovisueel materiaal bij. Toen het interne reviewteam Salvador met zijn werkzaamheden begon, heeft het van al het papieren onderzoeksmateriaal kopieën gemaakt. Het interne reviewteam heeft verder bij een aanzienlijk aantal personen die bij RAG ‘Park’ betrokken waren geweest gevraagd of zij nog aantekeningen of onderzoeksmateriaal hadden. De verzamelde stukken zijn vervolgens door het interne reviewteam conform een bepaalde methodiek heringericht. 5 Daarna is het heringerichte dossier grotendeels gedigitaliseerd, waarbij gebruik is gemaakt van Zylab. Dat programma wordt gebruikt om een papieren archief te digitaliseren. Zylab maakt het mogelijk documenten te scannen, te archiveren en vervolgens te doorzoeken en te reproduceren. Reeds ten tijde van de interne review kwam men tot de ontdekking dat door de herinrichting van de stukken een vermenging was opgetreden tussen het procesdossier enerzijds en de overige, destijds voor het procesdossier niet relevant geachte stukken, anderzijds. Dat probleem is opgelost door het fysieke procesdossier van het gerechtshof te gebruiken. Het interne reviewteam is op 28 december 2004 gestopt met zijn werkzaamheden vanwege de hierboven vermelde opdracht van het College van procureurs-generaal tot een evaluatieonderzoek. De werkzaamheden waren toen niet afgerond. Ook de herinrichting en de digitalisering van het onderzoeksmateriaal waren niet afgerond.

1.4.2 Evaluatieonderzoek

Het materiaal dat door het interne reviewteam was verzameld is in de week van 10 januari 2005 aan mij overgedragen. Van de producten die dat team zelf gemaakt heeft, zijn een tijdlijn en een deel van het werkjournaal aan mij overgedragen. Na een inventarisatie van het aan mij overgedragen materiaal is het proces van verzamelen, herinrichten en digitaliseren voortgezet conform de methode die door het interne reviewteam was gebruikt. In het kader van het evaluatieonderzoek zijn personen die vanuit hun werk bij justitie of politie betrokkenheid hebben gehad bij RAG ‘Park’ (nogmaals) benaderd met de vraag of zij nog beschikten over materiaal dat betrekking had op dat onderzoek. Ook het Nederlands Forensisch Instituut is een aantal malen gevraagd om medewerking en inzage in stukken. Het verzamelde onderzoeksmateriaal bestaat uit de stukken die aan de rechter en de verdediging zijn voorgelegd, maar ook uit interne werkjournalen, persoonsdossiers, tipformulieren, werkopdrachten, persoonlijke aantekeningen en audiovisueel materiaal. Het materiaal is bestudeerd en geanalyseerd. De centrale vraag 5 Ontwikkeld door het Landelijk Team Kindermoord (LTK).

VERANTWOORDING 11

was: wat heeft bijgedragen aan de waarschijnlijk onterechte veroordeling van Kees B.? Eerst heb ik mij op hoofdlijnen een beeld van de zaak gevormd. In die fase zijn een aantal hypothesen en vragen ontwikkeld en uitgebouwd. Om de hypothesen te toetsen is een lijst met vraagpunten gemaakt. In de verdiepingsfase die op deze algemene fase is gevolgd, is geprobeerd vast te stellen wat in het tactische en technische opsporingsonderzoek door wie was gedaan, wanneer en waarom. Ook is onderzocht welke rol externen bij het onderzoek hebben gehad. Zowel onderzoekstechnische als organisatorische aspecten zijn bij de dossierstudie onderzocht. In deze fase zijn ook de interviews voorbereid.

De volgende fase was het interviewen van personen die bij het onderzoek naar de Schiedammer parkmoord betrokken waren geweest. De interviews zijn afgenomen door leden van het politieteam dat mij ondersteunde, mr. Van der Bijl, prof. mr. Buruma, de heer De Vries en mijzelf. Er is voor gekozen om niet alleen medewerkers van politie en justitie te interviewen. Ook medewerkers van het NFI en externe deskundigen zijn geïnterviewd, alsmede onder anderen de ouders van Nienke, de ouders van Maikel, Maikel zelf, en Kees B. en diens raadsman. Als bijlage 3 bij het rapport is een lijst gevoegd met daarop de namen van alle geïnterviewde personen. Allen die benaderd zijn voor een interview hebben daar positief op gereageerd. Voorafgaand aan het interview is een brief gestuurd met daarin onder meer een uiteenzetting over het doel en de achtergrond van het evaluatieonderzoek en een aantal ‘spelregels’ voor onder meer het opnemen op band van het interview, de uitwerking van het interviewverslag en het vernietigen van de bandopname. De interviewverslagen zijn geen woordelijke uitwerkingen van hetgeen gezegd is in het interview. Het zijn zakelijke weergaven met af en toe een of meer woordelijk weergegeven passages. De conceptverslagen zijn voorgelegd aan de geïnterviewden. Zij konden opmerkingen maken. Het bijgewerkte verslag moest vervolgens worden getekend door de geïnterviewde. De geluidsopnames van de interviews zijn op één uitzondering na vernietigd.6 Als ik in het vervolg van het rapport spreek over een interview, dan bedoel ik daarmee het interview dat is afgenomen in het kader van het evaluatieonderzoek. Een medewerker van het NFI en een voormalig medewerker van het NFI hebben mij op 10 mei 2005 een presentatie gegeven over DNA, toegespitst op het DNA-onderzoek in de Schiedammer parkmoord. Een docent aan de Politieacademie in Zutphen die betrokken is geweest bij de totstandkoming van het ‘Protocol Studioverhoren’ en bij opleidingen en trainingen van zedenrechercheurs die studioverhoren afnemen, en de beheerder van de kindvriendelijke verhoorstudio in Amsterdam hebben op mijn verzoek gekeken naar een aantal fragmenten uit de studioverhoren van Maikel. Ik heb dat gevraagd omdat ik behoefte had aan het oordeel van externe deskundigen over de studioverhoren van Maikel. In het evaluatieonderzoek is voor het opslaan en verwerken van gegevens gebruik gemaakt van een Acces-database. Acces is een Microsoft-programma waarmee een database kan worden aangelegd. Het stelt de gebruiker in staat de database aan te passen aan de eigen wensen en behoeftes. De omvang van een Acces-database is niet onbeperkt. Verder is gebruik gemaakt van ZyIab. 1.5 Onvolledigheid van het onderzoeksmateriaal Bij het verzamelen van het materiaal is gebleken dat een aantal documenten die bestaan (moeten) hebben niet te vinden zijn of vernietigd zijn. In de eerste plaats ontbreekt een document ‘F10 Briefje met antwoorden en begeleidend schrijven over verhoor Kees B., 15/08/69’. Dat document was blijkens een inventarislijst wél aanwezig toen Capri het onderzoeksmateriaal kreeg uit het archief in Schiedam, maar is daarna, nog voor overdracht van het onderzoeksmateriaal aan het reviewteam, zoekgeraakt. 6 Deze opname is op uitdrukkelijk verzoek van de geïnterviewden niet vernietigd.

VERANTWOORDING 12

Verder bleek dat de leider onderzoek zijn aantekeningen niet lang voor het begin van de interne review bij een interne verhuizing had weggegooid. De plaatsvervangend leider onderzoek van RAG ‘Park’ heeft in het interview gezegd dat hij tijdens het onderzoek een persoonlijk verslag heeft bijgehouden en dat na afloop aan de leider onderzoek heeft gegeven ter archivering. De leider onderzoek spreekt dat tegen. Navraag dezerzijds bij de regiopolitie Rotterdam-Rijnmond heeft het journaal van de plaatsvervangend leider onderzoek niet boven water gebracht. De administratie van de kindvriendelijke verhoorstudio in Rotterdam was onvolledig. In elk geval ontbraken daar veel gegevens over de studioverhoren van Maikel. Tijdens één van de interviews kwam naar voren dat veel gegevens van RAG ‘Park’ in 2000/2001 waren ingescand in Zylab. Vervolgens is bij de politie in Rotterdam-Rijnmond navraag gedaan naar het bestaan van deze gegevens. Toen bleek dat alle ingescande gegevens verloren waren gegaan doordat bij het maken van een jaarbackup en bij het ontmantelen van een server fouten waren gemaakt. Er is slechts een index bewaard gebleven. In die index staan geen namen van documenten maar alleen nummers. In totaal zouden ongeveer 3.500 pagina´s zijn ingescand. Hoewel dus zeker is dat een aantal documenten of bestanden ontbreken en niet gegarandeerd kan worden dat al het materiaal boven water is gekomen, ben ik van mening dat er geen grote lacunes zitten in het verzamelde onderzoeksmateriaal. 1.6 Protocol Rotterdam-Rijnmond De korpsbeheerder in de regio Rotterdam-Rijnmond heeft op 6 januari 2005 een protocol ondertekend, dat ervolgens is verspreid onder degenen die betrokken waren geweest bij RAG ‘Park’. In het protocol wordt aandacht besteed aan het evaluatieonderzoek en hoe daar mee om te gaan. Op mijn verzoek (d.d. 13 januari 2005) heeft de korpsbeheerder een aantal wijzigingen aangebracht in de tekst, waarna een gewijzigd protocol is verspreid.7 Mijn brief aan de korpsbeheerder en het gewijzigde protocol zijn bijgevoegd als bijlagen 4a en 4b. De in het protocol beschreven werkwijze heeft mijns inziens bij een aantal geïnterviewde politieambtenaren geleid tot een terughoudende opstelling. 1.7 Aangifte strafbare feiten Tegen twee politieambtenaren die bij RAG ‘Park’ betrokken waren, te weten de twee rechercheurs die de meeste verhoren van Kees B. hebben afgenomen, is op 5 januari 2005 namens Kees B. aangifte gedaan ter zake van dwang (art. 284 Sr). Hangende het evaluatieonderzoek is geen vervolg gegeven aan de aangifte. De dreiging van een strafrechtelijk onderzoek maakte het noodzakelijk in de contacten met deze twee politieambtenaren behoedzaam te zijn. Ik heb hen niet geïnterviewd maar ik heb schriftelijk vragen voorgelegd. Deze vragen zijn beantwoord. Uiteraard gaat door deze wijze van bevraging het directe contact verloren. 7 Het gewijzigde protocol is net als het oorspronkelijke protocol gedagtekend 6 januari 2005, maar is totstandgekomen op een datum die ligt na mijn brief.

VERANTWOORDING 13

1.8 Opbouw van het rapport

De centrale vraag in het rapport is: wat heeft bijgedragen of wat kan hebben bijgedragen aan de naar het zich laat aanzien onterechte veroordeling van Kees B.. In het volgende hoofdstuk worden de begrenzingen van het evaluatieonderzoek aangegeven. In Hoofdstuk 3 wordt ingegaan op organisatorische aspecten bij politie en justitie ten tijde van het onderzoek naar de Schiedammer parkmoord. In de Hoofdstukken 4 en 5 wordt achtereenvolgens aandacht besteed aan het technisch onderzoek en het tactische opsporingsonderzoek.In Hoofdstuk 6 komt aan de orde of de manier waarop politie en justitie tegen Maikel hebben aangekeken van invloed is geweest op de latere gang van zaken. Hoofdstuk 7 gaat in op de verhoren van Kees B., in het bijzonder die van 9 en 10 september 2000. In Hoofdstuk 8 wordt aandacht besteed aan het audiovisueel opnemen van verklaringen van verdachten. In Hoofdstuk 9 wordt gekeken naar de dossiersamenstelling en het optreden van de officieren van justitie tijdens het onderzoek. Hoofdstuk 10 behandelt het optreden van de advocaat-generaal bij het gerechtshof in Den Haag. In Hoofdstuk 11 ga ik in op de functie van de familierechercheur. Hoofdstuk 12 bevat de hoofdconclusies van het evaluatieonderzoek. Aan het eind van de meeste hoofdstukken staan aanbevelingen. In Hoofdstuk 13 worden de belangrijkste daarvan herhaald. Achter het rapport zijn diverse bijlagen gevoegd. Behalve de al genoemde bijlagen zijn bijgevoegd een chronologisch overzicht van relevante feiten en gebeurtenissen in of tijdens het onderzoek (bijlage 5), twee kaarten van het Beatrixpark (bijlage 6) en een mediatijdlijn (bijlage 7). Af en toe citeer ik uit stukken uit het onderzoeksmateriaal dat mij ter beschikking stond. Ik heb in die citaten enkele spel- en stijlfouten verbeterd. Getuigen die in het onderzoek voorkomen, duid ik soms aan met de letter G, gevolgd door een nummer. Dat is het nummer dat die getuige heeft gekregen in het eindproces-verbaal van RAG 'Park'. Getuigen van wie de verklaringen niet zijn opgenomen in het eindproces-verbaal hebben geen G-nummer gekregen. Deze getuigen duid ik aan met hun initialen. De meeste betrokkenen bij het onderzoek in de Schiedammer parkmoord duid ik niet aan met hun naam. Van dat uitgangspunt ben ik afgeweken bij degenen van wie de naam al zo vaak in de publiciteit is geweest dat het geen zin zou hebben de naam niet te noemen: Nienke, Maikel, Kees B. en Wik H.

1.9 Aanbevelingen

Ik heb vastgesteld dat het onderzoeksmateriaal in deze zaak enige lacunes vertoont. Het bewaren en archiveren van onderzoeksmateriaal levert vaak problemen op, zowel bij politie als bij justitie. Die problemen doen zich voor bij oude zaken, maar ook bij recente zaken. Wanneer een zaak ‘van de plank’ of uit het archief wordt gehaald, blijkt niet zelden dat materiaal zoek is of vernietigd is. Het gaat daarbij niet alleen om papieren onderzoeksmateriaal, maar ook om digitaal of audiovisueel materiaal, foto’s en negatieven, om materiaal van de technische recherche, om stukken van overtuiging en monsters die genomen zijn van stukken van overtuiging. Het is niet duidelijk welke regels gelden voor het bewaren van onderzoeksgegevens en -materialen. Medewerkers bij politie en justitie weten niet waaraan zij zich moeten houden. Niemand voelt zich verantwoordelijk voor het beheer. Nu het met de huidige stand van de techniek soms mogelijk is een oude zaak tot oplossing te brengen en gelet op het wetsvoorstel ten aanzien van de wijziging van de regels in het Wetboek

VERANTWOORDING 14

van Strafrecht over verjaringstermijnen,8 is het belangrijk dat het onderzoeksmateriaal volledig is en dat het onder goede omstandigheden bewaard wordt. Het verdient dan ook aanbeveling dat er duidelijke regels worden opgesteld voor het bewaren en archiveren van onderzoeksmateriaal en dat de verantwoordelijkheid voor het beheer ervan eenduidig wordt belegd. 8 Kamerstukken II, 2003/04, 28 495.

AFBAKENING VAN HET EVALUATIEONDERZOEK 15

2 AFBAKENING VAN HET EVALUATIEONDERZOEK

Het evaluatieonderzoek is in drie opzichten begrensd. In de eerste plaats is het evaluatieonderzoek begrensd in de tijd. De periode die onderzocht is, loopt van 22 juni 2000 tot 8 maart 2002. Op de eerste datum zijn de feiten in het Beatrixpark in Schiedam gepleegd, waarna het opsporingsonderzoek van de Recherche Assistentie Groep (RAG) ‘Park’ is begonnen. Op de laatste datum heeft het gerechtshof in Den Haag arrest gewezen in de zaak tegen Kees B.. De cassatieprocedure en de twee herzieningsprocedures zijn niet meegenomen in dit evaluatieonderzoek.9 Ook het opsporingsonderzoek dat onder de naam Capri is ingesteld nadat Wik H. had verklaard over zijn betrokkenheid bij de feiten, blijft buiten beschouwing. In de tweede plaats is er een begrenzing ten aanzien van de strafbare feiten. Kees B. is op 5 september 2000 aangehouden omdat hij er van verdacht werd de strafbare feiten in het Beatrixpark op 22 juni 2000 gepleegd te hebben. Lopende het onderzoek rees de verdenking dat Kees B. zich ook schuldig had gemaakt aan andere strafbare feiten op zedengebied. Die verdenkingen zijn ook door het onderzoeksteam RAG ‘Park’ onderzocht. Kees B. is vervolgd voor10: 1. moord, subsidiair gekwalificeerde doodslag op Nienke op 22 juni 2000;  poging tot moord, subsidiair poging tot gekwalificeerde doodslag, meer subsidiair het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel (al dan niet met voorbedachten rade), en meest subsidiair een poging tot dat laatste, steeds met Maikel als slachtoffer en gepleegd op 22 juni 2000; 3. verkrachting van Nienke, dan wel een poging daartoe op 22 juni 2000; 4. wederrechtelijke vrijheidsberoving van Nienke en Maikel op 22 juni 2000; . verkrachting, subsidiair poging tot verkrachting, meer subsidiair feitelijke aanranding van de eerbaarheid en meest subsidiair ontucht, gepleegd in de periode van 1 januari 1995 tot en met 31 december 1999, met een jongen X, gepleegd in Vlaardingen; 6. verleiding van een minderjarige jongen Y op 30 mei 1999 in Vlaardingen. Er waren twee dagvaardingen: de feiten 1 tot en met 4 stonden op de eerste dagvaarding, de feiten 5 en 6 op de tweede. De rechtbank heeft de twee zaken gevoegd. De rechtbank heeft feiten 1 subsidiair, 2 subsidiair, 3 primair, 4, 5 meest subsidiair en 6 bewezen verklaard en Kees B. veroordeeld tot 18 jaar gevangenisstraf en TBS met dwangverpleging. Kees B. heeft hoger beroep ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank. Het hoger beroep is later partieel ingetrokken, namelijk voor zover het betrekking had op de veroordeling voor feit 5. Het gerechtshof heeft feiten 1 subsidiair, 2 subsidiair, 3 primair, 4 en 6 bewezen verklaard en voor die feiten een gevangenisstraf van 18 jaar en TBS met dwangverpleging opgelegd. Voor feit 5 heeft het gerechtshof de straf bepaald op 1 jaar gevangenisstraf (art. 423 lid 4 Sv). In deze evaluatie heb ik alleen gekeken naar het optreden van politie en Openbaar Ministerie ten aanzien van de feiten 1 tot en met 4, omdat bij die feiten een onterechte veroordeling aannemelijk lijkt. 9 In de cassatieprocedure heeft de Hoge Raad op 15 april 2003 arrest gewezen (LJN AF5257; NJ 2003, 364). In de eerste herzieningsprocedure is de aanvraag tot herziening op 7 september 2004 afgewezen door de Hoge Raad (LJN AQ9834; NS 2004, 367). In de tweede herzieningsprocedure (LJN AS1872) zijn de aanvragen tot herziening, zoals in Hoofdstuk I is vermeld, op 25 januari 2005 toegewezen. 10 Ter wille van de leesbaarheid heb ik bij de hieronder vermelde strafbare feiten niet steeds de juridische kwalificaties van die feiten gebruikt.

AFBAKENING VAN HET EVALUATIEONDERZOEK 16

In de derde plaats is het evaluatieonderzoek begrensd doordat in de opdracht van het College van procureurs- generaal staat dat met het oog op staatsrechtelijke beginselen de rol van de rechter buiten beschouwing  oet blijven. Er is daarom niet gekeken naar de rol van de rechters-commissarissen die in deze zaak actief zijn geweest en evenmin naar de rol van de raadkamerrechters en de zittingsrechters bij rechtbanken hof die de zaak inhoudelijk hebben behandeld. Er zijn geen interviews gehouden met personen die destijds behoorden tot de zittende magistratuur. Wel is het mogelijk geweest om, door tussenkomst van de Raad voor de Rechtspraak, aan de leden van de rechtbank en het gerechtshof die de strafzaak tegen Kees B. inhoudelijk behandeld hebben, schriftelijk feitelijke vragen voor te leggen. Daarvan is één keer gebruik gemaakt, namelijk om te vragen of bepaalde stukken (een deskundigenrapport en een ‘bewijswijzer’) deel uitmaakten van het dossier waarover de zittingsrechters beschikten.

ORGANISATORISCHE ASPECTEN 17

3 ORGANISATORISCHE ASPECTEN

In dit hoofdstuk worden punten van organisatorische aard bij de politie en bij het Openbaar Ministerie en tussen die twee organisaties beschreven en beoordeeld. In een aparte paragraaf wordt ingegaan op (het ontbreken van) tegenspraak en kritische geluiden in het opsporingsonderzoek. 3.1 De eerste uren Na de melding via 112 van een ernstig feit in het Beatrixpark in Schiedam, zijn door de regionale meldkamer van de politieregio Rotterdam-Rijnmond de GGD en de nodige politie-eenheden naar het park gestuurd, bijvoorbeeld diverse surveillanceauto’s en de technische recherche. Ook zijn door de meldkamer de verschillende autoriteiten (de schouwarts, districtschef, burgemeester, officier van justitie) gewaarschuwd. Van dezelfde handeling of gebeurtenis wijken de tijdregistratie van de meldkamer van de regiopolitie en detijdregistraties in het intern door het onderzoeksteam bijgehouden politiejournaal of in processen-verbaal soms van elkaar af. Daardoor is achteraf niet steeds met zekerheid vast te stellen wat op welk moment heeft plaatsgevonden. De eerste uren na de melding waren hectisch maar niet chaotisch, blijkt uit de interviews. Voor zover valt na te gaan, zijn in deze eerste uren de meeste dingen goed gegaan. In dit hoofdstuk komen vooral de organisatorische aspecten ten aanzien van de tactische recherche aan de orde. In het volgende hoofdstuk wordt nader ingegaan op het technisch onderzoek en de organisatie daarvan. 3.2 De Recherche Assistentie Groep Op de avond van 22 juni 2000 is, na overleg van de districtschef Schiedam en een lid van de korpsleiding van het korps Rotterdam-Rijnmond, besloten een Recherche Assistentie Groep (RAG) te formeren. Een RAG was te vergelijken met een recherchebijstandsteam (RBT); tegenwoordig spreekt men van een Team Grootschalige Opsporing (TGO). Deze RAG heeft de naam RAG ‘Park’ gekregen. Binnen de regio Rotterdam-Rijnmond bestond de zogenaamde RAG-map. In die map zaten onder meer de ‘Regionale Regeling Recherche Assistentie Groepen’, een overzicht 'Eerste activiteiten bij start R.A.G.', een lijst met 'Aandachtspunten eerste briefing RAG-team', taakomschrijvingen van een aantal belangrijke functies in een RAG, telefoonlijsten, een document over reconstructies, richtlijnen voor meervoudige confrontaties, en een artikel over (dader)profielanalyse. Deze documenten waren bijna zonder uitzondering niet voorzien van datum, versienummer, auteur, en dergelijke. Voor een aantal leidinggevende posities in een RAG bestond een regiobrede lijst met namen van personen die daarvoor in aanmerking kwamen volgens een piketrooster. Voor de overige leden van een RAG gold dat de districten de plicht hadden mensen te leveren, maar kon het district zelf bepalen wie wanneer werd geleverd aan een RAG. In de ‘Regionale Regeling Recherche Assistentie Groepen’ staat: ”Wanneer om inzet gevraagd wordt, moet er geleverd worden.”11 In de regeling staat niet binnen welke termijn geleverd moest worden. Wel staat erin dat geen mensen geleverd moeten worden die bijvoorbeeld de eerste dagen van het onderzoek roostervrij waren of binnen de eerste vier weken van het onderzoek langdurig verlof hadden. Volgens de regionale richtlijnen voor RAG-onderzoeken kwam de leider onderzoek (hierna l.o.) uit het district waar het feit had plaatsgevonden en kwam de plaatsvervangend leider onderzoek (hierna plv. 11 Het woord ‘moet’ is in de Regeling vetgedrukt en onderstreept.

ORGANISATORISCHE ASPECTEN 18

l.o.) uit een ander district. De pv-coördinator (in de RAG-structuur werd hij de pv-functionaris genoemd) kwam bij voorkeur uit het district waar de feiten hadden plaatsgevonden. De leden van RAG ‘Park’ kwamen uit de gehele regio Rotterdam-Rijnmond. Het district Schiedam was, als district waar de feiten hadden plaatsgevonden, het zwaarst vertegenwoordigd. In de regel bestond een RAG uit een beperkte groep rechercheurs (ongeveer 12) en was een beperkte tijd (14 dagen) beschikbaar voor het onderzoek. Als na 14 dagen niet serieus uitzicht op een verdachte bestond, werd het onderzoek vaak stilgelegd. In de Schiedammer parkmoord is van die uitgangspunten afgeweken. De korpsleiding van de regio Rotterdam-Rijnmond heeft, bij monde van de toenmalig directeur justitiële bedrijfsvoering, in een heel vroeg stadium laten weten dat de onderste steen boven moest komen en dat in dít onderzoek menskracht en tijd geen beperkende factoren zouden zijn. Dat waren geen lege woorden. Menskracht was geen probleem in RAG ‘Park’. Het team telde in het begin tegen de 30 medewerkers. Het Europees Kampioenschap Voetballen dat rond 22 juni 2000 in onder meer Rotterdam plaatsvond, heeft geen effect gehad op de totstandkoming of omvang van het team. De afbouw van het team vond, aldus het hoofd van de districtsrecherche in Schiedam in het interview, plaats op initiatief van de teamleiding12 van RAG ‘Park’. Verschillende geïnterviewde leidinggevenden hebben gezegd dat er, in tegenstelling tot andere onderzoeken waarbij een RAG was geformeerd, niet of nauwelijks druk is uitgeoefend door chefs uit andere politiedistricten om mensen die door hen ter beschikking waren gesteld aan RAG ‘Park’, te laten terugkeren naar het eigen onderdeel. De plv. l.o. heeft in het interview gezegd dat de beslissing om het team af te bouwen kort na de bekennende verklaringen van Kees B. is genomen door de l.o. en de zaaksofficier. Hij was toen zelf op vakantie. De l.o. heeft in het interview gezegd dat de bekentenis van Kees B. de reden was dat het onderzoeksteam werd gehalveerd. De l.o. heeft, in tegenstelling tot andere geïnterviewden, gezegd dat ook de druk van andere districten, die uitgeleende medewerkers terug wilden hebben, een rol speelde bij de inkrimping. Er was dus vanuit de politie-organisatie geen druk op RAG ‘Park’ om het onderzoek binnen een bepaalde tijd met een beperkte groep mensen af te ronden. Niet gebleken is dat zulke druk vanuit het Openbaar Ministerie werd gelegd op de zaaksofficier van justitie of het onderzoeksteam. Evenmin is gebleken dat de korpsleiding of de parketleiding zich actief bemoeiden met het inhoudelijke verloop van het onderzoek. 3.3 Kennis- en ervaringsniveau; huisvesting In het team zaten zowel (zeer) ervaren als minder ervaren rechercheurs. Qua leeftijd was er variatie. In het team zaten mannen en vrouwen. Ook een aantal jeugd- en zedenrechercheurs maakte deel uit van het team. Als wordt afgegaan op deelname aan eerdere RAG’s, gevolgde opleidingen en ervaring bij de recherche, was het kennis- en ervaringsniveau, gemiddeld genomen, redelijk tot goed. Overigens zijn volgens de huidige plaatsvervangend korpschef van de regio Rotterdam-Rijnmond pas in de afgelopen jaren eisen geformuleerd ten behoeve van de kwaliteit van de leden van een team grootschalige onderzoeken (voorheen RAG’s). De technische recherche maakte geen deel uit van het team. Dat was gebruikelijk in een RAG-onderzoek. Tussen het onderzoeksteam RAG ‘Park’ en de technische recherche was al snel weinig contact. Daarop en op de consequenties daarvan wordt in hoofdstuk 4 ingegaan. 12 Onder teamleiding versta ik de l.o. + de plv. l.o.

ORGANISATORISCHE ASPECTEN 19

Ten behoeve van de studioverhoren van Maikel is kortstondig een zedenrechercheur uit een ander district ingeschakeld. Hij heeft twee verhoren van Maikel afgenomen. In hoofdstuk 6 kom ik terug op deze rechercheur en deze verhoren. De teamleiding van RAG ‘Park’ heeft in een vroeg stadium van het onderzoek aan de korpsleiding gevraagd om meer analysecapaciteit. Dat verzoek is gehonoreerd: er zijn twee analisten aan het team toegevoegd. Voor zover bekend, is nadien niet nogmaals aan de korpsleiding gevraagd om meer personeel of personeel met een bepaalde bekwaamheid ter beschikking van RAG ‘Park’ te stellen. Door verschillende geïnterviewden is gezegd dat geen van de leden van het onderzoeksteam een overheersende persoonlijkheid had. Over de sfeer binnen het team zijn geen bijzondere opmerkingen gemaakt in de interviews, die zou goed geweest zijn. Het onderzoeksteam RAG ‘Park’ was gehuisvest in het toenmalige politiebureau van Schiedam. De meeste teamleden zaten in één grote werkruimte, waar normaal gesproken de Schiedammer districtsrecherche zat. De jeugd- en zedenrechercheurs die afkomstig waren uit het district Schiedam zaten in een aparte, maar wel aangrenzende kamer. De analisten en de pv-coördinator zaten ook apart. De teamleiding zat in een kamer die door middel van deels glazen wanden was afgeschermd van de grote werkruimte. De ruimte waarin de teamleiding zat, werd binnen het onderzoeksteam vanwege het vele glas ook wel ‘het aquarium’ genoemd.

3.4 Teamleiding. De teamleiding van RAG ‘Park’ was in handen van twee inspecteurs. Zij kenden elkaar niet voordat zij in RAG ‘Park’ gingen samenwerken. De ene inspecteur kwam uit het district Schiedam, de ander uit een ander district. De inspecteur uit Schiedam had wel leidinggevende ervaring, maar RAG ‘Park’ was het eerste RAG-onderzoek waarvan hij formeel leider onderzoek was. De inspecteur uit het andere district had meer leidinggevende ervaring. Hij had al eerder RAG-onderzoeken geleid. Een onderzoek met het gewicht en de omvang van RAG ‘Park’ had hij niet eerder geleid. Door veel geïnterviewden, afkomstig zowel van binnen als van buiten het onderzoeksteam, werd verschillend geantwoord op de vraag wie de leider onderzoek was. Volgens sommigen was de inspecteur uit Schiedam de l.o. Dat zou overeenkomstig de normale gang van zaken in een RAG zijn. Anderen, onder hen de zaaksofficier, de districtschef en de toenmalige directeur justitiële bedrijfsvoering van de regiopolitie Rotterdam-Rijnmond, zeiden dat de inspecteur uit het andere district de l.o. was. Weer anderen zagen weinig verschil tussen de twee inspecteurs en meenden dat zij een gelijkwaardige rol vervulden. Uit de interviews komt naar voren dat de inspecteur uit het andere district meer recherche- en leidinggevende ervaring had, dat hij in communicatief opzicht sterker was en dat hij naar de teamleden veel meer sturend was dan de inspecteur uit Schiedam. In de contacten met onder anderen de zaaksofficier, de districtschef en het hoofd van de Schiedammer districtsrecherche trad hij (in elk geval op zijn minst) feitelijk op als de l.o. Hij was informeel de leider. De l.o. heeft in het interview gezegd dat er sprake was van gedeeld leiderschap tussen hem en de inspecteur uit het andere district en dat dat goed werkte. De plv. l.o. heeft in het interview gezegd dat hij zelf niet veel waarde hechtte aan het onderscheid tussen l.o. en plv. l.o. Hij zegt dat hij de leidersrol naar zich heeft toegetrokken.

ORGANISATORISCHE ASPECTEN 20

In dit rapport hou ik de formele lijn aan en noem ik dus de inspecteur uit Schiedam de leider onderzoek en de inspecteur uit het andere district de plaatsvervangend leider onderzoek. De verhouding tussen de l.o. en de plv. l.o. was goed. De manier waarop door vooral de plv. l.o. leiding werd gegeven aan het team lijkt strak geweest te zijn. Werkopdrachten werden uitgezet door de teamleiding. Getuigen mochten in beginsel pas het bureau verlaten als de teamleiding het proces-verbaal van verhoor had gelezen, dit om te voorkomen dat de getuige vertrok terwijl belangrijke vragen niet gesteld waren. De plv. l.o. was bijna de hele maand september 2000 op vakantie. Dat was een belangrijke maand in het onderzoek in de Schiedammer parkmoord: in die maand is Kees B. aangehouden, hebben belangrijke verhoren van Kees B. plaatsgevonden en is de beslissing genomen het onderzoeksteam in te krimpen. De leiding op politieniveau van het RAG 'Park' berustte toen bij de l.o.

3.5 Parket. Binnen het Rotterdamse arrondissementsparket werden zaken uit het district Schiedam behandeld door het team Oost en Schiedam. Op de avond van 22 juni 2000 (om 20.09 uur) is het teamhoofd van dat team in kennis gesteld van wat in het Beatrixpark was gebeurd. Het teamhoofd, een officier van justitie 1e klas,13 is samen met een raio-officier uit haar team naar Schiedam gegaan. (Met raio-officier bedoel ik een rechterlijk ambtenaar in opleiding tijdens de parketstage.) Beiden zijn die avond zowel in het Beatrixpark als op het politiebureau in Schiedam geweest. Op het bureau hebben zij een bespreking bijgewoond. Het teamhoofd heeft het onderzoek niet aan zich gehouden vanwege werkdruk. Dat is waarschijnlijk besloten op 23 juni 2000. De officier van justitie die de zaak heeft overgenomen, ik zal haar hierna aanduiden als de zaaksofficier, was binnen het team Oost en Schiedam een van de meer ervaren officieren. Zij was sinds 1994 officier van justitie. Sinds eind 1999 was zij gebiedsofficier voor Schiedam. Verder was zij voor een deel van haar werktijd coördinerend jeugdofficier op het Rotterdamse parket. Een onderzoek van deze omvang en met deze impact had zij niet eerder geleid. De raio-officier zat in het begin van het tweede jaar van zijn parketstage. Hij heeft in het onderzoek naar de Schiedammer parkmoord veel gedaan, maar er bestaat geen twijfel dat de zaaksofficier de leiding had. De raio-officier liep mee met de zaaksofficier, die trouwens ook zijn opleider was. De zaaksofficier en de raio-officier hebben geen signalen afgegeven aan hun teamhoofd of aan de parketleiding dat zij te weinig tijd hadden voor het onderzoek of dat zij het onderzoek om een andere reden niet aankonden. In de interviews is niet gebleken van te grote werkdruk bij de officieren van justitie tijdens dit onderzoek.

3.6 Briefings en overleg teamleiding-officieren van justitie Elke dag was er op het politiebureau in Schiedam een briefing van het onderzoeksteam. De briefing werd geleid door de l.o. of de plv. l.o. In de briefing werd hoofdzakelijk gesproken over de gebeurtenissen van de vorige werkdag en werden de werkzaamheden van de komende dag besproken en nieuwe opdrachten 13 De aanduiding ‘1e klas’ is een bepaalde rang binnen de hiërarchische structuur van het Openbaar Ministerie. 

ORGANISATORISCHE ASPECTEN 21

uitgezet. De briefing bood niet de gelegenheid uitgebreid met elkaar van gedachten te wisselen over een of meer aspecten van het onderzoek. De zaaksofficier heeft in de eerste maanden van het onderzoek zo goed als alle briefings van het team bijgewoond. Ook de raio-officier was vaak aanwezig op de briefings. De officieren namen niet actief deel aan de briefings; zij luisterden. Door de briefings (bijna) dagelijks bij te wonen bleven zij op de hoogte van het onderzoek. Vaak was er na de briefing overleg tussen de zaaksofficier, raio-officier, l.o. en plv. l.o. In dat overleg werd gesproken over de stand en de voortgang van het onderzoek. Ook werd gesproken en beslist over de te volgen onderzoeksrichtingen. Door deelnemers aan dit overleg is in de interviews gezegd dat het niet zo was dat één van hen de baas was. De raio-officier heeft gezegd dat de plv. l.o. wel meer dan de l.o. zijn stempel op het overleg drukte. De plv. l.o. heeft gezegd dat de zaaksofficier een sturende rol had. De l.o. zei dat in het onderzoek niets gedaan werd zonder toestemming van de zaaksofficier. Er zijn geen notulen gemaakt van dit overleg. Er is niet gesproken over notulering van dit overleg of de gemaakte afspraken. Van het overleg tussen teamleiding en officieren van justitie zijn, afgezien van summiere persoonlijke aantekeningen van de officieren, geen schriftelijke stukken gemaakt, althans bewaard gebleven. Tussen teamleiding en officieren van justitie waren ook telefonische contacten. 

3.7 Verslaglegging Zoals gezegd werden geen notulen gemaakt van het overleg tussen de officieren van justitie en de teamleiding. Binnen RAG ‘Park’ werd door de politie een intern werkjournaal bijgehouden. Door alle leden van het team, inclusief de l.o. en de plv. l.o., werden gegevens ingevoerd in het journaal. Degene die in het journaal iets invoerde, vermeldde in de regel alleen zijn of haar voornaam. Als in het journaal werd verwezen naar een ander teamlid was dat ook vaak alleen met de voornaam. Voor de toenmalige teamleden was zonder meer duidelijk wie de betreffende aantekening had gemaakt of wie werd bedoeld. Jaren later is het voor een buitenstaander echter niet altijd makkelijk te achterhalen wie bedoeld wordt met een bepaalde voornaam. Ook is in het journaal van RAG ‘Park’ niet altijd duidelijk wanneer een bepaalde handeling is uitgevoerd, omdat datum en tijd waarop de onderzoekshandeling is uitgevoerd niet steeds vermeld zijn. Het journaal van RAG ‘Park’ is behoorlijk uitgebreid (bijna 600 pagina’s). In het journaal staat veel belangrijke informatie over bijvoorbeeld: welke getuige is door wie gehoord en wat heeft de getuige gezegd, de inhoud van tips die binnengekomen waren, verslag van allerlei onderzoekshandelingen. Ook wordt vaak een koppeling gelegd tussen onderzoekshandeling en werkopdracht. Het journaal geeft geen antwoord op vragen als: is er gesproken over de wijze van confronteren van getuigen met foto’s, wat waren de argumenten om Kees B. als getuige met de cautie te horen, is er na de bekentenis van Kees B. gesproken over het al dan niet inslaan of voortzetten van andere onderzoeksrichtingen, welke beslissingen zijn door wie, wanneer en waarom genomen, wat is er besproken met externen (NFI bijvoorbeeld), enz. Het journaal geeft dus wel inzicht in het wie en wat van het onderzoek en onderzoekshandelingen, maar niet in het waarom daarvan. Een journaal van de teamleiding is er niet (meer). De plv. l.o. heeft in het interview gezegd dat hij in een Word-bestand een eigen journaal had bijgehouden en dat hij dat na afloop van het onderzoek aan de l.o. heeft gegeven ter archivering. Laatstgenoemde betwist dat echter. Navraag mijnerzijds bij de regiopolitie Rotterdam-Rijnmond heeft het (bestaan van het) journaal van de plv. l.o. niet boven water gebracht. De l.o.

ORGANISATORISCHE ASPECTEN 22

heeft gezegd dat hij veel aantekeningen had gemaakt lopende het onderzoek, maar dat hij die op enig moment, niet lang voordat de interne review van Salvador in november 2004 van start ging, heeft weggegooid bij een verhuizing van de ene werkplek naar de andere.14 In het politiejournaal zijn veel handelingen van de officieren van justitie niet vastgelegd. De zaaksofficier en de raio-officier hebben vooral in de beginperiode persoonlijke aantekeningen bijgehouden van bijvoorbeeld briefings of overleggen met de l.o. en de plv. l.o. Deze aantekeningen zijn erg summier en onvolledig, maar bieden niettemin op een aantal punten enig inzicht in het waarom van bepaalde beslissingen. Volgens de RAG-richtlijnen van de politieregio Rotterdam-Rijnmond moest de l.o. na afloop van een RAGonderzoek een managementverslag van de loop van het onderzoek maken.15 In dat verslag moesten onder meer aan de orde komen de aanleiding van het onderzoek, de inzet van mensen en middelen, de gebruikte technieken en tactieken, de financiën, het resultaat en aanbevelingen. Volgens diverse geïnterviewden is zo'n eindrapportage niet gemaakt door de l.o. van RAG ‘Park’. Er is ook niet om gevraagd door leidinggevenden. Volgens de 'Taakomschrijving (Plaatsvervangend) Leider Onderzoek' moest de l.o. eenmaal per week de voortgang van het RAG-onderzoek evalueren met zijn districtsleiding. In de taakomschrijving staat niet of die wekelijkse evaluatie mondeling of schriftelijk moest gebeuren. Als er binnen RAG 'Park' al wekelijkse evaluaties zijn geweest, is daarvan in elk geval geen verslaglegging gemaakt of bewaard gebleven. 

3.8 Eindevaluatie van RAG ‘Park’ Op 8 juni 2001 is het onderzoek RAG ‘Park’ geëvalueerd. Deze evaluatie werd door de politie gehouden. De evaluatie werd geleid door het hoofd van de Schiedammer districtsrecherche. De zaaksofficier en de directeur justitiële bedrijfsvoering waren aanwezig. Het heeft moeite gekost de notulen van deze evaluatie te pakken te krijgen. Een aantal van de punten die op de evaluatie naar voren zijn gebracht zijn: de werkruimte van het onderzoeksteam, het ontbreken van een programma voor de verwerking en ordening van persoonsgegevens, (psychologische) opvang/begeleiding van medewerkers van het onderzoeksteam tijdens het onderzoek, en communicatie binnen het team en communicatie met politieambtenaren buiten het team. Ook staat in de notulen: “Advies: tijdens een rag-onderzoek twee onafhankelijke leiders-onderzoek de zaak laten beoordelen om te kijken of alles loopt zoals het moet”. Verdere toelichting op dit punt ontbreekt in het verslag van de evaluatiebijeenkomst. Het verslag van de evaluatiebijeenkomst is waarschijnlijk niet verspreid onder de voormalig teamleden van RAG ‘Park’. Mij is niet bekend of er iets is gedaan met de punten die op deze evaluatie naar voren zijn gebracht. Op het parket in Rotterdam is het onderzoek RAG ‘Park’ in 2000 of 2001 niet geëvalueerd. Dat was, zei het teamhoofd van het parketteam Oost en Schiedam in het interview, toen niet gebruikelijk. 14 Binnen de huidige TGO-structuur is per 1 januari 2004 voorzien in een afsprakenjournaal. De bedoeling is daarin alle strategische en tactische afspraken die in het kader van een onderzoek zijn gemaakt vast te leggen. Niet alleen de afspraken zelf, maar ook de motivering en de plaats, datum en tijd van de afspraak en degenen die de afspraak maken worden opgenomen in het afsprakenjournaal. Het afsprakenjournaal is iets wat teamleiding en zaaksofficier samen maken.

15 Punt 7 van de ‘Regionale Regeling Recherche Assistentie Groepen’.

ORGANISATORISCHE ASPECTEN 23

3.9 Belangstelling van buiten het team; externe druk. De korpsleiding en de parketleiding hadden interesse in de voortgang van het onderzoek. Zij onderkenden dat de Schiedammer parkmoord een zaak was waarvan zij op de hoogte behoorden te zijn. De korpsleiding (in de persoon van de directeur justitiële bedrijfsvoering) werd daarover op een aantal manieren geïnformeerd: door de districtschef van de politie in Schiedam, door het hoofd van de Schiedammer districtsrecherche en rechtstreeks door de l.o. en plv. l.o. van RAG ‘Park’. De directeur justitiële bedrijfsvoering heeft in het begin van het onderzoek een aantal briefings van het onderzoeksteam bijgewoond. Ook is hij een keer aanwezig geweest bij een bespreking van teamleiding en officieren van justitie. De districtschef en het hoofd van de districtsrecherche bleven op de hoogte van het onderzoek door briefings bij te wonen en door rechtstreekse contacten met de teamleiding. De lijnen tussen districtschef/hoofd districtsrecherche en onderzoeksteam waren kort, want het onderzoeksteam was ondergebracht in het toenmalige politiebureau van Schiedam. De districtschef volgde het onderzoek in het begin op de voet. Na enige tijd is hij van de voorgrond verdwenen. Gezondheidsproblemen droegen daaraan bij. Het hoofd van de Schiedammer districtsrecherche, die het onderzoek van nabij volgde, was een groot deel van de maand september 2000 op vakantie. De parketleiding (in de persoon van de plaatsvervangend hoofdofficier van justitie, die tevens rechercheofficier was) werd rechtstreeks over de zaak geïnformeerd door de zaaksofficier en door haar teamhoofd. Het teamhoofd werd, heeft zij in het interview gezegd, in grote lijnen op de hoogte gehouden van het onderzoek door de zaaksofficier. In het periodieke controlgesprek tussen de Rotterdamse hoofdofficier van justitie en het teamhoofd is het onderzoek mogelijk een gespreksonderwerp geweest. Voor zover bekend is door de parketleiding niet gelijktijdig met zaaksofficier én teamhoofd over het onderzoek gesproken. Verslaglegging van zulke besprekingen is er niet (meer). Binnen het onderzoeksteam en bij de officieren van justitie bestond het gevoel dat het erg belangrijk was dat deze zaak werd opgelost. De l.o. heeft in het interview gezegd dat er veel druk werd uitgeoefend op het team en de teamleiding. De druk kwam van de kant van de burgemeester van Schiedam, de korpsleiding en de pers. De plv. l.o. heeft in het interview gezegd dat er een enorme druk was op het onderzoek. Die druk werd veroorzaakt door de grote angst die heerste in Schiedam, de ernst van de zaak, de leeftijd van de slachtoffers en de constante aanwezigheid van de pers. Sommigen van de overige teamleden hebben wel gemerkt dat er veel druk lag op het team, anderen niet, bleek uit de interviews. De Schiedammer districtschef zei in het interview dat er een enorme druk was om de zaak op te lossen, maar dat het geen verkeerde druk was. De teamleiding en de officieren van justitie zeggen dat druk van leidinggevenden en maatschappelijke druk (waaronder de media) hun werk niet beïnvloed heeft.

3.10 Deskundigen

Binnen het onderzoek RAG 'Park' zijn veel deskundigen ingeschakeld. Een deel van de deskundigen die werden ingeschakeld had eerder gewerkt voor de regiopolitie Rotterdam-Rijnmond. Sommige andere deskundigen werden bij het onderzoek gehaald omdat een bij het onderzoek betrokkene over die deskundige had gehoord. In 2000 was er geen landelijke deskundigenbank waarin men kon kijken wie op een bepaald gebied deskundig was. Sinds 1 februari 2005 zijn drie landelijke deskundigenmakelaars werkzaam bij de politieacademie. Via hen kan een beroep worden

ORGANISATORISCHE ASPECTEN 24

Er kan een onderscheid worden gemaakt tussen externe deskundigen op forensisch-technisch gebied, deskundigen binnen de politie-organisatie, en deskundigen op gedragskundig gebied. In de eerste groep vallen de deskundigen van het NFI. Hun rol komt in het volgende hoofdstuk aan de orde. In de tweede groep vallen onder anderen de misdaadprofilers en de medewerkers van ViCLAS (Violent Crimes Analysis System) die in 2000 bij de CRI (thans dNRI) ondergebracht waren. Deze deskundigen hebben zichzelf gemeld bij het onderzoeksteam om hun diensten aan te bieden. Het contact tussen het onderzoeksteam en deze deskundigen is niet soepel verlopen. In hoofdstuk 5, dat over het tactische opsporingsonderzoek gaat, kom ik hierop terug. De derde groep deskundigen bestaat uit gedragswetenschappers. Bij Maikel zijn vier gedragswetenschappers om advies, rapportage of begeleiding gevraagd. In het hoofdstuk over Maikel (Hoofdstuk 6) zal ik nader ingaan op de werkzaamheden van deze deskundigen. Bij een aantal verhoren van Kees B. is gebruik gemaakt van de diensten van een psycholoog die vaker voor de regiopolitie Rotterdam-Rijnmond werkte. In Hoofdstuk 7, dat over de verhoren van Kees B. gaat, kom ik op hem terug.

3.11 Beoordeling

Degenen die van de kant van politie en justitie leiding gaven aan het opsporingsonderzoek van RAG ‘Park’

hadden geen van allen eerder een zaak van deze omvang, dit gewicht en deze impact geleid. De man die

formeel l.o. was, had niet eerder een RAG geleid. Zolang de plv. l.o. aanwezig was, was die in feite degene

die de leiding had. Net de periode dat de plv. l.o. op vakantie was, september 2000, was voor het opsporingsonderzoek

een cruciale maand. In die maand werd het onderzoek toegespitst op Kees B.. Er is toen

niet door de districts- of korpsleiding gezorgd voor ondersteuning van de l.o. Daar heeft hij overigens ook

niet om gevraagd. Ik vind dat de districts- en/of korpsleiding op de hoogte hadden behoren te zijn van het

feit dat de l.o. niet eerder een RAG had geleid en dat zij extra aandacht aan de dag had moeten leggen in

de periode dat de ervaren man in de teamleiding afwezig was.

Ik vind het opmerkelijk dat sommige geïnterviewden de inspecteur uit Schiedam als de l.o. zagen, terwijl

anderen de inspecteur uit het andere district de l.o. noemden. Beide groepen stonden dicht bij het onderzoek.

De l.o. en de plv. l.o. kenden elkaar voor 22 juni 2000 niet. De zaaksofficier, die in juni 2000 nog niet zo

heel lang de gebiedsofficier van Schiedam was, kende de l.o. nauwelijks en de plv. l.o. niet en had niet

eerder een groot onderzoek met laatstgenoemde gedaan. Het komt mij voor dat de onbekendheid tussen

de l.o. en de plv. l.o. en tussen de zaaksofficier en de l.o. en de plv. l.o. een handicap was. Men wist niet

wat men van elkaar kon verwachten. Dat heeft mogelijk de werkwijzen beïnvloed.

De teamleiding was erg inhoudsgericht bij het leidinggeven aan het team. De l.o. en plv. l.o. deden eigenlijk

hetzelfde werk; zij vulden elkaar niet aan.

Het heeft niet ontbroken aan aandacht en belangstelling van de kant van de korpsleiding en de parketleiding

voor de gang van zaken in het opsporingsonderzoek. Maar die aandacht en belangstelling uitten zich

niet in het stellen van kritische vragen of in het verzoek een presentatie te houden van de zaak. Evenmin

werd gevraagd om of aangedrongen op tussentijdse (schriftelijke) rapportages van de teamleiding of de

gedaan op (nationale en internationale) deskundigen op allerlei gebied. De bedoeling is dat de deskundigheid van de deskundige

wordt getoetst en dat ervaringen met deskundigen worden geregistreerd in de deskundigenbank.

ORGANISATORISCHE ASPECTEN 25

zaaksofficier. Er werd genoegen genomen met antwoorden en voorlichting die, kan achteraf worden geconcludeerd,

niet de zwakke punten en valkuilen in het bewijs duidelijk maakten. De RAG-richtlijn voorzag

weliswaar in tussentijdse evaluaties, maar dat deel van de richtlijn werd niet nageleefd door de teamleiding

en op nakoming werd niet aangedrongen door hen die boven de teamleiding stonden in de politieorganisatie.

In een politiejournaal dienen, ten behoeve van intern gebruik, alle onderzoeksactiviteiten en –resultaten te

worden vastgelegd. Voor zover van onderzoeksactiviteiten geen proces-verbaal wordt opgemaakt, moet de

verslaglegging in het journaal dusdanig zijn dat het journaal later gebruikt kan worden voor het maken van

een aanvullend proces-verbaal. Het werkjournaal zou in chronologische volgorde alle opsporingshandelingen

binnen een onderzoek moeten weergeven.17 De verslaglegging binnen RAG ‘Park’ had, waar het het

weergeven van de handelingen en de identificatie van de verslagleggende teamleden betreft, uitgebreider

en beter gekund. Het ontbreken van beslissingen en het expliciteren daarvan ervaar ik als een omissie. De

niet optimale verslaglegging bemoeilijkte de reconstructie van het onderzoek. Niet optimale verslaglegging

hindert ook de 'organisatie van tegenspraak' in de loop van een onderzoek. Bij het onderzoek betrokkenen,

zowel intern als extern, kunnen dan moeilijk een totaaloverzicht krijgen. Zicht op onvolkomenheden in de

informatie of het stellen van kritische vragen kan dan uitblijven. Een goede verslaglegging maakt het teamleden,

maar ook externen als districtsleiding, korpsleiding of parketleiding mogelijk de rol van horzel te vervullen.

3.12 Tegenspraak/kritische blik

In veel onderzoeken is van meet af aan duidelijk wie de dader is of komt dat snel ondubbelzinnig vast te

staan. In zulke zaken zal geen of weinig behoefte bestaan aan een horzel, advocaat van de duivel, review,

second opinion of intercollegiale toetsing.

In sommige onderzoeken is dat anders. Bij de Schiedammer parkmoord moet eind 2000/begin 2001 voor

de officieren van justitie en de leiding van het politieteam duidelijk geweest zijn dat dit geen ‘open and shut

case’ was en dat er serieuze twijfel mogelijk was over de schuld van Kees B. en de kracht van het bewijs

tegen hem. Het heeft echter, nadat Kees B. bekend had, binnen en buiten het team ontbroken aan personen

die de dan ingeslagen onderzoeksrichting ter discussie hebben gesteld. De te stellen vraag is dan welke

factoren het niet vóórkomen van een dergelijk tegengeluid in de hand hebben gewerkt.

Tijdsdruk en capaciteitsproblemen hebben vermoedelijk geen rol gespeeld. Eerder is aangegeven dat zowel

korps- als parketleiding een hoge prioriteit aan het onderzoek toekenden. Zo gingen de voor RAGteams

gebruikelijke regels ten aanzien van menskracht en tijd (bijvoorbeeld een looptijd van circa twee

weken) niet op. Er is niet of nauwelijks druk uitgeoefend om mensen die ter beschikking waren gesteld van

RAG 'Park' te laten terugkeren naar hun onderdeel.

Maatschappelijke druk (waaronder de media) om de zaak op te lossen was wel voelbaar maar heeft, naar

zeggen van teamleiding en officieren van justitie in de interviews, geen invloed gehad op de werkzaamheden.

Een te sterke verbondenheid met het onderzoek kan de optie van een andere onderzoeksrichting of het

kritisch bezien van de ingeslagen onderzoeksrichting hebben geblokkeerd. In dat geval hebben een of meer

personen te dicht op het onderzoek gezeten en waren zij zo overtuigd van de schuld van Kees B. en de

17 Vgl. T. Egberink en A. van Amelsvoort, ‘Algemene aspecten van vastlegging’, op het Politiekennisnet.

ORGANISATORISCHE ASPECTEN 26

kracht van het bewijs tegen hem, dat moeilijk gesproken kon worden van een afstandelijke en kritische

houding. Niet uitgesloten is dat dit tijdens het onderzoek is gebeurd en dat andere leden van het onderzoeksteam

daarin zijn meegesleept.

Het onderzoek is na de bekentenissen van Kees B. niet breed gehouden. Integendeel, na de bekentenissen

van Kees B. in het weekend van 9 en 10 september 2000 werd het onderzoeksteam ingekrompen en werd

praktisch alleen nog maar onderzoek gedaan naar Kees B.. Niemand heeft voorgesteld of opdracht gegeven

om een koppel rechercheurs of de analisten te belasten met de taak de hypothese dat Kees B. de dader

was te ontkrachten of om een overzicht van zwakke punten te maken. Daarvoor was ook na de bekentenis

van Kees B. tijd en menskracht beschikbaar. Zo hebben de twee, later aan het onderzoek toegevoegde,

analisten geen overzicht hoeven te maken van de verschillen in de verklaringen van Maikel en Kees B..

Ook hebben zij geen overzicht hoeven te maken van vraagpunten over de rol van Kees B. en zijn bekentenissen.

Er is geen opdracht gegeven overige onderzoeksrichtingen goed in kaart te brengen.

Organisatie van tegenspraak binnen het team. Veel leden van RAG ‘Park’ die geïnterviewd zijn, zeggen dat

binnen het team ruimte was een afwijkende mening te verkondigen. In interviews hebben een aantal leden

van RAG ‘Park’ gezegd dat zij altijd wel twijfels hadden over de schuld van Kees B. en over bijvoorbeeld de

tijdlijn die was gemaakt. In de stukken en uit de interviews die zijn afgenomen blijkt erg weinig van afwijkende

meningen of discussies in het team. Bij het gebrek aan kritiek speelt misschien mee dat de meeste

teamleden geen totaaloverzicht van de zaak hadden. Achteraf is niet te zien dat er presentaties zijn gegeven

aan het gehele team over bijvoorbeeld het beschikbare bewijs, de verklaringen van Maikel of het technisch

onderzoek.

Een review is nagelaten. Een review is een methodiek om een lopend opsporingsonderzoek periodiek,

objectief en systematisch te toetsen, teneinde de kwaliteit ervan te vergroten. In het onderzoek RAG 'Park'

is de mogelijkheid van een review ter sprake gekomen. De plv. l.o. heeft in het interview gezegd dat hij een

maand na het begin van het onderzoek aan zijn eigen districtschef heeft gevraagd om een review van het

onderzoek. Volgens de l.o. was het idee om drie maanden na de aanvang van het onderzoek een review te

houden. Toen Kees B. als verdachte in beeld kwam is besloten om te wachten met zo'n review; door de

aanhouding van Kees B. vond men een review niet meer nodig.

Geen kritische vragen vanuit de hiërarchische lijn. In het voorgaande is aangegeven dat in beide kolommen

(de politie en het OM) regelmatig sprake was van contact van de teamleiding c.q. de zaaksofficier met de

leiding van die organisaties. Dat contact had vooral betrekking op het verloop van het onderzoek. In deze

contacten werd niet diep ingegaan op de zaak door korps- dan wel parketleiding. Niet duidelijk is of in die

contacten beslispunten werden geëxpliciteerd. De indruk bestaat dat degenen die in de hiërarchische lijn

boven de teamleiding c.q. zaaksofficier stonden, na de bekentenissen van Kees B. afgingen op berichtgeving

van teamleiding en zaaksofficier en niet kritisch doorvroegen. Van de mogelijkheden die er bestonden

om na afloop van het onderzoek dieper op de zaak in te gaan is klaarblijkelijk geen gebruik gemaakt. Zo is

er geen eindrapportage ten behoeve van het management gemaakt van het RAG 'Park' en is vermoedelijk

evenmin iets gedaan met de punten uit de eindevaluatie.

Niet optimale informatiedeling. Op onvolkomenheden of kwetsbaarheden in informatie of op het ontbreken

van informatie kan in de meeste gevallen pas zicht worden verkregen wanneer men op een gegeven moment

- achteraf - zicht heeft op alle beschikbare informatie. Niet alle bij het onderzoek betrokkenen (in het

team alsook daarbuiten bij politie en justitie) hadden dat zicht. Een additioneel punt (in dit onderzoek) is dat

het journaal wel inzicht gaf in het wie en wat van de onderzoekshandelingen maar niet in het waarom van

beslissingen. Dat kan het voor hen lastig gemaakt hebben beslissingen ten aanzien van volgende in het

onderzoek te nemen stappen te beoordelen.

ORGANISATORISCHE ASPECTEN 27

Pas bij de behandeling in hoger beroep is het de advocaat-generaal geweest die als eerste aantoonbaar

blijk heeft gegeven van een kritische kijk op de zaak. Zij heeft een uitgebreid overzicht gemaakt van ‘vragen

en ongerijmdheden in de zaak Kees B.’. In dat overzicht somt zij vele punten op die haars inziens vreemd

zijn.

3.13 Conclusies

Degenen die van de kant van politie en justitie leiding gaven aan het opsporingsonderzoek van RAG ‘Park’

hadden geen van allen eerder een zaak van deze omvang, dit gewicht en deze impact geleid. Dit, in combinatie

met het feit dat betrokkenen niet eerder intensief met elkaar hadden samengewerkt, heeft het verloop

van het onderzoek mogelijk negatief beïnvloed.

De functie van de zaaksofficier als kritisch betrokkene bij het opsporingsonderzoek, kwam niet tot ontplooiing

doordat zij erg dicht op het onderzoek en de teamleiding zat. De l.o. en de plv. l.o. boden daarvoor geen

compensatie, mogelijk door een gebrek aan leidinggevende kennis en ervaring voor een onderzoek als het

onderhavige. Dat heeft in de weg gestaan aan bijsturing. Dit speelde zeker een rol in de periode na de bekentenissen

van Kees B..

Het ontbreken van interne en externe tegenspraak en kritische geluiden en het ontbreken van kritische

aandacht voor de zaak bij de korps- en parketleiding hebben in de weg gestaan aan bijsturing van de lijn

die na de bekentenissen van Kees B. was ingezet door de teamleiding en de zaaksofficier. Die lijn, die inhield

dat na 10 september 2000 eigenlijk alleen onderzoek werd gedaan naar de hypothese dat Kees B. de

dader van de feiten in het Beatrixpark was, heeft in de gehele verdere procedure doorgewerkt in het nadeel

van Kees B..

Het ontbreken van beslissingen en het expliciteren van de motivering daarvan wordt als een omissie ervaren.

Niet optimale verslaglegging hindert ook de 'organisatie van tegenspraak' in de loop van een onderzoek.

Degenen die bij het onderzoek betrokken zijn, zowel intern als extern, kunnen dan moeilijk een totaaloverzicht

krijgen. Zicht op onvolkomenheden in de informatie of het stellen van kritische vragen kunnen

dan uitblijven. Een goede verslaglegging maakt het teamleden, maar ook externen als districtsleiding,

korpsleiding of parketleiding mogelijk de rol van horzel te vervullen. De niet optimale verslaglegging bemoeilijkte

overigens ook de reconstructie van het onderzoek.

3.14 Aanbevelingen

Op 1 januari 2004 is het ‘Raamwerk Team Grootschalige Opsporing (TGO)’ in werking getreden. Dat

raamwerk is een landelijk model dat onder verantwoordelijkheid van de Raad van Hoofdcommissarissen

door het programmabureau Abrio is opgesteld. De regiokorpsen moeten het raamwerk uitvoeren en nader

invullen met regionale TGO-regelingen. Doel van het Raamwerk TGO en de regionale uitvoeringsregelingen

is verhoging van de kwaliteit van de opsporing bij kapitale delicten. De kwaliteitsverbetering komt onder

meer tot uiting in de aanwijzing van een vaste kern leidinggevenden, de aanwijzing van een vaste kern van

ervaren medewerkers, competentieprofielen voor de verschillende functies binnen een TGO, aanscherping

van de rol van de teamleider TGO, uniformering ten aanzien van de te gebruiken processen-verbaal, draaiboeken,

checklists e.d., implementatie van het PD-management (zie Hoofdstuk 4), tussentijdse en eindrapportages

en collegiale toetsing. Het laatste onderwerp is nader uitgewerkt in het document met de titel

““Thema of voortgang review” bij een team grootschalige opsporing”. Verlenging van onderzoeken vindt

thans in Rotterdam plaats in een Stuurploeg Zware Criminaliteit, waarin het OM is vertegenwoordigd door

ORGANISATORISCHE ASPECTEN 28

de rechercheofficier. Dan is telkenmale sprake van een kritische beoordeling van de voortgang; een permanente

reflectie is daarmee verzekerd.

Het Raamwerk TGO en de regionale TGO-regelingen voorzien in potentie in oplossingen van een aantal

problemen die bij RAG ‘Park’ te zien waren: het gebrek aan leidinggevende ervaring bij de teamleiding, de

teveel inhoudsgerichte sturing door de teamleiding, het ontbreken van kritische aandacht van de kant van

de korpsleiding, de gebrekkige verslaglegging, het ontbreken van tussentijdse voortgangsrapportages. Het

verdient daarom aanbeveling dat de TGO-structuur in de praktijk wordt gevolgd.

Leiding geven aan een grootschalig onderzoek vraagt speciale capaciteiten, vaardigheden en kennis. In het

Raamwerk TGO wordt dat onderkend. In de ontwikkeling van de capaciteiten, vaardigheden en kennis van

degenen die leiding geven aan grote onderzoeken moet geïnvesteerd worden.

Betrek bij onderzoeken in ernstige zaken waarbij de schuldvraag niet ondubbelzinnig duidelijk is, van buiten

komende referenten. Onder referenten versta ik niet bij het onderzoek betrokken (recherche)deskundigen,

die de beschikbare informatie krijgen, tegen het licht houden en op grond van hun ervaring en deskundigheid

vragen kunnen stellen c.q. nog niet in het onderzoek aangevoerde argumenten te berde kunnen brengen.

Als (in beginsel) onafhankelijke deskundigen als referent zijn ingeschakeld, kunnen zij echter niet meer

worden gepresenteerd als onafhankelijk deskundige ter terechtzitting.

Benoem de onderzoeksrichtingen die niet worden uitgerechercheerd en administreer en archiveer die op

een manier dat er later op kan worden teruggegrepen.

In een opsporingsonderzoek kan een onderscheid worden gemaakt tussen de identificatiefase (fase waarin

gezocht wordt naar de dader) en de bewijsfase (fase waarin een zitting bij de rechter wordt voorbereid).

Juist in de tweede fase is de organisatie van tegenspraak van belang. Het verdient aanbeveling dat binnen

het Openbaar Ministerie in bepaalde categorieën zaken, bijvoorbeeld zaken waarin de politie volgens de

TGO-structuur heeft gewerkt, lopende het onderzoek informatievoorziening aan leidinggevenden binnen het

parket wordt gestandaardiseerd, alsmede dat een geïnstitutionaliseerde vorm van tegenspraak wordt ontwikkeld

en dat na afloop evaluatie plaatsvindt.

In de politie-interne verslaglegging van grootschalige onderzoeken moet duidelijk zijn welke politiefunctionaris

wat heeft geregistreerd. In de verslaglegging dienen in ieder geval beslissingen te worden vermeld en

toegelicht.

Ontwikkel een instructie voor het Openbaar Ministerie voor de verschillende vormen van interne verslaglegging

in bepaalde categorieën zaken en zie toe op naleving. Deze instructie zou ingepast kunnen worden in

de ‘Handleiding behandeling gevoelige zaken’.18 Tenminste zouden er interne voortgangsrapportages moeten

zijn waarin door de zaaksofficier, al dan niet samen met de teamleiding, verantwoording wordt afgelegd

over het onderzoek.

Laat (voor zover het uitgangspunt van need to know dat toelaat) in teams met regelmaat presentaties

plaatsvinden van de beschikbare informatie.

18 Vastgesteld door het College van procureurs-generaal op 10 april 2001 en in werking getreden op 15 juni 2001.

HET TECHNISCHE ONDERZOEK 29

4 HET TECHNISCHE ONDERZOEK

4.1 Inleiding

De strafbare feiten die onderzocht zijn door RAG 'Park' zijn gepleegd op 22 juni 2000. Het onderzoek in de

zaak Kees B. heeft gelopen tot begin 2002. Sinds 22 juni 2000 en sinds begin 2002 is er op het gebied van

forensisch-technisch onderzoek veel veranderd. Het DNA-onderzoek bijvoorbeeld heeft sinds begin 2002

nieuwe ontwikkelingen gekend.19 Verder is de komst van medewerkers van het Nederlands Forensisch

Instituut (NFI) naar een plaats delict (PD) binnen de forensisch-technische opsporingsketen geen zeldzaamheid.

Ook in de werkwijzen van de technische recherche (TR) is sinds juni 2000 veel veranderd. Het

werk van de TR is op een aantal punten professioneler geworden, bijvoorbeeld door de invoering van het

PD-management en door kwaliteitskringen van technisch rechercheurs.

Er was geen technisch bewijs tegen Kees B.. Toch is het van belang in te gaan op de technische aspecten

van het onderzoek in de Schiedammer parkmoord. In de eerste plaats omdat technisch bewijs in strafzaken

steeds belangrijker wordt. In de Schiedammer parkmoord zijn een aantal punten in het technisch onderzoek

aan te wijzen die ook nu nog (kunnen) spelen en die vatbaar zijn voor verbetering. In de tweede plaats

omdat er in de contacten met het NFI een paar bijzondere aspecten zitten. In de derde plaats omdat het

wellicht bevreemding wekt dat het ontbreken van technisch bewijs in deze zaak niet in het voordeel van

Kees B. heeft gewerkt.

Hierna geef ik een beschrijving van de feitelijkheden en een beoordeling van achtereenvolgens de technische

recherche, het NFI en het OM.

4.2 Technische recherche

4.2.1 De vier plaatsen delict

In het onderzoek RAG 'Park' zijn vier plaatsen delict (PD’s) benoemd. Als bijlage bij het rapport zijn twee

kaarten van het Beatrixpark gevoegd. Op de kaarten zijn de vier PD's aangegeven.

- PD A was het deel van het Beatrixpark waar de strafbare feiten jegens Nienke en Maikel waren

gepleegd en het gebied daaromheen.

- PD B was de plek waar de fietsen van Nienke en Maikel stonden en het gebied daaromheen.

- PD C was het deel van het park waar door een aantal getuigen een (enge) man met een fiets was

gezien en het gebied daaromheen.

- PD D was het deel van het park waar door tenminste één getuige een vreemde man was gezien

(ander signalement dan van de man op PD C) en het gebied daaromheen.

Op de avond van 22 juni 2000 waren PD's A, B en D bekend. PD C is enkele dagen later in beeld gekomen,

nadat door een aantal getuigen verklaringen waren afgelegd over een (enge) man die daar op 22 juni 2000

aan het eind van de middag op een bankje had gezeten. De aanduidingen A t/m D zijn daarom vermoedelijk

pas na 27 juni 2000 toegekend. Overigens is het in de processen-verbaal van de TR moeilijk om vast te

stellen hoe PD’s C en D in beeld zijn gekomen.

19 Deze ontwikkelingen op DNA-gebied vormen mede de verklaring dat in het onderzoek tegen Wik H. in 2004/2005 meer DNAbewijs

is gevonden dan in het onderzoek in de zaak Kees B. in de jaren 2000-2002. Er waren in 2004/2005 betere technieken

om DNA-materiaal te isoleren, het Y-STR DNA-onderzoek is nu veel gevoeliger dan toen en bij de LCN-methode is vooruitgang

geboekt.

HET TECHNISCHE ONDERZOEK 30

Een aantal bruggen in het park zijn binnen RAG 'Park' ook aangeduid met de letters A t/m D. De aanduiding

van zowel de plaatsten delict als de bruggen met dezelfde letters werkt verwarrend, temeer daar de meeste

bruggen en PD's die dezelfde letter hebben niet naast elkaar liggen.

4.2.2 Inzet technische recherche

Op 22 juni 2000, om 18.07/18.08 uur, wordt via 112 en de meldkamer van de regiopolitie Rotterdam-

Rijnmond melding gemaakt van een ernstig misdrijf in het Beatrixpark in Schiedam. Om 18.17 uur stelt de

meldkamer technisch rechercheur 1, die regionaal piket heeft, in kennis. Technisch rechercheur 1 is vervolgens

naar het Beatrixpark gegaan. Op grond van de beschikbare gegevens kan niet met zekerheid vastgesteld

worden hoe laat hij bij de PD aankwam. Hij zelf zegt dat hij rond 19.15-19.20 uur ter plaatse was. Het

tijdstip 19.20 uur is vermeld in een proces-verbaal van technisch onderzoek dat mede door hem is opgemaakt.

In een ander proces-verbaal dat mede door technisch rechercheur 1 is opgemaakt, staat dat er al

om 18.20 uur onderzoek is verricht door de TR. Dat tijdstip kan niet juist zijn. Het interne politiejournaal

vermeldt dat technisch rechercheur 1 om 20.15 uur ter plaatse was en dat technisch rechercheur 2 toen

onderweg was. De tijdsvermelding (die redelijk nauwkeurig lijkt te zijn) op een videoband die op 22 juni

2000 's avonds gemaakt is, laat zien dat de TR in elk geval rond 20.00 uur ter plaatse was.

Het tijdstip 19.20 uur lijkt het meest aannemelijk als tijdstip van aankomst. In dat geval heeft het na de

waarschuwing dus ongeveer één uur geduurd voor technisch rechercheur 1 ter plaatse was.

Op de avond van 22 juni 2000 zijn in totaal drie technisch rechercheurs actief geweest in het Beatrixpark.

Technisch rechercheur 1, degene die als eerste aanwezig was, had een volledige opleiding voor technisch

rechercheur gehad en had ruime ervaring met technische onderzoeken, ook bij ernstige delicten. Technisch

rechercheur 2 werkte in juni 2000 anderhalf jaar in die functie en had alleen de basiscursus voor het verrichten

van eenvoudige technische onderzoeken gevolgd (TRM 1). Deze zaak was zijn eerste grote onderzoek.

Technisch rechercheur 3 was volledig opgeleid en had ervaring met technisch onderzoek bij ernstige

delicten.

Technisch rechercheur 2 is op verzoek van technisch rechercheur 1 naar het Beatrixpark gekomen. Technisch

rechercheur 3 is op verzoek van technisch rechercheurs 1 en 2 ter plaatse gekomen.

Technisch rechercheurs 1 en 2 hebben op de avond van 22 juni 2000 samen het onderzoek op PD A gedaan,

zowel het onderzoek op de enge PD A als op de ruime PD A. Met de enge PD A wordt bedoeld de

plek waar het stoffelijk overschot van Nienke was gevonden en de paar vierkante meter daaromheen. Met

de ruime PD A wordt bedoeld het gebied daaromheen en dat begrensd was zoals aangegeven op de kaart

die als bijlage bij het rapport is gevoegd.

Technisch rechercheur 3 heeft op de avond van 22 juni 2000 het technisch onderzoek op PD B en PD D

uitgevoerd.

In juni 2000 was de technische recherche in de regio Rotterdam-Rijnmond nog decentraal georganiseerd.

Alle - twaalf - districten in de politieregio Rotterdam-Rijnmond hadden een eigen technische recherche. De

ontwikkeling naar een regionaal georganiseerde technische recherche was in juni 2000 wel al in gang gezet,

maar nog niet afgerond. Als leidinggevende van de districtelijke technische recherche trad vaak het

hoofd van de districtelijke Operationele Ondersteunende Eenheid (OOE) op. De OOE was een eenheid

waar een veelheid van diensten onder viel. Het hoofd van de OOE had niet altijd kennis van zaken van het

werk van de TR op inhoudsniveau.

HET TECHNISCHE ONDERZOEK 31

Technisch rechercheurs in de politieregio Rotterdam-Rijnmond werkten ten tijde van de feiten in het Beatrixpark

primair voor het eigen district. Wel draaiden zij volgens een rooster technisch recherchepiket voor

de gehele regio.

De drie technisch rechercheurs die in deze zaak op 22 juni 2000 werkzaamheden hebben verricht, kwamen

uit drie verschillende districten. Zij kenden elkaar niet of nauwelijks. Zij waren niet op de hoogte van elkaars

opleidingsniveau, werkervaring en werkwijzen. Men was niet op elkaar ingespeeld.

Ten tijde van het onderzoek op de avond van 22 juni 2000 was geen PD-coördinator of kaderlid van de

technische recherche aanwezig in het Beatrixpark. Op die avond zijn wel twee officieren van justitie (onder

hen niet de latere zaaksofficier) en diverse leden van de tactische recherche in het park geweest (onder

hen de Schiedammer districtschef, het hoofd van de Schiedammer districtsrecherche en de latere leider

onderzoek). Zij kenden de technisch rechercheurs niet of nauwelijks en zij gingen er allen stilzwijgend van

uit dat de technisch rechercheurs vakbekwaam waren en wisten wat zij deden en moesten doen. Kritische

vragen als: is het mogelijk microsporen af te nemen op de PD, moet het NFI worden gewaarschuwd, wordt

de PD niet te snel vrijgegeven, zijn voor zover mij bekend niet door hen gesteld aan de technisch rechercheurs.

4.2.3 Videoteam

Niet lang na de melding van een ernstig delict in het Beatrixpark is een videoteam van de politie dat toevallig

in dienst was en dat zich bezig hield met het maken van opnames voor de politie in het kader van het

voetbalkampioenschap EK 2000 en geen ervaring had met het maken van opnames op een PD, op eigen

initiatief naar het park gegaan. Dat team heeft op de avond van 22 juni 2000 video-opnames gemaakt in het

park. Het videoteam was vóór de TR in het park en heeft ook toen opnames gemaakt. Na de komst van de

TR heeft het videoteam op aanwijzing van de TR opnames gemaakt van de enge PD A. Later zijn van die

video-opnames 25 stills gemaakt van het lichaam van Nienke. Het videoteam was niet opgeleid voor het

maken van opnames ten behoeve van technisch onderzoek.

De kwaliteit van de video-opnames laat te wensen over: de opnames geven geen duidelijk beeld van het

park, de loop van paden is niet helder, de enge PD A is van afstand opgenomen en er is niet ingezoomd op

technisch relevante zaken zoals bijvoorbeeld het sporenbeeld op en bij het lichaam van Nienke.

4.2.4 Onderzoek op PD A

Voordat technisch rechercheur 1 in het Beatrixpark was aangekomen, was geruime tijd verstreken. De eerste

maatregelen op en rond PD A zijn getroffen door de uniformdienst, die als eerste in het park was. Voor

zover over het optreden van de uniformdienst gegevens beschikbaar zijn, lijkt men juist te hebben gehandeld.

Mogelijk had PD A ruimer kunnen worden afgezet.

Het precieze tijdstip waarop het technisch onderzoek op PD A is begonnen, is niet met zekerheid vast te

stellen. Afgaande op de tijdstippen die zichtbaar zijn op de videoband, is het onderzoek van technisch rechercheurs

1 en 2 op de enge PD A waarschijnlijk begonnen rond 20.15 uur. Waarschijnlijk had technisch

rechercheur 1 voor die tijd al een aantal handelingen (zoals het maken van foto's) op de ruime PD A verricht.

Rond 21.20 uur is het lichaam van Nienke in de lijkenzak gelegd en is het lichaam weggehaald van de

enge PD A. Het onderzoek aan het lichaam van Nienke heeft dus ruim één uur in beslag genomen.

Nadat het lichaam van Nienke was weggehaald, is het onderzoek op de enge PD A voortgezet tot uiterlijk

22.45 uur. Tussen 22 juni 2000, 22.45 uur en 23 juni 2000, 00.36 uur heeft een sectie Mobiele Eenheid

(ME) een zoeking verricht op de ruime PD A. In linie is de sectie ME de ruime PD A doorgelopen.

HET TECHNISCHE ONDERZOEK 32

Technisch rechercheurs 1 en 2 waren daarbij aanwezig. Als een lid van de ME iets zag liggen, hield de

gehele linie halt. Vervolgens werd aan technisch rechercheur 1 of 2 aangewezen wat men had gezien. De

technisch rechercheurs beoordeelden het gevonden voorwerp. Vervolgens werd op aangeven van technisch

rechercheurs 1 of 2 aan de ME het signaal gegeven om verder te gaan met zoeken.

Over het onderzoek op de enge en ruime PD A kan ten aanzien van de volgende punten iets worden gezegd:

a. het niet veiligstellen van sporen van het lichaam van Nienke;

b. het veiligstellen en onderzoeken van andere sporen;

c. het gebruik van cijferbordjes;

d. het ontbreken van een beschrijving van het sporenbeeld op en bij het lichaam van Nienke;

e. het fotomateriaal dat is gemaakt;

f. de zoeking door de mobiele eenheid;

g. het niet inzetten van een hond.

ad a. het niet veiligstellen van sporen van het lichaam van Nienke

Op de enge PD A zijn geen microsporen veiliggesteld van het lichaam van Nienke. De bemonstering van

het lichaam zou op basis van een bewuste afweging van dat moment plaatsvinden door het NFI in het laboratorium.

Niet is overwogen om het NFI naar de plaats delict te roepen. Dat had wel gekund. In juni 2000

had de afdeling Biologie van het NFI de mogelijkheid om snel ter plaatse te komen om bij technisch onderzoek

bij ernstige delicten te assisteren bij het veiligstellen van microsporen. Die dienstverlening van het NFI

was in die tijd weliswaar nog niet ingeburgerd bij de technische recherches in het land, maar er was wel

bekendheid aan gegeven in die kringen, althans bij leidinggevenden in die kringen. In het landelijk overleg

van het NFI met de Adviesgroep Forensisch Onderzoek (AGFO)20 was die mogelijkheid al vóór juni 2000

aan de orde geweest. Vast staat dat er in deze zaak op de avond van 22 juni 2000 geen overleg heeft

plaatsgevonden tussen de technisch rechercheurs en het NFI.

Het onderzoek op de enge PD A heeft niet erg lang geduurd. Eén geïnterviewde technisch rechercheur

geeft daarvoor als reden dat de weersomstandigheden (dreigende regen) tot spoed noopten. De andere

twee technisch rechercheurs zeggen daar echter niets van. Uit door mij opgevraagde informatie van het

KNMI over het weer in Schiedam op 22 juni 2000 blijkt dat het na 15.15 uur niet geregend heeft, maar dat

het laat op de avond zwaar bewolkt werd. Een andere geïnterviewde technisch rechercheur geeft als reden

voor het snelle werken de invallende duisternis op. Zowel het een als het ander had met relatief eenvoudige

middelen overkomen kunnen worden (tent of andere afdekking; kunstlicht). In het interview van de l.o. is

naar voren gebracht dat door de TR was gezegd dat snelheid was geboden omdat insecten het sporenbeeld

zouden kunnen verstoren.

ad b. het veiligstellen en onderzoeken van andere sporen

Er is voor gekozen de kledingstukken die op de enge PD A waren aangetroffen, na het fotograferen direct

te verpakken om een onderzoek bij het NFI de meeste kans van slagen te geven. Op de enge PD A zijn

nog een aantal andere stukken van overtuiging veiliggesteld, onder meer verpakkingsmateriaal van etenswaren.

Niet vermeld is echter waar dat materiaal lag ten opzichte van de slachtoffers Nienke en Maikel. Ook

is niet gebleken dat de verpakkingsmaterialen onderzocht zijn. Technisch rechercheur 1 heeft in het interview

gezegd dat de verpakkingen van de etenswaren onderzocht zijn. Een proces-verbaal waarin dat onderzoek

is weergegeven, heb ik echter niet aangetroffen bij de stukken die mij ter beschikking stonden.

20 De AGFO is een overlegorgaan waarin de hoofden van de regionale technische recherches zijn vertegenwoordigd.

HET TECHNISCHE ONDERZOEK 33

Om verschillende redenen had het van belang kunnen zijn te weten waar die verpakkingsmaterialen lagen.

Ook had onderzoek daarvan relevant kunnen zijn, bijvoorbeeld om de volgende redenen:

- De werkwijze van de dader, zoals beschreven door Maikel, had aanleiding kunnen geven tot de

gedachte dat de dader het park, althans een bepaald deel van het park goed kende. De aanwezigheid

van verpakkingen van etenswaren had erop kunnen duiden dat de dader vaker op die plek

had gezeten en daar had gegeten. Op het verpakkingsmateriaal hadden dadersporen kunnen zitten.

- Het was mogelijk geweest dat de dader de verpakkingen had opgepakt of opzij had geschoven of

per ongeluk had aangeraakt toen hij de feiten pleegde.

- In een verhoor van een verdachte had gebruik gemaakt kunnen worden van het gegeven dat er

bepaalde spullen waren gevonden op de PD, hetzij ter insluiting van die verdachte, hetzij ter uitsluiting.

ad c. het gebruik van cijferbordjes

Bij het fotograferen van de enge PD A en van het slachtoffer Nienke op de enge PD is gebruik gemaakt van

cijferbordjes. Die bordjes zijn geplaatst in een metalen driepootstatief. Zulke bordjes en statieven worden in

het algemeen niet gedesinfecteerd na een vorig gebruik. Op de foto's is te zien dat één cijferbordje óp het

lichaam van Nienke is gezet. Daardoor is een aanzienlijk risico op contaminatie of het vernietigen van aanwezige

sporen of het maken van nieuwe sporen genomen.

ad d. het ontbreken van een beschrijving van het sporenbeeld op en bij het lichaam van Nienke

In de stukken van de TR ontbreekt een beschrijving en een duiding van het sporenbeeld op en bij het lichaam

van Nienke. In de stukken staat niets over bijvoorbeeld:

- hoe de kleding op en bij het lichaam van Nienke lag;

- wat de zichtbare verwondingen van Nienke waren;

- wat de zichtbare sporen waren;

- wat de ligging en houding van het lichaam van Nienke was;

- hypothesen over de ligging van het stoffelijk overschot en het ontstaan van de sporen.

ad e. het fotomateriaal

Van de enge PD A en van het slachtoffer Nienke op de enge PD A zijn relatief weinig fotografische opnames

gemaakt, namelijk 28. Ter vergelijking: van de afdamming, het leegpompen en het doorzoeken van

een waterpartij in het Beatrixpark op een latere datum zijn 72 foto's gemaakt. Wel zijn er, zoals gezegd, van

de video-opnames die op de avond van 22 juni 2000 gemaakt zijn, stills gemaakt van de enge PD A.

Het ontbreekt aan fotografische detailopnames van sporen en kleding. De ligging van het stoffelijk overschot

en de verwondingen van Nienke zijn evenmin gedetailleerd gefotografeerd. Ook ontbreken detailopnames

van de schoen die om haar nek was gebonden, en van de knopen in de veter van die schoen.

Alle foto's van Nienke op de enge PD A zijn van één kant genomen. Daardoor staat onder meer de voorzijde

van het gelaat van Nienke niet op deze foto's. Als verklaring is gegeven dat aan de andere kant bosschages

waren. Waarom de technisch rechercheurs niet zonder de PD te verstoren in de bosschages hadden

kunnen gaan staan, wordt niet duidelijk.

Door het ontbreken van gedetailleerde foto's en door de eenzijdige blik van de foto's is aan de hand van de

foto's geen goed beeld te krijgen van de enge PD A, de ligging van Nienke, de letsels van Nienke, de aanwezige

stukken van overtuiging en sporen op de enge PD A en de onderlinge relatie daartussen.

HET TECHNISCHE ONDERZOEK 34

Bij het maken van de foto's op de PD heeft men kennelijk gebruik gemaakt van direct flitslicht. Daardoor is

de voorgrond en het onderwerp van de foto uitgebleekt en is de achtergrond donker weergegeven. Details

in het gefotografeerde kunnen daardoor verloren zijn gegaan.

ad f. de zoeking door de mobiele eenheid

Op de avond van 22 juni 2000 heeft van ongeveer 22.45 tot 00.36 uur een zoeking plaatsgevonden op de

ruime PD A door een sectie ME. Niet duidelijk is geworden waarom deze zoeking niet is uitgesteld tot de

volgende ochtend. Immers, toen de zoeking begon was het al bijna donker. Men heeft met kunstlicht gezocht.

Betwijfeld kan worden of dat veel heeft geholpen bij het zoeken. Bedacht moet worden dat gezocht

werd in een deel van het park waar niet alleen laag gras, maar ook hoog gras, onkruid, bosschages en

bomen stonden.

Van deze zoeking door de ME zijn video-opnames gemaakt. Daarop is te zien dat gevonden spullen worden

bekeken door technisch rechercheurs 1 en 2 en dat vervolgens een aantal van die spullen op een

hoopje bij elkaar wordt gelegd. Dat opent de weg naar contaminatie van sporen.

Van wat is gevonden bij deze zoeking is geen overzichtelijke verslaglegging gemaakt.

Blijkens een aantekening in het journaal werd op 26 juni 2000 ontdekt dat een deel van PD A mogelijk niet

was doorzocht. Dat was het deel tussen de bosschages waar Nienke was gevonden en het water. Nog los

van de vraag of dat deel van PD A inderdaad niet was doorzocht: het geeft aan dat er op de avond van 22

juni 2000 niet gestructureerd en methodisch is gewerkt, althans dat er geen goede verslaglegging en/of

terugkoppeling van de werkzaamheden van de TR op de avond van de 22e juni had plaatsgevonden.

ad g. het niet inzetten van een hond

Op de avond van 22 juni 2000 was al bekend dat Maikel was gestoken en dat er vrij veel bloed was vrijgekomen.

Het was mogelijk geweest een speurhond in te zetten die getraind is op het zoeken op bloedgeur.

De hond had dan op de ruime PD A kunnen zoeken naar bijvoorbeeld een bebloed mes. Niet gebleken is

dat dit is overwogen.

4.2.5 Onderzoek op PD B

Op PD B stonden de fietsen van Nienke en Maikel. Deze PD is door de uniformdienst afgezet. Technisch

rechercheur 3 heeft vier foto's gemaakt. Hij heeft in het interview gezegd dat hij niet weet of de fietsen onderzocht

zijn. Uit de stukken blijkt niet wat er is gebeurd met de fietsen (bijvoorbeeld of zij in beslag genomen

zijn). Op de foto’s is te zien dat de fietsen verschoven lijken te zijn en dat er bij de fietsen een bandenspoor

is. In RAG ‘Park’ was, voor zover dat valt na te gaan, geen aandacht voor het bandenspoor of de

verschuiving van de fietsen. Er is in elk geval geen onderzoek naar gedaan, terwijl dat mogelijk van belang

had kunnen zijn. Pas in het onderzoek tegen Wik H. is duidelijk geworden waar dat bandenspoor vandaan

kwam.21

4.2.6 Onderzoek op PD D

PD D is in beeld gekomen op de avond van 22 juni 2000 door mededelingen van getuige A.K., die rond

18.00 uur een man had gezien op PD D. Die man was een jaar of 50, had een gezet postuur en was vrij

21 Een politieauto was opzettelijk tegen de fietsen aangereden om ruimte te maken voor de ambulance.

HET TECHNISCHE ONDERZOEK 35

fors. De man had een fiets bij zich. De man had op een bank gezeten op PD D. Naast de bank stond een

afvalbak. Deze PD is onderzocht door technisch rechercheur 3, die daarvan proces-verbaal heeft opgemaakt.

Hij heeft zeven foto's gemaakt en heeft een aantal stukken van overtuiging in beslag genomen: vier

lege blikjes uit een afvalbak, een leeg sigarettenpakje van de grond achter het bankje, twee lange haren

vanaf de bank, en zes peuken van de grond in de omgeving van het bankje. Ook is een gipsafdruk gemaakt

van een schoenspoor dat schuin voor de afvalbak stond.

4.2.7 Onderzoek op PD C

PD C is in beeld gekomen door getuigenverklaringen die na 22 juni 2000 zijn afgelegd. PD C was in elk

geval op 26 juni 2000 in beeld bij het onderzoeksteam. Dat blijkt uit een aantekening in het journaal op die

dag: “Tevens kwam er een nieuwe PD bij, nl. de bankjes waar onze verdachte mogelijk heeft gezeten. Hier

heeft de TR diverse peuken veiliggesteld. ... [G]enoemde plaats [zal] op 27/06/00 door een groep OG worden

doorzocht.” PD C is op 27 juni 2000 onderzocht door andere technisch rechercheurs dan 1, 2 en 3. Op

deze PD zijn toen enkele stukken van overtuiging in beslag genomen, namelijk een keukenmes, drie flesjes

en drie blikjes. Van PD C zijn enkele foto's gemaakt.

4.2.8 Behandeling van het stoffelijk overschot van Nienke op 22 en 23 juni 2000

Er is geen FT-norm voor het veiligstellen en bewaren van een stoffelijk overschot. Het stoffelijk overschot

van Nienke is op 22 juni 2000, rond 21.20 uur in een lijkenzak geplaatst. Later die avond is het stoffelijk

overschot naar een mortuarium in een uitvaartcentrum in Schiedam gebracht. De volgende dag is haar

lichaam in de lijkenzak overgebracht naar het NFI. Daar heeft op 23 juni 2000 sectie plaatsgevonden.

Gebleken is dat het stoffelijk overschot van Nienke in het uitvaartcentrum niet bewaard is in een ruimte

waar onbevoegden geen toegang toe hadden. Een medewerkster van het uitvaartcentrum heeft de koelcel

waarin het stoffelijk overschot werd bewaard geopend. Zij heeft het lichaam van Nienke gedeeltelijk uit de

koelcel gehaald en met een gehandschoende hand over de wang van Nienke gestreken. Zij heeft een bruin

speelgoedbeertje bij de lijkenzak (wel er buiten) gelegd.22 Hierdoor is gevaar van contaminatie ontstaan.

Door de medewerkster van het uitvaartcentrum is blijkens de aantekening in het journaal gezegd dat er

gaten in de lijkenzak zaten. In een interview is dat ook naar voren gekomen. Het is niet duidelijk geworden

of er inderdaad gaten in de lijkenzak hebben gezeten.

Uit foto's die gemaakt zijn bij de sectie en uit diverse interviews is komen vast te staan dat door de wijze

waarop het stoffelijk overschot van Nienke is bewaard en vervoerd tussen 22 juni 2000, 21.20 uur en de

sectie op 23 juni 2000, het sporenbeeld op het lichaam sterk in negatieve zin is beïnvloed. Op het NFI bleek

namelijk dat er erg veel vochtontwikkeling was geweest in en op het lichaam van Nienke. Daardoor waren

sporen op het lichaam van Nienke vermengd, gecontamineerd of verdwenen. Diverse geïnterviewden spreken

daarover. Het wordt bevestigd door fotomateriaal, zij het dat het moeilijk is een vergelijking te maken

van het sporenbeeld op het lichaam op de enge PD A en het sporenbeeld op het NFI, omdat er zo weinig

foto's gemaakt zijn op de enge PD A en op het NFI. Op foto's die op 23 juni 2000 op het NFI zijn gemaakt,

is te zien dat er bloed op de bovenzijde van de rug en de schouder van Nienke zit. Op een foto die is gemaakt

op de enge PD A is te zien dat op de rug van Nienke 'slechts' een veegspoor zit.

22 Dat blijkt uit een aantekening in het journaal van 13 november 2000. Van het gesprek met de medewerkster van het uitvaartcentrum

is geen proces-verbaal opgemaakt. In het relaasproces-verbaal wordt geen melding gemaakt van het gesprek.

HET TECHNISCHE ONDERZOEK 36

4.2.9 Reconstructie

Een technische reconstructie op de enge PD A op basis van foto's, video-opnames, sporen en verklaringen

is achterwege gebleven. Zo'n reconstructie had mogelijk meer inzicht gegeven in wat er was gebeurd op de

enge PD A en had mogelijk behulpzaam kunnen zijn bij beantwoording van de vraag of wat Maikel verklaarde

wel mogelijk was.

Maanden na de feiten is een 3Dvis computeranimatie gemaakt van PD A en de ruime omgeving daarvan.

Op de animatie zijn een aantal relevante plaatsen te zien en zijn de bewegingen van een aantal personen

weergegeven. Ik heb de resultaten gezien. Hoewel een 3Dvis computeranimatie een goed middel kan zijn,

geeft de animatie in deze zaak totaal geen realistisch beeld van de situatie in het park. De animatie draagt

niets bij aan de zaak. Dat is waarschijnlijk de reden dat de animatie niet aan het dossier is toegevoegd.

4.2.10 Luchtfoto's

Kort na de melding van de feiten in het Beatrixpark via 112 zijn vanuit een helikopter luchtfoto's gemaakt

van het park. Daarbij zitten een paar foto's van PD A en brug B. De negatieven van deze luchtfoto's zijn

zoek geraakt. Dat is jammer, want op een aantal foto's van brug B is te zien dat daarop een paar mensen

staan. Eén van hen, een man die op zijn rug wordt gezien en die een blauwe spijkerbroek en een donkerkleurig

shirt draagt, zou Kees B. kunnen zijn. Kees B. droeg die dag, naar eigen zeggen, een blauwe spijkerbroek

en een blauw shirt. Ook is op de luchtfoto’s een fiets te zien met daaraan een voorwerp, mogelijk

een tas of een zak met de kleuren wit en rood. Kees B. zegt dat hij aan zijn fiets een plastic zak had hangen.

Van de aanwezige foto's zijn later vergrotingen gemaakt. Die zijn niet gemaakt van de originele negatieven,

want die waren zoekgeraakt. Van de aanwezige luchtfoto’s zijn negatieven gemaakt en daarvan zijn vergrotingen

gemaakt. De vergrotingen zijn niet scherp. Als de negatieven van de originele luchtfoto's beschikbaar

waren geweest, hadden scherpere vergrotingen gemaakt kunnen worden.

Door het dichte bladerdek van de bomen in het park zijn bijvoorbeeld de PD’s, de paden in het park en de

achteringang van de kinderboerderij niet of amper te zien op de luchtfoto’s.

De luchtfoto’s zijn gemaakt rond 18.33 uur. De helikopter was niet speciaal voor het maken van foto’s van

het Beatrixpark opgestegen van Zestienhoven, maar was sinds 17.40 uur in de lucht voor het verkeer op de

snelwegen in en rond Rotterdam. De helikopter had van 17.40 tot 17.55 uur boven de A 29 gevlogen. Om

18.05 uur was de helikopter bij het Hartelkruis (A 15; ten zuidwesten van Schiedam). Om 18.15 uur kwam

de melding van de feiten in het Beatrixpark en is de helikopter op verzoek van de meldkamer daarheen

gevlogen. De helikopter is rond 18.28 uur boven het park aangekomen. Het fotorolletje werd op verzoek

van de l.o. opgehaald en naar de TR gebracht.23

4.2.11 Maikel

Maikel is, nadat de dader was weggegaan, weggelopen van de enge PD A. Toen hij uit de bosjes kwam,

had hij geen kleding aan. Om zijn nek zat een schoen, die vastgebonden was met de veter van die schoen.

Omstanders hebben in het park de schoen losgemaakt. Maikel is korte tijd later (18.40 uur) naar het ziekenhuis

gebracht.

23 Ik ontleen deze gegevens aan een mutatierapport van 22 juni 2000, dat op 7 april 2005 in het kader van het evaluatieonderzoek

is opgevraagd bij de Rotterdamse politie.

HET TECHNISCHE ONDERZOEK 37

Maikel is als mogelijke drager van sporen verwaarloosd. Uiteraard stond hulpverlening aan Maikel voorop.

Maar na de eerste hulpverlening is verzuimd grondig sporenonderzoek uit te voeren bij Maikel. Van de

hals/nek van Maikel zijn geen bemonsteringen gedaan. Er is wel nagelvuil bij Maikel veiliggesteld, maar dat

is niet gedaan door een technisch rechercheur, maar door een verpleegkundige. Mogelijk zijn daardoor

sporen gemist.

Op 25 juni 2000 zijn in het ziekenhuis zes foto’s van Maikel en zijn letsels gemaakt. De foto's maken wel

duidelijk op welke plekken op het lichaam van Maikel verwondingen zaten, maar laten de meeste verwondingen

niet zien, omdat het merendeel is afgedekt met verband. Het letsel van Maikel is pas vijf dagen na

het misdrijf beschreven door een arts. In deze geneeskundige verklaring, die niet bij het eindproces-verbaal

is gevoegd, wordt onder meer over acht messteken gesproken en over kneuzingen in de hals als gevolg

van verwurging. Over lengte of diepte van de messteken wordt in deze verklaring niets gezegd.

In het dossier zit wel een medische verklaring van 28 juni 2000. Die verklaring is opgemaakt door de korpsarts,

die informatie heeft ingewonnen bij de behandelend chirurg. In deze verklaring wordt ook over acht

messteken gesproken en over kneuzing van de nekspieren en strottenhoofd. In de verklaring staat dat de

diepte van de messteken varieerde van 1 tot 1,5 cm. Over de lengte van de messteken wordt in de verklaring

van 28 juni 2000 niets gezegd.

In een notitie van 13 oktober 2000 heeft de korpsarts genoteerd dat hij op 2 juli 2000 van de behandelend

chirurg had gehoord dat de steek- c.q. snijwonden in lengte varieerden van 1,5 tot 2 cm en in diepte van 1

tot 1,5 cm. Ook staat in de notitie dat bij de chirurg vanwege lengte, diepte en aspect van de wonden de

indruk was gewekt dat de wonden met een stanleymes zouden zijn toegebracht. Deze chirurg heeft later, in

antwoord op vragen die door de rechter-commissaris aan hem waren voorgelegd, een belangrijke nuancering

aangebracht in wat de korpsarts heeft opgeschreven. Hij zegt dan dat hij destijds tegen de politiearts

gezegd had dat de steekwonden zouden kunnen zijn toegebracht met een stanleymes. Kennelijk heeft deze

chirurg wel zelf het idee geopperd dat een stanleymes gebruikt zou kunnen zijn.

De wonden van Maikel zijn niet bekeken door een forensisch arts. Later in het onderzoek is nog geprobeerd

- tevergeefs - met een MRI-scan meer gegevens over de verwondingen van Maikel te krijgen.

Het gegeven dat de steekwonden van Maikel mogelijk waren veroorzaakt door een stanleymes, is een eigen

leven gaan leiden en heeft een rol gespeeld in de zaak tegen Kees B.: hij gebruikte immers afbreekmesjes

op zijn werk; het mesje van een afbreekmes en het mesje van een stanleymes zijn vergelijkbaar.

Wellicht zou over de vraag met wat voor mes de wonden waren toegebracht meer duidelijkheid zijn geweest

als een forensisch arts naar de wonden had gekeken of als er goede detailfoto’s zouden zijn geweest

van de wonden. Nu is men afgegaan op een mening van een chirurg, van wie niet bekend is of hij deskundig

is voor vragen als met welk mes de wond is veroorzaakt. De chirurg heeft een mogelijkheid geopperd

en niet een zekerheid.

Uit het politiejournaal blijkt dat een medewerker van het NFI telefonisch heeft meegedeeld dat op de zool

van de schoen die om de nek van Maikel zat, bloed was aangetroffen met daarop aarde. Dat zou kunnen

betekenen dat er contact was geweest tussen de schoen en de aarde, nadat er bloed op de schoen was

gekomen. Dat zou in strijd zijn met de verklaring van Maikel. Dit is één van de redenen geweest dat aan de

verklaringen van Maikel werd getwijfeld (zie daarover verder in hoofdstuk 6). Uit navraag bij het NFI blijkt

echter dat het bloed níet onder de aarde doorloopt. Bovendien ging het niet om de schoen die om de nek

van Maikel zat, maar om de schoen die om de nek van Nienke zat.

De veter om de nek van Maikel was overigens zo bebloed dat onderzoek daaraan door het NFI als zinloos

werd bestempeld.

HET TECHNISCHE ONDERZOEK 38

4.2.12 Samenwerking technische recherche-tactische recherche

De technisch rechercheurs maakten geen deel uit van het onderzoeksteam RAG ‘Park’. Door alle geïnterviewde

technisch rechercheurs is naar voren gebracht dat er in de eerste dagen van het onderzoek een

normaal, constructief contact was tussen de technische recherche en de tactische recherche. Door technisch

rechercheur 1 is kort na 22 juni 2000 een forensisch intakegesprek georganiseerd op het NFI. Daarbij

waren naast hijzelf, technisch rechercheur 2 en medewerkers van het NFI, onder anderen aanwezig de

teamleiding en de twee officieren van justitie. Op die bijeenkomst is gesproken over de onderzoeksmogelijkheden

en de prioritering van de onderzoeken. Van deze bijeenkomst of van de genomen beslissingen

bestaat voor zover mij bekend geen verslag.

Al vrij snel verminderde het contact tussen techniek en tactiek en na verloop van enkele weken was er zo

goed als geen contact meer. De technisch rechercheurs kregen zelfs het gevoel buiten de zaak gehouden

te worden, is in een paar interviews door technisch rechercheurs gezegd.

Contacten met het NFI, zoals het insturen van stukken van overtuiging, vraagstelling aan het NFI, terugkoppeling

van (voorlopige) resultaten door het NFI, en besprekingen over de voortgang, lagen al kort na het

begin van het onderzoek in handen van de teamleiding, in het bijzonder van de l.o. Zo heeft bijvoorbeeld op

10 juli 2000 op het NFI een bespreking plaatsgevonden die als vervolg kan worden gezien op het forensisch

intakegesprek. Behalve medewerkers van het NFI waren daarbij aanwezig de officieren van justitie en

de teamleiding. De technisch rechercheurs waren niet op de hoogte en waren niet uitgenodigd voor deze

bespreking.

4.2.13 Verslaglegging

Door de technisch rechercheurs is geen technisch journaal bijgehouden waarin zij verslag hebben gedaan

van bijvoorbeeld hun contacten met het onderzoeksteam en het NFI, of van intern overleg waarbij is gesproken

over onderzoeksmogelijkheden.

De processen-verbaal van de technisch rechercheurs die in RAG 'Park' werkzaamheden hebben verricht,

zijn summier. Belangrijke informatie ontbreekt:

- Het lichaam van Nienke op de enge PD A is verkeerd ingetekend op de tekeningen die gemaakt

zijn door de technische recherche. Daarnaast is Nienke zó klein ingetekend, dat op de tekening

ligging en houding bijna niet te zien zijn.

- In de processen-verbaal van de technisch rechercheurs is niet terug te vinden of op PD A een

schouwarts bij het lichaam van Nienke is geweest.

- Niet is terug te vinden dat, voordat de technisch rechercheurs op PD A waren, er een flink aantal

personen op die PD geweest was (GGD-medewerkers, politieambtenaren, getuigen). Die informatie

is niet onthouden aan rechtbank of verdediging; in het dossier zitten namelijk veel verklaringen

van mensen die op PD A geweest zijn. Maar de lezer moet zelf gaan zoeken. Een overzicht van

personen die op PD A geweest waren en wat zij daar gedaan hadden, was wenselijk en misschien

noodzakelijk geweest. Die personen konden namelijk de PD verstoord hebben of daar sporen achtergelaten

hebben. Het is belangrijk te weten wat er op de PD is veranderd na het plegen van het

feit. Zoveel mogelijk moet worden uitgesloten dat sporen op de PD zijn veroorzaakt door anderen

dan de dader. De relatie tussen sporen, de plaats en de dader moet immers worden aangetoond.

Het is dan belangrijk te weten welke sporen er (kunnen) zijn bijgemaakt en/of verplaatst door anderen

dan de dader.

HET TECHNISCHE ONDERZOEK 39

- In de processen-verbaal van de TR ontbreekt vaak een vermelding van de precieze vindplaats van

stukken van overtuiging (SVO); niet alle gevonden SVO’s en sporen zijn ingetekend op de tekeningen

bij de processen-verbaal van de TR.

- Uit de processen-verbaal van de TR wordt van veel kledingstukken die op de enge PD A gevonden

zijn niet duidelijk welke van Nienke waren en welke van Maikel.

- In de interviews hebben technisch rechercheurs 1 en 2 gezegd dat zij bij hun onderzoek op de enge

PD A aanwijzingen hadden dat het lichaam van Nienke gedraaid was. Daarover is niets te vinden

in hun proces-verbaal.

- In hun proces-verbaal zeggen technisch rechercheurs 1 en 2 over de enge PD A onder het kopje

‘Omschrijving P.D.’ onder meer: "De vegetatie ter plaatste was in een straal van ongeveer 2 vierkante

meter vertrapt en om het lijk lagen diverse kledingstukken verspreid. Tevens lagen er diverse

verpakkingen van etenswaren. De aangetroffen situatie wekte niet direct de indruk dat er een worsteling

had plaatsgevonden. Ook het lichaam van N. Kleiss vertoonde geen uiterlijke tekenen van

geweld, die op een worsteling konden duiden." Onder het kopje ‘Conclusie’ staat: “Uit vorenstaande

concluderen wij het volgende: Dat de vegetatie op de plaats delict in een straal van ongeveer 2

vierkante meter was platgetrapt. Dat de aangetroffen situatie niet de indruk wekte dat er een worsteling

had plaats gehad, dit mede gezien het feit dat de kleding rondom het lichaam lag verspreid.”

De omschrijving en de conclusie zijn bijna gelijk. Verder wordt niet duidelijk waarop technisch rechercheurs

1 en 2 deze conclusies hebben gebaseerd.

Kennelijk is de schriftelijke verslaglegging van de TR niet gecontroleerd of kritisch bekeken door iemand

binnen de TR. Ook de teamleiding en de officieren van justitie hebben genoegen genomen met de processen-

verbaal van de TR. In elk geval blijkt niet dat is gevraagd om aanvulling of verheldering.

4.2.14 Sporenoverzicht

In RAG 'Park' zijn veel stukken van overtuiging (SVO's) in beslag genomen. Niet alleen op 22 juni 2000,

maar ook op andere data. Op veel van die stukken is technisch onderzoek verricht. In het evaluatieonderzoek

is gebleken dat het vaak erg moeilijk is de gang van een stuk van overtuiging of een spoor te volgen

vanaf het moment van inbeslagname tot en met de rapportage van bijvoorbeeld het NFI. Dat is overigens

niet uniek voor deze zaak. De moeilijkheden ontstaan onder meer doordat politie, parket en NFI steeds

weer andere nummers toekennen aan hetzelfde SVO: de systemen van deze organisaties zijn niet op elkaar

afgestemd. Ook ontstaan problemen doordat een en hetzelfde voorwerp niet steeds hetzelfde wordt

omschreven. Bijvoorbeeld: hetzelfde kledingstuk wordt door de politie omschreven als hemd en door het

NFI als T-shirt. Dat is natuurlijk geen probleem als er weinig spullen in beslag genomen zijn. Maar als er

meer hemden/T-shirts in beslag genomen zijn, kan het een probleem opleveren. Ook wordt soms de kleur

anders aangeduid. In RAG 'Park' is daarnaast de nummerreeks T001 en volgende een paar keer gebruikt

bij het aanduiden van sporen. Dat kwam doordat verschillende technisch rechercheurs op verschillende

PD’s gewerkt hebben en zij geen afspraken hadden gemaakt voor de nummering van stukken van overtuiging.

In RAG 'Park' heeft het, voor zover dat valt na te gaan, ontbroken aan een totaaloverzicht van stukken van

overtuiging en sporen. Deze verwarring komt de kwaliteit van het opsporingsonderzoek niet ten goede:

- De chain of evidence en de chain of custody is vaak onduidelijk.

- De vraag of alles onderzocht is wat onderzocht moest worden, kan niet beantwoord worden.

- De vraag of alle onderzoeksopdrachten zijn uitgevoerd is niet steeds (snel en eenvoudig) te beantwoorden.

HET TECHNISCHE ONDERZOEK 40

4.3 NFI

4.3.1 Organisatorisch

Gelet op de aard en de ernst van de zaak is op directieniveau door het NFI besloten dat men een ruimhartig

onderzoeksbeleid zou voeren. In de regel was (en is) het aantal sporen dat onderzocht wordt in een bepaalde

zaak gelimiteerd. Dat was in de Schiedammer parkmoord echter niet het geval.

Binnen het NFI is een ervaren onderzoeker van de afdeling Biologie aangewezen als teamleider. Hij onderhield

de contacten met de politie en hij moest zorgen voor afstemming van de werkzaamheden van de verschillende

afdelingen van het NFI die bij het onderzoek betrokken waren. De teamleider was niet degene

die later de NFI-rapporten maakte en ondertekende, omdat hij die bevoegdheid niet had. De rapporten

werden gemaakt en ondertekend door een deskundige op DNA-gebied. Daarbij baseerde de deskundige

zich op onderzoeksverslagen en een conceptrapportage van de teamleider en van andere onderzoekers.

Tussen het NFI enerzijds en politie/officieren van justitie anderzijds zijn diverse contacten geweest. Door

gebrekkige verslaglegging bij alle betrokkenen bleek het achteraf niet mogelijk een overzicht te maken

waarop met zekerheid alle contacten vermeld zijn. Ook de inhoudelijke kant van de contacten kan vaak niet

meer worden vastgesteld.

4.3.2 Betrokkenheid officier van justitie bij de forensische onderzoeken

Hiervoor kwam al ter sprake dat technisch rechercheur 1 een forensisch intakegesprek had georganiseerd.

Door geïnterviewde (voormalig) leidinggevenden bij het NFI is gezegd dat in ernstige zaken waarbij naar

verwachting veel onderzoek moet worden uitgevoerd door het NFI, zo'n gesprek nuttig is. De officier van

justitie moet daar volgens hen bij zijn, omdat hij/zij degene is die beslissingen moet nemen en kan sturen.

Misschien is ook de kennis van de TR niet altijd voldoende om het tactische team en de officier van justitie

goed te kunnen voorlichten over de mogelijkheden en onmogelijkheden van de techniek en over de juiste

vraagstelling aan het NFI. Het persoonlijke contact tussen NFI en officier van justitie vergemakkelijkt de

werkrelatie, aldus de geïnterviewden.

In de Schiedammer parkmoord waren de officieren van justitie bij dit intakegesprek. Afgaande op het politiejournaal

hebben de officieren van justitie ook later in het onderzoek blijk gegeven van interesse in de werkzaamheden

van het NFI.

4.3.3 Onderzoeken door het NFI in de Schiedammer parkmoord

In de Schiedammer parkmoord heeft het NFI erg veel onderzoek verricht. Deze zaak was de eerste waarin

het NFI microsporenonderzoek aan een stoffelijk overschot heeft uitgevoerd. Het zwaartepunt van het NFIonderzoek

lag bij het DNA-onderzoek. In deze zaak is voor het eerst op grote schaal gebruik gemaakt van

de Low Copy Number-methode (daarover verder hieronder). Maar er is ook tamelijk veel haaronderzoek

gedaan (zowel met mensenharen als met dierenharen). Ook zijn een knopendeskundige en een schoenspoordeskundige

van het NFI geraadpleegd.24

24 Op de laatste twee ga ik niet in.

HET TECHNISCHE ONDERZOEK 41

4.3.4 Microsporenonderzoek en sectie op het NFI

Op 23 juni 2000 heeft een patholoog van het NFI sectie verricht op het lichaam van Nienke. Voorafgaand

aan de sectie hebben medewerkers van de afdeling Biologie van het NFI een microsporenonderzoek (contactsporen,

vezels en haren) aan het lichaam van Nienke uitgevoerd. Van het microsporenonderzoek zijn

voor zover bekend geen aantekeningen gemaakt of bewaard gebleven. Daardoor kan niet meer precies

vastgesteld worden wat is veiliggesteld en vanaf welke plek op het lichaam dat is gebeurd.

De schoen die om de nek/hals van Nienke zat, is pas op het NFI losgeknipt. Ook de veter, een potentieel

belangrijke sporendrager, was inmiddels ernstig gecontamineerd door de vochtontwikkeling in de lijkenzak.

Op 23 juni 2000 zijn op het NFI 28 foto's gemaakt. Waarschijnlijk zijn een aantal van die foto's gemaakt

tijdens het microsporenonderzoek. Bij deze 28 foto's ontbreekt een overzichtsfoto van het lichaam van

Nienke met het sporenbeeld op het lichaam zoals dat eruit zag toen het lichaam uit de lijkenzak werd gehaald.

Ook op 23 juni 2000 zijn weinig detailfoto's gemaakt (bijvoorbeeld niet van het letsel aan de hals/nek

en van de knopen in de veter).

De sectie is op de gebruikelijke wijze uitgevoerd en het sectierapport is op de gebruikelijke wijze opgebouwd.

Enkele maanden na de sectie zijn door het Openbaar Ministerie vragen gesteld over de sectie(

bevindingen). Het waren vragen die in direct verband stonden met de door de dader gepleegde feiten.

De patholoog die de sectie had verricht kon niet op alle vragen antwoord geven omdat hij te weinig gegevens

had en het verslag van de sectie te summier was.

4.3.5 Haaronderzoek

Bij het haaronderzoek is vooral het onderzoek van een haar die was gevonden op het linker-bovenbeen van

Nienke van belang. Met die haar is een haarpaletonderzoek gedaan. De uitkomst was dat de haar paste in

het hoofdhaarpalet en mogelijk afkomstig was van Kees B.. De kwalificatie ‘mogelijk’ is de laagste positieve

kwalificatie. In feite is de waarde van een dergelijke kwalificatie bij vergelijkend haaronderzoek erg gering,

omdat er geen gegevens zijn over hoeveel mensen een dergelijk haarpalet hebben. Kennelijk is uit het NFIrapport

onvoldoende duidelijk geworden dat de kwalificatie ‘mogelijk’ bij haarpaletonderzoek inhoudelijk

weinig voorstelt.

Met deze haar is ook DNA-onderzoek gedaan. Er is toen een profiel gevonden van een onbekend vrouwelijk

individu. Waarschijnlijk was het lichaamsmateriaal/celmateriaal waaruit het DNA-profiel is gehaald niet

afkomstig uit de haarwortel. De zaaksofficier heeft in haar requisitoir gesteld dat de aanwezigheid van

vrouwelijk DNA-materiaal óp de haar niet betekent dat de haar van een vrouw is. De mogelijkheid dat de

haar van Kees B. was, bleef voor haar dus open.

Er is verder een tamelijk uitgebreid vergelijkend haaronderzoek gedaan met dierenharen, waarbij onder

meer van de katten van Kees B. haren zijn gebruikt. Dit onderzoek heeft niet geleid tot resultaten die belastend

waren voor Kees B..

4.3.6 DNA-onderzoeken; mengprofielen

Het DNA-onderzoek in de Schiedammer parkmoord was omvangrijk. In RAG ‘Park’ zijn circa 100 SVO's

onderzocht op de aanwezigheid van biologische sporen. Hiervan zijn er ongeveer 70 betrokken in het DNAonderzoek.

Daarnaast zijn bijna 40 referentiemonsters in het onderzoek betrokken. Het gaat hier om monsters

van familieleden van Nienke en Maikel en van mensen die op PD A waren geweest op 22 juni 2000.

Niet één van de aangetroffen DNA-sporen kwam overeen met het profiel van Kees B..

HET TECHNISCHE ONDERZOEK 42

Aanvankelijk heeft het NFI de ‘gewone’ technieken gebruikt bij het DNA-onderzoek. In aanvulling op dat

onderzoek heeft het NFI eind 2000/begin 2001 ook op grote schaal de Low Copy Number-technologie toegepast.

Ten tijde van de rechtbankfase was het NFI daarvoor nog niet geaccrediteerd. Het ontbreken van

accreditatie wil echter niet zeggen dat het NFI niet-professioneel omging met die technologie of daar weinig

kennis van had. De LCN-technologie maakt het mogelijk om van heel weinig lichaamscellen een DNAprofiel

te genereren. De technologie is erg gevoelig voor artefacten, dat wil zeggen dat soms pieken verschijnen

op plaatsen waar ze niet zouden moeten zijn en dat soms pieken afwezig zijn waar ze wel zouden

moeten zijn (‘spookpieken’ respectievelijk ‘allelic dropout’). Daardoor kunnen er makkelijk resultaten ontstaan

die niet kloppen en is de interpretatie van profielen die met de LCN-methode zijn verkregen soms

ingewikkeld. Om fouten zoveel mogelijk te voorkomen, worden de testen een aantal maal gedaan. Alleen

als al deze testen hetzelfde patroon opleveren, is het resultaat voldoende betrouwbaar om er conclusies

aan te kunnen verbinden.

Met behulp van de LCN-methode zijn van vijf plekken ingewikkelde DNA-mengprofielen verkregen die hier

extra aandacht verdienen. Het gaat om profielen afkomstig van:

a. de wreef van de linkerlaars van Nienke [ADH561];25

b. het nagelvuil van de linkerhand van Nienke [ADH674];

c. de veter om de hals van Nienke [ADH670];

d. de buik van Nienke [ADH591];

e. de linkerschouder van Nienke [ADH 590].

De NFI-medewerkers constateerden dat het celmateriaal van in elk geval de laars en het nagelvuil niet

alleen celmateriaal van Nienke en Maikel bevatte, maar ook celmateriaal van een derde onbekend individu.

Niet kon worden uitgesloten dat het celmateriaal afkomstig was van hetzelfde mannelijke individu. Een

aantal merkers in beide profielen kwamen overeen en wezen in de richting van dezelfde persoon. De punten

van overeenkomst waren niet op zeer specifieke merkers. Het onvolledige profiel van de onbekende

derde is op basis van een zogenaamd ‘best guess profiel’ op 16 januari 2001 vergeleken met de 1010

DNA-profielen die toen in de DNA-profielenbank stonden. Er is gezocht op vier merkers. In de databank

zaten vijf profielen die dezelfde vier merkers bevatten en 21 profielen die drie van de vier merkers bevatten.

Nader onderzoek met deze 26 profielen wees echter uit dat geen van de 26 profielen overeenkwam met het

profiel van de onbekende derde in het nagelvuil en op de laars. Het profiel van de onbekende man zat dus

niet in de profielenregistratie.

Op vrijdag 19 januari 2001 heeft een bespreking op het NFI plaatsgevonden. Daarbij waren aanwezig de

eerdergenoemde onderzoeker en deskundige van de afdeling Biologie van het NFI, en naar alle waarschijnlijkheid

de twee officieren van justitie en de l.o. en de plv. l.o. Bij de laatste vier personen zeg ik ‘naar alle

waarschijnlijkheid’, omdat ik van dit gesprek alleen een conceptverslag tot mijn beschikking had (gemaakt

op 23 januari 2001), waarin niet volstrekt duidelijk wordt wie aanwezig was. De notulen zijn kennelijk nooit

goedgekeurd. In deze bijeenkomst is aan de hand van de piekenpatronen gesproken over de DNA-profielen

die waren gevonden in het nagelvuil, op de buik, op de linkerlaars en op de veter om de hals van Nienke.

Blijkens het verslag is door de NFI-medewerkers gezegd dat deze sporen niet persé dadersporen hoefden

te zijn. Ook is gezegd dat het DNA-profiel van Kees B. niet in de patronen paste. De onderzoeker zei dat

naar zijn oordeel in alle profielen steeds het profiel van eenzelfde derde persoon herkenbaar was. Het NFI

heeft voorgesteld dat in de omgeving van Nienke van meer mensen DNA-materiaal zou worden afgenomen

25 De TR kent aan een SVO altijd een nummer toe. Dat is vaak een T-nummer. Indien een SVO in aanmerking komt voor DNAonderzoek

krijgt het SVO een uniek DNA-identiteitszegel, dat bestaat uit drie letters en drie cijfers. Ook dat nummer wordt door

de TR aan een SVO gegeven. Het zijn zegels die door het NFI zijn ontwikkeld, maar door de TR worden aangebracht. Een

hekje met een cijfer erachter geeft aan het spoor-, vlek- of monsternummer. Soms worden van één SVO meer monsters genomen.

Bijvoorbeeld van de veter die om de hals van Nienke zat zijn tien monsters genomen. De monsterneming gebeurt op het

NFI.

HET TECHNISCHE ONDERZOEK 43

(kennelijk in de hoop dat het gevonden profiel van de onbekende met een van hen zou matchen). Dat voorstel

werd verworpen omdat het ongeloofwaardig werd gevonden om verder te zoeken nu er een bekennende

verdachte was. Op 19 januari 2001 is ook gesproken over het uitbrengen van een aanvullende rapportage

door het NFI. Dat rapport is uitgebracht op 29 maart 2001. In de tabel met de resultaten van het LCN

DNA-onderzoek is onder meer te lezen:

- “Wreef linkerlaars [T-001/ADH561] vlek #2 complex mengprofiel van de slachtoffers Nienke en

Maikel en een derde persoon”;

- “Nagelvuil linkerhand [T-056/ADH674] #1 complex mengprofiel van de slachtoffers Nienke en Maikel

en een derde persoon”;

- “Veter [T-052/ADH670] vlek #1 mengprofiel van de slachtoffers Nienke en Maikel”;

- “Veter [T-052/ADH670] vlek #2 mengprofiel van de slachtoffers Nienke en Maikel”;

- “Veter [T-052/ADH670] vlek #10 mengprofiel van de slachtoffers Nienke en Maikel”;

- “Bemonstering buik [T-037/ADH591] #1 mengprofiel slachtoffer Nienke en onreproduceerbaar

tweede profiel”;

- “Bemonstering linkerschouder [T-036/ADH 590] #1 mengprofiel slachtoffer Nienke en vermoedelijk

slachtoffer Maikel.”

Onder het kopje ‘Conclusie’ is in het rapport te lezen:

“Het celmateriaal op de wreef van de linkerlaars [ADH561 #2] en in het nagelvuil van de linkerhand

[ADH674 #1] van het slachtoffer Nienke bestaat uit een mengsel van celmateriaal van de slachtoffers

Nienke en Maikel en is bovendien vermengd met celmateriaal van een derde onbekend individu.

De LCN DNA-mengprofielen van het celmateriaal op de laars en in het nagelvuil vertoonden

een opvallende overeenkomst. Op grond hiervan kan niet worden uitgesloten dat het hier handelt

om hetzelfde onbekende individu.

Het profiel van het onbekende individu was niet in verband te brengen met de profielen van de verdachte

en niet met de profielen van de getuigen. Bovendien werd het onbekende profiel van het

celmateriaal op de laars vergeleken met de DNA-profielen in de DNA-profielenregistratie. Het onbekende

profiel op de laars kon met geen enkel profiel in het DNA-profielenregistratie systeem in

verband worden gebracht.”

4.3.7 Twijfels bij het NFI

Uit het rapport van 29 maart 2001 kan niet worden afgeleid dat het profiel van een onbekende niet alleen

waarneembaar was in het profiel van het nagelvuil en de linkerlaars, maar ook zou kunnen zitten in een of

meer van de overige profielen. De twee NFI-medewerkers die het meest bij het DNA-onderzoek betrokken

waren, de een onderzoeker en de ander deskundige, verschilden van mening over de interpretatie van de

profielen die waren verkregen van sporen c t/m e. De onderzoeker was van mening dat de kenmerken allemaal

wezen in de richting van dezelfde onbekende man. De deskundige durfde niet zover te gaan. Hij

heeft in het interview en bij de presentatie aan mij op 10 mei 2005 aangegeven dat de profielen van c t/m e

belabberd waren en dat hij bij de interpretatie van de ingewikkelde mengprofielen rekening moest houden

met allerlei fouten die bij de LCN-methode kunnen ontstaan. De profielen waren naar zijn mening onvoldoende

betrouwbaar vanwege de volgende factoren:

• niet reproduceerbaarheid (herhaling had niet hetzelfde resultaat opgeleverd),

• teveel achtergrondsignalen als gevolg van contaminatie en

• te beperkte meetgegevens als gevolg van de zeer geringe hoeveelheid beschikbaar materiaal.

Om deze redenen heeft de deskundige deze profielen de kwalificatie "geen profiel" meegegeven en ze in

de rapportage buiten beschouwing gelaten. Vanuit wetenschappelijk oogpunt wordt het NFI immers geacht

alleen te rapporteren over onderzoeksresultaten die een zekere mate van betrouwbaarheid hebben. In het

HET TECHNISCHE ONDERZOEK 44

meningsverschil tussen de twee had de deskundige het laatste woord. Daarom is gerapporteerd zoals is

gerapporteerd op 29 maart 2001.26

Hoewel de twee NFI-medewerkers van mening verschilden over de vraag of in alle profielen de kenmerken

van dezelfde donor zaten, waren zij het erover eens dat in deze profielen niet alleen de profielen van Nienke

en/of Maikel zaten, maar ook het profiel van een derde. Ook waren zij het erover eens dat het profiel van

Kees B. niet terug te vinden was in de mengprofielen.

Bij beide NFI-medewerkers ontstond grote twijfel over de betrokkenheid van Kees B. bij de strafbare feiten.

Die twijfel werd veroorzaakt door het volledig ontbreken van sporen van Kees B. en het aantreffen van het

celmateriaal van een onbekende man, tenminste op de laars en in het nagelvuil. Hun twijfel was zo sterk,

dat zij die hebben neergelegd bij de toenmalige directeur van de afdeling Biologie van het NFI. De twee

medewerkers hebben aan deze directeur een diepgaande uiteenzetting gegeven van de zaak. De directeur

van de afdeling Biologie nam de twijfels serieus en heeft de zaak vervolgens besproken met de algemeen

directeur van het NFI. Ook die nam de twijfels serieus. Voor beide directeuren speelde mee dat de deskundige

bekend stond als degelijk en voorzichtig: als zelfs hij zijn twijfel kenbaar maakte, moest het wel serieus

zijn.

De directeur van de afdeling Biologie en de algemeen directeur hebben vervolgens een gesprek aangevraagd

bij de procureur-generaal (PG) die destijds portefeuillehouder was voor forensisch technisch onderzoek.

Dat gesprek heeft plaatsgevonden op het kantoor van de PG. De directeuren hebben de PG verteld

van de twijfels die bij de NFI-medewerkers leefden, zonder dat zij inhoudelijk op de zaak zijn ingegaan. De

PG heeft vervolgens toegezegd dat hij de zaaksofficier zou (laten) vragen een gesprek aan te gaan met het

NFI. De PG heeft inderdaad naar de plaatsvervangend hoofdofficier Rotterdam gebeld en er is een gesprek

gevoerd op het NFI waarbij aanwezig waren de zaaksofficier, de directeur Biologie van het NFI en de twee

medewerkers die hun twijfels hadden kenbaar gemaakt. Het gesprek heeft volgens een aantal betrokkenen

plaatsgevonden op 10 juli 2001. Dat was na de behandeling van de strafzaak door de rechtbank in Rotterdam

en nadat hoger beroep was ingesteld. Van het gesprek, dat heeft plaatsgevonden op een directiekamer

op het NFI, zijn geen notulen gemaakt.

Een gesprek waarin op deze wijze door het NFI aan het OM twijfels werden kenbaar gemaakt, was (toen)

een unicum voor het NFI. Het was ook niet eerder voorgekomen dat een directeur van het NFI naar de PG

was gegaan met een dergelijke kwestie.

In het gesprek hebben de twee NFI-medewerkers aan de zaaksofficier hun twijfels over de betrokkenheid

van Kees B. bij de strafbare feiten geuit. De onderzoeker zei dat alle mengprofielen volgens hem wezen in

de richting van dezelfde onbekende man. De ander, de deskundige, was voorzichtiger en durfde niet zover

te gaan. De twee NFI-medewerkers en de directeur van de afdeling Biologie hebben in de interviews allen

gezegd dat de twijfels die bij het NFI bestonden, in duidelijke bewoordingen onder de aandacht van de

zaaksofficier zijn gebracht.

In het interview bleek dat de zaaksofficier zich het gesprek op het NFI en ook de intermediaire rol van de

PG herinnerde. Zij kon zich herinneren dat de onderzoeker had gezegd dat justitie de verkeerde man vasthield.

De zaaksofficier heeft in het interview gezegd dat zij niet gecharmeerd was van de manier waarop de

onderzoeker zijn standpunt kenbaar maakte. Zij herinnert zich niet dat de onderzoeker heeft aangegeven

dat het DNA-profiel van de onbekende man ook op de veter en op het lichaam van Nienke zat. De zaaksof-

26 Ook moet worden bedacht dat in 2001 geen DNA-profiel voorhanden was waarmee de patronen vergeleken konden worden.

Van Wik H. was in 2004/2005 wel een volledig DNA-profiel beschikbaar. Daardoor werd vergelijking een stuk eenvoudiger.

HET TECHNISCHE ONDERZOEK 45

ficier zegt dat zij niet de ogen heeft gesloten voor de opmerkingen van de onderzoeker van het NFI, maar

deze kritiek een plaats heeft gegeven.

Het teamhoofd van de zaaksofficier heeft in het interview gezegd dat het gesprek op het NFI en de rol van

de PG daarbij haar niet bekend waren. De plaatsvervangend hoofdofficier Rotterdam was wel op de hoogte

van het gesprek. Het ressortsparket bij het Haagse gerechtshof is door de zaaksofficier niet op de hoogte

gesteld van het gesprek van 10 juli 2001 en de bij de NFI-medewerkers levende twijfels.

In de appelfase, namelijk op 17 januari 2002, heeft een bespreking plaatsgevonden tussen drie medewerkers

van het NFI, onder wie de eerdergenoemde onderzoeker en de eerdergenoemde deskundige,27 twee

gedragskundigen van de dNRI (een misdaadprofiler en een psycholoog) en de advocaat-generaal (AG) en

haar juridisch medewerker. Het initiatief tot dit gesprek kwam van de AG. Van dit gesprek heb ik drie

verschillende notulen. Geen van de verslagen is goedgekeurd. In deze bespreking is onder meer gepraat

over de mengprofielen die gevonden waren op de linkerlaars, in het nagelvuil en op andere plaatsen. Aan

de hand van de profielen heeft de onderzoeker zijn standpunt op tafel gelegd, namelijk dat het profiel van

de onbekende derde dat in het nagelvuil en op de laars was aangetroffen, teruggevonden kon worden in de

andere profielen, waaronder dat van de veter die om de nek van Nienke had gezeten. Ik citeer uit één van

de notulen (te weten die van de AG of haar juridisch medewerker):

- “LCN (Low Copy number), DNA-techniek waarbij met een geringe hoeveelheid DNA middels

een “vermeerder”-techniek een DNA profiel verkregen wordt, is inmiddels geaccrediteerd.

- Nagelvuil Nienke: Nienke was een nagelbijtster. Dit maakt het spoor van haar nagelvuil/

nagelriem i.p. sterker in de zin dat het vuil er geen maanden zit. Ook het feit dat zij en Maikel

daarvoor met water hadden gespeeld, maakt dat het spoor er niet te lang kan zitten. Schatting

NFI: 1-24 uur.

- Linkerlaars Nienke: mengprofiel: Maikel, Nienke en een 3e onbekend persoon.

- Dit profiel van onbekend persoon (man), zit in het nagelvuil van Nienke en ook op de linkerlaars.

Dit profiel komt ook bij andere profielen terug echter in geringe mate --> geen duidelijk

spoor, maar wel een aanwijzing.

- DNA van verdachte is nergens aangetroffen/valt uit te sluiten.”

Bij deze passage staat bij ‘andere profielen’ een pijltje dat wijst naar de handgeschreven woorden “veter om

hals Nienke”.

In hetzelfde verslag staat:

“Op mijn uiteindelijke vragen: is het DNA-spoor van een derde onbekend persoon een daderspoor?

Sluit het niet vinden van DNA van verdachte op de PD verdachte uit als dader? geven de heren

van het NFI geen 100% oordeel. Zij merken op dat in 9 van de 10 soortgelijke gevallen er wel DNA

van verdachte gevonden zou moeten zijn. Over het DNA van de onbekende derde persoon kan

niet met zekerheid gezegd worden dat het van de dader is, wel is het voor de zaak interessant om

te weten van wie dit DNA is.”

De twee gedragskundigen van de dNRI uitten in deze bijeenkomst vanuit gedragskundig oogpunt hun twijfels

over Kees B. als dader van de feiten in het Beatrixpark.

Ik heb gesproken met bijna alle mensen die bij deze bijeenkomst waren. Iedereen kan zich de bijeenkomst

herinneren. De indrukken van de aanwezigen verschillen nogal. De medewerkers van het NFI en de dNRI

dachten dat zij de AG ervan hadden doordrongen en overtuigd dat er erg veel twijfel mogelijk was over de

betrokkenheid van Kees B.. Aan het eind van de bijeenkomst dachten zij dat de AG vrijspraak zou vragen.

27 Zij het dat de deskundige naar zijn zeggen alleen het eind van de bespreking heeft bijgewoond.

HET TECHNISCHE ONDERZOEK 46

De AG heeft in het interview gezegd dat zij er zeker van is dat zij in de bespreking geen twijfels over de

schuld van Kees B. heeft geuit. De AG heeft in het interview gezegd dat zij op die bijeenkomst geen dingen

had gehoord waarvan zij onrustig moest worden. De AG kon zich niet herinneren dat in deze bijeenkomst is

gesproken over een profiel van de veter. De AG zag de deskundige als meer gezaghebbend dan de onderzoeker

en is op de rapportage van de deskundige en diens verklaring ter terechtzitting bij het gerechtshof

afgegaan.

In eerste aanleg is de DNA-deskundige ter terechtzitting gehoord. Bij het gerechtshof zijn zowel de deskundige

als de onderzoeker ter zitting gehoord. In de verklaringen die zij ter terechtzitting hebben afgelegd,

hebben zij de twijfels die bij hen leefden over Kees B. niet kenbaar gemaakt. Dat kwam, zeggen zij, mede

doordat niet de juiste vragen werden gesteld. Ook niet door de officier van justitie of de AG. Zij gaven antwoord

op de vragen die gesteld werden en brachten niet spontaan aanvullende punten op.

De DNA-deskundige en de onderzoeker hebben mij op 10 mei 2005 een presentatie gegeven over de

mengprofielen die hierboven zijn genoemd. In de presentatie is, onder meer aan de hand van

piekenpatronen die ook op de bijeenkomst van 19 januari 2001 waren getoond, aangegeven wat de problemen

waren bij de interpretatie van deze mengprofielen en het piekenpatroon en waarover de onderzoeker

en de deskundige met elkaar van mening verschilden. De deskundige en de onderzoeker zijn het trouwens

nog steeds niet helemaal met elkaar eens over wat kan worden afgeleid uit de patronen. De presentatie

maakte in elk geval duidelijk hoe ingewikkeld de interpretatie van de LCN DNA-mengprofielen in deze

zaak was. Het deskundigenrapport blijkt per definitie niet een uitputtende weergave te zijn van het gehele

forensische onderzoek. Uit de presentatie blijkt dat het mogelijk is dat in een mondelinge toelichting duidelijker

uitleg over het in het rapport neergelegde onderzoek kon worden gegeven aan de hand van voorbeelden.

4.3.8 Rapportages NFI

De rapporten van het NFI over de DNA-onderzoeken in deze zaak zijn voor een leek moeilijk te lezen. Door

de veelheid van onderzochte sporen zijn de rapporten gecompliceerd van samenstelling. De rapporten zijn

beknopt. De rapporten geven geen inzicht in het vooronderzoek dat op het NFI heeft plaatsgevonden en in

de plaatsen waar de sporen zijn veiliggesteld. Deze beknopte wijze van rapporteren is niet uniek voor DNArapportages.

28

Het rapport van 29 maart 2001 maakt niet duidelijk dat in een aantal gevallen sprake was van onreproduceerbare

profielen (ook wel 'afgekeurde profielen' genoemd). Deze profielen werden in het rapport niet

vermeld omdat zij door de onreproduceerbaarheid onbetrouwbaar waren, waardoor geen conclusies konden

worden getrokken ten aanzien van die profielen. Deze standaardwijze van rapportage is wetenschappelijk

verantwoord. In de regel is deze wijze van rapportage in het voordeel van de verdachte: hij wordt

immers niet ingesloten. Het ging dus om een manier van rapportage die niet speciaal is gekozen om materiaal

dat ontlastend was voor Kees B., buiten het rapport te houden. Niettemin heeft deze standaardwijze

van rapportage in de zaak B. mogelijk in het nadeel van de verdachte gewerkt, nu bijna niet is gerapporteerd

dat er ook onreproduceerbare profielen waren gevonden. Vermelding daarvan zou mogelijk aanleiding

zijn geweest voor vragen van de rechter of de verdediging29.

Overigens kan in het algemeen de vraag worden gesteld of het niet gewenst zou zijn om in de rapportages

van het NFI te vermelden dat er ook onreproduceerbare profielen zijn gevonden.

28 Vgl. J.F. Nijboer, ‘Gerechtelijke dwalingen en de rol van de deskundigen. Een vergelijking tussen Engeland en Nederland, ín:

Justitiële Verkenningen 2003, afl. 1, p. 117.

29 Bij de bemonstering van de buik was wel vermeld dat er een onreproduceerbaar tweede profiel was gevonden. Dit heeft niet

geleid tot vragen.

HET TECHNISCHE ONDERZOEK 47

De NFI-medewerkers hebben getracht de bij hen levende twijfels over de betrokkenheid van Kees B. duidelijk

te maken aan de officier en de advocaat-generaal, in de hoop en verwachting dat die de twijfels op

waarde zouden weten te schatten. Dat deden zij in gesprekken, omdat de rapportage daarvoor niet de

ruimte bood.

4.4 Het Openbaar Ministerie

Bij de officieren van justitie bestond belangstelling voor het technisch onderzoek. Dat gold in het bijzonder

het onderzoek van het NFI. Uit de stukken blijkt echter niet van actieve bemoeienis met het werk van de TR

of met de inhoud van de processen-verbaal die de TR had gemaakt.

Het ontbreken van technisch bewijs dat Kees B. aan de PD of aan de feiten koppelde heeft, zo laat het zich

aanzien, bij de zaaksofficier niet geleid tot twijfels over de schuld van Kees B.. In het requisitoir gebruikt zij

de afwezigheid van celmateriaal van Kees B. als teken van daderschap: alleen de dader weet immers dat

hij geen sporen heeft achtergelaten.

De zaaksofficier heeft de professionele twijfels van de NFI-medewerkers naar haar zeggen een plaats gegeven.

Duidelijk is dat de op 19 januari 2001 gedane mededelingen en de op 10 juli 2001 geuite twijfels

voor haar geen aanleiding vormden haar mening over de schuld van Kees B. en de kracht van het bewijs

dat er was in heroverweging te nemen, voor noch na de behandeling van de zaak bij de rechtbank. Opmerkelijk

is dat de zaaksofficier geen AG heeft betrokken bij het gesprek dat op 10 juli 2001 heeft plaatsgevonden.

Immers, er was toen al hoger beroep ingesteld. Ook is het opmerkelijk dat de zaaksofficier de AG niet

achteraf heeft geïnformeerd over dit gesprek. De twijfels bij de NFI-medewerkers hebben er evenmin toe

geleid dat werd nagegaan of aanvullend DNA-onderzoek in binnen- of buitenland mogelijk was dat meer

duidelijkheid zou kunnen geven over de ingewikkelde DNA-mengprofielen. Er is ook niet gevraagd om een

aanvullend rapport van het NFI of iets dergelijks. Voor de AG geldt ook dat de twijfels van de NFImedewerkers

niet hebben geleid tot heroverweging. Ik vind dat de officier van justitie en ook de AG, meer

hadden moeten doen met datgene wat zij gehoord hadden van de NFI-medewerkers. In Hoofdstuk 9, dat

over de officier van justitie gaat, en Hoofdstuk 10, dat over de AG gaat, ga ik hier nader op in.

De PG die destijds het forensisch technisch onderzoek in zijn portefeuille had, heeft een intermediaire rol

gespeeld. Ik vind het terecht dat hij zich tot die rol heeft beperkt en zich niet met de inhoud heeft bemoeid.

4.5 Conclusies

Hoewel de veroordeling van Kees B. niet berust op technisch bewijs dat hem aan het feit of de PD koppelt,

heeft het technisch onderzoek een belangrijke rol gespeeld in de zaak tegen Kees B.. Als op de PD microsporen

van het lichaam van Nienke waren veiliggesteld en als de wijze waarop het lichaam van Nienke

is bewaard tot aan de sectie anders was geweest, zouden meer en betere sporen zijn veiliggesteld. Waarschijnlijk

zou dan (nog) duidelijker zijn geweest dat Kees B. niet paste in het sporenbeeld en waarschijnlijk

zouden er meer incriminerende sporen zijn gevonden.

De kwaliteit van de werkzaamheden van de TR had op een aantal punten beter gekund. Onder meer ten

aanzien van de uitgebreidheid en overzichtelijkheid van de verslaglegging, het fotografisch materiaal, de

overzichtelijkheid van de sporen(verwerking), de precisie en overzichtelijkheid van tekeningen, de verslaglegging

van negatieve resultaten en de interne verslaglegging. Dat had meer duidelijkheid gegeven voor de

tactische onderzoekers, de officieren van justitie, de rechters en de verdediging. Overigens is aan de TR

niet gevraagd om aanvullende processen-verbaal op bovenstaande punten.

HET TECHNISCHE ONDERZOEK 48

In RAG 'Park' heeft het aan synergie ontbroken tussen de technische en de tactische recherche. De TR

heeft geen bijdrage geleverd of kunnen leveren aan te kiezen onderzoeksrichtingen. Gestructureerde contacten

zouden wellicht geleid hebben tot betere vraagstelling aan het NFI, tot beter inzicht in wat er mogelijk

gebeurd was en tot een beter sporenmanagement. Ook op het punt van PD-management had informatieuitwisseling

tussen techniek en tactiek van belang kunnen zijn.

De gebrekkige verslaglegging bij politie, OM en NFI van contacten die er geweest zijn tussen deze drie

organisaties heeft een goede reconstructie van bepaalde aspecten van het onderzoek in deze strafzaak

bemoeilijkt.

De rapportages van het NFI zijn voor degenen voor wie zij bestemd zijn niet altijd makkelijk te doorgronden.

In de onderhavige zaak waren sommige rapportages op DNA-gebied erg complex, zowel door het aantal

onderzochte sporen als door de wijze van rapportage.

Aan het NFI worden soms vragen voorgelegd over DNA waarop het NFI geen wetenschappelijk verantwoorde

reactie kan geven. Bijvoorbeeld: hoe vaak komt het voor dat bij een delict waarbij veel lichamelijk

contact was tussen dader en slachtoffer geen sporen van de dader worden gevonden (ook geen microsporen)?

Of: hoe lang blijft DNA-materiaal in nagelvuil zitten en maakt het uit of de drager van het materiaal

nagelbijter is? Naar zulke vragen is geen of nauwelijks onderzoek gedaan dat harde resultaten geeft. Antwoorden

op zulke vragen waren van belang geweest in deze zaak.

Het NFI heeft er in deze zaak, voor het eerst in zijn geschiedenis, in gesprekken met het OM er op gewezen

dat er twijfels waren over de betrokkenheid van Kees B. bij de strafbare feiten. Die gesprekken hebben tot

niets geleid. De vraag kan gesteld worden of het NFI de twijfels op een andere manier kenbaar had moeten

maken aan de andere procespartijen die bij de zaak betrokken waren. Ik ben van mening dat het NFI dat

niet had hoeven doen. De NFI-medewerkers kenden immers slechts een deel van de zaak; het tactische

gedeelte van de zaak kenden zij nauwelijks. Zij konden dus niet inschatten of de zaak tegen Kees B. sterk

was of niet. Verder vind ik dat het niet de verantwoordelijkheid is van het NFI de andere procespartijen op

de hoogte te brengen van twijfel.

In eerste aanleg is de DNA-deskundige ter terechtzitting gehoord. Bij het gerechtshof zijn zowel de deskundige

als de onderzoeker ter zitting gehoord. In de verklaringen die zij ter terechtzitting hebben afgelegd,

hebben zij de twijfels die bij hen leefden over Kees B. niet kenbaar gemaakt. Dat kwam, zeggen zij, mede

doordat niet de juiste vragen werden gesteld, ook niet door de officier van justitie of de AG. Zij gaven antwoord

op de vragen die gesteld werden en brachten niet spontaan aanvullende punten op. Benadrukt moet

worden dat een getuige-deskundige ‘naar zijn geweten’ zijn werk moet (kunnen) doen. Dat kan betekenen

dat twijfels ongevraagd naar voren gebracht moeten worden. Een andere mogelijkheid zou zijn dat de officier

zulke twijfels moet doorgeven aan de rechter en de verdediging.

De twijfels die door de NFI-medewerkers naar voren waren gebracht, hadden natuurlijk niet hoeven te leiden

tot het stopzetten van de vervolging van Kees B. of het vragen van vrijspraak. De officier of AG konden

best van mening zijn dat de NFI-medewerkers het verkeerd zagen. Maar in het algemeen moet professionele

twijfel die geuit wordt door het NFI als zwaarwegend worden beschouwd en in het strafproces onderwerp

van bespreking worden gemaakt. Dat is in de onderhavige zaak in onvoldoende mate gebeurd. Dat heeft in

het nadeel van Kees B. uitgewerkt.

Of de zaak tegen Kees B. in eerste aanleg of in hoger beroep anders zou zijn afgelopen als de rechtbank of

het hof kennis had genomen van de twijfels die bij NFI-medewerkers leefden, kan ik niet met zekerheid

HET TECHNISCHE ONDERZOEK 49

beantwoorden. De kans op een andere afloop acht ik niet denkbeeldig. Maar los daarvan: dit was informatie

waarvan de rechter en de verdediging op de hoogte hadden behoren te zijn.

4.6 Aanbevelingen

Recherche

Het verdient aanbeveling in grote(re) onderzoeken een coördinator van de technische recherche toe te

voegen aan de teamleiding of één technisch rechercheur aan te wijzen als contactpersoon voor het tactische

team. De technisch rechercheur kan de schakel zijn tussen tactisch team/zaaksofficier en NFI. Vaak

spreken het NFI en een tactisch rechercheur/zaaksofficier niet dezelfde taal. Een technisch rechercheur,

mits goed opgeleid, kan een brugfunctie vervullen tussen NFI en opsporingsteam.30

Het verdient aanbeveling om van alle technische onderzoeken, dus ook van de technische onderzoeken

met negatieve uitkomst, verslag te doen in proces-verbaalvorm of in rapportvorm en die verslaglegging toe

te voegen aan het dossier. Bij krachtige in potentie ontlastende technische bevindingen moet hieraan expliciet

aandacht worden besteed.

Door de technisch rechercheurs is geen technisch journaal bijgehouden waarin zij verslag hebben gedaan

van bijvoorbeeld hun contacten met het onderzoeksteam en het NFI, of van intern overleg waarbij is gesproken

over onderzoeksmogelijkheden. Het verdient aanbeveling dat de TR, voor intern gebruik, een

technisch journaal bijhoudt.

De ‘chain of evidence’ en de ‘chain of custody’ van de stukken van overtuiging (SVO) was vaak onduidelijk.

Dat kan problemen opleveren in strafzaken. Naarmate technisch bewijs onaantastbaarder is en belangrijker

in de bewijsvoering wordt, komt er immers meer aandacht voor de formele kanten van technisch onderzoek:

zijn de FT (forensisch-technische)-normen in acht genomen, zijn de SVO’s wel goed bewaard, hoe zit het

met de administratie e.d. Het verdient aanbeveling om binnen een onderzoeksteam waar veel in beslag

genomen is, iemand te belasten met het sporenbeheer. Die persoon moet een overzicht bijhouden van de

SVO’s en sporen in het onderzoek. Hij moet kunnen zeggen waar de SVO’s zijn, welke onderzoeksopdrachten

zijn uitgezet en uitgevoerd, en wat de resultaten van de onderzoeken waren.

Daarnaast zou - op landelijk niveau - een database ontwikkeld moeten worden ten behoeve van registratie

van SVO’s, die het mogelijk maakt SVO’s en sporen te volgen gedurende het onderzoek en waarin ook

onderzoeksopdrachten verwerkt kunnen worden.31

Voor de lange termijn is het misschien mogelijk een landelijk systeem in te voeren waarbij met behulp van

technische mogelijkheden een SVO of een spoor een uniek nummer krijgt en gevolgd kan worden door het

onderzoek en de hele strafrechtsketen heen (en ook daarna, als dat nodig is). Dat systeem moet gebruikt

worden door politie, justitie en NFI.

30 Over opleidingen op forensisch technisch gebied, zie onder meer: J. van der Wegen, ‘Volgepompt met kennis. Nieuwe leergang

‘Recherchemedewerker/technisch rechercheur’, in: Recherche Magazine 2004 nr. 3, p. 30; H. Vogelsang, ‘Stroomversnelling

in de opsporing. Forensisch-technisch bewijs in tactische context blijven zien’ in: Recherche Magazine 2005 nr. 3, p. 7; H.

Vogelsang, ‘Nieuwe positie in de opsporing. Forensisch-technische opleidingen van start, in: Recherche Magazine 2005, nr. 3

p. 16.

31 Binnen het evaluatieonderzoek van de Schiedammer parkmoord is gebruik gemaakt van een Acces-database. In deze database

zijn gegevens met betrekking tot SVO’s en sporen uit RAG ‘Park’ ingevoerd. Daarbij is geprobeerd zoveel mogelijk te

werken volgens de FT-norm 903.01 van maart 2005. Vanuit de database kan een matrix worden gegenereerd met daarop de

ingevoerde gegevens. Het is ook mogelijk in de database te zoeken. In de genoemde FT-norm 903.01 worden aanbevelingen

gedaan over de administratie rondom SVO’s en sporen.

HET TECHNISCHE ONDERZOEK 50

Door de behandeling van het stoffelijk overschot van Nienke zijn sporen verloren gegaan. Er is geen FTnorm

voor het veiligstellen en bewaren van een stoffelijk overschot. Het verdient aanbeveling zo'n FT-norm

te ontwikkelen. In zo'n FT-norm zouden regels moeten worden opgenomen over bijvoorbeeld de kwaliteit en

het materiaal van de lijkenzak, over hoe een stoffelijk overschot vervoerd en bewaard moet worden, en dat

het bewaard moet worden in een afgesloten ruimte waartoe alleen de politie toegang heeft.

De drie technisch rechercheurs die in deze zaak op 22 juni 2000 werkzaamheden hebben verricht, kwamen

uit drie verschillende districten. Zij kenden elkaar niet of nauwelijks. In het algemeen kan gezegd worden

dat een centraal georganiseerde technische recherche voordelen heeft boven een gedecentraliseerde.

Terzake kundige leidinggevenden, eenheid van uitrusting, eenduidigheid in werkwijzen, inzicht in kennis- en

ervaringsniveau van de individuele medewerkers bij leidinggevenden, uitwisseling van kennis en ervaring,

invoering van nieuwe technieken, bijscholing, controle op de kwaliteit van de processen-verbaal en dergelijke:

het zijn allemaal zaken die in een grote centraal georganiseerde technische rechercheafdeling beter

geregeld kunnen worden dan in kleine decentraal georganiseerde afdelingen.

De processen-verbaal van de technisch rechercheurs waren erg summier. Een kwaliteitscheck had de kwaliteit

waarschijnlijk verhoogd. Het ware verstandig een kwaliteitscontrole te ontwikkelen voor processenverbaal

of rapporten van de TR. In het algemeen verdient het aanbeveling de processen-verbaal van de TR

te laten nalopen door een terzake kundig kaderlid van de TR op begrijpelijkheid, duidelijkheid en correctheid.

De teamleiding en de officier van justitie moeten in een zaak als deze kritisch zijn op het werk van de

TR.

De snij- en steekwonden van het slachtoffer Maikel zijn niet door een forensisch arts onderzocht en geïnterpreteerd.

In het onderzoek is men afgegaan op meningen van een behandelend arts, die niet forensisch

geschoold was. Indien een forensisch arts zou zijn ingeschakeld, zou er waarschijnlijk betrouwbaarder informatie

zijn geweest over de aard van het letsel van Maikel en het voorwerp waarmee het letsel was toegebracht.

In zaken als deze is het aan te bevelen een forensisch arts in te schakelen.

NFI

Vragen van het Openbaar Ministerie over de sectiebevindingen konden enkele maanden na de sectie niet

beantwoord worden. Het verdient aanbeveling meer beeldopnames te maken van gerechtelijke secties.

Ook verdient het aanbeveling na te gaan of de schriftelijke verslaglegging van secties uitgebreider en gedetailleerder

moet of verduidelijkt kan worden met foto’s.

Door een aantal NFI-medewerkers en -leidinggevenden is naar voren gebracht dat in een zeer klein aantal

zaken bij het NFI grote twijfel bestaat over de betrokkenheid van een verdachte bij het strafbare feit. In die

gevallen weet het NFI vaak niet waar men met die twijfel heen moet. Voor zulke gevallen moet een procedure

worden ontwikkeld om deze twijfel ter kennis te brengen aan de verantwoordelijken binnen het OM of

aan de zittende magistratuur. In elk geval zou een deskundige zijn twijfel duidelijk kenbaar moeten kunnen

maken in zijn rapport.

OM

Persoonlijke betrokkenheid van de officier van justitie bij het forensisch-technisch onderzoek en bij de contacten

met het NFI is belangrijk. De kennis van technische onderzoeken is bij de meeste officieren van

justitie kleiner dan wenselijk en noodzakelijk is. Het verdient aanbeveling te investeren in het vergroten van

die kennis.

HET TECHNISCHE ONDERZOEK 51

Algemeen

De wijze van rapporteren van het NFI sluit vaak niet aan bij het kennisniveau van politie, OM, rechter en

verdediging. Het is wenselijk dat de wereld van de forensische deskundigen en de wereld van de juristen

naar elkaar toe groeien. Het NFI moet uitgebreider en duidelijker rapporteren. Politie en juristen moeten

moeite doen zich te verdiepen in het forensisch-technische werk.

Het verdient voor politie/justitie en ook voor het NFI aanbeveling betere verslaglegging bij te houden van

contacten tussen NFI en politie/justitie.

De verdediging is voor het laten verrichten van (aanvullend) DNA-onderzoek afhankelijk van de officier van

justitie of de rechter. In de onderhavige zaak heeft de verdediging ook niet kunnen kennisnemen van de

twijfel van het NFI. Het verdient aanbeveling om te bezien of en hoe de positie van de verdediging in deze

versterkt moet worden.

HET TECHNISCHE ONDERZOEK 52

HET TACTISCHE ONDERZOEK 53

5 HET TACTISCHE ONDERZOEK

5.1 Inleiding

De feiten waarvan Nienke en Maikel slachtoffer zijn geworden, zijn gepleegd op 22 juni 2000 aan het eind

van de middag. Kort nadat die feiten bekend waren geworden was de politie ter plaatse. Toen is het tactische

opsporingsonderzoek begonnen. Brigadier S., de eerste politieambtenaar die ter plaatse was, heeft

van Maikel een beknopt signalement gekregen. Dat heeft hij doorgegeven aan de meldkamer. Die heeft dat

verspreid. Op de avond van 22 juni 2000 is uitgekeken naar een man die voldeed aan het verspreide signalement.

In dit hoofdstuk ga ik in op het tactische opsporingsonderzoek dat vanaf 23 juni 2000 door het onderzoeksteam

RAG ‘Park’ is uitgevoerd. In tijd kan een onderscheid worden gemaakt in twee periodes:

- de periode tussen 23 juni 2000 en de bekentenissen van Kees B. (paragraaf 5.2.);

- de periode na de bekentenissen van Kees B. (paragraaf 5.3.).

Een aantal aspecten van het tactische onderzoek die in beide periodes speelden, behandel ik in paragraaf

5.4.

In de eerste periode was RAG ‘Park’ als veel onderzoeken waarin het niet meteen duidelijk is in welke richting

de verdachte moet worden gezocht. Ik maak onderscheid in opsporingsactiviteiten op een aantal terreinen:

- opsporingshandelingen die erop gericht waren vast te stellen wie op 22 juni 2000 aan het eind van

de middag/begin van de avond in het Beatrixpark waren geweest (5.2.1.);

- opsporingshandelingen die werden verricht naar aanleiding van het signalement dat Maikel had

gegeven (5.2.2.);

- opsporingshandelingen die gericht waren op enkele personen voor wie het team meer dan bijzondere

belangstelling had, met uitzondering van Kees B. (5.2.3.);

- opsporingshandelingen gericht op Kees B. (5.2.4.);

- overige opsporingshandelingen (5.2.5.).

In de tweede periode was het onderzoek toegespitst op Kees B..

Het opsporingsonderzoek was omvangrijk. Met veel energie, menskracht en gedrevenheid is de politie aan

de slag gegaan om de dader te vinden. Het publiek heeft zich niet onbetuigd gelaten. In totaal zijn ongeveer

620 tips binnengekomen.32

In RAG ‘Park’ heeft de politie bijna 370 personen als getuige gehoord. Deze getuigen hebben samen zo’n

440 verklaringen afgelegd. 121 getuigenverklaringen, afkomstig van 81 getuigen, zijn in het eindprocesverbaal

opgenomen. Verder heeft de politie tientallen ambtshandelingen verricht.

32 In sommige stukken wordt gesproken over meer dan 1100 tips. Dat is wel te verklaren: er zijn namelijk 1144 onderzoeksformulieren

gemaakt. Die bevatten echter niet allemaal een tip. Veel onderzoeksformulieren bevatten namelijk alleen een werkopdracht.

HET TACTISCHE ONDERZOEK 54

5.2 Opsporingsonderzoek tussen 23 juni 2000 en de bekentenissen van Kees B.

5.2.1 Opsporingshandelingen die erop gericht waren vast te stellen wie op 22 juni 2000 aan het eind van

de middag/begin van de avond in het Beatrixpark waren geweest

Vooral in de eerste weken is door RAG ‘Park’ veel tijd en aandacht besteed aan het achterhalen en horen

van personen die op 22 juni 2000 's middags en aan het begin van de avond in het Beatrixpark waren geweest.

De nadruk daarbij lag op mensen die op/bij PD A en brug B waren geweest, maar het ging ook breder.

Hoewel een aantal getuigen tegen de politie heeft gezegd dat het die middag opvallend rustig was in het

park, waren er toch veel mensen in het park geweest op de middag van 22 juni 2000: mensen die hun hond

hadden uitgelaten, mensen die van werk naar huis waren gefietst, mensen die hadden meegedaan aan de

fietsvierdaagse die op 22 juni om 18.00 uur van start was gegaan, mensen die op de in het Beatrixpark

gelegen kinderboerderij hadden gewerkt, mensen die in speeltuin ‘Fort Drakensteijn’ waren geweest en

mensen die om andere redenen in het park waren geweest.

Van een aantal van de personen die op/bij PD A en brug B waren geweest toen Maikel uit de bosjes kwam

of die kort daarna waren aangekomen, waren de personalia ter plaatse opgenomen door de uniformdienst.

Onder hen waren getuige G 40 (de man naar wie Maikel toegelopen was toen hij uit de bosjes kwam) en

Kees B.. Kees B. had zijn personalia, adres en telefoonnummer aan brigadier S. gegeven voor hij doorfietste.

Met veel anderen heeft de politie later contact gehad (getuigen G 41 t/m G 53).

Ook met personen die kort voor 18.00 uur in de buurt van PD A waren gewest, is de politie in contact gekomen.

Onder hen:

- getuige G 35, die rond 17.30 uur door het Beatrixpark fietste en op het gras nabij brug A een fiets

in het gras zag liggen;

- getuigen G 36 en G 37, die tussen 17.00 en 18.00 uur samen hun honden hadden uitgelaten in het

park en die rond 17.30 uur in de buurt van PD A liepen en toen nabij brug A een fiets in het gras

hadden zien liggen;

- getuige G 39, die van zijn werk naar huis fietste en die terwijl hij langs PD A fietste een gesmoorde

kreet uit de bosjes van PD A hoorde.

Op een aantal dagen, onder meer op 26 en 27 juni 2000, hebben leden van RAG ‘Park’ passantenonderzoeken

gehouden in het park. Verder is eind juni 2000 bij het volkstuinencomplex dat naast het park ligt

onderzoek gedaan. Tussen 3 en 6 juli 2000 heeft de politie enkele controleurs van de hengelsportvereniging

benaderd in de hoop dat één van hen iets opvallends had gezien in het Beatrixpark op 22 juni 2000.

Ook heeft de politie alle medewerkers van de kinderboerderij bevraagd. Deze onderzoeken hebben, kan

achteraf worden vastgesteld, geen nuttige informatie opgeleverd.

In een later stadium heeft het opsporingsonderzoek de geografische kring verder verruimd. Op 23 augustus

2000 is een begin gemaakt met buurtonderzoeken in de omgeving van het Beatrixpark. Uit het journaal kan

worden afgeleid dat daarmee is gestopt op of rond 7 september 2000. In de periode tussen 23 augustus en

7 september 2000 is vooral in de wijk Kethel-vaart buurtonderzoek gedaan. Die wijk grenst aan het Beatrixpark.

Die wijk ligt ten noorden van de A20, de snelweg die Schiedam door midden scheidt. Maar ook in de

wijken Tuindorp en Blijdorp is buurtonderzoek uitgevoerd. Tuindorp ligt ten noorden van de A20, Blijdorp

direct ten zuiden van de A20. Bij de buurtonderzoeken is de politie met een aantal mensen in contact gekomen

die op 22 juni 2000 in het park waren geweest.

HET TACTISCHE ONDERZOEK 55

Niet gevonden zijn: (een) Turkse man(nen) met kinderen, een vrouw met hond en een kalende man met

bril.

Een aantal personen van wie men wist dat die op de middag van 22 juni 2000 in het park waren geweest,

zijn uiteindelijk niet gevonden. Ik besteed daar tamelijk uitgebreid aandacht aan, omdat het later van belang

zal blijken te zijn voor de onderbouwing van de verklaringen van Kees B. en de dossiersamenstelling (par.

9.1.2).

Onder de personen die niet gevonden zijn zit of zitten één of twee Turkse mannen met een paar kinderen.

Kees B. heeft verklaard dat hij een Turkse man met kinderen heeft gezien in de buurt van de achteringang

van de kinderboerderij. Waarschijnlijk was dat rond 17.40-17.45 uur. Hij was die mensen ook eerder tegengekomen,

namelijk toen hij naar de speeltuin in het park fietste en toen hij achter een jongetje aanfietste. Er

zijn een flink aantal anderen die ook over Turkse mensen spreken. De getuigen zijn niet unaniem over het

aantal Turkse mannen: sommigen hebben het over één man, anderen over twee. Ook het aantal kinderen

is niet steeds gelijk. De meeste getuigen denken dat de man/mannen Turks was/waren, maar een enkeling

zegt dat hij/zij mogelijk Marokkaans was/waren.

- Getuige G 833 zegt dat zij tussen 16.15-16.30 uur in speeltuin Drakensteijn twee Turkse mannen

met twee kinderen heeft gezien.

- Getuige G 934 zegt dat zij van 16.25 tot 17.00 uur in de genoemde speeltuin een Turkse of Marokkaanse

man met twee of drie kinderen heeft gezien.

- Getuige M. van de V.35 zegt dat hij op een tijdstip tussen 17.00 en 18.00 uur twee Turkse mannen

met twee Turkse kinderen in de genoemde speeltuin heeft gezien.

- Getuige G 1836 zegt dat zij rond 17.45 uur een Turkse man met kinderen heeft gezien nabij de

achteringang van de kinderboerderij in het Beatrixpark. Zij heeft met de man gepraat over een

drachtige koe die daar stond.

- Getuige F.D.37 zegt dat hij rond 17.55 uur één of twee Turkse of Marokkaanse mannen met één of

twee kinderen heeft gezien bij de heemtuin in het Beatrixpark.

- Getuige M.D.38 zegt dat zij op 22 juni 2000 met haar collega's S.D. en E.M. door het park fietste en

rond 17.45 uur in de buurt van de achteringang van de kinderboerderij en de ingang van de heemtuin

in het Beatrixpark twee Turkse mannen met twee kinderen heeft gezien. Haar collega S.D.

heeft het over één Turkse man met kinderen die zij rond 17.40 uur ziet. Haar collega E.M. kan

de precieze tijd niet aangeven. Hij spreekt over twee buitenlands uitziende mannen en twee kinderen

die in de richting van de heemtuin liepen.39

Hoewel er verschillen zijn, kan uit de onderlinge samenhang van de verklaringen van deze getuigen en de

verklaring van Kees B. naar mijn oordeel worden afgeleid dat zij allen over dezelfde man(nen) en kinderen

spreken.

In het onderzoek RAG 'Park' is geprobeerd de Turkse man(nen) met kinderen te vinden, onder meer door

een in het Turks vertaalde oproep te verspreiden in Schiedam en op te hangen op een paar plaatsen waarvan

men wist of dacht dat daar veel Turkse mensen kwamen. Dat heeft echter niets opgeleverd. (Ook in het

onderzoek tegen Wik H. is geprobeerd deze Turkse mensen te vinden, maar ook daar zonder succes.)

33 Verklaring van 25 juni 2000; opgenomen in eindproces-verbaal.

34 Verklaring van 26 juni 2000; opgenomen in eindproces-verbaal.

35 Verklaring van 9 augustus 2000; niet opgenomen in het eindproces-verbaal.

36 Verklaring van 26 juni 2000; opgenomen in het eindproces-verbaal.

37 Verklaring van 22 augustus 2000; niet opgenomen in het eindproces-verbaal.

38 Verklaring van 9 augustus 2000; niet opgenomen in het eindproces-verbaal.

39 De verklaringen van S.D. is afgelegd op 17 augustus 2000, die van E.M. op 10 augustus 2000. Deze verklaringen zijn niet

opgenomen in het eindproces-verbaal.

HET TACTISCHE ONDERZOEK 56

Ook een vrouw met een hond waarover Kees B. spreekt is niet gevonden. Kees B. zegt dat hij de vrouw -

hij schat haar leeftijd tussen de 30 en 40; zij had half lang donkerblond haar - met een bruine hond zag

toen hij de Turkse man met kinderen zag in de buurt van de achteringang van de kinderboerderij. Getuige

G 3240 heeft verklaard dat hij rond 17.45-17.50 uur langs de achterkant van de kinderboerderij fietste. Hij

zag tussen brug B en brug C een vrouw met een hond lopen. De vrouw was 30 tot 40 jaar oud en had donkerkleurig

haar. Zij droeg lichtkleurige kleding. De hond was een 'beetje roestbruin van kleur', had kort haar

en hangende oren en was ongeveer 60 cm hoog. Eind juli 2000 is in een plaatselijk huis-aan-huis blad een

oproep geplaatst waarin mensen die regelmatig hun hond uitlieten in het Beatrixpark werden opgeroepen

zich te melden bij de politie. Daar hebben enkele mensen op gereageerd, maar niet de vrouw met de hond

waarover Kees B. en getuige G 32 spreken.

Ook een kalende man van een jaar of 50-60 met bril, die over brug C zou zijn gefietst terwijl Kees B. op die

brug stond, is niet gevonden. Blijkens een ongedateerde notitie blijkt dat (vermoedelijk) twee analisten van

RAG ‘Park’ de stukken zijn doorgelopen om te zien of daarin een man is te vinden die zou kunnen passen

bij die beschrijving. In de notitie worden elf mannen genoemd die rond de 50 zijn. Op de lijst wordt melding

gemaakt van de verklaring van de hiervoor al genoemde getuige F.D. Hij heeft op 22 augustus 2000 verklaard

dat hij op 22 juni 2000 rond 17.50 uur over brug C het Beatrixpark in fietste. Op de brug heeft hij een

hem tegemoetkomende fietser gezien die hij beschrijft als een blanke man van rond de 50, brildragend,

rond gezicht. Over het haar zegt de getuige niets. De verklaring van getuige F.D. is niet bij het eindprocesverbaal

gevoegd. Uit de stukken waarover ik de beschikking had, blijkt niet of er iets is gedaan met deze

namenlijst.

5.2.2 Opsporingshandelingen die werden verricht naar aanleiding van het signalement dat Maikel had

gegeven

Signalement

Bij het onderzoek werd in het begin aansluiting gezocht bij het door Maikel gegeven signalement van de

dader. Enkele dagen na de feiten heeft de politie een aandachtsvestiging gemaakt en verspreid. Daarin

staat dat de politie in relatie tot het misdrijf in het Beatrixpark belangstelling had voor een man die voldeed

aan het volgende signalement:

- blanke man

- 20-35 jaar oud

- 180 cm lang

- normaal postuur

- opvallend bleek gelaat

- onverzorgde rode en zwarte puisten in het gezicht, waarvan er verschillende waren opengekrabd

- piercing met een goudkleurig ringetje in een van de oorschelpen

- donkerkleurig -mogelijk leren- jack

- donkere baseballpet

- blauwe spijkerbroek

- mogelijk gebruikmakend van een fiets.

Er zijn zoekslagen gemaakt in de volgende politiesystemen:

- Multipol (het basis bedrijfsprocessensysteem van de regiopolitie Rotterdam-Rijnmond);

- de bedrijfsprocessensystemen van aangrenzende politieregio's;

- het landelijke HKS (Herkenningssysteem).

40 Verklaring van 24 juni 2000; opgenomen in het eindproces-verbaal.

HET TACTISCHE ONDERZOEK 57

Daarbij werd gezocht op mannen tussen de 16 en 30 jaar met zedenantecedent(en), die op enigerlei wijze

affiniteit hadden met Schiedam en omgeving.

Het signalement is bekend gemaakt in de media, wat heeft geleid tot honderden tips uit het hele land

(waaronder ook veel tips van politieambtenaren uit andere regio’s) over mannen met pukkels en puisten.

Tijdens het onderzoek door RAG ‘Park’ is aan de Schiedammer parkmoord geen aandacht besteed in het

TV-programma ‘Opsporing Verzocht’.

Ook is door het onderzoeksteam navraag gedaan bij allerlei justitiële inrichtingen (o.m. TBS-klinieken; penitentiaire

inrichtingen) om te zien of daar iemand zat of had gezeten die in aanmerking zou kunnen komen

voor het plegen van de feiten.

Excel-bestand/Acces-database

In totaal zijn door tips en zoekslagen 547 namen naar boven gekomen van potentiële verdachten. Die namen

zijn in een excel-bestand gezet. Dat bestand is aangemaakt op 29 juni 2000. Het Salvador-team heeft

vastgesteld dat het bestand tot 13 september 2000 is geactualiseerd. Van deze personen werd uit politiebestanden

informatie opgevraagd. Door de teamleiding werd vervolgens per persoon een prioriteit toegekend:

hoog, midden of laag. Criteria voor de prioritering heb ik niet gevonden. Ook was het mogelijk dat

besloten werd iemand van de lijst van potentiële verdachten af te voeren.

Het was de bedoeling dat van degenen die een hoge en middenprioriteit hadden gekregen een persoonsdossier

werd aangelegd. Van velen met een middenprioriteit is geen persoonsdossier aangelegd. In totaal

zijn van 290 personen van de lijst van 547 persoonsdossiers aangelegd. Van die personen is veelal nadere

informatie opgevraagd bij bijvoorbeeld de afdeling bevolking van een gemeente, het documentatieregister

of bij financiële instellingen. Van een aantal van deze personen heeft het observatieteam op verzoek van

RAG ‘Park’ foto’s gemaakt.41

Op een datum die naar alle waarschijnlijkheid ligt in de laatste tien dagen van juli 2000 - de precieze datum

kon niet vastgesteld worden in het evaluatieonderzoek - is men begonnen met het overzetten van de persoonsgegevens

in een Acces-database. Ik kom daar later in dit hoofdstuk op terug (par. 5.4.4). De werkzaamheden

met de persoonsdossiers en de database waren niet afgerond toen Kees B. op 5 september

2000 werd aangehouden.

(Enge) man op bankje op PD C

Verschillende getuigen hebben gesproken over een man die zij op 22 juni 2000 ’s middags hadden gezien

in het Beatrixpark, zittend op een bankje op de plek die later is aangeduid met PD C. Op PD C staan twee

bankjes. De bankjes staan in de buurt van de achteringang van de kinderboerderij en de heemtuin. Op de

kaart die als bijlage bij het rapport zit, zijn de bankjes aangegeven.

Getuige G 24 heeft verklaard42 dat zij die middag, rond 16.40 uur, op één van de twee bankjes een man zag

zitten. Bij de man stond een fiets, licht van kleur, normaal model. Getuige G 24 zegt dat de fiets op de standaard

stond. (N.B.: de fiets van Kees B. had geen standaard; opmerking FP). De man was blank, had een

ongezond bleek gezicht en een spitse neus. Hij had geen bril, baard of snor. Hij droeg een petje dat donker

van kleur was en een rood embleem had. Hij droeg een donkerkleurige jas, mogelijk een bomberjack, een

41 Naar aanleiding van het verspreide signalement is niet getipt op Kees B.. In de eerste week van het onderzoek zijn drie tips

binnengekomen op Wik H. Van hem is een summier persoonsdossier aangelegd. H. had een middenprioriteit gekregen. Er is in

RAG 'Park' geen onderzoek naar H. verricht, althans dat blijkt niet.

42 Verklaring van 1 juli 2000; gevoegd bij het eindproces-verbaal.

HET TACTISCHE ONDERZOEK 58

blauwe spijkerbroek en lichtkleurige schoenen. De getuige schat de leeftijd van de man rond de 30. Met

deze getuige is geen enkele vorm van confrontatie gehouden.

Getuige G 2543 heeft rond 16.55 uur op dezelfde plek een man gezien. Hij schat de man op 16-18 jaar oud.

De man had een tenger postuur. Hij had een baseballcap op zijn hoofd. Hij had een blikje in zijn handen.

Tegen een prullenbak stond een fiets. Getuige G 25 weet geen verdere bijzonderheden. Met deze getuige

is geen enkele vorm van confrontatie gehouden.

Getuige G 2644 ziet rond 17.00 uur op dezelfde plek een man. Hij ziet ook een fiets: donker van kleur, klassiek

model, bel, hoog normaal stuur. De fiets stond tegen een vuilnisbak. De man zat dood voor zich uit te

staren. Getuige G 26 omschrijft de man als blank, tussen de 25-30 jaar oud, opvallend spierwit gezicht,

middenblond haar, geen baard, snor of bril, normaal postuur. Over de kleding zegt hij dat de man een zwarte

baseballcap op had, een zwart of blauw jack droeg en een donkerkleurige spijkerbroek en witte sportschoenen

aan had. Met deze getuige is op 22 augustus 2000 een opsporingsconfrontatie (zie par. 5.4.3)

gehouden. De lijst met getoonde foto´s zit niet achter het proces-verbaal van de confrontatie. Dat met getuige

G 26 een opsporingsconfrontatie is gedaan blijkt niet uit het eindproces-verbaal.

Getuige G 2745 was samen met getuige G 26. Getuige G 27 spreekt in zijn verklaring over een man met een

lijkbleek gezicht op een bankje op PD C. De man zat te roken en zat erbij alsof hij half dood was. Ook zijn

ogen vielen de getuige op: alsof hij spleetogen had. De man had geen baard of snor. Hij droeg een zwarte

baseballcap en onder de pet kwam iets blonds vandaan. De man droeg een jack. De getuige denkt dat de

man witte schoenen aan had. Getuige G 27 heeft ook een fiets gezien: een oude, afgetrapte fiets, rood van

kleur. Met deze getuige is op 31 augustus 2000 een opsporingsconfrontatie gehouden. De lijst met getoonde

foto´s zit niet achter het proces-verbaal van de confrontatie. Dat met getuige G 27 een opsporingsconfrontatie

is gedaan blijkt niet uit het eindproces-verbaal.

Getuige G 2846 heeft een man gezien die een onverzorgde indruk maakte. De getuige schat de leeftijd van

de man op 40-60. Hij zat te roken. Getuige G 28 heeft bij de man een fiets gezien: een donkerkleurige herenfiets,

zonder opvallende dingen zoals handremmen en versnellingen. Met deze getuige is geen enkele

vorm van confrontatie gehouden.

Verder is er een verklaring van getuige G 31.47 Hij had op 22 juni 2000 tot een uur of 5 gevist in het park. Bij

zijn wandeling naar de uitgang van het park zag hij bij brug A een man lopen. De man kwam hem tegemoet.

Getuige G 31 beschrijft de man als blank, tussen de 17-25 jaar, ongeveer 1 m 85 lang, pukkels in zijn

gezicht, voornamelijk op de wangen, doordringende blik in zijn ogen, slank postuur, droeg een lichtkleurig

petje en een lichtkleurig T-shirt en een trainingsbroek. Getuige G 31 zegt niets over een fiets. Met deze

getuige is op 24 augustus 2000 een opsporingsconfrontatie gehouden. De lijst met getoonde foto´s zit niet

achter het proces-verbaal van de confrontatie. Dat met getuige G 31 een opsporingsconfrontatie is gedaan

blijkt niet uit het eindproces-verbaal.

Niet gevoegd bij het eindproces-verbaal is de verklaring van 28 juni 2000 van getuige T.Y. Hij heeft verklaard

dat hij op 22 juni 2000, rond 16.10-16.15 uur, vlakbij het park een blanke man zag, leeftijd tussen de

25 en 30, met een eng, wit gezicht. Hij kan niet zeggen of de man puisten had. De man had een normaal

postuur en een lang, smal gezicht. Hij droeg een blauwe jas en een spijkerbroek en mogelijk een rood T-

43 Verklaring van 27 juni 2000; gevoegd in het eindproces-verbaal.

44 Verklaring van 26 juni 2000; gevoegd in het eindproces-verbaal.

45 Verklaring van 23 juni 2000; gevoegd in het eindproces-verbaal.

46 Verklaring van 26 juni 2000; gevoegd in het eindproces-verbaal.

47 Verklaring van 24 juni 2000; gevoegd in het eindproces-verbaal.

HET TACTISCHE ONDERZOEK 59

shirt. Met getuige T.Y. is op 21 augustus 2000 een opsporingsconfrontatie gedaan. (De foto van Wik H. zat

niet bij de getoonde foto´s.)

Evenmin gevoegd in het eindproces-verbaal is de verklaring van getuige Q.B., afgelegd op 26 juni 2000. Hij

zegt dat hij op 22 juni 2000, rond 18.00 uur, met drie vriendjes het Beatrixpark in fietste en toen een man

zag die het park uitliep. De getuige kon alleen de linkerkant van het gezicht van de man zien. De man had

een pokdalige huid. De huidskleur van de man wordt door de getuige omschreven als iemand die vaak

onder de zonnebank ligt. Eén van de drie vriendjes is niet gehoord, een tweede heeft geen man gezien en

de derde heeft wel een man gezien, maar weet niet hoe hij eruit zag.

Later in dit hoofdstuk komt aan de orde dat er enkele daderscenario’s zijn gemaakt. De man met het witte

gezicht op het bankje was één van de scenario’s. Er is een oproep gedaan in de media aan deze man om

zich te melden bij de politie. Dat heeft geen resultaat gehad.

Tramlijn 1

In het opsporingsonderzoek is tramlijn 1 een paar keer in beeld gekomen. Tramlijn 1 loopt van het Oostplein

in Rotterdam naar de wijk Woudhoek in Schiedam. Op 6 juli 2000 is trambestuurder S. gehoord. Hij

werkte meestal op tramlijn 1. Zijn verklaring zit niet bij het eindproces-verbaal. Hij heeft zich naar aanleiding

van het verspreide signalement gemeld bij de politie. Op 7 juli 2000 is trambestuurder W. gehoord. Zijn

verklaring zit evenmin bij het eindproces-verbaal. Op 22 juni 2000 was W. bestuurder op lijn 1. Hij kon zich

herinneren dat op die dag rond 19.00 uur een man was ingestapt op halte Parkweg en twee of drie haltes

voor het eindpunt (het eindpunt is in de wijk Woudhoek) was uitgestapt. De man was een jaar of 30-40 en

had wild krullend haar. Hij had een pokdalig gezicht met pukkels. Zowel aan S. als aan W. is een fotoserie

getoond van 11 foto’s van mensen die woonden in de wijk Woudhoek en op wie tips waren binnengekomen.

S. en W. herkenden niemand.

Op zaterdag 15 juli 2000, rond 18.50 uur, kwam de moeder van Maikel naar het politiebureau in Schiedam.

Zij vertelde dat zij en Maikel, rond 18.15 uur die avond, met de auto over de Burgemeester Van Haarenlaan

in Schiedam reden. Achterin een tram op lijn 1 richting Rotterdam, zag zij een man zitten die volgens haar

leek op het signalement van de dader dat door Maikel was gegeven. De man droeg een blauwe pet, had

een donkere jas aan en had een smal wit gezicht. Of hij pukkels had, had moeder niet kunnen zien. Moeder

vroeg aan Maikel of de man in de tram leek op de dader, waarop Maikel zei dat hij de betreffende man voor

90% herkende als de dader.

Diezelfde avond nog heeft het onderzoeksteam de bestuurder van de betreffende tram achterhaald. Hij had

in zijn tram niemand gezien met het signalement dat de moeder van Maikel had gegeven, maar zei erbij dat

hij het achterste deel van de tram niet goed in de gaten kan houden. Ook is die avond, zonder resultaat,

gepost bij de tramhaltes van lijn 1 in de wijk Woudhoek. Uit de stukken blijkt niet dat onderzocht is of er in

de tram of langs de route van de tram door bijvoorbeeld bewakingscamera's opnames waren gemaakt

waarop de man te zien was die door Maikel en zijn moeder was gezien.

Naar aanleiding van de melding van de moeder van Maikel is op dinsdag 18 juli 2000 een zoekslag gemaakt

in HKS op blanke mannen tot ongeveer 40 jaar, met een proces-verbaal op zedengebied, woonachtig in

de wijken Kethel, Spaland, Groenoord of Woudhoek of een link hebbend met die wijken. Deze wijken liggen

alle in het deel van Schiedam dat ten noorden van de A20 ligt. Deze zoekslag leverde vier personen op

(niet Wik H. of Kees B.). Die vier personen zijn met onderliggende stukken voorgelegd aan de l.o./plv. l.o.,

die moesten beslissen of van hen persoonsdossiers moesten worden aangelegd. Van alle vier is bij de

stukken een persoonsdossier aangetroffen.

HET TACTISCHE ONDERZOEK 60

Tussen 26 juli en 8 augustus 2000 hebben leden van RAG ‘Park’ op zes dagen controleacties uitgevoerd

op de route van tramlijn 1. Dat heeft geen resultaat gehad. Kennelijk is het tramproject op 8 augustus

beëindigd.

Cameraobservatie

Van 11 tot 25 augustus 2000 is er cameraobservatie geweest op een flatgebouw in de S-straat in de wijk

Woudhoek in Schiedam, omdat daar een man zou wonen die voldeed aan het verspreide signalement. Dat

heeft niets opgeleverd. Voor deze observatie had de zaaksofficier een bevel gegeven.

5.2.3 Opsporingshandelingen die gericht waren op enkele personen voor wie het team meer dan gemiddelde

belangstelling had, met uitzondering van Kees B.

Neppriester ‘Lars van Overveld’

Door RAG ‘Park’ is tamelijk veel tijd besteed aan een man die later een fantast bleek te zijn. Op 12 juli 2000

werd het onderzoeksteam RAG 'Park' gebeld door een man die zich Lars van Overveld noemde en zei dat

hij priester was. Hij vertelde tegen de politie dat die avond bij hem een man was komen biechten en dat die

man in de biecht had verteld dat zijn broer, die in Schiedam woonde, Nienke had vermoord. De biechtende

man had de priester gevraagd het verhaal 'een beetje' bekend te maken aan de politie. De priester gaf zijn

mobiele telefoonnummer aan de politie. Tussen 13 en 26 juli 2000 heeft RAG 'Park' een paar keer geprobeerd

in contact te komen met de priester via het door hem opgegeven telefoonnummer. Dat lukte één

keer. Er werd toen een afspraak gemaakt, die niet door de priester werd nagekomen. Via het door de

priester gegeven telefoonnummer kreeg de politie op 27 juli 2000 contact met een man die zei dat hij abt

was in het klooster van de Heilig Hart-kerk in Rotterdam en dat hij Lars kende. In Rotterdam bestaat geen

Heilig Hart-kerk. De politie had het ernstige vermoeden dat men te maken had met een neppriester. De

gedachte rees dat de man die zich voordeed als priester mogelijk betrokken was bij de misdrijven in het

Beatrixpark of beschikte over informatie die relevant was voor het onderzoek.

Tussen 17 en 29 augustus 2000 zijn de telefoongesprekken die werden gevoerd over het door Lars van

Overveld gegeven nummer opgenomen en afgeluisterd. Nader onderzoek van Rag 'Park' leidde tot de identificatie

van de gebruiker van dat telefoonnummer. Zijn echte naam was niet Lars van Overveld.

Die man is op 29 augustus 2000 op last van de raio-officier buiten heterdaad aangehouden op verdenking

van overtreding van de artikelen 289/287 Sr (moord/doodslag) en 242 Sr (verkrachting). Met toestemming

van de verdachte is op 29 augustus 2000 zijn woning in Breda doorzocht. Op 29, 30 en 31 augustus is de

man verhoord. Het onderzoek heeft uitgewezen dat hij niets met de feiten in het Beatrixpark te maken had

gehad. Hij is op 31 augustus 2000 in vrijheid gesteld. Deze man is, naast Kees B., de enige die in het kader

van het opsporingsonderzoek RAG ‘Park’ is aangehouden.

De zaak tegen deze neppriester had parketnummer 10/020014-00. (Het parketnummer van de zaak tegen

Kees B. was 10/020018-00.) In het eindproces-verbaal wordt geen melding gemaakt van de activiteiten in

de richting van Lars van Overveld.

Een man genaamd H.N.

Ook voor een man genaamd H.N. bestond tijdens het onderzoek meer dan gemiddelde aandacht. Op 10 en

23 augustus 2000 is deze man door leden van RAG 'Park' verhoord. Hij was uit andere hoofde aangehouden

(voor zedendelicten met kinderen). De man, geboren in 1947, is door leden van RAG ‘Park’ als

HET TACTISCHE ONDERZOEK 61

getuige gehoord, maar heeft wel de cautie gekregen. Met zijn toestemming hebben leden van RAG 'Park'

zijn woning doorzocht. Daarbij zijn een kettingslot, een zakmes en een pet in beslag genomen. Ook is

gekeken naar het profiel van zijn werkschoenen om te onderzoeken of dat overeen kwam met een schoenafdruk

die in het park was gevonden op PD D. Het mes van N. is voor onderzoek naar het NFI gestuurd.

Van N. is een persoonsdossier aangelegd. H.N. had niet te maken met de feiten in het Beatrixpark. In het

eindproces-verbaal wordt wel melding gemaakt van N.

Een man genaamd R.J.

Er was ook meer dan gemiddelde belangstelling voor R.J.. Leden van RAG 'Park' hebben met hem gesproken

op 23 en 24 augustus 2000. Hij is verhoord als getuige, maar heeft wel de cautie gekregen. De naam

van J. was op 5 juli 2000 door het CRI onder de aandacht van RAG 'Park' gebracht, omdat J. op internet

sterk geïnteresseerd was in kinderporno en omdat hij in Schiedam woonde. Van J. is een persoonsdossier

aangelegd. R.J. had niet te maken met wat gebeurd was in het Beatrixpark. In het eindproces-verbaal wordt

geen melding gemaakt van J.

Maikel

Natuurlijk is in de eerste weken van het onderzoek veel tijd en aandacht besteed aan het horen van Maikel

en het uitwerken van de verhoren die in de kindvriendelijke verhoorstudio waren opgenomen. In de eerste

dagen van het onderzoek zag het opsporingsteam Maikel als 100% slachtoffer, maar al snel ging men met

andere ogen naar hem kijken. In Hoofdstuk 6 ga ik daar op in.

5.2.4 Opsporingshandelingen gericht op Kees B. tot 5 september 2000

Aanvankelijk was Kees B. slechts getuige. Op 25 juni 2000 is hij in die hoedanigheid verhoord door twee

leden van RAG ‘Park’. Medio juli 2000 gebeurde er iets waardoor RAG ‘Park’ anders naar Kees B. ging

kijken. Op 12 juli 2000 werd Kees B. op de A-laan in Vlaardingen gezien door een jongetje. Dat jongetje

herkende Kees B. van een jaar eerder, toen Kees B. hem in Vlaardingen onzedelijke voorstellen had gedaan.

Dat jongetje is meteen naar zijn vader, politieambtenaar in de regio Rotterdam-Rijnmond, gegaan om

te vertellen dat hij de man had gezien die hem een jaar eerder had benaderd. De vader is direct met zijn

zoontje meegegaan naar de A-laan. Toen zij daar aankwamen, was Kees B. daar nog steeds. De vader

heeft Kees B. aangesproken. Kees B. gaf meteen toe wat hij een jaar eerder gedaan had, zei dat hij spijt

had en dat hij hulp nodig had. De vader heeft toen een afspraak met Kees B. gemaakt voor een gesprek op

het politiebureau in Vlaardingen. Later die dag heeft de vader in een politiesysteem laten kijken of er iets

over Kees B. bekend was. Hij hoorde toen dat Kees B. voorkwam in het onderzoek RAG 'Park'. De vader

heeft daarop contact opgenomen met het team RAG 'Park' en heeft verteld wat was gebeurd. RAG 'Park'

was geïnteresseerd in Kees B.. De afspraak die de vader had met Kees B. is op 14 juli 2000 door twee

leden van RAG ‘Park’ afgezegd. Vervolgens is door hen een nieuwe afspraak gemaakt voor 17 juli 2000.

Op 14 juli 2000 is door een lid van RAG ‘Park’ bij de Rijksdienst voor het Wegverkeer en het Centraal Bureau

Rijvaardigheidsbewijzen gevraagd of van Kees B. een pasfoto beschikbaar was.

Op 17 juli 2000 ’s avonds is Kees B. verhoord. Het gesprek viel uiteen in twee delen. In het eerste deel

werd hij verhoord als getuige zonder cautie. In het tweede deel werd hij ook verhoord als getuige maar toen

met cautie. In Hoofdstuk 7 ga ik in op de inhoud van de verhoren. Dat wat Kees B. over zichzelf vertelde

(bijvoorbeeld dat hij kinderen seksueel benaderde), de opvallende gelijkenis van de fiets van Kees B. met

een fiets die door getuigen in het park was gezien, liggend op het gras nabij PD A, in combinatie met de

aanwezigheid van Kees B. in het Beatrixpark nabij PD A op 22 juni 2000, vergrootte de aandacht van het

HET TACTISCHE ONDERZOEK 62

onderzoeksteam voor Kees B. aanmerkelijk. Op 17 juli 2000 zijn, met zijn toestemming, foto’s gemaakt van

Kees B., van zijn fiets en van zijn schoenen.

Na 17 juli 2000 bleef de politie aandacht houden voor Kees B.. Op 19 juli 2000 zijn Kees B.’s werkgeefster

en twee van zijn collega’s verhoord door een lid van RAG ‘Park’. In deze verhoren is onder meer gesproken

over de werktijden in het algemeen en die op 22 juni 2000 in het bijzonder. De twee collega´s verklaarden

onafhankelijk van elkaar dat zij normaal gesproken werken van 9.00 uur tot 17.30 uur, maar dat het ook wel

eens wat later wordt, maar nooit veel later dan 17.45 uur. Over 22 juni 2000 zeiden zij dat Kees B. waarschijnlijk

tot het eind van de dienst op het werk was. Zij denken dat zij die dag tot na 17.30 hebben gewerkt.

Deze verhoren zijn afgenomen op het werk van Kees B.. Kees B. zelf was toen op het werk en de rechercheur

heeft toen, blijkens het journaal, aan Kees B. uitleg gegeven over art. 27 van het Wetboek van Strafvordering

(definitie verdachte).

Bij de stukken waarover ik beschikte bij het evaluatie-onderzoek zit een e-mail waaruit kan worden opgemaakt

dat een lid van RAG ‘Park’ een keer met de werkgeefster van Kees B. in haar woning in Rotterdam

heeft gesproken, mogelijk op 15 juli 2000. Ik citeer uit die e-mail:

“10.00 uur

In haar woning aan de T...-weg [huisnummer] te Rotterdam gesproken met een vrouw genaamd

[naam werkgeefster en geboortedatum en –plaats en telefoonnummer].

Zij verklaarde het volgende:

- Kees B. werkt sinds een tweetal maanden bij [naam bedrijf] als magazijnmedewerker.

- Werktijden worden niet door middel van een prikklok o.i.d. bijgehouden.

- De werktijden zijn 09.00-17.30 uur. Soms iets langer als er een bodedienstauto (Van

Gend en Loos) geladen moet worden. Dit is echter nooit later dan 17.45 uur. Voor zover

[naam werkgeefster] uit haar geheugen kan putten is dit op donderdag 22/06/2000

niet het geval geweest.

- Kees B. komt op de fiets naar zijn werk.

- Kees B. heeft een gsm.

- Kees B. had op vrijdag 23/06/2000 vrij (vakantie) t/m donderdag 29/06/2000.

- Op die vrijdag de 23e heeft hij nog gesproken over het voorval met [naam werkgeefster]

en leek over zijn toeren.

- Op 30/06/2000 is Kees B. weer begonnen met werken.

- Op 13/07/2000 heeft hij zich ziek gemeld bij [naam bedrijf].

- Kees B. heeft contact met slachtofferhulp ivm de gebeurtenis.”

Van een verhoor van de werkgeefster in haar woning zit geen proces-verbaal bij de stukken.

Op 24 juli 2000 zijn aan getuigen G 35 en G 37 foto’s getoond van de fiets van Kees B.. Op 25 juli 2000

heeft Kees B. met twee rechercheurs van RAG ‘Park’ de route van zijn werk naar het park nagefietst. Op 28

juli 2000 zijn aan getuige G 55 drie foto’s van Kees B. en één foto van de fiets van Kees B. getoond. Op 1

augustus 2000 heeft een rechercheur van RAG ‘Park’ bij het bedrijf waar Kees B. werkte navraag gedaan

naar de alarminstallatie. Daarvan is geen proces-verbaal opgemaakt. Er is wel een aantekening van gemaakt

in het journaal. Op 3 en 4 augustus 2000 is Kees B. opnieuw verhoord. Op de laatste datum heeft hij

op verzoek van de politie een blauw Duckhams-shirt en een blauw T-shirt afgegeven voor vergelijkend

vezelonderzoek. In het journaal staat:

"Bij PV gehoord de getuige/verdachte Kees B. In overleg met [de plv. l.o.] aan Kees B. het donkerkleurige

shirt gevraagd welke hij als een soort van bedrijfskleding draagt. Deze werd in de woning

van B. door hem afgegeven. Later Kees B. nog een keer gebeld en hem meegedeeld dat het voor

een vergelijkend onderzoek ging en hij begreep dit en hij stelde het aan ons ter beschikking."

Die kledingstukken zijn op 8 augustus 2000 naar het NFI gegaan.

HET TACTISCHE ONDERZOEK 63

Op 29 en 30 augustus 2000 is Kees B. geobserveerd bij zijn werk. Op 29 augustus is gezien dat B. zijn

werk verliet om 17.38 uur. Op 30 augustus is gezien dat hij om 17.35 uur wegging van zijn werk. In de observatieverbalen

wordt niets gezegd over het wel of niet zien van een Van Gend & Loos wagen. In het relaas

van het eindproces-verbaal wordt opgemerkt dat op 29 augustus de Van Gend & Loos wagen om

17.38 uur was vertrokken bij Kees B.’s werk en dat op 30 augustus de Van Gend & Loos wagen nog niet

was geweest toen Kees B. vertrok.

Hoewel er veel aandacht voor Kees B. was, was het tot begin september 2000 niet zo dat alle aandacht van

het onderzoeksteam op Kees B. was gericht.

De bijzondere aandacht die de politie vóór 5 september 2000 voor Kees B. had was gebaseerd op de volgende

feiten en omstandigheden:

- hij was volgens de politie ten tijde van de feiten waarvan Nienke en Maikel het slachtoffer waren in

het Beatrixpark;

- hij was om 18.08 uur bij PD A;

- hij hield zich afzijdig op PD A;

- hij had een seksuele voorkeur voor kinderen;

- zijn fiets vertoonde opvallende overeenkomsten met de fiets die door getuigen was gezien, liggend

op het gras nabij PD A.

Op 5 september 2000 is Kees B. aangehouden. Op die dag is B.’s woning doorzocht. Er waren voldoende

feiten en omstandigheden om hem als verdachte aan te merken. Toen Kees B. aangehouden werd, was

het niet zo dat hij werd gezien als dé verdachte. Het was, hebben de zaaksofficier, de l.o., de plv. l.o. en

diverse teamleden in de interviews gezegd, eigenlijk de bedoeling om hem aan te houden, te ondervragen

en te zien of hij kon worden uitgesloten als verdachte; het team kon niet blijven doorgaan met het horen van

Kees B. als getuige met cautie.

5.2.5 Overige opsporingshandelingen

Telecommunicatie-onderzoek

Rond 10 augustus 2000 zijn bij vijf grote telecombedrijven zendmastgegevens opgevraagd voor het tijdvak

van 16.00 uur tot 19.00 uur op 22 juni 2000 voor de zendmasten in de omgeving van het Beatrixpark. De

zendmastgegevens zijn verstrekt en onderzocht, heeft één van de geïnterviewde analisten van RAG ‘Park’

gezegd. Het resultaat van dat onderzoek zit niet bij de stukken.

5.3 Opsporingsonderzoek na de bekentenissen van Kees B.

Na de bekentenissen van Kees B. op 9 en 10 september 2000 (zie Hoofdstuk 7) is te zien dat een verenging

optreedt in het onderzoek. Kort na de bekentenis van B. is door de l.o. besloten het onderzoeksteam in

te krimpen. De l.o. heeft in het interview gezegd dat het team werd ingekrompen omdat Kees B. bekend

had. In het journaal van vrijdag 15 september 2000 staat: “Met ingang van as maandag 18 september zal

RAG PARK bestaan uit de volgende medewerkers”. Daarna volgen de namen van acht vaste en vier incidentele

medewerkers. De vaste medewerkers waren de l.o., de wachtcommandant, twee analisten en vier

rechercheurs. (De plv. l.o. en de latere pv-coördinator worden niet genoemd in het namenlijstje. Zij waren

op 15 september op vakantie.) De incidentele medewerkers waren de vier familierechercheurs. In hoofdstuk

3 heb ik aangegeven dat er vanuit de korpsleiding of de parketleiding geen druk werd uitgeoefend het team

in te krimpen.

HET TACTISCHE ONDERZOEK 64

De onderzoekshandelingen die na 10 september 2000 zijn verricht, zijn bijna allemaal te koppelen aan

Kees B.. Er zijn na 10 september nog twee doorzoekingen geweest in de woning van B. (op 29 september

2000 en op 10 november 2000). Er is veel werk gemaakt van het in beeld brengen van de contacten die

Kees B. had (gehad) met minderjarigen in zijn (woon)omgeving. Veel getuigen die voor 5 september 2000

waren gehoord, zijn na 10 september 2000 nogmaals gehoord. Verder zijn kennissen van Kees B. ondervraagd.

Veel tijd is gaan zitten in de verhoren van Kees B. en de woordelijke uitwerking van die verhoren.

Het tijdstip waarop Kees B. op 22 juni 2000 van zijn werk was vertrokken, was van belang in de tijdlijn. De

tachograafschijven van de twee Van Gend & Loos wagens die op 22 juni 2000 ’s middags bij het werk van

Kees B. waren geweest, zijn in beslag genomen. De tijdsregistratie van de twee schijven liep niet parallel.

Er is weinig onderzoek gedaan naar de betrouwbaarheid van de tachograafinstallaties in de twee vrachtwagens,

bijvoorbeeld door de installaties in de vrachtwagens te onderzoeken. De tachograafschijven waren

weliswaar geijkt, maar de ijking geldt niet voor de tijdinstelling van de tachograaf. De chauffeurs van de

twee vrachtwagens zijn wel ondervraagd over de nauwkeurigheid van de installaties.

Op 7 september 2000 heeft de zaaksofficier een vordering 126n Sv gedaan aan KPN ter verkrijging van

historische telecomgegevens van het mobiele telefoonnummer van Kees B. voor de periode van 21 juni

2000, 17.30 uur tot 23 juni 2000, 17.30 uur. Die gegevens zijn verstrekt en gebruikt in het onderzoek. Uit

deze gegevens bleek dat Kees B.’s mobiele telefoon op 22 juni 2000, rond 18.07/18.08 uur (toen 112 werd

gebeld)48 en op 23 juni 2000 om 15.10 uur dezelfde zendmast had aangestraald. Dat is in het nadeel van

Kees B. uitgelegd, namelijk als aanwijzing dat hij die middag van de 23e in of nabij het Beatrixpark was

geweest. Niet gebleken is dat er nader onderzoek is gedaan bij het telecombedrijf naar het bereik van die

specifieke zendmast of de richting van waaruit de zendmast was aangekozen.

In het journaal hebben na 10 september 2000 verreweg de meeste aantekeningen te maken met Kees B..

In het journaal staat een paar keer bij onderzoekshandelingen die niet met Kees B. te maken hebben dat

deze niet meer relevant zijn door de bekentenis van Kees B..

De verenging in het onderzoek blijkt ook uit het feit dat, zoals naar voren kwam in interviews, de werkzaamheden

aan de persoonsdossiers gestopt zijn na de bekentenissen van Kees B.. Ook de persoonsdossiers

die een hoge prioriteit hadden gekregen zijn terzijde gelegd. Voor de tips die ten tijde van de bekentenis

van Kees B. nog niet waren onderzocht geldt hetzelfde.

Bij de stukken die mij ter beschikking stonden zit een getypt overzicht van 13 november 2000 met de titel

'Nog te verrichten onderzoeken’. Op het document staat niet door wie of voor wie het is gemaakt. Op het

overzicht staan ongeveer 20 punten die nog onderzocht moeten worden. Bijna alle punten hebben met

Kees B. te maken.

Ook het concept-verslag van de bijeenkomst van 19 januari 2001 op het NFI (zie Hoofdstuk 3) geeft aan dat

(bijna) alleen op Kees B. onderzoek werd gedaan. Tijdens die bespreking is door het NFI voorgesteld om

van meer mensen uit de kring van Nienke DNA-materiaal af te nemen. Dat voorstel is afgewezen, omdat

men Kees B. had als bekennende verdachte.

48De 112-meldkamer geeft 18.08.11 uur als tijdstip waarop de melding is gedaan. Op de historische printgegevens van de

mobiele telefoon van Kees B., welke gegevens in het kader van het opsporingsonderzoek zijn opgevraagd, staat als tijdstip

waarop naar 112 is gebeld door Kees B.: 18.07.58 uur. De duur van het telefonisch contact dat toen is gevolgd en dat het contact

met 112 omvat en het contact met de Rotterdamse meldkamer, was 129 seconden. De zendmast die werd aangekozen bij

dit telefonisch contact had nummer 11857.

HET TACTISCHE ONDERZOEK 65

5.4 Opsporingsactiviteiten en aspecten die in beide periodes speelden

5.4.1 Reconstructie

Met veel personen die verklaringen hebben afgelegd is een individuele reconstructie gedaan. Het ging

daarbij vooral om het narijden of nalopen van routes om te zien hoe lang iemand over een bepaald traject

deed en hoe laat hij/zij ergens geweest zou kunnen zijn. Niet blijkt dat is overwogen om de diverse individuele

reconstructies met elkaar te combineren of dat aan het landelijk reconstructieteam om advies is gevraagd

over de mogelijkheden of onmogelijkheden van een grote reconstructie.

De raadsman van Kees B. heeft tijdens de behandeling van de zaak bij het gerechtshof verzocht een reconstructie

te houden. Dat verzoek is afgewezen.

5.4.2 Scenario's

Bij het onderzoeksmateriaal zitten vier dadertheorieën, elk voorzien van argumenten pro en contra een

bepaalde theorie. Drie van de vier theorieën hebben betrekking op Maikel en mensen uit zijn omgeving. De

vierde heeft betrekking op de man met het witte gezicht op het bankje. Volgens de raio-officier zijn deze

scenario's in het begin van het onderzoek aan de orde geweest, maar zij zouden pas op papier gezet zijn

door de l.o. toen Kees B. al vast zat. De reden voor het op dat moment op papier zetten van de scenario's

is niet duidelijk geworden. Evenmin is duidelijk wat er mee gedaan is.

5.4.3 Confrontaties

In het onderzoek RAG 'Park' zijn veel confrontaties geweest, zowel voor als na 10 september 2000. Slechts

een klein deel zit in het eindproces-verbaal dat naar de rechtbank en de verdediging is gegaan. De confrontaties

die buiten het procesdossier zijn gebleven, zijn niet ontlastend voor Kees B..

De confrontaties kunnen in drie groepen verdeeld worden.

De eerste groep bestaat uit opsporingsconfrontaties die met 49 getuigen gehouden zijn. Opsporingsconfrontaties

zijn meervoudige fotoconfrontaties waarbij op grond van het door de getuige gegeven signalement

een selectie wordt gemaakt uit het bestand politiefoto's. De foto's die voldoen aan het door de getuige

gegeven signalement worden met een geautomatiseerd fotokijksysteem dat is gekoppeld aan HKS aan de

getuige getoond. Deze opsporingsconfrontaties hebben bijna allemaal plaatsgevonden tussen begin augustus

en begin september 2000. Zij zijn uitgevoerd met getuigen die hadden verklaard een man gezien te

hebben die zij eng vonden of die zou passen binnen het verspreide signalement. Dat waren lang niet allemaal

getuigen die op 22 juni 2000 iemand in het park hadden gezien. De foto’s die getoond werden aan

deze getuigen zijn door het fotokijksysteem geselecteerd. Het was niet zo dat de getoonde foto’s geselecteerd

werden uit de lijst van 547 potentiële verdachten. Voor Kees B. zijn deze confrontaties niet relevant.

De foto van Kees B. zat niet in HKS en kon dus ook niet geselecteerd worden. Van deze opsporingsconfrontaties

zijn processen-verbaal gemaakt. Daarin staat hoeveel foto´s de getuige heeft gezien en of de

getuige wel of niet iemand herkende of meende te herkennen. Bij een aantal van die processen-verbaal

ontbreekt de bijlage waarop de nummers staan van de getoonde foto´s.

De tweede groep confrontaties waren de fotoconfrontaties met mensen die op 22 juni 2000 rond 18.00 uur

bij PD A en op/bij PD A en brug B waren geweest. Het exacte aantal personen dat rond die tijd op die plek

is geweest, heeft RAG ‘Park’ niet kunnen vaststellen, maar de meeste mensen die toen daar geweest zijn,

zijn achterhaald. Van de meesten van hen is een foto gemaakt. Die foto’s zijn in een map gedaan. De map

is getoond aan personen die op 22 juni rond 18.00 uur op/bij PD A en brug B waren geweest. Dit werd aanHET

TACTISCHE ONDERZOEK 66

vankelijk gedaan om duidelijkheid te krijgen over wie toen daar geweest was en wie wat had gedaan. Later

werden de foto’s getoond om erachter te komen wat Kees B. had gedaan en hoe hij zich had gedragen.

Van de personen die bij op/bij PD A en brug B waren geweest op 22 juni rond 18.00 uur, herkende niemand

Kees B. met zekerheid. Een paar getuigen zeiden bij het zien van de foto van Kees B. dat het postuur van

de man op de foto hen deed denken aan iemand die op de brug aanwezig was. Overigens werden maar

weinig mensen die aanwezig waren geweest met zekerheid herkend door andere aanwezigen.

De derde categorie confrontaties is voor Kees B. het belangrijkst. Van de hierna te noemen confrontaties is

steeds proces-verbaal opgemaakt. Deze processen-verbaal zijn gevoegd in het eindproces-verbaal. Het

gaat om de volgende confrontaties.

- De confrontatie in persoon met een vrouw, getuige G 54, die op de ochtend van 23 juni 2000 een

man in het Beatrixpark had gezien op PD A: G 54 was toen samen met haar buurman, de hieronder

te noemen getuige G 55. Met getuige G 54 is op 5 september 2000 op het politiebureau in

Schiedam een één-op-één confrontatie gehouden, waarbij zij Kees B. voor 85 à 90% herkende als

de man die zij had gezien.

- De fotoconfrontatie op 28 juli 2000 met een man, getuige G 55, die op de ochtend van 23 juni 2000

met getuige G 54 bij PD A een man en een fiets had gezien: aan hem zijn drie foto’s van Kees B.

getoond. Bij twee van de foto’s zegt hij dat de man op de foto het postuur heeft van de man die hij

in het park heeft gezien. Bij de derde foto zegt hij dat hij die man niet kent. Aan getuige G 55 is ook

een foto van de fiets van Kees B. getoond. Daarvan zegt hij dat de fiets op de foto soortgelijk is

aan de fiets die hij op 23 juni 2000 heeft gezien.

- De fotoconfrontaties met de fiets van Kees B.: een aantal getuigen had op 22 juni 2000 rondom het

tijdstip van de feiten een fiets in het park nabij PD A zien liggen. Aan hen zijn foto's van de fiets van

Kees B. getoond. Dat waren getuigen G 35, G 36 en G 37. Aan getuige G 35 zijn op 24 juli 2000

foto’s van de fiets van Kees B. getoond. De getuige zegt dat de fiets qua model veel lijkt op de fiets

die hij heeft zien liggen, maar dat hij niet met 100% zekerheid kan zeggen dat het dezelfde fiets is.

Aan getuige G 35 wordt ook een foto getoond van het slot van de fiets van Kees B.. Daarvan zegt

hij dat hij zich dat slot in combinatie met de fiets die hij heeft zien liggen niet kan herinneren.

- Aan getuige G 36 zijn begin december 2000 per e-mail een aantal foto’s van de fiets van Kees B.

voorgelegd. Getuige G 36 verbleef toen voor langere tijd in de Verenigde Staten. Op 5 december

2000 vindt vervolgens een telefonisch verhoor plaats. De getuige zegt: “Ik kan u zeggen dat ik mij

de tering schrok toen ik de foto’s zag. Ik herkende de fiets op de foto’s als sterk gelijkend op de

fiets die ik had omschreven in mijn eerdere verklaring. Het was de fiets die ik in de berm had zien

liggen.” Aan de getuige wordt gevraagd waaraan hij de fiets herkent. Hij zegt: “Ik herkende de fiets

in eerste instantie aan de kleur en het model. Opvallend vond ik echter het grote slot dat rond het

zadel zat, het stuur en het iets vergrote zadel. Door die punten herken ik de fiets.” Achter dit verhoor

van getuige G 36 zijn twee foto’s gevoegd. Onder de foto’s staat ‘Achteraanzicht fiets verdachte

K. B.’ en ‘Vooraanzicht fiets verdachte K. B.’. De mogelijkheid bestaat dat die teksten onder

de foto’s stonden toen zij aan getuige G 36 zijn ge-emaild. Op de terechtzitting van 15 mei

2001 is getuige G 36 gehoord. De rechtbank heeft hem toen dezelfde foto’s van de fiets van Kees

B. laten zien als die hij eerder had gezien.

- Aan getuige G 37 zijn op 24 juli 2000 foto’s van de fiets van Kees B. getoond. Hij zegt dat er grote

gelijkenis is met de fiets die hij in het park heeft zien liggen, dat hij niet weet of het dezelfde fiets is,

dat hij denkt dat het de fiets niet is, omdat “het zeker weten een ander slot betrof.”

HET TACTISCHE ONDERZOEK 67

De hierboven beschreven confrontaties van de derde categorie waren van belang omdat zij zijn gebruikt

voor het bewijs dat de fiets die getuigen hadden zien liggen op het gras nabij PD A de fiets van Kees B.

was. De confrontaties met getuigen G 54 en G 55 zijn gebruikt om aannemelijk te maken dat Kees B. op 23

juni 2000 op PD A was en dat hij loog toen hij dat ontkende. In geen van deze gevallen is een meervoudige

confrontatie gehouden. De l.o. heeft in het interview gezegd dat hij geen bedenkingen had bij de één-opéén

confrontaties. De zaaksofficier heeft in het interview gezegd dat zij er pas later is achtergekomen dat

veel confrontaties enkelvoudig waren geweest.

5.4.4 Beschikbaarheid van hulpmiddelen, systemen en deskundigheid binnen de politie

Octopus

Er is door RAG 'Park' geen gebruik gemaakt van Octopus. Dat systeem, dat vooral gebruikt wordt in

grote(re) rechercheonderzoeken, was wel beschikbaar in de regio Rotterdam-Rijnmond. Octopus is niet

gebruikt vanwege problemen met opleidingen voor Octopus en autorisaties. Op het niveau van de centrale

recherchedienst in de regio Rotterdam-Rijnmond was het gebruik van Octopus in 2000 wel ingeburgerd,

maar op districtelijk niveau was dat niet het geval. In veel grote onderzoeken die op districtsniveau werden

gedraaid, werd Octopus niet gebruikt.

Acces-database

Drie leden van RAG 'Park', onder wie twee analisten, hebben op donderdag 6 juli 2000 een bezoek gebracht

aan een politieteam elders in Nederland, dat erg veel persoonsgegevens had moeten verwerken.

Binnen dat team was een Acces-database in gebruik, waarover men tevreden was. De leden van RAG

'Park' hebben bij hun collega's inspiratie opgedaan. Vervolgens is door een politieambtenaar van de regiopolitie

Rotterdam-Rijnmond - een inspecteur bij de recherche in Schiedam - een Acces-database gemaakt.

Het heeft na 6 juli 2000 enkele weken geduurd voordat die database beschikbaar was voor RAG 'Park'. De

Acces-database van RAG ‘Park’ heeft de naam RAG Support System gekregen (RSS). Het RSS was zowel

bij het invoeren van gegevens als bij het raadplegen gebruikersvriendelijk, heeft één van de analisten

gezegd. In het RSS zijn door vier medewerkers van RAG 'Park' de gegevens ingevoerd van personen van

de lijst van 547.

Het hiervoor bedoelde politieteam heeft aan RAG 'Park' een database ter beschikking gesteld met daarin

gegevens over personen die TBS hadden gekregen.

ViCLAS

Op 25 juni 2000 is een medewerker van de toenmalige CRI die gespecialiseerd was in ViCLAS op bezoek

geweest bij het onderzoeksteam. ViCLAS staat voor Violent Crime Linkage Analysis System. Het is een van

oorsprong Canadees programma voor registratie en analyse van opgeloste en niet-opgeloste zedenzaken,

moordzaken met een duidelijke seksuele component en moordzaken met een psychotische achtergrond,

voor zover deze feiten zich niet hebben afgespeeld in een verhouding waarbij dader en slachtoffer elkaar

kenden. Er moeten (erg) veel gegevens worden ingevoerd over het feit, de persoon van de dader (als die

bekend is), het fysieke, verbale en seksuele gedrag van de dader tijdens het delict, het slachtoffer e.d. Het

programma maakt het mogelijk om overeenkomsten te zien tussen zedenzaken, uiteraard voor zover die

zijn ingevoerd. Met ViCLAS is het ook mogelijk geografische zoekslagen te doen. In potentie biedt ViCLAS

goede mogelijkheden voor het leggen van verbanden tussen zedendelicten (nationaal en internationaal).

De databank moet dan wel gevuld worden met zaken.

HET TACTISCHE ONDERZOEK 68

Op 19 juli 2000 heeft een ViCLAS-medewerker twee namen doorgegeven aan RAG ‘Park’. Van deze twee

personen zijn persoonsdossiers opgemaakt. Op 27 juli 2000 zijn twee leden van RAG ‘Park’ op bezoek

geweest bij ViCLAS. Zij hebben toen verklaringen van Maikel afgegeven aan een ViCLAS-medewerker.

Wik H. had zich op 4 april 1999 schuldig gemaakt aan een zedendelict in Maassluis. Hij was voor dat feit

aangehouden en veroordeeld. De gegevens van die zaak waren niet opgenomen in ViCLAS.

Misdaadprofiler/gedragskundige invalshoek

Op 27 juni 2000 hebben een misdaadprofiler en een gedragskundige van de toenmalige CRI het RAG

‘Park’ bezocht. Zij konden vanuit gedragskundige hoek naar de feiten in het Beatrixpark kijken. Aan hen is

door een aantal leden van het onderzoeksteam uiteengezet welke informatie er was. De profiler heeft geen

daderprofiel gegeven, maar heeft wel een aantal punten genoemd waaraan gedacht zou kunnen worden

door het team. Van datgene wat de profiler zei, is door één van de leden van RAG 'Park' een puntsgewijs

verslag gemaakt.

De KLPD-medewerkers die op 25 en 27 juni 2000 bij het team zijn geweest, zijn niet op verzoek van het

onderzoeksteam gekomen, maar hebben zichzelf aangeboden.

Analisten

In RAG ‘Park’ hebben drie analisten werkzaamheden verricht. Zij hebben veel tijd besteed aan het aanleggen

van persoonsdossiers en aan het analyseren van de informatie in de persoonsdossiers. Door één van

de analisten is een tijdlijn gemaakt. Uit een gesprek met één van de analisten bleek dat de analisten zich

ook hebben bezig gehouden met de analyse van telecomgegevens. De teamleiding en de officieren van

justitie waren niet over alle analisten even tevreden, zeiden zij in de interviews. In het bijzonder één analist

zou niet de vereiste kwaliteiten hebben gehad voor een onderzoek als dit.

Op een gegeven moment zijn de analisten zich gaan bezig houden met het maken van de zogenaamde

'bewijswijzer' voor de zaaksofficier. Dat document is niet toegevoegd aan het eindproces-verbaal en is niet

bekend geworden bij rechters of verdediging, blijkt uit navraag bij deze betrokkenen. De bewijswijzer geeft

niet blijk van een kritische blik op de onderzoeksresultaten.

In het onderzoek RAG ‘Park’ was de tijdlijn een onderwerp van belang. Met de tijdlijn bedoel ik het overzicht

van gebeurtenissen en activiteiten op de middag van 22 juni 2000, in het bijzonder het tijdvak van ongeveer

17.00 tot 18.10 uur, het tijdvak waarbinnen de strafbare feiten waren gepleegd. Als werd uitgegaan van de

tijdstippen die Maikel had genoemd in zijn verklaringen, kon Kees B. de feiten niet gepleegd hebben. Ook

als niet werd uitgegaan van de verklaringen van Maikel voor de tijdstippen, was het moeilijk een tijdlijn te

maken waar Kees B. ingepast kon worden als dader. De l.o. heeft in het interview gezegd dat de tijdlijn die

gemaakt werd niet kloppend was te krijgen. De plv. l.o. heeft in het interview gezegd dat het maken van een

kloppende tijdlijn erg moeilijk was. De pv-coördinator heeft in het interview gezegd dat hij en twee analisten

geprobeerd hebben de tijdlijn kloppend te maken, maar dat dat niet gelukt is. Een van de geïnterviewde

analisten zei in antwoord op de vraag of Kees B. de feiten qua tijd gepleegd kon hebben, ‘dat ze geen

100% hadden’; hij vond zelf dat hij op 90% zat en dat Kees B. niet werd uitgesloten.

Invloed van buiten

Door velen die bij de zaak betrokken waren, zowel van binnen het onderzoeksteam als van buiten, is in de

interviews gezegd dat er grote druk op het team lag en dat dit merkbaar was. De feiten hadden veel maatschappelijke

onrust veroorzaakt. Er was veel mediabelangstelling. Van veel kanten was belangstelling voor

HET TACTISCHE ONDERZOEK 69

de voortgang van het onderzoek (media, districtsleiding, korpsleiding, parketleiding, burgemeester). Iedereen

in het onderzoeksteam was doordrongen van het belang van oplossing van deze zaak. De druk die er

was op het team heeft, zegt men, geen invloed gehad op de manier van werken en heeft niet geleid tot het

nemen van bepaalde beslissingen of het achterwege laten van aanpassingen in het onderzoek.

In RAG ‘Park’ is men de eerste maanden terughoudend naar de pers geweest. Er is, zoals hierboven al

werd gezegd in 5.2.2, ten tijde van RAG ‘Park’ geen aandacht besteed aan de Schiedammer parkmoord in

'Opsporing Verzocht'.49

5.5 Beoordeling

5.5.1 Opsporingsonderzoek tussen 23 juni 2000 en de bekentenissen van Kees B.

De gebrekkige verslaglegging van het overleg van de officieren van justitie en de teamleiding maakt het erg

moeilijk te reconstrueren wat door de leidinggevenden is besproken en beslist over onderzoeksrichtingen.

Tot aan de bekentenissen van Kees B. in het weekend van 9 en 10 september 2000 is bij het opsporingsonderzoek

in RAG 'Park' gewerkt zoals meestal gewerkt wordt bij onderzoeken naar ernstige feiten waar

niet meteen duidelijk is in welke hoek de verdachte moet worden gezocht. Het onderzoek was breed en alle

mogelijkheden werden open gehouden. Er is met veel mensen en met veel energie gewerkt aan het onderzoek.

Er is erg veel informatie verzameld. De verwerking daarvan verliep niet steeds soepel.

Binnen de regio Rotterdam-Rijnmond bestond de RAG-map. Een kopie van deze map is aan mij ter beschikking

gesteld door het korps Rotterdam-Rijnmond. In de RAG-map zaten onder meer stroomschema’s

voor werkopdrachten, blanco tipbladen en confrontatierichtlijnen. Er werd, voor zover dat valt na te gaan, bij

het verwerken en uitzetten van de tips en werkopdrachten gewerkt volgens de lijn die in de RAG-map werd

uiteengezet.

Het opsporingsonderzoek lijkt in deze periode niet erg gestructureerd geweest te zijn. Zo blijkt bijvoorbeeld

niet dat de onderzoekshandelingen die verricht moesten worden, verdeeld zijn in handelingen met een

hoge en een lagere prioriteit. Verder kan niet met zekerheid worden gezegd of er bijeenkomsten zijn geweest

waar het hele team aanwezig was en waarin de stand van zaken van het onderzoek werd besproken

of waar werd gebrainstormd of gediscussieerd over handelingen die nog gedaan konden worden. Sommige

geïnterviewde teamleden meenden dat een of meer van zulke bijeenkomsten hadden plaatsgehad, maar

andere geïnterviewde teamleden meenden dat dat niet zo was. In elk geval: als zulke bijeenkomsten hebben

plaatsgevonden, dan ontbreekt verslaglegging ervan.

In het interview met de wachtcommandant van RAG ‘Park’ kwam naar voren dat de opdrachten werden

uitgezet bij de koppels rechercheurs zonder dat de teamleiding aangaf welke prioriteit de opdracht had.

Sommige koppels hadden zoveel opdrachten dat het niet anders kon of zij moesten zelf een prioritering

aanbrengen, zei de wachtcommandant.

Het lijkt verder alsof tussen de verschillende koppels weinig samenwerking bestond. Zo kan ik bijvoorbeeld

niet zien dat in de eerste weken een gemeenschappelijke inzet is geweest om zoveel mogelijk mensen te

vinden die in het park waren geweest op 22 juni 2000. Wel is te zien dat nog lang na 22 juni 2000 nieuwe

getuigen naar voren komen die op 22 juni in het Beatrixpark waren geweest.

49 Ten tijde van het Capri-onderzoek is de zaak wel in ‘Opsporing Verzocht’ geweest.

HET TACTISCHE ONDERZOEK 70

Van samenhang tussen de werkzaamheden van de technisch rechercheurs en de tactisch rechercheurs is

niet veel te zien. In Hoofdstuk 4 (par. 4.2.12.) kwam naar voren dat de samenwerking in het begin normaal

en constructief was, maar dat er al snel een situatie ontstond dat het contact verminderde. Niet gebleken is

dat de technisch rechercheurs door de teamleiding betrokken zijn bij besprekingen over te volgen onderzoeksrichtingen.

Opmerkelijk vind ik dat het buurtonderzoek pas eind augustus 2000 van start is gegaan, dus twee maanden

na de feiten in het Beatrixpark. Er zijn argumenten om het buurtonderzoek kort na de feiten te houden: de

dader had het park moeten inkomen en uitgaan, dus mensen die in de buurt van toegangen van het park

woonden, zouden iets gezien kunnen hebben. Naarmate langer werd gewacht met het bevragen van die

mensen, werd de kans op onvolledige of onnauwkeurige herinneringen vergroot.

Er is veel tijd en aandacht besteed aan de persoonsdossiers. Hoe de hoog-midden-laag prioritering van

potentiële verdachten tot stand kwam en op grond van welke criteria werd besloten om van iemand wel of

geen persoonsdossier aan te leggen is niet duidelijk geworden. Er waren geen criteria afgesproken of vastgelegd,

althans deze waren voor mij niet te vinden. Ook is niet steeds duidelijk wat gedaan werd met de

verzamelde informatie. Bijvoorbeeld: in de eerste weken van het onderzoek is erg vaak getipt op een man

die op en rond Utrecht CS rondhing. Er is een foto van die man opgevraagd. Hij paste goed in het signalement

dat Maikel had gegeven. Van deze man is wel een persoonsdossier opgemaakt, maar van een vervolgonderzoek,

bijvoorbeeld om hem uit te sluiten als verdachte, is niet gebleken.

In het begin van het onderzoek was er bij team(leiding) en officieren van justitie veel twijfel over Maikel; een

strafbare betrokkenheid van Maikel bij de feiten was een serieuze optie. De mening van een extern deskundige

was daarbij van grote invloed. In het volgende hoofdstuk ga ik dieper in op de rol van deze deskundige.

In hoeverre in de gedachtevorming rondom Maikel gewicht is toegekend aan feiten en omstandigheden

die hem vrijpleitten, blijkt niet of nauwelijks. Als voorbeelden van zulke feiten en omstandigheden

noem ik: de feiten waren gepleegd met een mes en op of in de buurt van PD A is geen mes gevonden en

Maikel, die naakt uit de bosjes was gekomen, had het mes ook niet bij zich; Nienke en Maikel hadden nog

niet de leeftijd bereikt dat er interesse was in seksualiteit; uit verklaringen van de ouders van Nienke en

Maikel kwam niets naar voren wat aanleiding kon geven tot de gedachte dat er iets aan de hand zou zijn

met Maikel.

Als er in het begin al werd gewerkt met checklists, dan blijkt dat niet uit de stukken die ik tot mijn beschikking

had bij het evaluatieonderzoek. Of er in deze periode gerechercheerd is aan de hand van scenario’s

kan niet meer vastgesteld worden. De raio-officier heeft in het interview gezegd dat de dadertheorieën die

bij de stukken zitten aan de orde geweest zijn, maar dat ze pas later op papier zijn gezet.

5.5.2 Onderzoek na de bekentenissen van Kees B.

Hoewel Kees B. bekend had, waren er zowel binnen als buiten het onderzoeksteam bij sommigen twijfels

over de vraag of Kees B. wel de dader was. De twijfel werd echter niet of nauwelijks uitgesproken, hoewel

toch door veel geïnterviewde teamleden is gezegd dat er ruimte was een afwijkende mening te verkondigen.

Die twijfels werden vooral gevoed door de volgende omstandigheden:

- Kees B. leek helemaal niet op de dader zoals die door Maikel was beschreven;

- Maikel en Kees B. hadden elkaar gezien op brug B, vlak na de feiten, en Maikel had Kees B. toen

niet aangewezen als de dader;

- er waren, ondanks de fysieke contacten tussen Nienke en Maikel enerzijds en de dader anderzijds,

geen sporen van Kees B. gevonden op PD A of op het lichaam van Nienke;

- de tijdlijn van gebeurtenissen tussen ongeveer 17.15 uur en 18.08 uur was niet kloppend te krijgen

in die zin dat Kees B. er soepel inpaste.

HET TACTISCHE ONDERZOEK 71

Deze feiten en omstandigheden waren evident. Er waren ook nog wel andere punten die twijfel zouden

kunnen veroorzaken, maar die waren minder duidelijk.

De punten die ik zoëven heb opgesomd werden wél gezien door de officieren van justitie en de teamleiding.

Desondanks is het onderzoek na 10 september 2000 toegespitst op Kees B.. Er zijn, voor zover bekend,

geen opdrachten gegeven de stukken kritisch door te nemen op feiten en omstandigheden die tegen de

schuld van Kees B. pleitten.

Ook de twijfels die later door medewerkers van het NFI zijn uitgesproken naar aanleiding van het DNAonderzoek

hebben niet geleid tot aanpassing of heroverweging van de onderzoeksrichting en evenmin tot

opdracht nader technisch onderzoek te laten verrichten.

Natuurlijk is het makkelijk om terug te kijken. Maar objectief gezien kan niet worden volgehouden dat de

zaak tegen Kees B. sterk was. De overtuiging van de zaaksofficier dat Kees B. de dader was, is van groot

belang geweest voor de loop van het onderzoek na 10 september 2000. Door een aantal personen is gezegd

dat de zaaksofficier geen (merkbare) twijfels had over de schuld van Kees B. en evenmin over de

vraag of het bewijs dat er tegen hem was, voldoende was voor een veroordeling. De l.o. en de zaaksofficier

zaten wat dat betreft op één lijn. De plv. l.o. had wel twijfel, heeft hij in het interview gezegd. Hij heeft na

terugkomst van zijn vakantie begin oktober 2000 nog wel pogingen gedaan om het onderzoek breder te

krijgen, maar dat had weinig effect. De plv. l.o. heeft zijn twijfels over de schuld van Kees B. niet expliciet

geuit tijdens het onderzoek. De plv. l.o. heeft niet gefunctioneerd als correctiemechanisme.

De bekentenissen van Kees B. in het weekend van 9 en 10 september 2000 hebben voor de overtuiging

van de zaaksofficier een doorslaggevende rol gespeeld. Signalen dat er iets mis zou kunnen zijn met die

verhoren werden terzijde geschoven. Contra-indicaties voor de schuld van Kees B. werden weggeredeneerd

of genegeerd. In Hoofdstuk 9 zal ik daar verder op ingaan.

Bij de beslissing om het onderzoek te focussen op Kees B. speelde het volgende mee. Uit interviews blijkt

dat de l.o. en de zaaksofficier van mening waren dat het aan de buitenwereld een verkeerd signaal zou

geven om na de bekentenis van Kees B. onderzoek te doen naar andere verdachten. Want als dat bekend

zou worden, zou de indruk kunnen ontstaan dat politie en justitie niet overtuigd waren van de schuld van

Kees B.. Onderzoek naar andere verdachten of andere richtingen zou de zaak tegen Kees B. zwakker maken.

Een ander standpunt is mijns inziens mogelijk en verkieslijker. Namelijk dat het in een ernstige zaak waar

de schuld van de verdachte niet onomstreden is, juist een teken van kracht en zorgvuldigheid is om andere

scenario’s te onderzoeken. Als het onderzoek naar andere scenario’s niet leidt tot het in beeld komen van

andere verdachten of het kleiner worden van de verdenking tegen degene die als verdachte is aangemerkt,

kan zulk onderzoek de kracht van het bewijs tegen de verdachte juist vergroten.

Het maken van keuzes is in een groot opsporingsonderzoek vaak nodig, omdat er meer te onderzoeken

valt dan onderzocht kan worden.

In deze zaak is er na het afleggen van de bekentenis door Kees B. voor gekozen het onderzoek te versmallen.

Later wilde of kon men niet op deze keuze terugkomen. Dat is gevaarlijk, juist in een zaak waar zo

weinig technisch bewijs is.

HET TACTISCHE ONDERZOEK 72

5.5.3 Confrontaties

Op het gebied van confrontaties bestonden ten tijde van het onderzoek naar de Schiedammer parkmoord

richtlijnen van de recherche adviescommissie (RAC).50 51 Ingevolge de jurisprudentie van de Hoge Raad

zijn die richtlijnen niet als 'recht' te beschouwen. Volgens de Hoge Raad genieten meervoudige confrontaties

vanwege hun grotere betrouwbaarheid de voorkeur boven enkelvoudige. Er zijn situaties denkbaar dat

een meervoudige confrontatie niet of niet tijdig georganiseerd kan worden en waarin genoegen moet worden

genomen met een enkelvoudige confrontatie.52

De 49 opsporingsconfrontaties (de eerste van de drie categorieën confrontaties) zijn voorzover valt na te

gaan volgens de regels verlopen. Er zijn processen-verbaal van deze confrontaties gemaakt. Wel ontbreekt

bij een aantal de bijlage waarin staat welke foto´s zijn getoond. Daardoor kan achteraf niet worden nagegaan

of een bepaalde foto wel of niet is getoond. Onder omstandigheden kan het belangrijk zijn dat met

zekerheid te weten.

Bij de tweede categorie, de confrontaties met mensen die op 22 juni 2000 op/bij PD A of brug B waren geweest,

ging het niet zozeer om het verzamelen van bewijs, maar om het verkrijgen van duidelijkheid wie

daar geweest waren en wat door wie gedaan was. Dat die confrontaties enkelvoudig waren, is geen bezwaar.

Bij de derde categorie confrontaties, dus de confrontaties die van belang waren voor het bewijs tegen Kees

B., waren meervoudige confrontaties mogelijk en wenselijk geweest. Het had ook voor de hand gelegen dit

te doen. Ook met de fiets van Kees B. of het slot van de fiets was een meervoudige fotoconfrontatie mogelijk

geweest. Meervoudige confrontaties zouden een betrouwbaarder resultaat hebben opgeleverd en dus

bij een positief resultaat meer bewijskracht hebben gehad. Uit de interviews is niet duidelijk geworden

waarom steeds voor enkelvoudige confrontaties is gekozen. De wijze van confrontatie is geen gespreksonderwerp

geweest in het overleg van teamleiding en officieren van justitie. Kennelijk heeft niemand stilgestaan

bij het belang van meervoudige confrontaties. In de RAG-map zaten richtlijnen over meervoudige

fotoconfrontaties. Met die richtlijnen is echter niets gedaan.

5.5.4 Invloed van buiten

Als bijlage 7 bij het rapport zit een in het kader van dit evaluatieonderzoek gemaakte mediatijdlijn van de

periode 23 juni 2000 tot 20 september 2000. Daarbij is gefocust op de vraag of in de media daderwetenschap

was terug te vinden. De mediatijdlijn is beperkt tot kranten. Uit het onderzoek naar berichtgeving in

de kranten bleek dat geen daderwetenschap is verspreid.

De vraag dringt zich op of het zo zou kunnen zijn dat politie en justitie, mede met het oog op de externe

belangstelling, zo blij waren dat er een verdachte was aangehouden, en die ook nog een bekentenis had

afgelegd, dat men koste wat kost die verdachte wilde vasthouden en daarom bewust contra-indicaties heeft

genegeerd. Ik heb daarvoor geen aanwijzingen gevonden in het onderzoeksmateriaal dat mij ter beschikking

stond of in de interviews die gehouden zijn. De overtuiging die bij sommigen bestond dat Kees B. de

dader was, was niet een ‘gefabriceerde’ overtuiging tegen beter weten in.

50 Rapport identificatie van personen door ooggetuigen, Recherche Advies Commissie, juni 1992.

51 In het Besluit toepassing maatregelen in het belang van het onderzoek (Stb. 2002, 46) zijn nadere regels gesteld m.b.t. bewijsconfrontaties

in persoon. Dit besluit is op 1 maart 2002 in werking getreden en verwijst o.a. naar genoemd rapport van de

RAC.

52 HR 4 juni 1996, NJ 1996, 633 en Hoge Raad 24 september 1996, NJ 1997, 71.

HET TACTISCHE ONDERZOEK 73

5.5.5 Gebruik van bestaande hulpmiddelen en systemen en van deskundigheid

HKS, Multipol

Van bestaande politiesystemen zoals HKS en Multipol (het bedrijfsprocessensysteem van de regiopolitie

Rotterdam-Rijnmond) is goed gebruik gemaakt. Zij zijn tijdig en frequent geraadpleegd. Niet gebleken is dat

er foute informatie uit Multipol of HKS is gekomen. Wel is het zo dat er bij HKS altijd een achterstand is van

enkele maanden in de invoer van gegevens. Dat betekent dat informatie over de meest recente zaken niet

in HKS zit. Soms heeft een regio een grote achterstand bij het invoeren van gegevens.53

Octopus

Het systeem ‘Octopus’ is niet gebruikt door RAG ‘Park’. Hoewel dat systeem sturingsmogelijkheden bood,

is er om praktische redenen geen gebruik van gemaakt: de meeste medewerkers van RAG ‘Park’ konden of

mochten er niet mee werken. Eén van de analisten van RAG ‘Park’ heeft overigens op vragen van mij gezegd

dat naar zijn mening Octopus niet erg geschikt is voor het aanleggen van persoonsdossiers. Daarvoor

was de Acces-database veel beter.

Acces-database

De database die in RAG ‘Park’ is gebruikt en die gevuld is met allerlei gegevens bood goede mogelijkheden

om te zoeken en ordening aan te brengen in de enorme hoeveelheid informatie. Voor zover bekend, zijn

nooit zoekvragen ingegeven. Dat hield verband met de bekentenis van Kees B.. De teamleiding had de

database kunnen gebruiken als sturingsinstrument.

De database is pas eind juli 2000 beschikbaar gekomen voor RAG ‘Park’. Toen is begonnen met het overbrengen

van gegevens van het Excel-bestand naar de Acces-database. Het is jammer dat de database niet

eerder beschikbaar was en niet is gebruikt na de bekentenissen van Kees B.. Gebruik ervan had namelijk

duidelijk kunnen maken dat er personen waren die voldeden aan het signalement dat Maikel had gegeven,

zedenantecedenten hadden en in Schiedam en omgeving woonden. Die informatie had kunnen leiden tot

het breed houden of weer breed maken van het opsporingsonderzoek.

In de evaluatie die op 8 juni 2001 door de politie is gehouden van het onderzoek RAG ‘Park’ is naar voren

gebracht dat het lastig was de persoonsdossiers te ordenen en dat Multipol daarvoor niet de mogelijkheden

bood (net zo min als X-pol, een ander bedrijfsprocessensysteem). Op deze evaluatiebijeenkomst is gezegd

is dat er een nieuw computerprogramma zou moeten worden ontwikkeld voor het maken en bijhouden van

persoonsdossiers. Voor zover mij bekend is een dergelijk programma ook nu niet beschikbaar.

ViCLAS

ViCLAS is sinds april 1997 in gebruik bij de Nederlandse politie. In de regio Utrecht is toen een pilot gedaan.

Momenteel zijn er convenanten tussen het KLPD en alle regiokorpsen waarin de regio’s zich verplichten

om binnen redelijke termijn alle relevante zedenzaken aan te leveren aan het KLPD. Het KLPD verplicht

zich tot het analyseren van de aangeleverde zaken en terugkoppeling van de resultaten aan de regio’s. Ook

zonder convenant bestond de mogelijkheid informatie uit te wisselen. Het convenant met het korps Rotterdam-

Rijnmond is in januari 2001 gesloten.

53 Navraag mijnerzijds wanneer de gegevens van het strafbare feit dat Wik H. had gepleegd in Maassluis op 4 april 1999 waren

ingevoerd in HKS, leverde als antwoord op: in mei en juni 1999.

HET TACTISCHE ONDERZOEK 74

Wik H. had zich op 4 april 1999 in Maassluis schuldig gemaakt aan een zedenzaak. Indien die zaak zou zijn

aangeleverd en ingevoerd in ViCLAS, dan zou op grond van gedragsmatige aspecten geen link gevonden

zijn tussen dat feit en de feiten in het Beatrixpark. Wel zou de naam van Wik H. binnen ViCLAS een potentiële

kandidaat geweest zijn als er een geografische scan was gemaakt. Zo’n scan is echter niet gemaakt.

Misdaadprofiler/gedragskundige invalshoek

De profiler heeft destijds aangeboden meer te doen voor het onderzoeksteam in RAG ‘Park’. Daarvan is

geen gebruik gemaakt. De profiler heeft in het interview gezegd dat het niet ongebruikelijk is dat hij niet

wordt ingeschakeld bij ernstige delicten.

Door enkelen zijn de opmerkingen die de profiler op 27 juni 2000 had gemaakt aangezien voor een daderprofiel.

Dat was niet zo: het waren niet meer dan opmerkingen en aandachtspunten van de profiler die hij

maakte naar aanleiding van de informatie die hij die dag van het onderzoeksteam had gehoord. Een daderprofiel

is veel uitgebreider en komt niet tot stand na een kort gesprek.

Niet gebleken is dat in een later stadium van het onderzoek is gekeken naar de informatie die de profiler

had gegeven. Met hem is geen contact meer gezocht door RAG ‘Park’. Wel is de profiler op 17 januari 2002

aanwezig geweest bij de bespreking op het NFI met de AG. Hij heeft toen naar voren gebracht dat volgens

hem Kees B. niet paste in het plaatje van de dader. De AG was verrast en verbaasd over diens aanwezigheid

bij die bijeenkomst.54

Analisten

Ik vraag mij af of de analisten in RAG 'Park' geen oneigenlijke werkzaamheden hebben verricht door zich

intensief bezig te houden met de persoonsdossiers. In elk geval is het invoeren van gegevens in een Acces-

database geen analistenwerk. Dat werk werd niet gedaan door de administratieve medewerker van

RAG 'Park', omdat die zijn handen vol had met andere werkzaamheden.

Niet gebleken is dat de analisten hebben bijgedragen aan de totstandkoming van daderscenario’s of hypothesen

voor een andere onderzoeksrichting dan Kees B.. Evenmin is gebleken dat zij de teamleiding of de

officieren van justitie hebben voorzien van kritische opmerkingen over de verklaringen van Kees B. of over

het vermeende daderschap van B.. Aan de analisten is bijvoorbeeld niet gevraagd de verklaringen die waren

afgelegd over fietsen te analyseren of om de bevindingen van het technisch onderzoek te vergelijken

met de bevindingen van het tactische onderzoek, althans dat blijkt niet. De analisten hebben geen presentatie

hoeven te geven aan het team of teamleiding van de stand van zaken op een bepaald moment in het

onderzoek.

Na de bekentenissen van Kees B. hielden de analisten zich niet meer bezig met de persoonsdossiers, want

daarvan was beslist er mee te stoppen. Zij hebben zich nadien bezig gehouden met het maken van de

bewijswijzer ten behoeve van de officieren van justitie en met het maken van een tijdlijn. De tijdlijn was in

beginsel een goed middel om ordening aan te brengen. Bij gebruikmaking van de voorhanden zijnde tijdsgegevens

viel Kees B. als dader af. Het lijkt er echter op dat veel moeite is gedaan om een tijdlijn te maken

waarin Kees B. wél paste als dader. De objectieve gegevens zijn ondergeschikt gemaakt aan de overtuiging

dat Kees B. het gedaan had.

54 De profiler was waarschijnlijk op uitnodiging van een van de NFI-medewerkers aanwezig bij die bijeenkomst.

HET TACTISCHE ONDERZOEK 75

5.6 Conclusies

Het opsporingsonderzoek in RAG ‘Park’ maakt de indruk van een onderzoek waarin door veel mensen met

veel animo en inzet is gewerkt aan de oplossing van gruwelijke feiten, maar waar de structuur beter had

gekund.

De verwerking van persoonsgegevens heeft in RAG ‘Park’ vertraging ondervonden doordat het onderzoeksteam

niet vanaf het begin over een database beschikte die geschikt was voor de verwerking van gegevens

van grote aantallen personen en waar men mee kon werken.

Van Octopus is geen gebruik gemaakt, omdat binnen RAG ‘Park’ onvoldoende kennis en ervaring met dat

systeem was. Op zichzelf is Octopus een systeem dat nut had kunnen hebben in een groot onderzoek als

RAG ‘Park’. Het biedt mogelijkheden om werkzaamheden te registreren en bij te houden, het kan dienen

als sturingsinstrument en er kunnen verbanden worden gelegd tussen gegevens.

Van de kennis en aandachtspunten die de misdaadprofiler had gegeven is na de bekentenis van Kees B.

geen gebruik gemaakt. Het nalopen van de lijst met punten die hij naar voren had gebracht, zou zinvol zijn

geweest.

De analisten van RAG 'Park' hebben zich vooral bezig gehouden met werkzaamheden waarvoor analisten

niet bedoeld zijn. De teamleiding heeft de analisten niet goed ingezet. Dat is ten koste gegaan van het maken

van bijvoorbeeld overzichten van verschillen tussen de verklaringen van Kees B. en die van Maikel, het

analyseren van getuigenverklaringen, het aandragen en uitdenken van alternatieven voor de hypothesen

dat Kees B. de dader was en dergelijke.

Na de bekentenis van Kees B. is het onderzoek beperkt tot Kees B.. Het scenario dat B. de feiten niet gepleegd

had of het scenario dat een ander die feiten had gepleegd, zijn eigenlijk niet meer onder ogen gezien.

Dat was een bewuste keus, die echter niet gerechtvaardigd lijkt als gekeken wordt naar de punten

waarop twijfel mogelijk was over Kees B. als dader van de feiten in het Beatrixpark.

De confrontaties die zijn uitgevoerd met (foto’s van) Kees B. en met de fiets van Kees B. waren allemaal

enkelvoudig. Weliswaar betekent dat niet dat de resultaten onbruikbaar zijn, maar de resultaten zijn wel

minder betrouwbaar. In deze zaak waren meervoudige confrontaties mogelijk geweest. Gelet op het belang

van de uitkomst voor het bewijs tegen Kees B., hadden meervoudige confrontaties voor de hand gelegen.

Voor wat betreft de confrontatie per e-mail met foto’s van de fiets van Kees B. staat nog steeds niet vast of

er nu wel of niet een onderschrift bij de per e-mail toegezonden foto’s stond.

5.7 Aanbevelingen

Bij veel grootschalige onderzoeken komt in de eerste fase van het onderzoek erg veel informatie naar boven.

Daarop moet men voorbereid zijn, zowel met apparatuur als met mensen. Ook aan het begin van een

grootschalig onderzoek moeten systemen voor de verwerking van informatie meteen beschikbaar en operationeel

zijn. De politieambtenaren moeten overweg kunnen met de systemen die er zijn. Door leidinggevenden

binnen de politie moet er op worden toegezien dat het politiepersoneel opgeleid is voor en overweg kan

met de systemen waarvan men geacht wordt ze te gebruiken.

In veel onderzoeken is de schuldvraag van de verdachte niet problematisch. Maar er zijn onderzoeken

waarin dat anders is. Zij die langere tijd betrokken zijn geweest bij een onderzoek kunnen hun objectieve

blik op hun onderzoek verliezen. Dat kan leiden tot het niet onder ogen (willen) zien van alternatieve scenaHET

TACTISCHE ONDERZOEK 76

rio's. In opleidingen van leidinggevende politieambtenaren wordt tegenwoordig aandacht besteed aan zulke

fenomenen. Ook in opleidingen van rechterlijke ambtenaren moet aandacht worden besteed aan het voorkomen

van tunnelvisie.

Veel politieregio's leveren ondanks de afgesloten convenanten relatief weinig zedenzaken aan bij ViCLAS,

waardoor het systeem onderbenut wordt. Daardoor wordt de waarheidsvinding mogelijk belemmerd. Stimuleer

daarom de politieregio’s zedenzaken aan te leveren. Het is van belang ook oude zedenzaken op te

nemen in de ViCLAS-bestanden.

Het verdient aanbeveling leden van het OM een rechercheopleiding te laten volgen. In zo’n cursus moet

aandacht worden besteed aan bijvoorbeeld de standaardopzet van een opsporingsonderzoek, informatiemanagement,

PD-management en misdaadanalyse.

Inschakeling van een misdaadprofiler in een concreet onderzoek moet de beslissing blijven van de zaaksofficier

en de teamleider. Toch is het aan te bevelen om in bepaalde ernstige zaken, bijvoorbeeld zaken waarin

volgens de TGO-structuur wordt gewerkt, in een vroeg stadium de kennis van een misdaadprofiler te

gebruiken.

Voor bewijsconfrontaties zijn nadere regels neergelegd in het Besluit toepassing maatregelen in het belang

van het onderzoek. Hoewel de richtlijnen van de RAC m.b.t. confrontaties geen recht zijn en er omstandigheden

denkbaar zijn daarvan af te wijken, verdient het in het algemeen aanbeveling de richtlijnen

toe te passen.

In zaken die veel aandacht trekken, is contact met de media een belangrijk onderwerp. Het is belangrijk te

weten of en hoe daderwetenschap bekend is geworden buiten het onderzoeksteam. Het is om die reden

aan te bevelen bij te houden welke informatie door wie, aan wie en hoe is verspreid en hoe er in de media

bericht is over het onderzoek. Een mediatijdlijn kan daarbij helpen.

Zet analisten in voor werkzaamheden waarvoor zij bedoeld zijn.

MAIKEL

77

6 MAIKEL

6.1 Feitelijkheden

6.1.1 Data verhoren Maikel

De strafbare feiten waarvan Maikel en Nienke op 22 juni 2000 slachtoffer zijn geworden, zijn gepleegd tussen

ongeveer 17.15 uur en een paar minuten na 18.00 uur.

Op 22 juni 2000 heeft Maikel twee korte gesprekken met de politie gehad.

- Hij heeft in het Beatrixpark even gepraat met brigadier S. Maikel heeft hem gezegd dat er een man

met een puistig gezicht was geweest. Dit gesprek is gerelateerd in een proces-verbaal van bevindingen

van 22 juni 2000. Dat proces-verbaal zit bij het eindproces-verbaal.

- Verder heeft Maikel in de ziekenauto gepraat met een vrouwelijke politieambtenaar. Maikel heeft

aan haar geen signalement van de dader gegeven, maar wel in hoofdlijnen verteld wat er was gebeurd.

Van dat gesprek heeft zij een proces-verbaal van bevindingen gemaakt. Ook dat procesverbaal

zit in het eindproces-verbaal.

Maikel is op de volgende data verhoord door de politie:

- 23 juni 2000, 12.20-onbekende eindtijd, opgenomen op geluidsband;

- 25 juni 2000, 16.35-17.10, opgenomen op geluidsband;

- 27 juni 2000, 13.30-14.00, opgenomen op geluidsband;

- 4 juli 2000, 9.45-12.15, opgenomen op video;

- 7 juli 2000, 14.37-16.47, opgenomen op video;

- 12 juli 2000, 9.40-11.45, opgenomen op video;

- 14 september 2000, 10.30-onbekende eindtijd, opgenomen op geluidsband;

- 13 oktober 2000, niet opgenomen.

Van al deze verhoren zitten de processen-verbaal in het eindproces-verbaal. De verhoren van 23, 25, 27

juni, 4, 7 en 12 juli en 14 september 2000 zijn woordelijk uitgewerkt.

Verder is Maikel op 20 maart 2001 op verzoek van de raadsman bij de rechter-commissaris (hierna RC)

gehoord. Bij dat verhoor waren de raadsman van Kees B. en de officier van justitie niet aanwezig. Zij hadden

van tevoren schriftelijk vragen kunnen opgeven aan de RC. De raadsman van Kees B. heeft daarvan

gebruik gemaakt, de officier van justitie niet. De vragen van de raadsman zijn bijna allemaal gesteld. In het

verhoor is onder meer gesproken over de man die op brug B had staan bellen. Aan Maikel is niet gevraagd

of hij in de bellende man de dader herkende.

Op 16 november 2000 heeft Maikel ten behoeve van een eventueel te houden diepteverhoor een verslag

geschreven.

Maikel is steeds verhoord zonder cautie.

6.1.2 Verhoorders

Bij de acht politieverhoren van Maikel zijn drie verhoorders betrokken geweest. Degene die bij alle politieverhoren

aanwezig was, was een brigadier van de afdeling Jeugd- en Zedenzaken (JZZ) uit het district

Schiedam. Ik noem hem hierna verhoorder 1. Hij was een zeer ervaren jeugd- en zedenrechercheur. Hij

had de opleiding tot studioverhoorder gevolgd. Hij had veel studioverhoren afgenomen.

MAIKEL

78

Verhoorder 1 was verder één van de twee beheerders van de kindvriendelijke verhoorstudio in de regio

Rotterdam-Rijnmond. De studiobeheerder is verantwoordelijk voor het beheer van de verhoorstudio, de

planning van de studioverhoren en gaat na of het verhoor aan de criteria voor een studioverhoor voldoet.

Bij de verhoren tot en met 4 juli 2000 was als tweede politieambtenaar een jonge vrouwelijke rechercheur

van de JZZ uit het district Schiedam betrokken. Ik noem haar verhoorder 2. Zij had weinig ervaring en liep

mee met verhoorder 1. Zij had in de verhoren waar zij bij is geweest geen grote rol. Zij had de opleiding tot

studioverhoorder niet gevolgd.

Bij de studioverhoren van 7 en 12 juli 2000 was een brigadier van de JZZ uit een ander district aanwezig. Ik

noem hem verhoorder 3. Hij had enkele jaren ervaring als jeugd- en zedenrechercheur. Hij had de opleiding

tot studioverhoorder niet gevolgd.

Verhoorders 1 en 2 maakten deel uit van het RAG ‘Park’. Zij traden ook op als familierechercheurs voor

Maikel en diens ouders. In die hoedanigheid waren zij de schakel tussen het onderzoeksteam/justitie enerzijds

en Maikel en diens ouders anderzijds. Tussen verhoorder 1 en Maikel was een tamelijk goed contact.

Verhoorder 3 maakte geen deel uit van het onderzoeksteam RAG ‘Park’; hij is alleen ten behoeve van de

studioverhoren van 7 en 12 juli 2000 ingeschakeld.

6.1.3 Deskundigen

In RAG ‘Park’ zijn in verband met Maikel vier deskundigen ingeschakeld:

- een hoogleraar medische kinder- en jeugdpsychiatrie (hierna deskundige 1);

- een hoogleraar kinderpsychologie (hierna deskundige 2);

- een klinisch psychologe (hierna deskundige 3);

- een psycholoog (hierna deskundige 4).

Maikel werd in de eerste dagen van het onderzoek gezien als 100% slachtoffer. Al snel echter ontstond bij

het onderzoeksteam en de officieren van justitie twijfel over de betrouwbaarheid van Maikel’s verklaringen

en over de rol die hij mogelijk had gespeeld bij wat er in het Beatrixpark gebeurd was. Bij een aantal punten

in de verklaringen van Maikel vroegen zij zich af of het wel gegaan kon zijn zoals hij verteld had. Het zich

voor dood houden was een van die punten. Ook speelde mee dat zij vonden dat Maikel zo weinig emoties

toonde als hij vertelde wat er gebeurd was.

De gedachte rees dat Maikel misschien uit schaamte bepaalde informatie achterhield voor de politie, bijvoorbeeld

dat hij en Nienke in de bosjes van PD A een seksspelletje met elkaar aan het spelen waren en

daarbij overlopen waren door de dader. Ook de mogelijkheden dat Maikel strafbare betrokkenheid had

gehad bij de feiten, of de dader kende en hem afschermde, werden onder ogen gezien.

Wat ook nog meespeelde was de vraag in hoeverre het waarnemingsvermogen van Maikel tijdens de strafbare

feiten beïnvloed was door psychische factoren of door feitelijke omstandigheden.

De teamleiding en de officieren van justitie werden dus voor een aantal ingewikkelde vragen/dilemma’s

gesteld:

- Het opsporingsonderzoek maakte het noodzakelijk Maikel te horen, hij was immers de belangrijkste

getuige. Was het wel verantwoord hem bij herhaling te verhoren?

- Was Maikel alleen maar slachtoffer?

MAIKEL

79

- Had iemand uit de naaste omgeving van Maikel iets met de feiten te maken en nam Maikel die

persoon in bescherming?

- De leeftijd van Maikel (jonger dan 12) ten tijde van de feiten.

- Hield Maikel bepaalde informatie over wat hij en Nienke in het park hadden gedaan achter voor de

politie?

- Was Maikel’s waarnemingsvermogen tijdens de strafbare feiten ongestoord?

Om deze vragen/dilemma’s beter tegemoet te kunnen treden, is besloten het advies in te winnen van externe

deskundigen.

Op 29 juni 2000 heeft een gesprek plaatsgevonden met deskundige 1. De districtschef van Schiedam had

hem benaderd. Dat had hij gedaan buiten medeweten van de zaaksofficier. Desondanks is zij op 29 juni

met een aantal politieambtenaren naar deskundige 1 gegaan voor een gesprek. In dat gesprek is aan deskundige

1 een uiteenzetting gegeven van het onderzoek tot dan toe en van de verklaringen van Maikel.

Deskundige 1 heeft op 29 juni 2000 voorgesteld dat hij Maikel een dag zou observeren, maar daar zag

vooral de zaaksofficier niets in.

Deskundige 1 heeft in het interview gezegd dat op 29 juni 2000 is gesproken over het zich dood houden

door Maikel. Hij is er tamelijk zeker van dat hij gezegd heeft dat een dergelijke reactie vaker voorkomt en

dat hij daarvan (uit zijn eigen praktijk) voorbeelden kende. Door het gesprek met deskundige 1 op 29 juni

2000 waren de twijfels over Maikel bij de teamleiding en de officieren van justitie minder geworden.

Medio juli 2000 heeft deskundige 1 gekeken naar de videobanden die waren gemaakt van de drie studioverhoren

van Maikel op 4, 7 en 12 juli 2000. Kort daarna heeft er een gesprek plaatsgevonden met (een

deel van) de teamleiding en de zaaksofficier. Deskundige 1 was vanaf het begin al van oordeel dat het

onwaarschijnlijk was dat Maikel een strafbare betrokkenheid had bij de feiten. Na het bekijken van de banden

van de studioverhoren - over de wijze waarop Maikel was verhoord was hij zeer negatief - was hij van

oordeel dat er geen reden was te twijfelen aan het waarheidsgehalte van de verklaringen van Maikel.

Uit diverse interviews blijkt dat het contact tussen deskundige 1 en de zaaksofficier niet goed was.

Op vrijdag 30 juni 2000 is deskundige 2 op initiatief van de zaaksofficier bij het onderzoek betrokken. Zij

heeft hem op die dag gesproken en de verklaringen gefaxt die Maikel tot dan toe had afgelegd. De zaaksofficier

had een uitgesproken voorkeur voor deskundige 2 boven deskundige 1. Op maandag 3 juli 2000 heeft

deskundige 2 een bespreking gehad met de officieren van justitie en de teamleiding. Door dat gesprek werd

bij de teamleiding en de officieren van justitie de twijfel over Maikel weer groter. Op 4 juli 2000 heeft deskundige

2 het verhoor van Maikel in de kindvriendelijke verhoorstudio bijgewoond. Hij zat toen in de regiekamer.

In de middag van 4 juli 2000 heeft deskundige 2 telefonisch zijn bevindingen doorgegeven aan de

zaaksofficier. Hij gaf aan dat hij Maikel een heel bijzonder kind vond en dat Maikel volgens hem een groot

geheim had.

Deskundige 2 heeft ook de studioverhoren van Maikel op 7 en 12 juli 2000 in de regieruimte bijgewoond. Hij

heeft in het interview gezegd dat na afloop van elk van de studioverhoren een nabespreking plaatsvond

tussen hem en Maikel.

Deskundige 2 heeft verklaard dat hij bij het onderzoek is gehaald om de studioverhoren van Maikel te begeleiden,

wat betekende dat hij de verhoren in de gaten moest houden om te beoordelen of Maikel slachtoffer

of dader was. Hij zegt dat hij met het oog op het welzijn van Maikel is ingeroepen en dat zijn rol niet op de

strafzaak was gericht.

MAIKEL

80

De zaaksofficier heeft gezegd dat deskundige 2 bij het onderzoek is gehaald om te letten op de belangen

van Maikel tijdens de verhoren en om advies te krijgen over de wijze van verhoor van Maikel, waarbij ook

de mogelijkheid van Maikel als verdachte moest worden onderzocht.

Op 6 juli 2000 heeft het Openbaar Ministerie aan deskundige 2, als vast gerechtelijk deskundige, gevraagd

een onderzoek in te stellen naar de persoonlijkheid van Maikel en daarover uiterlijk 17 augustus 2000

schriftelijk verslag uit te brengen. De zaaksofficier heeft in het interview gezegd dat deskundige 2 de opdracht

had gekregen om een persoonlijkheidsonderzoek te verrichten teneinde de betrouwbaarheid van de

verklaringen van Maikel te onderzoeken.

Deskundige 2 heeft de opdracht aangenomen. Ten behoeve van het rapport heeft hij op 19 en 21 juli 2000

gesproken met Maikel en diens ouders.55 Het rapport is gedagtekend op 26 september 2000. Op het rapport

staat dat het een pro justitia rapport is.

Onder het kopje ‘1. Aanleiding onderzoek’ schrijft deskundige 2 onder meer:

“Op donderdag 22 juni jl. werden Maikel … en diens vriendinnetje Nienke door een onbekende

man meegenomen, terwijl zij op weg naar hun fietsen waren om van een speelmiddag … naar huis

terug te keren. De man heeft beide kinderen meegenomen naar bosschages, hen gedwongen zich

uit te kleden en seksuele handelingen met elkaar te verrichten. Maikel is daarbij een aantal steekwonden

in hals en nek toegebracht. Nienke is door de man om het leven gebracht.

Teneinde meer zicht te krijgen op de persoonlijkheid van Maikel, vervolgens op de mate waarin de

gewraakte gebeurtenissen van invloed zijn geweest op zijn belevingswereld (lees: de mate van

traumatisering) en hoe daar het beste op kan worden gereageerd, heeft [naam zaaksofficier], Officier

van Justitie te Rotterdam, een persoonlijkheidsonderzoek van Maikel aangevraagd bij ondergetekende.”

Deskundige 2 schrijft in de laatste paragraaf van zijn rapport:

“Gelet op de objectief dramatische ‘life-event’ die Maikel op de 22ste juni heeft ervaren, is het meer

dan opvallend/opmerkelijk hoe rationeel hij daar op reageert. Maikel vertoont op geen enkele wijze

aanwijzingen voor een posttraumatische stress-stoornis (DSM-IV: 309.81), noch voor een acute

stress-stoornis (DSM-IV: 308.3) ten tijde van c.q. direct volgend op de gewraakte gebeurtenis. …

Zijn meer dan goed ontwikkelde ratio compenseert – zo lijkt het – zijn minder dan adequaat ontwikkeld

(lees: gebrekkige) gevoelsleven. Dit is eerder een dispositie dan een situatief bepaalde reactie

op basis van het eerder beschreven life event. Hij gaat hier met andere woorden mee om zoals hij

dat altijd al gewend is geweest.

Maikel claimt tijdens het onderhavige onderzoek de waarheid te hebben verteld. Op kleine (perifere)

onderdelen geeft hij aan dat het in werkelijkheid anders zou zijn gegaan dan hij eerder heeft

verklaard tegenover de politie. Het overgrote deel daarvan blijft evenwel overeind. Ondanks de

neiging die Maikel tijdens de diverse verhoren heeft getoond om (delen van) zijn verhaal ‘kloppend’

te maken, lijkt hij inderdaad te hebben verklaard conform hetgeen zich in de realiteit moet hebben

afgespeeld.”

Deskundige 2 is op 9 maart 2001 op verzoek van de raadsman van Kees B. gehoord door de RC. Deskundige

2 heeft daar gezegd hoe en waarom hij bij het onderzoek betrokken is geraakt, dat hij bij de studioverhoren

aanwezig was geweest en dat hij een psychologisch onderzoek had verricht bij Maikel. In het verhoor

is aan deskundige 2 gevraagd of de verklaringen van Maikel betrouwbaar waren. Deskundige 2 heeft antwoord

gegeven op vragen van de RC en de raadsman van Kees B. over de betrouwbaarheid van de verklaringen

van Maikel, maar maakte wel de aantekening dat het in zijn professie een gouden stelregel is dat je

55 De data 19 en 21 juli heeft deskundige 2 in een brief aan mij genoemd als de data waarop de gesprekken met Maikel hebben

plaatsgevonden. In het deskundigenrapport staat dat de gesprekken hebben plaatsgevonden op 12 en 19 juli 2000. Uit aantekeningen

in het politiejournaal op 20 juli 2000 leid ik af dat de gesprekken hebben plaatsgevonden op 13 en 19 juli 2000.

MAIKEL

81

geen expliciete uitspraken hoort te doen over de betrouwbaarheid als je zelf betrokken bent geweest bij het

verloop van de verhoren. Hij heeft onder meer gezegd dat zijn conclusie luidt dat hij in de kern het verhaal

van Maikel consistent acht in de zin van betrouwbaar, rekening houdend met wat in zijn inschatting door

Maikel wordt beschouwd als de kern en wat als perifeer. Op een vraag van de raadsman zegt deskundige 2

dat zijns inziens het signalement van de dader voor Maikel perifeer is. Afgaande op het proces-verbaal dat

de RC heeft opgemaakt, is het RC-verhoor van deskundige 2 voornamelijk gegaan over de betrouwbaarheid

van de verklaringen van Maikel.

De opdracht van 6 juli 2000 aan deskundige 2 om een rapport uit te brengen en het rapport zelf zijn niet bij

het procesdossier gevoegd. De zaaksofficier heeft daarvoor in het interview als reden gegeven dat men de

privacy van Maikel wilde beschermen. De raio-officier zegt dat het rapport meer voor de ouders van Maikel

was. De ouders van Maikel en Maikel zelf kennen het rapport van deskundige 2 niet. De RIAGGmedewerkster

die Maikel sinds de feiten in het Beatrixpark begeleidt, kent het rapport evenmin.

Deskundige 2 is er ten tijde van het onderzoek van prof. Van Koppen naar de Schiedammer parkmoord

achter gekomen dat zijn rapport niet aan het procesdossier was toegevoegd. Hij was er van uit gegaan dat

het wél was toegevoegd, dat alle procesdeelnemers het rapport kenden en dat het rapport de reden was

dat hij werd opgeroepen door de RC. Deskundige 2 heeft onder meer in het interview gezegd dat hij geen

betrouwbaarheidsonderzoek ten behoeve van de bewijsvoering heeft uitgevoerd, maar een belevingsonderzoek

in het kader van eventuele hulpverlening. Bij een betrouwbaarheidsonderzoek worden alle details

van een verklaring onder de loep genomen en dat had hij niet gedaan. In het kader van de hulpverlening

ging het om de therapeutische werkelijkheid. Deskundige 2 heeft in het interview gezegd dat naar zijn mening

op ondeskundige wijze passages uit zijn RC-verklaring zijn gebruikt om een gewenst resultaat te bereiken.

In de eerste herzieningsprocedure in de zaak Kees B.56 is door de raadsman van Kees B. het een en ander

naar voren gebracht over de aard van het onderzoek dat door deskundige 2 was uitgevoerd en de – verkeerde

– conclusies die door het Hof waren getrokken uit diens RC-verklaring.

Bij het materiaal dat ik tot mijn beschikking had zitten cassettebandjes met daarop een gesprek tussen

deskundige 2 en Maikel. Ik herkende van beiden de stem. Op de geluidsdrager staat geen datum. In het

gesprek wordt ook geen datum genoemd. In het gesprek stelt deskundige 2 Maikel vragen over de gebeurtenissen

in het Beatrixpark. Ook vraagt hij aan Maikel of hij zijn verklaring op onderdelen kloppend maakt

en of hij informatie achterhoudt.

Uit de stukken (het interne politiejournaal bijvoorbeeld) en uit interviews komt naar voren dat de contacten

tussen deskundige 2 en de teamleiding en officieren van justitie goed waren. De contacten tussen deskundige

2 en Maikel waren gespannen, blijkt uit interviews.

Deskundige 3 is in november 2000 benaderd. Zij heeft in opdracht van het Openbaar Ministerie een rapport

uitgebracht over Maikel. De schriftelijke opdracht van de officier aan deskundige 3 heb ik niet aangetroffen

bij de stukken. ‘Om misverstanden te voorkomen’ heeft deskundige 3 bij brief van 20 november 2000

de met het OM gemaakte afspraken bevestigd. Blijkens haar rapport was aan deze deskundige gevraagd

een beoordeling te geven van de processen-verbaal van verhoor van Maikel, waaronder de videobanden

van de drie studioverhoren van Maikel, met betrekking tot de betrouwbaarheid van de door Maikel afgelegde

verklaringen.

56 HR 7 september 2004, LJN AQ9834; NS 2004, 367.

MAIKEL

82

Deskundige 3 heeft haar rapport op 23 januari 2001 afgesloten. Nadien heeft zij op verzoek van de raioofficier

een aantal passages uit het rapport verwijderd. De officier had dat gevraagd in het belang van Maikel’s

privacy. De deskundige had geen probleem te voldoen aan het verzoek. Het aangepaste rapport is

ingeleverd op 12 maart 2001. Het aangepaste rapport zit in het procesdossier.

In het rapport wordt ingegaan op de Totstellreflex. Daarmee wordt bedoeld een toestand die reflexmatig

kan intreden bij extreme angst en die gepaard gaat met “lagere lichaamstemperatuur, kortere bloedingstijd

en vernauwd bewustzijn met verlies aan tijdsbesef, met verlaagde pijngevoeligheid en met zg “tunnelvision”.

Deskundige 3 meent dat het verhaal van Maikel in grote lijnen behoorlijk consistent is en concludeert dat

Maikel’s verhaal betrouwbaar overkomt. Zij is van oordeel dat Maikel waarschijnlijk wel getraumatiseerd

is.57

Op 6 februari 2002, dus in de appelfase, is deskundige 3 gehoord bij de RC. Zij heeft toen onder meer verklaard:

“Mijn conclusie is dat het verhaal van Maikel betrouwbaar overkomt. Ik zeg niet dat hij de waarheid

spreekt, maar mijn inschatting is dat hij een verhaal vertelt dat betrouwbaar is. Dat heeft betrekking

op de grote lijn, want op details komen tegenstrijdigheden voor in zijn verhaal. Dat kan ook beïnvloed

zijn door bijvoorbeeld de geheugenfunctie. Bij mijn onderzoek heb ik rekening gehouden met

de mogelijkheid dat Maikel ons iets op de mouw speldt en ook met de mogelijkheid dat hij zelf wellicht

de dader is. Dat idee heb ik verworpen en ik sta daar nog steeds achter.

In de zogenaamde Totstellreflex ben je niet bewusteloos, het is een toestand van een soort lamgeslagen

fysieke krachteloosheid, maar sommige zintuigen werken wel, bijvoorbeeld het gehoor. Het

is een reflex. Onderzoek heeft aangetoond dat het ook bij mensen voorkomt. Het is niet een keuze,

het overkomt je. De zgn tunnelvision is een staat van vernauwd bewustzijn en vernauwde waarneming.

Wat Maikel beschrijft, het concentreren op de onderkant van een blaadje, is een klassieke

beschrijving die past bij een tunnelvision, een Totstellreflex. Er is geen sprake van bewusteloosheid.”

Op 8 februari 2002 heeft deskundige 3 telefonisch aan de RC laten weten dat zij bij het maken van haar

rapport had kunnen beschikken over: videobanden van de verhoren van Maikel, zeven processen-verbaal

van verhoor van Maikel, de schriftelijke rapportage van deskundige 2 naar aanleiding van diens psychologische

onderzoek58 en een letselbrief van Maikel. De RC heeft op 8 februari 2002 proces-verbaal opgemaakt

van dat telefoongesprek.

Deskundige 4 is eind 2000 benaderd met de vraag of hij een diepteverhoor/geleide herinneringsverhoor bij

Maikel kon afnemen. Door de politie was voorgesteld Maikel te onderwerpen aan zo’n verhoor, omdat (nog

steeds) het vermoeden bestond dat Maikel informatie achterhield, verzweeg of verdrongen had. Er zijn

voorbereidingen voor het diepteverhoor getroffen. Er zijn twee voorbereidende gesprekken geweest tussen

Maikel en deskundige 4. Verder heeft Maikel op 16 november 2000 een stuk geschreven over wat er gebeurd

was op 22 juni 2000. Deskundigen 4 en 2 hebben met elkaar overlegd over het diepteverhoor. Het

diepteverhoor heeft niet plaatsgevonden. Deskundige 4 had zijn bedenkingen bij zo’n verhoor van Maikel.

De officieren van justitie hadden om jurisprudentiële redenen hun bedenkingen.

57 Daarbij merk ik op dat deskundige 3 Maikel niet heeft gezien.

58 Op p. 5 van het rapport van deskundige 3 dat aan het procesdossier is toegevoegd, meldt zij dat zij het rapport van het door

deskundige 2 uitgevoerde psychologisch onderzoek heeft opgevraagd.

MAIKEL

83

6.1.4 De studioverhoren van Maikel

Maikel is op 4 juli 2000 voor het eerst verhoord in de kindvriendelijke verhoorstudio. Na afloop van dat verhoor

heeft deskundige 2 zijn indrukken aan de zaaksofficier doorgebeld. De zaaksofficier heeft op 5 of 6 juli

2000 besloten dat Maikel nogmaals verhoord moest worden in de studio.

In overleg tussen teamleiding en officieren van justitie is besloten dat Maikel stevig(er) moest worden verhoord

en dat het verhoorkoppel aangepast moest worden. Teamleiding en officieren van justitie vonden

namelijk dat verhoorders 1 en 2 niet kritisch genoeg waren tegenover Maikel: zij zagen hem teveel als

slachtoffer, terwijl bij teamleiding en officieren de twijfel over Maikel juist groter was geworden door wat

deskundige 2 had gezegd op 4 juli 2000.

De teamleiding heeft verhoorder 1 laten weten dat Maikel harder verhoord moest worden. Hoewel verhoorder

1 daar grote problemen mee had, heeft hij toch meegewerkt. Hij had daarvoor een aantal redenen:

- Het harde verhoor zou als hij weigerde mee te werken toch plaatsvinden. Als hij bij het verhoor was

kon hij het verhoor tenminste enigszins sturen.

- Maikel kende hem, zijn aanwezigheid bij het harde verhoor zou Maikel steun kunnen geven.

- Een harder verhoor was misschien in het belang van het onderzoek.

De wijziging van het verhoorkoppel van Maikel hield in dat verhoorder 2 werd vervangen door verhoorder 3.

De plv. l.o. kende verhoorder 3 en was van mening dat hij in staat zou zijn Maikel aan een kritisch verhoor

te onderwerpen. Verhoorder 3 is speciaal voor de studioverhoren ingezet. Hij heeft zich een paar dagen

ingelezen en voorbereid. Verhoorder 3 heeft in het interview gezegd dat zijn komst ‘low profile’ werd gehouden,

maar dat al snel iedereen in RAG ‘Park’ wist waarvoor hij was binnengehaald. Hij was, zei hij, de

personificatie van de theorie ‘Maikel is verdachte’. Verhoorder 3 was er na de twee studioverhoren waaraan

hij heeft meegewerkt van overtuigd dat Maikel informatie achterhield.

Aan de moeder van Maikel is toestemming gevraagd voor de verhoren van Maikel in de studio. Twee van

de drie toestemmingsverklaringen zitten in het eindproces-verbaal. De derde zou wel zijn opgemaakt, maar

is niet bijgevoegd.

In de studioverhoren van 7 en 12 juli 2000 zit Maikel tegenover de twee mannelijke verhoorders. Regelmatig

vallen er stiltes in de verhoren, soms erg lang (één keer bijna vier minuten, waarbij Maikel verhoorder 3

strak blijft aankijken). Maikel wordt in deze twee studioverhoren talloze malen geconfronteerd met twijfel en

ongeloof bij verhoorders 1 en 3. Maikel is geregeld emotioneel in deze twee verhoren. Op de beeldopnames

zijn de verhoorders meestal niet te zien. Het was in 2000 overigens niet gebruikelijk de verhoorder in

beeld te brengen.

Tijdens deze studioverhoren zat deskundige 2 in de regiekamer. Hij zag geen reden in te grijpen.

In het studioverhoor van 7 juli 2000 heeft Maikel met verhoorder 1 zijn verwurging door de dader nagespeeld,

waarbij Maikel zichzelf speelde en verhoorder 1 de dader.

In de regel wordt bij het uitgewerkte studioverhoor een ‘proces-verbaal beschrijving studioprocedure’ aangeleverd

waarin feitelijke informatie staat over bijvoorbeeld wie bij het studioverhoor aanwezig waren in

verhoor- en regieruimte. Zulke processen-verbaal zaten niet in het eindproces-verbaal van RAG ‘Park’ en

heb ik evenmin aangetroffen bij het overige onderzoeksmateriaal.

MAIKEL

84

In de administratie van de verhoorstudio in Rotterdam was slechts één document terug te vinden over de

studioverhoren van Maikel. Dat is een stamkaart waarop ingevuld is “No. 983”, “RAG Park”, “aanvr.

Korps/tel. nr.: district 2” en de naam van verhoorder 1. Veel andere vragen, waarin gevraagd wordt naar

bijvoorbeeld de datum van het interview, de personalia van de minderjarige en de regie, zijn niet ingevuld.

6.1.5 Confrontatie

Er is in het onderzoek geen confrontatie in persoon of door middel van foto’s geweest tussen Maikel en

Kees B.. Daarbij speelden tenminste twee overwegingen een rol:

- politie en officieren van justitie waren van mening dat een confrontatie te belastend was voor Maikel.

De ouders van Maikel waren ook geen voorstander van een confrontatie;

- Maikel en Kees B. hadden elkaar op 22 juni 2000 gezien toen Maikel uit de bosjes kwam; als Maikel

bij een confrontatie Kees B. zou herkennen, zou dat het gevolg kunnen zijn van het bystandereffect.

Door de plv. l.o. is in het interview als aanvullende reden naar voren gebracht dat men bang was dat Maikel

Kees B. niet zou herkennen.

Ook de raadsman van Kees B. werd op het punt van een confrontatie voor problemen gesteld. Hij wilde

rekening houden met de problemen die Maikel had of zou kunnen hebben met een confrontatie en hij hield

rekening met het bystander-effect.

Een auditieve confrontatie (met het stemgeluid van Kees B.) is door niemand voorgesteld.

6.1.6 Overig

Op donderdag 10 augustus 2000 is, blijkt uit het journaal, onderzoek gedaan naar de sluitingstijd van de

winkel van de vader van Maikel. In het journaal wordt verslag gedaan van de observatie.

Op 15 augustus 2000 is, blijkens het interne politiejournaal, bij de openbare bibliotheek door één van de

analisten van RAG ‘Park’ onderzoek gedaan naar het leesgedrag van Maikel.

Op 16 augustus 2000 hebben leden van RAG ‘Park’ een gesprek gehad met een vrouw die in 1994/1995

de lerares van Maikel was geweest.

Ik breng dit naar voren om aan te geven dat het onderzoeksteam ook medio augustus 2000 nog bijzondere

belangstelling had voor Maikel en zijn omgeving.

6.2 Beoordeling

6.2.1 Twijfel over Maikel

Bij de twijfel over Maikel moet een onderscheid worden gemaakt tussen :

- twijfels over de geloofwaardigheid van zijn verklaringen, en gedachten dat hij informatie achterhield,

en

- twijfels over de betrouwbaarheid van het waarnemingsvermogen van Maikel tijdens de strafbare

feiten.

MAIKEL

85

Eventuele betrokkenheid van Maikel bij de feiten was een scenario dat niet genegeerd kon worden in het

onderzoek.

Dat er externe deskundigheid is ingeroepen is begrijpelijk. Niet duidelijk is geworden waarom zoveel deskundigen

moesten worden ingeschakeld.

De twijfels over de geloofwaardigheid en het vermoeden van het achterhouden van informatie zijn, mede

onder invloed van deskundige 2, een eigen, hardnekkig, leven gaan leiden en hebben tot en met de veroordeling

van Kees B. door het Haagse gerechtshof belet dat geaccepteerd werd dat Maikel de waarheid sprak

en niets achterhield. Er is in de hele procedure geen moment geweest dat Maikel volledig werd geloofd. Na

de bekentenis van Kees B. zijn politie en justitie weliswaar anders tegen Maikel aan gaan kijken in die zin

dat Maikel niet langer werd gezien als iemand die een strafbare rol had gespeeld bij de feiten of die de

dader van de feiten beschermde. Maar ook na de bekentenis van Kees B. zijn de verklaringen van Maikel

nooit volledig serieus genomen. In het verhoor van 14 september 2000 bijvoorbeeld, dus na de bekentenis

van Kees B., is Maikel indringend bevraagd door verhoorder 1 of hij niet toch in de bosjes van PD A een

spelletje aan het spelen was met Nienke. Mede de twijfel over Maikel(’s verklaringen) maakte het mogelijk

om, ondanks de grote verschillen, Kees B.’s bekentenis en Maikel’s verklaringen met elkaar in overeenstemming

te brengen. Als bijvoorbeeld geloofd was dat Maikel en Nienke rond 17.15 uur aan iemand de tijd

hadden gevraagd en kort daarna waren vastgepakt door de dader, dan had Kees B. de feiten qua tijd niet

kúnnen plegen.

Twijfels over het waarnemingsvermogen van Maikel hebben ook een rol gespeeld, bijvoorbeeld ten aanzien

van het uiterlijk van de dader. Kees B. leek in het geheel niet op de man wiens signalement Maikel had

gegeven. De oordelen van deskundigen die zich in het dossier bevonden, namelijk het rapport van deskundige

3 en de mededelingen van deskundigen 2 en 3 bij de RC, maakten het echter mogelijk om dat verschil

te verklaren. De meningen van de deskundigen boden ook een antwoord op de vraag hoe het mogelijk was

dat Maikel Kees B. niet had herkend toen hij uit de bosjes kwam, als B. de dader was.

6.2.2 Getuige/verdachte

Kinderen onder de 12 kunnen niet strafrechtelijk worden vervolgd. Hoewel door art. 487 Sv de toepasselijkheid

van art. 29 lid 2 Sv bij verdachten die jonger zijn dan 12 lijkt te zijn uitgesloten, moet worden aangenomen

dat ook zij gewezen moeten worden op het zwijgrecht.59 Verschil van mening op dit punt is echter

mogelijk.

De zaaksofficier heeft in het interview gezegd dat Maikel niet de cautie heeft gekregen omdat een kind van

11 toch niet vervolgd kan worden. Achteraf vindt zij dat hij wellicht beter wel de cautie had kunnen krijgen.

De raio-officier heeft in het interview gezegd dat het niet meer dan een gevoel was dat Maikel verdachte

was en dat Maikel daarom de cautie niet heeft gehad.

De l.o. heeft in het interview gezegd dat als Maikel ouder dan 11 was geweest hij misschien was aangehouden.

Hij heeft verder gezegd dat ook de plv. l.o. die mening was toegedaan.

Verhoorder 1 heeft in het interview gezegd dat er hiaten in Maikel’s verklaringen zaten en dat men daar

achter hoopte te komen door Maikel steviger aan te pakken. Verhoorder 3 heeft in het interview gezegd dat

Maikel’s verklaringen niet klopten, maar dat hij geen verdachte was en dat hij daarom niet de cautie heeft

gekregen.

59 Cleiren & Nijboer 2003, (T&C Sv), art. 487 Sv, aant. 2f; deze aantekening staat ook in eerdere drukken.

MAIKEL

86

Ondanks de twijfel die kort na 22 juni 2000 ontstond over de rol van Maikel, is er voor gekozen hem te blijven

horen als getuige. In de laatste twee studioverhoren is hij echter de facto als verdachte gehoord. De

wijze van verhoor in de studioverhoren van 7 en 12 juli 2000 past niet bij iemand die als getuige wordt beschouwd.

Maikel is ook toen niet gewezen op zijn zwijgrecht.

6.2.3 Verantwoording in procesdossier van contacten met en werkzaamheden van deskundigen

In het procesdossier wordt geen verslag gedaan van de contacten die er zijn geweest met deskundige 1.

Ik ben van mening dat het voor de hand had gelegen daarover wel iets te melden, al was het maar in het

relaasproces-verbaal, omdat hij als deskundige was geraadpleegd en zijn mening als deskundige had gegeven.

Het had voor rechters en verdediging van belang kunnen zijn kennis te nemen van de mening van

deskundige 1.

De rol van deskundige 2 in het onderzoek was groot. Hij heeft in het begin met zijn mening dat Maikel een

groot geheim had, het onderzoek in een bepaalde richting gestuurd. Hij was door de drie studioverhoren bij

te wonen en daarvan verslag te doen en door het persoonlijkheidsonderzoek nadrukkelijk aanwezig. Toch

blijkt uit het procesdossier niet dat hij zo’n grote rol had. Door het ontbreken in het procesdossier van het

rapport van deskundige 2 en de processen-verbaal beschrijving interviewruimte, blijkt niet dat hij zo’n rapport

heeft gemaakt en dat hij bij de studioverhoren was. In het relaasproces-verbaal staat weliswaar dat

deskundige 2 de studioverhoren van Maikel had begeleid, maar dat is weinig concreet.

De argumenten om het rapport van deskundige 2 niet in het procesdossier op te nemen overtuigen niet. De

privacy van Maikel had ook op andere manier beschermd kunnen worden (bijvoorbeeld door stukken tekst

uit het rapport te halen of door de rechtbank te vragen het rapport achter gesloten deuren te behandelen).

Het argument dat het rapport voor de ouders of voor de hulpverlening was overtuigt evenmin, omdat het

rapport niet is terechtgekomen bij Maikel of diens ouders en ook niet bij de hulpverlening.

Deskundige 2 heeft zelf op het voorblad gezet dat het een pro justitia rapport is en hij ging er zelf van uit dat

het bij het procesdossier zat. In het rapport van deskundige 2 staat informatie die van belang had kunnen

zijn voor rechter en verdediging, bijvoorbeeld om de waarde van Maikel’s verklaringen in te schatten of voor

een antwoord op de vraag of een confrontatie verantwoord was voor Maikel. Ook het oordeel van deskundige

2 over de acute stressstoornis had van belang kunnen zijn voor de vraag of Maikel direct na de strafbare

feiten in staat was geweest de dader te herkennen. Voorts had de verklaring van deskundige 2 bij de

RC beter op waarde geschat kunnen worden en zou het misverstand dat is gerezen over de aard van het

onderzoek dat deskundige 2 had verricht voorkomen kunnen zijn als het rapport bij het procesdossier had

gezeten. Ik vind dan ook dat het rapport van deskundige 2 aan het procesdossier had moeten worden toegevoegd.

Over de aard van het onderzoek van deskundige 2 bestaan verschillen van inzicht tussen de zaaksofficier

en de deskundige. In de schriftelijke opdracht staat dat deskundige 2 een persoonlijkheidsonderzoek moest

uitvoeren. Zo’n onderzoek heeft deskundige 2 uitgevoerd. De zaaksofficier denkt dat deskundige 2 de betrouwbaarheid

van de verklaringen van Maikel moest onderzoeken. Deskundige 2 heeft gezegd dat een

betrouwbaarheidsonderzoek iets heel anders is dan een persoonlijkheidsonderzoek en dat hij de betrouwbaarheid

niet heeft onderzocht.

Tussen de zaaksofficier en deskundige 2 is kennelijk een misverstand gerezen, nu deskundige 2 ervan uit

gegaan was dat zijn rapport aan het dossier was toegevoegd. Deskundige 2 meent dat (mede) daardoor

zijn verklaring bij de RC uit zijn verband is gerukt en dat er verkeerde conclusies uit getrokken zijn.

MAIKEL

87

Het rapport van deskundige 3 zat wel bij het procesdossier, maar de opdracht die zij heeft gekregen niet.

Daardoor kan niet worden vastgesteld of de vraagstelling die deskundige 3 in haar rapport vermeldt overeenkomt

met de opdracht die aan haar is gegeven.

Van het contact met deskundige 4 is niets terug te vinden in het procesdossier. Dat is geen groot bezwaar

want deze deskundige heeft inhoudelijk niets gedaan en geen informatie gegeven die redelijkerwijs voor

rechters of verdediging van belang hadden kunnen zijn.

6.2.4 De rol van deskundige 2 in het opsporingsonderzoek

Deskundige 2 werd door de politie en de officieren van justitie beschouwd als zeer deskundig op het gebied

van kinderen. Hij verrichtte veel werkzaamheden voor politie en justitie in Rotterdam. Eén van de dingen die

hij deed, was het beoordelen van studioverhoren in zedenzaken. Zijn mening over Maikel (kloppend maken

van zijn verklaringen, groot geheim) overtuigde de officieren van justitie en het onderzoeksteam dat hun

twijfels over Maikel niet vreemd waren. De plv. l.o. heeft gezegd dat deskundige 2 een sturende rol had in

het begin van het onderzoek; hij was immers de specialist op dit gebied.

Daarnaast was de mening van deskundige 2 de reden en de rechtvaardiging om Maikel bij herhaling stevig

aan te pakken.

Bij sommigen die betrokken waren of aanwezig waren bij de studioverhoren bestond twijfel over de wijze

van verhoren van Maikel, maar zij wisten dat deskundige 2 in de regieruimte zat en meekeek, en zij dachten

dat als hij er niets van zei, het dus kon. De aanwezigheid van deskundige 2 in de regieruimte was de

rechtvaardiging voor het confronterende optreden. De teamleiding en de officieren van justitie zagen in de

aanwezigheid van deskundige 2 bij de studioverhoren een garantie dat de verhoren binnen de grenzen van

het toelaatbare zouden blijven.

Door de mening van deskundige 2 en door zijn aanwezigheid bij de studioverhoren, hebben de officieren

van justitie en de politiemensen die betrokken waren bij de studioverhoren hun eigen verantwoordelijkheid

voor een correct verlopend verhoor van Maikel als het ware opgegeven.

Deskundige 2 heeft gezegd dat zijn rol voor Maikel duidelijk was, dat hij geen verlengstuk van de politie was

en dat Maikel hem kon vertrouwen, en dat hij niets zou doorvertellen aan de politie. Maikel en zijn ouders

hebben echter in de interviews te kennen gegeven dat voor hen de taak van deskundige 2 binnen het onderzoek

niet duidelijk was. Zij zagen hem als onderdeel van het politieteam. Zijn aanwezigheid bij de studioverhoren

en de manier waarop hij optrad in de gesprekken in het kader van het persoonlijkheidsonderzoek

(hij stelde grotendeels dezelfde vragen als de politie had gesteld in de studioverhoren en hij gaf Maikel

het gevoel dat hij hem niet geloofde) gaven Maikel de indruk dat deskundige 2 er niet voor hem was, maar

voor de politie.

Deskundige 2 heeft geluidsopnames van een gesprek dat hij met Maikel had in het kader van het persoonlijkheidsonderzoek

aan het onderzoeksteam en/of officieren van justitie gegeven. De opname is door hen

beluisterd, hoogstwaarschijnlijk in aanwezigheid van deskundige 2. Op de geluidsdrager zelf en in het gesprek

wordt geen datum van het gesprek genoemd. Maar uit de combinatie van bepaalde dingen die in het

gesprek gezegd worden (Maikel heeft het bijvoorbeeld over het herkennen van een man in de tram; dat

voorval was op 15 juli 2000), het politiejournaal en interviews, kan worden vastgesteld dat het gesprek na

15 juli 2000, dus na het laatste studioverhoor heeft plaatsgevonden.

Waarom deskundige 2 deze opname van een in het kader van een persoonlijkheidsonderzoek gevoerd

gesprek tussen hem en Maikel heeft willen delen met politie en justitie is niet duidelijk geworden. Misschien

MAIKEL

88

dacht hij dat het opsporingsonderzoek er mee gediend werd als de geluidsopname werd beluisterd door de

officieren van justitie en de teamleiding. Dat is echter niet als reden naar voren gebracht door deskundige 2.

Het laten luisteren door de officieren en de teamleiding is in tegenspraak met wat deskundige 2 naar eigen

zeggen aan Maikel heeft verteld over zijn verhouding tot de politie. In het interview ontkende deskundige 2

overigens stellig en met argumenten dat hij geluidsopnames had gemaakt van het/de gesprek(ken) met

Maikel in het kader van het persoonlijkheidsonderzoek. In aanvullende correspondentie met mij heeft hij

aangegeven dat hij zich vergist moet hebben toen hij zei dat er geen geluidsopnames waren gemaakt.

Het delen van deze informatie door deskundige 2 met politie en justitie lijkt met heimelijkheid te zijn omgeven.

De inhoud van een door de l.o. in het interne politiejournaal opgenomen passage op donderdag 20 juli

2000 versterkt dat idee. Daar staat: “Laat in de contacten met de ouders van Maikel en hemzelf geenszins

blijken dat er informatie van [deskundige 2] komt.”

Op twee momenten is aan deskundige 2 om medewerking bij het onderzoek verzocht. In de eerste plaats is

hij op 30 juni 2000 op verzoek van de zaaksofficier bij het onderzoek betrokken. Na een gesprek met teamleiding

en zaaksofficier op 3 juli 2000 heeft hij op 4, 7 en 12 juli in de regieruimte de studioverhoren bijgewoond.

De meningen van deskundige 2 en de zaaksofficier over de taak van deskundige 2 bij de studioverhoren

komen niet geheel en al overeen. Deskundige 2 heeft verklaard dat hij bij het onderzoek is gehaald

om de studioverhoren van Maikel te begeleiden, wat betekende dat hij de verhoren in de gaten moest houden

om te beoordelen of Maikel slachtoffer of dader was. De zaaksofficier heeft gezegd dat deskundige 2

bij het onderzoek is gehaald om te letten op de belangen van Maikel tijdens de verhoren en om advies te

krijgen over de wijze van verhoor van Maikel, waarbij ook de mogelijkheid van Maikel als verdachte moest

worden onderzocht.

In de tweede plaats heeft op 6 juli 2000 het OM aan deskundige 2 gevraagd een onderzoek in te stellen

naar de persoonlijkheid van Maikel. Dit, volgens de zaaksofficier, om de betrouwbaarheid van de verklaringen

van Maikel te onderzoeken.

Door die twee in de tijd opvolgende opdrachten en daarmee gepaard gaande activiteiten, kan het niet volledig

worden uitgesloten dat bij de vervulling van de tweede opdracht (het onderzoek naar de persoonlijkheid

van Maikel dan wel de betrouwbaarheid van zijn verklaringen) de bevindingen van deskundige 2 ten aanzien

van de eerste opdracht (studioverhoren) een rol hebben gespeeld.

6.2.5 Studioverhoren

Kinderen tussen de 4 en 12 jaar die vermoedelijk getuige geweest zijn van een ernstig misdrijf of persoonlijke

betrokkenheid hebben bij een misdrijf kunnen worden gehoord in een kindvriendelijke verhoorstudio

door een daarvoor opgeleide politieambtenaar. Om de studioverhoren zo zorgvuldig mogelijk te laten verlopen,

is in 1994 een landelijk Protocol Studioverhoren ontwikkeld.60

Sinds kort maakt het Protocol deel uit van de ‘Aanwijzing opsporing en vervolging inzake seksueel misbruik’.

Deze aanwijzing van het College van procureurs-generaal is op 15 februari 2005 in werking getreden.

Onder punt 2 van de aanwijzing is opgenomen dat een slachtoffer van een zedenzaak die tussen de 4

en 12 jaar is en oudere personen bij wie sprake is van een achterstand in de ontwikkeling, gehoord dienen

te worden volgens het Protocol Studioverhoren.

60 Zie ook: drs. K.M.K. Dekens en drs. J. van der Sleen, Het kind als getuige. Theorie en praktijk van het verhoor, ’s-

Gravenhage: VUGA 1997.

MAIKEL

89

In juni 2000 bevatten de beleidsregels van het Openbaar Ministerie niet zo’n bepaling. Het Protocol Studioverhoren

was in juni 2000 wel algemeen bekend binnen politie en justitie. Het werd algemeen toegepast bij

het verhoor van jeugdige getuigen/aangevers in zedenzaken.61 Het Protocol kon in 2000 niet worden beschouwd

als gepubliceerde, verbindende richtlijn.

Het huidige Protocol Studioverhoor wijkt niet noemenswaardig af van het Protocol dat in 2000 bestond.

Er kan geen twijfel over zijn dat deze zaak studioverhoorwaardig was: Maikel was het slachtoffer en de

belangrijkste getuige van zeer ernstige misdrijven. In zo’n zaak is een studio een betere en rustiger omgeving

voor een verhoor dan een politiebureau. Een video-opname van zijn verklaring had later in de procedure

van belang kunnen zijn voor het bewijs. Ook maakte de beeldopname het mogelijk non-verbale uitingen

beter te bekijken. Bovendien kon een opgenomen verklaring door een deskundige beoordeeld worden.

De studioverhoren van 7 en 12 juli 2000 zijn harde verhoren. Deskundige 2, die de verhoren heeft bijgewoond,

heeft zelf gezegd dat hij nooit eerder een studioverhoor had gezien dat zo hard was. Hij vond het

verhoor echter voor Maikel niet onverantwoord.

Maikel is in deze twee verhoren herhaaldelijk geconfronteerd met twijfel en ongeloof van de kant van verhoorders

1 en 3 over dingen die hij in eerdere verhoren had gezegd. Maikel is door verhoorders 1 en 3 niet

zozeer geconfronteerd met feiten op grond waarvan moest worden geconcludeerd dat wat hij had gezegd

niet klopte, maar met veronderstellingen en verwachtingspatronen van de verhoorders.

Ook is Maikel door de verhoorders 1 en 3 een schuldgevoel aangepraat met vragen en verwijten over

waarom hij Nienke niet heeft geholpen.

Door een aantal verhoortechnieken was de druk in de studioverhoren van 7 en 12 juli 2000 op Maikel hoog.

Dat kwam onder meer door:

- de opstelling van twee volwassen verhoorders recht tegenover Maikel;

- het gaan staan van een van de verhoorders tegenover een zittende Maikel;

- het instellen van langdurige stiltes tijdens de verhoren;

- het gebruik maken van de techniek van good cop – bad cop, wat voor een kind van 11 verwarrend

is;

- het inspelen op het schuldgevoel van Maikel door hem te verwijten dat hij Nienke niet heeft geholpen;

- het naspelen van de verwurging.

De wijze van verhoor op 7 en 12 juli 2000 was niet afgestemd op het (ontwikkelings)niveau van een kind

van 11. Hij is als een volwassene verhoord. Zelfs als Maikel formeel was aangemerkt als verdachte zouden

de verhoortechnieken dubieus zijn geweest bij een kind van 11. Maikel was een kind dat weerstand kon

bieden aan deze druk. (Dat werd erg opmerkelijk gevonden en daarin werd een aanwijzing gezien dat Maikel

in staat was zijn verhaal aan te passen.) Bij een kind dat minder sterk in zijn schoenen had gestaan,

getuige of verdachte, waren er misschien gewenste antwoorden gegeven of was misschien zelfs een valse

bekentenis afgelegd.

Aan de ouders van Maikel is nooit verteld dat Maikel aan harde verhoren onderworpen zou worden. Tegen

de vader van Maikel is wel gezegd dat de politie dacht dat Maikel informatie achterhield. Aan de vader is

toen gevraagd tegen Maikel te zeggen dat hij bij de politie de waarheid moest vertellen. Vader, die zijn zoon

geloofde, werd door dat verzoek in een moeilijke positie gebracht.

61 vgl. HR 19 december 2000, NJ 2001, 140.

MAIKEL

90

Maikel heeft destijds niet aan zijn ouders willen vertellen hoe de studioverhoren verliepen. Hij kon er ook

niet over praten met zijn familierechercheur, omdat die als verhoorder 1 had meegedaan aan de harde

verhoren. Ook tegen deskundige 2 wilde Maikel niet zeggen wat hij echt van de studioverhoren vond.

Pas veel later zijn de ouders van Maikel er achter gekomen hoe de studioverhoren zijn verlopen. De ouders

hebben achteraf het gevoel misleid te zijn. Zij gaven keer op keer hun zoon in goed vertrouwen mee met de

politie, in de veronderstelling dat de verhoren van Maikel noodzakelijk waren voor het oplossen van de zaak

en correct zouden verlopen. Zij zeggen dat Maikel door de verhoren veel schade heeft opgelopen. Maikel

zelf heeft in het interview in het kader van het evaluatie-onderzoek gezegd dat het niet geloofd worden een

zware wissel op hem heeft getrokken.

In de studioverhoren zeggen de verhoorders 1 en 3 af en toe tegen Maikel dat deskundige 2 heeft gezegd

dat het goed is als hij over de gebeurtenissen in het park praat. De manier waarop daaraan door de verhoorders

invulling is gegeven, onder de ogen van deskundige 2, heeft bij Maikel echter problemen veroorzaakt.

Op een aantal punten is gehandeld in strijd met het Protocol Studioverhoor:

- De verhoorstudio is niet voor het verhoor aan de ouders van Maikel getoond. (De studio is wel aan

Maikel getoond.)

- Maikel is verhoord door twee verhoorders.

- Eén van de verhoorders was niet opgeleid tot studioverhoorder. Dat brengt het risico met zich dat

de niet-opgeleide verhoorder onvoldoende rekening houdt met de kwetsbaarheid van de minderjarige

getuige. Als er teveel druk wordt uitgeoefend op de getuige, kan dat juridische gevolgen hebben.

- Eén van de uitgangspunten van het Protocol Studioverhoren is dat de belasting van de getuige zo

beperkt mogelijk wordt gehouden. In de regel moet de getuige praten over iets waar hij liever niet

over praat en daarom moet het verhoor in één keer goed gaan. Om anderen te kunnen laten zien

wat er gebeurd is in het verhoor en om te voorkomen dat een aanvullend verhoor nodig is, worden

opnames gemaakt. Maikel is drie keer gehoord in de verhoorstudio. Dat is zeer uitzonderlijk.

- Er zijn geen processen-verbaal ‘beschrijving studioprocedure’ gemaakt.

6.2.6 Aantal verhoren Maikel

In de drie weken na 22 juni 2000 is Maikel zes keer verhoord. Dat is veel, gelet op wat hij had meegemaakt.

Het is ook riskant, want naarmate een getuige vaker wordt gehoord, is de kans dat hij zijn verklaringen

aanpast groter.

6.3 Conclusies

Met de belangen van Maikel is onvoldoende rekening gehouden. Hij is onderworpen aan verhoren die voor

wat betreft techniek en bejegening niet aansluiten bij een jongen van net 11 die betrokken is geweest bij

zeer ernstige strafbare feiten. Zelfs als hij verdachte was geweest, zou deze wijze van verhoor niet juist

geweest zijn.

In de bestudeerde stukken is geen verslaglegging terug te vinden van de discussies die gevoerd zijn over

de rol van Maikel, de wijze waarop hij in de beginfase van het onderzoek tegemoet moest worden getreden

en de rol van de deskundigen. Besluitvorming daaromtrent is niet op papier verantwoord. Bij de bestudeerde

stukken zitten wel enkele dadertheorieën waarvan een deel op Maikel betrekking heeft. Die theorieën

MAIKEL

91

zouden echter, zo heeft de raio-officier in het interview gezegd, pas op papier zijn gezet toen Kees B. al

vast zat.

De rol van de deskundigen die bij Maikel betrokken waren, was belangrijk. De stukken die in het procesdossier

zitten geven echter onvoldoende inzicht in wat de deskundigen hebben gedaan. Dat geldt vooral

voor deskundige 2. Hij had zeker in het begin een sturende rol. Teamleiding en officieren van justitie hebben

zich door hem laten leiden, zijn teveel afgegaan op zijn deskundigheid en zijn onvoldoende kritisch

geweest ten opzichte van deskundige 2. Deskundige 2 zat als het ware op de stoel van de opsporing.

Het rapport van deskundige 2 is ten onrechte niet toegevoegd aan het procesdossier. Er staat immers informatie

in die redelijkerwijs voor rechter en verdediging van belang was of had kunnen zijn.

De positie van deskundige 2 ten opzichte van Maikel was niet duidelijk. Terwijl deskundige 2 er volgens de

zaaksofficieren primair voor Maikel was, zagen Maikel en zijn ouders hem vooral als verlengstuk van de

politie. Een vertrouwensband tussen Maikel en deskundige 2 is dan ook nooit ontstaan. In het kader van

hulpverlening heeft deskundige 2 ogenschijnlijk geen rol gespeeld, omdat zijn rapport niet terecht is gekomen

bij degenen die zich bezig hielden met de hulpverlening aan Maikel. Door zonder toestemming van

Maikel of diens ouders een geluidsopname van een gesprek dat gevoerd was in het kader van het persoonlijkheidsonderzoek

aan justitie en/of politie te geven, is het vertrouwelijke karakter van dat gesprek geschonden.

Er is een onduidelijke situatie ontstaan rondom het rapport dat deskundige 2 heeft gemaakt. Hij was er van

uit gegaan dat zijn rapport bij het procesdossier zat. Uitlatingen die hij bij de RC heeft gedaan moesten zijns

inziens worden gezien tegen de achtergrond van dat rapport. Nu dat rapport niet bij de rechter en de

raadsman van Kees B. bekend was, zijn aan zijn woorden bij de RC misschien een verderstrekkende betekenis

toegekend dan hij had voorzien en kunnen voorzien.

Verhoorder 1 is in een positie terechtgekomen die - ook in het algemeen - onwenselijk is: hij was niet alleen

verhoorder van Maikel, maar ook familierechercheur van Maikel en zijn ouders, en studiobeheerder. Deze

functies waren in dit onderzoek niet met elkaar te combineren. In hoofdstuk 11 besteed ik hier nader aandacht

aan. In het algemeen lijken de functies van studioverhoorder en studiobeheerder niet onverenigbaar

te zijn.

Bij de studioverhoren van Maikel op 7 en 12 juli 2000 is het Protocol Studioverhoren op een aantal punten

niet in acht genomen.

De administratie van de studioverhoren in deze zaak is gebrekkig. In de administratie van de verhoorstudio

in Rotterdam-Rijnmond is slechts een stamkaart aangetroffen voor één studioverhoor (volgnummer 983),

terwijl er drie studioverhoren geweest zijn. Op die kaart staan veel minder gegevens dan gebruikelijk is.

Kopieën van processen-verbaal beschrijving interviewruimte ontbreken in de administratie.

De vraag moet worden beantwoord of de wijze waarop Maikel is benaderd van invloed is geweest op de

veroordeling van Kees B.. De wijze van verhoor van Maikel heeft niet bijgedragen aan de veroordeling.

Duidelijk is wel dat als Maikel als kroongetuige was benaderd en volledig geloofd was, Kees B. niet veroordeeld

zou zijn: hij voldeed immers niet aan het signalement dat Maikel van de dader had gegeven en in de

tijd kon Kees B. de feiten niet gepleegd hebben. Door wezenlijke onderdelen van Maikel’s verklaringen

terzijde te schuiven, kon Kees B. in de daderrol worden gebracht en gehouden.

MAIKEL

92

6.4 Aanbevelingen

In stukken die naar rechter en verdediging gaan, moet melding worden gemaakt van en zonodig verantwoording

worden afgelegd over inhoudelijke contacten tussen politie/justitie en deskundige, voor zover die

contacten het karakter van incidentele adviesinwinning op ondergeschikte punten te boven gaat.

In gecompliceerde zaken moet de deskundige die politie/justitie adviseert in het kader van de hulpverlening

niet ook degene zijn die een pro justitia rapport opmaakt.

Het Protocol Studioverhoren zou op de volgende punten moeten worden aangevuld:

- Indien een tweede studioverhoor van een jongere onder de 12 wordt uitgevoerd, moet dat beargumenteerd

worden. De argumenten moeten in een proces-verbaal worden vastgelegd. Dat procesverbaal

moet worden opgenomen in het dossier.

- Indien wordt afgeweken van de procedure zoals beschreven in het Protocol Studioverhoren moet

dat beargumenteerd worden. De argumenten moeten in een proces-verbaal worden neergelegd.

Het proces-verbaal moet bij de stukken worden gevoegd. Ook bij een tweede of verder verhoor is

een uitdrukkelijke toestemming van de officier van justitie vereist.

- Indien sprake is van een zeer ernstig misdrijf moet een ervaren studiobeheerder bij de verhoren

betrokken zijn. Studiobeheerder en studioverhoorder moeten in zo’n zaak niet in één persoon verenigd

zijn.

- Bij het maken van beeldopnames moet ook de studioverhoorder in beeld zijn, zodat niet-verbale

communicatie is te zien.

De administratie van verhoren in de kindvriendelijke verhoorstudio moet op orde zijn. Gelet op de gevoeligheid

van de opnames moet altijd duidelijk zijn wat er is gebeurd in de studio en met de banden.

In strafrechtelijke onderzoeken moet bij politie en justitie meer kritische aandacht zijn voor de rol van de

deskundige en de aan de deskundige te geven opdracht.

De functies van verhoorder van het slachtoffer en familierechercheur voor dat slachtoffer moeten niet in één

persoon verenigd zijn.

Ontwikkel een richtlijn voor het verhoor van minderjarige verdachten (onder 16 jaar) en verstandelijk gehandicapte

verdachten voor zaken waarin de verdenking bestaat van een strafbaar feit waarop een gevangenisstraf

van 6 jaren of meer is gesteld, waarbij het verhoor is afgestemd op het ontwikkelingsniveau van

de doelgroep.

DE VERHOREN VAN KEES B.

93

7 DE VERHOREN VAN KEES B.

In dit hoofdstuk ga ik in op de verhoren van Kees B., vooral de politieverhoren van zaterdag 9 en zondag 10

september 2000. In dat weekend heeft Kees B. bekennende verklaringen afgelegd.

7.1 Feitelijkheden

7.1.1 Chronologisch overzicht verhoren

Het eerste contact tussen Kees B. en de politie was op 22 juni 2000, om 18.07/18.08 uur, toen B. naar 112

belde. Kort daarop heeft Kees B. in het Beatrixpark gesproken met brigadier S., de eerste politieambtenaar

die in het park was aangekomen. S. had toen al met Maikel gepraat en van hem gehoord "dat er een man

met een puistig gezicht was geweest". Nadat S. met Maikel had gepraat, werd hij aangesproken door Kees

B.. S. heeft een aantal gegevens van Kees B. opgenomen (naam, voornaam, geboortedatum, adres en

mobiele telefoonnummer). S. is op 5 maart 2001 door de rechter-commissaris gehoord als getuige. Hij heeft

toen onder meer verklaard dat Kees B., die hij van gezicht kende, op 22 juni 2000 een rustige indruk op

hem maakte en dat hij geen bloed heeft gezien aan/op Kees B.´s handen of kleding toen hij met hem sprak.

Op 25 juni 2000, rond 14.00 uur, is Kees B. verhoord als getuige over wat hij op 22 juni rond 18.00 uur had

gezien, gehoord en gedaan.

In Hoofdstuk 5 kwam ter sprake hoe medio juli 2000 de aandacht van het onderzoeksteam voor Kees B.

verschoof, nadat het team in contact was gekomen met een politieambtenaar wiens zoon in mei 1999 door

Kees B. benaderd was. Op 14 juli 2000 is een afspraak geannuleerd die deze politieambtenaar met Kees B.

had gemaakt en is een nieuwe afspraak gemaakt voor 17 juli 2000.

Op 17 juli 2000, vanaf 20.20 uur is Kees B. als getuige verhoord. De eindtijd van dat verhoor is niet bekend,

maar een tweede verhoor op die avond is begonnen om 22.00 uur. Op 17 juli 2000 is Kees B. verhoord

door twee rechercheurs. Eén van hen zal bij alle volgende politieverhoren van Kees B. betrokken zijn. Ik

noem hem hierna verhoorder 4. In het eerste verhoor van deze avond zijn B.´s levensloop en seksuele

ontwikkeling en seksuele interesses besproken. In dat verhoor heeft hij niet de cautie gekregen. In het

tweede verhoor heeft hij wel de cautie gekregen, ook al werd hij als getuige verhoord. Blijkens het journaal

heeft Kees B. de cautie gekregen omdat de fiets waarop hij die avond naar het politiebureau was gekomen,

veel leek op de fiets die door getuige G 36 op 22 juni was gezien, liggend op het gras bij brug A nabij PD A.

In het tweede verhoor van die 17e juli is onder meer gesproken over tot hoe laat Kees B. had gewerkt op 22

juni, over de door hem die dag na zijn werk gefietste route, en wat hij in het park had gezien, gedaan en

gehoord. Ook is gesproken over een fiets die Kees B. had gezien toen hij door het park fietste. Die fiets lag

op het gras nabij brug A. Het was een grijze herenfiets, zonder handremmen en versnellingen. Kees B.

meende zich te herinneren dat om de zadelpin van die fiets een soort van kettingslot hing met een messing

beugelslot.

Kees B. heeft tijdens het tweede verhoor van die avond een deel van de verklaring van getuige G 36 te

lezen gekregen, namelijk het deel waarin die getuige een beschrijving geeft van de fiets die hij had zien

liggen. Kees B. vond na lezing van deze verklaring dat de fiets die deze getuige had beschreven wel erg

veel op zijn eigen fiets leek, "zeker in combinatie met het slot wat voor scooters gebruikt wordt".

Met toestemming van Kees B. zijn na afloop van het tweede verhoor op 17 juli 2000 foto´s van Kees B. zelf,

van zijn fiets en van zijn werkschoenen genomen.

DE VERHOREN VAN KEES B.

94

Op 19 juli 2000 heeft Kees B. even met verhoorder 4 gesproken, toen die op het werk van B. een gesprek

had met Kees B.´s werkgeefster en twee van zijn collega's. Van dat gesprek is geen proces-verbaal opgemaakt,

maar er is wel een aantekening van gemaakt in het journaal door verhoorder 4. De aantekening

luidt:

“Voor het verhoor vertelde [naam werkgeefster] dat Kees B. gisteren had verteld dat hij contact had

gehad met een advocaat omdat hij het idee had dat de politie hem in een verdachtehoekje wilde

duwen. Ook nog even een gesprek met Kees B. gehad en hem art. 27 van strafvordering uitgelegd

op sesamstraatniveau.”

Op 25 juli 2000 heeft Kees B., als getuige, de route gefietst die hij op 22 juni na zijn werk had gefietst. Verhoorder

4 was één van de twee rechercheurs die daar bij was. Kees B. bepaalde het fietstempo. In het

proces-verbaal van bevindingen wordt niet vermeld of aan Kees B. de cautie is gegeven.

Op donderdag 3 augustus 2000 is Kees B. opnieuw verhoord als getuige met cautie. Verhoorder 4 en een

mannelijke rechercheur die bij bijna alle volgende politieverhoren van Kees B. betrokken was en die ik hierna

verhoorder 5 noem, waren degenen die het verhoor afnamen. De begin- en eindtijd zijn niet bekend,

maar het verhoor zou twee uur geduurd hebben. Er is op 19 september 2000 een proces-verbaal van bevindingen

opgemaakt door verhoorders 4 en 5. In het proces-verbaal van 19 september 2000 wordt uitgelegd

waarom niet op 3 augustus 2000 proces-verbaal is opgemaakt: “Gezien het feit dat K. B. vrijwillig aan

het bureau was verschenen en het gesprek reeds 2 uur had geduurd werd het gesprek niet in een procesverbaal

verantwoord maar werden van dit verhoor aantekeningen gemaakt.” Verhoorder 4 heeft in de schriftelijke

beantwoording van vragen aangegeven dat hij niet weet waarom niet op 3 augustus 2000 procesverbaal

is opgemaakt van dit verhoor. Verhoorder 5 heeft in de schriftelijke beantwoording van vragen gezegd

dat eerder geen proces-verbaal was opgemaakt, omdat gedacht werd dat het verhoor niet relevant

was.

In het journaal van 3 augustus 2000 staat ruim een halve pagina tekst over dit verhoor. Ik citeer:

"K. B. gehoord. Hij verklaarde op 23/6 niet op de pd te zijn geweest. Hij is de avond van 22/6 eerst

naar zijn ouders gegaan en daar heeft hij gegeten. Hierna ging hij omstreeks 20.00 uur naar een

vriend waar hij tot 23.30 verbleef. Daarna is hij naar huis gegaan, keek TV op de bank en is vervolgens

in slaap gevallen. Om 07.30-08.00 uur stond hij op. Hij heeft zich gewassen, schoor zich en at

wat waarna hij op zijn fiets naar zijn moeder ging die op een school in Vlaardingen werkt. Hij heeft

daar een praatje met haar gemaakt.

Vervolgens met hem gesproken over wat hij dacht dat er mogelijk met Maikel en Nienke gebeurd zou

kunnen zijn. In de eerste instantie wilde hij niet verklaren. Hem geconfronteerd met het feit dat hij

veel persoonlijke zaken kwijt wil maar niet over de moord op Nienke wil praten. Vervolgens wilde hij

wel in derde persoon verklaren. Hierbij vertelde hij een aantal opvallende zaken te weten:

- Ze zullen onder bedreiging van een mes of pistool de bosjes mee zijn ingenomen. Bedreiging

bestond uit 'Ga mee anders maak ik je dood.’

- Vanaf de kinderboerderij of op de weg vlakbij de bosjes.

- Zij zijn beiden meegenomen omdat zij toevallig daar liepen.

- In de bosjes heeft hij niet met hen gesproken maar opdrachten gegeven.

- Zij moesten zich beiden uitkleden. Beiden om te voorkomen dat zij weg zouden rennen.

- Nienke is verkracht.

- Hij had Maikel willen doden om te voorkomen dat hij zou getuigen.

- Het was niet de bedoeling om de kinderen te doden.

- Hij heeft tegen de kinderen gezegd dat zij stil moesten zijn.

- Hij wist niet of de dader Maikel nog iets aan zou willen doen.

Verder waren een aantal zaken opmerkelijk te weten:

- Zijn seksuele voorkeur gaat uit naar vrouwen met lang blond haar.

- Geen grote borsten, wel wat, en stevig postuur.

DE VERHOREN VAN KEES B.

95

- Zijn eerste seksuele ervaring was met een meisje uit het tehuis en was in een soort parkje/

bosje."

Het proces-verbaal van 19 september 2000 - dat inclusief kop, inleiding en afsluiting, twee pagina’s beslaat

- stemt grotendeels overeen met het journaal. De belangrijkste verschillen zijn dat in het proces-verbaal niet

staat dat Kees B. in eerste instantie niet wilde verklaren, dat hij geconfronteerd is met het feit dat hij veel

persoonlijke zaken kwijt wilde maar niet over de moord op Nienke wilde praten, en dat Kees B. vervolgens

wel in de derde persoon wilde praten.

Ik zal het verhoor van 3 augustus 2000 hierna aanduiden als het scenarioverhoor, waarbij het woord ‘scenario’

de betekenis heeft van de te veronderstellen loop van de gebeurtenissen.

Het proces-verbaal van het verhoor van 3 augustus 2000 is opgenomen in de bundel stukken die op of kort

na 13 oktober 2000 ter kennis van de RC en de verdediging is gebracht. In een begeleidend relaasprocesverbaal

bij die bundel stukken staat:

"Op 03/08/2000 werd K. B. als getuige onder de cautie gehoord. Van dit verhoor werd in eerste instantie

geen proces-verbaal van verhoor opgemaakt. Daar dit verhoor nu mogelijk deels relevant is

gebleken is het alsnog in een proces-verbaal van bevindingen uitgewerkt."

Kees B. heeft in het interview gezegd dat er een verhoor heeft plaatsgevonden waarin diverse scenario´s

over wat er in het park gebeurd was of had kunnen zijn, besproken werden. Mogelijk was dat op 3 augustus,

aldus Kees B.. In dat verhoor zou verhoorder 4 hebben verteld wat volgens de politie was gebeurd.

Verhoorder 4 zou onder meer hebben verteld hoe Nienke was vermoord en hoe ze was beetgepakt. Kees

B. heeft in het interview gezegd dat hij het een vreemd verhoor vond en dat hij vooral de politie heeft laten

praten.

Verhoorder 4 heeft in de schriftelijke beantwoording van vragen over het verhoor van 3 augustus 2000 gezegd

dat in dit verhoor niet volgens een bepaalde techniek is gewerkt, "het liep zoals het liep", het ontstond

uit de interactie tussen Kees B. en de verhoorders. Verhoorder 5 heeft in de schriftelijke beantwoording van

vragen gezegd dat er geen plan was om Kees B. op deze manier te horen en dat het tijdens het verhoor

spontaan is ontstaan. Verhoorders 4 en 5 kunnen niet meer aangeven wat hun inbreng was in het verhoor.

De plv. l.o. toonde zich tijdens het interview verbaasd over het feit dat er een scenarioverhoor had plaatsgevonden

en ook over het feit dat het proces-verbaal van dat verhoor pas op 19 september 2000 was opgemaakt.

Hij is van mening dat een scenarioverhoor een gevaarlijke manier van verhoren is. De l.o. zei in

het interview dat hij niet wist dat van het verhoor van 3 augustus 2000 pas op 19 september 2000 procesverbaal

is opgemaakt. De zaaksofficier zei in het interview niet gecharmeerd te zijn van het afnemen van

een scenarioverhoor. Zij was op 3 augustus 2000 niet op de hoogte dat aan Kees B. in een verhoor hypotheses

over mogelijke gebeurtenissen in het park zouden worden voorgelegd.

Op 4 augustus 2000, vanaf 11.30 uur, is Kees B. opnieuw verhoord, weer als getuige met de cautie. Van

het verhoor is op 4 augustus 2000 proces-verbaal opgemaakt. Verhoorder 4 was één van de twee verhorende

rechercheurs. In dat verhoor zijn aan Kees B. foto´s getoond van drie personen die op 22 juni 2000

rond 18.00 uur op/bij brug B waren. Ook is opnieuw gesproken over wat Kees B. had gedaan nadat hij naar

112 had gebeld en over wat hij had gedaan op 23 juni 2000. In dit verhoor heeft de politie gevraagd of Kees

B. kledingstukken ter beschikking wilde stellen voor een vergelijkend vezelonderzoek. In het proces-verbaal

van 4 augustus 2000 wordt Kees B. als volgt sprekend opgevoerd:

"U vraagt mij of ik aan u kledingstukken ter beschikking wil stellen ten behoeve van een vergelijkend

sporenonderzoek. Ik stel u bij deze een donkerblauw poloshirt ter beschikking welke ik als

DE VERHOREN VAN KEES B.

96

een soort van bedrijfskleding draag. Ik heb dit shirt ook wel eens op mijn werk aan. Verder zal ik u

later een lichter blauw T-shirt ter beschikking stellen. Ik begrijp dat ik dit geheel op vrijwillige basis

doe en dat u geen enkel rechtsmiddel op mij kan doen toepassen."

In het journaal van 4 augustus 2000 staat:

"Bij PV gehoord de getuige/verdachte K. B.. In overleg met PLO en Kees B. het donkerkleurige

shirt gevraagd welke hij als een soort van bedrijfskleding draagt. Deze werd in de woning van K. B.

door hem afgegeven. Later K. B. nog een keer gebeld en hem medegedeeld dat het voor een vergelijkend

onderzoek ging en hij begreep dit en hij stelde het aan ons ter beschikking."

Het donkerkleurige poloshirt dat door Kees B. is afgegeven, is een shirt met het opschrift 'Duckhams'. Kees

B. had dat shirt aan toen hij op de avond van 17 juli 2000 naar het politiebureau ging. Op de foto’s die op

die avond van Kees B. zijn gemaakt, is het shirt te zien. Kees B. heeft in het interview gezegd dat de politie

op 4 augustus 2000 specifiek naar dat shirt vroeg.

De politie dacht dat het “Duckhams-shirt” een kledingstuk was dat Kees B. op 22 juni 2000 op zijn werk had

gedragen. Het is mij niet duidelijk geworden waarom de politie dat dacht. Uit B.’s verklaringen kan niet worden

gehaald dat hij degene was die de politie op die gedachte heeft gebracht. Dit punt is niet helemaal

zonder belang, omdat de rechtbank in het vonnis heeft overwogen en de AG in haar requisitoir heeft aangevoerd

dat Kees B. verkeerde kleding aan de politie heeft gegeven, zulks in het nadeel van Kees B..

In het interview heeft Kees B. gezegd dat er volgens hem tussen 22 juni en 5 september 2000 meer contacten

zijn geweest tussen hem en de politie dan hierboven zijn opgesomd. Hij meent dat er in totaal 10 tot 15

contacten waren. Het interne politiejournaal geeft echter geen steun aan die gedachte. Interviews met betrokken

politieambtenaren evenmin.

Op dinsdag 5 september 2000, om 15.00 uur, is Kees B. buiten heterdaad aangehouden op verdenking van

betrokkenheid bij de feiten in het Beatrixpark op 22 juni 2000. Kees B. was die middag op verzoek van de

politie naar het politiebureau in Schiedam gekomen. Hij dacht dat hij weer verhoord zou worden zoals bij

eerdere gelegenheden. De aanhouding kwam voor Kees B. als een verrassing, heeft hij in het interview

gezegd. Om 15.50 uur is Kees B. in verzekering gesteld door de l.o. Bij het verhoor ter gelegenheid van de

inverzekeringstelling heeft Kees B. gezegd:

"Ik vind het raar dat ik ben aangehouden. Ik weet waarvoor ik ben aangehouden. Ik snap het alleen

niet. Ik verleen toch mijn medewerking."

Op 5 september 2000 vanaf 16.00 uur, is Kees B. verhoord door verhoorders 4 en 5. De eindtijd van het

verhoor is niet bekend. Kees B. is ondervraagd over zijn jeugd, de relatie met zijn ouders en zijn seksuele

ervaringen en voorkeuren. Tijdens dit verhoor is getuige G 54 geconfronteerd met Kees B.. Zij herkende

hem voor 85-90% als de man die zij op 23 juni 2000 ´s ochtends in het Beatrixpark had gezien bij PD A.

Daarmee bekend gemaakt, ontkende Kees B. die ochtend in het Beatrixpark geweest te zijn.

Op woensdag 6 september 2000 zijn de verhoren van Kees B. voortgezet. Volgens het opgemaakte proces-

verbaal is Kees B. die dag door verhoorders 4 en 5 verhoord van 12.45 tot 18.00 uur en van 19.20 tot

22.00 uur.62 Het proces-verbaal van dit verhoor is op 6 september 2000 opgemaakt. In dit verhoor heeft

Kees B. onder meer verklaard over seksuele ervaringen in zijn jeugd. Verder heeft hij verklaard dat hij,

anders dan hij in eerdere verhoren had gezegd, op 22 juni 2000 in het Beatrixpark had rondgefietst op zoek

naar een kind dat hij kon benaderen voor een seksuele handeling en dat hij achter een blond jongetje was

62 In het journaal staat dat het verhoor duurde van 12.15 tot 22.30 uur.

DE VERHOREN VAN KEES B.

97

aangefietst. (Dat was waarschijnlijk een broertje van Nienke, dat in het park heeft gezocht naar Nienke en

Maikel.) Kees B. zegt dat hij tijdens het rondfietsen een waarschijnlijk Turkse of Marokkaanse man met

twee kinderen, een vrouw met een bruine hond, en een kalende man van rond de 50 jaar met bril had gezien.

Aan het eind van het verhoor heeft Kees B. naar voren gebracht dat hij ooit met twee minderjarige

jongens iets had gedaan op seksueel gebied. De politie was daarvan nog niet op de hoogte.

Op donderdag 7 september 2000 is Kees B. door verhoorders 4 en 5 verhoord van 12.30 tot 15.20 uur, van

17.00 tot 18.15 uur en van 20.00 tot 00.15 uur. Er is gesproken over Kees B.´s jeugd, over hoe laat hij op

22 juni 2000 van zijn werk was weggegaan, over het jongetje dat hij had achterna gefietst in het Beatrixpark

en de route, over de Turkse of Marokkaanse man met kinderen, de vrouw met de hond en de kalende man,

en de fiets die hij had zien liggen in het gras nabij PD A. In dit verhoor werd Kees B. op een gegeven moment

zo emotioneel dat het verhoor 15 minuten is onderbroken.

Op vrijdag 8 september 2000 is Kees B. voorgeleid aan de RC voor de toetsing van de inverzekeringstelling.

De RC oordeelde dat de inverzekeringstelling rechtmatig was. De raadsman van Kees B. heeft ter

gelegenheid van de voorgeleiding tegen de RC gezegd dat hij aanwezig wilde zijn bij eventuele verhoren

van zijn cliënt in het weekend. De RC had daar, aldus de raadsman in het interview, geen bezwaar tegen.

Die vrijdagavond rond 23.00 uur was er telefonisch contact tussen de RC en de raadsman. De RC liet toen

weten dat de officier van justitie niet toestond dat de raadsman aanwezig was bij verhoren van Kees B. in

het weekend. De raadsman had wettelijk gezien geen recht om aanwezig te zijn bij deze politieverhoren. De

raadsman zei in het interview dat hij nog geprobeerd heeft met de zaaksofficier in contact te komen, maar

dat dat niet is gelukt.

Op zaterdag 9 september 2000 is Kees B. in elk geval verhoord van 11.30 tot 14.00 uur, van 20.10 tot

22.00 uur en van 22.30 tot 00.30 uur. Mogelijk is hij die middag nogmaals gehoord, omdat in het procesverbaal

van het verhoor dat om 20.10 uur is begonnen, staat dat Kees B. anderhalf uur heeft kunnen nadenken.

63 Alle verhoren zijn afgenomen door verhoorders 4 en 5. Van de eerste twee verhoren van 9 september

2000 is proces-verbaal opgemaakt op 9 september 2000. Van het laatste verhoor is proces-verbaal

opgemaakt op 18 september 2000.

In het eerste verhoor van die zaterdag heeft Kees B. verklaard dat hij wel vermoedde dat hij zou worden

aangehouden en dat hij daarom bepaalde spullen had weggegooid (videobanden, seksboekjes, krantenartikel

over de moord op Nienke). Ook heeft Kees B. in dat verhoor gezegd dat het zíjn fiets was die in het

gras nabij PD A lag, dat hij zijn fiets daar had neergelegd en naar de achteringang van de kinderboerderij

en de heemtuin was gelopen, dat hij is teruggelopen, dat hij de bosjes op PD A was ingelopen en daar

Nienke en Maikel naast elkaar had zien liggen, beiden naakt en op hun rug liggend, dat Maikel onder het

bloed zat en dat er een kledingstuk op het gezicht van Nienke lag. Daarna is hij weggelopen, teruggegaan

naar zijn fiets en weggefietst in de richting van brug B. In het proces-verbaal staat dat terwijl Kees B. dit

verklaarde, hij in huilen uitbarstte. Verhoorders 4 en 5 hebben aan Kees B. gevraagd of het echt zo gebeurd

was en dat hij niet moest zeggen dat het wel zo was als het niet de waarheid was. Aan het eind van

het verhoor heeft B. gezegd:

“U vraagt aan mij waarom ik nu dit alles heb verklaard. Ik heb dit nu verteld omdat ik voor het eerst

het gevoel had dat ik niet als moordenaar wordt gezien.”

In het verhoor dat om 20.10 uur is begonnen, heeft Kees B. onder meer verklaard dat hij bij de achteringang

van de kinderboerderij twee kinderfietsen had zien staan, dat hij op zoek is gegaan naar de kinderen

63 Ik heb geprobeerd hierover duidelijkheid te krijgen door aantekeningen van de cellenwacht van het politiebureau in Schiedam

op te vragen. Ik had hoop dat in die aantekeningen zou staan hoe laat Kees B. uit zijn cel was gehaald en hoe laat hij was

teruggebracht. Die gegevens waren echter niet meer beschikbaar.

DE VERHOREN VAN KEES B.

98

die bij die fietsen hoorden, dat hij zijn fiets op het gras heeft neergelegd, de bosjes van PD A is ingelopen,

daar twee kinderen zag liggen, namelijk een jongen met bloed op zijn hoofd en een schoen om zijn nek, en

een meisje dat op haar rug lag met bij haar hoofd een donkerkleurig kledingstuk en iets zwarts bij haar nek.

In het verhoor dat om 22.30 uur is begonnen en waarvan op 18 september 2000 proces-verbaal is opgemaakt

heeft Kees B. onder meer verklaard:

- dat hij op zoek was naar een kind of kinderen voor een seksuele handeling en dat hij met dat

doel heeft rondgereden in het park;

- dat het zijn fiets was die in het gras nabij PD A lag;

- dat hij kinderfietsen had zien staan bij de achteringang van de kinderboerderij;

- dat hij van zijn fiets was gestapt om op zoek te gaan naar de kinderen die bij die fietsen hoorden;

- dat hij de bosjes is ingelopen en daar twee kinderen zag die seks met elkaar hadden;

- dat hij wilde meedoen, maar dat de kinderen dat niet wilden;

- dat hij toen het meisje vermoord heeft met een T-shirt en dat hij de jongen met een steen op het

hoofd heeft geslagen en daarna een veter om de nek van de jongen heeft gedaan.

De verhoorders hebben in het proces-verbaal genoteerd dat Kees B. deze verklaring in een emotionele

toestand aflegde, dat hij huilde en ineengedoken op de tafel hing. Na het verhoor, toen hij door verhoorder

4 naar het cellenblok werd gebracht, heeft Kees B. blijkens het proces-verbaal tegen verhoorder 4 gezegd

dat hij het niet wilde doen in de bosjes.

Het proces-verbaal van deze bekentenis is, zoals gezegd, opgemaakt op 18 september 2000. De woorden

van Kees B. zijn in de derde persoon weergegeven in dat proces-verbaal. Het proces-verbaal zat in een

bundel stukken die op of kort na 13 oktober 2000 ter kennis is gebracht van de RC en de verdediging. In

het begeleidende relaasproces-verbaal bij die bundel staat:

"Op 09/09/2000 werd K. B. als verdachte gehoord. Van dit verhoor werd geen proces-verbaal van

verhoor opgemaakt daar de verdachte erg emotioneel was. Daar dit verhoor nu mogelijk deels relevant

is gebleken is het nu alsnog in een proces-verbaal van bevindingen uitgewerkt."

Over de reden van het late opmaken van het proces-verbaal is door een aantal betrokkenen iets gezegd.

Verhoorder 4 heeft daarover op 21 maart 2001 bij de RC verklaard dat hij niet weet waarom van deze bekentenis

pas op 18 september 2000 proces-verbaal is opgemaakt. Ook verhoorder 5 zegt bij zijn verhoor bij

de RC op 21 maart 2000 dat hij niet weet waarom het proces-verbaal van dat verhoor pas op 18 september

2000 is opgemaakt en niet door Kees B. is ondertekend. Hij vermoedt dat het verhoor misschien te laat was

afgelopen om er toen direct een proces-verbaal van op te maken.

De l.o. heeft in het interview gezegd dat er niet direct proces-verbaal is opgemaakt omdat Kees B. er helemaal

doorheen zat. Hij heeft toen besloten dat de volgende dag proces-verbaal zou worden opgemaakt. Op

zondag is het er niet van gekomen. Daarna ging één van de verhoorders een paar dagen weg.

De l.o. heeft hierover als getuige ter terechtzitting van de rechtbank op 15 mei 2001 gezegd:

"De raadsman vraagt mij waarom pas op 18 september 2000 proces-verbaal is opgemaakt. Op

zondag 10 september 2000 is men verder gegaan met het verhoor. Het dossier moest daarna nog

samengesteld worden (ten behoeve van de voorgeleiding aan de RC op 11 september 2000, opm.

FP), dat is niet afgekomen op 10 september 2000."

De zaaksofficier heeft in het interview verklaard dat zij niet weet hoe het kan dat er niet direct of kort erna

proces-verbaal is opgemaakt van het verhoor dat was begonnen op zaterdag 9 september 2000 om 22.30

uur. Zij denkt dat de afwezigheid van de plv. l.o. daarbij een rol heeft gespeeld.

DE VERHOREN VAN KEES B.

99

De plv. l.o. heeft in het interview gezegd dat toen hij begin oktober 2000 terugkwam van vakantie nog geen

proces-verbaal was opgemaakt van het verhoor dat op 9 september 2000 om 22.30 uur was begonnen. Hij

wilde het proces-verbaal van die bekentenis lezen en toen bleek dat het nog niet op papier stond. De plv.

l.o. heeft naar zijn zeggen toen opdracht gegeven alsnog proces-verbaal op te maken. Hij heeft gezegd dat

toen het voorstel is gedaan het proces-verbaal te antedateren, maar dat hij dat meteen heeft verworpen. De

plv. l.o. was stellig in zijn uitlatingen dat het proces-verbaal van het verhoor van zaterdagavond 9 september

2000 nog niet was opgemaakt toen hij terugkwam van vakantie. Naar zijn mening kan de datum 18

september 2000 niet juist zijn.

Op zondag 10 september 2000 is Kees B. opnieuw verhoord door verhoorders 4 en 5. In de ochtend wilden

de verhoorders verder gaan op het punt waar zij op zaterdagavond waren gebleven. Kees B. zei die zondagochtend

echter dat zijn bekentenis van zaterdagavond laat niet op waarheid berustte; hij trok de bekentenis

in. Verhoorders 4 en 5 hebben daarop het verhoor onderbroken voor overleg met de l.o. en de zaaksofficier,

die die ochtend naar het bureau was gekomen, en de wachtcommandant. Van dit verhoor en van

deze intrekking is geen proces-verbaal opgemaakt.

De l.o. heeft in het interview gezegd dat in het overleg besloten is om het verhoor te hervatten, om vraag en

antwoord op te nemen in het proces-verbaal, om geen druk uit te oefenen en om Kees B. zijn verhaal te

laten doen. Hij erkende dat de ontkenning van zondagochtend geverbaliseerd had moeten worden.

Verhoorder 4 heeft op 21 maart 2001 bij de RC verklaard dat hij zich kan herinneren dat hij en verhoorder 5

op zondag 10 september 2000 al voor 15.30 uur even met Kees B. hadden gesproken. Dat was een praatje

geweest waarvan geen apart proces-verbaal was opgemaakt. Verhoorder 4 herinnert zich dat Kees B. toen

had gezegd dat hij terugkwam op zijn verklaring van de zaterdag, dat hij het niet gedaan had en dat het

allemaal verzonnen was. Verhoorder 4 heeft bij de RC verklaard dat hij en verhoorder 5 zich daarop hebben

teruggetrokken, dat ze vonden dat Kees B. in de contramine ging en dat zij wilden overleggen hoe zij

weer op gespreksniveau konden komen met Kees B.. Kees B. is in de tussentijd in de verhoorkamer gebleven.

Verhoorders 4 en 5 hebben overlegd met de l.o. De zaaksofficier was op het bureau, maar verhoorders

4 en 5 hebben niet met haar overlegd. Er is niet gesproken over het op papier zetten van de intrekking

van de zondagochtend.

Verhoorder 5 heeft op 21 maart 2001 bij de RC verklaard dat hij geen herinnering heeft aan een verhoor op

de ochtend van zondag 10 september 2000, waarin Kees B. terugkwam op de verklaringen van de zaterdag

ervoor.

Op zondag 10 september 2000 is Kees B. van 15.30 tot 18.30 uur opnieuw verhoord door verhoorders 4 en

5. Bij dat verhoor werd meegeluisterd door de wachtcommandant van RAG ‘Park’. In paragraaf 7.1.3 van dit

hoofdstuk ga ik daar op in.

Op die zondagmiddag 10 september 2000 heeft Kees B. een bekentenis afgelegd. Hij heeft toen onder

meer verklaard:

- dat hij Nienke en Maikel was tegengekomen bij de achteringang van de kinderboerderij, dat hij

besloot de kinderen aan te spreken, dat hij zijn fiets in het gras heeft gelegd en vervolgens de

kinderen van achteren heeft benaderd;

- dat hij tegen de kinderen heeft gezegd dat ze moesten meelopen;

- dat hij een afbreekmesje in zijn hand had toen hij de kinderen aansprak;

- dat hij tegen de kinderen heeft gezegd dat ze stil moesten zijn en dat hij ze zou vermoorden als

ze niet stil zouden zijn;

- dat zij de bosjes (van PD A) zijn ingelopen vanaf het verharde pad;

DE VERHOREN VAN KEES B.

100

- dat hij tegen de kinderen heeft gezegd dat zij zich moesten uitkleden en dat hij hen zou steken

als ze dat niet zouden doen;

- dat hij zag dat de kinderen zich uitkleedden;

- dat hij tegen de kinderen zei dat ze op hun buik moesten gaan liggen;

- dat hij vervolgens probeerde een seksuele handeling bij Nienke uit te voeren, en dat Nienke zich

verzette;

- dat hij van zichzelf schrok, bang werd om betrapt te worden en het meisje vervolgens op haar

rug heeft gedraaid en met zijn handen heeft gewurgd;

- dat hij een donkerkleurig T-shirt over haar gezicht heeft gelegd;

- dat hij besloot dat de jongen ook dood moest en hem heeft omgedraaid (van zijn buik op zijn rug)

en hem heeft gewurgd met een veter;

- op vragen van de verhoorders waarom hij het meisje met zijn handen en de jongen met een veter

heeft gewurgd, zegt Kees B. dat hij ervan geschrokken was dat hij haar met zijn handen had

gewurgd;

- op een volgende vraag van de verhoorders of hij het meisje met zijn handen heeft vermoord,

antwoordt Kees B. hij het meisje ook een schoen om de nek heeft gebonden en die met een strik

hard heeft aangetrokken;

- dat hij denkt dat de knoop bij het meisje tussen haar oor en de voorkant van haar keel zat;

- dat hij bij de jongen ook een schoen om de nek heeft gedaan, dat hij denkt dat de knoop aan de

voorzijde van zijn keel zat, en dat hij en de jongen vervolgens een of twee keer in de buurt van

zijn hoofd heeft gestoken met een geel afbreekmesje van zijn werk;

- dat hij de jongen mogelijk heeft geslagen;

- dat hij daarna de PD heeft verlaten, naar zijn fiets is gegaan en is weggereden;

- dat hij in paniek was;

- dat hij geen petje op had;

- dat de jongen en het meisje niets met elkaar gedaan hebben.

De verhoorders noteren in hun proces-verbaal dat Kees B. gedurende het hele verhoor huilt en dat hij tussen

de vragen door zegt: "Wat heb ik gedaan."

Op zondagavond 10 september 2000 vindt vanaf 20.00 uur nog een verhoor plaats. Opnieuw zijn verhoorders

4 en 5 de verhorende rechercheurs. Kees B. zegt in dat verhoor:

- dat hij voor zover hij zich herinnert vanaf het pad de bosjes is ingelopen met de kinderen;

- dat hij op een hem getoonde foto een afbreekmesje herkent als zijn afbreekmesje, maar dat hij

dat niet gebruikt heeft bij de feiten (dat afbreekmesje is in beslag genomen in de woning van

Kees B.);

- dat hij zich niet kan herinneren wat het meisje aan haar voeten had.

In het proces-verbaal dat van dit verhoor is gemaakt, blijkt dat Kees B. tijdens één van de verhoren van de

voorgaande zaterdagavond een computerterminal van het bureau in de verhoorkamer had gepakt en die op

een stoel had gegooid. Kees B. heeft in het interview gezegd dat hij dat deed omdat het hem allemaal teveel

werd.

Op maandag 11 september 2000 is Kees B. opnieuw voorgeleid aan de RC, nu voor de inbewaringstelling.

Voorafgaande aan de voorgeleiding bij de RC, heeft de raio-officier een kort gesprek gehad met Kees B..

De raio-officier heeft daarvan op 12 september 2000 proces-verbaal opgemaakt. Ik citeer daaruit:

“Nadat ik de verdachte had medegedeeld dat hij niet tot antwoorden verplicht was, deelde hij mij -

zakelijk weergegeven - het volgende mede:

Ik weet waarvan ik word verdacht. Het is juist dat ik uiteindelijk bij de politie een bekennende verklaring

heb afgelegd. Ik blijf bij die verklaring. U vraagt mij waarom ik dit in godsnaam heb gedaan.

Ik kan u daar geen antwoord op geven. Ik weet het niet. Ik heb een heleboel psychische problemen.

U zegt mij dat het u noodzakelijk lijkt dat ik met een psychiater ga praten ten behoeve van

een persoonlijkheidsonderzoek. Dat ben ik met u eens. Ik heb dringend psychiatrische hulp nodig.”

Een politiesurveillant die bij het gesprek van de raio-officier met Kees B. aanwezig was, heeft ook procesverbaal

opgemaakt (d.d. 18 september 2000). Uit zijn proces-verbaal citeer ik:

DE VERHOREN VAN KEES B.

101

“Ik hoorde dat ... de Officier van Justitie aan Kees B. vroeg of het juist was dat hij genoemd misdrijf

had gepleegd dan wel of het juist was dat hij het plegen van dit misdrijf tegen de politie bekend

had. Wat de exacte vraagstelling van de Officier van Justitie was, weet ik niet meer te herinneren.

Ik hoorde Kees B. op de hem gestelde vraag een bevestigend antwoord geven.

Ik hoorde ... de Officier van Justitie daarna aan Kees B. vragen: “Waarom heb je in hemelsnaam

dat misdrijf gepleegd?”

Ik hoorde dat Kees B. daarop antwoordde: “Ik heb dat uit angst gedaan. Angst voor vroeger.” of

woorden van gelijke strekking.

...

Ik hoorde dat de Officier van Justitie tegen Kees B. zei dat dit geen normale reactie was op welke

angst dan ook.

Hierop antwoordde Kees B. dat hij zich daarvan bewust was en dat hij psychische hulp nodig had.”

De raio-officier heeft in het interview gezegd dat hij ten tijde van het gesprek met Kees B. niet wist dat Kees

B. zijn bekentenis op zondagochtend had ingetrokken.

Na 11 september 2000 is Kees B. op een aantal data verhoord. Namelijk op:

• 13 september 2000, van 12.13 tot 17.25 uur;

• 2 oktober 2000, van 10.09 tot 17.20 uur;

• 3 oktober 2000, van 11.28 tot 20.30 uur;

• 4 oktober 2000, van 11.03 tot 21.11 uur;

• 5 oktober 2000, bezoek aan het Beatrixpark om 11.30 uur;

• 5 oktober 2000, van 14.14 tot 18.08 uur;

• 24 oktober 2000, van 10.26 tot 18.01 uur;

• 9 november 2000, van 10.10 tot 14.36 uur;

• 12 december 2000, van 10.13 tot 13.36 uur;

• 11 januari 2001, vanaf 12.00 (onbekende eindtijd);

• 11 januari 2001, vanaf 14.00 (onbekende eindtijd);

• 22 januari 2001 verhoor bij de RC.

Op het verhoor van 13 september 2000 na, zijn de politieverhoren afgenomen door verhoorders 4 en 5. Het

verhoor van 13 september 2000 is afgenomen door verhoorder 4 en een ander teamlid, niet zijnde verhoorder

5. Het bezoek aan het park is opgenomen op geluidsband. Alle andere verhoren na 11 september 2000

zijn audiovisueel vastgelegd. De l.o. was bij alle videoverhoren tot en met 12 december 2000 aanwezig in

de regieruimte. De plv. l.o. was bij alle videoverhoren tussen 2 oktober en 11 november 2000 aanwezig in

de regieruimte.64 De l.o. en de plv. l.o. coachten het verdachtenverhoor. De videoverhoren hebben niet

plaatsgevonden op het politiebureau in Schiedam, maar op een bureau in Rotterdam, waar de benodigde

faciliteiten voor een videoverhoor wel aanwezig waren. De videoverhoren zijn bijna allemaal helemaal

woordelijk uitgewerkt. In het begeleidende proces-verbaal staat steeds:

"Delen van het verhoor die niet relevant zijn voor het onderzoek zijn niet in dit proces-verbaal uitgewerkt.

Deze gedeelten zijn in het proces-verbaal aangegeven met: "NIET UITGEWERKT, NIET

RELEVANT".

In de uitwerkingen van de videoverhoren is vaak te lezen "NIET UITGEWERKT, NIET RELEVANT". De passages

die in de tekst als "niet uitgewerkt, niet relevant" zijn aangemerkt, zijn echter wel uitgewerkt. Bij het

materiaal waarover ik beschikte, heb ik de passages waarvan in de processen-verbaal staat dat zij "niet

uitgewerkt, niet relevant" zijn, aangetroffen.

64 In het proces-verbaal beschrijving studioprocedure staat dat de plv. l.o. in de regiekamer zat bij het videoverhoor van 13

september 2000. De plv. l.o. was toen echter op vakantie.

DE VERHOREN VAN KEES B.

102

In de interviews werd duidelijk dat de l.o. en de plv. l.o. de integraal uitgewerkte videoverhoren voorgelegd

hebben gekregen en daaruit passages hebben geschrapt die zij als niet relevant beschouwden. Soms waren

dat kleine stukjes, soms waren het tientallen pagina’s tekst.

In veel van de geschrapte passages zegt Kees B. dat hij onschuldig is.65 In verschillende van de geschrapte

passages zijn de verhoorders langdurig aan het woord, onder meer in het verhoor van 24 oktober 2000 met

een opsomming van feiten en omstandigheden over de rol van Kees B..

De verhoorders praten in de geschrapte passages herhaaldelijk over de rol van de advocaat van Kees B.

(zo wordt gevraagd of Kees B. nog handige tips heeft gehad van zijn advocaat en of Kees B. alleen maar

antwoordt in opdracht van zijn advocaat) en over de eerder afgelegde bekentenis van Kees B.. In één van

de geschrapte passages zeggen de verhoorders dat alle verhoren letterlijk worden uitgewerkt.

De plv. l.o. heeft in het interview gezegd dat de woorden "niet uitgewerkt, niet relevant" een verkeerde

woordkeus was.

De raadsman van Kees B. dan wel één van zijn kantoorgenoten was steeds aanwezig bij de videoverhoren.

De raadsman zat in een aparte ruimte en kon de verhoren op een beeldscherm volgen. In het interview

heeft de raadsman gezegd dat hij over de uitwerking van de videoverhoren geen klachten heeft. Hij gaat er

van uit dat de passages die zijn aangeduid met “niet uitgewerkt, niet relevant” niet uitgewerkt zijn.

Kees B. ontkende in de videoverhoren steeds betrokkenheid bij de feiten in het Beatrixpark. Hij erkende wel

dat hij had rondgefietst in het park op zoek naar een kind voor een seksuele handeling. Hij erkende ook dat

hij in het weekend van 9 en 10 september 2000 bekennende verklaringen had afgelegd en kon zich die ook

nog herinneren. Kees B. heeft in de videoverhoren vaak gezegd dat hij had bekend door de druk en dat hij

bekend had "om van het gezeur" af te zijn.

Bij de videoverhoren van 3 en 4 oktober 2000 was in de regieruimte van de verhoorstudio een psycholoog

die wel vaker voor de politie Rotterdam-Rijnmond werkte, aanwezig.66 De psycholoog was op initiatief van

RAG 'Park' bij het onderzoek gehaald, toen Kees B. niet meer bekende. Hij had voor dit doel medio september

2000 voor het eerst contact met het onderzoeksteam. De psycholoog moest kijken wat er aan de

hand was. Hij heeft in het interview gezegd dat hij heeft aangeraden contact met Kees B. te zoeken door

aan te sluiten op wat Kees B. eerder had verklaard, opdat daardoor een gesprek op gang zou komen. Van

de aanwezigheid van de psycholoog in de regieruimte is geen melding gemaakt in het proces-verbaal dat

voorafgaat aan de woordelijke uitwerkingen van de verhoren van 3 en 4 oktober 2000, het zogenaamde

proces-verbaal ‘beschrijving studioprocedure’.

In de videoverhoren is te zien dat Kees B. soms emotioneel wordt of gaat huilen, terwijl de bejegening van

de kant van de verhoorders daartoe geen aanleiding geeft.

7.1.2 Het beeld van Kees B.

Medio juli 2000 nam de interesse van het onderzoeksteam voor Kees B. toe. Toen Kees B. op 5 september

2000 werd aangehouden, bestond bij de officieren van justitie en het onderzoeksteam een bepaald beeld

van Kees B.. Dat was het beeld van een labiele, meegaande, emotionele en makkelijk te beïnvloeden man.

65 De geschrapte ontkenningen zijn niet de enige keren dat Kees B. betrokkenheid bij de feiten ontkende. In de stukken verhoortekst

die niet zijn geschrapt staan nog zeer veel ontkenningen.

66 Deze psycholoog is niet één van de deskundigen die bemoeienis heeft gehad met Maikel.

DE VERHOREN VAN KEES B.

103

Met dat beeld moest, vond men, rekening worden gehouden bij de verhoren van Kees B. op en na 5 september

2000.

Door de zaaksofficier, de raio-officier, de l.o. en de plv. l.o. zijn hierover opmerkingen gemaakt tijdens de

interviews en door verhoorders 4 en 5 in de schriftelijke beantwoording van vragen. De zaaksofficier heeft

gezegd dat Kees B. een labiele man was die in staat moest worden geacht verklaringen af te leggen die

niet op waarheid berustten. Door de raio-officier is verklaard dat door de politie werd opgemerkt dat men

voorzichtig moest omgaan met Kees B., "want als je hem te hard zou aanpakken, zou hij misschien nog

bekennen". De plv. l.o., die vanaf de gang had meegeluisterd tijdens één van de verhoren van 17 juli 2000

en die toen had gehoord dat Kees B. gelijk emotioneel werd, heeft verklaard dat er voor gewaakt moest

worden dat er geen woorden in de mond van Kees B. gelegd moesten worden. De l.o. heeft in het interview

gezegd dat in de verhoren van Kees B. zo min mogelijk druk werd uitgeoefend en dat zwakke punten en

gevoeligheden van Kees B. zijn ontweken; Kees B. moest zijn eigen verhaal vertellen en mogelijkerwijs

daderwetenschap prijsgeven in het verhoor. Verhoorder 4 heeft in de schriftelijke beantwoording van vragen

gezegd dat hij en verhoorder 5 de indruk hadden dat Kees B. makkelijk te beïnvloeden was en dat zij

met de nodige voorzichtigheid de verhoren ingingen. Zij waren zich er van bewust dat Kees B. "taalgebruik,

incidenten, voorvallen ten tijde van eerdere verhoren e.d. snel oppikte en mogelijk zou gebruiken". Verhoorder

4 heeft in de schriftelijke beantwoording aangegeven dat hij en verhoorder 5 er op gelet hebben

geen daderinformatie aan Kees B. te geven. Verhoorder 5 heeft in de schriftelijke beantwoording van vragen

gezegd dat hij en verhoorder 4 van mening waren dat Kees B. makkelijk te beïnvloeden was en mogelijk

de gewenste antwoorden zou geven.

Bij zijn verhoor door de RC op 21 maart 2001, heeft verhoorder 4 gezegd:

"Ik had met [naam verhoorder 5] de afspraak dat we Kees B. rustig zouden aanpakken omdat we

hem als enigszins "labiel" inschatten."

Verderop in dat verhoor zegt verhoorder 4:

"Het klopt ook wel dat ik Kees B. inschatte als iemand waarbij je moet uitkijken dat hij niet de "gewenste"

antwoorden zal geven. Ik heb dit ook aan [naam raadsman Kees B.] gezegd. Ik heb die inschatting

gemaakt door zijn houding. [Naam verhoorder 5] en ik zijn daarom ook het verhoor in gegaan

met het uitgangspunt dat we zeker wilden weten dat wat hij zou verklaren van hemzelf kwam

en niet van ons. Zo heb ik dat ook met [naam verhoorder 5] besproken. De onderzoeksleiding was

het daar zeker mee eens."

Verhoorder 5 heeft op 21 maart 2001 bij de RC verklaard:

"We hebben afgesproken dat we de verhoren rustig zouden doen om te kijken hoe het zich zou

ontwikkelen, wat voor persoonlijkheid Kees B. was."

Niettegenstaande het beeld dat van Kees B. bestond, is er voor gekozen de verhoren niet vanaf de aanhouding

op 5 september 2000 audiovisueel op te nemen. De l.o. heeft in het interview gezegd dat voor

Kees B.´s aanhouding gesproken is over het opnemen van de verhoren. Dat is niet gebeurd, omdat ze niet

iedereen onder de camera konden gaan verhoren. De plv. l.o., die op vakantie was toen Kees B. werd aangehouden,

heeft tijdens het interview gezegd dat hij voor zijn vertrek zijn wens heeft uitgesproken dat de

verhoren van Kees B. zouden plaatsvinden in een studio.

De psycholoog die hierboven ter sprake is gekomen, heeft in het interview gezegd dat deze zaak, gelet op

de persoon van de verdachte, de gevoeligheid van de zaak en de aandacht van de media en politiek, typisch

een zaak was om direct aan video-opname van het verdachtenverhoor te denken. Hij heeft bij het

onderzoeksteam zijn verbazing erover uitgesproken dat de eerste verhoren niet waren vastgelegd. Hij

DE VERHOREN VAN KEES B.

104

heeft, zegt hij, een aantal redenen voor het niet opnemen gehoord: er was geen verhoorruimte beschikbaar

geweest, de tijdsdruk had een rol gespeeld en de teamleiding zag de voordelen van een audiovisuele

registratie niet direct in.

De indruk dat Kees B. iemand was die onder druk iets zou kunnen bekennen wat hij niet had gedaan, is in

de loop van de maanden veranderd. De videoverhoren hebben daarbij een rol gespeeld. Te zien (en te

lezen) was dat Kees B. in die verhoren lang werd ondervraagd en toch standvastig bleef in zijn ontkenning

van betrokkenheid bij de feiten in het Beatrixpark. Die standvastigheid in de videoverhoren werd zo uitgelegd

dat Kees B. helemaal niet zo´n labiele, makkelijk te beïnvloeden persoon was. Daaraan werd, onder

anderen door de officier van justitie in het requisitoir en door verhoorders 4 en 5 in videoverhoren, de gevolgtrekking

verbonden dat de bekentenissen op 9 en 10 september 2000 niet onder druk tot stand waren

gekomen.

Ook de intelligentietest die in het Pieter Baan Centrum is afgenomen en waaruit bleek dat Kees B.´s IQ met

een score van 114 gekwalificeerd werd als hooggemiddeld, heeft bijgedragen aan de bijstelling van de

indruk die men van Kees B. had.

In het interview met Kees B. is aan hem gevraagd waarom hij in de videoverhoren niet heeft toegegeven

aan de druk. Hij antwoordde dat de wetenschap dat zijn raadsman aanwezig was en meekeek met het

verhoor hem in staat stelde niet toe te geven.

7.1.3 Meeluisterende politieambtenaar

Bij de onderzochte stukken heb ik een proces-verbaal aangetroffen dat is gedateerd op 18 september 2000.

Het is een proces-verbaal opgemaakt en ondertekend door de wachtcommandant van het RAG 'Park'.67

Uit het proces-verbaal blijkt dat de wachtcommandant heeft meegeluisterd met het verhoor van Kees B. van

zondag 10 september 2000 van 15.30 tot 18.30 uur. Het verhoor vond plaats in één van de verhoorkamers

van het bureau van Schiedam. De wachtcommandant zat in een andere, nabijgelegen verhoorkamer. De

deuren van beide verhoorkamers stonden op een kier. Als bijlagen bij zijn proces-verbaal zitten een tekening

van de gang met verhoorkamers en foto´s van die gang. Het proces-verbaal zit niet bij het eindprocesverbaal

dat is ingeleverd bij de officier van justitie.

In het proces-verbaal staat onder meer dat in verband met de intensiteit van de verhoren met Kees B. van

zaterdag en om eventueel vast te kunnen stellen of er sprake was van ontoelaatbare druk op Kees B., werd

besloten dat de wachtcommandant het verhoor op afstand zou volgen zonder dat de verdachte de wachtcommandant

kon zien.

De wachtcommandant zegt in zijn proces-verbaal dat er soms met stemverheffing werd gepraat door de

verhoorders en als Kees B. geëmotioneerd raakte fluisterend, en dat hij geen ontoelaatbare druk constateerde.

De wachtcommandant heeft Kees B. horen huilen en een uitgebreide bekentenis horen afleggen.

Na deze bekentenis is Kees B. wederom zeer emotioneel geworden en heeft hij weer een bekentenis afgelegd.

"Samenvattend kan ik, verbalisant [naam wachtcommandant], verklaren dat het verhoor intensief was

en dat er zeer zeker niet van ontoelaatbare druk sprake is geweest", aldus de wachtcommandant in zijn

proces-verbaal.

67 Bij de onderzochte stukken zit een op 14 september 2000 door de l.o. opgemaakt formulier met de opdracht aan de wachtcommandant

proces-verbaal te maken van het meeluisteren. In het journaal van 19 september 2000 meldt de wachtcommandant

dat hij het proces-verbaal heeft gemaakt.

DE VERHOREN VAN KEES B.

105

Verhoorder 5 heeft in zijn getuigenverklaring bij de RC op 21 maart 2001 gezegd dat aan de wachtcommandant

was gevraagd op de gang te zitten om mee te luisteren met het verhoor van zondagmiddag.

Over het meeluisteren door de wachtcommandant en het niet toevoegen van zijn proces-verbaal van 18

september 2000 aan het eindproces-verbaal is door een aantal betrokkenen in de interviews iets gezegd.

De zaaksofficier heeft gezegd dat de wachtcommandant die zondag heeft meegeluisterd omdat het verhoor

van Kees B. op zaterdagavond ‘onstuimig’ was geweest. Het meeluisteren van de wachtcommandant was

een voorzorgsmaatregel geweest. Waarom het proces-verbaal niet bij het eindproces-verbaal zit kan de

zaaksofficier niet verklaren. Zij vermoedt dat het proces-verbaal er tussendoor is geglipt.

Volgens de l.o. is de wachtcommandant onopvallend bij het verhoor gaan zitten om eventuele beschuldigingen

van druk te weerleggen en om de verhoorders te kunnen ondersteunen als er tijdens het verhoor

iets uitgezocht moest worden. De l.o. heeft gezegd dat het proces-verbaal niet bij het eindproces-verbaal is

gevoegd omdat de wachtcommandant grote gedeelten van het verhoor niet had kunnen volgen en dat

daarom het proces-verbaal niet relevant was. Deze beslissing om het proces-verbaal niet bij het eindproces-

verbaal te voegen is genomen door de teamleiding in overleg met de zaaksofficier.

De plv. l.o. heeft in het interview verklaard dat hij niet weet waarom het proces-verbaal van de wachtcommandant

niet is toegevoegd aan het eindproces-verbaal. Hij kan zich niet voorstellen dat hij het procesverbaal

van de wachtcommandant niet relevant heeft gevonden.

Verhoorder 4 heeft in de schriftelijke beantwoording van vragen gezegd dat hij wist dat de wachtcommandant

had meegeluisterd, maar dat hij niet meer weet waarom dat was. Verhoorder 5 heeft in de schriftelijke

beantwoording van vragen gezegd dat hij wist dat de wachtcommandant had meegeluisterd. Als reden

daarvan noemt hij: “Daar Kees B. de moord bekende hebben we [naam wachtcommandant] mee laten

luisteren zodat hij kon verklaren dat alles op een goede manier verliep en dat Kees B. inderdaad een bekentenis

af had gelegd.”

De wachtcommandant zelf heeft in het interview verklaard dat hij zondag 10 september 2000 een verhoor

had met een verdachte of een getuige. Dat verhoor vond plaats in een verhoorkamer vlakbij de verhoorkamer

waarin Kees B. werd verhoord. De wachtcommandant kon horen wat er in de andere verhoorkamer

gebeurde. Tijdens dit verhoor maakte de persoon met wie de wachtcommandant in gesprek was de opmerking

dat het in het verhoor in de andere verhoorkamer er wel erg heftig aan toe ging. De wachtcommandant

zegt dat hij op eigen initiatief een proces-verbaal heeft opgemaakt over hetgeen hij heeft kunnen verstaan

van het verhoor dat werd afgenomen van Kees B.. De wachtcommandant meent zich te herinneren dat hij

die zondagmiddag ook heeft gehoord dat Kees B. heeft gezegd dat hij het niet gedaan had.

De pv-coördinator heeft in het interview gezegd dat hij het proces-verbaal van de wachtcommandant, dat

hem tijdens het interview is getoond, niet kent en niet heeft gezien toen hij het eindproces-verbaal samenstelde.

Als hij het gekend had, zou hij het hebben toegevoegd aan het eindproces-verbaal.

Met name de lezing die de wachtcommandant in het interview heeft gegeven wijkt af van wat anderen hebben

gezegd.

7.1.4 Het verhoorkoppel

De verhoorders 4 en 5 hebben bijna alle verhoren van Kees B. afgenomen. Zij hadden voor RAG ‘Park’ niet

samengewerkt met elkaar. Verhoorder 4 heeft in de schriftelijke beantwoording van de vragen gezegd dat

het een beslissing van de teamleiding is geweest hem en verhoorder 5 het verhoorkoppel te laten zijn. Hij

weet niet waarom juist hij en verhoorder 5 daarvoor zijn gekozen.

DE VERHOREN VAN KEES B.

106

Verhoorder 5 heeft in de schriftelijke beantwoording van vragen gezegd dat hij en verhoorder 4 het verhoorkoppel

zijn geworden, omdat verhoorder 4 een ervaren tactisch rechercheur was en hij zelf een ervaren

zedenrechercheur.

Wat mogelijk (ook) een rol heeft gespeeld is dat verhoorder 4 en Kees B. elkaar al kenden en dat het contact

tussen hen goed was. De plv. l.o. heeft in het interview gezegd dat vóór de aanhouding van Kees B. is

besloten het verhoorkoppel van Kees B. ongewijzigd te laten. Ook is toen besloten geen schaduwkoppel te

creëren, aldus de plv. l.o.

De psycholoog die op 3 en 4 oktober 2000 bij de verhoren aanwezig was, heeft in het interview verhoorders

4 en 5 gekenschetst als 'doorzetters'. Van verhoorder 4 heeft hij ook nog gezegd dat het een gedreven

persoon is met grote overredingskracht, die met vrijwel iedereen goed kan opschieten en sturend aanwezig

is en ook kan meegaan in de gemoedstoestand waarin een verdachte verkeert. De psycholoog schat in dat

bij de samenstelling van het verhoorkoppel geen rekening is gehouden met de persoon van de verdachte.

De wachtcommandant heeft in het interview gezegd dat verhoorders 4 en 5, doordat zij het verhoorkoppel

van Kees B. waren, een bijzondere plaats hadden binnen het onderzoeksteam, enigszins boven de andere

koppels.

De zaaksofficier heeft in het interview gezegd dat het verhoorkoppel volgens haar willekeurig was samengesteld.

7.1.5 Reacties na bekentenis Kees B.

In de interviews is gevraagd hoe binnen het onderzoeksteam werd gereageerd op de bekentenis van Kees

B.. De antwoorden waren verschillend. De zaaksofficier heeft gezegd dat er geen jubelstemming was toen

zij op zondag 10 september 2000 rond het middaguur op het politiebureau aankwam. De l.o. heeft gezegd

dat er na de bekentenis niet echt een hoerastemming was, maar dat er wel een zekere mate van blijdschap

was. De raio-officier, die op maandagochtend 11 september 2000 bij de briefing was, heeft gezegd dat de

sfeer in het team die ochtend opgetogen was, maar dat er ook veel ongeloof was. De raio-officier zelf vond

de bekentenis van Kees B. onverwacht. Eén van de analisten zegt dat er op maandagochtend een opgetogen

stemming was, maar dat er wel verbazing was over de bekentenis van B.. Eén van de teamleden van

het RAG 'Park' heeft gezegd dat er geen juichstemming was na de bekentenis, maar dat wel iedereen het

gevoel had: 'we hebben hem.'

Verhoorder 4 heeft in de schriftelijke beantwoording van vragen gezegd dat hij en verhoorder 5 ambivalent

stonden tegen over de bekentenis die Kees B. had gedaan in het verhoor dat was begonnen op zaterdag 9

september 2000 om 22.30 uur. Zij waren door die verklaring niet overtuigd van de betrokkenheid van Kees

B. bij de feiten in het Beatrixpark.

In zijn getuigenverklaring bij de RC op 21 maart 2001 heeft verhoorder 4 gezegd dat hij de verklaring van 9

september 2000, 22.30 uur wel geloofwaardig vond, omdat Kees B. toen dingen vertelde die hij alleen kon

weten als hij op de PD geweest was. Verhoorder 5 heeft in de schriftelijke beantwoording van vragen gezegd

dat hij niet meer weet wat hij vond van de bekentenis in het verhoor van 9 september 2000, 22.30 uur.

7.1.6 Kees B. over de politieverhoren

In het interview met Kees B. is uitgebreid gesproken over de verhoren. Ook bij de RC had Kees B. al veel

verteld over de verhoren en de verhooromstandigheden. In de loop van de zomer van 2000 kreeg Kees B.

het idee dat de politie hem de moord in de schoenen wilde schuiven. Vermoedelijk op 3 augustus 2000

DE VERHOREN VAN KEES B.

107

heeft een scenarioverhoor plaatsgevonden. Door verhoorder 4 is verteld hoe de politie dacht dat alles gebeurd

was. Kees B. werd gevraagd wat er volgens hem gebeurd was. Kees B. heeft in grote lijnen het verhaal

verteld dat hij van verhoorder 4 had gehoord. B. heeft in dat gesprek volgehouden dat hij niet wist hoe

Nienke was vermoord. Omdat Kees B. geïnteresseerd was in kinderen zou hij volgens de politie wel weten

hoe dit soort dingen gaan. Kees B. vond het gesprek over mogelijke scenario´s raar en heeft, zegt hij, vooral

de politie laten praten.

Op 5 september 2000 werd Kees B. aangehouden. Hij was door een rechercheur gebeld dat hij al de hele

dag werd gezocht. Aan Kees B. is niet gezegd waarom hij naar het bureau moest komen. Na voorgaande

bezoeken aan het bureau vond B. het niet vreemd dat hij gevraagd werd naar het bureau te komen. Kees

B. werd direct na aankomst op het bureau aangehouden. Hij was daardoor geschrokken. Hij is niet zelf in

de gelegenheid gesteld iemand in kennis te stellen van zijn aanhouding. Dat vond hij vervelend.

In het eerste verhoor na de aanhouding was de seksualiteit van Kees B. het voornaamste gespreksonderwerp.

Kees B. vond dit geen gemakkelijk gesprek. Dit verhoor vond plaats in een verhoorkamer op het politiebureau

in Schiedam. Kees B. heeft toch openhartig gepraat over zijn seksuele voorkeur omdat hij niets

wilde verzwijgen voor de politie en omdat hij geholpen wilde worden. Dit is ook de reden dat Kees B. zelf

over zijn contacten met minderjarigen is gaan praten.

In het verhoor op 6 september 2000 heeft Kees B. lang met verhoorders 4 en 5 gesproken over zijn jeugd

en de tijd die hij had doorgebracht in tehuizen. Kees B. wist niet waarom hij zo lang over zijn jeugd moest

praten. B. is in dit gesprek open geweest. Hij was in dit gesprek emotioneel. Dit kwam onder meer door de

in zijn ogen onterechte aanhouding en het gevoel dat ze de schuld op hem probeerden af te schuiven.

Kees B. heeft gezegd dat in de dagen na de aanhouding de spanning waaronder hij stond steeds groter

werd. De omstandigheden in het cellenblok droegen daaraan bij. Het licht in zijn cel bleef constant aan en

hij hoorde ’s nachts vaak de radio. Ook de temperatuur in zijn cel was te laag. Hij kreeg weinig rust. Kees B.

heeft pas na een paar dagen gevraagd of de verwarming in zijn cel aan mocht. Hij heeft niet gevraagd of de

radio en het licht uit mochten. Kees B. herinnert zich dat in de nacht van 8 op 9 september of de nacht van

9 op 10 september een dronken man die in de cel naast hem zat voor veel overlast heeft gezorgd.

Tijdens de verhoren kreeg Kees B. veel koffie geschonken. Na de verhoren werd Kees B. door verhoorders

4 en 5 weg gebracht. Het gebeurde wel eens dat Kees B. werd gezegd dat het verhoor klaar was, maar dat

hij een half uur later toch uit zijn cel werd gehaald en opnieuw verhoord werd.

Kees B. zegt dat hij na een paar dagen niet meer helder kon denken. Hij ging nadenken over wat andere

mensen van hem zouden vinden.

Op 8 september 2000 had Kees B. van zijn raadsman het advies gekregen zijn mond te houden. Dat is B.

niet gelukt.

In de verhoren na 8 september werd de druk op Kees B. opgevoerd. Vragen werden net zo lang herhaald

tot Kees B. in de ogen van de rechercheurs de juiste antwoorden gaf. Op zaterdag 9 september 2000 werd

veel druk op Kees B. uitgeoefend. Tegen Kees B. is gescholden, de rechercheurs hebben met de vuist op

tafel geslagen en tegen Kees B. is gezegd dat hij maar moest bekennen. Kees B. was na verloop van tijd

zo kwaad dat hij een monitor heeft opgepakt en die heeft neergegooid. Hij vond deze verhoren zeer vervelend.

B. kreeg dezelfde vragen steeds opnieuw. Zoals "Kees, je weet best dat het zo en zo is gegaan" of

"Kees, is het niet zo en zo gegaan", "Kees, je was erbij". Ook werd aan Kees B. verteld dat hij het gewoon

vergeten was en dat hij in een ander verhaal was gaan geloven.

DE VERHOREN VAN KEES B.

108

Als voorbeeld van de wijze van vragen stellen geeft Kees B. aan dat er gevraagd werd of er iets over het

hoofd van Nienke lag. Die vraag impliceerde dat er dus iets over haar hoofd lag, zegt Kees B.. Vervolgens

werd er gevraagd wat er over haar hoofd lag, was het misschien een T-shirt? Vervolgens werd de vraag

gesteld of het een licht- of donkerkleurig shirt was? Kees B. antwoordde hierop dat het een lichtkleurig shirt

was. De rechercheurs antwoordden met: "Nee Kees, je weet best wat de kleur van het shirt was." Hieruit

maakt Kees B. op dat het dus een donkerkleurig shirt moest zijn geweest. Volgens Kees B. werd hij continu

op deze wijze gestuurd in zijn antwoorden.

Kees B. herinnert zich dat hij zaterdag 9 september 2000 de hele dag is verhoord. De rechercheurs hebben

hem gezegd dat hij maar moest bekennen. Kees B. werd voorgehouden dat wanneer hij bekende hij maar

een paar jaar gevangenisstraf zou krijgen en tbs. Wanneer hij niet zou bekennen zou hij 20 jaar krijgen en

tbs.

Kees B. vond de zaterdagavond heel verwarrend. Hij ging die avond aan zichzelf twijfelen. De verhoorders

hebben vaak gesteld dat hij het vergeten was en dat hij de dader was. Kees B. heeft op die avond ook gezegd

dat hij het niet meer wist en dat als de verhoorders zeiden dat hij de dader was, het wel zo zou zijn.

Kees B. heeft die avond herhaaldelijk gezegd dat hij wilde stoppen met het verhoor. B. zegt dat als hij weg

had kunnen gaan uit de verhoorkamer hij dat gedaan had. Aan het eind van de avond hebben de verhoorders

gezegd dat ze alles de volgende dag op papier zouden gaan zetten. Hij heeft van de verhoorders begrepen

dat hij om 00.30 uur naar zijn cel is gebracht.

Zondagochtend 10 september 2000 ontkende Kees B. dat hij de dader was van de moord op Nienke. Hij

besefte op dat moment niet dat hij een bekentenis introk. De zaterdagavond was hij zeer emotioneel en in

de war geweest. Die zondag was Kees B. naar eigen zeggen een stuk rustiger. Na zijn ontkenning van die

ochtend hebben verhoorders 4 en 5 Kees B. 10 minuten of een kwartier alleen gelaten. Vervolgens ging het

verhoor verder. Bij terugkomst begon het verhoor en gingen de verhoorders Kees B. weer sturen in zijn

antwoorden. In het verhoor die zondagochtend is Kees B. blijven ontkennen.

In het verhoor van zondagmiddag en het verhoor van zondagavond heeft Kees B. bekend. Volgens Kees B.

werd de druk weer hoog opgevoerd en werd er op hem ingepraat. De verhoorders zeiden herhaaldelijk dat

Kees B. een hogere straf zou krijgen als hij niet zou bekennen. Kees B. had veel vertrouwen in het onderzoek

naar DNA of naar tips. Hij was er van overtuigd dat het DNA-onderzoek hem zou vrij pleiten. De bekentenis

is nooit in één verhaal verteld, heeft Kees B. in het interview gezegd. Pas in de schriftelijke verklaring

is het één verhaal geworden.

Aan Kees B. is door de verhoorders verteld waar de kinderen liepen toen ze werden beetgepakt. Aan hem

is gevraagd hoe hij het mes vast had toen hij Maikel en Nienke in de nek had beetgepakt. De verhoorders

hebben aan Kees B. gevraagd of hij had kunnen zien dat Nienke al schaamhaar had, ja of nee. Hierop

heeft Kees B. geantwoord dat hij dat had kunnen zien.

Kees B. wist toen hij die antwoorden gaf dat dit niet de waarheid was. Als hij niet de wenselijke antwoorden

zou geven zouden de verhoorders net zolang blijven vragen totdat ze de 'juiste' antwoorden kregen. Kees

B. was het naar eigen zeggen helemaal zat.

In tegenstelling tot zaterdagavond was Kees B. op zondag niet in de war. Zaterdag twijfelde hij aan zichzelf68

en op zondag heeft hij bewust niet de waarheid verteld. Kees B. besefte dat hij met zijn bekentenissen

zijn leven kapot aan het maken was. Hij was de verhoren echter zo zat, dat hij bekende.

68 Dat sluit aan wat bij wat één van de verhoorders in het videoverhoor van 3 oktober 2000 tegen Kees B. heeft gezegd: “Toen

in Schiedam heb je er ook wel eens aan getwijfeld, hè? Zei je ook van ... ik ben gek.”

DE VERHOREN VAN KEES B.

109

Kees B. voelde zich in de verhoren die volgden na 11 september 2000 gesterkt door de wetenschap dat er

altijd een advocaat in de buurt was.

De RC heeft aan Kees B. gevraagd of dat wat in de processen-verbaal van de verhoren van 9 september

2000, 22.30 uur, en 10 september 2000 staat, door Kees B. gezegd is. Daarop heeft Kees B. geantwoord

dat hij dat inderdaad gezegd heeft, maar dat hij ook ontkend heeft in die verhoren.

Kees B. heeft bij de RC gezegd dat de videoverhoren rustiger verliepen dan de verhoren die niet op video

zijn opgenomen.

Ik ben uitgebreid ingegaan op Kees B.´s kijk op de verhoren, omdat zij duidelijk maken hoe hij die verhoren

heeft beleefd en omdat zij inzicht geven in de psychologische processen die Kees B. er toe hebben gebracht

te bekennen. Dat wat Kees B. beschrijft sluit aan bij de gevallen die door de Engels/IJslandse deskundige

G.H. Gudjonsson worden aangehaald in zijn boek ‘The Psychology of Interrogations and Confessions:

A Handbook’ (Chichester: Wiley 2003). In Hoofdstuk 8 ga ik verder in op dit onderwerp.

Zowel Kees B. als verhoorders 4 en 5 zijn bij de RC ondervraagd over de verhoren. De RC heeft van een

groot aantal verhoortechnieken gevraagd of die wel of niet waren toegepast door verhoorders 4 en 5. Door

die verhoren wordt duidelijk dat de elementen van de Zaanse verhoormethode die niet mogen worden toegepast,

niet toegepast zijn in de verhoren van Kees B..69

7.2 Beoordeling

7.2.1 Voorbereiding verhoren

Kees B. werd tot en met de eerste dagen na zijn aanhouding niet gezien als dé verdachte. Onder andere de

zaaksofficier, de l.o. en verhoorder 5 hebben dat gezegd in de interviews en de schriftelijke beantwoording

van vragen. De verwachting was dat Kees B. na een paar dagen zou kunnen worden uitgesloten als verdachte.

Het blijkt ook uit de manier waarop de verhoren van Kees B. zijn voorbereid:

- er was geen verhoorplan;

- de verhoren werden niet meteen vanaf 5 september 2000 opgenomen;

- er was geen schaduwkoppel.

Een betere voorbereiding van de verhoren was mogelijk geweest, omdat de aanhouding van Kees B. niet

als een verrassing kwam, maar gepland was. Een betere voorbereiding had voor de hand gelegen, ook al

werd Kees B. niet gezien als dé dader, gelet op de bijzondere aard en ernst van de feiten en het belang van

oplossing van de zaak. In een groot onderzoek als RAG 'Park' had er tijd voor een goede voorbereiding van

de verhoren van de aan te houden verdachte moeten zijn.

Verder lijkt onvoldoende rekening gehouden te zijn met de persoon van de verdachte. Vóór de aanhouding

bestond een bepaald beeld van Kees B., namelijk dat van een labiele, gemakkelijk te beïnvloeden man, die

mogelijk makkelijk gewenste antwoorden zou geven. Bij zo´n verdachte had een verhoorplan goede diensten

kunnen bewijzen. Ook had het audiovisueel vastleggen van alle verhoren van zo´n verdachte voor de

hand gelegen, zeker gelet op de discussie die daarover gevoerd was binnen het team en het bestaan van

het protocol videoverhoor in de regio Rotterdam-Rijnmond.

69 HR 13 mei 1997, NJ 1998, 152; HR 22 september 1998, NJ 1999, 104; HR 9 mei 2000, NJ 2000, 521.

DE VERHOREN VAN KEES B.

110

Kees B. was een introverte man. De meeste criminelen zijn extravert. De verhoormethoden van de politie

zijn afgestemd op extraverte verdachten. Zulke methodes kunnen op een introverte persoon een grote impact

hebben die voor verhoorders niet (altijd) is te voorzien.70

7.2.2 Wijze van verbaliseren

Op een aantal punten wekt de verbalisering van de verhoren verbazing.

In de eerste plaats roept de wijze van verbalisering van het verhoor van 3 augustus 2000, dus nog los van

de aard van het verhoor, vragen op. Van dat verhoor is pas op 19 september 2000 proces-verbaal opgemaakt.

In het journaal van 3 augustus 2000 wordt echter vrij uitgebreid verslag gedaan van het verhoor.

Onder meer wordt gezegd dat Kees B. een paar opvallende zaken verteld had en dat een aantal zaken

opmerkelijk waren. Gelet op de omstandigheden dat het een verhoor was, dat er wel tijd was voor een aantekening

in het journaal, en dat de verhoorders zaken opvallend en opmerkelijk hadden gevonden, is het

niet goed te begrijpen waarom niet direct proces-verbaal is opgemaakt. Van het verhoor dat één dag later

plaatsvond is wel meteen proces-verbaal opgemaakt. Verder blijkt uit het proces-verbaal van 19 september

2000 niet welke inbreng de verhoorders hebben gehad.

In de tweede plaats roept de verbalisering van het verhoor dat is begonnen op 9 september 2000 om 22.30

uur vragen op. Dat het proces-verbaal van dat verhoor niet meteen na afloop van het verhoor is opgemaakt,

is te begrijpen gelet op het late tijdstip, de emotionele toestand van Kees B. en de vermoeidheid van B. en

de verhoorders. De gedachte was om de volgende ochtend verder te gaan met het verhoor en dan procesverbaal

op te maken. Wat echter bevreemding wekt, is dat het proces-verbaal niet op zondag 10 september

2000 is opgemaakt. Het ging immers om een bekentenis. Het proces-verbaal van de bekentenis van de late

zaterdagavond is gedateerd op 18 september 2000. Naar de overtuiging van de zaaksofficier is die datum

correct. De plv. l.o. is er zeker van dat het proces-verbaal niet was opgemaakt toen hij begin oktober 2000

terugkwam van vakantie en dat hij de opdracht heeft gegeven het op te maken. Als hij gelijk heeft is het

betreffende proces-verbaal geantedateerd. Ik heb geen bevredigend antwoord kunnen vinden op deze

vraag.

In de derde plaats is het niet verbaliseren van de intrekking van de bekentenis c.q. de ontkenning van de

betrokkenheid bij de feiten, gedaan op zondagochtend 10 september 2000, onjuist geweest.

Tenslotte roept het 'meeluisterproces-verbaal' van de wachtcommandant vragen op. De redenen voor het

meeluisteren die door betrokkenen worden gegeven, lopen erg uiteen en kunnen niet allemaal waar zijn.

Verder is het niet goed te begrijpen waarom het proces-verbaal niet is toegevoegd aan het eindprocesverbaal.

Als de wachtcommandant had meegeluisterd ter controle van het verhoor, was daar niets mis mee.

Zijn proces-verbaal gaf bovendien aan dat het verhoor van Kees B. op zondagmiddag 10 september 2000

correct was verlopen. In het licht van de beschuldigingen van de kant van Kees B. over druk tijdens de

verhoren, lijkt het voor de hand te liggen als het proces-verbaal van de wachtcommandant bij de stukken

was gevoegd, omdat daarmee de beschuldigingen effectief hadden kunnen zijn bestreden. Ook een verhoor

van de wachtcommandant bij de RC zou, afgaande op de inhoud van het proces-verbaal, eerder in het

voordeel van de opsporende/vervolgende autoriteiten zijn geweest dan in het voordeel van Kees B.. Kortom,

rondom het meeluisteren en het 'meeluisterproces-verbaal' zijn vragen blijven bestaan. Het evaluatieonderzoek

is niet de geëigende weg om die vragen te beantwoorden.

70 Zie Richard P. Conti, ‘The Psychology of False Confessions’, in: The Journal of Credibility Assessment and Witness Psychology

1999, Vol. 2, No. 1, p. 25.

DE VERHOREN VAN KEES B.

111

7.2.3 Scenarioverhoor

Op 3 augustus 2000 hebben verhoorders 4 en 5 met Kees B. een scenarioverhoor gedaan. Hiervoor is al

ingegaan op de verbalisering van dat verhoor. Ook bij de aard van het verhoor zijn vraagtekens te zetten.

Het is onduidelijk waarom de verhoorders een dergelijk verhoor hebben uitgevoerd of laten gebeuren. Voor

zover bekend is met geen enkele andere persoon in het onderzoek zo´n verhoor gedaan, ook niet met anderen

die als getuige met cautie werden verhoord. De risico´s van een dergelijk verhoor lijken groot te zijn,

zeker bij iemand die zo meegaand is als Kees B..

7.2.4 Videoverhoren

In de regio Rotterdam-Rijnmond was in mei 2000 een protocol videoverhoren tot stand gekomen. Het protocol

was blijkens het voorwoord in nauwe samenwerking met het Openbaar Ministerie opgesteld. Het protocol

gaf aan in welke strafzaken een videoverhoor van verdachten op zijn plaats zou en welke voorschriften

daarbij in acht genomen moesten worden. De Schiedammer parkmoord voldeed aan de criteria voor

een videoverhoor bedoeld in het protocol: een delict waarop een gevangenisstraf van 8 jaar of meer staat,

terwijl de rechtsorde ernstig door dat feit is geschokt, of een zaak waarin de persoon van de verdachte of

de aard van de zaak een videoverhoor wenselijk maakt.

Voor de aanhouding van Kees B. is erover gesproken de verhoren audiovisueel vast te leggen. Er is voor

gekozen dat niet te doen. Dat is een gemiste kans.

Gelet op de aard en de ernst van de feiten, de druk die op het team lag om de zaak op te lossen, het beeld

dat men van Kees B. had en de in een zaak als deze te verwachten opstelling van de verdediging, was

opnemen een logische keus geweest. Daarmee zou een verhoor toetsbaar zijn geworden en had eventuele

kritiek op de wijze van verhoor op een doeltreffende en overtuigende wijze kunnen worden weerlegd.

De beslissing om de verhoren van Kees B. op te nemen is pas genomen op of na 11 september 2000. Niet

gebleken is dat direct na de - onverwachte - bekentenis van Kees B. is besloten met opnemen te beginnen

of dat dat op 10 september 2000 is overwogen.

In de eerste dagen na Kees B.’s aanhouding was de insteek van de verhoren Kees B. uit te sluiten als verdachte.

Na 8 september 2000 was het juist de bedoeling hem in te sluiten. De andere insteek van het verhoor

is geen reden geweest de verhoren na 8 september 2000 op te nemen.

De niet door de officier van justitie gehonoreerde wens van de raadsman van Bosboom aanwezig te mogen

zijn bij de verhoren in het weekend van 9 en 10 september 2000 heeft geen rol gespeeld bij de beslissing

de verhoren na 8 september 2000 op te nemen.

In de processen-verbaal die de uitgewerkte verhoren begeleiden, de processen-verbaal beschrijving studioprocedure,

wordt geen melding gemaakt van de aanwezigheid van de psycholoog op 3 en 4 oktober

2000. De psycholoog was in de regieruimte op verzoek en ten behoeve van het onderzoeksteam. Zijn aanwezigheid

had volgens het protocol vermeld moeten worden in het proces-verbaal ‘beschrijving studioprocedure’.

Ik heb niet de indruk dat men de aanwezigheid van de psycholoog verborgen wilde houden. In het

verhoor van verhoorder 4 bij de RC op 21 maart 2001 is de aanwezigheid van deze psycholoog namelijk ter

sprake gebracht.

In de uitwerkingen van de videoverhoren die audiovisueel zijn vastgelegd, staan vaak de woorden 'niet

uitgewerkt, niet relevant'. Dat bij een videoverhoor niet alles wat is gezegd woordelijk wordt uitgewerkt is te

billijken, omdat niet alles relevant is. In deze zaak zijn echter de passages waarvan wordt gezegd dat ze

DE VERHOREN VAN KEES B.

112

niet uitgewerkt zijn, wél uitgewerkt. Bij het onderzoeksmateriaal dat mij ter beschikking stond, zaten integrale

woordelijke uitwerkingen van de videoverhoren. In die versies hebben de l.o. en de plv. l.o. passages

geschrapt die naar hun mening niet relevant waren. Bij een aantal van die geschrapte passages, bijvoorbeeld

over de ontkenningen door Kees B., is de vraag gerechtvaardigd waarom ze niet relevant zijn. Temeer

als ze vergeleken worden met de passages die niet zijn geschrapt. In elk geval zijn de woorden 'niet

uitgewerkt, niet relevant' niet correct.

Sommige geschrapte passages zijn erg lang. Het moet veel tijd hebben gekost om die passages uit te werken.

Het is verspilling van tijd en moeite om die passages eerst uit te werken en er dan niets mee te doen.

7.2.5 Verbazing over bekentenis

Velen waren verbaasd over de bekentenis van Kees B.. Toch werd de bekentenis voor waar gehouden. De

verschillen tussen de bekentenissen van Kees B. onderling en de verschillen tussen de bekentenissen en

de verklaringen van Maikel hebben voor zover bekend bij niemand binnen het onderzoeksteam en evenmin

bij de officieren van justitie geleid tot de gedachte dat de bekentenissen vals waren. Dat kan erop wijzen dat

de kennis bij politie en justitie over dat verschijnsel ontbrak. Het kan er ook op wijzen dat men geen enkele

twijfel had.

Er waren naast de verschillen tussen de bekentenissen onderling en de verschillen tussen de bekentenissen

en de verklaringen van Maikel aanwijzingen die hadden kunnen leiden tot de gedachte dat de bekentenissen

vals waren:

- Een vriend van Kees B. heeft op 20 september 2000 tegen verhoorder 5 gezegd dat hij zich zorgen

maakt om Kees en dat hij zich afvraagt wat er gebeurt als Kees, om er maar vanaf te zijn,

zegt dat hij het gedaan heeft. Hij is bang dat Kees B. dat zal doen. Deze vriend zegt ook dat

Kees B. ruzies en conflicten uit de weg gaat.

- Een kennis van Kees B. heeft verklaard dat Kees B. makkelijk te beïnvloeden is. Wanneer iemand

die een sterke overredingskracht had tegen Kees zei iets te doen, dan deed hij dat, aldus

die kennis.

- Het is niet zo dat Kees B. na 11 september 2000 weigerde mee te werken aan de politieverhoren

of aan onderzoeken. Hij bleef praten met de politie, gaf toestemming voor het trekken van haren

en het afnemen van bloed voor een DNA-onderzoek.

- In het rapport van het Pieter Baan Centrum staan een aantal passages waaruit iets kan worden

afgeleid. Uit het testpsychologisch onderzoek komt Kees B. naar voren als een weinig autonoom,

weinig geïndividualiseerd en emotioneel weinig evenwichtig persoon, die zichzelf niet of nauwelijks

kan laten gelden, die erg gevoelig is voor - eventueel belastende - invloeden en reacties van

buitenaf en wiens belangrijkste verdedigingsmiddel bij oplopende spanning en bij confrontaties

de vlucht en de gevoelsremming is. In de psychologische beschouwing staat dat Kees B. naar

voren is gekomen als een man in wiens persoonlijkheid de gevoelsremming, agressieremming,

conflictmijding en onzekerheid centraal staan. Uit angst voor confrontatie en conflict laat hij zich

minimaal gelden en probeert hij zich als persoon zo vlak en onzichtbaar mogelijk te houden. Bij

het psychiatrisch onderzoek wordt opgemerkt dat Kees B. zoveel als mogelijk is probeert de

sfeer van het gesprek met de onderzoeker plezierig te houden en conflicten uit de weg gaat.

- De eigen indruk van de politie (zie hiervoor).

7.2.6 Daderwetenschap

Kees B. is in de periode van 22 juni tot 11 september 2000 bekend geraakt met daderwetenschap. Hij kan

op een aantal manieren daderwetenschap hebben verkregen. Als pleger had hij zulke wetenschap kunnen

hebben. Die mogelijkheid sluit ik uit, omdat Kees B. niet de pleger was en, afgaande op de verklaringen van

DE VERHOREN VAN KEES B.

113

Wik H., ook niet een medepleger of medeplichtige. Het is mogelijk dat Kees B. daderwetenschap uit de

media heeft gehaald. Die mogelijkheid is naar mijn mening niet erg waarschijnlijk, omdat in de media zo

goed als geen daderinformatie is terechtgekomen vóór 11 september 2000 (zie hoofdstuk 5). Een andere

mogelijkheid is dat Kees B. dingen heeft gehoord toen hij op/bij brug B was op 22 juni 2000, tussen 18.07

uur en 18.45 uur. Dat is goed mogelijk, want een aantal mensen zijn de bosjes van PD A ingegaan en hebben

daar de situatie ter plekke gezien. Het is niet uitgesloten dat zij, nadat ze uit de bosjes waren gekomen,

hebben verteld wat zij hebben gezien en dat Kees B. dat heeft gehoord. Het is echter niet aannemelijk dat

zij alle daderwetenschap die in Kees B.´s bekentenissen staat hebben gegeven. Bijvoorbeeld informatie

over bepaalde ontwikkelingen van het lichaam van Nienke hebben zij door ligging van Nienke op haar buik

niet kunnen zien. De mogelijkheid die het meest waarschijnlijk is, is dat verhoorders 4 en 5 in de verhoren

daderwetenschap hebben prijs gegeven. Dat zal niet bewust zijn gebeurd. Verhoorders 4 en 5 hebben er

naar eigen zeggen juist erg op gelet geen daderwetenschap prijs te geven en er is geen reden aan die

woorden te twijfelen. Niettemin is het aannemelijk dat het is gebeurd, gegeven ook hetgeen Kees B. in het

interview heeft verteld over de verhoren.

Door politie, zaaksofficier en AG is naar voren gebracht in het eindproces-verbaal en in het requisitoir dat

Kees B. in zijn bekentenissen blijk gaf over daderwetenschap te beschikken. De punten van daderwetenschap

die zij aanvoeren (bijvoorbeeld kledingstuk op het hoofd van Nienke, lichamelijke ontwikkeling Nienke,

dat Nienke gewurgd is) zijn echter allemaal punten die de politie kende. Het was dus niet zo dat Kees B.

iets vertelde wat nieuw was voor de politie.

7.2.7 Verhoormethoden en -technieken

In de verhoren van Kees B. is geen sprake geweest van mishandeling of bedreiging. Sommige verhoren

waren lang en intensief, maar overschreden niet de grens van het toelaatbare. Kees B. is geconfronteerd

met foto´s van Nienke en Maikel, maar dat waren geen foto´s die door de politie waren gemaakt op bijvoorbeeld

de PD. De verhoorders hebben zacht gesproken en met stemverheffing gesproken, zij hebben gescholden

en op de tafel geslagen, maar daarbij zijn de grenzen van het toelaatbare niet overschreden. Wel

zegt Kees B. in één van de videoverhoren dat hij niet tegen schreeuwen en schelden kan. De verhoorders

en Kees B. zaten tamelijk dicht bij elkaar. Er is niet gebleken van toezeggingen of beloftes als Kees B. zou

bekennen (bijvoorbeeld over opheffing van de beperkingen, contact met familie).

In de videoverhoren is een aantal gevallen te zien dat het bewijs sterker wordt voorgesteld aan Kees B. dan

het is. Onder meer:

- in het verhoor van 2 oktober 2000 wordt door de verhoorders gezegd dat er mensen zijn die de

fiets van Kees B. hebben zien liggen op het gras nabij PD A;71

- in het verhoor van 24 oktober 2000 wordt gezegd dat er twee getuigen zijn die Kees B. herkennen

als de man die op 23 juni 2000 ´s ochtends bij PD A was;72

- in het verhoor van 24 oktober 2000 wordt tegen Kees B. gezegd dat Maikel in het park tegen een

omstander heeft gezegd: "Het was die grote man...met die fiets."73

- in het videoverhoor van 12 december 2000 is ter sprake gekomen dat er een haar is gevonden

op het bovenbeen van Nienke. Door de verhoorders wordt gezegd dat de haar past in het haarpalet

van Kees B. en dat de haar van Kees B. is.

Het sterker of verkeerd voorstellen van het aanwezige bewijs was geen structureel iets.

71 In Hoofdstuk 5 is aan de orde gekomen wat getuigen hebben verklaard over de fiets.

72 G 54 heeft Kees B. voor 85-90% herkend bij een 1:1 confrontatie. G 55 heeft drie foto’s van Kees B. te zien gekregen. Bij

twee zegt hij dat de man op de foto het postuur had van de man die hij in het park had gezien. Bij de derde foto zegt hij dat hij

de man op de foto niet kent.

73 Deze getuige, G 49, heeft gezegd dat Maikel had gezegd dat ze mee moesten met een grote man op een fiets.

DE VERHOREN VAN KEES B.

114

De videoverhoren zijn soms onzakelijk en (in de woorden van de AG) 'psychologiserend'. De verhoorders

zeggen herhaaldelijk dat Kees B. hulp nodig heeft, dat als hij bekent hij eerder kan beginnen met het oplossen

van zijn problemen, dat hij zichzelf (op langere) termijn een dienst bewijst als hij vertelt wat hij heeft

gedaan, dat hij schoon schip moet maken, dat ze trots op Kees B. zijn dat hij heeft verteld wat er gebeurd is

(daarmee wordt de bekentenis bedoeld), er wordt gesproken over de vertrouwensband tussen Kees B. en

in het bijzonder verhoorder 4.

Verhoorders 4 en 5 hebben in de videoverhoren herhaaldelijk en vaak langdurig en indringend ingepraat op

Kees B., waarbij dingen zijn gezegd als dat een echte man zou bekennen, dat als Kees B. enig fatsoen had

hij zou meewerken aan het onderzoek, over het leed dat hij heeft toegebracht aan de familie van Nienke,

dat Kees B. in de toekomst geen andere kinderen mag vermoorden, en meer woorden van gelijke aard en

strekking. Ontoelaatbaar is het naar mijn oordeel niet. Wel kunnen vanuit recherchekundig oogpunt vraagtekens

worden gezet.

Het is duidelijk in de videoverhoren dat de verhoorders geen geloof hechten aan Kees B.´s steeds herhaalde

verklaring dat zijn bekentenissen vals zijn en dat hij die heeft afgelegd omdat de druk voor hem te groot

was geworden. De verhoorders zeggen herhaaldelijk (bijvoorbeeld in het verhoor van 13 september 2000)

dat ze zich niet kunnen voorstellen dat Kees B. bekend heeft omdat hij het zat was en ze betwijfelen dat er

(grote) druk was in de verhoren van het weekend van 9 en 10 september. Ze trekken Kees B.´s drukgevoeligheid

in twijfel (onder meer in de verhoren van 2 en 3 oktober 2000). Ook uit de vraagstelling in alle verhoren

na 11 september 2000 blijkt dat verhoorders 4 en 5 ervan overtuigd zijn dat de bekentenissen van 9 en

10 september 2000 juist zijn. Zij staan niet open voor een andere gedachte. In het verhoor van 2 oktober

2000 bijvoorbeeld wordt door verhoorder 5 gezegd:

"Kees ... we weten gewoon dat je het gedaan hebt ... uit hetgeen ... je verteld hebt ... weten we dat

je het gedaan hebt ... Het feit van hoe je daar geweest bent ... alles alles klopt precies ... het is een

puzzel waar we mee aan het puzzelen zijn."

Dit is slechts één van de vele voorbeelden waaruit blijkt hoe de verhoorders tijdens de videoverhoren tegen

Kees B. aankeken. De l.o. en de plv. l.o. waren bij de videoverhoren aanwezig in de regieruimte. Zij keken

mee en hebben niet ingegrepen in de verhoren. Dat had wel gekund, bijvoorbeeld in een pauze, bij de

voorbereiding van het volgende videoverhoor, of via de elektronische verbinding die er was tijdens het videoverhoor

(het was mogelijk te chatten). Uit het niet ingrijpen kan worden afgeleid dat de teamleiding deze

wijze van ondervraging goed vond.

Als rechercheurs een verdachte verhoren gaan zij er uiteraard vanuit dat de persoon die zij verhoren terecht

verdacht wordt van een strafbaar feit en dat er iets is om met die persoon over te praten. In het geval

van Kees B. was dat door de bekentenissen in sterkere mate het geval. Maar een verhoorder moet zelfs in

zo’n geval openstaan voor de mogelijkheid dat het anders is dan hij denkt. Dat was bij de videoverhoren

van Kees B. niet het geval. De politieverhoren na 11 september 2000 waren primair gericht op een herhaling

van de bekentenissen van 9 en 10 september 2000.

Alles afwegende blijkt uit de audiovisuele opnamen naar mijn oordeel dat die verhoren niet in strijd zijn met

het pressieverbod of art. 6 lid 2 van het EVRM.

Kees B. heeft gezegd dat hij de druk tijdens de verhoren niet aankon en daarom bekend heeft. Het is aannemelijk

dat de omstandigheden voor Kees B. stressvol waren: hij was nooit eerder aangehouden geweest,

hij werd beschuldigd van zeer ernstige feiten, hij wist niet wat er zou gebeuren, hij had in de dagen na zijn

aanhouding geen contact met familie en nauwelijks met zijn raadsman, hij werd langdurig ondervraagd, hij

DE VERHOREN VAN KEES B.

115

sliep slecht, hij werd geconfronteerd met gedrag waarvoor hij zichzelf schaamde, hij vroeg zich af wat anderen

van hem zouden denken, hij was niet assertief, hij ging conflicten uit de weg. Natuurlijk brengt elk verhoor

spanning en druk mee; dat kan niet worden voorkomen. Maar ik denk dat Kees B. veel meer dan de

gemiddelde verdachte moeite had met die druk.

7.3 Conclusies

De bekentenissen van Kees B. zijn doorslaggevend geweest voor het bewijs tegen hem.

Een politieverhoor is bedoeld de waarheid boven tafel te brengen. De politie en de officieren van justitie

hebben de bekentenissen van 9 en 10 september 2000 beschouwd als de waarheid, ondanks de vele verschillen

tussen de bekentenissen onderling en ondanks de verschillen tussen de bekentenissen en de verklaringen

van Maikel. De herhaaldelijk door Kees B. geuite stelling dat hij de bekentenissen onder druk van

de verhoren en verhoorders had afgelegd, werd simpelweg niet geloofd of aannemelijk gevonden. De verhoren

na 11 september 2000 waren primair bedoeld om een herhaling te krijgen van de bekentenissen.

Het is meer dan aannemelijk dat in de verhoren waarin Kees B. bekend heeft of in de verhoren voor 5 september

2000, door de politie daderwetenschap is prijsgegeven. Dat is niet opzettelijk gebeurd. Het is waarschijnlijk

zelfs gebeurd zonder dat de verhoorders er erg in hadden. Dat is nog gevaarlijker. Immers: bij

discussie zullen verhoorders (naar eer en geweten) zeggen dat zij geen daderwetenschap hebben prijsgegeven.

Als er verschil van mening is tussen een verdachte die zegt dat hij daderwetenschap van de politie

heeft gekregen en de verhoorders die dat ontkennen, zal het woord van de verhoorders voor de officier van

justitie en de rechter in de regel zwaarder wegen. Het scenarioverhoor van 3 augustus 2000 is een verhoor

geweest waarin de politie volgens Kees B. daderwetenschap heeft verstrekt. Door de late en gebrekkige

verbalisering van dat verhoor is de mogelijkheid om achteraf te toetsen wat daar gezegd is, erg beperkt. In

elk geval roept de wijze van verhoor vragen op die niet beantwoord zijn.

De politieverhoren tussen 5 en 11 september 2000 zijn niet goed voorbereid. Hoewel de aanhouding van

Kees B. gepland was, was er geen verhoorplan en is er voor gekozen de verhoren niet vanaf 5 september

2000 op te nemen. Gelet op de aard van de feiten, de ernst van de zaak, het beeld dat van Kees B. bestond,

de zorgvuldigheid van de vervolging, het op voorhand ondervangen van mogelijke kritiek van de kant

van de verdediging, en het bestaan van een protocol videoverhoren in de regio Rotterdam-Rijnmond, is die

keus niet te begrijpen. De keus om niet op te nemen vanaf 5 september 2000 heeft in het nadeel van Kees

B. uitgewerkt, omdat hij zijn beweringen over druk niet kon onderbouwen met iets tastbaars.

De wijze van verbaliseren van een aantal verhoren van Kees B. en de onduidelijkheden rondom het 'meeluisterproces-

verbaal' van de wachtcommandant doen afbreuk aan het beeld van een professioneel werkend

politieteam. Van de kant van het Openbaar Ministerie is onvoldoende controle uitgeoefend op de verbalisering.

Hoewel er in de processen-verbaal van de videoverhoren veel passages zijn weggestreept, heeft dat niet

geleid tot een oneerlijk beeld van de verklaringen die Kees B. heeft afgelegd. Het heeft evenmin bijgedragen

aan de veroordeling van Kees B..

De gebruikte verhoormethodes zijn niet onrechtmatig. De persoonlijkheid van Kees B. was echter van dien

aard dat hij slecht met druk kon omgaan. Dat is tijdens de verhoren niet of onvoldoende onderkend.

Dat uit het gedrag van Kees B. in de videoverhoren de conclusie is getrokken dat hij minder labiel was dan

men dacht, is niet onbegrijpelijk. Ondanks de druk volhardt Kees B. in zijn ontkenning. In de videoverhoren

DE VERHOREN VAN KEES B.

116

is te zien dat Kees B. tamelijk snel emotioneel wordt, maar dat hij ook dan niet zegt dat hij de feiten in het

Beatrixpark gepleegd heeft. De emotionaliteit van Kees B. in de verhoren van 9 en 10 september 2000

waarin Kees B. had bekend hoefden niet direct argwaan te wekken.

Het is ook voor de politie jammer dat niet alle verhoren van Kees B. audiovisueel zijn vastgelegd. Dat had

namelijk duidelijk kunnen maken dat in de verhoren geen onrechtmatige of verkeerde dingen hadden

plaatsgevonden. Videobeelden zouden hebben kunnen aantonen dat verhoorders 4 en 5 niets verkeerd

hebben gedaan.

7.4 Aanbevelingen

In opleidingen van politieambtenaren, in het bijzonder van degenen die zich in zwaardere onderzoeken

bezighouden met het verhoren van verdachten en getuigen, en in opleidingen van leidinggevenden in zulke

onderzoeken, moet meer aandacht worden besteed aan verhoortechnieken en -tactieken. Het is noodzakelijk

ook aandacht te besteden aan de theoretische kanten van het verhoor. Daarbij moet onder meer aandacht

zijn voor het fenomeen van de valse bekentenis en de mogelijke invloed van een verhoor en de verhooromstandigheden

op de verhoorde persoon. Ook moet aandacht worden besteed aan de manieren

waarop onbedoeld en ongewild de verhoorde deelgenoot wordt van informatie die hij niet had moeten kennen.

Ook in opleidingen van rechterlijke ambtenaren moet aandacht worden besteed aan de praktische en

theoretische kanten van het verhoor.

Politie en justitie moeten er alert op zijn dat ook als in een verhoor geen sprake was van ongeoorloofde

druk of onrechtmatige verhoormethodes, een valse bekentenis kan zijn afgelegd. De persoon van de dader

speelt daarbij een belangrijke rol.

Er moeten met mensen van wie de verklaringen van belang (kunnen) zijn in het kader van de waarheidsvinding,

geen scenarioverhoren worden gehouden. Als er behoefte is aan het ontwikkelen van scenario's

dient dit binnen het team te gebeuren, eventueel met assistentie van externe deskundigen.

In grote zaken moet worden gewerkt met verhoorplannen. Dat geeft houvast in en structuur aan het verhoor,

biedt de mogelijkheid rekening te houden met de persoonskenmerken van de verdachte en verkleint

de kans dat ongewild en onbedoeld daderwetenschap wordt prijsgegeven.

In het volgende hoofdstuk ga ik in op het audiovisueel vastleggen van verhoren.

AUDIOVISUELE VASTLEGGING VAN VERDACHTENVERHOREN

117

8 AUDIOVISUELE VASTLEGGING VAN VERDACHTENVERHOREN

Niet alle politieverhoren van Kees B. zijn audiovisueel vastgelegd. Daarmee is pas begonnen na 11 september

2000. De verklaringen waarin Kees B. bekend heeft en het scenarioverhoor van 3 augustus 2000

behoren tot de verhoren die niet audiovisueel zijn vastgelegd. In de Schiedammer parkmoord waren de

bekentenissen van Kees B. van groot belang, waarschijnlijk zelfs doorslaggevend voor het bewijs. Achteraf

gezien is het meer dan aannemelijk dat de bekentenis van Kees B. een valse bekentenis was. In dit hoofdstuk

komt de vraag aan de orde of het iets had uitgemaakt als alle verhoren die na Kees B.’s aanhouding

op 5 september 2000 hebben plaatsgevonden, en dus ook zijn bekentenissen, audiovisueel waren vastgelegd.

8.1 Valse bekentenissen74

Een bekentenis is een krachtig bewijsmiddel. Vaak wordt gezegd dat een normaal mens niet iets bekent

wat hij niet gedaan heeft, zeker niet een ernstig feit.75 Het fenomeen wordt met ongeloof bekeken. Toch

komen valse bekentenissen voor, ook in zaken waarin iemand van (een) zeer ernstig(e) feit(en) verdacht

wordt. Met name in de Verenigde Staten en in Groot-Brittannië is onderzoek gedaan naar het vóórkomen

van valse bekentenissen. Onderzoeken wijzen uit dat onder de ‘juiste’ omstandigheden veel mensen, ook

mensen bij wie geen stoornis bestaat, makkelijk iets bekennen wat zij niet hebben gedaan.

Er zijn verschillende soorten valse bekentenissen. Vaak worden zij onderscheiden in:

- vrijwillige valse bekentenissen (‘voluntary false confessions’);

- valse bekentenissen die tot stand komen door of onder druk van de verhoorders en/of de verhooromstandigheden,

ook wel afgedwongen valse bekentenissen genoemd (‘coerced-compliant false

confessions’ of ‘pressured-compliant false confessions’);

- ingebeelde valse bekentenissen (‘coerced-internalized false confessions’).

Vrijwillige valse bekentenissen komen tot stand zonder dat door de politie druk wordt uitgeoefend op de

verdachte. Redenen waarom mensen zonder enige druk van de politie een valse bekentenis afleggen zijn

bijvoorbeeld een ziekelijke behoefte aan aandacht, het door elkaar halen van werkelijkheid en fantasie en

het in bescherming nemen van de werkelijke dader.

Valse bekentenissen van de tweede categorie komen tot stand door (psychologische) druk die ontstaat

tijdens of door een verhoorsituatie of door verhoortechnieken en -tactieken van de politie. Dat kunnen technieken

en tactieken zijn waarvan duidelijk is dat zij niet mogen worden gebruikt (zoals mishandeling, bedreiging,

doen van beloftes, misleiding).76 Maar ook technieken en tactieken die geoorloofd zijn, kunnen

onder omstandigheden leiden tot een valse bekentenis (denk aan het opzettelijk inspelen op iemands al

dan niet vermeende zwakke punten en aan langdurige verhoren).

De Engelse term ‘compliance’ omvat eigenschappen als inschikkelijkheid, gehoorzaamheid en toegeeflijkheid.

De verdachte bezwijkt onder de druk van de verhoorders of de omstandigheden van het verhoor.

74 Over valse bekentenissen onder meer: G.H. Gudjonsson, The Psychology of Interrogations and Confessions: A Handbook,

Chichester: Wiley 2003; A. Vrij, ‘Het verhoor van verdachten’, in: P.J. van Koppen, D.J. Hessing, H.L.G.J. Merckelbach, H.F.M.

Crombag (red.), Het Recht van Binnen, Psychologie van het Recht, Deventer: Kluwer 2002, p. 700 e.v.; E. Rassin en I. Candel,

‘Suggestie tijdens het verhoor’, in laatstgenoemd werk, p. 465.

75 Richard P. Conti schrijft in zijn artikel ‘The Psychology of False Confessions’ in: The Journal of Credibility Assessment and

Witness Psychology, 1999, Vol. 2, p. 14: “This may be due to observers misattributing the cause of the confession as being

internal to the person (e.g., actual guilt) while discounting situational factors (e.g., possible coercion) which may not be readily

apparent to an observer. ... In social psychology, this is known as the fundamental attribution error: the tendency to attribute

other people’s behavior to more dispositional (internal) causes, and underestimate the importance of situational (external) factors.”

76 Vergelijk de discussie over de recht- en doelmatigheid van de Zaanse verhoormethode in de jaren ’90 van de vorige eeuw.

AUDIOVISUELE VASTLEGGING VAN VERDACHTENVERHOREN

118

Vaak ziet hij een bekentenis als de manier om een direct voordeel te behalen. De bekenner weet dat hij

onschuldig is en een valse bekentenis aflegt, en hij realiseert zich meestal (vaak al op het moment dat de

valse bekentenis wordt afgelegd) dat hij daardoor in de problemen kan komen. Hij vertrouwt er echter op

dat zijn advocaat het wel zal rechtzetten of dat bijvoorbeeld het verdere politieonderzoek of het ontbreken

van technisch bewijs hem zal vrijpleiten.

Het voordeel dat hij op korte termijn met de bekentenis hoopt te verkrijgen kan zijn een eind maken aan een

verhoor, voorkomen dat hij wordt opgesloten in een cel, of de mogelijkheid om contact te hebben met familieleden

e.d. Dat voordeel op korte termijn weegt op dat moment zwaarder dan het (mogelijke) nadeel op

lange termijn. Bepaalde groepen personen zijn eerder geneigd een dergelijke valse bekentenis af te leggen

dan andere, bijvoorbeeld drugs- en alcoholverslaafden, mensen met claustrofobie, mensen met een lage

intelligentie, mensen die geestelijk niet volwaardig zijn en mensen die meer dan gemiddeld meegaand

(‘compliant’) zijn.

Overigens kunnen ook getuigen onder druk van de omstandigheden of de verhoorders een valse verklaring

afleggen.

Bij de ingebeelde valse bekentenis krijgt de verdachte de overtuiging dat het delict waarvan hij beschuldigd

wordt door hem gepleegd is, terwijl hij zich niet herinnert dat feit daadwerkelijk gepleegd te hebben. Ook in

deze gevallen kan het politieoptreden de oorzaak zijn van de overtuiging van de verdachte dat hijzelf schuldig

is. De overtuiging dat men de dader is van een misdrijf dat men niet gepleegd heeft, kan tijdelijk zijn.

Neemt de politiedruk af dan is ook de overtuiging in de eigen schuld vaak snel verdwenen. Bij deze categorie

valse bekentenissen speelt iemands suggestibiliteit een rol.

Er kan overlap zijn tussen de drie categorieën, vooral tussen de tweede en de derde.

Door Gudjonsson worden in zijn boek ‘The Psychology of Interrogations and Confessions: A Handbook’

diverse praktijkvoorbeelden gegeven van elk van de drie categorieën. Eén van de conclusies die Gudjonsson

trekt na de bespreking van de voorbeelden is:

“It is clear from the cases discussed that innocent suspects do sometimes give information to the

police that, on the face of it, seems to have originated from the accused, whereas the information

was probably unwittingly communicated to them by the police in the first place. Such apparently

‘guilty knowledge’, which often makes the confession look credible, is then used to substantiate the

validity of the confession given. The lesson to be learned is that unless the information obtained

was unknown to the police, or it actually results in evidence to corroborate it (e.g. the discovery of a

body or murder weapon), then great caution should be exercised in the inferences that can be

drawn from it about the accused’s guilt.” 77

Gudjonsson heeft testen ontwikkeld om iemands ‘compliance’ of suggestibiliteit te meten (Gudjonsson

Compliance Scale en de Gudjonsson Suggestibility Scale).78 Vrij stelt dat het een probleem is dat bij deze

tests de gemoedstoestand van de verdachte een belangrijke rol speelt. Wanneer de gemoedstoestand van

de verdachte tijdens de test anders is dan in de verhoren is naar alle waarschijnlijkheid ook de ‘compliance’

of de suggestibiliteit anders.79

Het herkennen van een valse bekentenis is vaak moeilijk, vooral bij de derde categorie valse bekentenissen.

Het intrekken van een bekentenis betekent natuurlijk lang niet altijd dat de bekentenis vals was en is

77 A.w., p. 243.

78 Rassin en Candel bespreken de tests in hun bijdrage aan Het Recht van Binnen, Psychologie van het Recht.

79 A. Vrij, ‘The psychology of interrogations, confessions and testimony’ (book review), in: Criminal Justice Review 20, pp. 99-

101.

AUDIOVISUELE VASTLEGGING VAN VERDACHTENVERHOREN

119

daarom geen goede graadmeter. Het ontbreken van daderwetenschap bij een bekennende verdachte kan

wel een aanwijzing voor een valse bekentenis zijn.

8.2 Audiovisuele vastlegging van verdachtenverhoren

Er wordt al lang gepraat over het opnemen van verdachtenverhoren. De voordelen daarvan zijn onder

meer:

- er is betrouwbare informatie beschikbaar over wat er tijdens het verhoor is gezegd en gedaan, zodat

het mogelijk is het verhoor te toetsen;

- de mogelijkheid van het kunnen terugzien van non-verbale signalen en vastgelegde emoties;

- de mogelijkheid van sturing van het verhoor, zowel vanuit de regiekamer als voor vervolgverhoren;

- de toename van de mogelijkheden om gedragsdeskundigen te betrekken bij het verdachtenverhoor;

- het gebruik als lesmateriaal voor verhoormethodieken.

Als nadelen worden naar voren gebracht:

- de kosten;

- de extra belasting voor de politie, vooral als woordelijke uitwerking van het verhoor nodig is;

- het opnemen van verhoren zou het gedrag van de verhoorder kunnen beïnvloeden;

- het opnemen van verhoren zou het gedrag van de verhoorde kunnen beïnvloeden (dichtslaan);

- het opnemen van verhoren is ingrijpender dan een papieren weergave;

- de mogelijkheid dat de opnames openbaar worden.

Ik ga niet in op de argumenten voor of tegen, maar volsta er mee te zeggen dat in het algemeen de voordelen

als groter worden gezien dan de nadelen en dat de (meeste) nadelen te ondervangen zijn.

In de afgelopen jaren zijn in een aantal politieregio’s protocollen tot stand gekomen voor het facultatief audiovisueel

opnemen van verhoren, onder meer in Rotterdam-Rijnmond (mei 2000) en in Amsterdam-

Amstelland (oktober 2001). De Schiedammer parkmoord laat zien dat een niet-bindend protocol niet de

garantie biedt dat een verdachtenverhoor in een daarvoor in aanmerking komend onderzoek wordt opgenomen.

Een landelijk uniform voorschrift voor het audiovisueel opnemen van verdachtenverhoren acht ik

wenselijk.80

Het audiovisueel opnemen van verdachtenverhoren voorkómt overigens niet dat valse bekentenissen worden

afgelegd. Het maakt het echter wel mogelijk om vast te stellen wat er in het verhoor is gebeurd.

Het audiovisueel opnemen van verdachtenverhoren lost tenminste twee problemen niet op:

- Ook als verdachtenverhoren worden opgenomen, is contact tussen verdachte en verhoorder dat niet

wordt opgenomen mogelijk. Bijvoorbeeld bij het ophalen uit of terugbrengen naar de cel, en bij het ophalen

in of terugbrengen van de verdachte uit het huis van bewaring. Ook kan de opname-apparatuur

worden uitgezet of kan een informeel praatje worden gemaakt vlak voor het verhoor. Bij zulke contacten

is beïnvloeding mogelijk. Om dat te voorkomen, moeten in elk geval in onderzoeken waarin verhoren

worden opgenomen zulke buitenverhoorse contacten tussen verhoorder en verhoorde zoveel mogelijk

beperkt en het liefst voorkomen worden, bijvoorbeeld door elke verplaatsing buiten de verhoorkamer

te laten uitvoeren of begeleiden door anderen dan de verhorende politieambtenaren. Voorzover

80 Het College van procureurs-generaal heeft een aanwijzing in voorbereiding om het audiovisueel opnemen van verdachtenverhoren

structureel ingebed te krijgen in de werkprocessen van OM en politie.

AUDIOVISUELE VASTLEGGING VAN VERDACHTENVERHOREN

120

toch buitenverhoorse contacten plaatsvinden tussen verhoorder en verhoorde, dienen deze in elk geval

schriftelijk geregistreerd te worden.

- In sommige onderzoeken is de verdachte eerder verhoord als getuige. In een getuigenverhoor kan

daderinformatie zijn verstrekt, die later in het verdachtenverhoor terugkomt. Dat kan problemen veroorzaken.

81

8.3 Schiedammer parkmoord

Kees B. heeft bij de RC en in het interview gezegd dat de druk tijdens de politieverhoren, vooral in het

weekend van 9 en 10 september 2000, voor hem te groot werd, dat hij door verhoorders 4 en 5 is gevoed

met daderwetenschap en dat verhoorders 4 en 5 met gebaren aanwijzingen gaven voor antwoorden.

Verhoorders 4 en 5 begrepen dat de verhoren Kees B. onder druk zetten, maar zij vonden de druk niet

ontoelaatbaar. Waarschijnlijk zijn verhoorders 4 en 5 zich niet voldoende bewust geweest van Kees B.’s

gemoedstoestand en karakterstructuur. Verhoorders 4 en 5 zijn zich er waarschijnlijk ook niet bewust van

geweest dat zij daderwetenschap hebben prijsgegeven aan Kees B. of dat zij door de manier waarop zij

vragen stelden of doorvroegen over een bepaald punt of door non-verbale communicatie aanwijzingen

gaven over de richting van het antwoord. Achteraf moet vastgesteld worden dat het bijna niet anders kan of

Kees B. heeft daderwetenschap van de politie gekregen.

Het gedrag van Kees B. en dat van verhoorders 4 en 5 tijdens de verhoren na 5 september 2000 en in het

bijzonder tijdens de verhoren waarin Kees B. bekend heeft, had beoordeeld kunnen worden en was toetsbaar

geweest als er audiovisuele opnames waren gemaakt van die verhoren. De verhoorders hadden daarbij

wel in beeld moeten zijn, omdat anders de non-verbale communicatie en de non-verbale druk van de

kant van de verhoorders niet zichtbaar was geweest.

Overigens geeft onderzoek aan dat de cameraopstelling bij videoverhoren van belang is:

“A suspect-focus camera perspective could cause trial fact finders to perceive a videotaped confession

as more voluntary and, more important, could increase their tendency to convict a defendant

on the basis of such evidence. Furthermore, this effect is not easily eliminated. The opportunity

to deliberate, warning observers explicitly of the biasing effect of camera focus, inducing them to

focus more on content, and presenting them with a lengthy, cased-based confession all failed to

curb the point-of-view bias.”82

Kees B. heeft in het interview verklaard dat verhoorder 4, waarschijnlijk in het scenarioverhoor van 3 augustus

2000 (toen werd Kees B. verhoord als getuige met cautie) zijn gedachten heeft laten gaan over wat er

volgens hem in het park gebeurd was of had kunnen zijn, en dat daarbij feitelijke informatie over de gebeurtenissen

in het Beatrixpark ter sprake is gebracht door de politie. Kees B. zegt dat hij elementen van het

verhaal dat hij toen van verhoorder 4 had gehoord, later heeft verwerkt in zijn verklaringen. Het scenarioverhoor

van 3 augustus 2000 is niet opgenomen en de verbalisering van dat verhoor laat te wensen over

(zie Hoofdstuk 7). Het is mogelijk dat dingen die Kees B. in verhoren na 5 september 2000 aan de politie

heeft verteld en die door de politie als daderwetenschap zijn aangemerkt of in elk geval als aanwijzing dat

Kees B. wist wat er gebeurd was, op 3 augustus 2000 ter sprake waren gebracht. Het audiovisueel vastleggen

van de verhoren na 5 september 2000 zou dat probleem niet hebben opgelost. Deze loop van de gebeurtenissen

laat zien dat het opnemen van verdachtenverhoren niet alle problemen voorkomt.

81 Gudjonsson, a.w., p. 619.

82 G.D. Lassiter, M.J. Beers, A.L. Geers, I.M. Handley, P.J. Munhall, P.E. Weiland, ‘Further Evidence of a Robust Point-of-View

Bias in Videotaped Confessions’, in: Current Psychology Vol. 21 (2002), p. 265-288. Zie ook Saul M. Kassin, ‘The Psychology of

Confession Evidence’, in: American Psychologist, March 1997, p. 230.

AUDIOVISUELE VASTLEGGING VAN VERDACHTENVERHOREN

121

8.4 Conclusies

De vraag van dit hoofdstuk is of het iets had uitgemaakt als alle politieverhoren die na de aanhouding van

Kees B. zijn afgenomen, audiovisueel waren vastgelegd. De kans is groot dat het antwoord ‘ja’ is. In elk

geval had de rechter de mogelijkheid gehad om de feiten en omstandigheden die Kees B. naar zijn zeggen

op 9 en 10 september 2000 tot een valse bekentenis hadden gebracht, te zien, te beluisteren en te beoordelen.

Mogelijk hebben de verhorende rechercheurs in het scenarioverhoor van 3 augustus 2000 feitelijkheden

verteld over wat in het Beatrixpark gebeurd was en mogelijk heeft Kees B. die informatie later verwerkt in

zijn bekentenissen, waardoor het leek of hij over daderwetenschap beschikte. In dat geval is de kans op

een bevestigend antwoord van de in de vorige alinea geformuleerde vraag kleiner. Die laatste conclusie

geeft aan dat het van belang is om onder omstandigheden ook andere verhoren dan verdachtenverhoren

op te nemen en het geeft het belang aan van een goede verhoortechniek en een goede vastlegging van

hetgeen gezegd wordt en plaatsvindt in een verhoor.

8.5 Aanbevelingen

Het College van procureurs-generaal is bezig met het opstellen van een OM-aanwijzing voor de audiovisuele

vastlegging van verdachtenverhoren. In de aanwijzing moet ook worden omschreven in welk type zaken

het aangewezen is om meer verhoren dan alleen de verdachtenverhoren – dus ook van het/de slachtoffer(

s) en van getuigen – op te nemen, audiovisueel of tenminste op geluidsband. Neem in de aanwijzing

ook op dat de cameraopstelling zodanig is, dat niet alleen de verdachte (of slachtoffer of getuige) zichtbaar

is, maar ook de verhoorder(s). Bepaal in de aanwijzing iets over de buitenverhoorse contacten tussen verhoorder

en verhoorde.

Vermeld in het proces-verbaal altijd de begin- en eindtijd van een verhoor en van onderbrekingen van het

verhoor en vermeld welke consumpties tijdens het verhoor zijn gebruikt.

AUDIOVISUELE VASTLEGGING VAN VERDACHTENVERHOREN

122

DE OFFICIER VAN JUSTITIE

123

9 DE OFFICIER VAN JUSTITIE

In dit hoofdstuk ga ik in op onderwerpen die de officier van justitie raken:

1. de dossiersamenstelling (waaronder het relaasproces-verbaal);

2. de omgang van de officier van justitie met het onderzoeksteam;

3. de behandeling van de zaak bij de rechtbank, inclusief de rechter-commissaris, waarbij aandacht wordt

besteed aan de wijze waarop de officier van justitie heeft gereageerd op verzoeken van de kant van de

verdediging;

4. het requisitoir van de officier van justitie, en

5. de voorlichtende rol van de officier van justitie aan de rechtbank en de verdediging.

Ik eindig onder punt 6 met aanbevelingen.

9.1 Dossiersamenstelling

9.1.1 Feitelijkheden

Verantwoordelijkheid samenstelling procesdossier

Het Wetboek van Strafvordering kent niet een samenhangend stel van regels waarin wordt uiteengezet wat

wel en niet processtukken zijn, wat wel en niet moet worden toegevoegd aan het procesdossier en wie

verantwoordelijk is voor de samenstelling van het procesdossier. Op grond van het wettelijk stelsel wordt

aangenomen dat de samenstelling van het procesdossier de verantwoordelijkheid is van het Openbaar

Ministerie, in het bijzonder de officier van justitie, en dat het is gehouden daarin alle stukken op te nemen

die redelijkerwijs van belang kunnen zijn, hetzij in voor de verdachte belastende zin, hetzij in voor hem ontlastende

zin.83 “Deze taak is afgeleid van de leidinggevende rol van de officier van justitie in het opsporingsonderzoek

en sluit aan bij de brugfunctie die het openbaar ministerie vervult in de overgang van

vooronderzoek naar eindonderzoek ter zitting.”84 Als een gerechtelijk vooronderzoek is ingesteld, heeft de

RC ten aanzien van de resultaten van het gerechtelijk vooronderzoek de taak om relevante stukken toe te

voegen. De zittingsrechter kan opdracht geven bepaalde stukken toe te voegen aan het procesdossier. De

verdachte en zijn raadsman kunnen een verzoek indienen stukken toe te voegen.

Voorlichting aan de rechter en de verdediging over wat er is gebeurd in het opsporingsonderzoek vindt

primair plaats via het eindproces-verbaal en het daarvan deel uitmakende relaasproces-verbaal. De officier

van justitie is uiteindelijk juridisch verantwoordelijk voor de dossiersamenstelling. Het samengestelde dossier

wordt voorgelegd aan de andere procesdeelnemers. Uitgangspunt moet zijn dat er op kan worden vertrouwd

dat de officier van justitie een dossier heeft aangeleverd dat het mogelijk maakt op basis daarvan op

een verantwoorde en eerlijke manier beslissingen te nemen.

De officier van justitie is bij de invulling van zijn verantwoordelijkheid ten aanzien van de samenstelling van

het procesdossier aangewezen op de politie.

83 HR 7 mei 1996, NJ 1996, 687, m.nt. Schalken; HR 21 januari 1997, NJ 1997, 321; Mr. A.A. Franken, ‘De betekenis van het

dossier in strafzaken’, Aantekeningen voor art. 268 Sv, in: Melai/Groenhuijsen e.a., Het Wetboek van Strafvordering, Deventer:

Kluwer (losbladig); Mr. J.B.H.M. Simmelink en mr. Y.G.M. Baaijens-van Geloven, ‘Vervolging en rechtsbescherming’, in: M.S.

Groenhuijsen & G. Knigge (red.), Het vooronderzoek in strafzaken. Tweede interimrapportage onderzoeksproject Strafvordering

2001, Deventer: Gouda Quint 2001, p. 387.

84 Simmelink en Baaijens-van Geloven, a.w., p. 486.

DE OFFICIER VAN JUSTITIE

124

Soorten dossiers

Ik gebruik de termen onderzoeksdossier, eindproces-verbaal, relaasproces-verbaal en procesdossier. Onder

het onderzoeksdossier versta ik het geheel van documenten en andere stukken dat door het onderzoeksteam

bijeengebracht is naar aanleiding van een strafrechtelijk onderzoek.

Uit het onderzoeksdossier wordt het eindproces-verbaal samengesteld. Dat is het geheel van documenten

(en soms andere gegevensdragers) dat onder verantwoordelijkheid van het Openbaar Ministerie wordt

samengesteld ten behoeve van een rechtszaak. Daarbij wordt een schifting gemaakt tussen wat wel en wat

niet relevant is. Later worden aan het eindproces-verbaal door RC, zittingsrechter en officier van justitie

vaak andere stukken toegevoegd, zoals processen-verbaal die door de RC zijn opgemaakt, deskundigenrapporten

en correspondentie. Het eindproces-verbaal en de aanvullende stukken vormen het procesdossier.

Het relaasproces-verbaal maakt deel uit van het eindproces-verbaal. In het relaasproces-verbaal wordt door

de politie uiteengezet wat de aanleiding was tot het opsporingsonderzoek en wordt inzicht gegeven in het

verloop van het opsporingsonderzoek. Het opstellen van het relaasproces-verbaal is de taak van de pvfunctionaris

of pv-coördinator. Hoewel ik op dit punt in de literatuur niets heb kunnen vinden, lijkt het mij

vanzelfsprekend dat de officier van justitie verantwoordelijk is voor de inhoud en de volledigheid van het

relaasproces-verbaal.

Het onderzoeksdossier van het opsporingsonderzoek door RAG 'Park' was groot. Ik heb in het evaluatieonderzoek

bijna 100 ordners met stukken tot mijn beschikking gekregen. De meerderheid daarvan is onderzoeksdossier.

(De rest bestaat uit stukken die lopende het onderzoek bij de rechtbank en het gerechtshof

zijn gemaakt en toegevoegd en uit interne aantekeningen van bijvoorbeeld de officieren van justitie en advocaat-

generaal.)

Het eindproces-verbaal van RAG 'Park' telt 1925 pagina´s. Het relaasproces-verbaal maakt daarvan deel uit

en telt 93 pagina’s. Lopende de behandeling van de strafzaak bij de rechtbank, en later bij het gerechtshof,

zijn door de RC, de zittingsrechter, de officier van justitie en de AG stukken toegevoegd aan het eindproces-

verbaal, zoals processen-verbaal van de RC van doorzoekingen, processen-verbaal van de RC van

getuigenverhoren, de rapportage van het Pieter Baan Centrum, rapportages van het NFI, stukken van de

benadeelde partijen en correspondentie met de raadsman van Kees B..

Het eindproces-verbaal is op 2 februari 2001 door de politie ingeleverd bij de officier van justitie. Voor die

tijd is door de officieren van justitie, RC en zittingsrechter gewerkt met voorlopige processen-verbaal, die in

RAG ‘Park’ ook ‘Ad informandum pv’s’ werden genoemd. Daarin zaten geen originele stukken maar kopieen.

Dat was zo afgesproken tussen de teamleiding en de officieren van justitie.

Voorlopige processen-verbaal / ad informandum pv’s

Op de volgende data zijn voorlopige processen-verbaal ingeleverd:

- 8 september 2000: proces-verbaal ter gelegenheid van de voorgeleiding van Kees B. aan de RC voor

de toetsing van de inverzekeringstelling. In dit proces-verbaal wordt uiteengezet welke contacten er in

het kader van RAG ‘Park’ tussen de politie en Kees B. waren geweest tot zijn aanhouding op 5 september

2000 en hoe het opsporingsonderzoek op Kees B. was terechtgekomen. Het proces-verbaal

bevat verder de verklaringen van de getuigen die een fiets hadden zien liggen in het gras nabij PD A

(getuigen G 35 t/m G 38) en de verklaringen van de twee getuigen die op de ochtend van 23 juni 2000

een man uit de bosjes van PD A hadden zien komen (getuigen G 54 en G 55). Het bevat verder de

verklaringen van de moeder van Kees B., haar partner en van collega’s van het werk van Kees B. en

DE OFFICIER VAN JUSTITIE

125

de verklaringen die Kees B. had afgelegd in de periode van 5 tot en met 7 september 2000. Verder

wordt aandacht besteed aan de doorzoeking van de woning van Kees B. op 5 september 2000.

- 11 september 2000: proces-verbaal ter gelegenheid van de voorgeleiding van Kees B. aan de RC voor

de vordering inbewaringstelling. Dit proces-verbaal wordt ook wel het Ad informandum pv I genoemd.

In dit proces-verbaal wordt voortgebouwd op het proces-verbaal van 8 september 2000. Het bevat

deels dezelfde stukken. Er wordt nader ingegaan op de gebeurtenissen in het Beatrixpark, de eerste

handelingen van de politie, de sectie, en het letsel bij Maikel. Verder bevat dit proces-verbaal een aantal

verklaringen van personen die in het park waren geweest op 22 en 23 juni 2000. Ook wordt ingegaan

op de verklaringen die Kees B. had afgelegd op 9 en 10 september 2000, voor zover daarvan

tenminste een proces-verbaal bestond op 11 september 2000.

- 13 oktober 2000 (Ad informandum pv II). Dit proces-verbaal bevat veel gegevens over de diverse technische

onderzoeken die hadden plaatsgevonden. Verder bevat het de verklaring van het broertje van

Nienke, achter wie Kees B. zou zijn aangefietst. Het bevat verder de processen-verbaal van het scenario-

verhoor van Kees B. van 3 augustus 2000 en het verdachtenverhoor van 9 september 2000 dat om

22.00 uur was begonnen (zie Hoofdstuk 6). Voorts bevat het veel verklaringen van personen die op 22

juni 2000 in het Beatrixpark waren geweest, van de werkgeefster van Kees B. en van de twee chauffeurs

van de twee Van Gend & Loos wagens die op 22 juni 2000 bij het werk van Kees B. spullen hadden

opgehaald.

- 11 november 2000 (Ad informandum pv III). Dat proces-verbaal bevat (aanvullende) verklaringen van

personen die op 22 juni 2000 in het Beatrixpark waren geweest. Verder bevat het verklaringen van jongeren

uit de woonomgeving van Kees B.. Ook bevat dit proces-verbaal de uitwerkingen van de videoverhoren

van Kees B. op 13 september en 2 oktober 2000.

- 6 december 2000 (Ad informandum pv IV). Dit proces-verbaal bevat de verhoren van de zus en vader

van Kees B. en van een paar vrienden van hem. Het gaat in op het vergelijkend harenonderzoek en

van het gsm-verkeer over Kees B.’s gsm op 22 juni 2000. Verder bevat het de uitgewerkte videoverhoren

van Kees B. van 3 oktober 2000, 5 oktober 2000 en 9 november 2000.

- 12 december 2000 (Ad informandum pv V). Dat proces-verbaal bevat de processen-verbaal van de

politieverhoren van Maikel. Tot die tijd waren die processen-verbaal op vordering van de officier van

justitie door de RC aan de raadsman van Kees B. onthouden, uit vrees dat het onderzoek geschaad

zou worden als die verklaringen eerder bekend zouden zijn bij Kees B. en zijn raadsman.85

De voorlopige processen-verbaal bevatten een aanzienlijke hoeveelheid informatie. Zij maken echter geen

melding van onder meer:

- de verklaringen van de getuigen die op 22 juni 2000 een (enge) man hadden zien zitten op een bankje

op een bankje aan de zijkant van de kinderboerderij (PD C). Die zijn pas bekend geworden aan de

rechtbank en de verdediging toen het eindproces-verbaal werd ingeleverd.

- de verklaringen van de twee ambulancebroeders (G 1 en G 2). Die verklaringen waren van belang voor

de vaststelling van de periode waarin Nienke vermoedelijk was overleden. Dat was weer van belang

voor het tijdpad.

De pv-functionaris

In de RAG-map zitten van een aantal functionarissen binnen een RAG een taakomschrijving. Eén van die

taakomschrijvingen gaat over de pv-functionaris. In die taakomschrijving staat onder meer:

"Het proces-verbaal is het eindstation in een RAG-zaak. Dit produkt moet van hoogwaardige kwaliteit

zijn, zowel qua inhoud alsmede leesbaarheid en vormgeving. Om dit te bereiken wordt in overleg

met de LO/PLO een proces-verbaal funktionaris aangesteld (bij voorkeur iemand van het eigen

district). Hij kiest een zodanige plaats, dat hij in alle rust zijn werkzaamheden kan verrichten."

85 Met uitzondering van vier pagina’s uit het verhoor van Maikel op 4 juli 2000 waarmee Kees B. in een verhoor geconfronteerd

was.

DE OFFICIER VAN JUSTITIE

126

Tot de taken van de pv-functionaris behoren volgens de taakomschrijving het maken van een relaasprocesverbaal,

het maken van een resuméproces-verbaal bij een voorgeleiding, en "het rangschikken van de processen-

verbaal van verhoor, onderzoek en bijlagen, zodat uiteindelijk het proces-verbaal in boekvorm aan

de officier van justitie kan worden overgedragen."

De functie van pv-functionaris in RAG ‘Park’ is tot medio september 2000 uitgeoefend door een hoofdagent

uit het district Schiedam die, voordat hij in het RAG 'Park' kwam, in een aantal grotere onderzoeken (geen

RAG´s) diezelfde functie had vervuld. Omdat deze pv-functionaris voor lange tijd op vakantie was gegaan,

is begin oktober 2000 een nieuwe pv-functionaris aangesteld, een brigadier uit het district Schiedam. Deze

brigadier had wel ervaring opgedaan in eerdere RAG-onderzoeken, onder meer als tactisch coördinator,

maar hij was niet eerder pv-functionaris geweest.

De eerste pv-functionaris heeft de voorgeleidingsverbalen ten behoeve van de voorgeleidingen van Kees B.

aan de RC voor de toetsing van de inverzekeringstelling en de inbewaringstelling samengesteld en het

begeleidende proces-verbaal gemaakt. De tweede pv-functionaris heeft de Ad informandum pv’s II tot en

met V samengesteld en de begeleidende processen-verbaal gemaakt. Verder heeft hij het eindprocesverbaal

samengesteld en het relaasproces-verbaal gemaakt.

De eerste pv-functionaris heeft in het interview gezegd dat hij zelf, de l.o., en mogelijk de officier van justitie

hebben besloten welke stukken deel zouden uitmaken van het voorgeleidingsverbaal ten behoeve van de

voorgeleiding van Kees B. aan de RC voor de inbewaringstelling.

De tweede pv-functionaris heeft zich, zoals gezegd, met de Ad informandum pv’s II tot en met V bezig gehouden,

maar hij was eigenlijk vanaf begin oktober 2000 bezig met het maken van het eindproces-verbaal.

Hij heeft in het interview gezegd dat hij over het eindproces-verbaal veel contact heeft gehad met de

zaaksofficier en de plv. l.o. Hij heeft de zaaksofficier een paar keer een concept toegestuurd van het relaasproces-

verbaal. De tweede pv-functionaris heeft in het interview gezegd dat het gebruikelijk is dat het

uiteindelijke relaasproces-verbaal wordt toegeschreven op de verdachte. Op verzoek van de plv. l.o. heeft

hij passages tekst in het relaasproces-verbaal vet gemaakt.

Blijkens het journaal is op verschillende data overleg geweest tussen teamleiding en officieren van justitie

over de samenstelling van het eindproces-verbaal. Bij een van die gesprekken is afgesproken dat wel melding

gemaakt zou worden van de getuigen die een (enge) man hadden gezien op een bankje. Ook is afgesproken

dat er in het relaasproces-verbaal een opmerking zou komen te staan dat de niet-bijgevoegde

getuigenverklaringen ter inzage lagen op het politiebureau in Schiedam in afwachting van een beslissing

van de officier van justitie.86

De l.o. heeft in het interview gezegd dat het niet zo is dat in het relaasproces-verbaal “moedwillig neutrale

zaken richting Kees B. zijn verdraaid.”

De plv. l.o. heeft in het interview gezegd dat bij het samenstellen van het eindproces-verbaal vooral de pvfunctionaris,

de raio-officier en hijzelf invloed hadden. Hij heeft gezegd dat het doel van het relaasprocesverbaal

was "als spoorboekje te fungeren voor het OM" en dat men ervoor "heeft gewaakt te suggestief te

werk te gaan."

De raio-officier heeft in het interview gezegd dat de teamleiding en de officieren van justitie in algemene zin

aan de tweede pv-functionaris hebben verteld hoe het relaasproces-verbaal eruit moest zien. “De loop van

86 In het relaasproces-verbaal staat niet dat de niet-bijgevoegde processen-verbaal ter inzage liggen.

DE OFFICIER VAN JUSTITIE

127

het onderzoek, andere verdachten en de man op het bankje moesten allemaal vermeld worden in het relaasproces-

verbaal.” Hij meent dat er genoeg stukken in het eindproces-verbaal zijn gevoegd om de rechtbank

een compleet beeld te geven van het onderzoek. Het eindproces-verbaal is weliswaar verdachtegeleid,

maar dat is nou eenmaal het systeem in Nederland, zegt hij.

Het relaasproces-verbaal

Het relaasproces-verbaal is afgesloten op 24 januari 2001. In het relaasproces-verbaal wordt aandacht

besteed aan:

- de omschrijving van het Beatrixpark;

- de PD’s A tot en met D;

- de bevindingen op PD A en het eerste politieoptreden;

- de melding van het misdrijf bij 112;

- het onderzoek van de technische recherche en andere technische onderzoeken;

- de verklaringen van Maikel;

- de man die op vrijdag 23 juni 2000 door getuigen G 54 en G 55 was gezien bij PD A;

- het onderzoek naar verdachte N.;

- Kees B.;

- getuigenverklaringen.

In het relaasproces-verbaal staat onder het kopje ‘Onderzoeksrichtingen m.b.t. het gepleegde misdrijf’:

"Door de leiding van het onderzoeksteam werden een groot aantal onderzoeksrichtingen uitgezet,

waaronder het horen van alle personen die rond het tijdstip van het plegen van het delict in het

Prinses Beatrixpark aanwezig waren en mogelijk relevante informatie konden verstrekken.

In de loop van het onderzoek zijn naar aanleiding hiervan een groot aantal getuigen gehoord, die

voor, tijdens en vlak na het plegen van het misdrijf de PD gepasseerd zijn. Tevens zijn de medewerkers

van de kinderboerderij gehoord. ... Tevens zijn er in de loop van het onderzoek diverse getuigen

gehoord die zich hebben gemeld naar aanleiding van een persbericht dat via de media verspreid

is. ... In de loop van het onderzoek zijn er vanuit de verschillende aangegeven onderzoeksrichtingen

een groot aantal getuigen bij proces-verbaal gehoord. De verklaringen die relevant waren

zijn bij dit proces-verbaal gevoegd. De overige verklaringen blijven vooralsnog, in afwachting

van een beslissing van het openbaar ministerie, aan het bureau van politie te Schiedam."

De getuigenverklaringen zijn in het relaasproces-verbaal en in het eindproces-verbaal ingedeeld in de volgende

groepen:

- medewerkers van de kinderboerderij en personen die op 22 juni 2000 ’s middags de kinderboerderij en

de speeltuin hadden bezocht (getuigen G 7 tot en met G 23);

- getuigen die op 22 juni 2000 een (enge) man op een bankje hadden zien zitten aan de zijkant van de

kinderboerderij (getuigen G 24 tot en met G 28);

- getuigen die voorafgaand aan het delict, dan wel ten tijde van het plegen van het delict waarnemingen

hadden gedaan zonder te beseffen dat er een misdrijf werd gepleegd (getuigen G 29 tot en met G 39);

- getuigen die aanwezig waren geweest op/bij PD A en op/bij brug B (getuigen G 40 tot en met G 53).

Van de getuigenverklaringen die in het eindproces-verbaal zijn gevoegd, worden in het relaasprocesverbaal

samenvattingen gegeven.

Pagina's 47 tot en met 93 van het relaasproces-verbaal zijn gewijd aan Kees B.. Er wordt ingegaan op de

contacten die er geweest zijn tussen Kees B. en de politie voor 5 september 2000, op hoe Kees B. in beeld

kwam, er worden samenvattingen gegeven van de verhoren van Kees B., er wordt aandacht besteed aan

de verhoren van familieleden en vrienden van Kees B. en er wordt uitgebreid ingegaan op het buurtonderDE

OFFICIER VAN JUSTITIE

128

zoek dat in de buurt van Kees B.’s woning had plaatsgevonden in verband met mogelijke contacten op

seksueel gebied tussen Kees B. en minderjarigen.

In het relaasproces-verbaal wordt geen melding gemaakt van het onderzoek naar de neppriester, het onderzoek

naar verdachte R.J., de cameraobservatie op een flat in de S-straat in Schiedam en het tramproject

op tramlijn 1. Ook wordt in het relaasproces-verbaal nauwelijks ingegaan op de vele tips die zijn binnengekomen

en wat daarmee gedaan is.

9.1.2 Beoordeling

Algemeen

In het eindproces-verbaal moeten alle stukken worden gevoegd die redelijkerwijs van belang kunnen zijn,

hetzij in voor de verdachte belastende zin, hetzij in voor verdachte ontlastende zin.

Een relaasproces-verbaal moet op een zakelijke en objectieve manier uiteenzetten wat de aanleiding was

tot het onderzoek en het moet inzicht geven in het verloop van het opsporingsonderzoek. Voor onderzoekshandelingen

en -richtingen die niets hebben opgeleverd is het relaasproces-verbaal de geëigende

plek om daarvan melding te maken; de onderliggende stukken hoeven vaak niet te worden bijgevoegd.

Vaak is het relaasproces-verbaal het eerste stuk dat gelezen wordt in een strafzaak: het geeft immers een

algemeen overzicht van de zaak; daarna kan de verdieping beginnen. Dat onderstreept het belang van een

objectief verhaal.

Onvoldoende aandacht voor andere onderzoekshandelingen en –richtingen in het relaasproces-verbaal

Het relaasproces-verbaal in RAG 'Park' geeft geen goed beeld van het verloop van het opsporingsonderzoek

omdat van diverse onderzoekshandelingen geen melding is gemaakt. Van een aantal daarvan was

vermelding in het relaasproces-verbaal mijns inziens noodzakelijk geweest. Daaronder valt in elk geval het

tramproject dat medio juli 2000 was opgestart naar aanleiding van de melding van de moeder van Maikel

dat Maikel in tramlijn 1 een man had gezien die hij voor 90% herkende als de dader. Dat gaf aan dat Maikel

toen een beeld had van de dader en kennelijk in staat was de dader te herkennen. Het gaf verder een indicatie

voor hoe Maikel zou kunnen reageren bij een confrontatie met de (mogelijke) dader. Ik ben van oordeel

dat informatie over het tramproject om die redenen niet had mogen worden onthouden aan rechter en

verdediging.

Verder vind ik dat in het relaasproces-verbaal meer aandacht besteed had moeten worden aan de tips die

waren binnengekomen naar aanleiding van het verspreide signalement en de informatie die uit andere

bronnen was verkregen, waarbij het signalement als uitgangspunt had gediend, en het vele onderzoek dat

leden van RAG 'Park' hadden verricht naar aanleiding van die tips en die informatie. Dat had in elk geval

duidelijk gemaakt dat, hoe onwaarschijnlijk sommigen het door Maikel gegeven signalement ook vonden, er

tamelijk veel mensen aan voldeden. In dit onderzoek was dat relevante informatie geweest voor de rechter

en de verdediging omdat Kees B. niet voldeed aan het door Maikel gegeven signalement. Ook zou zo duidelijk

geworden zijn dat het onderzoek naar de tips/informatie niet was afgerond.

Ik vind dat in het relaasproces-verbaal in de zaak Kees B. aandacht besteed had moeten worden - en dat

had niet uitgebreid gehoeven - aan de neppriester. Hij was immers verdachte geweest in het

opsporingsonderzoek, zijn telefoon was afgeluisterd en er waren dwangmiddelen op hem toegepast. Ook

had iets gezegd moeten worden over de bovengemiddelde aandacht die had bestaan voor R.J., de man die

een paar keer door leden van RAG ‘Park’ als getuige met cautie was verhoord.

DE OFFICIER VAN JUSTITIE

129

Samenvatting in relaasproces-verbaal onnauwkeurig

In de samenvatting van de getuigenverklaringen is het relaasproces-verbaal niet steeds nauwkeurig. In het

bijzonder als het gaat om de fiets die is gezien, liggend op het gras nabij PD A, zijn er verschillen te zien

tussen de volledige getuigenverklaring en de samenvatting daarvan in het relaas. Die verschillen zijn steeds

in het nadeel van Kees B.. Gelet op het belang van de fiets in de ernstige bezwaren en het bewijs tegen

Kees B., zal ik tamelijk uitgebreid ingaan op de verslaglegging in het relaasproces-verbaal omtrent de fiets.

Er zijn drie getuigen (G 35, G 36 en G 37) die op 22 juni 2000, tussen ongeveer 17.15 en 17.45 uur, een

fiets hebben zien liggen op het gras nabij brug A en PD A.

Getuige G 35 heeft op 23 juni 2000 aan de politie verklaard dat hij bij brug A, in het gras, plat op de grond,

een herenfiets had zien liggen. Het betrof een klassiek model herenfiets. Op 24 juli 2000 wordt deze getuige

nader gehoord over de fiets die hij heeft gezien. In dat verhoor zijn hem drie foto´s van de fiets van Kees

B. getoond. Getuige G 35 verklaart op 24 juli 2000:

"U vraagt mij of ik mij deze fiets nog kan herinneren. Ik weet nog dat het hier om een herenfiets

gaat en waarvan ik mij ook nog meen te herinneren dat het hier om een klassiek model gaat. Ik bedoel

hiermee dat het om een fiets gaat zonder handremmen of versnellingen. Ik heb niet het idee

dat het hier om een nieuwe fiets ging van een goede kwaliteit. U vraagt mij of ik mij de kleur van de

fiets nog kan herinneren maar dat is niet het geval. Ik meen mij te herinneren dat het hier om iets

groens of bruins ging maar dat weet ik niet zeker.

U vraagt mij of ik nog bepaalde bijzondere kenmerken aan deze fiets kan noemen. Dat is niet het

geval. Ik weet ook niet of de fiets op slot stond of iets dergelijks. U toonde mij zojuist een drietal digitale

opnames van een herenfiets. Ik kan u zeggen dat de fiets qua model veel op de fiets lijkt

welke ik op donderdag 22 juni 2000 heb gezien. Ik kan u echter niet met honderd procent zekerheid

zeggen dat dit de fiets is welke ik heb gezien. Verder heeft u mij een foto van een slot getoond.

Ik kan mij dat slot ook niet in combinatie met de fiets herinneren."

Getuige G 36 heeft op 25 juni 2000 het volgende aan de politie verklaard over de fiets die hij op 22 juni

2000 had gezien:

"Het was een oude fiets, ik geloof herenfiets, zonder handremmen of versnelling. Het viel mij op dat

b.v. de handvaten er heel goedkoop uitzagen, zoals dat bij een fiets van 10 jaar terug gebruikelijk

was. Het was zeker geen moderne fiets. Verder viel mij op dat de fiets vermoedelijk niet op slot

stond omdat er een vrij duur slot, zoals je dat ziet bij de duurdere scooters, om de zadelpin onder

het zadel gewikkeld zat. De fiets was metallic grijs van kleur. Ik weet niet wat voor merk die fiets

was maar voor zover ik mij kan herinneren was het zeker geen merkfiets ..... Het was meer zo'n

Taiwanees importproduct, zeg maar een merkloze fiets."

Begin december 2000 zijn aan getuige G 36 twee foto´s van de fiets van Kees B. toegestuurd per e-mail.

Hij was toen voor langere tijd in de Verenigde Staten en werd daarom niet in persoon gehoord. Vervolgens

heeft op 5 december 2000 een telefonisch verhoor van G 36 plaats gevonden. Hij zegt:

"U vraagt mij of ik door U per e-mail gestuurde foto´s heb ontvangen en wat mijn reactie was toen

ik de foto´s zag. Ik kan U zeggen dat ik mij de tering schrok toen ik de foto´s zag. Ik herkende de

fiets op de foto´s als sterk gelijkend op de fiets die ik had omschreven in mijn eerdere verklaring.

Het was de fiets die ik in de berm had zien liggen. U vraagt mij waaraan ik de fiets herken. Ik herken

de fiets in eerste instantie aan de kleur en het model. Opvallend vond ik echter het grote slot

dat rond het zadel zat, het stuur en het iets vergrote zadel. Door deze punten herkende ik de fiets."

Getuige G 37 heeft op 24 juli 2000 een getuigenverklaring afgelegd bij de politie. Getuigen G 36 en G 37

waren op 22 juni ´s middags samen in het park hun honden aan het uitlaten. Aan getuige G 37 zijn in het

verhoor drie foto´s van de fiets van Kees B. getoond. Over de fiets die hij heeft gezien zegt hij:

DE OFFICIER VAN JUSTITIE

130

"Net na de brug zag ik links naast het voetpad een fiets in het gras liggen. ... Ik kan u deze fiets als

volgt omschrijven. Het betrof een herenfiets, grijs van kleur, goedkoop model, geen handremmen,

geen versnellingen in de nabijheid van de handvaten waargenomen, bagagedrager maar weet dit

niet voor 100 % zeker, fiets stond niet op slot. Ik weet haast zeker dat deze fiets niet op slot stond

want ik zag namelijk dat om de zadelpin een slot zat. Het betrof een kettingslot welke geplastificeerd

was en dit was mogelijk kleurloos doorzichtig plastic. Ik weet nog wel dat dit slot meerdere

malen om de zadelpin heen zat gedraaid doch ik kan u niet omschrijven hoe het slot eruit zag. ... U

toonde mij zojuist een aantal afdrukken van een fiets. Ik kan u zeggen dat de fiets grote gelijkenis

vertoont met de fiets welke ik op donderdag 22 juni 2000 in het Beatrixpark te Schiedam heb gezien.

Ik kan u echter niet met volle overtuiging zeggen dat dit de fiets wel is die ik gezien heb maar

ik kan dat ook niet ontkennend beantwoorden. Ik denk dat het de fiets niet is omdat het zeker weten

een ander slot betrof."

In het relaasproces-verbaal wordt als volgt gerapporteerd over de verklaringen van getuigen G 35, G 36 en

G 37. De woorden/passages die hieronder vetgedrukt zijn, zijn in de oorspronkelijke tekst ook vetgedrukt.

Op p. 25:

"Getuige G 35 verklaart, dat hij nabij brug [A] in het gras, plat op de grond, een klassiek model herenfiets

zag liggen. G 35 verklaart, dat de fiets die hij heeft zien liggen geen handremmen of versnellingen

had en leek op de fiets die afgebeeld staat op de aan hem getoonde foto. G 35 verklaart,

dat hij niet voor honderd procent zeker weet of het dezelfde fiets is. (Opm. verbalisant: aan

de getuige werd een foto getoond van de fiets van de getuige/verdachte K. B.)"

Op p. 26/27:

"Getuige G 36 verklaart, dat hij ondermeer nabij de kinderboerderij heeft gelopen en dat hij nabij

brug "A" een oude, grijze herenfiets in het gras zag liggen met om de zadelpin een opvallend duur

slot. ... In een later stadium is de getuige G 36, die inmiddels in de Verenigde Staten verblijft, telefonisch

nader gehoord. Voor dit verhoor zijn er via een e-mailtje een aantal foto´s verstuurd naar de

getuige G 36 waarop de fiets van K. B. stond afgebeeld. Getuige G 36 verklaart, dat hij na het bekijken

van de per e-mail toegezonden foto´s zich de tering schrok, omdat de op de foto´s afgebeelde

fiets sterk gelijkend was op de fiets die hij had omschreven in zijn eerdere verklaring. Hij herkent

de fiets aan de kleur en het model en het opvallende grote slot dat rond het zadel zat. Getuige G

36 zegt, dat hij door deze punten de fiets herkende."

Op p. 27:

"Getuige G 37 verklaart, dat hij bij brug "A", in het gras, een fiets zag liggen en dat dit een grijze herenfiets

was die niet op slot stond. Getuige G 37 verklaart, dat de fiets die staat afgebeeld op de

aan hem getoonde foto grote gelijkenis vertoont met de fiets die hij had zien liggen. (Opm. verbalisant:

aan de getuige G 37, werd een foto getoond van de fiets van getuige, latere verdachte

K. B.)."

Op p. 28:

"Opm. verbalisant: De door de getuigen G 35, G 37 en G 36 waargenomen fiets is gelet op de

omschrijving die deze getuigen van de fiets geven, zeer waarschijnlijk de fiets van de verdachte

K. B.. Gezien de verklaringen van de getuigen G 35, G 36 en G 37, kan worden gesteld

dat het tijdstip dat de fiets daar door getuigen wordt gezien vermoedelijk omstreeks

17.30 uur is gelegen. Met name getuigen G 37 en G 36 zien, dat om de zadelpin van deze

fiets een duur slot zit dat normaliter gebruikt wordt voor scooters. De verdachte K. B. zegt

zelf in één van zijn verklaringen ... die hij nog als getuige aflegt, dat hij een vrij nieuw slot

dat hij voor zijn scooter had gekocht, momenteel gebruikt om zijn fiets op slot te zetten omdat

zijn scooter kapot is. De verdachte geeft in zijn verklaring (V1-4) ... inderdaad toe dat het

zijn fiets is, die daar op de door de getuigen aangewezen locatie gelegen heeft."

Op p . 89:

"Door de getuigen G 35, G 37 en G 36 werd die dag 22/06/2000 rond 17.30 uur op circa 50 meter

van de PD in het gras nabij brug "A" een onbeheerde fiets gezien die niet was afgesloten. Deze

fiets geleek sterk op de fiets van de verdachte K. B.. Getuigen verklaarden bij het tonen van een foto

van de fiets van de verdachte K. B. dat deze fiets daar sterk op leek."

DE OFFICIER VAN JUSTITIE

131

Als de passages in het relaasproces-verbaal waarin wordt weergegeven wat getuigen G 35, G 36 en G 37

hebben verklaard over de fiets worden vergeleken met hun verklaringen, is te zien dat er verschillen zijn.

De weergave in het relaasproces-verbaal is onvolledig en soms onjuist. De verschillen zijn steeds in het

nadeel van Kees B..

Een ander geval van discrepantie tussen de getuigenverklaring en de samenvatting in het relaasprocesverbaal

is het volgende. In het relaasproces-verbaal staat (op p. 47):

"Aan de getuige [G 55] wordt op 28/07/2000 een aantal foto´s van K. B. getoond, alsmede van

diens fiets. De getuige [G 55] verklaart, dat de man afgebeeld op de foto´s hetzelfde postuur heeft

als de man die hij op 23/06/2000 heeft gezien. De op de foto afgebeelde fiets is qua kleur en model

soortgelijk aan de fiets die hij op 23/06/2000 tegen het bankje heeft zien staan."

Getuige G 55 zegt in zijn verklaring van 28 juli 2000:

"U toont mij zojuist een aantal foto’s genummerd 1, 2, 3 en 5. Foto 1. (Opmerking verbalisant foto

voorzijde getuige Kees B.) De man op deze foto heeft het postuur van de man die ik heb gezien in

het Beatrixpark te Schiedam op vrijdagmorgen 23 juni 2000, terwijl ik daar mijn hond liep uit te laten.

Foto 2. (Opmerking verbalisant foto linkerzijde getuige Kees B.) Voor deze foto geldt hetzelfde

als foto 1. Foto 3. Ik ken deze man niet. Overigens had de man die ik heb gezien in het Beatrixpark

korter haar. Foto 5 (opmerking verbalisant: betreft fiets van getuige Kees B.). In mijn eerdere verklaring

bij de politie heb ik gesproken over een fiets tegen een bankje. De fiets op de door u aan mij

getoonde foto is soortgelijk qua kleur en model als de fiets die tegen dit bankje stond.”

Die eerdere verklaring waarover getuige G 55 spreekt, was afgelegd op 26 juli 2000. Toen had getuige G

55 gezegd dat de fiets die hij had gezien een degelijke herenfiets was, met bagagedrager, zonder fietstassen,

en dat hij geen slot op de fiets had gezien.

Weliswaar zaten de volledige verklaringen van de getuigen in het eindproces-verbaal en konden rechter en

verdediging de passages in het relaasproces-verbaal vergelijken met die onderliggende stukken en zo zelf

constateren dat er verschillen waren. Toch kan dat naar mijn mening geen rechtvaardiging vormen voor

een onnauwkeurige en gekleurde weergave.

Suggestieve elementen in het relaasproces-verbaal

Verder is in het relaasproces-verbaal te zien dat op een aantal punten suggestief wordt gerapporteerd, in

het nadeel van Kees B.. Bijvoorbeeld op pagina 31. Daar wordt gesproken over de getuigen die kort nadat

Maikel uit de bosjes was gekomen op/bij PD A en op/bij brug B waren. Aan die getuigen zijn foto’s getoond

van andere getuigen die toen daar waren. Over Kees B. wordt vermeld:

"Opvallend is dat in het vervolgonderzoek waarbij aan diverse getuigen foto´s werden getoond o.a.

van de verdachte K. B., niemand hem herkent als een van de personen die daar ter plaatste was.

Hieruit zou de conclusie getrokken kunnen worden dat K. B. zich afzijdig heeft gehouden. Tevens

is het opvallend, dat K. B. als enige van de als eerste op de PD aanwezige getuigen, niet in de bosjes

is gaan kijken naar het stoffelijk overschot van Nienke."

De eerste zin is niet onjuist, maar door niet te vermelden dat ook veel anderen niet herkend worden door

op/bij PD A of op/bij brug B aanwezige getuigen en door niet te vermelden dat een aantal van die getuigen

zegt dat zij wel iemand hebben gezien die het postuur van Kees B. had, is suggestief gerapporteerd in het

nadeel van Kees B..

DE OFFICIER VAN JUSTITIE

132

De conclusie die wordt getrokken over het zich afzijdig houden is dubieus, want Kees B. belt naar 112.

Overigens kan de vraag worden gesteld of een dergelijke opmerking, die niet een conclusie is op grond van

feiten, in een relaasproces-verbaal thuishoort.

De derde zin is wel onjuist omdat er bij degenen die als eersten bij/op PD A of op/bij brug B waren, meer

personen dan alleen Kees B. zitten die niet naar het lichaam van Nienke zijn gaan kijken (getuige G 41 en

G 42 zijn ook niet gaan kijken). Bovendien wordt gesuggereerd dat het vreemd is dat Kees B. niet de bosjes

is ingelopen, terwijl niet valt in te zien waarom dat vreemd is. (Overigens: verdedigd kan worden dat wanneer

Kees B. de dader was geweest, hij juist wel naar Nienke was gaan kijken en haar misschien ook zou

hebben aangeraakt; dan zou dat de verklaring zijn voor de aanwezigheid van zijn lichaamsmateriaal op het

lichaam van Nienke.)

Ook suggestief is de mededeling op p. 47 van het relaasproces-verbaal: daar staat dat aan de hand van de

zendpaalgegevens van de GSM van Kees B. wordt geconcludeerd dat Kees B. in of in de buurt van het

park geweest moet zijn op de middag van 23 juni 2000, omdat toen dezelfde zendpaal werd aangekozen

als bij het telefoongesprek met 112 op 22 juni 2000. Dat is een gewaagde conclusie, omdat zendpalen een

aanzienlijk bereik kunnen hebben. Voor zover bekend is er geen onderzoek gedaan naar het bereik van de

betreffende zendpaal.

Aan het eind van het relaasproces-verbaal wordt een samenvatting gegeven van feiten en omstandigheden

contra de verdachte Kees B.. In totaal worden 19 punten aangevoerd. Deze samenvatting heeft enigszins

de kenmerken van een requisitoir en hoort mijns inziens niet thuis in een relaasproces-verbaal.

In het relaasproces-verbaal zijn op veel plaatsen woorden of passages in een vette letter weergegeven. In

een aanzienlijk aantal gevallen zijn dat woorden of passages die als belastend voor Kees B. worden geïnterpreteerd.

De vette letter trekt de blik, alsof het wil aangeven dat wat daar staat extra belangrijk is en met

extra aandacht gelezen moet worden. Dat doet afbreuk aan de functie van het relaasproces-verbaal.

In het relaasproces-verbaal staan veel ‘opmerkingen verbalisant’. Soms zijn dat feitelijke toevoegingen die

dienen om de begrijpelijkheid van iets te bevorderen of bevatten zij een feitelijke conclusie. Daar is niets op

tegen. Vaak zijn het echter interpretaties of gevolgtrekkingen van de maker van het relaasproces-verbaal.

Dat hoeft niet erg te zijn, maar er moet wel op worden gelet dat de opmerkingen niet sturen. In het relaasproces-

verbaal van RAG ‘Park’ zijn veel van de ‘opmerkingen verbalisant’ wel sturend en wel in één richting:

dat Kees B. de dader was. Dat doet afbreuk aan de functie van het relaasproces-verbaal.

Wat in het relaasproces-verbaal van RAG ‘Park’ helemaal ontbreekt zijn feiten en omstandigheden die kunnen

worden uitgelegd als contra-indicaties voor de schuld van Kees B.. Naar mijn mening moet ook zulke

informatie terug te vinden zijn in een relaasproces-verbaal.

Eindproces-verbaal

Bij de bestudering van de stukken die niet aan het eindproces-verbaal zijn toegevoegd, heb ik geconstateerd

dat verreweg de meeste stukken die niet zijn toegevoegd, niet relevant zijn voor rechter of verdediging.

Er zijn echter een paar stukken waarbij dat naar mijn oordeel anders ligt.

- In het eindproces-verbaal zitten een aantal verklaringen van mensen die op 22 juni 2000 een enge man

hebben gezien op PD C (getuigen G 24 t/m G 28). In het eindproces-verbaal ontbreekt de verklaring

van getuige Y, die eerder die middag op een andere plek in het park een enge man had gezien. Gelet

op het signalement dat getuige Y heeft gegeven, heeft hij waarschijnlijk dezelfde enge man gezien als

getuigen G 24 t/m G 28.

DE OFFICIER VAN JUSTITIE

133

- Ook ontbreekt de verklaring van het jongetje Q.B., dat rond 18.00 uur met drie vriendjes het Beatrixpark

in fietste en toen een man zag die het park uitliep. Het jongetje heeft verklaard dat de man een pokdalige

huid had. De huidskleur van de man werd door Q.B. omschreven als die van iemand die vaak onder

de zonnebank ligt.

- Kees B. heeft verklaard dat hij op 22 juni 2000, tussen 17.30 en 18.00 uur, in het park, nabij de achteringang

van de kinderboerderij, een Turkse man met kinderen heeft gezien. In het eindproces-verbaal

zit één verklaring van een getuige die op ongeveer dezelfde plek een waarschijnlijk Turkse man met

kinderen had gezien. Niet toegevoegd zijn de verklaringen van vijf andere personen die die middag

rond 17.45-18.00 uur, (een) mogelijk Turkse man(nen) met kinderen hadden gezien. Deze verklaringen

hadden relevant kunnen zijn om de verklaring van Kees B. te ondersteunen en om de tijdlijn in te vullen.

Eén van deze vijf getuigen heeft het, net als Kees B., over een vrouw met een hond. Die verklaring

in het bijzonder had relevant voor de toetsing van Kees B.’s verklaring kunnen zijn. Eén van de andere

vijf (getuige F.D.) heeft het over een blanke man van rond de 50 die om ongeveer 17.50 uur het Beatrixpark

uitfietst. Dat zou kunnen aansluiten bij wat Kees B. heeft gezegd (dat hem toen hij op brug C

stond een kalende, brildragende man van een jaar of 50-60 voorbijfietste (vgl. par. 5.2.1).

- Ook de verklaring van 5 september 2000 van getuige W.B. had opgenomen moeten worden in het

eindproces-verbaal. Hij fietste op 22 juni 2000 rond 17.40 uur langs PD A en heeft het over mannen

met honden. Mogelijk heeft hij het over getuigen G 36 en G 37 die rond die tijd met hun honden bij PD

A lopen. De verklaring van getuige W.B. is ook van belang voor de preciezere plaatsing in de tijd van

het moment waarop getuige G 39 langs PD A fietste en een gesmoorde kreet hoorde vanuit de bosjes.

Aanvankelijk werd gezegd dat deze getuige rond 17.41 uur langs PD A fietste. Later is het tijdstip verschoven

naar ongeveer 17.55 uur. Door de verklaring van getuige W.B. wordt het eerdere tijdstip aannemelijker.

Dat eerdere tijdstip laat zich moeilijk inpassen in de tijdlijn waarin Kees B. de dader is.

- Blijkens het interne politiejournaal is op of rond 13 november 2000 door de politie gesproken met een

medewerkster van het uitvaartcentrum waar het stoffelijk overschot van Nienke naar toe was gebracht.

De medewerkster vertelde tegen de politie dat zij het lichaam van Nienke gedeeltelijk uit de koeling had

gehaald, een latexhandschoen had aangetrokken en daarmee over de wang van Nienke had gestreken.

Verder had de medewerkster gezegd dat er volgens haar gaten in de lijkenzak hadden gezeten.

Zij heeft ook gezegd dat zij een bruin beertje buiten de lijkenzak had gezet. Van dit gesprek is geen

proces-verbaal opgemaakt. Dat had mijns inziens wel gemoeten, omdat deze handelingen van de medewerkster

van het uitvaartcentrum van invloed hadden kunnen zijn op de uitkomsten van het technisch

onderzoek.

- In Hoofdstuk 6 over Maikel heb ik al gezegd dat het pro justitia rapport van deskundige 2 niet bij de

stukken is gevoegd. Ook dat rapport was relevant geweest voor de rechter en de verdediging.

- Het ‘meeluisterproces-verbaal’ (zie Hoofdstuk 6) dat door de wachtcommandant was opgemaakt is

evenmin bijgevoegd.

Ik zeg niet dat als deze verklaringen wél bij de stukken hadden gezeten, de zaak een ander verloop zou

hebben gehad. Maar van de bovenstaande processen-verbaal en andere documenten kan in redelijkheid

niet worden volgehouden dat zij irrelevant waren. Deze stukken zijn op een later tijdstip niet alsnog toegevoegd.

Hoewel velen zich met de dossiervorming hebben bezig gehouden, heeft kennelijk niemand zich de mogelijke

relevantie van die stukken voor de rechter of de verdediging gerealiseerd.

9.1.3 Conclusie

Mijn conclusie ten aanzien van het eindproces-verbaal en het relaasproces-verbaal is dat zij eenzijdig en

onvolledig zijn en op onderdelen suggestieve elementen bevatten. Bij degenen die invloed hadden op en

verantwoordelijk waren voor de dossiersamenstelling en voor het relaasproces-verbaal leefde de overtuiDE

OFFICIER VAN JUSTITIE

134

ging dat Kees B. de dader was. Dat is te zien, want het eindproces-verbaal en het relaasproces-verbaal

laten maar één hypothese zien, namelijk dat Kees B. degene is die de feiten in het Beatrixpark heeft gepleegd.

Handvatten voor andere scenario´s ontbreken bijna geheel. Een aantal voor de rechter en de verdediging

relevante stukken zijn niet toegevoegd aan het eindproces-verbaal en ook later niet door de officier

toegevoegd. Door de onvolkomenheden bij de dossiervorming hebben naar mijn mening rechter en

verdediging zich op onderdelen geen goed beeld van de zaak kunnen vormen.

Ik heb niet de indruk gekregen dat het relaasproces-verbaal met kwade bedoelingen eenzijdig is opgezet of

dat de stukken waarvan ik vind dat ze hadden moeten worden toegevoegd aan het eindproces-verbaal met

kwade bedoelingen niet zijn toegevoegd. Het is niet zo dat men die stukken niet heeft toegevoegd omdat

men inzag dat als de verklaringen zouden worden toegevoegd aan het eindproces-verbaal de onschuld van

Kees B. zou komen vast te staan. Het relaasproces-verbaal is eenzijdig opgezet en bepaalde stukken zijn

niet toegevoegd, omdat het belang van meerzijdigheid en van meer stukken niet werd onderkend. Het belang

werd niet onderkend omdat men ervan overtuigd was dat Kees B. de dader was.

Juist in zaken waarin twijfel kan bestaan over de schuldvraag, is het van belang dat politie en officier van

justitie de rechter en de verdediging een dossier voorleggen dat - minstens in beperkte mate - inzicht geeft

in hetgeen ten behoeve van het onderzoek is verricht, dat nauwkeurig is en dat weliswaar kan zijn toegesneden

op de uiteindelijke verdachte maar dat niet zodanig gestructureerd mag zijn dat elementen van

twijfel aan het oog worden onttrokken.

9.2 Omgang van de officieren van justitie met het onderzoeksteam

9.2.1 Feitelijkheden

In Hoofdstuk 3 is al naar voren gekomen dat de zaaksofficier, en in mindere mate de raio-officier, grote

betrokkenheid hadden bij het onderzoek in de Schiedammer parkmoord. Zij gingen bijna dagelijks naar de

briefings, hadden frequent overleg met de teamleiding en waren van alles op de hoogte. Het was een keus

van de officieren zelf om dagelijks naar de briefings te gaan. Het maakte geen onderdeel uit van een op het

parket afgesproken werkwijze.

Door het onderzoeksteam werd de betrokkenheid van de officieren en de frequente aanwezigheid zeer op

prijs gesteld. Het werd bijzonder gevonden. In veel interviews is dat naar voren gekomen.

De zaaksofficier heeft veel invloed gehad op het verloop van het opsporingsonderzoek. Die invloed is

duidelijk te zien bij hoe werd omgegaan met Maikel en bij de beslissing om na de bekentenis van Kees B. te

stoppen met het onderzoeken van andere onderzoeksrichtingen.

De l.o. heeft in het interview gezegd dat in het onderzoek niets werd gedaan zonder toestemming van de

officier van justitie. Hij heeft ook gezegd dat de officieren onderzoekssuggesties inbrachten, op de hoogte

waren van de werkwijze van het onderzoeksteam en bekend waren met de informatiehuishouding in het

team. De plv. l.o. heeft in het interview gezegd dat de grote betrokkenheid zijns inziens verklaard werd door

de enorme druk die op het onderzoek lag, druk die veroorzaakt werd door de grote angst die heerste in

Schiedam, de ernst van de zaak, de leeftijd van de slachtoffers en de constante aanwezigheid van de pers.

Aan de zaaksofficier is in het interview gevraagd of zij vond dat zij te dicht op het onderzoek had gezeten.

Naar haar mening was dat niet het geval. Zij vond het juist prettig om zoveel mogelijk briefings bij te wonen

en frequent te overleggen met de teamleiding, omdat zij op die manier alle informatie die uit het onderzoek

naar voren kwam uit de eerste hand hoorde.

DE OFFICIER VAN JUSTITIE

135

Bij de stukken waarover ik in het evaluatieonderzoek beschikte, zat een document met de naam ‘Bewijswijzer’.

De bewijswijzer is gemaakt door twee van de analisten van RAG ‘Park’ en is gedateerd op

11 januari 2001. Het stuk is gemaakt voor de officieren van justitie. Het is mij niet bekend op wiens initiatief

het stuk is gemaakt. Het is niet ter kennis gekomen van de rechter of de verdediging. De officieren hebben

er geen gebruik van gemaakt. Ik ga er daarom niet verder op in.87

9.2.2 Beoordeling

De positie die de officier van justitie ten opzichte van de politie in een opsporingsonderzoek moet innemen

is een onderwerp waarover de meningen uiteenlopen. Enerzijds moet er bij de officier van justitie professionele

betrokkenheid zijn en moet hij weten wat in het onderzoek gebeurt. Het onderzoek wordt immers

formeel onder zijn leiding verricht en in elk geval is hij verantwoordelijk voor wat er in het opsporingsonderzoek

gebeurt. 88Anderzijds moet er afstand zijn, omdat de officier van justitie het optreden van de politie

kritisch moet kunnen beoordelen. In de praktijk zijn er veel verschillende manieren waarop officieren van

justitie invulling geven aan hun functie.

Van de kant van de politie wordt intensieve betrokkenheid van de officier van justitie bij het opsporingsonderzoek,

vooral in grote onderzoeken en bij ernstige misdrijven, als vanzelfsprekend beschouwd en (in de

regel) op prijs gesteld.

De vraag hoe de officier van justitie leiding behoort te geven aan het opsporingsonderzoek, wat leiding

geven inhoudt en hoe ver hij moet gaan, zijn vragen waarover binnen het Openbaar Ministerie geen eenduidigheid

bestaat.

Van de Bunt schrijft:89

"De operationele aansturing van concrete onderzoeken door het OM is sterk verbeterd, in die zin

dat officieren van justitie steeds nauwer betrokken zijn bij het verloop van opsporingsonderzoeken

en daarbij ook actief meedenken. ... Er zal wel een juist evenwicht bewaard moeten worden tussen

betrokkenheid en distantie. Immers, de officier heeft mede een controlerende taak die alleen uit de

verf komt als hij een zekere mate van distantie houdt tot het recherchewerk. Een officier die te veel

één wordt met het rechercheteam, verliest zijn toegevoegde waarde."

De zaaksofficier heeft van het begin af met een grote inzet en een grote betrokkenheid jegens het team

opgetreden. Aanvankelijk heeft zij in het managementteam met de raio-officier, de l.o. en de plv. l.o. een

positie ingenomen die weliswaar erg dicht op het team was, maar die in een zaak als de onderhavige niet

onbegrijpelijk was. Het lijkt erop dat vooral de zaaksofficier in de aanvang sterk beïnvloed werd door des-

87 Over het gevaar van een bewijswijzer is wel wat te zeggen. Van een bewijswijzer kan veel sturing uitgaan. Het belicht de zaak

van één kant, namelijk de kant dat de verdachte de dader is. Het gevaar bestaat dat de gebruiker van de bewijswijzer zich richt

op dat document en niet meer de onderliggende stukken bekijkt en niet meer zelf nadenkt over het dossier.

88 In artikel 132a Sv wordt een definitie gegeven van het begrip opsporingsonderzoek. Voor zover hier van belang luidt de definitie:

"Onder het opsporingsonderzoek wordt verstaan het onderzoek onder leiding van de officier van justitie naar aanleiding

van een redelijk vermoeden dat een strafbaar feit is begaan ... met als doel het nemen van strafvorderlijke beslissingen." In

Wetsvoorstel 30 164 tot wijziging van het Wetboek van Strafvordering, het Wetboek van Strafrecht en enige andere wetten ter

verruiming van de mogelijkheden tot opsporing en vervolging van terroristische misdrijven (Kamerstukken II, 2004-205, nr. 2)

wordt voorgesteld de omschrijving van opsporingsonderzoek te wijzigen. Onder meer wordt voorgesteld 'onder leiding van de

officier van justitie' te vervangen door 'onder gezag van de officier van justitie'. In de memorie van toelichting bij dat wetsvoorstel

(p. 16) wordt daarvoor als reden gegeven: "Het element dat het onderzoek onder leiding van de officier van justitie plaatsvindt,

is in de voorgestelde definitie aldus aangepast, dat het gezag van de officier van justitie als kenmerkend voor de opsporing is

opgenomen. Het geldend opsporingsbegrip kan het misverstand doen ontstaan dat de officier van justitie daadwerkelijk in alle

gevallen leiding geeft aan het opsporingsonderzoek. Bij een kortlopend onderzoek ten aanzien van een minder ernstig feit

behoeft dat niet het geval te zijn. De officier van justitie heeft in dat geval niet zozeer de leiding gehad; wel heeft het onderzoek

onder zijn gezag plaatsgevonden.

89 H. van de Bunt, ‘De uitvoering en inrichting van de opsporing’, in: F. Vlek e.a. (red.), Uit Balans: Politie en bestel in de knel.

State-of-the-art van kennis en inzichten, Politie en Wetenschap, 2004. p. 101-120.

DE OFFICIER VAN JUSTITIE

136

kundige 2, hetgeen richting gaf aan de hoofdlijn die in het onderzoek werd gevolgd (de verdenking van

Maikel). Maar deze hoofdlijn stond niet aan het volgen van andere onderzoeksrichtingen in de weg.

In de tweede helft van juli en de eerste helft van augustus 2000 was er een moeilijke periode waarin de

invloed van deskundige 2 op het managementteam kleiner werd omdat ook de verdenking jegens Maikel

minder serieus werd genomen, al duurde het lang eer de onderzoekshandelingen jegens Maikel werden

afgesloten. Er worden dan diverse lijnen gevolgd. Het is niet zo dat de zaaksofficier het onderzoek op Kees

B. toen heeft geforceerd, al was het maar omdat zij aanvankelijk nauwelijks weet heeft gehad van het scenarioverhoor

van 3 augustus 2000 en kennelijk ook zelf gemeend heeft dat het verhoren van Kees B. ertoe

konden dienen dat hij als verdachte zou kunnen worden 'afgestreept'.

Als echter op een moment dat de plv l.o. met vakantie is, Kees B. heeft bekend, lijkt de zaaksofficier de

voorkeur te geven aan een rol die meer neerkomt op het daadkrachtig willen afwerken van de zaak, dan het

kritisch blijven beoordelen van de resultaten. Een aanwijzing daarvoor is de mededeling die zij heeft gedaan

dat je in een onderzoek als dit er vrede mee moet hebben dat je nooit van alles zult weten hoe het zit.

Het is opvallend dat bepaalde processen-verbaal pas geruime tijd na de ambtshandeling worden opgemaakt,

dat de suggestie van de plv. l.o. om toch andere onderzoekslijnen te blijven volgen niet wordt opgevolgd

en dat ook bijvoorbeeld de waarschuwende geluiden van het NFI in de wind worden geslagen. Nagelaten

is opdracht te geven tot het verrichten van aanvullend technisch onderzoek toen vaststond dat van

Kees B. geen sporen waren aangetroffen.90

Ook moet worden vastgesteld dat ondanks de betrokkenheid en het frequente overleg, er belangrijke onderwerpen

zijn waarbij de officieren niet aan de politie opdracht hebben gegeven op een manier op te treden

die de kwaliteit van het onderzoek ten goede zou zijn gekomen. Ik bedoel:

- de confrontaties, die voor zover zij van belang waren voor Kees B. steeds enkelvoudig waren;

- het niet audiovisueel vastleggen van de verhoren van Kees B. vanaf de dag van aanhouding, ondanks

het beeld dat men van Kees B. had;

- de dossiersamenstelling;

- het niet maken van een kritische vergelijking van de verklaringen van Kees B. met die van Maikel en

het niet maken van een overzicht van zwakke punten.

9.2.3 Conclusie

In het opsporingsonderzoek van RAG ‘Park’ zaten de officieren van justitie erg dicht op de politie en op het

onderzoek. In een zaak als de onderhavige is dat niet onbegrijpelijk. Mogelijk is het gebrek aan afstand de

oorzaak van of de verklaring voor de omstandigheid dat de officieren onvoldoende kritisch waren ten aanzien

van het optreden van de politie en van zichzelf, alsmede ten aanzien van de resultaten van het opsporingsonderzoek.

9.3 Behandeling van de zaak bij de rechtbank91

9.3.1 Feitelijkheden

Kees B. is op 8 september 2000 voorgeleid aan de rechter-commissaris voor de toetsing van de inverzekeringstelling.

Op 11 september 2000 is hij voorgeleid aan de RC voor de inbewaringstelling. Op 19 septem-

90 De fase die is voorafgegaan aan de bekentenissen van Kees B. kan de ‘identificatiefase’ worden genoemd, de fase die begint

bij de bekentenissen als de ‘bewijsfase’.

91 Verzoeken tot beëindiging van de voorlopige hechtenis laat ik buiten beschouwing.

DE OFFICIER VAN JUSTITIE

137

ber 2000 heeft de raadkamer zich gebogen over de vordering tot gevangenhouding en op 17 oktober 2000

en 14 november 2000 over de verlenging van de gevangenhouding.

De RC heeft op 11 september 2000 op vordering van de officier van justitie aan Kees B. beperkingen opgelegd.

De beperkingen zijn op 13 november 2000 door de RC opgeheven. De RC beoordeelde elke week of

verlenging van de beperkingen noodzakelijk was. De verdediging heeft op 28 september 2000 een bezwaarschrift

ingediend tegen de opgelegde beperkingen. De raadkamer heeft dat bewaarschrift op 6 oktober

2000 afgewezen.

De verdediging heeft op 30 november 2000 een bezwaarschrift ingediend tegen de onthouding van stukken.

De raadkamer heeft dit bezwaarschrift op 13 december 2000 gegrond verklaard.

Hierna ga ik in op de verzoeken van de kant van de raadsman die hij heeft gedaan op zittingen van de

rechtbank. Ook daarbuiten heeft hij, in brieven, verzoeken gedaan aan de officier van justitie en de RC,

onder meer met betrekking tot het opvragen van gegevens van Kees B.’s kabeltelevisie, de tenuitvoerlegging

van de door de RC opgelegde beperkingen, de inzet van bijzondere opsporingsmethoden, toevoeging

aan het dossier van (delen) van de videoverhoren van Kees B., de luchtfoto’s die op 22 juni 2000 waren

gemaakt vanuit de helikopter, en de stand van zaken bij de onderzoeken die bij het NFI liepen. In correspondentie

tussen raadsman, officieren van justitie en RC is verder gediscussieerd over de wijze van verhoor

van Kees B., een persbericht dat de raadsman op 14 september 2000 had doen uitgaan en een (foto)

confrontatie met Maikel.

Op 7 december 2000 heeft de eerste terechtzitting plaatsgevonden. Dat was een pro forma-zitting. Op die

dag is eerst het door de raadsman van Kees B. ingediende bezwaarschrift tegen de dagvaarding behandeld.

Dat bezwaarschrift is afgewezen door de rechtbank. De raadsman meende dat de rechters die het

bezwaarschrift afwezen, niet de rechters konden zijn die de zaak zouden behandelen. Daarom deed hij een

verzoek tot wraking van de leden van de rechtbank. Dit verzoek is door een wrakingskamer op 7 december

2000 ongegrond verklaard. Daarna kon de pro forma-zitting doorgang vinden. De raadsman heeft verzocht

de behandeling van de zaak achter gesloten deuren te laten plaatsvinden in verband met de bescherming

van de privacy van Kees B.. De officier van justitie verzette zich tegen de inwilliging van dit verzoek omdat

een publiek belang werd gediend met openbaarheid. De rechtbank heeft het verzoek afgewezen omdat er

onvoldoende termen aanwezig waren voor behandeling achter gesloten deuren. Aan het eind van de zitting

heeft de rechtbank de zaak naar de RC verwezen voor nader onderzoek.

Bij brief van 18 december 2000 heeft de raadsman van Kees B. aan de RC gevraagd 20 getuigen te horen,

onder wie deskundige 2, Maikel, de ambulancebroeders, getuigen G 36 en G 37 (zij hadden op 22 juni

2000 nabij PD A in het gras een fiets zien liggen), getuigen G 54 en G 55 (zij hadden op de ochtend van 23

juni 2000 een man bij PD A gezien) en vrienden van Kees B.. Uiteindelijk heeft de RC bijna al deze getuigen

gehoord. De RC heeft zelf het initiatief genomen verhoorders 4 en 5 (de rechercheurs die de meeste

verhoren van Kees B. hadden afgenomen) te horen als getuige. De RC heeft ook Kees B. zelf verhoord. De

verhoren van verhoorders 4 en 5 en van Kees B. spitsten zich toe op de politieverhoren, in het bijzonder die

van 9 en 10 september 2000.

Op 18 januari 2001 heeft de tweede pro forma zitting plaatsgevonden. De officier van justitie deelde mee

dat Kees B. met ingang van 25 januari 2001 naar het Pieter Baan Centrum zou gaan. De rechtbank heeft

de zaak opnieuw naar de RC verwezen voor nader onderzoek. Speciale aandacht werd gevraagd voor de

vraag of de RC kon vaststellen of een verhoor van Maikel door een deskundige op verantwoorde wijze kon

plaatsvinden.92

92 Maikel is op 20 maart 2001 door de rechter-commissaris verhoord, zie Hoofdstuk 6, par. 1.1.

DE OFFICIER VAN JUSTITIE

138

Op 5 april 2001 is een begin gemaakt met de inhoudelijke behandeling van de strafzaak. Op die dag zijn,

op vordering van de officier van justitie, de twee afzonderlijke zaken tegen Kees B. (de een betreffende de

feiten in het Beatrixpark op 22 juni 2000, de ander betreffende zedendelicten met twee minderjarige jongens)

gevoegd. De raadsman had zich tegen voeging verzet omdat de twee zaken zijns inziens geen verband

met elkaar hielden.

Verder zijn op die dag stukken voorgehouden aan Kees B. en is Kees B. ondervraagd door de rechtbank.

Hij heeft onder meer verklaard:

- dat hij bij de politie niet steeds naar waarheid had verklaard, omdat hij onder druk werd gezet door de

verbalisanten;

- dat het klopt dat hij de politie had gezegd dat hij op 22 juni 2000 in het park twee kinderfietsen had

gezien en dat hij het idee had om de kinderen die bij die fietsen hoorden op te zoeken voor een seksuele

handeling, maar dat dat niet de waarheid was;

- dat het niet waar is dat hij op 22 juni 2000 achter een jongetje was aangefietst in het Beatrixpark. Kees

B. zei:

"Ik heb dat verklaard, omdat mijn verhaal in de tijd niet klopte en omdat dat gezien mijn verleden wel

eens waar zou kunnen zijn. Het klopt dat ik een Turkse man met twee kinderen heb gezien. Ik heb hen

zelfs twee keer gezien want ik ben twee keer heen en weer gefietst."

De voorzitter merkte naar aanleiding van het laatste, blijkens het proces-verbaal van de terechtzitting,

op dat Kees B. eerder die zittingsdag had verklaard dat hij rechtstreeks door het park was gefietst;

- dat hij onder druk van de verbalisanten tot een bekentenis was gekomen. De voorzitter zei, blijkens het

proces-verbaal van de terechtzitting, dat Kees B. tijdens de videoverhoren geen spoor gaf van bezwijking

onder de druk van de verhoren. Kees B. erkende dat dat juist was. Hij zei dat hij wist dat zijn advocaat

toekeek en dat alles werd opgenomen op video en dat hij daarom kon volhouden;

- dat hij inderdaad heeft gezegd dat hij op 23 juni 2000 koffie had gedronken bij zijn moeder op het werk

en bij de bank was geweest, en dat hij dat had gezegd omdat hij 'iéts moest zeggen'.

Op de zitting van 5 april 2001 is de DNA-deskundige van het NFI gehoord als getuige-deskundige. De raioofficier

is door de rechtbank in de gelegenheid gesteld om als eerste vragen te stellen aan de getuigedeskundige.

Hij heeft vragen gesteld over de LCN-methode en over het DNA-profiel dat was aangetroffen

op de haar die was gevonden op het bovenbeen van Nienke. De getuige-deskundige zei dat hij niet kon

zeggen of het DNA-materiaal van het haartje wel of niet afkomstig was uit het haartje zelf. In antwoord op

vragen van de raadsman zei de getuige-deskundige:

"In het DNA-materiaal dat is aangetroffen op de laars en in het nagelvuil zijn merkers aangetroffen

die met elkaar overeenkomen en die niet van één van de onderzochte personen zijn. Bij dit materiaal

ging het om ingewikkelde mengprofielen. Gevraagd naar de mate van overeenkomst in beide

profielen kan ik u zeggen dat er minstens op drie verschillende punten, ik noem dat systemen,

overeenkomst was; die overeenkomst werd niet tegengesproken door de overige systemen. In het

DNA-profiel zitten tien verschillende systemen, dus in die zin gaat het niet om een opvallende

overeenkomst. Het nagelvuil is met regulier DNA-onderzoek onderzocht en het materiaal dat is

aangetroffen op de laars is met low-copy onderzoek bekeken."

Op de zitting van 5 april 2001 heeft de zaaksofficier een 'prototype van een stanleymes' en een 'prototype

van een afbreekmes' aan de rechtbank overhandigd. Kees B. zei dat het gele afbreekmes dat hem getoond

werd, gelijk was aan de afbreekmessen die op zijn werk werden gebruikt.

Op de zitting van 5 april 2001 heeft de raadsman een aantal verzoeken gedaan. Per verzoek geef ik aan

wat het standpunt van de officier van justitie was en wat de beslissing van de rechtbank was.

DE OFFICIER VAN JUSTITIE

139

a. De raadsman wilde op een volgende zittingsdag een selectie van de video-opnamen die waren gemaakt

van de verhoren van Kees B. laten zien aan de rechtbank. De raio-officier heeft zich tegen inwilliging

verzet. Hij voerde aan dat het de vraag was of de op video opgenomen verhoren relevant waren,

omdat niet die verhoren ter discussie stonden, maar de verhoren van 9 en 10 september 2000. De

rechtbank heeft het verzoek afgewezen omdat de opgenomen verhoren geen informatie zouden kunnen

geven over de beweerdelijke druk tijdens de verhoren van 9 en 10 september 2000.

b. De raadsman verzocht getuige G 36, aan wie een e-mail was toegestuurd met foto´s van de fiets van

Kees B. te horen. De officier van justitie had geen bezwaar. De rechtbank heeft beslist dat deze getuige

zou worden gehoord.

c. Het verzoek van de raadsman om een anesthesist of intensive care-arts te horen om het vermoedelijke

tijdstip van overlijden van Nienke te preciseren is door de rechtbank ingewilligd. De officier van justitie

had zich niet verzet tegen inwilliging.

d. Verder verzocht de raadsman om bloed- en DNA-onderzoek aan het zakmes van de vader van Maikel.

De officier van justitie achtte zulk onderzoek niet noodzakelijk omdat Maikel had gezegd dat de dader

een soortgelijk mes had. De rechtbank heeft het verzoek afgewezen omdat het verzoek onvoldoende

met redenen was onderbouwd en de verdediging door afwijzing van het verzoek niet in haar belangen

werd geschaad.

e. De raadsman verzocht een daderanalyse te maken. Daarin zouden vragen aan de orde kunnen komen

als: 'pleegt een dader van dergelijke misdrijven op de plaats van het misdrijf te blijven hangen of zal hij

zich zo snel mogelijk uit de voeten maken'. De officier van justitie meende dat het in dit stadium van het

onderzoek overbodig was een daderprofiel op te stellen, 'daar er reeds een verdachte [was]'. De rechtbank

heeft het verzoek afgewezen, omdat het verzoek onvoldoende was onderbouwd en de verdediging

niet in haar belang werd geschaad door afwijzing.

f. Verder verzocht de raadsman onderzoek te doen naar de vraag wat kon worden afgeleid uit het gegeven

dat er aan Maikel relatief oppervlakkige verwondingen waren toegebracht. De rechtbank heeft ook

dit verzoek afgewezen. De officier van justitie heeft - impliciet - te kennen gegeven dat zij in dit verzoek

niks zag.

g. Verder wenste de verdediging dat het telefoongesprek dat Kees B. had gevoerd met 112 zou worden

onderzocht door een psycholoog. In het proces-verbaal van de terechtzitting staat niet wat de officier

van justitie van dit verzoek vond. De rechtbank heeft het verzoek afgewezen, omdat het onvoldoende

was onderbouwd en de verdediging niet in haar belangen werd geschaad door de afwijzing.

h. Het verzoek van de raadsman om de l.o. op een volgende zittingsdag te horen werd toegewezen door

de rechtbank. De officier verzette zich er niet tegen, maar vond wel dat de raadsman dat verzoek eerder

had moeten doen.

Op 15 mei 2001 is de inhoudelijke behandeling van de zaak voortgezet. Op die dag is getuige G 36 gehoord.

Hij heeft onder meer verklaard:

"Toen ik in Amerika was, heeft de politie contact met mij opgenomen via e-mail. Ik neem aan dat zij

mijn e-mail adres van mijn ouders hebben gekregen. Via de e-mail heeft de politie foto's laten zien

van een fiets. Als er al tekst bij stond, was het zeer weinig. Van tevoren ben ik gebeld, dus ik wist

dat ik de e-mail zou ontvangen. Een man belde mij en vroeg of ik de foto's wilde zien en of ik de

fiets herkende. Verder is niets over de fiets gezegd. Hij zal wel gezegd hebben dat het over deze

zaak ging. De foto's waren in kleur, van goede kwaliteit en scherp. Ik meen dat het drie foto's waren

van dezelfde fiets. Toen ik de foto's zag, schrok ik. Dat was namelijk de fiets die ik mij kon herinneren.

Ik wist niet dat de fiets zoveel zou lijken op de fiets die ik mij herinnerde. Het betrof een zilverachtige/

grijze fiets, die redelijk was onderhouden. Het slot was mij heel erg opgevallen toen ik de

fiets in het park zag. Het betrof een hangkettingslot, die voor die fiets erg groot was. Het had een

bromfietsslot kunnen zijn. Het was een lang, erg stevig slot. Ik weet niet meer of het slot van plastic

of metaal was. De kleur kan ik mij ook niet herinneren, wel dat er metaal in zat. Ik weet niet meer of

de beugel koper- en zilverkleurig was. Ik meen dat het een kettingslot was. Later heeft de politie

contact met mij opgenomen. Ik weet niet meer wie aan mij heeft gevraagd of ik de fiets herkende.

DE OFFICIER VAN JUSTITIE

140

Ik heb die vraag bevestigend beantwoord. Ik heb gezegd dat ik de fiets aan het slot herkende. De

voorzitter laat mij de zwart-wit foto zien die zich in het dossier bevindt op pagina 1476 en vraagt mij

of deze foto aan mij is getoond. Deze foto is aan mij getoond, alsmede een foto van het kettingslot

alleen. Ik weet niet of er op de foto stond "foto fiets verdachte K. B.", dat zou goed kunnen."

Op 15 mei 2001 is ook de l.o. gehoord als getuige. Hij heeft verklaard over hoe het onderzoek op Kees B.

terecht was gekomen, waarom Kees B. op 17 juli 2000 de cautie heeft gekregen, en over de observaties op

29 en 30 augustus 2000. Verder heeft hij verklaard over de verhoren in het weekend van 9 en 10 september

2000 en de late verbalisering van het verhoor van 9 september 2000, 22.00 uur.

Ter zitting, vóór het pleidooi, heeft de raadsman verzocht de zaak aan te houden ten einde DNA-onderzoek

te doen aan de plakrand van een anonieme brief die hij had ontvangen met informatie over de zaak Kees

B.. Verder gaf hij aan dat bij de verdediging de behoefte bestond aan contra-expertise naar aanleiding van

het rapport van het Pieter Baan Centrum. Tevens vroeg de raadsman om na te gaan of er een verband

bestond tussen de Schiedammer parkmoord en een overval die gepleegd zou zijn door een man wiens

signalement sterk leek op het signalement dat Maikel van de dader had gegeven. De zaaksofficier was van

mening dat de zaak niet moest worden aangehouden en verzette zich tegen inwilliging van de verzoeken.

De rechtbank heeft op 15 mei 2001 beschikt dat geen opdracht tot contra-expertise op het PBC-rapport

werd gegeven. Ook zijn de twee andere verzoeken afgewezen, omdat er geen feiten en omstandigheden

waren die een anonieme brievenschrijver en de overvaller in verband brachten met de feiten waarvoor

Kees B. werd vervolgd.

Op het requisitoir van de officier van justitie ga ik hierna in.

De raadsman heeft op 15 mei 2001 zijn pleidooi gehouden. Hij bepleitte dat het OM niet ontvankelijk verklaard

moest worden vanwege:

- het weren van de raadsman bij de politieverhoren van Kees B. op 9 en 10 september 2000;

- het weglaten van essentiële informatie uit het (voorgeleidings-) proces-verbaal, namelijk de verklaringen

van de twee ambulancebroeders;

- misleiding door het OM op het punt van de traumatisering van Maikel;

- het ontbreken van objectiviteit ten aanzien van het bewijs. De raadsman stelde:

"Het is de verdediging in deze zaak opgevallen dat bij het opsporingsonderzoek geen sprake is geweest

van objectiviteit ten aanzien van het vermeende belastende en ontlastende bewijsmateriaal. Ontlastend

materiaal is veelal eenvoudigweg ter zijde geschoven. Tot het vermeende belastende materiaal

bestond weinig afstand. Men kan zonder meer beweren dat de beoordeling suggestief was in de richting

van mijn cliënt."

De raadsman haalde als voorbeeld aan dat de verklaringen van G 35, G 36 en G 37 over de fiets die zij in

het gras nabij PD A hadden zien liggen onjuist waren weergegeven door de officieren van justitie; de onduidelijkheden

over de verhoren van 9 en 10 september 2000 en de wijze waarop Kees B. verhoord was. Hij

voerde aan dat de ontkenningen van Kees B. en het gooien met de monitor ten onrechte niet (direct) geverbaliseerd

waren en hij wees op de late verbalisering van het verhoor van 9 september 2000, 22.00 uur.

De raadsman betoogde:

"Wat zich hier heeft afgespeeld is van groot belang. De verdediging en de rechter(-commissaris)

hebben met medeweten, wellicht zelfs door toedoen van het openbaar ministerie geen volledig inzicht

gekregen in wat ... in het weekeinde van de verlengde inverzekeringstelling heeft plaatsgevonden.

Bij herhaling is te horen geweest dat mijn cliënt nadat hij met mij gesproken had is gaan ontkennen.

Dat is dus niet het geval. Cliënt heeft zelf bij herhaling aangegeven het feit niet te hebben gepleegd

in een periode dat hem rechtskundige bijstand door de officier was onthouden. Dat werd

echter niet geverbaliseerd.

DE OFFICIER VAN JUSTITIE

141

De later op video opgenomen verhoren doen het ergste vrezen. De verbalisanten die beweren

'voorzichtig met Kees te zijn omgegaan' geloof ik niet. In ieder geval hebben zij naar alle waarschijnlijkheid

een ander idee van een in alle vrijheid afgelegde verklaring dan ik.

Bij de zeer langdurige videoverhoren wordt duidelijk dat wordt gezocht naar zwakke plekken in de

psyche van cliënt. Zo zijn onder meer de broze relatie met zijn ouders, zijn jeugd, zijn uit huis geplaatste

katten geliefde onderwerpen. Ook tijdens de verhoren in het bewuste weekeinde zijn dergelijke

gespreksonderwerpen aangesneden.

Cliënt was voor het eerst in aanraking met politie en justitie en werd verdacht van één van de

meest gruwelijke misdrijven denkbaar. En hij voelde zich al onzeker en schuldig over zijn seksuele

leven tot op dat moment. Daarvoor wenste hij ook hulp. Hij heeft ... alles verteld wat hij wist. De rechercheurs

wilden echter meer horen en gingen door met vragen stellen. Tot cliënt bezweek. Hij

vertelde meer dan hij wist.

In deze zaak is men, de verdediging kan het niet anders zien, begonnen met het onder druk zetten

van de verdachte om een bekentenis te verkrijgen in de veronderstelling dat het overige bewijs wel

zou volgen. Dat volgde evenwel niet. Vrijwel al het overige materiaal wijst overduidelijk in de richting

van zijn onschuld. Het openbaar ministerie heeft met inzet van alle middelen (geoorloofde en

ongeoorloofde) geprobeerd het eigen gelijk, waarin het ten onrechte is gaan geloven, aan zijn zijde

te krijgen."

Na de niet-ontvankelijkheidsverweren is de raadsman uitgebreid ingegaan op het bewijs dat er tegen Kees

B. was of zou zijn. Hij kwam tot de conclusie dat er onvoldoende wettig en overtuigend bewijs was om tot

een veroordeling van Kees B. te komen.

Op 29 mei 2001 heeft de rechtbank het vonnis uitgesproken waarbij Kees B. schuldig werd bevonden aan

de feiten die aan hem waren tenlastegelegd en werd veroordeeld tot een lange gevangenisstraf en TBS.

9.3.2 Beoordeling

De relatie tussen de raadsman en de officieren van justitie in dit onderzoek was niet goed. De kiem voor die

slechte verhouding is vermoedelijk gelegen in het feit dat de zaaksofficier het niet goed had gevonden dat

de raadsman aanwezig was bij de politieverhoren van Kees B. in het weekend van 9 en 10 september

2000. De spanningen liepen verder op toen de raadsman op 14 september 2000, tijdens de beperkingen,

een persbericht deed uitgaan.

De meeste verzoeken van de raadsman zijn door de officieren, RC of zittingsrechter gehonoreerd.

9.3.3 Conclusie

Uit de correspondentie die in het dossier zit en uit de interviews komt naar voren dat de verhouding tussen

de verdediging en de officieren van justitie, in het bijzonder de zaaksofficier niet goed was. Ik heb de indruk

dat de officieren niet van harte gehoor gaven aan verzoeken die voor de zitting door de verdediging werden

gedaan.

Het lijkt erop dat de (tamelijk jonge) zeer gedreven advocaat zeker vanaf het moment dat hem geen toegang

tot de verhoren werd verleend in het weekend van 9/10 september 2000 voor een tamelijk confronterende

benadering heeft gekozen. De zaaksofficier heeft zich in deze procesbenadering laten meeslepen en

was er daarmee minstens ten dele ook verantwoordelijk voor. Hoewel sommigen deze procesopstelling als

zuiverend beschouwen - uit de ‘choc des opinions’ zou de waarheid boven komen - heeft deze hier eerder

aan het bemoeilijken van de waarheidsvinding bijgedragen.

DE OFFICIER VAN JUSTITIE

142

9.4 Requisitoir

9.4.1 Feitelijkheden

Ik heb er van afgezien het requisitoir van de zaaksofficier bij te voegen bij het rapport. De inhoud daarvan is

overigens terug te vinden in het boek van Van Koppen93, in wiens beschrijving ik mij kan vinden. In het navolgende

geef ik een beoordeling van een aantal mijns inziens relevante aspecten van het requisitoir.

9.4.2 Beoordeling

Een aantal punten in het requisitoir valt op.

In het requisitoir zegt de officier van justitie dat Kees B. heeft gezegd dat hij nooit voor 17.45 uur van zijn

werk vertrok. Dat is niet juist. Weliswaar heeft Kees B. de tijd waarop hij op 22 juni 2000 van zijn werk was

vertrokken verschoven, maar hij heeft verklaringen afgelegd waarin hij een vertrektijd noemt die voor 17.45

uur ligt. Overigens zegt de officier in het requisitoir ook dat Kees B. de tijd waarop hij van zijn werk is vertrokken

steeds aanpast: variërend van half zes à tien over half zes tot kwart voor zes à tien voor zes.

Op een aantal punten waarvan te verwachten was dat de raadman daarop zou ingaan in zijn pleidooi en dat

de rechtbank daarover iets zou moeten vinden is de officier ingegaan. Dat zijn de mogelijke problemen

rondom de vrijwilligheid van de bekentenissen van Kees B. en het punt dat Kees B. niet leek op het signalement

dat Maikel van de dader had gegeven.

De officier gaat echter niet in op de verschillen tussen de verklaringen van Kees B. onderling en de verschillen

tussen de verklaringen van Maikel en die van Kees B..

Waar de officier van justitie nauwelijks op ingaat is het aantreffen van het DNA-profiel van een onbekende

man in het nagelvuil en op de wreef van linkerlaars van Nienke. De officier gaat wel in op de afwezigheid

van sporen van Kees B. op de PD. Dat is niet ontlastend, maar belastend volgens de officier: als dader

weet Kees B. immers dat hij geen sporen had achtergelaten.

Waar de officier niets over zegt zijn de confrontaties. Alle confrontaties die belastend waren voor Kees B.

waren enkelvoudig. De resultaten van enkelvoudige confrontaties zijn weliswaar niet onbruikbaar voor het

bewijs, maar de bewijskracht is minder dan de resultaten van meervoudige confrontaties. Bovendien was

de herkenning door getuige G 54 niet een 100% herkenning, maar een herkenning van 85-90%. Het had

voor de hand gelegen als de officier had uiteengezet waarom zij van oordeel was dat aan deze confrontaties

wel waarde gehecht kon worden. Dat was met name bij enkelvoudige confrontaties met de fiets wenselijk

geweest, gelet op het belang van de herkenning van de fiets in de bewijsconstructie.

Over de problemen die er met de tijdlijn waren en het niet kloppend krijgen van de tijdlijn is de officier van

justitie impliciet ingegaan. Zij heeft namelijk een aantal tijdstippen niet vermeld in het requisitoir: het tijdstip

van 17.15 uur waarover Maikel het heeft, en het tijdstip waarop getuigen G 36 en G 37 een fiets in het gras

nabij PD A hadden zien liggen. Verder zit er een tegenstrijdigheid in het requisitoir: de officier gaat ervan uit

dat Kees B. achter het broertje van Nienke is aangefietst toen die op zoek was naar Nienke en Maikel. Als

dat inderdaad zo was, dan kan Kees B. niet de dader geweest zijn.

93 P.J. van Koppen, De Schiedammer parkmoord. Een rechtspsychologische reconstructie, Nijmegen: Ars Aequi Libri, 2003, pp.

113-116 en 125-134.

DE OFFICIER VAN JUSTITIE

143

De zaaksofficier zegt dat Kees B. er alles aan gedaan heeft om zo onopvallend mogelijk te zijn na de ontdekking

van het feit en dat hij zich in tegenstelling tot anderen afzijdig hield. De officier zegt ook dat maar

één andere getuige Kees B. herkent op foto´s van mensen die op 22 juni 2000 rond 18.00 uur op/bij PD A

en brug B zijn geweest. Onvermeld blijft dat een aantal getuigen zeggen dat zij wel een man hebben gezien

met het postuur van Kees B.94 en dat veel getuigen van die avond elkaar niet meer herkenden bij diverse

fotoconfrontaties. Het is naar mijn mening de vraag of Kees B. zich afzijdig heeft gehouden. Kees B. heeft

112 gebeld. Blijkens de historische telefoongegevens van Kees B.’s gsm hadden de gesprekken met 112

en de Rotterdamse meldkamer een duur van 129 seconden.95 In die ruim twee minuten kon Kees B. in elk

geval weinig doen. Kees B. heeft niet geholpen met het losmaken van de veter om de nek van Maikel, omdat

daar al twee mensen mee bezig waren. Hij is niet de bosjes ingegaan, maar dat hebben meer mensen

niet gedaan en is op zichzelf niet vreemd. Tenslotte: Kees B. is zelf naar brigadier S. gegaan om zijn personalia

te geven: als hij onopvallend had willen blijven zou hij dat niet gedaan hebben; veel van de overige

aanwezige getuigen hebben hun personalia niet op dat moment aan de politie gegeven en dat is kennelijk

niet opgevallen. De politie heeft bij een aantal van hen moeite moeten doen achter hun identiteit te komen.

De officier geeft een uitleg aan de houding en de gemoedstoestand van de verdachte op de avond van de

moord en de dagen erna. Door vrienden van de verdachte en zijn moeder was verklaard dat Kees B. erg

van streek was door de gebeurtenissen in het park. De officier zegt: "Als de verdachte echt onschuldig zou

zijn is het absoluut onduidelijk waarom hij zo van streek was. De enkele aanblik van een bloot jongetje zou

toch een geheel ander effect op hem moeten hebben." De officier concludeert in haar requisitoir: "de gemoedstoestand

van de verdachte op de avond van 22 juni en de week erna past niet bij die van iemand die

slechts getuige is geweest van de aanblik van een bloot jongetje." De zaaksofficier suggereert hiermee iets

wat ik ‘onsportief’ vind jegens Kees B.. Bovendien had Kees B. wel de hectiek op/bij brug B meegemaakt,

hij had onder meer gezien dat de moeder van Nienke daar was en had waarschijnlijk opgevangen wat gezegd

werd door mensen die de bosjes op PD A waren ingelopen. Verder blijkt uit de stukken waarover ik

beschikte in het evaluatieonderzoek dat meer mensen het moeilijk hadden met de gebeurtenissen van 22

juni 2000.96 Voor een deel waren dat mensen die niet de bosjes waren ingegaan en Nienke niet hadden

gezien.

9.4.3 Conclusie

Een requisitoir hoeft geen toonbeeld van afstandelijkheid of genuanceerdheid te zijn. Maar als de processtukken

eenzijdig zijn samengesteld, en naarmate er meer punten van twijfel zijn, ligt het meer op de weg

van de officier om voorlichting te geven aan de rechtbank over de zaak. Lopende de behandeling van de

zaak door de rechtbank zijn die twijfels aan de orde gekomen. Zelfs als de zaaksofficier van justitie al die

twijfels onzin vond had het, vind ik, op haar weg gelegen voorlichting te geven. Daar heeft het hier deels

aan ontbroken.

Het requisitoir van de officier van justitie en het pleidooi van de raadsman zijn op dezelfde dag gehouden.

Het lijkt mij dat in een zaak als deze het verstandiger is tussen requisitoir en pleidooi enige tijd te laten verstrijken,

zodat de raadsman beter kan ingaan op wat door de officier naar voren was gebracht. Zonodig had

ook tussen pleidooi en repliek een korte tijd kunnen zitten.

94 Getuigen G 40, 43, 44, 46 en 53.

95 Zie Hoofdstuk 5, noot 47.

96 Getuigen G 13, 40, 43, 47, 48.

DE OFFICIER VAN JUSTITIE

144

9.5 De voorlichtende rol van de officier van justitie aan de rechtbank en de verdediging

9.5.1 Feitelijkheden

Voor de feitelijkheden over de dossiersamenstelling verwijs ik naar wat daarover in paragraaf 1 van dit

hoofdstuk staat.

In het relaasproces-verbaal, het procesdossier en het requisitoir van de zaaksofficier wordt de aanwezigheid

van deskundige 2 bij de studioverhoren van Maikel niet verzwegen. Maar over de rol en werkzaamheden

van deskundige 2 zou de officier van justitie meer informatie hebben kunnen geven, vind ik.

9.5.2 Beoordeling

Voorlichting over het opsporingsonderzoek aan de rechter en de verdediging vindt primair plaats via het

eindproces-verbaal en het relaasproces-verbaal dat daarvan deel uitmaakt. Daarnaast kan de officier van

justitie lopende het onderzoek stukken laten toevoegen aan het dossier of informatie verstrekken over relevante

punten.

Ik heb hierboven al gezegd dat ik vind dat de officier van justitie onvoldoende invulling heeft gegeven aan

haar taak via het eind- en relaasproces-verbaal voorlichting te geven.

Verder had de zaaksofficier naar mijn oordeel de twijfels die, naar zij sinds in ieder geval 10 juli 2001 wist,

bij medewerkers van het NFI leefden over de betrokkenheid van Kees B. niet voor zich moeten houden. Zij

had die informatie ter kennis van de verdediging en een AG moeten brengen. De medewerkers van het NFI

hebben in de interviews gezegd dat zij in duidelijke bewoordingen hun twijfels over de betrokkenheid van

Kees B. bij de strafbare feiten hebben kenbaar gemaakt. Zelfs al was de zaaksofficier na afloop van het

gesprek van mening dat zij niets nieuws had gehoord of dat de twijfels van de NFI-medewerkers ongefundeerd

waren en dat de zaak tegen Kees B. sterk was, dan nog vind ik dat zij met het oog op de ‘fairness’

van de strafrechtelijke procedure iets had behoren te doen met de twijfels waarvan zij deelgenoot was gemaakt.

Als dat gedaan zou zijn, was het tenminste mogelijk geweest een discussie over de gegrondheid of

ongegrondheid van de twijfels te voeren. Als de zaaksofficier inderdaad van mening was dat de zaak tegen

Kees B. zo sterk was, had zij die discussie met vertrouwen tegemoet kunnen zien.

De bijzonderheid van de bijeenkomst op het NFI – het gesprek was tot stand gekomen door tussenkomst

van een procureur-generaal en voor het NFI was het een unieke gebeurtenis – hadden reden temeer moeten

zijn geweest om iets te doen met de twijfels van de medewerkers van het NFI.

9.5.3 Conclusie

De opstelling van de zaaksofficier van justitie werd bepaald door haar overtuiging dat Kees B. de dader

was. Haar opstelling was niet objectief en kritisch. Daardoor is relevante informatie niet onder de aandacht

van de rechter en de verdediging gekomen..

9.6 Aanbevelingen

Betrokkenheid van de officier van justitie bij een opsporingsonderzoek is goed, maar de taak van de officier

van justitie brengt mee dat het afstandelijke betrokkenheid blijft. De kwaliteit van de opsporing en de vervolging

wordt meer gediend als politie en justitie in hun (nauwe) samenwerking ieder hun eigen rol vervullen

dan wanneer de officier van justitie één wordt met de politie. De vraag hoe de officier van justitie leiding

DE OFFICIER VAN JUSTITIE

145

behoort te geven aan het opsporingsonderzoek wordt binnen en buiten het OM niet eenduidig beantwoord.

Het verdient naar mijn mening aanbeveling hiervoor nadere kaders vast te stellen opdat duidelijk wordt wat

het gezag over de opsporing inhoudt en ook wat dit niet inhoudt. Ook in de opleiding van officieren van

justitie zal nadrukkelijk(er) aandacht besteed moeten worden aan de noodzaak van het bewaren van voldoende

distantie en hoe dit in de praktijk gerealiseerd kan worden.

Louter op grond van deze zaak kan gezegd worden dat een onderscheid tussen de identificatiefase en de

bewijsfase in het onderzoek richting kan geven aan de invulling van de verschillende taken van de officier

van justitie in een opsporingsonderzoek. In de identificatiefase kan de officier van justitie van betrokkenheid

blijk geven, mits dit niet ten koste gaat van de kritische distantie ten aanzien van de toepassing van

dwangmiddelen en evenmin van de kritische distantie die noodzakelijk is in de fase waarin de zaak wordt

rijp gemaakt voor de zitting.

In opsporingsonderzoeken waarin de politie volgens de TGO-structuur werkt, heeft de leiding van het arrondissementsparket

de verantwoordelijkheid maatregelen en voorzieningen te treffen waardoor het mogelijk

is (in een vroeg stadium) eventuele onvolkomenheden in het opsporingsonderzoek of het optreden van

de zaaksofficier te herstellen of te voorkomen en om zonodig bij te sturen. Eén van de manieren is het tijdig

organiseren van één of meer OM-reviews lopende het onderzoek. De wijze van review moet nader worden

ingevuld. Hiertoe kan de bestaande ‘Aanwijzing tweede beoordeling (‘second opinion’) opsporingsonderzoeken’

worden aangevuld of er kan een nieuwe aanwijzing worden gemaakt. Het verdient aanbeveling om

parallel aan de ontwikkelingen bij de politie bij TGO-zaken, binnen het Openbaar Ministerie een pool van

reviewers in te stellen en op te leiden.

Het eindproces-verbaal en het relaasproces-verbaal zijn belangrijke producten van een opsporingsonderzoek.

Via die documenten wordt aan de rechter verantwoording afgelegd over het opsporingsonderzoek. Bij

de beeld- en oordeelsvorming spelen die processen-verbaal een belangrijke rol. Daarom moeten deze processen-

verbaal met zorg worden samengesteld. De cursus Dossiervorming die op de Politieacademie wordt

gegeven97 biedt een basis voor de functie van pv-coördinator en moet verplicht gesteld worden voor degenen

die deze functie hebben in grote onderzoeken.

Het relaasproces-verbaal moet zoveel mogelijk feitelijk van aard zijn. Conclusies en veronderstellingen over

de schuld van de verdachte horen in beginsel niet thuis in het relaasproces-verbaal. Aan de functie van het

relaasproces-verbaal moet in opleidingen van de politie aandacht worden besteed.

Wees bij de samenstelling van het eindproces-verbaal niet benauwd met het toevoegen van stukken. Rechter

en verdediging zien wellicht wél relevantie in stukken waarin degenen die zich met de dossiervorming

bezighouden geen relevantie zien.

Van de kant van het OM moet aandacht zijn voor de volledigheid en juistheid van het eindproces-verbaal en

het relaasproces-verbaal. Dat geldt in het bijzonder ten aanzien van de vraag of stukken of gegevens die

als ontlastend beschouwd zouden kunnen worden, bekend zijn bij de overige procesdeelnemers. Het verdient

aanbeveling aan dit punt aandacht te besteden in een (SSR-)cursus.

97 Zie A. Huijbrechts, ‘Van ondergeschoven kindje naar spilfunctie. Cursus zet dossiervormer in schijnwerper’, in: Recherche

Magazine 2004, nr. 5, p. 18.

DE OFFICIER VAN JUSTITIE

146

In het algemeen moet bij het OM het besef leven dat de rechter en de verdediging voor een goede beoordeling

en uitspraak respectievelijk een goede verdediging, deels zijn aangewezen op informatie van het

OM.

DE ADVOCAAT-GENERAAL

147

10 DE ADVOCAAT-GENERAAL

In dit hoofdstuk ga ik in op de behandeling van de strafzaak tegen Kees B. in hoger beroep. Ik zal daarbij

vooral aandacht besteden aan de rol van de advocaat-generaal (AG).

10.1 Feitelijkheden

10.1.1 Algemeen

Op 29 mei 2001 heeft de rechtbank in Rotterdam Kees B. schuldig bevonden aan alle aan hem tenlastegelegde

feiten. Op 6 juni 2001 heeft Kees B. hoger beroep ingesteld. Op 24 juli 2001 is het hoger beroep partieel

ingetrokken, namelijk ten aanzien van feit 5. Het hoger beroep is behandeld door het gerechtshof in

Den Haag. Op 9 november 2001, 7 december 2001, 21 december 2001, 13 februari 2002, 18 februari 2002,

20 februari 2002, 22 februari 2002 en 8 maart 2002 hebben zittingen bij het gerechtshof plaatsgevonden.

Op 9 november 2001 heeft een pro forma-behandeling van de zaak plaatsgevonden. Op 7 december 2001

zijn op een zogenaamde regiezitting nadere onderzoekswensen van de kant van de verdediging besproken.

Op 21 december 2001 heeft het hof de beslissingen op de verzoeken van de verdediging kenbaar gemaakt.

De inhoudelijke behandeling van de zaak was op 13, 18, 20 en 22 februari 2002. Op laatstvermelde datum

heeft de advocaat-generaal haar requisitoir gehouden en heeft de raadsman van Kees B. gepleit. Op 8

maart 2002 heeft het gerechtshof uitspraak gedaan.

De AG die namens het OM optrad bij het hof was een ervaren lid van het OM. Als officier van justitie en als

AG had zij een brede en lange ervaring. De AG was door haar toenmalige unithoofd op het Haagse ressortsparket

gevraagd als AG op te treden in deze zaak. Dat is pas gebeurd nadat hoger beroep was ingesteld.

Tijdens het opsporingsonderzoek of de behandeling van de zaak bij de rechtbank zijn er geen contacten

geweest tussen de zaaksofficier en de AG.

De AG had ondersteuning van een juridisch medewerker van het ressortsparket. Hij werkte sinds medio

1999 op het ressortsparket. De AG heeft met hem regelmatig over de zaak gesproken. Zij heeft ook met de

zaaksofficier en met collega-AG´s over de zaak gesproken. Tussen de AG en de l.o. en/of plv l.o. hebben

geen contacten plaatsgevonden.

De AG heeft in het interview gezegd dat het haar vanaf het begin duidelijk was dat het geen gemakkelijke

zaak zou worden: het ging om gruwelijke feiten, er was veel media-aandacht, er was veel maatschappelijke

beroering ontstaan door de feiten, er was geen technisch bewijs tegen Kees B. en Kees B. was teruggekomen

op zijn bekentenis. Het gedrag van Kees B. ter zitting (de zittingzaal verlaten als het te confronterend

werd) heeft bijgedragen aan de overtuiging van de AG dat Kees B. de dader was. In dit verband merk ik op

dat een aantal geïnterviewden, namelijk de ouders van Nienke, hun advocaat, en de vader van Maikel,

onafhankelijk van elkaar hebben gezegd dat voor zover zij vóór de zitting bij de rechtbank twijfels hadden

over de schuld van Kees B., die twijfel verdween naarmate zij Kees B. vaker op zitting meemaakten.

De AG heeft in het interview gezegd dat externe druk niet van invloed is geweest bij haar beslissing om

uiteindelijk tot veroordeling van Kees B. te requireren.

In de appèlfase is door de politie geen nieuw onderzoek verricht. Van de kant van de AG zijn geen verzoeken

aan de politie gedaan om nader onderzoek te verrichten of om een presentatie van de zaak te geven of

iets dergelijks.

DE ADVOCAAT-GENERAAL

148

De AG heeft geen kennis genomen van het interne politiejournaal en evenmin van de delen van het onderzoeksdossier

die niet waren opgenomen in het eindproces-verbaal.

In Hoofdstuk 4 is ter sprake gekomen dat de AG op 17 januari 2002 een bespreking heeft gehad op het

NFI. Daarbij waren aanwezig, naast de AG en haar juridisch medewerker, drie medewerkers van de afdeling

Biologie van het NFI en twee gedragskundigen van de dNRI. De AG werd verrast door de aanwezigheid

van de twee laatstgenoemden, heeft zij in het interview gezegd. Het gesprek vond plaats op initiatief

van de AG. Zij had behoefte aan meer informatie over het DNA-onderzoek (LCN-methode en mogelijke

andere onderzoekslijnen op het gebied van DNA). Op de inhoud van het gesprek is in Hoofdstuk 4 ingegaan.

De AG heeft in het interview gezegd dat toen zij op 17 januari 2002 wegging bij het NFI zij niet het

idee had dat zij dingen had gehoord waardoor zij ongerust moest worden. Uit een zich in het hofdossier

bevindende brief van 14 februari 2002 van de AG aan het NFI wordt melding gemaakt van het feit dat de

AG en haar juridisch medewerker op 17 januari 2002 op het NFI waren geweest om te spreken over het

onderzoek in deze strafzaak, mede naar aanleiding van het feit dat de zaak door het Hof was teruggewezen

naar de RC voor het doen van nader onderzoek. De AG was er niet van op de hoogte dat de zaaksofficier

op 10 juli 2001 een gesprek had gevoerd op het NFI, waarin NFI-medewerkers hun twijfel hadden geuit

over de betrokkenheid van Kees B. bij de feiten in het Beatrixpark.

Tussen de AG en de ouders van Nienke is een paar keer persoonlijk contact geweest. Dat was indringend

contact. In één van de gesprekken heeft de AG tegen de ouders van Nienke gezegd dat de zaak tegen

Kees B. geen gelopen race was. Mogelijk heeft het voor de AG, en ook voor de zaaksofficier, een extra

belasting gevormd zulke indringende gesprekken te voeren met de ouders van Nienke en tegelijk met distantie

ten opzichte van de zaak te staan. Misschien is het goed om in bepaalde zaken waarin het contact

met het slachtoffer of de nabestaanden erg indringend of emotioneel is, de contacten met het slachtoffer of

de nabestaanden door een ander lid van het OM te laten onderhouden dan degene die namens het OM de

zaak op zitting doet.

Voor zover bekend is er geen persoonlijk contact geweest tussen de AG en (de ouders van) Maikel.

De raadsman van Kees B. was over zijn contacten met de AG en over het optreden van de AG redelijk

positief.

10.1.2 Verzoeken van de kant van de verdediging in de hoger beroepsfase

Door de raadsman van Kees B. zijn in de hoger beroepsfase veel verzoeken gedaan.98 Op 7 december

2001, op de regiezitting, heeft de raadsman van Kees B. veertien verzoeken gedaan. De advocaat-generaal

heeft haar standpunten met betrekking tot de verzoeken kenbaar gemaakt. Op 21 december 2001 heeft het

hof zijn beslissingen kenbaar gemaakt in een tussenbeslissing. Ik zal hieronder per verzoek aangeven wat

het verzoek inhield, wat het standpunt van de AG was en wat het hof heeft beslist.

a. Het eerste verzoek van de raadsman was om bij de behandeling van het hoger beroep een splitsing

aan te brengen tussen de feiten in het Beatrixpark en de overige feiten waarvoor Kees B. werd vervolgd.

De AG verzette zich tegen inwilliging van dat verzoek, omdat er verband was tussen de feiten:

het ging immers steeds om zedenzaken. Het Hof heeft het verzoek de zaken te splitsen afgewezen,

omdat er voldoende verband tussen de zaken was (allemaal zedenzaken) en de voeging van de zaken

nog steeds in het belang van het onderzoek was.

98 Verzoeken tot beëindiging van de voorlopige hechtenis laat ik buiten beschouwing.

DE ADVOCAAT-GENERAAL

149

b. In de tweede plaats verzocht de raadsman het hof onderzoek te verrichten naar de (on)partijdigheid

van de rechtbank. De raadsman voerde een aantal incidenten aan waaruit zijns inziens bleek dat de

rechtbank de schijn van partijdigheid op zich had geladen. Het onderzoek zou, zei de raadsman, deels

kunnen plaatsvinden aan de hand van video-opnames die gemaakt waren op de rechtbankzitting van 5

april 2001 en de raadsman verzocht het hof te bevelen dat die band zou worden overgedragen aan het

hof. Als het hof het standpunt van de raadsman zou delen, zou de zaak moeten worden teruggewezen

naar de rechtbank in Rotterdam. De AG was van oordeel dat de stellingen van de raadsman niet of onvoldoende

met objectieve feiten werden gestaafd. Het verzoek tot overdracht van de videoband van de

zitting van 5 april 2001 moest worden afgewezen vond de AG. Het hof oordeelde dat aan het verzoek

van de raadsman moest worden voorbijgegaan omdat de feiten en omstandigheden die door de

raadsman waren aangevoerd niet leidden tot de conclusie dat de rechtbank partijdig was.

c. Het derde verzoek van de raadsman was een reconstructie te laten maken van de gebeurtenissen die

zich op 22 juni 2000 van 15.30 tot 18.30 uur in en rond het Beatrixpark hadden afgespeeld. De AG

bracht naar voren dat de waarde van een reconstructie in een zaak waarin de verdachte ontkent, gering

zou zijn. Zij vond dat een reconstructie in deze zaak geen nut had. Het hof heeft een beslissing ten

aanzien van een reconstructie aangehouden tot een nader tijdstip.

d. Verder verzocht de raadsman om het DNA-profiel uit het nagelvuil en van de laars van Nienke opnieuw

te vergelijken met de DNA-profielen in de DNA-profielenregistratie van het NFI.

De AG zei dat zij op 26 november 2001 telefonisch contact had gehad met de DNA-deskundige van het

NFI. Hij had de AG gezegd dat het profiel van de onbekende man niet was opgenomen in de DNAprofielenregistratie,

omdat het daarvoor te slecht was; wel was het mogelijk om opnieuw een vergelijking

uit te voeren. De AG verzette zich niet tegen toewijzing van dit verzoek van de raadsman. Het hof

heeft dit verzoek toegewezen en via de RC aan het NFI opgedragen een nader vergelijkingsonderzoek

te verrichten tussen enerzijds het/de DNA-profiel(en) van een onbekend gebleven individu dat voorkomt

in het nagelvuil en op de laars van Nienke, en anderzijds de ten tijde van het nadere onderzoek

beschikbare DNA-profielen in de profielenregistratie.

Het hof wilde verder antwoord krijgen op twee vragen. De eerste vraag was hoe lang voor 22 juni 2000,

omstreeks 18.00 uur, het sporenmateriaal in het nagelvuil respectievelijk op de wreef van de linkerlaars

in de aangetroffen modaliteiten daar aanwezig was of kon zijn geweest. De tweede vraag was in hoeverre

een uitspraak kon worden gedaan en zo ja, welke, “over de vraag of deze DNA-sporen door direct

(bv. aanraking) dan wel indirect (bv. door grond of object) contact met de afgever(s) zijn opgelopen”.

e. Het vijfde verzoek van de raadsman was om DNA-profielen die waren verkregen van sigarettenpeuken

en een bierfles die waren aangetroffen op de plaats delict, en van eventueel op PD C aangetroffen

voorwerpen te vergelijken met het DNA-profiel van de onbekende man wiens DNA-profiel was gevonden

in het nagelvuil en op de linkerlaars van Nienke.

De AG stelde daar tegenover dat op een aantal locaties in het Beatrixpark voorwerpen zoals peuken en

een bierflesje waren gevonden. Van PD C, waar vijf peuken waren gevonden, en PD D was gebleken

dat zij niets te maken hadden met PD’s A en B, aldus de AG. Naar het oordeel van de AG had een vergelijking

van het DNA-profiel van de peuken en de bierfles met het DNA-profiel van de onbekende man

geen zin. “Het enkele feit dat die voorwerpen daar lagen ... en waarvan ook niet bekend is of kan worden

hoe lang ze er lagen, betekent niet dat het om dadersporen gaat.”

DE ADVOCAAT-GENERAAL

150

Het hof begreep het verzoek zo dat de raadsman vroeg om onderzoek van peuken die op PD A waren

gevonden en van “voorwerpen die mogelijk zijn aangetroffen bij het bankje aan de zijkant van de kinderboerderij

(naar het hof begrijpt: op locatie D)”. Waar het volgens het Hof om ging waren:

- vier sigarettenpeuken van PD A;

- twee lange haren van PD D;

- een poot van een bril van PD D.

Het hof erkende dat het vergelijken van mogelijke DNA-profielen op deze voorwerpen met het onbekende

DNA-profiel van belang was voor de verdediging en heeft daarom via de RC het NFI opdracht

gegeven onderzoek te doen op deze voorwerpen. Het hof voegde er aan toe: “Voor zover er nog andere

op de locaties A en D aangetroffen voorwerpen dan de drie hiervoor genoemde beschikbaar zijn,

waarop in beginsel voor DNA-onderzoek bruikbare sporen zijn aangetroffen en die nog niet in het vergelijkingsonderzoek

betrokken zijn geweest, draagt het hof het NFI op ook het sporenmateriaal op die

voorwerpen in het nader onderzoek en het daarvan op te maken rapport te betrekken.”

f. Het zesde verzoek van de raadsman was om DNA-onderzoek te verrichten op drie anonieme brieven

die door hem waren ontvangen en die betrekking hadden op de zaak Kees B..99 De AG bracht in herinnering

dat de raadsman dat verzoek ook al bij de rechtbank had gedaan en dat het toen was afgewezen.

De AG zei dat DNA-onderzoek wel mogelijk was, maar dat een likspoor op een brief nog geen daderspoor

is. Er waren geen feiten en omstandigheden die de anonieme briefschrijver in verband brachten

met de zaak. Het verzoek moest dan ook worden afgewezen, vond de AG. Het hof heeft het verzoek

niet gehonoreerd.

g. In eerste aanleg was een rapport uitgebracht door het Pieter Baan Centrum waarvan de verdediging de

juistheid betwistte. De verdediging verzocht het hof een contra-expertise te gelasten door “een team

van gerenommeerde, onafhankelijke gedragsdeskundigen, waarbij de duur van de observatie, de standaarden

en omstandigheden zoveel mogelijk gelijk zijn aan die van een onderzoek in het Pieter Baan

Centrum”. De AG was van oordeel dat dit verzoek moest worden afgewezen omdat er geen objectieve

feiten en omstandigheden waren aangevoerd die leidden tot de conclusie dat het rapport van het PBC

niet goed was. Een wettelijk recht op contra-expertise was er in dit geval niet, aldus de AG. Het hof

heeft een beslissing op dit punt aangehouden tot een later tijdstip.

h. De verdediging verzocht verder om de verhoren van Kees B. uit het weekeinde van 9 en 10 september

2000 te laten onderzoeken, bij voorkeur door een psycholoog. Daarbij zou gebruik kunnen worden gemaakt

van de banden van de verhoren die audiovisueel waren vastgelegd. De aan de deskundige voor

te leggen vraag zou volgens de raadsman moeten zijn: “Kunt u als gedragsdeskundige, op basis van

hetgeen uw wetenschap u leert en gelet op het aan u verschafte onderzoeksmateriaal, gemotiveerd de

mate van waarschijnlijkheid aanduiden, dat de verklaringen [die] verdachte in deze zaak op 9 en 10

september 2000 heeft afgelegd geen weerslag zijn van wat hij daadwerkelijk heeft meegemaakt?”

De AG verzette zich tegen toewijzing van dit verzoek en bracht naar voren dat de verhoren ná 10 september

2000 wel op video waren opgenomen en die daarvoor niet, waardoor geen sprake was van vergelijkbare

situaties, ook niet als de door de rechercheurs bij de RC afgelegde verklaringen bij het onderzoek

werden betrokken. “Maar nog veel belangrijker is dat niet Kees B. behoeft aan te tonen dat hij

het feit/de feiten niet heeft gepleegd/niet gepleegd kan hebben, maar dat het Openbaar Ministerie zijn

schuld aan de hand van wettige bewijsmiddelen moet bewijzen en daartoe ook zelf de overtuiging moet

hebben bekomen. Een hypothese van een gedragsdeskundige lijkt mij niet het geëigende middel.”

99 Gezien het handschrift ging het bij de drie brieven om één afzender.

DE ADVOCAAT-GENERAAL

151

Het hof heeft het verzoek van de raadsman als volgt afgewezen: “Daargelaten de relevantie van de geformuleerde

vragen, wordt een psychologisch onderzoek naar deze verhoren ... niet noodzakelijk geacht.

Het is bij uitstek de taak van de rechter om de betreffende verklaringen ... op hun merites te

waarderen.”

i. Verder werd verzocht het op geluidsband opgenomen telefoongesprek van 22 juni 2000, 18.07/18.08

uur, van Kees B. met 112 en de meldkamer te laten analyseren door een psycholoog. De aan de deskundige

voor te leggen vraag zou volgens de raadsman moeten zijn: “Kunt u als gedragsdeskundige,

op basis van hetgeen uw wetenschap u leert en gelet op het aan u verschafte onderzoeksmateriaal,

gemotiveerd de mate van waarschijnlijkheid aanduiden dat degene die dit telefoongesprek voerde, zelf

degene is die kort daarvoor het in de bosschages aangetroffen meisje Nienke van het leven heeft beroofd

en de hulpvragende jongen Maikel ernstig heeft mishandeld?”

De AG was om dezelfde redenen als bij verzoek h van oordeel dat het moest worden afgewezen.

Het hof heeft het verzoek van de raadsman als volgt afgewezen: “Daargelaten de relevantie van de geformuleerde

vragen, wordt een psychologisch onderzoek naar ... dit telefoongesprek niet noodzakelijk

geacht. Het is bij uitstek de taak van de rechter om ... de inhoud van het telefoongesprek op [zijn] merites

te waarderen.”

j. Het tiende verzoek van de verdediging betrof het horen van vier getuigen die op 22 juni 2000 een (enge)

man op een bankje op PD C hadden gezien (getuigen G 24 t/m G 27), de moeder van Kees B., de

werkgeefster van Kees B., twee collega’s van Kees B.’s werk, de rechter-commissaris die tot 1 januari

2001 RC was in de zaak (hij moest worden gehoord over de weigering van de officier van justitie de

raadsman toe te laten tot de politieverhoren op 9 en 10 september 2000), deskundige 3, en de getuigen

die op de ochtend van 23 juni 2000 bij PD A een man hadden gezien (getuigen G 54 en 55).

De AG verzette zich niet tegen het horen van de moeder van Kees B., zijn werkgeefster, twee collega’s,

deskundige 3 en getuige G 54. Zij verzette zich wel tegen het horen van de getuigen G 24 t/m G

27. De AG voerde ten aanzien van deze vier getuigen aan dat er veel verschillen waren tussen hun

verklaringen, en dat de getuigen hem hadden gezien op een plaats die verder niet aan PD A was gerelateerd.

Zij stelde zich op het standpunt dat het verhoor van deze getuigen niet zou bijdragen aan de

objectieve waarheidsvinding en dat de verdachte redelijkerwijs niet in zijn verdediging zou worden geschaad

als zij niet gehoord zouden worden. Zij verzette zich ook tegen het horen van getuige G 55,

omdat niet viel in te zien dat zijn verhoor nodig was om een oordeel te kunnen geven over de betrouwbaarheid

van de door getuige G 54 afgelegde verklaring. De AG verzette zich ook tegen het horen van

de RC, omdat er geen onbeperkt recht is van een raadsman aanwezig te zijn bij politieverhoren.

Het hof besliste dat getuigen G 24 t/m 27, de moeder van Kees B. en deskundige 3 door de RC gehoord

moesten worden, en dat getuigen G 54, de werkgeefster en de twee collega’s van Kees B. ter

zitting moesten worden gehoord. Een verhoor van getuige G 55 werd afgewezen omdat hij al bij de RC

was gehoord en de verdediging niet duidelijk had gemaakt welk verdedigingsbelang was gemoeid met

het opnieuw horen van deze getuige. Ook het horen van de RC werd afgewezen door het hof omdat

niet viel in te zien dat de verdediging geschaad werd door het niet horen van de RC.

k. Het elfde verzoek was om deskundigenonderzoek te gelasten naar de vermeende linkshandigheid van

de dader. De raadsman betoogde dat uit de verklaringen van Maikel kon worden afgeleid dat de dader

linkshandig was, terwijl Kees B. rechtshandig is. Als het deskundigenonderzoek zou uitwijzen dat de

dader (waarschijnlijk) linkshandig was, zou dat ontlastend voor Kees B. zijn. De AG vond dat het verzoek

moest worden afgewezen, omdat het volgens haar ging om “een onderzoek naar een hypothese,

DE ADVOCAAT-GENERAAL

152

dat niet bijdraagt aan de objectieve waarheidsvinding.” Het verzoek is door het hof afgewezen, omdat

dat wat door de raadsman was aangevoerd onvoldoende concreet is en te speculatief van aard was om

een onderzoek als verzocht te kunnen rechtvaardigen.

l. Verder verzocht de verdediging om (nader) onderzoek te verrichten naar de aard van het speekselspoor

op de linkerborst van Nienke. De AG zei ter zitting dat zij telefonisch contact had gehad met de

DNA-deskundige van het NFI. De AG had van hem begrepen dat het een nauwelijks zichtbaar spoor

betrof en dat de vraag van de raadsman niet te beantwoorden was. Verder zag de AG niet in wat de relevantie

was van de te verkrijgen informatie. Het verzoek moest dan ook worden afgewezen, vond zij.

Het hof verzocht de AG een verslag van het NFI over dit spoor bij het dossier te voegen en heeft het

verzoek voor het overige afgewezen.

m. Verder verzocht de verdediging een deskundigenonderzoek te gelasten naar de mogelijkheden om

Maikel alsnog te confronteren met Kees B., waarbij de deskundige ook aandacht zou moeten besteden

aan mogelijke valkuilen, bijvoorbeeld dat Maikel iemand zou aanwijzen om de vreselijke gebeurtenis

achter zich te laten.

De AG bracht het volgende naar voren: “Maikel heeft regelmatig aangegeven dat hij de dader niet zou

kunnen herkennen. Dat heeft hij aangegeven kort na de feiten waarvan hij slachtoffer was geworden.

Inmiddels zijn we bijna anderhalf jaar verder, hetgeen betekent dat die twijfel alleen maar sterker zal

zijn geworden, de leeftijd van Maikel in aanmerking genomen. De raadsman geeft ook zelf die aarzeling

aan. Ook al omdat de waarde van een confrontatie niet anders dan gering kan zijn (herkenning of niet

herkenning zeggen immers gelet op het vorenstaande niet zoveel) ben ik van mening dat, gelet op de

ook nu nog jeugdige leeftijd van Maikel én de wel zeer traumatische gebeurtenis waarvan hij slachtoffer

is geworden – ik gebruik het woord traumatisch in de gewone spreektaal en heb daar verder geen psychologische

betekenis bij voor ogen – zelfs een onderzoek naar de mogelijkheid ervan hem moet worden

bespaard. Dat betekent dat de door de raadsman opgeworpen vragen ook niet aan hem moeten

worden gesteld.”

Het hof was van oordeel dat Maikel niet opnieuw van justitiewege met de gebeurtenissen in het park

moest worden geconfronteerd. Daarbij speelde mee dat Maikel bij herhaling duidelijk had gemaakt de

dader niet te zullen herkennen, de vraag welke waarde zou moeten worden toegekend aan het wel of

niet herkennen (waarbij het hof verwees naar wat de raadsman aan de RC had geschreven over een

confrontatie en het bystander-effect), maar ook: “Uit de verklaring van 9 maart 2001 van [deskundige 2]

bij de rechter-commissaris en uit het rapport van 12 maart 2001 van [deskundige 3], in onderling verband

en samenhang beschouwd, komt naar voren dat er aanwijzingen zijn voor een posttraumatische

stressreactie en dat [Maikel] begeleiding nodig heeft voor de verwerking van deze gebeurtenissen van

traumatische aard. Er bestaat bij het hof dan ook het gegronde vermoeden dat de geestelijke gezondheidstoestand

van dit zeer jeugdige slachtoffer van de onderhavige uiterst traumatische gebeurtenissen

in gevaar zou worden gebracht bij hernieuwde confrontatie van justitiewege met deze zaak.” De slotsom

van het hof was dat de belangen van de verdachte in dezen moesten wijken voor de belangen van

het slachtoffer.

n. Het laatste verzoek betrof de toevoeging van diverse stukken aan het dossier, namelijk de tips die de

politie had gekregen, een proces-verbaal van rechercheur Van D. waarin hij de naam van een mogelijke

verdachte onder de aandacht van de raadsman had gebracht, het volledige rapport van deskundige

3, geluids- en videobanden van de verhoren van Maikel, de geluidsband van de op 22 juni 2000 met

112 gevoerde gesprekken, en de video-opnames van de verhoren van Kees B. na 11 september 2000.

De raadsman verzocht de tips bij te voegen “met name om de inmiddels bij de verdediging bekende inDE

ADVOCAAT-GENERAAL

153

formatie over mogelijke andere verdachten daarmee te vergelijken. Bijvoorbeeld de nog altijd onbekende

man op het bankje.”

De AG was van oordeel dat deze verzoeken afgewezen moesten worden. Zij voerde onder meer aan:

“Ten aanzien van de onbekende man op het bankje: uit het dossier blijkt reeds dat zich niemand heeft

gemeld. De tips hebben niet in de richting van een andere verdachte dan deze geleid, er is dan ook

geen aanleiding om ze in het dossier te voegen.” De AG zag geen noodzaak video- of geluidsbanden

aan het dossier toe te voegen, omdat de verbatim uitwerkingen van die banden al in het dossier zaten.

De toevoeging van het integrale rapport van deskundige 3 wilde de AG laten afhangen van het verhoor

van deskundige 3. Het proces-verbaal van rechercheur Van D. behelsde volgens de AG niet meer dan

een hypothese.

Het hof heeft het verzoek de tips bij het dossier te voegen afgewezen, omdat de verdediging had nagelaten

haar belang daarbij in voldoende mate concreet te onderbouwen. Toevoeging van geluids- en video-

opnames is afgewezen omdat de woordelijke uitwerkingen van de verhoren voldoende informatie

bevatten voor een deugdelijk onderzoek naar de feiten. Toevoeging van het proces-verbaal van rechercheur

Van D. is afgewezen omdat er onvoldoende concrete feiten en omstandigheden waren aangevoerd

die aannemelijk maakten dat toevoeging van belang was. Toevoeging van het integrale rapport

van deskundige 3 is afgewezen omdat zij gehoord zou worden bij de RC en met het oog op de bescherming

van de belangen van Maikel.

Tussen 21 december 2001 en 13 februari 2002 heeft de RC getuigen G 24 t/m 27 gehoord. Uit die verhoren

kwamen geen nieuwe feiten of omstandigheden naar voren. Ook de moeder van Kees B. was door de RC

gehoord. Zij verklaarde over bezoeken die haar zoon aan haar werk had gebracht. De RC heeft in deze

periode ook deskundige 3 gehoord. Zij heeft toen onder meer verklaard:

“Mijn conclusie is dat het verhaal van Maikel betrouwbaar overkomt. Ik zeg niet dat hij de waarheid

spreekt, maar mijn inschatting is dat hij een verhaal vertelt dat betrouwbaar is. Dat heeft betrekking

op de grote lijn, want op details komen tegenstrijdigheden voor in zijn verhaal. Dat kan ook beïnvloed

zijn door bijvoorbeeld de geheugenfunctie.

Bij mijn onderzoek heb ik rekening gehouden met de mogelijkheid dat Maikel ons iets op de mouw

speldt en ook met de mogelijkheid dat hij zelf wellicht de dader is. Dat idee heb ik verworpen en ik

sta daar nog steeds achter.

...

In de zogenaamde Totstellreflex ben je niet bewusteloos, het is een toestand van een soort lamgeslagen

fysieke krachteloosheid, maar sommige zintuigen werken wel, bijvoorbeeld het gehoor. Het

is een reflex. Onderzoek heeft aangetoond dat het ook bij mensen voorkomt. Het is niet een keuze,

het overkomt je. De zgn tunnelvision is een staat van vernauwd bewustzijn en vernauwde waarneming.

Wat Maikel beschrijft, het concentreren op de onderkant van een blaadje, is een klassieke

beschrijving die past bij een tunnelvision, een Totstellreflex. Er is geen sprake van bewusteloosheid.”

Op 7 en 12 februari 2002 heeft het NFI laten weten dat:

- het niet mogelijk was om bij benadering aan te geven hoe lang het sporenmateriaal in het nagelvuil

en op de wreef van de linkerlaars aanwezig kon zijn geweest (verzoek d);

- geen uitspraak kan worden gedaan over de vraag of de DNA-sporen via direct of indirect contact

met de donor van het celmateriaal waren aangebracht (verzoek d);

- dat een hernieuwde vergelijking van het profiel van de onbekende man met de profielen in de

DNA-profielenregistratie niets had opgeleverd (verzoek d);

- geen antwoord kon worden gegeven over de aard van het speekselspoor (verzoek l);

- door het Hof opgedragen DNA-onderzoek aan een aantal voorwerpen (twee haren, vier sigarettenpeuken

en een brillenpoot) niets had opgeleverd (verzoek e).

DE ADVOCAAT-GENERAAL

154

Kort voor de zitting van 13 februari 2002 heeft de AG nog enkele stukken toegestuurd aan hof en raadsman.

Het ging om getuigenverklaringen van A.K. en H. van der L., aan welke verklaringen werd gerefereerd

in het relaasproces-verbaal, maar die niet aan het eindproces-verbaal waren toegevoegd. De verklaring van

getuige A.K. maakte duidelijk waarom op de avond van 22 juni 2000 PD D in beeld was gekomen. Verder

had de AG de ontbrekende laatste pagina van de verklaring van getuige G 7 toegestuurd. Op die pagina

stond een signalement van een man die deze getuige in het park had zien fietsen op de middag van 22 juni

2000.

Op 13 februari 2002 heeft het hof getuige G 54 en de twee collega’s van Kees B. gehoord. Daaruit kwamen

geen nieuwe gezichtspunten naar voren.

Op de zitting van 13 februari 2002 heeft de raadsman van Kees B. opnieuw enkele verzoeken gedaan.

a. Naar aanleiding van de door de AG toegestuurde stukken verzocht de raadsman getuigen A.K., H. van

der L. en getuige G 7 te horen. De AG meende dat dit verzoek moest worden afgewezen, omdat er

geen redelijk vermoeden van schuld bestond ten aanzien van de door deze getuigen beschreven personen;

er zou geen verdedigingsbelang worden geschonden als zij niet gehoord zouden worden. Dit

verzoek is bij arrest van 8 maart 2002 afgewezen.

b. In de tweede plaats verzocht de raadsman opnieuw om toevoeging aan het dossier van alle tips en alle

(getuigen-)verklaringen. De AG vond dat het verzoek moest worden afgewezen: het was al eerder door

het hof afgewezen en er waren geen nieuwe feiten of omstandigheden aangevoerd. Dit verzoek is in

het arrest van 8 maart 2002 afgewezen.

c. Verder verzocht de raadsman om getuige L.D. te horen. Zij had in juni of juli 2000 anoniem bij de politie

getipt over een man van wie zij aannam dat hij te maken had met de moord op Nienke. Zij had later

contact opgenomen met de raadsman en hem een foto van die persoon ter hand gesteld (een man met

baard en bril). De raadsman had getuige L.D. meegenomen naar de zitting op 13 februari 2002. De AG

vond dat dit verzoek moest worden afgewezen. Het Hof heeft het verzoek afgewezen, omdat de noodzaak

tot het horen van deze getuige niet voldoende was onderbouwd.

d. Voorts verzocht de raadsman het hof om op 15 februari 2002 een descente te houden in het Beatrixpark

om een beeld te krijgen van de ligging van de verschillende PD’s en de afstanden in het park. De

AG refereerde zich op dit punt aan het oordeel van het hof. In het arrest van 8 maart 2002 is dit verzoek

afgewezen.

e. De raadsman verzocht verder om onderzoek te laten doen in de waterpartijen nabij PD C en PD D. In

het water zou gezocht moeten worden naar het mes dat gebruikt was. De AG verzette zich tegen inwilliging.

Het hof heeft het verzoek in het arrest van 8 maart 2002 afgewezen bij gebrek aan noodzaak.

f. Verder deed de raadsman een paar verzoeken op DNA-gebied. Hij bracht naar voren dat het hof waarschijnlijk

PD C en PD D door elkaar had gehaald en hij gaf aan dat een aantal voorwerpen nog niet op

DNA waren onderzocht, terwijl dat wel van belang was. Onder meer de veter om de nek van Maikel,

een op PD D gevonden haar die mogelijk van Nienke was, en een aantal SVO’s die op PD C waren

veilig gesteld. De raadsman zei dat hij, anders dan de AG, wel een mogelijk verband zag tussen PD C

en PD A. Deze voorwerpen moesten alsnog onderzocht worden, vond de raadsman. Verder zei de

raadsman dat hij zelf een DNA-onderzoek had laten uitvoeren aan de plakrand van één van de enveloppen

waarin één van de anonieme brieven had gezeten. Dat had een DNA-profiel opgeleverd. Hij

verzocht dat profiel door de DNA-profielenregistratiebank te halen. De AG zegde toe informatie in te

winnen bij het NFI over deze vragen. In het arrest van 8 maart 2002 heeft het hof negatief beslist op de

verzoeken op DNA-gebied.

g. Tenslotte persisteerde de raadsman bij zijn verzoeken om reconstructie, en een contra-expertise op het

PBC-rapport en herhaalde hij zijn verzoek de zaken te splitsen. De AG bleef bij haar eerdere standpunt

en bracht als aanvullend punt bij de reconstructie naar voren dat de situatie in het park gewijzigd was.

Ten aanzien van de contra-expertise wees de AG nog op het gedrag van Kees B. ter zitting: “Zodra het

DE ADVOCAAT-GENERAAL

155

om voor hem confronterende zaken gaat, dan beroept hij zich op zijn zwijgrecht en verlaat hij de zaal.”

In het arrest van 8 maart 2002 heeft het hof negatief beslist over deze verzoeken.

Op 18 februari 2002 heeft het hof de werkgeefster van Kees B. gehoord. Dat leverde geen nieuwe gezichtspunten

op. Op die dag heeft het hof ook getuige G 40 (taxichauffeur) gehoord. Ook dat leverde geen

nieuwe gezichtspunten op.

Op de zitting van 18 februari 2002 zijn verder twee werknemers van het NFI, te weten de DNA-deskundige

en de onderzoeksleider, als getuige-deskundigen gehoord. De DNA-deskundige heeft onder meer verklaard

dat door het NFI strategisch is gezocht naar mogelijke dadersporen op het lichaam van Nienke, hij heeft

vragen beantwoord over de LCN-methode en de ingewikkelde mengprofielen die waren gevonden. Over

het profiel dat was gevonden in het nagelvuil en de linkerlaars van Nienke heeft de deskundige gezegd:

“Het kan zijn dat het slachtoffer Nienke bijvoorbeeld op school van een vriendje DNA onder haar

nagel heeft gekregen en later op die dag haar laars aandoet waardoor het DNA ook op de laars

komt. Het DNA van het nagelvuil/wreef laars kan van velerlei herkomst zijn en behoeft geen relatie

met het delict te hebben.”

Verder heeft hij gezegd:

“DNA kan gemakkelijk achtergelaten worden. Iedereen die Nienke heeft aangeraakt, kan zijn DNA

op haar achtergelaten hebben. Ook is "secondary transfer" mogelijk: het oplopen van vreemd DNA

door aanraking van een voorwerp waarop een ander/de donor door contact zijn DNA heeft achtergelaten.

Het is niet precies vast te stellen hoe lang aangetroffen DNA al op iets/iemand zit. In deze

zaak is het onwaarschijnlijk dat het over dagen of weken gaat. Er zijn verschillende omstandigheden

waar men rekening mee moet houden. Zo zal DNA in de zon sneller vervagen en zal ook op

iets wat dynamisch is, zoals bijvoorbeeld een hand die vaak gewassen wordt, sneller verdwijnen. ...

Op de vraag waarom er zo weinig DNA is gevonden wil ik nog het volgende verklaren. Zoals ik

eerder heb gezegd heb ik er geen verklaring voor dat er geen geïncrimineerd spoor is gevonden,

zeker gezien het feit dat bij een dergelijk delict een intensief contact moet zijn geweest tussen de

dader en het slachtoffer. Het is opvallend dat er geen geïncrimineerd spoor is gevonden, maar niet

onmogelijk. ... Het is ook niet te zeggen of iedere aanraking een DNA-spoor achterlaat. De één

geeft namelijk veel DNA af, maar een ander weer niet of heel weinig.

....

De vraag van de raadsman luidende ”Als de dader de laars van Nienke heeft uitgetrokken dan kan

hij zijn DNA daarop hebben achtergelaten”, beantwoord ik met ja.

....

De raadsman vraagt mij of het voor een leek op het gebied van DNA mogelijk is om zich te beschermen

tegen het achterlaten van DNA en of je dan ook met zekerheid kan zeggen dat je niets

hebt achtergelaten. Ik kan hierop antwoorden dat dit een scenario is dat zich nog niet heeft voorgedaan.

Het is zeer speculatief en zeker riskant. Men laat gauw iets achter. Het is zeer moeilijk om

afdoende maatregelen te nemen, zeker met dit soort type misdrijven.”

Over het (vrouwelijke) DNA-profiel dat was gevonden bij de haar die op het linkerbovenbeen van Nienke

was aangetroffen, zei deze getuige-deskundige dat hij niet kon zeggen of het DNA uít de haar kwam of ván

de haar. Hij zei dat het mogelijk is dat wanneer een vrouw een mannelijk persoon over het haar aait en die

man verliest een haar zonder wortel, de gevonden haar als vrouwelijk wordt aangemerkt.

De andere NFI-medewerker heeft alleen vragen beantwoord over onderzoek aan de veter die om de nek

van Maikel zat. Deze NFI-medewerker was niet opgeroepen voor de zitting, maar was meegekomen met

zijn collega. Omdat hij aanwezig was, is hij gehoord.

0p 20 februari 2000 is het grootste deel van de zittingsdag besteed aan het ondervragen van Kees B. en

het voorhouden van stukken uit het dossier.

DE ADVOCAAT-GENERAAL

156

Op 22 februari 2002 heeft de AG gerequireerd en heeft de raadsman gepleit.

Bij arrest van 8 maart 2000 is het hof ingegaan op de (herhaalde) verzoeken van de verdediging waar nog

geen definitief antwoord op was gegeven. Ten aanzien van de vermeende partijdigheid van de rechtbank

concludeerde het hof dat er geen relevante feiten aan het licht waren gekomen op grond waarvan moest

worden aangenomen dat schending van het recht kon worden vermoed. Het hof wees de verzoeken om

een descente en een reconstructie in het park af: het hof achtte de processtukken (foto´s, afstandmetingen)

voldoende. Ten aanzien van de verzoeken om nader DNA-onderzoek wees het hof naar de rapportage van

het NFI van 17 januari 2002 en het verhoor op 18 februari 2002 van de twee NFI-medewerkers. Verdere

verzoeken voor onderzoeken op DNA-gebied werden door het hof wegens gebrek aan relevantie afgewezen.

Het verzoek om splitsing van de zaken werd opnieuw afgewezen. Ook het verzoek om de tips toe te

voegen werd opnieuw afgewezen. Het hof overwoog dat het verzoek onvoldoende onderbouwd was, net als

de veronderstelling dat de tips belangrijke informatie zouden bevatten over mogelijke andere betrokkenen

bij de tenlastegelegde feiten en de politie en justitie onvoldoende bereid waren onderzoek te verrichten naar

een andere verdachte. Verder waren er geen aanwijzingen dat er nog relevante verklaringen aan het dossier

ontbraken, aldus het hof.

10.1.3 Lijst met vragen en ongerijmdheden inzake Kees B.

De AG heeft zich grondig verdiept in de zaak. Uit de stukken blijkt en in de interviews is naar voren gekomen

dat de AG niet van meet af aan overtuigd was van de schuld van Kees B.. Zij vond het een zaak waar

het wettig bewijs aanwezig was, maar waar het aan de overtuiging schortte. In het interview heeft zij gezegd

dat zij tot kort voor de laatste inhoudelijke zittingsdag rekening hield met de mogelijkheid dat zij vrijspraak

zou eisen. Bij de stukken waarover ik de beschikking had in het kader van het evaluatieonderzoek

bevindt zich een overzicht waarin de verklaringen van Maikel en Kees B. tegenover elkaar worden gezet.

Op het overzicht is het handschrift van de AG te herkennen. In het overzicht worden punten van overeenkomst

en punten van verschil tussen die verklaringen aangegeven.

Door de AG is een lijst opgesteld met de titel ‘Vragen/ongerijmdheden inzake Kees B.’. Voor zover bekend

was de AG de eerste die een dergelijk overzicht heeft gemaakt. Zij heeft zich daarbij gebaseerd op de stukken

die ook het Hof en de verdediging ter beschikking stonden. De ongerijmheden waren niet als zodanig

verwoord in het eind- of relaasprocesverbaal. Ik ga hieronder uitgebreid in op dat stuk. Dat doe ik om de

volgende redenen:

- het geeft aan dat de AG zich grondig heeft verdiept in de zaak;

- het geeft aan dat zij kritisch was;

- het laat zien dat op grond van de stukken waarover rechters en verdediging beschikten op veel

punten vragen en twijfels mogelijk waren. Daarbij zaten punten van geringe betekenis, maar er zaten

ook zwaarwegende punten bij;

- het laat zien hoe de AG is omgegaan met deze vragen en wat zij terzijde heeft gelaten toen zij requireerde

tot veroordeling van Kees B..

Ik citeer de lijst niet, maar ben in de weergave niet veel afgeweken van de inhoud. In de lijst met vragen en

ongerijmdheden van de AG noemt zij de volgende punten.

- Volgens Maikel zijn hij en Nienke omstreeks 17.15 uur in hun nekvel gepakt door de dader; als dat

zo is kan Kees B. niet de dader zijn, want het is volstrekt onaannemelijk dat hij vóór 17.22 uur (vertrek

laatste Van Gend & Loos auto) van zijn werk is vertrokken (hij zegt ook nog te hebben afgewassen).

- Volgens Maikel zijn hij en Nienke van achteren benaderd, maar zijn ze niemand gepasseerd. In de

lezing van de verdachte moet hij Nienke en Maikel echter tegemoet zijn gekomen, waar kwam hij

DE ADVOCAAT-GENERAAL

157

anders vandaan als hij zijn fiets bij PD A had gelegd. Hij zegt echter wel dat hij de kinderen van

achteren benaderde.

- Getuige G 35 ziet al omstreeks 17.30 uur een fiets bij PD A liggen. De tijdstippen van getuigen G

36 en G 37 zijn iets minder stellig, getuige G 32 komt omstreeks 17.45 uur langs en ziet geen fiets.

Het is nauwelijks mogelijk dat de fiets van verdachte om 17.30 uur bij de PD lag, gelet op de fietsafstand

tussen zijn werk en het park (langzaam 15 minuten, iets sneller 13.5 minuten en nog sneller

ongeveer 11 minuten). Mensen op het werk van Kees B. zeggen dat het vertrek ná 17.30 en

voor 17.45 uur lag.

- Hoe waarschijnlijk is het dat Kees B. het broertje van Nienke achterna is gefietst? Gelet op de beschreven

route kan het, maar dan moet verdachte kort na 17.35 uur al in het park geweest zijn,

want toen vertrok het broertje van huis. Gelet op de door het broertje gevolgde en door verdachte

beschreven route lijkt het aannemelijk dat hij het broertje achterna is gefietst. Dat zou nét kunnen

als Kees B. om 17.22 uur van zijn werk is vertrokken en doorgefietst heeft. Maar wát deden Maikel

en Nienke dan in die tijd, want als ze écht om 17.15 uur in de buurt van hun fietsen waren, hadden

ze om 17.30 uur thuis kunnen zijn. Het achterna fietsen van het broertje is weer niet goed te combineren

met verdachte als dader gelet op de kreet die getuige G 39 om 17.39 uur bij PD A hoort.

De kreet is mogelijk iets later, maar de tijdspanne voor alle handelingen van verdachte blijft heel

kort. Getuige G 39 heeft overigens niet over een bij PD liggende fiets gerept.

- Bovendien: aantreffen Nienke omstreeks 18.20 uur, dan ongeveer half uur terug rekenen, dus

17.50, maar 10 minuten beide kanten op kan (al is 40 minuten volgens een bij de RC gehoorde intensive

care-arts aan de lange kant). Een ambulancebroeder heeft het over minstens 30 minuten

en is verbaasd dat wurgsporen bij Maikel ontbreken, hij acht het mogelijk dat Nienke en Maikel

minstens 3 kwartier in de bosjes lagen, want dan zijn sporen weggetrokken. Uitgaande van verwurging

van Nienke omstreeks 17.40/17.50 uur moet Kees B. bijna onmiddellijk gewurgd hebben.

Dat spoort weer niet met wat Maikel vertelt over de tijd die bijvoorbeeld het uittrekken van zijn

schoenen nam (lijkt ook niet heel geloofwaardig dat dit een kwartier heeft geduurd).

- Verwurging om 18.00 uur (kortst mogelijke tijd) niet goed te rijmen met de kreet die getuige G 39

om 17.40 uur of iets later hoort en feit dat G 40 toen al op de brug moet hebben gestaan, die zou

dan toch iets moeten hebben gehoord.

- Wáár is de plastic tas van verdachte die hij zegt bij zich te hebben gehad voor onder meer zijn telefoon?

Maikel heeft daar nooit over verklaard terwijl geen van de getuigen die de fiets hebben zien

liggen over een plastic tas spreekt die eventueel nog bij de fiets lag. Het lijkt onmogelijk dat verdachte

toen hij Nienke en Maikel in hun nek pakte naast een mes ook nog een tas vasthield; een

mes is al moeilijk genoeg.

- G 40 zegt 10 minuten op brug B te hebben gestaan voor Maikel uit de bosjes kwam. Maikel zegt

kort (1½ minuut of zo) ná het vertrek van de dader te zijn weggegaan uit de bosjes. Waar was

Kees B. dan in die tijd? G 40 zegt niets geks te hebben gezien. Volgens de verklaring van G 40 (en

die verklaring lijkt betrouwbaar) kwam B. wél van kant PD A aanrijden.

- Kees B. voldoet voor geen meter aan het signalement: geen leren jas (op foto´s is te zien dat hij

een donker T-shirt aan had), geen pet, geen oorbel, geen/nauwelijks stekeltjes, eigenlijk te oud

voor 25 jarige (Maikel schat de man die op brug B naar 112 belde, Kees B., op een jaar of 40), dik,

en vooral: geen puistjes of superwit gezicht. Hierbij bedenken wat deskundige 2 zegt, maar het

ontbreken van de jas blijft erg vreemd, evenals dat Maikel Kees B. niet heeft herkend maar wel

duidelijk heeft gezien: hij noemt hem nog bij de RC en was volgens sommigen wel en volgens anderen

niet van de wereld nadat hij uit PD A was gekomen.

- Heeft Kees B. zich op brug B wel zo afzijdig gehouden? Een aantal mensen heeft hem wél gezien

en het was erg snel erg druk door de wielervierdaagse. Meer getuigen hebben dingen niet gezien,

zoals de jas die Maikel opeens om had, of vergissen zich in wie de veter om de nek van Maikel

losmaakte.

- Volkomen onaannemelijk volgens gedragskundigen CRI dat iemand zo´n misdrijf pleegt en dan

112 belt.

DE ADVOCAAT-GENERAAL

158

- Ook onaannemelijk dat dader niet zelf in seksuele handelingen participeert (bedenk wel dat Maikel

wel zegt dat zolang hij keek dader alleen maar deed plegen en niet pleegde, daarna heeft hij naar

eigen zeggen niet meer gekeken maar heeft hij wel vermoedens).

- Is er wel een eerste wurgpoging Maikel geweest? Politie vindt het volkomen onaannemelijk dat

Maikel zich heeft weten los te rukken. Kees B. verklaart alleen dat hij Maikel met veter heeft gewurgd.

Kees B. heeft Maikel met een veter om zijn nek uit de bosjes zien komen, dus wellicht verklaarbare

maar valse bekentenis. Maar als die eerste poging er niet was heeft Maikel kunnen zien

wat dader met Nienke uitspookte, tenzij hij zich toen ook dood hield.

- Gezien zijn eigen lezing is het vreemd dat Kees B., terwijl hij op zoek was naar kinderen voor een

seksuele handeling, een jong meisje greep en de jongen ongemoeid liet, terwijl zijn belangstelling

wel altijd op jonge jongens was gericht.

- De beschrijving van het mes door Maikel spoort niet met het afbreekmesje. Maikel heeft het over

een mes met hout en een lemmet dat je uitklapt, maar rept niet over geel en het was zeker geen

stanleymes.

- Verdachte weet Nienke wel te beschrijven qua lichaamskenmerken maar weet niet wat ze droeg of

wat ze aan haar voeten had, noemt alleen "een soort hesje denk ik", maar dat had ze zeker niet

aan.

- Vreemd dat Kees B. de laarzen van Nienke niet weet te noemen, omdat hij die volgens Maikel zelf

heeft uitgetrokken. Dat hij wel de kisten van Maikel noemt is niet vreemd omdat hij Maikel daarmee

uit de bosjes zag komen. Hij weet ook niet wat Maikel aan had.

- Bij Nienke bevond de knoop zich aan de achterzijde van de nek. Nienke lag op haar buik, dat

maakt het waarschijnlijk dat ze in die houding is gewurgd. Bij Maikel zat de knoop ook aan de achterzijde.

Maikel verklaart ook zelf dat terwijl hij op zijn buik lag de dader zijn hoofd naar achteren

trok en dat dat zo´n pijn deed. Als Kees B. beschrijft dat de knoop bij Nienke aan de voorzijde van

haar keel zat (hij wees op zijn adamsappel) klopt dat dus niet, terwijl het wel als daderwetenschap

wordt gepresenteerd! Hij beschrijft ook bij Maikel de knoop aan de voorzijde.

- Wát heeft Kees B. bij PD A kunnen opvangen? Het was daar door getuige G 40 en van mensen die

gingen kijken een behoorlijke kakofonie en er zijn ook mensen die toen gezegd kunnen hebben dat

Nienke iets op/bij haar hoofd had (zie verklaring getuige G 46: hij hoort iemand zeggen dat er nog

een jongen/iemand ligt, met een jas over zich heen).

- De eerste lezing van Kees B. dat hij Nienke met een T-shirt had gewurgd en Maikel met een steen

had geslagen is onzin, maar de verbalisanten gaan daar wel op door. Dan zegt B. dat hij Nienke

met zijn handen heeft gewurgd nadat hij haar had omgedraaid (Nienke lag dus toen op haar rug)

en Maikel met een veter (na hem te hebben omgedraaid, dus die lag ook op rug). Daarna volgt de

lezing dat hij Nienke ook met een veter heeft gewurgd. Naderhand weet verdachte niet meer wat

hij over het omdraaien heeft gezegd ("ja dat meisje denk ik dan, omdat die op haar rug lag, of op

haar buik").

- De manier van verhoren van Kees B. (met name 17e, 18e en 20e verhoor) was buitengewoon fors,

langdurig en veel te veel gepsychologiseer. Druk: je moet er effe doorheen, je hebt meer Kees, je

bent er geweest Kees, gvd je weet het je hebt een zetje nodig, we weten gewoon dat je het gedaan

hebt, waarom beken je het nou niet, m.n. op p. 672 buitengewoon heftig verhoor; op blz. 681: jij

hebt ze gvd meegenomen de bosjes in en als je enig fatsoen in je donder had dan zou je hier nu

alle medewerking verlenen, p. 685/686 zij zal nooit meer 18 worden, ik neem een lekkere brede

mee dat ligt lekker in de hand, p. 689: waarom moest je hem zelfs nog een stomp geven (verbalisant

brengt dus daderwetenschap in!); p. 741: ik ga voor ons een grote troef uitspelen, waarbij verhoorder

het doet voorkomen als zou Maikel tegen getuige G 49 gezegd hebben: ‘het was die grote

man met die fiets’ (getuige G 49 heeft dit nooit zo gehoord! Hij zegt dat Maikel verklaarde dat ze

mee moesten met een grote vent op een fiets).

- Verdachte zegt dat hij niets met de jongen heeft gedaan en dat de jongen en het meisje niets met

elkaar hebben gedaan. Dat spoort niet met de verklaring van Maikel.

- Verdachte weet niet dat hij Maikel heeft gestompt, heeft hem misschien geslagen op zijn been.

DE ADVOCAAT-GENERAAL

159

- Verdachte zegt dat hij Maikel in zijn slaap heeft gestoken. Dat is niet juist gezien de medische verklaring

die spreekt over 8 steekwonden bij hals, kin en rugzijde schouder, alsmede vinger.

- Over bekennen als zijn DNA gevonden wordt: Kees B. zegt niet dat hij het dan zeker weet, hij zegt

dan moet ik het wel gedaan hebben maar dan weet ik nog steeds niet hoe het is gebeurd.

- Verdachte zegt dat hij een donkerkleurig T-shirt over het gezicht van Nienke heeft gelegd omdat hij

haar gezicht niet meer wilde zien. Op foto´s van de TR is het gezicht van Nienke (die, anders dan

verdachte verklaarde, op haar buik lag) helemaal niet te zien: haar hoofd wordt bedekt door haar

lange haren en er is alleen een klein stukje van haar oor te zien. Een ambulancebroeder verklaart

dat hij een groene rubberen laars van het hoofd van Nienke heeft gehaald en toen pas zag dat het

een meisje was. Dit was een van Nienke´s groene laarzen, en niet de zwarte kist van Maikel die ze

om haar nek had. Op de foto is te zien dat op Nienke’s schouder een broek (of jack) van grijsachtige

spijkerstof lag. De laars is op foto te zien, spoort met beschrijving van de ambulancebroeder.

Geen van de getuigen die in de bosjes is gaan kijken heeft het over het verwijderen van enig kledingstuk

van Nienke´s hoofd, en de lezingen of ze iets op haar hoofd had liggen wisselen: sommigen

zien iets bij haar hoofd maar niemand heeft het over een T-shirt op haar hoofd.

10.2 Beoordeling

In een strafzaak dient het OM te beschikken over wettig èn overtuigend bewijs. Het oordeel dat de verdachte

Kees B. schuldig was aan de gepleegde feiten in het Beatrixpark, kon gedragen worden door een aantal

wettige bewijsmiddelen. In het Wetboek van Strafvordering is helder genormeerd wanneer sprake is van

wettig bewijs; de veelheid aan jurisprudentie die te vinden is over bewijsvragen maakt het mogelijk om met

grote nauwkeurigheid vast te stellen of van wettig bewijs sprake is. Anders ligt het met overtuigend bewijs.

Niet is genormeerd wanneer er sprake is van overtuigend bewijs; de beantwoording van die vraag speelt

zich immers in het hoofd van strafrechtsbeoefenaren af.

Het uiteindelijk oordeel of wettig èn overtuigend bewijs voorhanden is, wordt gegeven naar aanleiding van

hetgeen ter zitting wordt verhandeld. Het gedrag van Kees B. ter zitting heeft bijgedragen aan de overtuiging

van de AG dat Kees B. de dader was.

De AG is pas bij de zaak betrokken geraakt nadat hoger beroep was ingesteld. Gelet op de kritische houding

van de AG in de appèlfase, is het jammer dat zij niet eerder bij de zaak betrokken is. Veel van de punten

die zij, als eerste bij politie en justitie in deze zaak, heeft opgenomen in de lijst met vragen en ongerijmdheden

hadden ook al in eerste aanleg gesignaleerd kunnen worden en hadden kunnen leiden tot bijstelling

van het opsporingsonderzoek. De AG had de officieren van justitie en de teamleiding kunnen behoeden

voor een eenzijdige benadering van de zaak. Natuurlijk is het niet zo dat alleen een AG dat had

gekund; de AG was één van degenen geweest.

De AG heeft de politie niet gevraagd aanvullend onderzoek te doen. Dat had voor de hand gelegen gezien

de vragen die zij had. Zij heeft geen opmerkingen gemaakt over de samenstelling van het eindprocesverbaal

of de opzet en inhoud van het relaasproces-verbaal. Haar werk was erg gericht op het dossier dat

was aangeleverd.

In haar requisitoir is de AG later, naar mijn mening terecht, ingegaan op een aantal punten die ontlastend

voor Kees B. konden werken (dat hij niet aan het signalement voldeed, het tijdpad, dat er geen DNAmateriaal

van Kees B. was gevonden, het DNA-materiaal van een onbekende derde).

In haar requisitoir komt de AG tot de conclusie dat Kees B. degene is geweest die op 22 juni 2000 de feiten

in het Beatrixpark heeft gepleegd. In het licht van de lijst met vragen en ongerijmdheden wekt dat verbazing.

Aan de hand van vier onderwerpen uit het requisitoir van de AG belicht ik hoe zij is omgegaan met de

eerder door haar gesignaleerde en geformuleerde vragen en ongerijmdheden.

DE ADVOCAAT-GENERAAL

160

Het eerste is hoe de AG is omgegaan met de verklaringen van Maikel. Op belangrijke punten heeft zij die

verklaringen terzijde geschoven, namelijk ten aanzien van het signalement van de dader, het tijdpad en het

mes. Ten aanzien van het signalement zegt de AG dat Kees B. inderdaad niet voldoet aan het signalement

dat Maikel van de dader had gegeven, maar dat het uiterlijk van de dader voor Maikel waarschijnlijk perifeer

was of dat hij het door ´tunnelvision´ niet goed heeft kunnen zien. Ook brengt zij naar voren dat Maikel in de

loop van de maanden het signalement had aangepast (puistjes bijv.) en dat hij niet meer zo zeker was van

het uiterlijk van de dader.

Ten aanzien van het tijdpad: Maikel heeft steeds verklaard dat hij en Nienke kort na 17.15 uur werden vastgepakt

door de dader en vervolgens zijn meegenomen naar de bosjes van PD A. Het tijdstip van 17.15 uur

koppelt Maikel aan het vragen van de tijd aan een oudere man in de kinderboerderij. De AG denkt dat

Nienke en Maikel niet de tijd hebben gevraagd. Zij denkt dat Nienke en Maikel, die om 17.30 uur bij Nienke

thuis moesten zijn voor het eten, op een gegeven moment tot de ontdekking kwamen dat ze de tijd vergeten

waren en dat ze niet om 17.30 uur thuis zouden kunnen zijn. Omdat ze snapten dat iemand van de

familie van Nienke hen zou komen zoeken hebben zij zich verstopt. Toen ze tevoorschijn kwamen, werden

ze vastgepakt door de dader.

Wat de AG ook terzijde laat is de beschrijving die Maikel van het mes van de dader heeft gegeven. Maikel

heeft het over een mes met een houten handvat en een uitklapbaar lemmet. Hij zegt dat het mes van de

dader op het zakmes van zijn vader leek. Maikel's vader heeft zijn zakmes aan de politie ter beschikking

gesteld. Foto´s van dit zakmes zitten in het dossier. Het mes van de vader van Maikel lijkt niet op een afbreekmes.

De AG zegt dat het bijna onmogelijk is dat Maikel het mes van de dader goed heeft gezien. Immers,

Maikel werd in zijn nek gepakt en kan nauwelijks opzij kijken en later op PD A lag hij met zijn gezicht

op de grond en hij verkeerde in een Totstellreflex toen hij werd gestoken. De AG denkt dat Maikel heeft

aangenomen dat er een mes was (hij is namelijk gestoken/gesneden) en dat hij, omdat hij het verhoor

waarin hij het mes beschreef ontregelde, hij bij de beschrijving van het mes aansluiting heeft gezocht bij het

mes van zijn vader.

Een tweede onderwerp is de niet-herkenning van Kees B. door Maikel als Maikel uit de bosjes komt. De AG

zegt dat dat feit haar niet veel zegt. Weliswaar heeft Maikel Kees B. zien bellen, maar dat hij Kees B. toen

niet heeft herkend is begrijpelijk:

- Maikel was volkomen van de wereld;

- deskundige 3 heeft bij de RC verklaard dat Maikel volgens haar op dat moment in een horizontaal

dissociatieve toestand verkeerde;

- Maikel heeft Kees B. maar heel even kunnen zien: bijna direct stonden er mensen tussen Maikel

en Kees B. en later zat Maikel met zijn rug naar Kees B..

Een derde onderwerp is hoe de AG is omgegaan met het technisch bewijs. Over de haar die is gevonden

op Nienke's bovenbeen en die mogelijk past in het haarpalet van Kees B., zegt de AG - terecht - dat daaraan

eigenlijk geen bewijswaarde kan worden toegekend.

Over het ontbreken van Kees B.'s DNA-materaal zegt de AG niet meer dan dat het ondanks het grootschalige

DNA-onderzoek niet is aangetroffen. Wel spreekt zij over de wijze van vervoer en opslag van het lichaam

van Nienke, waardoor weinig bruikbare sporen zijn aangetroffen, maar het is niet duidelijk of zij

daarmee wil zeggen dat daardoor eventuele sporen van Kees B. verdwenen (kunnen) zijn.

De AG gaat in op het DNA-profiel van de onbekende derde dat is gevonden in nagelvuil van Nienke en op

Nienke's linkerlaars. Zij zegt dat dat profiel door de DNA-databank is gehaald, maar dat dat geen hit heeft

opgeleverd. Zij plaatst de kanttekening dat het enkele feit dat DNA-materiaal wordt aangetroffen niets zegt,

DE ADVOCAAT-GENERAAL

161

omdat ieder mens DNA achterlaat, de een makkelijker dan de ander. "Bij het geven van een hand kun je al

DNA 'sharen'", waar het om gaat is dat er aanwijzingen moeten zijn dat het om een daderspoor gaat. De

AG zegt dat zij geen indicatie heeft dat het profiel in het nagelvuil en op de linkerlaars daderprofielen zijn.

Zij leunt daarbij op wat de DNA-deskundige heeft gezegd op de terechtzitting van 18 februari 2002.

Het vierde onderwerp is de waarde die de AG toekent aan de bekentenissen van Kees B.. Zij geeft aan dat

het zeer betreurenswaardig is dat van de bekentenis van de late avond van 9 september 2000 pas op 18

september 2000 proces-verbaal is opgemaakt en dat niet direct proces-verbaal is opgemaakt van het incident

met de terminal. Maar, zegt zij, dat waren geen grove onzorgvuldigheden waardoor de procesorde is

geschaad. Over de processen-verbaal van 10 september 2000, waarin de bekentenissen van de middag en

avond van die dag zijn opgenomen, zegt de AG dat daaruit is af te leiden dat de verhoorders zich ervoor

gehoed hebben suggesties te doen, onbedoeld informatie te geven en gewenste antwoorden te krijgen. De

vragen zijn neutraal en open geformuleerd, de antwoorden van Kees B. zijn niet geleid. Uit de videoverhoren

van Kees B. blijkt dat B. soms lang en stevig is verhoord, maar niet op een niet toegestane of ontoelaatbare

manier. Uit de videoverhoren blijkt ook dat er geen sturing door de verhoorders was en dat geen

daderwetenschap is prijsgegeven. Ook blijkt uit de videoverhoren dat van een murw gebeukte verdachte

die je alles kunt laten zeggen geen sprake was, zegt de AG.

Nogmaals, wat de AG zegt in haar requisitoir wekt soms bevreemding tegen de achtergrond van de lijst met

vragen en ongerijmdheden. Vergelijking tussen de lijst met vragen en ongerijmdheden en het requisitoir laat

zien hoeveel vragen en ongerijmdheden door de AG zijn weggeredeneerd.

De redenen die de AG aanvoert zijn niet allemaal overtuigend.

- De aanwezigheid van het DNA-materiaal van de onbekende derde wordt verklaard door er op te

wijzen dat het heel makkelijk is om lichaamsmateriaal te 'sharen'. Als het zo makkelijk is DNAmateriaal

te sharen, als dat al kan gebeuren bij het geven van een hand, had het voor de hand gelegen

dat het materiaal van Kees B. was aangetroffen omdat - als Kees B. de dader was - er veel

contact is geweest tussen de handen van Kees B. en de lichamen van Nienke en Maikel en kleding

van Nienke en Maikel. Aangezien het aangetroffen materiaal niet van Kees B. was, zou dat vóór

zijn onschuld pleiten.

- De AG zegt een paar keer dat Maikel geen slechte getuige is. Toch schuift zij belangrijke onderdelen

van zijn verklaringen terzijde. Er zijn weliswaar mensen die zeggen dat Maikel van de wereld

was toen hij uit de bosjes kwam, maar er zijn ook getuigen die iets anders zeggen. Maikel zelf kan

de man die 112 belt op brug B beschrijven. Dat wijst er op dat hij ondanks alles in staat was waar

te nemen en dingen in zich op te nemen. Voor de theorie over het zich verstoppen die de AG ontvouwt

in het requisitoir, kan geen steun worden gevonden in het dossier. De Totstellreflex is bij

Maikel ingetreden nadat hij de dader had gezien. De beschrijving van het uiterlijk van de dader was

niet aangetast door die reflex.

De AG leunt bij het terzijde laten van vragen en ongerijmdheden in belangrijke mate op wat deskundigen

hebben gezegd. Een zekere mate van selectiviteit is daarbij waarneembaar.

Een aantal van de punten die op de lijst met vragen en ongerijmdheden staan, zijn in het requisitoir genegeerd.

Dat zijn bijvoorbeeld de plastic tas die Kees B. bij zich had, de twijfel van de gedragskundigen, dat

het opmerkelijk is dat Kees B. niet weet wat voor kleren Nienke en Maikel aan hadden, de laarzen van Nienke

niet noemt en dat hij zegt dat Nienke en Maikel niets bij elkaar hebben gedaan.

In het interview heeft de DNA-deskundige gezegd dat hij twijfel had over de betrokkenheid van Kees B. bij

de strafbare feiten in het Beatrixpark. Die twijfel was in sterkere mate aanwezig bij zijn collega. Die twijfels

waren, zeggen een aantal personen die aanwezig zijn geweest bij de bespreking van 17 januari 2002, kenDE

ADVOCAAT-GENERAAL

162

baar gemaakt aan de AG. De AG zegt dat zij op die bijeenkomst geen zaken heeft gehoord waar ze nerveus

van werd. Zowel de DNA-deskundige als zijn collega zijn ter terechtzitting van het gerechtshof als

getuige-deskundigen gehoord. Zij hebben antwoord gegeven op vragen van het hof, AG en verdediging.

Hun twijfels zijn toen niet naar voren gekomen. Dat kwam naar hun zeggen doordat zij zich bij de beantwoording

beperkten tot de vragen die werden gesteld. Vragen die het de DNA-deskundige en zijn collega

mogelijk hadden gemaakt hun twijfels te uiten, zijn niet gesteld. De AG heeft niet op een of andere manier

de twijfels van het NFI-medewerkers onder de aandacht van het gerechtshof en de verdediging gebracht.

Dat had zij naar mijn oordeel wel behoren te doen omdat het informatie was die voor het Hof en de verdediging

relevant was. Als de twijfel gemeld was, was discussie mogelijk geweest over de waarde of onwaarde

van die twijfel. Ik heb geen enkele aanleiding te veronderstellen dat kwade opzet daarbij een rol speelde;

eerder is sprake van een beoordelingsfout.

De AG zegt in haar requisitoir dat Kees B. verkeerde kleding aan de politie heeft gegeven. In Hoofdstuk 7

bleek al dat Kees B. het Duckhams shirt heeft meegegeven omdat de politie daar om gevraagd had.

10.3 Conclusie

Een kritische AG had kunnen fungeren als een klankbord voor de zaaksofficier en had kunnen voorkomen

dat er te eenzijdig op Kees B. werd gerechercheerd.

De AG heeft een kritische blik op de zaak gehad. Zij was niet vanaf het begin af aan overtuigd dat Kees B.

de dader was. Zij heeft de zaak aanvankelijk met de bij haar functie passende professionele afstandelijkheid

benaderd. Zij stond open voor de mogelijkheid dat Kees B. niet de dader was. De AG heeft een lijst

met vragen en ongerijmdheden opgesteld. Niettegenstaande die lijst is bij de AG toch de overtuiging ontstaan

dat Kees B. de dader was. De bekentenis van Kees B. heeft daarbij een belangrijke rol gespeeld.

Kees B.'s gedrag ter zitting heeft haar overtuiging dat Kees B. de dader was, versterkt. De AG heeft de

meeste van de door haarzelf opgesomde vragen en ongerijmdheden weggeredeneerd of terzijde gelaten.

Daarbij is zij erg ver gegaan. Twijfels van medewerkers van het NFI en van gedragskundigen zijn terzijde

gelaten en niet ter kennis gebracht van het gerechtshof en de verdediging.

10.4 Aanbevelingen

Een AG moet er alert op zijn of het dossier dat hij in hoger beroep voorgelegd krijgt een eenzijdig beeld van

het opsporingsonderzoek geeft. Zonodig moet hij zich verdiepen in de niet aangeleverde stukken van het

onderzoeksdossier en het procesdossier aanvullen.

In zaken van groot gewicht heeft het de voorkeur twee advocaten-generaal te belasten met de zaak. Binnen

de organisatie moet daarvoor tijd en ruimte worden gemaakt.

De leiding van het ressortsparket moet in zaken van gewicht blijk geven van kritische belangstelling.

In OM-reviews die bij de eerste lijn worden gehouden, kunnen advocaten-generaal een rol vervullen. De AG

die zich met zo’n review bezig houdt, moet niet degene zijn die de zaak in een eventueel hoger beroep

behandelt en is bij voorkeur werkzaam in een ander ressort.

DE FAMILIERECHERCHEUR

163

11 DE FAMILIERECHERCHEUR100

11.1 Inleiding

Het onderwerp van dit hoofdstuk valt buiten de opdracht die door het College van procureurs-generaal is

verstrekt. Het optreden van de familierechercheurs heeft immers niet bijgedragen aan de veroordeling van

Kees B.. Ik wil toch een aantal punten over de familierechercheur naar voren brengen, omdat ik vind dat het

belangrijk is de taak van familierechercheur professioneler te benaderen.

Na een ernstig delict ontstaat zowel bij het slachtoffer/de nabestaanden als bij de politie vaak de behoefte

aan een of meer familierechercheurs. Het slachtoffer of de nabestaanden hebben behoefte aan een vaste

contactpersoon bij de politie voor vragen over wat er gebeurd is, wat de politie er aan kan doen en hoe het

politieonderzoek er voorstaat. De politie heeft behoefte aan een vaste contactpersoon in/uit eigen kring,

omdat daardoor de benadering van het slachtoffer of de nabestaanden met vragen en het verstrekken van

informatie soepeler kan verlopen.

De familierechercheur is degene die in het begin van het onderzoek nagenoeg dagelijks met het slachtoffer/

de nabestaanden contact heeft. Hij is degene die geconfronteerd wordt met vragen en emoties. Vaak

kan hij in het belang van het onderzoek weinig zeggen over het onderzoek (bijvoorbeeld om te voorkomen

dat daderwetenschap naar buiten komt). Ook komt het voor dat de familierechercheur, in het belang van

het onderzoek, vragen moet stellen of onderwerpen moet aansnijden die gevoelig liggen bij het slachtoffer

of de nabestaanden.

In veel gevallen betekent dit voor degene die is aangewezen als familierechercheur dat hij een moeilijke en

ondankbare taak heeft. Tegelijkertijd laat de praktijk zien dat de taak van familierechercheur belangrijk is.

11.2 De Schiedammer parkmoord

Bij de evaluatie van de Schiedammer parkmoord is gekeken naar de invulling en uitvoering van de taak van

familierechercheur. Wij hebben daarover gesproken met de ouders van Nienke en hun advocaat, met Maikel,

zijn ouders en hun advocaat. Ook is gesproken met drie van de vier familierechercheurs. Geprobeerd is

na te gaan wat hun ervaringen waren, met als doel na te gaan of uit deze ervaringen lering kan worden

getrokken.

11.2.1 De ouders van Nienke

Het was voor politie en justitie vanaf het begin duidelijk dat er een aanspreekpunt moest zijn voor de ouders

van Nienke, zowel om vragen van de ouders aan politie/justitie te kunnen beantwoorden of door te geleiden,

als om vragen van politie/justitie aan de ouders te kunnen stellen. Nog op de avond van 22 juni 2000 is

een familiekoppel voor de ouders van Nienke aangewezen, dat diezelfde avond zijn werk heeft aangevangen.

Dit koppel bestond uit een man en een vrouw. Beiden werkten bij een districtelijke afdeling Jeugd- en

Zedenzaken (JZZ) van het korps Rotterdam-Rijnmond. Dit koppel is opgetreden tot en met de behandeling

van de cassatieprocedure bij de Hoge Raad.

100 Zie ook H. Schaafsma, ‘De veelzijdigheid van de familierechercheur’, in: Recherche Magazine, maart 2003, p. 20 en H.

Schaafsma, ‘De valkuilen van de familierechercheur’, in: Recherche Magazine, september 2004, p. 24.

DE FAMILIERECHERCHEUR

164

De ouders van Nienke en hun advocaat waren zeer te spreken over het familiekoppel. Het koppel zorgde

voor de juiste terugkoppeling naar de ouders en fungeerde goed als doorgeefluik tussen de ouders en de

teamleiding/zaaksofficier. Het koppel bezocht de ouders regelmatig. De familierechercheurs hebben er

mede voor gezorgd dat de ouders op een professionele wijze werden voorbereid op de terechtzitting.

Ook de zaaksofficier kreeg lof van de ouders. Zij had, zeiden de ouders, veel betrokkenheid bij de zaak

zonder dat dat ten koste ging van professioneel optreden. Er is een aantal gesprekken geweest tussen de

ouders van Nienke en de zaaksofficier. De zaaksofficier is ook bij hen thuis geweest. De ouders waren ook

te spreken over de contacten met de advocaat-generaal. Zij gaven aan dat de ondersteuning door de advocaat-

generaal in de fase van het hoger beroep belangrijk is geweest.

De goede begeleiding van het familiekoppel, alsmede het optreden van de zaaksofficier van justitie en de

advocaat-generaal hebben de ouders geholpen bij de verwerking van hun verlies.

De vrouwelijke familierechercheur uit dit koppel heeft aangegeven dat ondanks de emoties die er waren,

ook op een zakelijke manier kon worden gepraat met de ouders van Nienke. De ouders begrepen dat niet

steeds alle onderzoeksinformatie aan hen kon worden gegeven. Deze rechercheur wees op het belang van

een training of opleiding voor familierechercheurs. Over het antwoord op de vraag of de taak van familierechercheur

moet worden vervuld door iemand van buiten een onderzoeksteam had zij twijfel. Zij had het zelf

in elk geval niet als hinderlijk ervaren dat zij deel uitmaakte van het onderzoeksteam. Zij zei dat er even aan

gedacht is haar te plaatsen in het verhoorkoppel van Kees B.. Ze was blij dat aan die gedachte geen uitvoering

is gegeven.

11.2.2 Maikel en zijn ouders

De moeder van Maikel is door de moeder van Nienke op de hoogte gebracht van wat Nienke en Maikel was

overkomen. De moeder van Maikel heeft de vader van Maikel gebeld. Zij zijn op eigen gelegenheid naar het

ziekenhuis gegaan waar Maikel naar toe was gebracht. Bij de ingang van het ziekenhuis werden de ouders

van Maikel opgewacht door een rechercheur van de JZZ. Hij had die avond JZZ-piketdienst en was in die

hoedanigheid opgeroepen. Hij heeft de ouders van Maikel opgevangen en heeft die eerste avond met hen

gesproken. Hij is vervolgens gedurende het gehele onderzoek één van de twee familierechercheurs van

Maikel en diens ouders gebleven. De tweede familierechercheur was een vrouwelijke JZZ-rechercheur. Zij

werd op 23 juni 2000 toegevoegd.

Al snel ontstonden spanningen tussen politie/justitie en de ouders van Maikel. De ouders wilden hun kind

beschermen en niet blootstellen aan verhoren over een voor hun zoon verschrikkelijke gebeurtenis, terwijl

politie en justitie juist met Maikel wilden praten om informatie te krijgen over de dader en de gebeurtenissen

in het Beatrixpark. Maikel was immers de belangrijkste bron van informatie voor de politie. Al in het ziekenhuis

was er verschil van opvatting over de momenten en de wijze waarop Maikel verhoord zou worden. Het

eerste echte verhoor van Maikel heeft in het ziekenhuis plaatsgevonden, in het bijzijn van Maikel’s vader.

Dat was een compromis tussen de ouders van Maikel en de politie. Later hebben de ouders geprobeerd het

aantal politieverhoren te beperken, omdat zij door wat Maikel vertelde over de verhoren en door zijn gedrag

voor en na de verhoren van mening waren dat Maikel de verhoren niet aankon. Uiteindelijk hebben Maikel

en zijn ouders steeds weer hun medewerking verleend, omdat zij de politie wilden helpen bij het oplossen

van het misdrijf. Zij voelden zich verplicht te helpen vanwege Nienke en omdat zij wilden dat de dader gepakt

zou worden; zij begrepen dat Maikel de belangrijkste getuige was. In Hoofdstuk 6 zijn de verhoren van

Maikel gedetailleerd beschreven.

DE FAMILIERECHERCHEUR

165

De moeder van Maikel heeft tijdens het interview aangegeven dat haar door de politie is gezegd dat als zij

niet zou meewerken en geen toestemming zou geven om Maikel te laten verhoren, zij uit de ouderlijke

macht ontzet kon worden. De moeder heeft dit als een onbehoorlijk en ongepast drukmiddel ervaren.

De omstandigheid dat Maikel formeel slachtoffer bleef, maar in feite (bijna) als verdachte werd aangemerkt

heeft complicerend gewerkt in de verhouding tussen Maikel en zijn ouders enerzijds en de familierechercheurs

anderzijds. De familierechercheurs, die een vertrouwensband dienden te hebben met Maikel en zijn

ouders, wisten van de twijfels die bij het onderzoeksteam bestonden over Maikel. Zij mochten daar echter

niet over praten met Maikel en zijn ouders.

Een extra complicerende factor voor beide partijen is dat de mannelijke familierechercheur betrokken is

geweest bij de studioverhoren van Maikel op 7 en 12 juli 2000. Dat waren harde en confronterende verhoren.

Maikel werd niet geloofd en dat werd hem keer op keer duidelijk gemaakt. In die studioverhoren was de

familierechercheur tamelijk hard tegen Maikel. Na de verhoren gingen zij iets leuks doen, ter ontspanning.

Na de verhoren praatten hij en Maikel niet over de verhoren. Maikel heeft in het interview gezegd dat hij

onderscheid maakte tussen de rollen die deze familierechercheur heeft gehad ten opzichte van hem. Als

verhoorder zag (en ziet) hij hem als politieambtenaar. Voor die rol heeft hij weinig waardering, ook al vond

Maikel het prettig dat een bekende van hem bij de verhoren was. Buiten de verhoren om was de familierechercheur

geen politieambtenaar, maar gewoon [naam familierechercheur]. Voor die rol heeft hij wel waardering.

De ouders van Maikel en Maikel zelf hebben een dubbel gevoel over de aan hen toegevoegde familierechercheurs.

De ouders en Maikel hadden meestal contact met de mannelijke familierechercheur. De andere

familierechercheur was wel aanwezig en verleende op de juiste momenten ondersteuning. De ouders

waarderen op zichzelf de contacten met de familierechercheurs positief, maar vooral de vader van Maikel

vindt dat de informatievoorziening door de politie slecht was. De ouders vinden dat de positie van de mannelijke

familierechercheur, achteraf gezien, ongelukkig was voor hemzelf, en ook voor de ouders en Maikel.

De ouders van Maikel nemen het vooral de teamleiding erg kwalijk dat er zo aan Maikel is getwijfeld en dat

de voorlichting over de verhoren zo slecht is geweest. Zij sluiten niet uit dat Maikel misschien wel meer

geestelijke schade heeft opgelopen van de verhoren door de politie dan van het misdrijf.

Al met al vinden de ouders van Maikel dat zij en Maikel niet of nauwelijks als slachtoffer zijn behandeld door

het onderzoeksteam en justitie.

De ouders van Maikel hebben waardering voor de manier waarop de zaaksofficier op de terechtzittingen

optrad. Buiten de terechtzittingen om zijn er contacten geweest tussen de ouders en de zaaksofficier, maar

die waren niet intensief. De ouders van Maikel hebben, voor zover zij zich dat herinneren, geen persoonlijk

contact met de advocaat-generaal gehad.

11.3 Conclusies

Vastgesteld kan worden dat de ouders van Nienke anders zijn behandeld door politie en justitie dan Maikel

en de ouders van Maikel. Dit is deels veroorzaakt door een verschil in aanpak tussen de verschillende koppels

familierechercheurs. Daar komt bij dat de contacten met de ouders van Maikel een stuk gecompliceerder

waren dan de contacten met de ouders van Nienke vanwege de verhoren van Maikel, de twijfel die

bestond over zijn rol, en vanwege de twijfel die altijd is blijven bestaan of Maikel wel alles had verteld.

DE FAMILIERECHERCHEUR

166

Concluderend kan gesteld worden dat de ouders van Nienke zeer tevreden waren over politie en justitie. De

ouders van Maikel en Maikel zelf hebben over de politie een dubbel gevoel. De aan de ouders van Nienke

en Maikel toegevoegde advocaten delen deze gevoelens.

Bij de interviews van de drie familierechercheurs is duidelijk geworden dat zij onbekend waren met het zijn

van familierechercheur en dat zij feitelijk in het diepe zijn gegooid. Zij hebben allen naar beste kunnen gewerkt.

Gebleken is dat door geen van de familiekoppels een administratie (logboek) is bijgehouden met daarin

gegevens over data, tijdstippen en duur van de bezoeken, de reden van het bezoek of de informatie die is

gegeven of gevraagd.

Nagenoeg alle geïnterviewde partijen hebben aangegeven dat het aan te bevelen is om familierechercheurs

een opleiding te geven en te werken volgens een plan van aanpak. Tevens werd aangegeven dat er

vertrouwen moet zijn tussen de familierechercheur en het slachtoffer/de nabestaanden. Als dat vertrouwen

er niet is, moet de familierechercheur gewisseld worden.

11.4 Aanbevelingen

Het verdient aanbeveling in het landelijke opleidingsaanbod van de politie een module op te nemen om

politieambtenaren die worden ingezet als familierechercheur op die taak voor te bereiden en in de toekomst

alleen politieambtenaren die bovenbedoelde opleiding hebben gevolgd in te zetten als familierechercheur.

101

De familierechercheur moet bij ernstige delicten geen deel uitmaken van het rechercheteam dat de zaak in

behandeling heeft.

De familierechercheur moet gebruik maken van een logboek waarin in elk geval opgenomen moeten worden

de data, duur en plaats van de bezoeken, het doel, op wiens initiatief het gesprek heeft plaatsgevonden,

de duur van het gesprek, de aanwezigen, welke vragen door het slachtoffer of de nabestaanden gesteld

zijn, welke vragen zijn gesteld door de familierechercheur, welke antwoorden en andere informatie

door beide partijen zijn gegeven. Tevens dient te worden vastgelegd wanneer en waar er met de teamleiding/

zaaksofficier overleg is gepleegd en wat men inhoudelijk van het lopende onderzoek heeft meegekregen.

De teamleiding moet volledig op de hoogte zijn van de taak van de familierechercheur en moet de positie

van de familierechercheur respecteren. De teamleiding moet zorg dragen voor de afbouw van de familierechercheur.

101 Bij de regiopolitie Utrecht bestaat sinds kort een opleiding tot familierechercheur. Mogelijk kan die opleiding als uitgangspunt

worden genomen. Iemand die aan die opleiding wil deelnemen, moet wel van tevoren een psychologische keuring ondergaan.

HOOFDCONCLUSIES

167

12 HOOFDCONCLUSIES

In dit hoofdstuk bespreek ik de belangrijkste conclusies van het evaluatieonderzoek.

De vreselijke misdrijven die op 22 juni 2000 in het Beatrixpark in Schiedam plaatsvonden, als gevolg waarvan

Nienke van 10 kwam te overlijden en Maikel van 11 op het nippertje aan de dood ontsnapte, is één van

de eerste zaken in Nederland waarin iemand hoogstwaarschijnlijk ten onrechte als dader is veroordeeld.

Ook dat is vreselijk. Voor de onterecht veroordeelde Kees B., voor de nabestaanden van Nienke en voor

Maikel en diens ouders, omdat voor hen de zaak nu nog niet afgesloten kon worden; en ook voor de politiemensen,

de leden van het OM, de rechters en alle anderen die op enigerlei wijze hebben bijgedragen

aan de totstandkoming van het onjuiste rechterlijk oordeel. Niemand heeft dat gewild. En het is des te

wranger dat het in deze zaak gebeurde, omdat alleszins duidelijk is hoezeer allen die betrokken waren bij

het proces van waarheidsvinding zich hebben ingespannen om tot een goede uitkomst te komen.

Juist het hoge emotionele gehalte van deze zaak kan gemakkelijk leiden tot al te simplistische verklaringen

voor de onterechte veroordeling van Kees B.. Kees B. was een man met pedofiele belangstelling en was in

het Beatrixpark toen de feiten gepleegd werden. Dan lijkt het voor de hand te liggen dat politie en justitie

met een tunnelvisie naar diens veroordeling hebben toegewerkt. Zo is het niet helemaal gegaan. De focus

was tot 10 september 2000 niet exclusief - zelfs niet in overwegende mate - op Kees B. gericht, hoewel

vanaf 12 juli 2000 zijn pedofiele belangstelling bekend was. Na de bekentenissen van Kees B. was er echter

weldegelijk sprake van tunnelvisie.

De belangrijkste basis van de onterechte veroordeling van Kees B. was zijn valse bekentenis. Justice

Jackson heeft in 1947 de volgende metafoor gebruikt voor de situatie waarin Kees B. kwam te verkeren:

"[After] an accused has once let the cat out of the bag by confessing, no matter what the inducement,

he is never thereafter free of the psychological and practical disadvantages of having confessed.

He can never get the cat back in the bag."102

Er zijn in deze zaak diverse dingen misgegaan die hierna worden samengevat. Maar wellicht heeft wel het

zwaarst gewogen dat vanaf Kees B.’s bekentenis er onvoldoende rekening is gehouden met of gehandeld

is naar de mogelijkheid dat ook iemand die niet op onrechtmatige wijze - en al helemaal niet welbewust - tot

een bekentenis is gebracht nog wel onwaarheid kan spreken. Allerlei fouten die soms ook al in een eerdere

fase waren gemaakt, werden versterkt door het ontbreken van een kritische blik en tegenspraak, zowel bij

degenen die direct bij het onderzoek betrokken waren als bij degenen die op enige afstand stonden, zoals

de korpsleiding van de regiopolitie Rotterdam-Rijnmond en de leiding van het Rotterdamse arrondissementsparket.

Te weinig gestructureerd onderzoek

De organisatie van tegenspraak heeft tijdens het opsporingsonderzoek en in de fase voorafgaand aan de

behandeling van de zaak door de rechtbank ontbroken. De zaaksofficier, de raio-officier, de leider onderzoek

en de plaatsvervangend leider onderzoek vormden vanaf het begin van het onderzoek een managementteam.

Het managementteam als geheel, aanvankelijk de facto aangevuld met een externe deskundige,

wees de voornaamste onderzoeksrichtingen aan. Het is echter niet vast komen te staan dat werd gewerkt

aan de hand van duidelijke checklists. Sommige onderzoekslijnen lijken intuïtief te zijn vastgesteld. Op zich

is dat niet verkeerd, maar het droeg wel bij aan een weinig gestructureerd onderzoek, waarbij bijvoorbeeld

102 United States v. Bayer, 331 US 532, 540 (1947), geciteerd in Peter Brooks, Troubling Confessions, University of Chicago

Press 2000, p. 147.

HOOFDCONCLUSIES

168

wel van heel veel mensen wangslijm is afgenomen, maar het microsporen-onderzoek op de plaats delict

veel te slordig is verlopen zonder dat dit tijdig is opgemerkt.

Vanaf de bekentenis van Kees B. werd het onderzoek geheel verdachtegeleid. Misschien was dit anders

gelopen als in die doorslaggevende weken na de bekentenis van Kees B. de plaatsvervangend leider onderzoek,

een zeer ervaren rechercheur, aanwezig was geweest. De zaaksofficier en de leider onderzoek

hebben zich toen evenwel zo opgesteld dat na 10 september 2000 nauwelijks nader misdrijfgeleid onderzoek

(andere onderzoekslijnen) is verricht en dat niet systematisch is gezocht naar inconsistenties tussen

de verschillende aanwijzingen.

Vanuit de korps- en parketleiding was weinig kritische aandacht voor het opsporingsonderzoek, voor degenen

die dat onderzoek leidden en voor de druk die op het onderzoek lag. De korps- en parketleiding hebben

onvoldoende de organisatie van tegenspraak gestimuleerd teneinde eventuele onvolkomenheden in het

onderzoek te voorkomen of tegen te gaan.

De ontlastende waarde van ontbrekende technische sporen

In dit onderzoek is gebleken hoe gevaarlijk het is als er onvoldoende synergie bestaat tussen het technische

en het tactische onderzoek. In het begin van het onderzoek zijn er fouten gemaakt ten aanzien van

het verzamelen en bewaren van de technische sporen. Als gevolg daarvan was het wellicht gemakkelijker

om het tegen de schuld van Kees B. pleitende argument dat van Kees B. geen sporen waren gevonden

terzijde te schuiven - hetgeen overigens aan de onbegrijpelijkheid van het feit dat daar nooit een goede

verklaring voor is gegeven niet afdoet. Het is positief te waarderen dat medewerkers van het NFI bij hen

levende twijfels hebben geuit. Het is jammer dat die twijfels ter terechtzitting niet naar voren zijn gekomen.

Recherchetactiek: onderscheid de identificatiefase van de bewijsfase

Er is in dit onderzoek enorm veel energie en menskracht gestopt. Het heeft daarbij in het begin ontbroken

aan een goede tactische planning. Men zou kunnen zeggen: er was veel massa, maar aanvankelijk weinig

focus.

In dit onderzoek is gebleken hoe belangrijk het is te beschikken over mensen en middelen voor de verwerking,

ordening en analyse van informatie. Daarmee is, zij het pas een paar weken na de feiten, weliswaar

een veelbelovend begin gemaakt, maar het project is afgebroken voor het zijn nut had kunnen bewijzen.

Bij de inrichting van het tactische onderzoek is nagelaten tegenspraak en toetsmomenten te organiseren.

Ten onrechte is na de bekentenis van Kees B. niet doorgerechercheerd om inconsistenties in zijn verklaring

ten aanzien van wat overigens bekend was te onderzoeken en ten onrechte is ook niet doorgegaan met

onderzoek op andere lijnen. Het heeft ontbroken aan kritische analyse en vergelijking van de verklaringen

van Kees B. met die van Maikel en anderen die gehoord waren.

Kritiek op de wijze van aanpak en de mate van succes bij het vinden van de dader (identificatiefase) is in

deze zaak minder relevant dan mijn kritiek op het onderzoek in de bewijsfase. Waar men in de identificatiefase

genoopt is verschillende scenario's door te rechercheren - en enige vrijheid bij de rechercheurs vruchtbaar

kan zijn - mag juist in de bewijsfase een krachtiger tactische leiding die ook tegenspraak oplevert worden

verlangd.

HOOFDCONCLUSIES

169

Van slachtoffer naar verdachte naar niet serieus genomen kroongetuige

Al zeer snel na het misdrijf is de mogelijkheid dat het tweede slachtoffer, Maikel, strafbare betrokkenheid

had bij de feiten in het Beatrixpark nadrukkelijk onder ogen gezien. In het kader van dit onderzoek hebben

op 7 en 12 juli 2000 jegens Maikel onfatsoenlijke verhoren plaatsgevonden. Het is onbegrijpelijk dat de

deskundige die het verhoor kon volgen, beweerdelijk om voor de belangen van de jongen op te komen, niet

heeft ingegrepen. Hoewel die harde verhoren niets hadden opgeleverd, is ten aanzien van Maikel nog

doorgerechercheerd tot in augustus 2000, toen eigenlijk al wel duidelijk was dat hij het niet had gedaan.

Maikel is slachtoffer van een afschuwelijk misdrijf. Ik hoop dat hij door dit onderzoek niet secundair is gevictimiseerd.

Op zich heeft de wijze waarop Maikel is behandeld slechts indirect bijgedragen aan de veroordeling van

Kees B.. Die indirecte bijdrage bestaat erin dat hij niet serieus werd genomen als getuige. Onderdelen van

de verklaringen van dit jeugdige slachtoffer werden weggeredeneerd en gerelativeerd voor zover zij aan de

veroordeling van Kees B. in de weg stonden. Het niet serieus nemen van die verklaringen is overigens niet

alleen aan de eerdere twijfels omtrent Maikel’s rol te wijten. Het is opvallend dat de bij de rechter getuigende

gedragswetenschappelijke deskundigen aan het niet serieus nemen van de voor Kees B. ontlastende

verklaringen van Maikel hebben voeding gegeven.

Een valse bekentenis zonder onrechtmatige druk

Wat zich precies heeft afgespeeld tijdens de verhoren van Kees B. in het weekend van 9 en 10 september

2000 is niet met volledige precisie te achterhalen, omdat ten onrechte geen gebruik is gemaakt van videoopnames

en omdat een aantal relevante processen-verbaal pas later zijn opgemaakt. Niettemin ben ik

ervan overtuigd dat op Kees B. geen ontoelaatbare druk is uitgeoefend, in de betekenis van druk die jegens

een ieder ontoelaatbaar zou zijn. Wel is het mogelijk dat vanwege de persoonlijkheid van Kees B., met

meer consideratie had moeten worden opgetreden.

De stelling dat Kees B. werd verhoord om zeker te stellen dat hij de dader niet was, lijkt op het eerste gezicht

niet erg aannemelijk, omdat hij op de dag na zijn aanhouding, dat wil zeggen op 6 september 2000,

ongeveer acht uren is verhoord en op 7 september 2000 opnieuw ongeveer 8 uren. Nadien is de druk op

hem verder toegenomen. Op 8 september 2000 is hij voorgeleid aan de rechter-commissaris en het verzoek

van de raadsman om bij de verdere verhoren aanwezig te kunnen zijn werd weliswaar door de RC niet

onwelwillend bezien, maar de zaaksofficier weigerde. Op 9 en 10 september 2000 legde Kees B. valse

bekentenissen af, waarover kennelijk de verhorende ambtenaren soms ook enige twijfels hadden.

De politie heeft onvoldoende gehandeld naar - of is onvoldoende doordrongen geweest van - het feit dat

ook zonder dat sprake is van een door onrechtmatig optreden van de politie afgedwongen bekentenis een

valse bekentenis kan zijn afgelegd. Met andere woorden: soms leggen mensen uit vrije wil een valse bekentenis

af, of verkeren zij in een zodanige psychische of sociale toestand dat zij zich genoopt voelen zulks

te doen. De vrijheid waarmee die verklaring dan is afgelegd doet er onder omstandigheden niet aan af dat

een bijzondere plicht op de teamleiding en/of de officier van justitie kan rusten om te laten onderzoeken of

zo'n valse bekentenis is afgelegd. Een dergelijk geval deed zich - in aanmerking genomen de indruk die

men van Kees B. had en de waarschuwende woorden over de persoonlijkheid van Kees B. voorafgaand

aan de verhoren van het weekend van 9 september 2000 - voor, maar van een dergelijk onderzoek is in

casu niet gebleken.

HOOFDCONCLUSIES

170

Daadkrachtig afwerken in plaats van objectiviteit

De verslaglegging van het onderzoek toont gebreken. Juist in zaken waarin twijfel kan bestaan over de

schuldvraag, is het van belang dat politie en officier van justitie de rechter en de verdediging een dossier

voorleggen dat - minstens in beperkte mate - inzicht geeft in hetgeen ten behoeve van het onderzoek is

verricht, dat nauwkeurig is en dat weliswaar kan zijn toegesneden op de uiteindelijke verdachte maar dat

niet zodanig gestructureerd mag zijn dat elementen van twijfel aan het oog worden onttrokken.

De zaaksofficier heeft na de bekentenis van Kees B. te zeer gekozen voor een daadkrachtig afwerken van

de zaak in plaats van voor een objectieve, kritische doordenking van een en ander. Er is bewust voor gekozen

om geen andere onderzoeksrichtingen meer uit te werken. De officier heeft nagelaten om de rechter en

de verdediging te wijzen op het feit dat deskundige 2 eerder zeer nauw betrokken was geweest bij het onderzoek

van de politie, waardoor hij niet als onbevooroordeeld deskundige had mogen worden beschouwd.

Na de veroordeling in eerste aanleg raakte de zaaksofficier op de hoogte van de twijfels die bij het NFI

leefden over de betrokkenheid van Kees B. bij de strafbare feiten. Zij heeft ten onrechte nagelaten het ressortsparket

Den Haag hiervan op de hoogte te stellen.

Hoe de ernst van het delict de redelijke twijfel over de dader aftroefde

De advocaat-generaal heeft met professionele afstandelijkheid en kritische betrokkenheid de zaak beoordeeld.

Het standpunt dat zij uiteindelijk in het requisitoir heeft ingenomen, is in het licht van nauwgezette

analyse van de door haar gesignaleerde vragen en ongerijmdheden moeilijk te begrijpen en is niet inzichtelijk

geworden. Ook de door anderen, onder wie medewerkers van het NFI, geuite aarzelingen zijn terzijde

gelaten. De gedachte dringt zich op dat de AG vanwege de ernst van het delict niet heeft gehandeld naar

het adagium ‘in dubio pro reo’. Het naleven van dat adagium betekende immers dat de AG er ook aan zou

hebben kunnen bijdragen dat in deze zaak de mogelijke dader vrijuit zou gaan.

BELANGRIJKSTE AANBEVELINGEN

171

13 BELANGRIJKSTE AANBEVELINGEN

Hieronder som ik per hoofdstuk de belangrijkste aanbevelingen op. Ook dat zijn er nog veel. Sommige aanbevelingen

betreffen eenzelfde thema. De zeven voornaamste thema’s waarover aanbevelingen worden

gedaan zijn de volgende.

1. Bij kapitale delicten moet de parketleiding stimuleren dat op zijn laatst in de fase waarin de zitting bij de

rechter wordt voorbereid, een vorm van tegenspraak door de behandelend officier van justitie wordt

georganiseerd, opdat wordt bevorderd dat ontlastende omstandigheden voldoende naar waarde worden

geschat.

2. Bij kapitale delicten moet bij de politie tegenspraak worden georganiseerd.

3. De kennis van officieren van justitie op forensisch-technisch gebied en van het tactische recherchewerk

moet worden vergroot. Het NFI moet duidelijker rapporteren.

4. Binnen de politie moet het beheer van stukken van overtuiging en sporenmateriaal beter geregeld worden.

5. In grote onderzoeken moeten de verdachtenverhoren audiovisueel worden vastgelegd. In opleidingen

moet aandacht worden besteed aan de theorie en de praktijk van het verdachtenverhoor en aan het fenomeen

van de valse bekentenis.

6. Deskundigen die een rol hebben gespeeld in het opsporingsonderzoek, moeten slechts onder nadrukkelijke

vermelding van die rol, worden voorgedragen als deskundige ter terechtzitting of bij de rechtercommissaris.

7. Er moeten kaders worden vastgesteld voor de invulling van de taak van de officier van justitie als leider

van het opsporingsonderzoek. De officier van justitie moet zich er voortdurend van bewust zijn dat andere

procesdeelnemers, in het bijzonder rechter en verdediging, voor een goede vervulling van hun

functie deels afhankelijk zijn van de officier van justite.

Hoofdstuk 1

Het bewaren en archiveren van onderzoeksmateriaal levert vaak problemen op, zowel bij politie als bij justitie.

Die problemen doen zich voor bij oude zaken, maar ook bij recente zaken. Wanneer een zaak ‘van de

plank’ of uit het archief wordt gehaald, blijkt niet zelden dat materiaal zoek of vernietigd is. Het gaat daarbij

niet alleen om papieren onderzoeksmateriaal, maar ook om digitaal of audiovisueel materiaal, foto’s en

negatieven, om materiaal van de technische recherche, om stukken van overtuiging en monsters die genomen

zijn van stukken van overtuiging.

Het is niet duidelijk welke regels gelden voor het bewaren van onderzoeksgegevens en -materialen. Medewerkers

bij politie en justitie weten niet waaraan zij zich moeten houden. Niemand voelt zich verantwoordelijk

voor het beheer. Nu het met de huidige stand van de techniek soms mogelijk is een oude zaak tot oplossing

te brengen en gelet op het wetsvoorstel ten aanzien van de wijziging van de regels in het Wetboek

van Strafrecht over verjaringstermijnen, is het belangrijk dat het onderzoeksmateriaal volledig is en dat het

onder goede omstandigheden bewaard wordt.

Het verdient dan ook aanbeveling dat er duidelijke regels worden opgesteld voor het bewaren en archiveren

van onderzoeksmateriaal en dat de verantwoordelijkheid voor het beheer ervan eenduidig wordt belegd.

Hoofdstuk 3

Op 1 januari 2004 is het ‘Raamwerk Team Grootschalige Opsporing (TGO)’ in werking getreden. Dat

raamwerk is een landelijk model dat onder verantwoordelijkheid van de Raad van Hoofdcommissarissen

door het programmabureau Abrio is opgesteld. De regiokorpsen moeten het raamwerk uitvoeren en nader

invullen met regionale TGO-regelingen. Doel van het Raamwerk TGO en de regionale uitvoeringsregelingen

is verhoging van de kwaliteit van de opsporing bij kapitale delicten. De kwaliteitsverbetering komt onder

BELANGRIJKSTE AANBEVELINGEN

172

meer tot uiting in de aanwijzing van een vaste kern leidinggevenden, de aanwijzing van een vaste kern van

ervaren medewerkers, competentieprofielen voor de verschillende functies binnen een TGO, aanscherping

van de rol van de teamleider TGO, uniformering ten aanzien van de te gebruiken processen-verbaal, draaiboeken,

checklists e.d., implementatie van het PD-management (zie Hoofdstuk 4), tussentijdse en eindrapportages

en collegiale toetsing. Het laatste onderwerp is nader uitgewerkt in het document met de titel

““Thema of voortgang review” bij een team grootschalige opsporing”.

Het Raamwerk TGO en de regionale TGO-regelingen voorzien in potentie in oplossingen van een aantal

problemen die bij RAG ‘Park’ te zien waren: het gebrek aan leidinggevende ervaring bij de teamleiding, de

teveel inhoudsgerichte sturing door de teamleiding, het ontbreken van kritische aandacht van de kant van

de korpsleiding, de gebrekkige verslaglegging, het ontbreken van tussentijdse voortgangsrapportages. Het

verdient daarom aanbeveling dat de TGO-structuur in de praktijk wordt gevolgd.

Betrek bij onderzoeken in ernstige zaken waarbij de schuldvraag niet ondubbelzinnig duidelijk is, van buiten

komende referenten. Onder referenten versta ik niet bij het onderzoek betrokken (recherche)deskundigen,

die de beschikbare informatie krijgen, tegen het licht houden en op grond van hun ervaring en deskundigheid

vragen kunnen stellen c.q. nog niet in het onderzoek aangevoerde argumenten te berde kunnen brengen.

Als (in beginsel) onafhankelijke deskundigen als referent zijn ingeschakeld, kunnen zij echter niet meer

worden gepresenteerd als onafhankelijk deskundige ter terechtzitting.

Benoem de onderzoeksrichtingen die niet worden uitgerechercheerd en administreer en archiveer die op

een manier dat er later op kan worden teruggegrepen.

In een opsporingsonderzoek kan een onderscheid worden gemaakt tussen de identificatiefase (fase waarin

gezocht wordt naar de dader) en de bewijsfase (fase waarin een zitting bij de rechter wordt voorbereid).

Juist in de tweede fase is de organisatie van tegenspraak van belang. Het verdient aanbeveling dat binnen

het Openbaar Ministerie in bepaalde categorieën zaken, bijvoorbeeld zaken waarin de politie volgens de

TGO-structuur heeft gewerkt, lopende het onderzoek informatievoorziening aan leidinggevenden binnen het

parket wordt gestandaardiseerd, alsmede dat een geïnstitutionaliseerde vorm van tegenspraak wordt ontwikkeld

en dat na afloop evaluatie plaatsvindt.

Hoofdstuk 4

Het verdient aanbeveling in grote(re) onderzoeken een coördinator van de technische recherche toe te

voegen aan de teamleiding of één technisch rechercheur aan te wijzen als contactpersoon voor het tactische

team.

Het verdient aanbeveling om van alle technische onderzoeken, dus ook van de technische onderzoeken

met negatieve uitkomst, verslag te doen in proces-verbaalvorm of in rapportvorm en die verslaglegging toe

te voegen aan het dossier. Bij krachtige in potentie ontlastende technische bevindingen moet hieraan expliciet

aandacht worden besteed.

Door de technisch rechercheurs is geen technisch journaal bijgehouden waarin zij verslag hebben gedaan

van bijvoorbeeld hun contacten met het onderzoeksteam en het NFI, of van intern overleg waarbij is gesproken

over onderzoeksmogelijkheden. Het verdient aanbeveling dat de TR, voor intern gebruik, een

technisch journaal bijhoudt.

De ‘chain of evidence’ en de ‘chain of custody’ van de stukken van overtuiging (SVO) was vaak onduidelijk.

Dat kan problemen opleveren in strafzaken. Naarmate technisch bewijs onaantastbaarder is en belangrijker

in de bewijsvoering wordt, komt er immers meer aandacht voor de formele kanten van technisch onderzoek:

zijn de FT (forensisch-technische)-normen in acht genomen, zijn de SVO’s wel goed bewaard, hoe zit het

BELANGRIJKSTE AANBEVELINGEN

173

met de administratie e.d. Het verdient aanbeveling om binnen een onderzoeksteam waar veel in beslag

genomen is, iemand te belasten met het sporenbeheer. Die persoon moet een overzicht bijhouden van de

SVO’s en sporen in het onderzoek. Hij moet kunnen zeggen waar de SVO’s zijn, welke onderzoeksopdrachten

zijn uitgezet en uitgevoerd, en wat de resultaten van de onderzoeken waren.

Daarnaast zou - op landelijk niveau - een database ontwikkeld moeten worden ten behoeve van registratie

van SVO’s, die het mogelijk maakt SVO’s en sporen te volgen gedurende het onderzoek en waarin ook

onderzoeksopdrachten verwerkt kunnen worden.

Voor de lange termijn is het misschien mogelijk een landelijk systeem in te voeren waarbij met behulp van

technische mogelijkheden een SVO of een spoor een uniek nummer krijgt en gevolgd kan worden door het

onderzoek en de hele strafrechtsketen heen (en ook daarna, als dat nodig is). Dat systeem moet gebruikt

worden door politie, justitie en NFI.

Er is geen FT-norm voor het veiligstellen en bewaren van een stoffelijk overschot. Het verdient aanbeveling

zo'n FT-norm te ontwikkelen. In zo'n FT-norm zouden regels moeten worden opgenomen over bijvoorbeeld

de kwaliteit en het materiaal van de lijkenzak, over hoe een stoffelijk overschot vervoerd en bewaard moet

worden, en dat het bewaard moet worden in een afgesloten ruimte waartoe alleen de politie toegang heeft.

Het verdient aanbeveling meer beeldopnames te maken van gerechtelijke secties. Ook verdient het aanbeveling

na te gaan of de schriftelijke verslaglegging van secties uitgebreider en gedetailleerder moet of verduidelijkt

kan worden met foto’s.

Door een aantal NFI-medewerkers en -leidinggevenden is naar voren gebracht dat in een zeer klein aantal

zaken bij het NFI grote twijfel bestaat over de betrokkenheid van een verdachte bij de strafbare feiten. In die

gevallen weet het NFI vaak niet waar men met die twijfel heen moet. Voor zulke gevallen moet een procedure

worden ontwikkeld om deze twijfel ter kennis te brengen aan de verantwoordelijken binnen het OM of

aan de zittende magistratuur. In elk geval zou een deskundige zijn twijfel duidelijk kenbaar moeten kunnen

maken in zijn rapport.

Persoonlijke betrokkenheid van de officier van justitie bij het forensisch-technisch onderzoek en bij de contacten

met het NFI is belangrijk. De kennis van technische onderzoeken is bij de meeste officieren van

justitie kleiner dan wenselijk en noodzakelijk is. Het verdient aanbeveling te investeren in het vergroten van

die kennis.

De wijze van rapporteren van het NFI sluit vaak niet aan bij het kennisniveau van politie, OM, rechter en

verdediging. Het is wenselijk dat de wereld van de forensische deskundigen en de wereld van de juristen

naar elkaar toe groeien. Het NFI moet uitgebreider en duidelijker rapporteren. Politie en juristen moeten

moeite doen zich te verdiepen in het forensisch-technische werk.

De verdediging is voor het laten verrichten van (aanvullend) DNA-onderzoek afhankelijk van de officier van

justitie of de rechter. In de onderhavige zaak heeft de verdediging ook niet kunnen kennisnemen van de

twijfel van het NFI. Het verdient aanbeveling om te bezien of en hoe de positie van de verdediging in deze

versterkt moet worden.

Hoofdstuk 5

Bij veel grootschalige onderzoeken komt in de eerste fase van het onderzoek erg veel informatie naar boven.

Daarop moet men voorbereid zijn, zowel met apparatuur als met mensen. Ook aan het begin van een

grootschalig onderzoek moeten systemen voor de verwerking van informatie meteen beschikbaar en operaBELANGRIJKSTE

AANBEVELINGEN

174

tioneel zijn. De politieambtenaren moeten overweg kunnen met de systemen die er zijn. Door leidinggevenden

binnen de politie moet er op worden toegezien dat het politiepersoneel opgeleid is voor en overweg kan

met de systemen waarvan men geacht wordt ze te gebruiken.

In veel onderzoeken is de schuldvraag van de verdachte niet problematisch. Maar er zijn onderzoeken

waarin dat anders is. Zij die langere tijd betrokken zijn geweest bij een onderzoek kunnen hun objectieve

blik op hun onderzoek verliezen. Dat kan leiden tot het niet onder ogen (willen) zien van alternatieve scenario's.

In opleidingen van leidinggevende politieambtenaren wordt tegenwoordig aandacht besteed aan zulke

fenomenen. Ook in opleidingen van rechterlijke ambtenaren moet aandacht worden besteed aan het voorkomen

van tunnelvisie.

Veel politieregio's leveren ondanks de afgesloten convenanten relatief weinig zedenzaken aan bij ViCLAS,

waardoor het systeem onderbenut wordt. Daardoor wordt de waarheidsvinding mogelijk belemmerd. Stimuleer

daarom de politieregio’s zedenzaken aan te leveren. Het is van belang ook oude zedenzaken op te

nemen in de ViCLAS-bestanden.

Het verdient aanbeveling leden van het OM een rechercheopleiding te laten volgen. In zo’n cursus moet

aandacht worden besteed aan bijvoorbeeld de standaardopzet van een opsporingsonderzoek, informatiemanagement,

PD-management en misdaadanalyse.

Hoofdstuk 6

In stukken die naar rechter en verdediging gaan, moet melding worden gemaakt van en zonodig verantwoording

worden afgelegd over inhoudelijke contacten tussen politie/justitie en deskundige, voor zover die

contacten het karakter van incidentele adviesinwinning op ondergeschikte punten te boven gaat.

In gecompliceerde zaken moet de deskundige die politie/justitie adviseert in het kader van de hulpverlening

niet ook degene zijn die een pro justitia rapport opmaakt.

Het Protocol Studioverhoren zou op de volgende punten moeten worden aangevuld:

- Indien een tweede studioverhoor van een jongere onder de 12 wordt uitgevoerd, moet dat beargumenteerd

worden. De argumenten moeten in een proces-verbaal worden vastgelegd. Dat procesverbaal

moet worden opgenomen in het dossier.

- Indien wordt afgeweken van de procedure zoals beschreven in het Protocol Studioverhoren moet

dat beargumenteerd worden. De argumenten moeten in een proces-verbaal worden neergelegd.

Het proces-verbaal moet bij de stukken worden gevoegd. Ook bij een tweede of verder verhoor is

een uitdrukkelijke toestemming van de officier van justitie vereist.

- Indien sprake is van een zeer ernstig misdrijf moet een ervaren studiobeheerder bij de verhoren

betrokken zijn. Studiobeheerder en studioverhoorder moeten in zo’n zaak niet in één persoon verenigd

zijn.

- Bij het maken van beeldopnames moet ook de studioverhoorder in beeld zijn, zodat niet-verbale

communicatie is te zien.

In strafrechtelijke onderzoeken moet bij politie en justitie meer kritische aandacht zijn voor de rol van de

deskundige en de aan de deskundige te geven opdracht.

Hoofdstuk 7

In opleidingen van politieambtenaren, in het bijzonder van degenen die zich in zwaardere onderzoeken

bezighouden met het verhoren van verdachten en getuigen, en in opleidingen van leidinggevenden in zulke

BELANGRIJKSTE AANBEVELINGEN

175

onderzoeken, moet meer aandacht worden besteed aan verhoortechnieken en -tactieken. Het is noodzakelijk

ook aandacht te besteden aan de theoretische kanten van het verhoor. Daarbij moet onder meer aandacht

zijn voor het fenomeen van de valse bekentenis en de mogelijke invloed van een verhoor en de verhooromstandigheden

op de verhoorde persoon. Ook moet aandacht worden besteed aan de manieren

waarop onbedoeld en ongewild de verhoorde deelgenoot wordt van informatie die hij niet had moeten weten.

Ook in opleidingen van rechterlijke ambtenaren moet aandacht worden besteed aan de praktische en

theoretische kanten van het verhoor.

Politie en justitie moeten er alert op zijn dat ook als in een verhoor geen sprake was van ongeoorloofde

druk of onrechtmatige verhoormethodes, een valse bekentenis kan zijn afgelegd. De persoon van de dader

speelt daarbij een belangrijke rol.

Er moeten met mensen van wie de verklaringen van belang (kunnen) zijn in het kader van de waarheidsvinding,

geen scenarioverhoren worden gehouden. Als er behoefte is aan het ontwikkelen van scenario's,

dient dit binnen het team te gebeuren, eventueel met assistentie van externe deskundigen.

In grote zaken moet worden gewerkt met verhoorplannen. Dat geeft houvast in en structuur aan het verhoor,

biedt de mogelijkheid rekening te houden met de persoonskenmerken van de verdachte en verkleint

de kans dat ongewild en onbedoeld daderwetenschap wordt prijsgegeven.

Hoofdstuk 8

Het College van procureurs-generaal is bezig met het opstellen van een OM-aanwijzing voor de audiovisuele

vastlegging van verdachtenverhoren. In die aanwijzing moet ook worden omschreven in welk type zaken

het aangewezen is om meer verhoren dan alleen de verdachtenverhoren – dus ook van het/de slachtoffer(

s) en van getuigen – op te nemen, audiovisueel of tenminste op geluidsband. Neem in de aanwijzing

ook op dat de cameraopstelling zodanig is, dat niet alleen de verdachte (of slachtoffer of getuige) zichtbaar

is, maar ook de verhoorder(s). Bepaal in de aanwijzing iets over de buitenverhoorse contacten tussen verhoorder

en verhoorde.

Vermeld in het proces-verbaal altijd de begin- en eindtijd van een verhoor en van onderbrekingen van het

verhoor en vermeld welke consumpties tijdens het verhoor zijn gebruikt.

Hoofdstuk 9

Betrokkenheid van de officier van justitie bij een opsporingsonderzoek is goed, maar de taak van de officier

van justitie brengt mee dat het afstandelijke betrokkenheid blijft. De kwaliteit van de opsporing en de vervolging

wordt meer gediend als politie en justitie in hun (nauwe) samenwerking ieder hun eigen rol vervullen

dan wanneer de officier van justitie één wordt met de politie. De vraag hoe de officier van justitie leiding

behoort te geven aan het opsporingsonderzoek wordt binnen en buiten het OM niet eenduidig beantwoord.

Het verdient naar mijn mening aanbeveling hiervoor nadere kaders vast te stellen opdat duidelijk wordt wat

het gezag over de opsporing inhoudt en ook wat dit niet inhoudt. Ook in de opleiding van officieren van

justitie zal nadrukkelijk(er) aandacht besteed moeten worden aan de noodzaak van het bewaren van voldoende

distantie en hoe dit in de praktijk gerealiseerd kan worden.

Louter op grond van deze zaak kan gezegd worden dat een onderscheid tussen de identificatiefase en de

bewijsfase in het onderzoek richting kan geven aan de invulling van de verschillende taken van de officier

van justitie in een opsporingsonderzoek. In de identificatiefase kan de officier van justitie van betrokkenheid

blijk geven, mits dit niet ten koste gaat van de kritische distantie ten aanzien van de toepassing van

BELANGRIJKSTE AANBEVELINGEN

176

dwangmiddelen en evenmin van de kritische distantie die noodzakelijk is in de fase waarin de zaak wordt

rijp gemaakt voor de zitting.

In opsporingsonderzoeken waarin de politie volgens de TGO-structuur werkt, heeft de leiding van het arrondissementsparket

de verantwoordelijkheid maatregelen en voorzieningen te treffen waardoor het mogelijk

is (in een vroeg stadium) eventuele onvolkomenheden in het opsporingsonderzoek of het optreden van

de zaaksofficier te herstellen of te voorkomen en om zonodig bij te sturen. Eén van de manieren is het tijdig

organiseren van één of meer OM-reviews lopende het onderzoek. De wijze van review moet nader worden

ingevuld. Hiertoe kan de bestaande ‘Aanwijzing tweede beoordeling (‘second opinion’) opsporingsonderzoeken’

worden aangevuld of er kan een nieuwe aanwijzing worden gemaakt. Er moet parallel aan de ontwikkelingen

bij de politie bij TGO-zaken, binnen het Openbaar Ministerie een pool van reviewers worden

ingesteld en opgeleid.

Van de kant van het OM moet aandacht zijn voor de volledigheid en juistheid van het eindproces-verbaal en

het relaasproces-verbaal. Dat geldt in het bijzonder ten aanzien van de vraag of stukken of gegevens die

als ontlastend beschouwd zouden kunnen worden, bekend zijn bij de overige procesdeelnemers. Het verdient

aanbeveling aan dit punt aandacht te besteden in een (SSR-)cursus.

De cursus Dossiervorming die op de Politieacademie wordt gegeven biedt een basis voor de functie van pvcoördinator

en moet verplicht gesteld worden voor degenen die deze functie hebben in grote onderzoeken.

Hoofdstuk 10

Een AG moet er alert op zijn of het dossier dat hij in hoger beroep voorgelegd krijgt een eenzijdig beeld van

het opsporingsonderzoek geeft. Zonodig moet hij zich verdiepen in de niet aangeleverde stukken van het

onderzoeksdossier en het procesdossier aanvullen.

In zaken van groot gewicht heeft het de voorkeur twee advocaten-generaal te belasten met de zaak. Binnen

de organisatie moet daarvoor tijd en ruimte worden gemaakt.

De leiding van het ressortsparket moet in zaken van gewicht blijk geven van kritische belangstelling.

Hoofdstuk 11

Het verdient aanbeveling in het landelijke opleidingsaanbod van de politie een module op te nemen om politieambtenaren die worden ingezet als familierechercheur op die taak voor te bereiden en in de toekomst alleen politieambtenaren die bovenbedoelde opleiding hebben gevolgd in te zetten als familierechercheur. De familierechercheur moet bij ernstige delicten geen deel uitmaken van het rechercheteam dat de zaak in behandeling heeft.

De familierechercheur moet gebruik maken van een logboek waarin in elk geval opgenomen moeten worden de data, duur en plaats van de bezoeken, het doel, op wiens initiatief het gesprek heeft plaatsgevonden, de duur van het gesprek, de aanwezigen, welke vragen door het slachtoffer of de nabestaanden gesteld zijn, welke vragen zijn gesteld door de familierechercheur, welke antwoorden en andere informatie door beide partijen zijn gegeven. Tevens dient te worden vastgelegd wanneer en waar er met de teamleiding/ zaaksofficier overleg is gepleegd en wat men inhoudelijk van het lopende onderzoek heeft meegekregen.

Erratum

Om redenen van privacy is besloten om bijlage 3, de namenlijst van degenen die in het kader van het evaluatieonderzoek zijn geïnterviewd, niet aan het rapport toe te voegen.

 

 

Opstand Openbaar Ministerie tegen de rechtstaat! De moord op Pim kost Nederlanders veel vrijheid (van meningsuiting) en een Fortuyn

1. Pim Fortuyn over Openbaar Ministerie: "Ik zal mij na 15 mei 2002 zeker ook inspannen om het OM een halt toe te roepen en zo mogelijk op de terugweg te dwingen"

2. Ministerie van Justitie: Toch wist justitie zo ongeveer een uur na de moord al te melden, dat Folkert van der G. in zijn eentje opereerde.

3. Openbaar Ministerie: Politie en de voormalige Binnenlandse Veiligheidsdienst (BVD) hebben een zeer vergevorderd onderzoek naar links-radicale dierenactivisten moeten staken omdat het openbaar ministerie de geldkraan vorig jaar pardoes dichtdraaide.

332 POM & Fortuyn Mr. M. Moszkowicz sr.: "Leven we nog in een rechtsstaat?"
193 POM & Fortuyn Toeschrijven naar conclusie bekende truc overheid om de aandacht af te leiden van zaken waar het werkelijk om gaat
482 POM & Fortuyn Confrontatie LPF met CDA Minister van Justitie Donner over norm voor meenemen of wepmeppen van winkeldief
487 POM & Fortuyn Hans Smolders: "Als je er zelf inzit dan zie je pas hoe de mensen door Den Haag belazerd worden"
183 POM & Fortuyn Democratie in Nederland is een illusie III, Vetorecht CDA/VVD over LPF'ers
182 POM & Fortuyn Democratie in Nederland is een illusie II, Lijst Pim Fortuyn razendsnel ingepolderd
288 POM & Fortuyn Democratie in Nederland is een illusie I, waarschuwing voor kamerleden/onderhandelaars LPF
178 POM & Fortuyn De kunst van het liegen, tevens waarschuwing voor Hoekstra in onderzoekscommissie Haak 
281 POM & Fortuyn Hetze en taalgebruik tegen Fortuyn. Partij van de Arbeid krijgt pak slaag van kiezers
280 POM & Fortuyn Informatie over de commissie en het (overheid)onderzoek naar de beveiliging rond Pim Fortuyn
282 POM & Fortuyn Westbroek: Één mistdruppel voel je niet, maar komt het van alle kanten dan zorgt dat voor een ander politiek klimaat 
275 POM & Fortuyn Demmink zou LPF-minister Nawijn hebben gewaarschuwd geen lijsttrekker te worden omdat LPF uit criminelen zou bestaan
485 POM & Fortuyn Rene Diekstra op zoek waarom gevestigde politiek geen afdoende antwoord had op Fortuyn
486 POM & Fortuyn Pim Fortuyn van Nederlandse Le Pen tot Kennedy 
286 POM & Fortuyn Volkert leek vooral berekenend. Klacht Milieu-Offensief bij Raad voor de Journalistiek ongegrond
391 POM & Fortuyn Openbaar Ministerie: "Van der G. is een calculerende dader" 
105 POM & Fortuyn Toelichting officier ter terechtzitting Amsterdam in strafzaak verdachte moord Fortuyn
483 POM & Fortuyn Schending ambtsgeheim ex art. 272.1 Sr door loco-burgemeester op de avond van de moordaanslag op Pim Fortuyn

Eerbetoon aan openbare kritiek op de rechtspraak in Nederland van Moszkowics advocaten
285 Mr. Moszkowicz: Hijheeft als enige mij correct behandeld en was naar eigen zeggen niet thuis in het gezondheidsrecht
160 Mr. Moszkowicz: Geen omgang tussen kind en vader omdat er geen sprake is van incest
212 Mr. Moszkowicz: Valse aanklacht tegen vader gegrond maar ook dit kind blijft in handen van de gesubsidieerde voogdij
089 Mr. Moszkowicz: "Onbegrijpelijk dat zoveel advocaten dubbelfunctie rechter-plaatsvervanger vervullen
332 Mr. M. Moszkowicz sr.: "Leven we nog in een rechtsstaat?"

 

 

 

Regeerakkoord 2017 VVD, CDA, D66 en ChristenUnie willen van Nederland een afluisterstaat maken!


PAR POM Met groot materieel en politie wordt op 19 maart 2014 in Ermelo uitgerukt om een paar Groep Hop verkiezingsborden weg te halen
(562) POM Regeerakkoord 2017 VVD, CDA, D66 en ChristenUnie willen van Nederland een afluisterstaat maken!
(224) POM Groep Hop is tegen De Sleepwet om iedere burger ongecontroleerd af te kunnen luisteren
(114) POM De Nederlandse Vereniging voor Rechtspraak is de beroepsvereniging van rechters en officieren van Justitie in Nederland
(293) POM Nederlandse Vereniging voor Rechtspraak: "Het dwangmiddel tot afname van DNA-materiaal kan blijkens het wetsvoorstel worden toegepast zonder dat er een concreet delict in het vooruitzicht is gesteld, met andere woorden er hoeft geen verdenking te zijn"
(389) POM Hop eist al vanaf 1997 een VERBOD op de dubbelfunctie Officier van Justitie en gelijktijdig Rechter-plaatsvervanger om een einde te maken aan de infiltratie van het Openbaar Ministerie in het rechtersleger
(305) POM Hoofdofficier van Justitie van Gend weigert strafvervolging in te stellen tegen het feit dat 200 rechters van de rechtbank Den Haag nevenfuncties niet hebben opgegeven
(306) POM Op 27 januari 1998 stelt Hop de vraag in een persbericht: Is er een complot van het Openbaar Ministerie en Rechterlijke Macht tegen de democratische rechtsstaat?
(323) POM Bolkenstein: "Het ziet er echter naar uit dat het OM, gesteund door de rechters, verenigd in de belangenvereniging NVvR (Nederlandse Vereniging voor Rechtspraak), zich en bloc tegen de minister en de Tweede Kamer keren"
(307) POM Persverklaring College van Procureurs-generaal: Reorganisatie Openbaar Ministerie is een onomkeerbaar proces dat hoe langer hoe meer op de parketten gestalte krijgt
(188) POM Opslaan internetsporen 'erger dan de Stasi, Met EU richtlijn om op grote schaal verkeersgegevens op te slaan is Europa een grote politiestaat geworden
(273) POM Mobiele telefoon. Wetsvoorstel en besluit vorderen gegevens telecommunicatie
(292) POM Iemand die 'foute' denkbeelden of activiteiten heeft of 'foute' mensen kent, loopt de grootste kans om door de overheid afgeluisterd te worden. Afhankelijk van de overheid kan 'fout' crimineel, te sociaal, te kritisch, te nieuwsgierig, buitenlands of simpelweg 'politiek anders georiënteerd' betekenen,
(334) POM Misbruik van bevoegdheden door de overheid en Justitie is van alle tijden. Wie zich niet coöperatief opstelt, kan door een overheid als geestesziek worden aangemerkt
(370) POM Het Openbaar Ministerie, de politie en de veiligheidsdiensten willen wetten aanpassen en oprekken om het opslaan en uitwisselen van gegevens, die op geen enkele manier op onjuistheid getoetst zullen worden, over niet-verdachte burgers mogelijk te maken
(414) POM Wet Bijzondere Opsporingsbevoegdheden 27 mei 1997 geeft inzicht in werkwijze openbaar ministerie en politie en het opslaan van gegevens over burgers in allerlei geheime dossiers
(431) POM IP-adres=IP-nummer & DATA MINING! Wettelijke bevoegdheid voor opsporingsinstanties om te vorderen dat de houder van gegevens deze ten behoeve van de opsporing bewerkt (data mining of register vergelijking)
(475) POM Politie en camera's: Verkeerscamera's kunnen ook mooi gebruikt worden om te bepalen welke voertuigen zich waar in het land bevinden
(508) POM & Sleepwet VVD en PvdA willen in 2015 nog meer bevoegdheden om burgers af te luisteren en in de gaten te houden en politie en Openbaar Ministerie mogen inbreken, aftappen en observeren op servers en computers van burgers
(622) POM VVD en PvdA willen in 2015 nog meer bevoegdheden om burgers af te luisteren en in de gaten te houden en politie en Openbaar Ministerie mogen inbreken, aftappen en observeren op servers en computers van burgers
(623) POM Van alle elektronische akten burgerlijke stand kan direct een dubbel worden gestuurd naar Justitiële Informatiedienst (JustID) Almelo
(624) POM & CDA Donner/CDA rechter en CDA Minister van Justitie wil de vrijheid om het doen en laten van de hele bevolking vast te leggen"
(626) POM & CDA Donner/CDA rechter en CDA Minister van Justitie wil dat de politie gegevens opslaat over alle burgers ook die niet worden verdacht worden van strafbaar feit
(627) POM Nederlanders worden massaal afgeluisterd met keur aan middelen voor politie en Justitie om mobiele telefoons af te tappen
(628) POM De 'geheime' internet tapkamer van de overheid. Hoe weet je als burger dat je internetverkeer afgetapt wordt?
(629) POM Verdrag Draft Convention on Cybercrime voor betere wetgeving vooral goed voor politie en justitie maar niet voor de industrie en de samenleving
(630) POM Nieuwe ontwikkelingen in Amerika tonen aan hoe burgers nog verder in de gaten gehouden gaan worden door overheden
(631) POM Echelon, Amerika luistert mee ook met de meest geheime bedrijfseconomische informatie.
(688) POM Hop: Koopkracht burgers daalt opnieuw bij invoering kilometerheffing voor vrachtverkeer! De Staat wil burgers nog beter dan in de DDR in de gaten kunnen houden door invoering van kilometerheffing
(239) POM De staat mag complete woonwijk afluisteren, communicatie gegevens van alle bewoners opslaan en uitwisselen met buitenlandse veiligheidsdiensten.
(203) POM Politie wil identificatieplicht op anoniem communiceren De politie wil dat anoniem internetten en het anoniem kopen van prepaid telefoonkaarten verboden wordt
(609) POM Transparant Openbaar Ministerie: "In Nederland zijn meer dan achthonderd officieren van justitie werkzaam" Bron programma De Aanklagers
(332) POM Mr. M. Moszkowicz sr.: "Leven we nog in een rechtsstaat?"

 

 

 

 

De zevende WET van Hop: Rechtersleger en POM-ambtenaren zijn partijdig voor personeel van de overheid en deinzen niet terug voor fraude

POM 1. Overheid tegen de burger:
Inleiding met wat "sfeerverslagen" hoe de rechtspraak werkt in Nederland.

(1) Kinderbescherming & "rechtbank" tegen Hop. Een sfeerverslag hoorzitting rechtbank Zutphen met kinderrechter tevens President Soroptemistenclub
(137) De complete Nederlandse jeugdzorg tegen Hop. Een sfeerverslag hoorzitting jeugdzorg klachtencommissie, klachten Hop gegrond maar dat hielp natuurlijk niet!
(300) Hop moet bloeden schrijft vervolgens de jeugdzorg advocaat met baantjes in de kerk en school: Citaat: "De heer Hop was als voortrekker bezig het systeem lam te leggen. In eerste instantie werd in dit kader gebruik gemaakt van hinderlijke, maar wel legale middelen als het systematisch klagen en het systematisch om informatie vragen" Bron Regel 21, 22 en 23 Pleitnotities advocaat X overheid op de hoorzitting van het Hof van Discipline 150304.
(80) POM & "jeugdzorg" & "rechtbank" tegen Hop. Een sfeerverslag hoorzitting rechtbank Assen met een "onpartijdige rechter".

Aanhouding:
(550) POM Onschuldig geboren maar jouw gegevens worden door de gemeente gelijk naar het Justitieel Documentatiecentrum gestuurd
(134) POM Zorg dat u de omschrijving van een VERDACHTE uit uw hoofd kent
(409) Voorbeeld verzoek burger bij aanhouding en/of na een staande houding
(597) POM Waarom werd de witte Iphone van Weber in beslag genomen voor NFI onderzoek omdat Weber het politieoptreden gelijk filmde?
(431) POM IP-adres=IP-nummer & DATA MINING! Wettelijke bevoegdheid voor opsporingsinstanties om te vorderen dat de houder van gegevens deze ten behoeve van de opsporing bewerkt (data mining of register vergelijking)
Verhoor:
(420) POM Openbare meningsvorming inzake "natuurlijk persoon"
(263) POM Hop klachten over onvolledig PV horen verdachte/hoorzitting rechter voorkomen door zelf opnames te maken
(347) POM Videoconferentie heeft ten opzichte van een directe confrontatie een geringere communicatiewaarde!
(367) POM & verhoor De Velpse verhoormethode! Respectloze behandeling van een burger door de politie
(289) POM & verhoor De Gelderse Verhoormethode! Een vader mocht een minderjarige niet bijstaan bij verhoor door de politie
PV:
(747) POM & PV Klacht tegen politie Lelystad inzake opmaken proces-verbaal
(241) POM & PV Waarom mocht Weber het door de politie Lelystad opgemaakte PV niet lezen?
(284) POM & PV Waarom weigerde de politie Lelystad Weber afschrift kopie PV met zaaknummer?
(225) POM & verhoor Politie Lelystad tegen Weber Lelystad inzake identificatieplicht
Aangifte POM & dossier Politie weigert Hop dossier! Aangifte tegen Hop na publicatie over "succesvolle tegenwerking" Groep Hop Lelystad
(596) POM Hoeveel personen zijn inmiddels betrokken bij een eenvoudig zaak dat escaleert door politiegeweld uit de polder?
(435) POM & PV Indien je als opsporingsambtenaar een strafbaar feit vaststelt, moet je een proces-verbaal opmaken
DNA:
(293) POM Nederlandse Vereniging voor Rechtspraak: "Het dwangmiddel tot afname van DNA-materiaal kan blijkens het wetsvoorstel worden toegepast zonder dat er een concreet delict in het vooruitzicht is gesteld, met andere woorden er hoeft geen verdenking te zijn"
(560) POM Het Openbaar Ministerie probeert, na de sleepwet, ook van iedere burger DNA te verzamelen met een sponsje
Aangifte tegen ambtenaren overheid:
(746) POM Voorbeeld aangifte 746 tegen politie, inzake ontbreken van grondslag voor identificatieplicht
(743) POM Voorbeeld aangifte 743 tegen politie, geen vermelding beroepsmogelijkheden onder beslissing afpoeieren van uw aangifte
Voorbeeldbrieven dossiers
(112) POM Het complot! Een vader heeft geen recht op inzage dossier van zijn kinderen bij de politie
(206) POM & dossier politie. Voorbeeldbrief verzoek aan politie om afschrift dossier door verdachte
(343) POM & dossier OM. Voorbeeldbrief verzoek aan Openbaar Ministerie om afschrift dossier door verdachte
Hoorzitting rechtbank
(205) POM Verweer Weber tegen termijnoverschrijding Openbaar Ministerie wordt genegeerd door de "onafhankelijke rechter"
(548) POM & dossier rechtbank. Voorbeeldbrief verzoek aan rechtbank om afschrift/inzage dossier voor de hoorzitting door verdachte
(510) POM & dossier Wet openbaarheid van bestuur Betreft een verzoek van een burger om overlegging van stukken welk verzoek door de Officier van Justitie is afgewezen
Vrijheid ontneming
(115) POM Vormverzuim onrechtmatige vrijheid ontneming verdachte door Openbaar Ministerie Rechtbank & Rechtbank dossier:
(242) POM Bij voortzetting van het vooronderzoek na het betekenen van de dagvaarding in eerste aanleg en na schorsing van het onderzoek ter terechtzitting, ook in geval van onderzoek onder leiding van de officier van justitie, aan de verdediging, in het belang van het onderzoek, kennisneming van processtukken kan worden onthouden.
(294) POM Openbaar ministerie niet-ontvankelijk wegens overschrijding van de redelijke termijn ex artikel 6 EVRM.
Partijdigheid rechters voor ambtenaren overheid:
(210) Verwijs steeds naar jurisprudentie over "procederen" om nevenfuncties m.b.t. rechtspraak te verkrijgen!
(341) POM Voorstellen RECHTERSLEGER om tot verbetering strafproces tegen burgers in het voordeel van de Staat te komen
(179) POM & rechtersleger "Rechters deinzen er tegenwoordig niet terug voor fraude om de staat, als deze partij is in een proces, aan het langste eind te laten trekken"
partijdigheid POM Politie gelijk partijdig voor CDA gemeente Ermelo tijdens Ermelose verkiezingen gemeenteraad!
(267) POM CDA Minister van Justitie: Een druppel is niet gevaarlijk maar een stroom holt de steen uit
(246) POM & jeugdzorg maatje CDA-er Donner: "Het is misplaatst en onverantwoord te zoeken naar de schuldigen in de zaak Savannah. We moeten ons verzetten tegen negatieve beeldvorming over de gezinsvoogdij!"
(229) POM & Jeugdzorg Korpschef Nationale politie niet goed genoeg voor de politie en wordt daarom directeur bij de jeugdzorg
(557) POM De Pikmeerarresten voorbeeld van politiek gekonkel en handjeklap rechtersleger met gemeente
(417) POM Waarom worden/kunnen, onder verwijzing naar de Pikmeerarresten, het gemeentebestuur en ambtenaren (autoriteiten) kunnen niet strafrechtelijk worden vervolgd.
(558) POM Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk in zijn vervolging van de verdachte ter zake van het primair telastegelegde bewezenverklaard in die zin dat is aangenomen dat de verdachte, als hoofd van de afdeling nieuwe werken van de gemeente Boarnsterhim feitelijke leiding heeft gegeven aan de verboden gedraging van die gemeente.
(201) POM Stemfraude? Knippen en plakken in Ermelose verkiezingsformulieren mag wel van Ermelose CDA burgemeester
(104) POM College van procureurs-generaal (hierna: het College) geweigerd appellant inzage te verstrekken in het rapport van de Rijksrecherche
(105) POM & Fortuyn, moord op Pim kost burger veel vrijheid van meningsuiting en een Fortuyn
(109) POM Criminoloog Cyrille Fijnaut onderzocht de georganiseerde misdaad voor Van Traa
(129) POM Veroordeling journalist Undercover in Nederland
(194) POM en afhandeling strafzaken tegen CDA elite "achter gesloten deuren"..... Fotomodel tegen CDA-er Eurlings. Welke bijbaantjes met VOG heeft deze Eurlings?
(515) POM Rechtbank Den Haag: "Geen straf voor bevoorrading coffeeshop met drugs in Nederland
(309) POM Geheime brief vuurwerkramp kraakt bewijs, Mogelijk geknoei Tolteam
(278) POM IRT klokkenluiders van Belzen en Limmen tegen Justitie Haarlem
(296) POM Eindrapport Commissie Traa HOOFDSTUK 4 OBSERVATIE
(449) POM Gefabriceerd bewijs en succesvolle tegenwerking kenmerk werkwijze Openbaar Ministerie in de zaak Nienke Kleiss
(260) POM & Novacap tulpenfraude 1
(274) POM & Novacap tulpenfraude 2
(221) POM & Novacap tulpenfraude 3
(223) POM & Novacap tulpenfraude 4
(314) POM & Novacap tulpenfraude 5
(402) POM & Novacap tulpenfraude 6
(421) POM & Novacap tulpenfraude 7

 

 

 

POM 2. Burger tegen overheid:
Inleiding met wat "sfeerverslagen" hoe de rechtspraak werkt in Nederland.

(1) Kinderbescherming & "rechtbank" tegen Hop. Een sfeerverslag hoorzitting rechtbank Zutphen met kinderrechter tevens President Soroptemistenclub
(137) De complete Nederlandse jeugdzorg tegen Hop. Een sfeerverslag hoorzitting jeugdzorg klachtencommissie, klachten Hop gegrond maar dat helpt natuurlijk niet!
(300) Hop moet bloeden schrijft vervolgens de jeugdzorg advocaat met baantjes in de kerk en school: Citaat: "De heer Hop was als voortrekker bezig het systeem lam te leggen. In eerste instantie werd in dit kader gebruik gemaakt van hinderlijke, maar wel legale middelen als het systematisch klagen en het systematisch om informatie vragen" Bron Regel 21, 22 en 23 Pleitnotities advocaat X overheid op de hoorzitting van het Hof van Discipline 150304.<
(80) POM & "jeugdzorg" & "rechtbank" tegen Hop. Een sfeerverslag hoorzitting rechtbank Assen met een "onpartijdige rechter".

(134) POM Zorg dat u de omschrijving van een VERDACHTE uit uw hoofd kent
(746) POM Voorbeeld aangifte 746 tegen politie inzake ontbreken van grondslag voor identificatieplicht
(743) POM Voorbeeld aangifte 743 tegen politie na geen vermelding beroepsmogelijkheden onder beslissing afpoeieren aangifte
(354) POM U kunt bij de politie alleen nog maar met DigiD aangifte doen via internet en inloggen op Mijn Politie.
(625) POM Checklist voor gewone Nederlander om aangifte te doen tegen personeel van de overheid
(381) POM Voorbeeldbrief klacht 381 tegen politie bij een weigering om een aangifte van een gewone Nederlander op te nemen met een verzoek om rechtsbescherming bij de burgemeester met een dwangsom van 1000 Euro per dag
(609) POM "In Nederland zijn meer dan achthonderd officieren van justitie werkzaam" Bron programma De Aanklagers
(377) POM De mr. T.K. Hoogslag-norm (28) inzake de pseudo-Officier van Justitie
(389) POM Hop eist al vanaf 1997 een VERBOD op de dubbelfunctie Officier van Justitie en gelijktijdig Rechter-plaatsvervanger om een einde te maken aan de infiltratie van het Openbaar Ministerie in het rechtersleger
(74) POM & jeugdzorg Hop adviseert niet klagen tegen kinderbescherming! Bezwaar en beroep wordt toch onderdrukt. Dus aangifte doen!
(270) Jeugdzorgmentaliteit: Klager moet hetzelfde klachttraject overnieuw doen als de jeugdzorg niets heeft gedaan met gegrond verklaarde klachten. Dus aangifte doen!
(380) POM Wijziging van het Wetboek van Strafrecht strekkende tot het strafrechtelijk vervolgbaar maken van het opdracht geven tot en het feitelijke leiding geven aan verboden gedragingen van overheidsorganen
Informanten:
Aangifte POM Aangifte tegen Hop na publicatie over "succesvolle tegenwerking" Groep Hop Lelystad
(269) POM & jeugdzorg De moeder van zeilmeisje Laura Dekker heeft de jeugdzorg en Raad voor de Kinderbescherming in het Algemeen Dagblad criminele organisaties genoemd
Na GBA fraude gemeente Ermelo wordt Hop met "gefabriceerd bewijs", "succesvolle tegenwerking" en "geheim overleg" aangepakt.
(818) POM & jeugdzorg Jeugdige daders die "Vlinder" zeer ernstig met lichamelijk letsel mishandelden worden niet vervolgd omdat die vervolging niet past in de Gelderland jeugdzorg conclusies
(111) POM Waar de overheid de enkeling niet beschermt in zijn vrijheid tegen de meerderheid of die juist zelf aantast zien we dictatuur
(559) Actie vaders tegen kinderbescherming in Zutphen! Medewerkers kinderbescherming onderworpen aan "verhoor" door vaders. Politie greep niet in!
Beroepschriften verkeersboetes:
(308) POM Commercieel belang bij verkeersboetes Een politiebeambte moet boeten voor te weinig bonnen!
(681) POM Agent mag bezwaar tegen zichzelf beoordelen en beslissen
(418) POM Productie 418 Jurisprudentie: Vervang parkeerbedrijf door de jeugdzorg of kinderbescherming waar u mee te maken heeft!
(232) Voorbeeldbrief bezwaar naheffingsaanslag parkeerbelasting
(191) POM Voorbeeld beroepschrift 191 tegen verkeersboete inzake "bestemmingsverkeer"
(235) POM Voorbeeld beroepschrift 235 verkeersboete inzake APK-boete inzake de overtreding voor het motorrijtuig zijn geldigheid heeft verloren
(330) POM Voorbeeld beroepschrift 330 verkeersboete inzake "gesimuleerde wegsituaties"
(331) POM Voorbeeld beroepschrift 331 tegen verkeersboete inzake "overschrijding maximum snelheid"
(364) POM Voorbeeld beroepschrift 364 verkeersboete inzake "verkeersboete voetganger (voornemens) op voetgangersoversteekplaats (over te steken) niet voor laten gaan, feitcode R482
(372) POM Voorbeeld beroepschrift 372 tegen een opgelegde administratieve sanctie (boete) onder overlegging van aantoonbare feiten dat ik niet op die plaats geweest ben
(373) POM Voorbeeld beroepschrift 373 tegen een opgelegde administratieve sanctie (boete) voor een verkeersovertreding inzake handmatig bellen met een mobiele telefoon
(412) POM Voorbeeld beroepschrift 412 verkeersboete inzake "identificatieplicht"
(423) POM Openbaar Ministerie blijft gebruikers van lasershield of laserecho – indien de meting daadwerkelijk wordt verstoord – vervolgen voor “het belemmeren van een opsporingshandeling”
(240) POM Strafbaarstelling van het rijden onder invloed van bepaalde drugs en geneesmiddelen die de rijvaardigheid kunnen verminderen
(342) Ermelo. Vragen Hop over verkeersforum gemeente Ermelo levert nog meer bedenkingen op


Voorbeeld aangiften:
(441) Voorbeeld aangifte tegen jeugdzorg medewerkers inzake een jeugdzorgrapportage
(442) Voorbeeld aangifte tegen psycholoog jeugdzorg inzake psychologenrapportage
(513) Voorbeeld aangifte tegen politiemedewerkers inzake politie-PV
(462) Voorbeeld aangifte tegen medewerker kinderbescherming inzake kinderbeschermingrapportage
(516) Voorbeeld aangifte tegen griffier rechtbank inzake rechtbankgriffier-PV
(555) Voorbeeld aangifte tegen gerechtsdeurwaarder
(561) Voorbeeld aangifte tegen POM medewerkers, indien vervolging medewerkers overheden daadwerkelijk wordt verstoord, vervolgen voor belemmeren van een opsporingshandeling

 

 

 

 

Praktijkvoorbeelden van gefabriceerd bewijs en succesvolle tegenwerking gericht tegen Hop

Bron Memo Openbaar Ministerie Landelijk Coördinerend officier van justitie Bovenregionaal Recherche Overleg (BRO) Teamleider Maatwerkzaken  over Hop 11 juni 2012 Citaat: Complicerende factor in het verhaal is dat de heer Hop een politiek zeer actieve persoon is. Citaat: Het Gevoelige Zaken Overleg (GZO) is voorstander van een frontale opsporingsactie op Hop oftewel halen en (als spraakzame "Don Quichot") doen bekennen en vervolgen. Peter van Hagen aan mr. R. Tenge en D. van der Kolk.

Hop: "Doen bekennen?" Ik beken geen letter, wanneer gaan jullie die kinderrechter van die geantidateerde beschikking oppakken, wanneer gaan jullie die jeugdzorg medewerkers en politieagenten oppakken die een kind jatten zonder rechterlijke beschikking? Doen bekennen? Pak die kinderrechter op en trap haar de rechtspraak uit met haar geantidateerde beschikking op verzoek van jeugdzorg tuig.


Stem Wijzer         Gefabriceerd bewijs            Succesvolle tegenwerking       Succesvolle tegenwerking       In memoriam
Stem Groep Hop   Succesvolle tegenwerking   Succesvolle tegenwerking       Succesvolle tegenwerking       Denk eens na?
Denk eens na?      Denk eens na?                   Denk eens na?                       Denk eens na?                       Denk eens na?

Aandachtsvestiging/disclaimer. Uitsluitend de websites www.burojeugdzorg.nl/com/net/org en www.bureaujeugdzorg.nl/com/net/org zijn van J. Hop Ermelo. Met andere websites heeft hij niets te maken! J. Hop Ermelo is niet aansprakelijk voor (gevolg)schade die voorkomt uit het gebruik van deze site, dan wel uit fouten of ontbrekende functionaliteiten op deze sites. Copyright © 2017 J. Hop Ermelo. Alle rechten voorbehouden.