| Citaat: "De heer Hop was als voortrekker bezig het systeem lam te leggen. In eerste instantie werd in dit kader gebruik gemaakt van hinderlijke, maar wel legale middelen als het systematisch klagen en het systematisch om informatie vragen" Bron Regel 21, 22 en 23 Pleitnotities advocaat X overheid op de hoorzitting van het Hof van Discipline 150304. |
Stockholmsyndroom
Project
strijd om afgifte contactjournaal gezinsvoogd
Project
bijbanen bestuurders Nederlandse gemeenten op internet
Project bezwaar en beroep tegen besluiten jeugdzorg bij kinderbeschermingsmaatregelen
Schriftelijke
Aanwijzing
Project
bijbanen raadsgriffier op internet
Project
bijbanen gemeentesecretaris op internet
Project
namen en nevenfuncties commissie bezwaarschriften op internet
Innovatief
en toekomstgericht: Project 31
Project
beveiliging redacteur tegen overheid en rechtersleger
In strijd om afschrift
contactjournaal gezinsvoogd werd door jeugdzorg een advocaat met baantjes bij
kerk en school ingezet! (427)
(137) (51)
www.burojeugdzorg.nl/50.htm Strijd
om afschrift contactjournaal geeft prima inzicht in de mentaliteit die heerst
in de "jeugdzorg"
www.burojeugdzorg.nl/636.htm
VERZOEK afschrift compleet contactjournaal "jeugdzorg"
www.burojeugdzorg.nl/255.htm
BEZWAARSCHRIFT tegen BESLUIT weigering afschrift compleet contactjournaal
"jeugdzorg"
www.burojeugdzorg.nl/637.htm
VERZOEK afschrift compleet contactjournaal Raad voor de Kinderbescherming
www.burojeugdzorg.nl/170.htm
BEZWAARSCHRIFT tegen BESLUIT weigering afschrift compleet contactjournaal
"RvdK"
(178) Pim Fortuyn : "Als mij wat gebeurd, dan zijn zij, politici van Paars, medeverantwoordelijk. Zij hebben het klimaat gecreëerd en dat moet stoppen"
Pim Fortuyn: "Ik zal mij na 15 mei 2002 zeker ook inspannen om het OM een halt toe te roepen en zo mogelijk op de terugweg te dwingen"
Schending ambtsgeheim ex art. 272.1 Sr door loco-burgemeester door op de avond van de moordaanslag op Pim Fortuijn de identiteit van de vermoedelijke dader, die nog niet verder bekend was dan aan degenen die daarvan ambtshalve op de hoogte waren gesteld, telefonisch bekend te maken aan iemand van de vereniging waarbij de vermoedelijke moordenaar van Pim Fortuijn werkzaam was.
LJN: AT2855, Hoge Raad , 01608/04
Datum uitspraak: 14-06-2005
Rechtsgebied: Straf Soort procedure: Cassatie
Inhoudsindicatie: Schending ambtsgeheim ex art. 272.1 Sr door loco-burgemeester door op de avond van de moordaanslag op Pim Fortuijn de identiteit van de vermoedelijke dader, die nog niet verder bekend was dan aan degenen die daarvan ambtshalve op de hoogte waren gesteld, telefonisch bekend te maken aan iemand van de vereniging waarbij de vermoedelijke moordenaar van Pim Fortuijn werkzaam was
Uitspraak 14 juni 2005
Strafkamer
nr. 01608/04
IV/AG
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof te Arnhem
van 31 december 2003, nummer 21/002173-03, in de strafzaak tegen:
[verdachte], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1953, wonende
te [woonplaats].
1. De bestreden uitspraak
1.1. Het Hof heeft in hoger beroep - met vernietiging van een vonnis van
de Politierechter in de Rechtbank te Arnhem van 6 mei 2003 - de verdachte
ter zake van "enig geheim, waarvan hij weet of redelijkerwijs moet
vermoeden dat hij uit hoofde van zijn ambt verplicht is het te bewaren,
opzettelijk schenden" veroordeeld tot een geldboete van vijfhonderd
euro, subsidiair tien dagen hechtenis.
1.2. De aanvulling op het verkorte arrest als bedoeld in art. 365a, tweede
lid, Sv is aan dit arrest gehecht.
2. Geding in cassatie
Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft mr. D.R.
Doorenbos, advocaat te Amsterdam, bij schriftuur middelen van cassatie
voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel
uit.
De plaatsvervangend Procureur-Generaal Fokkens heeft geconcludeerd dat de
Hoge Raad het beroep zal verwerpen.
3. Beoordeling van het tweede middel
3.1. Het middel klaagt dat het Hof een onjuiste uitleg heeft gegeven aan
art. 272 Sr.
3.2. Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat hij:
"op 6 mei 2002 te [plaats] opzettelijk een geheim, te weten de
identiteit van de vermoedelijke moordenaar van Pim Fortuijn, waarvan hij
wist of redelijkerwijs moest vermoeden dat hij uit hoofde van zijn ambt
verplicht was het te bewaren, heeft geschonden, door toen aldaar aan
[betrokkene 1], die niet gerechtigd was kennis te nemen van bovenbedoelde
identiteit die op dat moment slechts bekend was binnen een zeer kleine
groep van personen die ambtshalve daarvan op de hoogte waren en waarvan
hij in zijn ambt als wethouder van [plaats] kennis droeg, bovenbedoelde
identiteit bekend te maken."
3.3. Het gaat in deze zaak om het volgende. Op de avond van de
moordaanslag op Pim Fortuijn is de burgemeester van [plaats] via
ambtelijke kanalen er over ge?nformeerd dat de vermoedelijke dader een
voormalige bewoner van [plaats] zou zijn. Daarbij werd hem een naam
genoemd. De burgemeester was bevreesd voor de consequenties van
openbaarmaking van die wetenschap gezien de geschokte en woedende reacties
in de samenleving op die aanslag. Daarom besloot hij zijn twee
loco-burgemeesters/wethouders, onder wie de verdachte in de onderhavige
zaak, daaromtrent te informeren. Daarbij heeft hij tegen de verdachte in
twee telefoongesprekken te verstaan gegeven dat de informatie van strikt
vertrouwelijke aard was. Later op de avond heeft de verdachte telefonisch
aan iemand van [A], bij welke organisatie de door de burgemeester genoemde
persoon werkzaam was, de informatie bekend gemaakt die hij van de
burgemeester had verkregen.
3.4. Art. 272, eerste lid, Sr luidt als volgt:
"Hij die enig geheim, waarvan hij weet of redelijkerwijs moet
vermoeden dat hij uit hoofde van ambt, beroep of wettelijk voorschrift dan
wel van vroeger ambt of beroep verplicht is het te bewaren, opzettelijk
schendt, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste een jaar of
een geldboete van de vierde categorie."
3.5. Het Hof heeft het terzake gevoerde verweer als volgt verworpen:
"Naar het oordeel van het hof ziet artikel 272 van het Wetboek van
Strafrecht onder meer op informatie die uit hoofde van een ambt of beroep
wordt verkregen, en waarvan de aard meebrengt dat die ingevolge de
desbetreffende hoedanigheid en ongeacht een geheimhoudingsplicht op grond
van enig ander wettelijk voorschrift of een overeengekomen
geheimhoudingsplicht wordt bewaard. Gelet op de omstandigheden van het
geval was naar het oordeel van het hof de identiteit van een verdachte van
de moordaanslag op de heer Fortuijn in ieder geval gedurende de avond van
6 mei 2002 informatie die voor verdachte was aan te merken als geheim in
de zin van artikel 272 van het Wetboek van Strafrecht. De vermoedelijke
dader was reeds kort na de aanslag aangehouden zonder dat daarbij zijn
identiteit aan derden, dat wil zeggen anderen dan de kring van personen
die gedurende die avond ambtshalve op de hoogte kwamen, bekend werd. Voor
het (definitief) vaststellen van die identiteit was, zo blijkt uit het in
dezen opgemaakte proces-verbaal, zelfs de hulp van [plaats] nodig. Uit de
gang van zaken leidt het hof af dat de met de opsporing belaste instanties
toen (in ieder geval tijdelijk) een kennisvoorsprong hadden die kon worden
benut bij de verdere naspeuringen en dat derden op dat moment slechts
konden gissen naar die identiteit. Het belang bij het bewaren van het
vertrouwelijke karakter van de slechts in beperkte ambtelijke kring bekend
geworden identiteit van de vermoedelijke dader was daarmee naar het
oordeel van het hof evident. Verdachte die uitsluitend uit hoofde van zijn
ambt als wethouder van de gemeente waar de verdachte tot voor kort had
gewoond, in kennis was gesteld van die identiteit, maar die niet met de
opsporing was belast en die bovendien - naar eigen zeggen - besefte dat
het ging om "hot information", doorkruiste deze kennisvoorsprong
door eigenmachtig die avond een derde van die identiteit in kennis te
stellen en schond daarmee in dit geval zijn geheimhoudingsplicht."
3.6. Hieruit volgt dat het Hof als vaststaand heeft aangenomen dat op de
avond van de moordaanslag op Pim Fortuijn de identiteit van de
vermoedelijke dader van die moord nog niet verder bekend was dan aan
degenen die daarvan ambtshalve op de hoogte waren gesteld, dat tot die
kring de burgemeester van [plaats] behoorde, welke gemeente om hulp was
gevraagd bij de definitieve vaststelling van die identiteit, en dat de
opsporingsinstanties in zoverre in het belang van het onderzoek een
kennisvoorsprong hadden op derden. In het licht hiervan en van de overige
omstandigheden van het geval geeft het oordeel van het Hof dat de
identiteit van de vermoedelijke dader in die fase van het onderzoek als
een geheim had te gelden dat door de verdachte, die daarvan uit hoofde van
zijn ambt als wethouder op de hoogte was gebracht, bewaard diende te
worden, geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting terwijl het evenmin
onbegrijpelijk is.
3.7. Het middel is derhalve tevergeefs voorgesteld.
4. Beoordeling van de overige middelen
De middelen kunnen niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81
RO, geen nadere motivering nu de middelen niet nopen tot beantwoording van
rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.
5. Slotsom
Nu de middelen niet tot cassatie kunnen leiden, terwijl de Hoge Raad ook
geen grond aanwezig oordeelt waarop de bestreden uitspraak ambtshalve zou
behoren te worden vernietigd, moet het beroep worden verworpen.
6. Beslissing
De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Dit arrest is gewezen door de vice-president F.H. Koster als voorzitter,
en de raadsheren B.C. de Savornin Lohman en W.M.E. Thomassen, in bijzijn
van de waarnemend griffier F.P. Geelhoed, en uitgesproken op 14 juni 2005.
Conclusie Nr. 01608/04
Mr. Fokkens
Zitting: 29 maart 2005
Conclusie inzake:
[verdachte]
1. In deze zaak gaat het om het volgende. In de avond van 6 mei 2002 nadat
de moordaanslag op Pim Fortuijn heeft plaatsgevonden, wordt verdachte
-indertijd namens Groen Links wethouder en loco-burgemeester van [plaats]-
gebeld door [de burgemeester] burgemeester van laatstgenoemde plaats. In
een tweetal gesprekken wordt hem verteld dat de vermoedelijke dader van de
moord op Pim Fortuijn tot voor kort in [plaats] woonde en dat hij
waarschijnlijk Volkert van der G. is genaamd. Volgens zijn eigen
verklaring heeft verdachte daarna contact opgenomen met een partijgenoot,
[betrokkene 2] en over de verdenking ten aanzien van Van der G. gesproken.
Bij dit gesprek kwam aan de orde dat Van der G. wellicht werkte voor [A],
waarvan [betrokkene 1] voorzitter was. Verdachte heeft vervolgens
[betrokkene 1] gebeld en hem verteld over de tegen Van der G. gerezen
verdenking. [Betrokkene 1], die Van der G. inderdaad kende, bevestigde dat
deze bij de [A] werkzaam was.
2. Uit de stukken volgt dat in de nacht van 6 op 7 mei 2002 tijdens de
doorzoeking van de woning van Van der G., diens echtgenote is gebeld door
[betrokkene 1]. In het -getapte- telefoongesprek vertelt [betrokkene 1]
door verdachte te zijn gebeld en informeert hij naar Van der G. Op 9 mei
2002 is verdachte voor de eerste keer door de politie gehoord.
3. Zowel door de Politierechter in de Rechtbank te Arnhem als door het
Gerechtshof in die plaats is verdachte wegens het schenden van een
ambtsgeheim veroordeeld tot een geldboete van vijfhonderd euro, subsidiair
tien dagen hechtenis.
4. Namens verdachte heeft mr. D.R. Doorenbos, advocaat te Amsterdam, vijf
middelen van cassatie voorgesteld.
5. Het eerste middel klaagt dat het Hof ten onrechte bewezen heeft
verklaard dat verdachte zijn geheimhoudingsplicht als wethouder heeft
geschonden, nu uit de bewijsmiddelen volgt dat hij uit hoofde van zijn
functie als loco-burgemeester kennis droeg van het geheim.
6. Ten aanzien van verdachte is bewezen verklaard dat hij
"op 6 mei 2002 te [plaats] opzettelijk een geheim, te weten de
identiteit van de vermoedelijke moordenaar van Pim Fortuijn, waarvan hij
wist of redelijkerwijs moest vermoeden dat hij uit hoofde van zijn ambt
verplicht was het te bewaren, heeft geschonden, door toen aldaar aan
[betrokkene 1], die niet gerechtigd was kennis te nemen van bovenbedoelde
identiteit die op dat moment slechts bekend was binnen een zeer kleine
groep van personen die ambtshalve daarvan op de hoogte waren en waarvan
hij in zijn ambt als wethouder van [plaats] kennis droeg, bovenbedoelde
identiteit bekend te maken."
7. Verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep verklaard dat hij op
de avond van 6 mei 2002 wethouder en tweede loco-burgemeester van [plaats]
was (bewijsmiddel 1). Voorts is voor het bewijs gebezigd de verklaring die
[de burgemeester] bij de politie heeft afgelegd voor zover deze inhoudt
(bewijsmiddel 5):
"Ik ben [de burgemeester]. lk ben burgemeester van [plaats].
Gedurende de avond van 6 mei 2002 was ik thuis en heb op de tv de
gebeurtenissen gevolgd rondom de moordaanslag op Pim Fortuyn.
Omstreeks 22.30 uur die avond kreeg ik een telefoontje van [betrokkene 4],
het hoofd van de afdeling Burgerzaken van [plaats]. [Betrokkene 4]
informeerde mij over het feit, dat de politie informatie had gevraagd over
een voormalige inwoner van [plaats], die als verdachte van de moord op Pim
Fortuyn was aangehouden. Deze verdachte zou
onder andere gewoond hebben op Droevendaal en aan de Van Uvenweg, maar hij
was recent verhuisd naar Harderwijk.
Ik overwoog de consequenties die deze informatie zou kunnen hebben, als
die openbaar zou worden. Dit mede gezien de context van die avond, waarbij
duidelijk was hoe geschokt en woedend delen van de Nederlandse samenleving
waren.
[betrokkene 4] vertelde mij dat de verdachte Volkert van der G. heette.
Gezien de ontstane situatie besloot ik mijn eerste twee loco-burgemeesters
te informeren.
Ik belde als eerste [betrokkene 3]. Nadat ik hem vroeg of ik via de
telefoon vertrouwelijk met hem kon spreken en nadat hij dit bevestigd had,
informeerde ik hem over de ontstane situatie. Ik vertelde [betrokkene 3]
dat deze informatie vertrouwelijk behandeld moest worden.
Vervolgens belde ik [verdachte]. Ook hem vroeg ik of wij dit
telefoongesprek vertrouwelijk konden voeren en nadat hij dat bevestigd
had, informeerde ik hem eveneens over de situatie. Ik vertelde dat deze
informatie strikt vertrouwelijk was. Na deze telefoongesprekken overwoog
ik, dat de mogelijkheid aanwezig was dat [verdachte] de genoemde Volkert
van der G. misschien (het hof leest: zou) kennen. Met name gezien de
Droevendaalse achtergrond en het feit dat [verdachte] van Groen Links was
en vele mensen uit die hoek kende.
Ik belde opnieuw met [verdachte] en vroeg hem, terwijl ik de
vertrouwelijkheid van de situatie nog eens benadrukte, of hij deze Volkert
van der G. kende. [Verdachte] zei mij hem niet te kennen, maar gaf mij de
indruk dat hij hierover twijfelde.
Hij suggereerde in mijn richting, dat hij wel de mogelijkheid had om bij
bekenden van hem hiernaar te informeren, maar deze mogelijkheid kapte ik
direct af, met de mededeling dat dit soort zaken iets was voor justitie en
politie."
8. De wet kent niet het ambt van loco-burgemeester. De Gemeentewet bepaalt
in art. 77 dat het ambt van de burgemeester bij diens verhindering of
ontstentenis wordt waargenomen door een door het college van B&W aan
te wijzen wethouder. Dit gebeurt in de praktijk op basis van een
vastliggende vervangingsregeling, waarbij een eerste loco-burgemeester,
een tweede etc. wordt aangewezen. Deze vervangingsregeling pleegt
doorgaans tot stand te komen op basis van anci?nniteit en een verdeling
van functies over de politieke groeperingen die deelnemen aan het college,
waarbij de grootte van de fractie vaak mede maatgevend is.(1) De
omstandigheid dat een dergelijke vervangingsregeling in de praktijk op
deze wijze tot stand komt, betekent niet dat loco-burgemeester een
afzonderlijk ambt is. De vervangingsregeling verschaft slechts
duidelijkheid over de vraag welke wethouder in een concreet geval als
vervanger van de burgemeester op moet treden als deze verhinderd is.
9. [De burgemeester] heeft kennelijk gemeend dat de omstandigheid dat de
verdachte van de die avond op Pim Fortuyn
gepleegde moord wellicht uit [plaats] afkomstig was, een risico zou kunnen
opleveren voor de orde en veiligheid in de gemeente en dat het daarom
verstandig was de wethouders die hem bij verhindering dan wel ontstentenis
als eersten zouden moeten vervangen, in te lichten en op de hoogte te
brengen van deze omstandigheden. Het is dan ook niet onbegrijpelijk dat
het Hof tot de slotsom is gekomen dat verdachte de informatie te horen
heeft gekregen in zijn functie van wethouder.
10. Het middel faalt.
11. In het tweede middel wordt geklaagd dat het Hof de identiteit van de
vermoedelijke moordenaar van Pim Fortuijn ten onrechte heeft aangemerkt
als geheim in de zin van art. 272 Sr.
12. Het Hof heeft het in hoger beroep ter zake gevoerde verweer als volgt
verworpen.
"Naar het oordeel van het hof ziet artikel 272 van het Wetboek van
Strafrecht onder meer op informatie die uit hoofde van een ambt of beroep
wordt verkregen, en waarvan de aard meebrengt dat die ingevolge de
desbetreffende hoedanigheid en ongeacht een geheimhoudingsplicht op grond
van enig ander wettelijk voorschrift of een overeengekomen
geheimhoudingsplicht wordt bewaard.
Gelet op de omstandigheden van het geval was naar het oordeel van het hof
de identiteit van een verdachte van de moordaanslag op de heer Fortuijn in
ieder geval gedurende de avond van 6 mei 2002 informatie die voor
verdachte was aan te merken als geheim in de zin van artikel 272 van het
Wetboek van Strafrecht. De vermoedelijke dader was reeds kort na de
aanslag aangehouden zonder dat daarbij zijn identiteit aan derden, dat wil
zeggen anderen dan de kring van personen die gedurende die avond
ambtshalve op de hoogte kwamen, bekend werd. Voor het (definitief)
vaststellen van die identiteit was, zo blijkt uit het in dezen opgemaakte
proces-verbaal, zelfs de hulp van [plaats] nodig. Uit de gang van zaken
leidt het hof af dat de met de opsporing belaste instanties toen (in ieder
geval tijdelijk) een kennisvoorsprong hadden die kon worden benut bij de
verdere naspeuringen en dat derden op dat moment slechts konden gissen
naar die identiteit. Het belang bij het bewaren van het vertrouwelijke
karakter van de slechts in beperkte ambtelijke kring bekend geworden
identiteit van de vermoedelijke dader was daarmee naar het oordeel van het
hof evident. Verdachte die uitsluitend uit hoofde van zijn ambt als
wethouder van de gemeente waar de verdachte tot voor kort had gewoond, in
kennis was gesteld van die identiteit, maar die niet met de opsporing was
belast en die bovendien - naar eigen zeggen - besefte dat het ging om
"hot information", doorkruiste deze kennisvoorsprong door
eigenmachtig die avond een derde van die identiteit in kennis te stellen
en schond daarmee in dit geval zijn geheimhoudingsplicht."
13. Art. 272, eerste lid Sr luidt:
"Hij die enig geheim, waarvan hij weet of redelijkerwijs moet
vermoeden dat hij uit hoofde van ambt, beroep of wettelijk voorschrift dan
wel van vroeger ambt of beroep verplicht is het te bewaren, opzettelijk
schendt, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste een jaar of
een geldboete van de vierde categorie.
14. In de toelichting op het middel wordt aangevoerd dat uit de
wetsgeschiedenis bij art. 272 volgt dat dit artikel zich niet uitstrekt
tot 'alle geheimen, welke men rechtens verplicht is te bewaren', onder
verwijzing naar de MvT bij de (later ingetrokken) voorgestelde wijziging
van art. 272 Sr. De toenmalige minister van justitie Donker heeft hierin
opgemerkt:
"De ondergetekende meent dat zodanige strafrechtelijke bescherming
zich niet mag uitstrekken tot alle geheimen, welke men rechtens verplicht
is te bewaren. "Rechtens" zou immers mede betekenen "naar
de normen van de zorgvuldigheid, welke in het maatschappelijk verkeer
betaamt", aangezien iedere overtreding van zodanige normen een
onrechtmatige daad is. Een onrechtmatige daad is echter nog geen strafbaar
feit; en er is geen enkel motief aan te voeren, waarom nu juist de in
schending van geheimen bestaande vorm van burgerlijk onrecht onder poenale
sanctie zou moeten worden geplaatst. Er zijn vele gevallen denkbaar,
waarin het optreden van de strafrechter een nodeloos zware en door het
rechtsbewustzijn niet ge?iste maatregel zou zijn. Het ontwerp van wet
houdt deze sanctie dan ook beperkt tot de schending van ambts- en
beroepsgeheimen, alsmede van die geheimen, welke hun uitdrukkelijke basis
in een wet vinden (..)." (2)
15. De passage uit de MvT waarop het middel zich beroept gaat mijns
inziens niet over de vraag wat een geheim is, maar over de vraag wanneer
schending van een geheim strafbaar is en dat is alleen het geval indien
het gaat om ambts- of beroepsgeheimen, dan wel om geheimen die men op
grond van een wettelijk voorschrift moet bewaren.
16. Het bezwaar van het middel tegen het oordeel van het Hof dat hier
sprake zou zijn van een geheim is dat in het algemeen de identiteit van
een verdachte geen geheim vormt voor degene die daar toevallig mee bekend
wordt. Afgezien van de omstandigheid dat in een aantal gevallen dit
gegeven ook bij bekendheid bij een willekeurige derde een geheim kan
opleveren (zie de beschouwingen van de Minister die ik hierboven heb
weergegeven), het schenden daarvan zal bij een willekeurige derde niet
strafbaar zijn omdat hij niet uit hoofde van ambt of beroep etc. verplicht
is het geheim te bewaren.
17. Het oordeel van het Hof dat de gegevens over de identiteit van de
mogelijke moordenaar van de heer Fortuijn op de betreffende avond een
geheim opleverden, geeft geen blijk van een verkeerde rechtsopvatting en
is niet onbegrijpelijk. Door de identiteit bekend te maken kon, zoals het
Hof heeft overwogen, het opsporingsonderzoek worden doorkruist of
bemoeilijkt en daarom behoorden die gegevens met het oog op de juiste
vervulling van een overheidstaak, zijnde het opsporingsonderzoek in de
betreffende zaak, geheim te blijven.
18. Het middel faalt.
19. Het derde middel behelst de klacht dat het Hof ten onrechte niet heeft
gerespondeerd op het verweer dat de informatie betreffende de identiteit
van Van der G. verdachte slechts door 'deductie' ter ore zou zijn gekomen
en niet door de daartoe bevoegden zou zijn medegedeeld, zodat die
informatie niet als een geheim in de zin van art. 272 kon worden
beschouwd.
20. In aantekening 1a bij art. 272 in Noyon-Langemeijer-Remmelink, Het
Wetboek van Strafrecht wordt over de tekst van art. 272 opgemerkt:
"Er wordt niet gesproken van geheimen die iemand in zijn ambt of
beroep zijn toevertrouwd, maar die hij uit hoofde van zijn ambt of beroep
moet bewaren, waaronder ook kan vallen het geheim waarmede hij op andere
wijze dan door toevertrouwen is bekend geworden". Dat lijkt mij het
antwoord op het middel, waarbij ik opmerk dat het Hof niet gehouden was op
dit deel van het verweer te reageren, omdat de raadsman hier een opsomming
gaf van omstandigheden die tezamen volgens hem betekenden dat er geen
geheim was (er zouden op grond van die omstandigheden teveel mensen bekend
geweest zijn met dit gegeven om nog van een geheim te kunnen spreken) en
niet de rechtsopvatting heeft neergelegd dat een gegeven dat door deductie
bij iemand bekend is om die reden geen geheim in de zin van art. 272 Sr
kan opleveren.
21. Het middel faalt.
22. Het vierde middel behelst de klacht dat Het Hof ten onrechte heeft
aangenomen dat verdachte wist dat 'de identiteit van de vermoedelijke
moordenaar van Pim Fortuijn' viel onder een ambtsgeheim dat hij uit hoofde
van zijn functie als wethouder gehouden was te bewaren.
23. Het Hof omtrent het in hoger beroep gevoerde verweer overwogen:
"De raadsman heeft verder betoogd dat verdachte in zijn ambt van
wethouder geen geheim in de zin van artikel 272 van het Wetboek van
Strafrecht heeft geschonden.
Het hof verwerpt ook dit verweer. Het hof stelt voorop dat een wethouder
van een gemeente deel uitmaakt van een gemeentelijk overheidsorgaan, het
college van Burgemeester en Wethouders, en mitsdien een ambt bekleedt.
Voor verdachte gold voor de verkregen informatie omtrent de identiteit van
de verdachte van de moordaanslag op de heer Fortuijn geen (al dan niet
algemene) geheimhoudingsplicht op grond van enig ander wettelijk
voorschrift dan artikel 272 van het Wetboek van Strafrecht en ook geen
overeengekomen geheimhoudingsplicht. Daarom zijn voor de vraag of
verdachte de verkregen informatie als geheim had moeten bewaren, in
overwegende mate van belang de aard van de informatie alsmede het moment
waarop en de hoedanigheid waarin hij die informatie heeft verkregen. Die
vraag heeft het hof hiervoor reeds aan de hand van feiten en
omstandigheden bevestigend beantwoord."
24. In de toelichting op het middel is aangevoerd dat verdachte niet had
kunnen weten dat uit zijn ambt als wethouder de verplichting voortvloeide
dat de hem ter kennis gekomen informatie geheim was, nu deze verplichting
voor hem niet op enigerlei wijze zou zijn terug te vinden.
25. Het oordeel van het Hof spoort in zoverre met de opvatting van de
wetgever in 1886 dat in de MvT (Smidt, Tweede deel, p. 403) staat:
"De verplichting tot geheimhouding spruit in art. 291 [nu 272; JWF]
voort uit den wet of den aard van den werkkring waarin men geplaatst is
(...) Overigens moet telkens in facto door den regter worden beslist, in
hoever eenig ambt of beroep tot geheimhouding verplicht". Ook
overigens valt niet in te zien dat een verplichting tot geheimhouding
alleen zou gelden als deze uitdrukkelijk is vastgelegd in een regeling of
instructie. Dat lijkt mij een te beperkte opvatting van art. 272 Sr.
Vanzelfsprekend zullen ambtsinstructies, gedragscodes en andere regelingen
een belangrijk argument kunnen opleveren om voor een bepaald ambt een
geheimhoudingsplicht aan te nemen, maar dat maakt ze nog niet tot een
noodzakelijke voorwaarde. De verplichting tot geheimhouding van bepaalde
gegevens ligt besloten in het uitoefenen van een functie in het openbaar
bestuur. De omstandigheid dat het bij een wethouder om een ander soort
functie in het openbaar bestuur gaat dan bij een "gewone
ambtenaar" kan betekenen dat de omvang van zijn plicht tot
geheimhouding afwijkt van die van de ambtenaar, maar betekent niet dat er
in het geheel geen plicht tot geheimhouding zou bestaan. Als deze
opvatting juist zou zijn zou dat betekenen dat de betrokken politie- en
gemeenteambtenaren als zij de gegevens over de identiteit van de
vermoedelijke moordenaar van de heer Fortuijn naar buiten hadden gebracht
strafbaar zouden zijn geweest, terwijl verdachte geen ambtsplicht zou
schenden als hij derden op de hoogte zou brengen. De consequentie van dit
standpunt zou zijn dat wethouders van bepaalde vertrouwelijke informatie
niet op de hoogte kunnen worden gebracht omdat zij niet op grond van hun
ambt verplicht zijn die informatie vertrouwelijk te houden. Het hof heeft
het verweer terecht en op de juiste gronden verworden.
26. Het middel faalt dus.
27. Het vijfde middel behelst de klacht dat uit de gebezigde
bewijsmiddelen niet kan volgen dat verdachte's opzet gericht was op het
bestaan van een geheim.
28. Ten laste van verdachte is bewezen verklaard zoals hiervoor is
weergegeven onder 6.
29. In de toelichting op het middel wordt aangevoerd dat de plaats van het
woord opzet in de tenlastelegging en bewezenverklaring meebrengt dat het
opzet zich tevens uitstrekt over de term geheim, zodat het Hof bewezen
heeft verklaard dat verdachte ook de opzet had op het feit dat het hier
een geheim betrof, terwijl dit niet uit het gebezigde bewijsmiddelen kan
volgen.
30. Ik meen dat het middel feitelijke grondslag mist. De steller van het
middel past de regel die in het algemeen geldt bij de uitleg van de
delictsomschrijving, te weten dat alles wat volgt op het woord opzet onder
het bereik van het opzet valt, zonder nadere toelichting toe op de
tenlastelegging. Die regel geldt daarvoor echter niet en dus gaat het om
de vraag of de plaatsing van het woord opzet aan het begin van de
tenlastelegging betekent dat opzet ook betrekking heeft op geheim.
31. Het Hof heeft in het slot van zijn overweging naar aanleiding van de
gevoerde bewijsverweren, aandacht besteed aan het opzet:
"Tenslotte heeft de raadsman zich beroepen op het ontbreken van opzet
bij verdachte. Het hof verwerpt dit verweer eveneens. Naar het oordeel van
het hof is het verdachte, mede gelet op zijn functie van wethouder, reeds
op grond van de aard van de informatie, het moment waarop verdachte die
informatie verkreeg als degen die hem de informatie verstrekte en de
hoedanigheid waarin hij die informatie verkreeg, en tevens in aanmerking
genomen verdachtes eigen verklaring daaromtrent, duidelijk geweest dat hij
die informatie niet eigenmachtig met derden moest delen. Uit de
bewijsmiddelen blijkt dat de burgemeester in beide telefoongesprekken
verdachte heeft verzocht om vertrouwelijkheid en dat verdachte - los van
de vraag of de burgemeester hem om die vertrouwelijkheid heeft verzocht -
zelf besefte dat het ging om "hot information". Op grond van
deze feiten en omstandigheden komt het hof tot het oordeel dat verdachte
wist of ieder geval redelijkerwijs had moeten weten dat hij de identiteit
van de verdachte van de moordaanslag op de heer Fortuijn als geheim moest
bewaren en dat hij bij het doorgeven van bedoelde informatie aan
[betrokkene 1] de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat hij daarmee zijn
plicht tot geheimhouding met betrekking tot die informatie schond."
32. Ik lees die overweging aldus dat het Hof het deel van de
tenlastelegging waarin sprake is van "een geheim, te weten de
identiteit van de vermoedelijke moordenaar van Pim Fortuijn, waarvan hij
wist of redelijkerwijs moest vermoeden dat hij uit hoogde van zijn ambt
verplicht was het te bewaren" als een geheel heeft gelezen en heeft
geoordeeld dat gelet op de bewijsmiddelen verdachte heeft geweten of
redelijkerwijs moeten vermoeden dat het hier om a) een geheim ging dat hij
b) uit hoofde van zijn ambt moest bewaren. Die uitleg is met de tekst van
de tenlastelegging niet onverenigbaar zodat het middel berust op een
verkeerde lezing van de tenlastelegging en bewezenverklaring en om die
reden faalt.
33. Ik heb ook overigens geen gronden voor cassatie aangetroffen. Daarom
concludeer ik dat de Hoge Raad het beroep zal verwerpen.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden,
plv.
1 Vgl. A.H.M. D?lle, D. J. Elzinga, Handboek van het Nederlandse
gemeenterecht, derde druk (2004), p. 357.
2 Zitting 1952-1953, 3030, nr. 3, p.1; dit wetsontwerp is ingetrokken en
in 1966 vervangen door wetsontwerp 8538 met name omdat Minister Samkalden
zich niet kon verenigen met de wens om in art. 272 Sr ook de culpoze
schending van geheimen strafbaar te stellen, vgl. NLR, suppl. 100 aantek.
1 bij art. 272 Sr.
| Pim Fortuyn Censuur in Nederland. De moord op Pim kost Nederlanders veel vrijheid (van meningsuiting) en een Fortuyn | |
| 332 | Fortuyn & Mr. M. Moszkowicz sr.: "Leven we nog in een rechtsstaat?" |
| 193 | Fortuyn. Toeschrijven naar conclusie bekende truc overheid om de aandacht af te leiden van zaken waar het werkelijk om gaat |
| 482 | Fortuyn. Confrontatie LPF met CDA Minister van Justitie Donner over norm voor meenemen of wepmeppen van winkeldief |
| 487 | Fortuyn. Hans Smolders: "Als je er zelf inzit dan zie je pas hoe de mensen door Den Haag belazerd worden" |
| 183 | Fortuyn. Democratie in Nederland is een illusie III, Vetorecht CDA/VVD over LPF'ers |
| 182 | Fortuyn. Democratie in Nederland is een illusie II, Lijst Pim Fortuyn razendsnel ingepolderd |
| 288 | Fortuyn. Democratie in Nederland is een illusie I, waarschuwing voor kamerleden/onderhandelaars LPF |
| 178 | Fortuyn. De kunst van het liegen, tevens waarschuwing voor Hoekstra in onderzoekscommissie Haak |
| 281 | Fortuyn. Hetze en taalgebruik tegen Fortuyn. Partij van de Arbeid krijgt pak slaag van kiezers |
| 280 | Fortuyn. Informatie over de commissie en het (overheid)onderzoek naar de beveiliging rond Pim Fortuyn |
| 282 | Fortuyn. Westbroek: Één mistdruppel voel je niet, maar komt het van alle kanten dan zorgt dat voor een ander politiek klimaat |
| 275 | Fortuyn. Demmink zou LPF-minister Nawijn hebben gewaarschuwd geen lijsttrekker te worden omdat LPF uit criminelen zou bestaan |
| 485 | Fortuyn. Rene Diekstra op zoek waarom gevestigde politiek geen afdoende antwoord had op Fortuyn |
| 486 | Fortuyn. Pim Fortuyn van Nederlandse Le Pen tot Kennedy |
| 286 | Fortuyn. Volkert leek vooral berekenend. Klacht Milieu-Offensief bij Raad voor de Journalistiek ongegrond |
| 391 | Fortuyn. Openbaar Ministerie: "Van der G. is een calculerende dader" |
| 105 | Fortuyn. Toelichting officier ter terechtzitting Amsterdam in strafzaak verdachte moord Fortuyn |
| 483 | Schending ambtsgeheim ex art. 272.1 Sr door loco-burgemeester op de avond van de moordaanslag op Pim Fortuyn |
| BSC | Waarom willen gemeenten namen, titel, initialen, nevenfuncties leden en secretarissen bezwaarcommissie GEHEIM te houden? |
| GRI | Welke bijbaantjes (in BSC) worden door de raadsgriffiers en gemeentesecretarissen van gemeenten NIET opgegeven en waarom niet? |
| 107 | Waarom werd brief 031209 van Hop aan Raad onderschept? Neem college geen BESLUIT en wie zitten in werkgroep communicatie? |
| Werkwijze overheid en rechtersleger bij rampen in Nederland! Burgers en bedrijven worden (financieel) kapot gemaakt! | |
| POV | Plakoorlog op de Veluwe, bekijk de journaal uitzending van Omroep Gelderland |
| PO1 | Posteroorlog 1, In de meeste gemeenten was Hop er vroeg bij en plakte als eerste op de verkiezingsborden |
| PO2 | Posteroorlog 2, Hoe zou u het vinden als u in heel Gelderland plakt en alles zelf betaald en het CDA vernield je verkiezingsposters? |
| PO3 | Posteroorlog 3, Groep Hop was er vroeg bij omdat Hop alle adressen van verkiezingsborden bij alle gemeenten had opgevraagd! |
| 180 | Voordat de Staat (MvJ RVDK 445) een verzoek indient bij de rechter is er natuurlijk eerst een onderonsje met de rechter om het verzoek af te stemmen |
| 124 | Stockholmsyndroom en UHP kinderen. Brief ouders aan kinderrechter wij komen NIET naar hoorzitting om proceseconomische redenen! |
| 306 | Informant Hop in 1998: "Is er een complot Openbaar Ministerie en Rechterlijke Macht tegen democratische rechtsstaat?" |
| 557 | Pikmeerarresten! Rechtersleger zal altijd proberen de overheid te beschermen, onafhankelijke burgers/bedrijven kapot te maken! |
| 306 | Informant Hop in 1998: "Is er een complot Openbaar Ministerie en Rechterlijke Macht tegen democratische rechtsstaat?" |
| 008 | Informant Hop: "RvdK zat voor, tijdens schorsing en na de hoorzitting bij de kinderrechter AAN DEZELFDE TAFEL!" |
| 710 | Rb Zutphen tegen Hop: "Wraking Hop 3 rechters die zelf een zaak behandelen waarin zij zelf belanghebbende waren ONGEGROND!" |
| 288 | Informant Professor Daud: "De regentenstand speelt elkaar baantjes toe, parlement oefent nauwelijks controle uit" |
| 267 | Informant CDA Minister Donner: "Iedere kritiek afzonderlijk is NIET gevaarlijk"! |
| 282 | Informant Henk Westbroek: "Een kleine druppel voel je niet" |
| 020 | Informant Diekmans/Oltmans: Macht is recht! Wie meer macht heeft, heeft meer rechten, eigent zich ongestraft meer rechten toe |
| 002 | Awb procedures: Familie Logtenberg tegen Stichting Gereformeerde Jeugdbescherming/Stichting Bureaus Jeugdzorg Gelderland |
| 003 | Awb procedures: Familie Nienhuis/Leenders tegen Stichting Bureaus Jeugdzorg Gelderland/Stichting Lindenhout |
| 004 | Awb procedures: Familie Struyk tegen Stichting Gereformeerde Jeugdbescherming/Stichting Bureaus Jeugdzorg Gelderland |
| 005 | K.H. de Werd: "Hoe een onafhankelijk ondernemer door vakbonden, OM en rechtersleger kapot wordt gemaakt |
| 179 | De zaak Joop van den Hemel tegen de verzekeringsmaatschappij Royal Nederland als norm voor de werkwijze en "integriteit" van het rechtersleger met al hun bijbaantjes bij verzekeringsmaatschappijen |
| 421 | Novacap tulpenfraude Novacap Floralis Termijnfonds 2004 cv, Novacap Termijnfonds Beheer B.V., Novacap Agricola B.V. |
| 572 | Ad Bos verklapte in 2001 het geheim van de bouwfraude en eindigt in camper in de gemeente Bergen Noord-Holland |
| 334 | Misbruik bevoegdheden! Op patiëntenkaart Defensiemedewerker Fred Spijkers werden stiekem psychiatrische aantekeningen gezet |
| 285 | Misbruik bevoegdheden! Man moest succesvolle DSM loopbaan afbreken! Welk belang had DSM bij opsluiten van zijn vrouw? |
| 104 | Overheid! Ontslag werknemer wegens verstoorde verhoudingen na valsheid in geschrifte gepleegd door directeur |
| 278 | Openbaar Ministerie! De IRT-affaire leert dat "klokkenluiders" bij het Openbaar Ministerie hun baan zullen kwijtraken |
| 015 | Bijlmerramp! De laatste gesprekken cockpit/verkeerstoren. |
| 351 | Bijlmerramp! CDA-rechter Rein-Jan Hoekstra die Bijlmerramp onderzoekt kan vrachtbrieven en mannen in witte pakken niet vinden |
| 099 | Schipholbrand, welke CDA-er was hier weer verantwoordelijk en hoe komen hij/zijn familie eigenlijk aan al hun baantjes? |
| 309 | Vuurwerkramp Enschede rechercheurs voeren jarenlang Wob-procedures tegen Staat om Rijksrechercherapport |
| 417 | Brand Volendam! Gemeente vrijuit na falende controle! Welke bijbaantjes had de burgemeester tijdens de Brand Volendam? |
| 573 | Catshuisbrand. Ing. P.B. (Peter) Reijman: "Landsadvocaat wilde concept rapport niet tot definitieve versie verheven" |
| 283 | Strijd werknemer tegen Gemeente Amsterdam waarschuwing voor andere werknemers die tegen werkgever/gemeente procederen |
| 178 | Moord op Pim Fortuyn! Onderzoek dierenactivisten stopgezet! CDA-rechter die moord op Fortuyn onderzoekt kan weer niets vinden! |
| 047 | Tegen Ad van Rooij werd vertrouwensarts ingezet! Strijd tegen impregneren van hout met gif en gevolgen voor mens en milieu |
| 300 | Tegen Hop werd rechtersleger en een advocaat met baantjes bij kerk en school ingezet in strijd om contactjournaal gezinsvoogd |
| 680 | "Jeugdzorg" verzoekt Parlement/Minister net ingevoerde KLANTEN klachtwetgeving aan te passen in strijd tegen lastige Hop |
| 346 | CDA duldt geen kritiek in eigen blad, wil hoofdredacteur Christen Democratische Verkenningen de laan uitsturen |
| 200 | Het Seveso arrest, overheid moet aan burgers een schadevergoeding betaling indien burgers verkeerde informatie krijgen |
| 408 | Wet collectieve afhandeling massaschade! Identieke of verwante processen bij één gerecht of één rechterscombinatie bundelen |
| STEMWIJZER! Stem NIET op CDA, PVDA, VVD en GroenLinks bij verkiezingen gemeenteraad en landelijke verkiezingen 2010! | |