CENSUUR EN ORGANISATIECRIMINALITEIT IN NEDERLAND ©

1997-2014+ Diepe minachting voor het structurele probleem in de Nederlandse rechtspraak te weten de weerzinwekkende partijdigheid voor de overheid.

Groep Hop wil de pensioengerechtigde leeftijd verlagen naar 60 jaar. Alle gemeente belastingen afschaffen. Improductieve bureaucratie aanpakken. Kinderbeschermingsmaatregelen na verzonnen verhalen is weerzinwekkende fraude. Ontvangen gelden dienen als heling te worden aangemerkt. Bekijk ons programma? Als u ook genaaid bent/wordt door voor de overheid steeds partijdige rechtspraak, gemeente, jeugdzorg, RvdK of UWV stel u verkiesbaar voor de verkiezingen gemeenteraad 2018. Praktijkvoorbeeld. Het jatten van de recreatiewoning van een 71+ jarige gehandicapte burger die VOOR 1996 zelf zijn recreatiewoning heeft (af)gebouwd en er voor 1996 ook woonde dat wordt door niemand ter discussie gesteld wordt door Hop als organisatiecriminaliteit gemeente Ermelo en zeer ernstige mishandeling van een gepensioneerde burger aangemerkt. Groep Hop is wel TEGEN de discriminatie van Nederlanders tov buitenlanders.

Stem TEGEN organisatiecriminaliteit bij de overheid! Stem VOOR Groep Hop. Dank u wel voor uw aandacht. J. Hop.

 

 

De Betere Krant van Ermelo

Nieuwsberichten uit het Ermelo, lees verder

 

WAT IS DE DEFINITIE VAN EEN BESLUIT IN DE ALGEMENE WET BESTUURSRECHT

WET van 4 juni 1992, Stb. 1992, 315, houdende algemene regels van bestuursrecht (Algemene wet bestuursrecht. Laatste tekstplaatsing: Stb. 1998, 1. Inwerkingtreding: 1 januari 1994 (Stb. 1993, 693). WIJ BEATRIX, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz. enz. enz. Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat ingevolge artikel 107, tweede lid, van de Grondwet de wet algemene regels van bestuursrecht dient vast te stellen; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze:

 

HOOFDSTUK 1, Inleidende bepalingen

TITEL 1.1, Definities en reikwijdte

Art. 1:1. [Bestuursorgaan] (1.1)
-1. Onder bestuursorgaan wordt verstaan:

a. een orgaan van een rechtspersoon die krachtens publiekrecht is ingesteld; of
b. een ander persoon of college, met enig openbaar gezag bekleed.
-2. De volgende organen, personen en colleges worden niet als bestuursorgaan aangemerkt:
a. de wetgevende macht;
b. de kamers en de verenigde vergadering der Staten-Generaal;
c. onafhankelijke, bij de wet ingestelde organen die met rechtspraak zijn belast, alsmede de Raad voor de rechtspraak en het College van afgevaardigden;
d. de Raad van State en zijn afdelingen;
e. de Algemene Rekenkamer;
f. de Nationale ombudsman en de substituut-ombudsmannen als bedoeld in artikel 9, eerste lid, van de Wet Nationale ombudsman, en ombudsmannen en ombudscommissies als bedoeld in artikel 9:17, onderdeel b;
g. de voorzitters, leden, griffiers en secretarissen van de in de onderdelen b tot en met f bedoelde organen, de procureur-generaal, de plaatsvervangend procureur-generaal en de advocaten-generaal bij de Hoge Raad, de besturen van de in onderdeel c bedoelde organen alsmede de voorzitters van die besturen, alsmede de commissies uit het midden van de in de onderdelen b tot en met f bedoelde organen;
h. de commissie van toezicht betreffende de inlichtingen- en veiligheidsdiensten, bedoeld in artikel 64 van de Wet op de inlichtingen- en veiligheidsdiensten 2002.
-3. Een ingevolge het tweede lid uitgezonderd orgaan, persoon of college wordt wel als bestuursorgaan aangemerkt voor zover het orgaan, de persoon of het college besluiten neemt of handelingen verricht ten aanzien van een niet voor het leven benoemde ambtenaar als bedoeld in artikel 1 van de Ambtenarenwet als zodanig, zijn nagelaten betrekkingen of zijn rechtverkrijgenden.

Art. 1:2. [Belanghebbende] (1.2)
-1. Onder belanghebbende wordt verstaan: degene wiens belang rechtstreeks bij een besluit is betrokken.

-2. Ten aanzien van bestuursorganen worden de hun toevertrouwde belangen als hun belangen beschouwd.
-3. Ten aanzien van rechtspersonen worden als hun belangen mede beschouwd de algemene en collectieve belangen die zij krachtens hun doelstellingen en blijkens hun feitelijke werkzaamheden in het bijzonder behartigen.

Art. 1:3. [Besluit; beschikking; aanvraag; beleidsregel] (1.3)
-1. Onder besluit wordt verstaan: een schriftelijke beslissing van een bestuursorgaan, inhoudende een publiekrechtelijke rechtshandeling.
-2. Onder beschikking wordt verstaan: een besluit dat niet van algemene strekking is, met inbegrip van de afwijzing van een aanvraag daarvan.
-3. Onder aanvraag wordt verstaan: een verzoek van een belanghebbende, een besluit te nemen.
-4. Onder beleidsregel wordt verstaan: een bij besluit vastgestelde algemene regel, niet zijnde een algemeen verbindend voorschrift, omtrent de afweging van belangen, de vaststelling van feiten of de uitleg van wettelijke voorschriften bij het gebruik van een bevoegdheid van een bestuursorgaan.
Uitspraak 1 september 2006 Hop tegen gemeente Ermelo. Beroepschrift Hop gegrond bij bestuursrechter Zutphen

 

 

AD7523 ZOEK

AA6935 ZOEK

 

LJN: AD5103, Centrale Raad van Beroep , 99/750 NABW
LJN: AA3543, Rechtbank Roermond , 98/407 NABW K2
LJN: AA3611, Rechtbank Maastricht , 98/869 en 98/1126 NABW Z PER
LJN: AA3977, Rechtbank Zutphen , 98/1320 NABW

LJN: AA7084, Rechtbank Arnhem , 98/1782
LJN: AA8349, Rechtbank Almelo , 00/312 NABW Z1 A
LJN: AA9587, Rechtbank Maastricht , 98/1889 NABW Z SCC
LJN: AB0950, Rechtbank Zutphen , reg.nr.: 99/1063 NABW
LJN: AB1806, Rechtbank Utrecht , SBR 99/1714 ABW en SBR 00/1899 NABW
LJN: AB2483, Centrale Raad van Beroep , 00/2768 NABW
LJN: AB2485, Centrale Raad van Beroep , 99/1460 NABW
LJN: AB3075, Rechtbank Zutphen , 01/150 NABW

LJN: AD7519, Rechtbank Assen , 01/289 ABW
LJN: AE4494, Rechtbank Arnhem , AWB 01/205 NABW
LJN: AE6166, Centrale Raad van Beroep , 02/2118 NABW, 02/2156 NABW-VV
LJN: AF0888, Centrale Raad van Beroep , 00/6339 NABW
LJN: AF1533, Rechtbank Maastricht , AWB 02 / 1613 NABW VV

Art. 1:4. [Administratieve rechter] (1.4)
-1. Onder administratieve rechter wordt verstaan: een onafhankelijk, bij de wet ingesteld orgaan dat met administratieve rechtspraak is belast.
-2. Een tot de rechterlijke macht behorend gerecht wordt als administratieve rechter aangemerkt voor zover hoofdstuk 8 of de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften - met uitzondering van hoofdstuk VIII - van toepassing of van overeenkomstige toepassing is.

Art. 1:5. [Maken van bezwaar; instellen van beroep] (1.5)
-1. Onder het maken van bezwaar wordt verstaan: het gebruik maken van de ingevolge een wettelijk voorschrift bestaande bevoegdheid, voorziening tegen een besluit te vragen bij het bestuursorgaan dat het besluit heeft genomen.
-2. Onder het instellen van administratief beroep wordt verstaan: het gebruik maken van de ingevolge een wettelijk voorschrift bestaande bevoegdheid, voorziening tegen een besluit te vragen bij een ander bestuursorgaan dan hetwelk het besluit heeft genomen.
-3. Onder het instellen van beroep wordt verstaan: het instellen van administratief beroep, dan wel van beroep bij een administratieve rechter.

Art. 1:6. [Niet van toepassing] (1.6)
De hoofdstukken 2 tot en met 8 en 10 van deze wet zijn niet van toepassing op:
a. de opsporing en vervolging van strafbare feiten, alsmede de tenuitvoerlegging van strafrechtelijke beslissingen;
b. de tenuitvoerlegging van vrijheidsbenemende maatregelen op grond van de Vreemdelingenwet 2000;
c. de tenuitvoerlegging van andere vrijheidsbenemende maatregelen in een inrichting die in hoofdzaak bestemd is voor de tenuitvoerlegging van strafrechtelijke beslissingen;
d. besluiten en handelingen ter uitvoering van de Wet militair tuchtrecht;
e. besluiten en handelingen ter uitvoering van de Wet toetsing levensbeŽindiging op verzoek en hulp bij zelfdoding.

TITEL 1.2 Uitvoering van bindende besluiten van organen van de Europese Gemeenschappen

Art. 1:7. [Advies; extern overleg] (1.2.1)
-1. Indien door een bestuursorgaan ingevolge enig wettelijk voorschrift advies moet worden gevraagd of extern overleg moet worden gevoerd inzake een besluit alvorens een zodanig besluit kan worden genomen, geldt dat voorschrift niet indien het voorgenomen besluit uitsluitend strekt tot uitvoering van een bindend besluit van de Raad van de Europese Unie, van het Europees Parlement en de Raad gezamenlijk of van de Commissie van de Europese Gemeenschappen.
-2. Het eerste lid is niet van toepassing op het horen van de Raad van State.

Art. 1:8. [Kennisgeving] (1.2.2)
-1. Indien door een bestuursorgaan ingevolge enig wettelijk voorschrift van het ontwerp van een besluit kennis moet worden gegeven alvorens een zodanig besluit kan worden genomen, geldt dat voorschrift niet indien het voorgenomen besluit uitsluitend strekt tot uitvoering van een bindend besluit van de Raad van de Europese Unie, van het Europees Parlement en de Raad gezamenlijk of van de Commissie van de Europese Gemeenschappen.
-2. Het eerste lid is niet van toepassing op de overlegging van het ontwerp van een algemene maatregel van bestuur of ministeriŽle regeling aan de Staten-Generaal, indien:
a. bij de wet is bepaald dat door of namens ťťn der kamers der Staten-Generaal of door een aantal leden daarvan de wens te kennen kan worden gegeven dat het onderwerp of de inwerkingtreding van die algemene maatregel van bestuur of ministeriŽle regeling bij de wet wordt geregeld; of
b. artikel 21.6, zesde lid, van de Wet milieubeheer of artikel 33 van de Wet verontreiniging oppervlaktewateren van toepassing is.

Art. 1:9. [Voorstellen van wet] (1.2.3) Deze titel is van overeenkomstige toepassing op voorstellen van wet.

 

 

 

Uitspraken

 

 

 

 

 

 
LJN: AD5103, Centrale Raad van Beroep , 99/750 NABW  
Datum uitspraak: 16-10-2001
Datum publicatie: 16-05-2002
Rechtsgebied: Bijstandszaken
Soort procedure: Hoger beroep
Uitspraak

99/750 NABW


U I T S P R A A K

in het geding tussen:

[A.], wonende te [B.], appellante,

en

Het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Nuth, gedaagde.


I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING

Appellante heeft op in beroepschrift aangegeven gronden hoger beroep ingesteld tegen de door de Arrondissementsrechtbank te Maastricht op 22 januari 1999 ten aanzien van partijen gewezen uitspraak, genummerd 97/2087 en 97/2603 NABW, waarnaar hierbij wordt verwezen.

Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.

Hierna heeft appellante zich nog enige malen schriftelijk tot de Raad gewend.

Het geding is - gevoegd met de gedingen tussen partijen, genummerd 99/753 NABW en 99/5104 NABW - behandeld ter zitting van 20 februari 2001. Daar is appellante in persoon verschenen en heeft gedaagde zich niet doen vertegenwoordigen.
Na de gevoegde behandeling ter zitting zijn de gedingen weer gesplitst. In de gedingen, genummerd 99/753 NABW en 99/5104 NABW is afzonderlijk uitspraak gedaan.

Omdat het onderzoek in de onderhavige zaak niet volledig is geweest, heeft de Raad het onderzoek in deze zaak heropend.

Het geding is opnieuw ter behandeling aan de orde gesteld ter zitting van 4 september 2001, waar partijen niet zijn verschenen.


II. MOTIVERING

Blijkens de gedingstukken heeft gedaagde bij besluit van 20 augustus 1996 appellantes uitkering op grond van de Rijksgroepsregeling werkloze werknemers met ingang van 1 september 1996 omgezet in een uitkering ingevolge de Algemene bijstandswet (Abw); in dit besluit was onder andere ook opgenomen dat voor appellante de verplichtingen als bedoeld in artikel 113, eerste lid, van de Abw betreffende (kort gezegd) scholing en sollicitatie gelden. Bij besluit van 12 november 1996 heeft gedaagde evenwel ter kennis van appellante gebracht dat zij met toepassing van artikel 107, eerste lid, van de Abw (vooralsnog) wordt ontheven van de in artikel 113 van de Abw genoemde verplichtingen.
Appellante heeft bij brief van 26 maart 1997 aan gedaagde verzocht haar van de scholings- en sollicitatieverplichtingen te ontheffen. Gedaagde heeft bij beslissing van 2 december 1997 dat verzoek met toepassing van artikel 4:6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) afgewezen onder verwijzing naar zijn besluit van 12 november 1996. Intussen had appellante bij brief van 5 juni 1997 bij gedaagde bezwaar gemaakt tegen het uitblijven van een besluit op haar verzoek van 26 maart 1997. Vervolgens heeft zij bij brief van 25 augustus 1997 bij de rechtbank beroep ingesteld tegen het uitblijven van een besluit van gedaagde op haar bezwaarschrift van 5 juni 1997 (het geding, nummer 97/2087 NABW). Nadat de beslissing van 2 december 1997 bij de rechtbank was ontvangen, heeft appellante de rechtbank desgevraagd, bij brief van 12 december 1996, meegedeeld dat zij het met de inhoud ervan niet eens is (het geding, nummer 97/2603 NABW).

De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep van appellante tegen het niet-tijdig beslissen op het bezwaarschrift van 5 juni 1997 niet-ontvankelijk verklaard en zich onbevoegd verklaard om kennis te nemen van het beroep tegen de beslissing van 2 december 1997. De rechtbank heeft geen termen aanwezig geacht te bepalen dat aan appellante het door haar (in het geding 97/2087) betaalde griffierecht dient te worden vergoed.

In hoger beroep heeft appellante zich tegen die uitspraak gekeerd.

De Raad overweegt het volgende.

De rechtbank is tot het oordeel gekomen, dat zij onbevoegd is van het beroep tegen de beslissing van 2 december 1997 kennis te nemen, omdat naar haar oordeel die beslissing niet een besluit is als bedoeld in artikel 1:3 van de Awb, ten gevolge waarvan op grond van artikel 8:1 van de Awb ter zake van dat geschrift geen beroep bij de rechtbank mogelijk is. Hiertoe heeft de rechtbank overwogen dat het door appellante op 26 maart 1997 ingediende verzoek betrekking had op een vrijstelling die gedaagde haar bij het besluit van 12 november 1996 al had verleend, zodat het geschrift van 2 december 1997 geen zelfstandig rechtsgevolg heeft.
De Raad onderschrijft de aangevallen uitspraak in zoverre als juist. Hieraan voegt de Raad toe dat onder de verplichtingen, bedoeld in artikel 113, eerste lid, van de Abw, waarvan appellante ontheffing is verleend, gezien artikel 70, derde lid, van de Abw niet mede valt te begrijpen de in het besluit van 12 november 1996 wel aan appellante opgelegde voorwaarde medewerking te verlenen aan het totstandkomen van een in haar geval voorgenomen trajectplan. Derhalve had het verzoek van appellante bij brief van 26 maart 1997 om vrijstelling van de scholings- en sollicitatieverplichtingen als bedoeld in artikel 113 van de Abw en bijgevolg het geschrift van 2 december 1997 op die voorwaarde geen betrekking.

Voorts acht de Raad de in het dictum van de aangevallen uitspraak neergelegde niet-ontvankelijkverklaring van het beroep van appellante, gericht tegen het niet-tijdig beslissen op het bezwaarschrift van 5 juni 1997, eveneens juist. De Raad is van oordeel dat met het verschijnen van het geschrift van 2 december 1997, waarmee gedaagde het oogmerk had op het verzoek van appellante van 26 maart 1997 te beslissen, aan het hier besproken beroep van appellante geheel werd tegemoetgekomen. De Raad kan zich echter niet vinden in de beslissing van de rechtbank, aan de gemeente Nuth niet op te dragen aan appellante het in het geding, nummer 97/2087 NABW, betaalde griffierecht ad f 55,-- te vergoeden. Hiertoe neemt de Raad in aanmerking dat gedaagde ten tijde van het instellen van dit beroep nog niet op het bezwaar van 5 juni 1997 had beslist en, gezien de stukken, de hiervoor geldende beslistermijn had overschreden. Dit betekent dat appellante terecht is opgekomen tegen een op zichzelf onrechtmatig te achten besluit. De Raad ziet daarom aanleiding de gemeente Nuth met toepassing van artikel 8:74, tweede lid, van de Awb te veroordelen tot het vergoeden van griffierecht aan appellante.

Het voorgaande leidt de Raad tot de slotsom dat de aangevallen uitspraak moet worden vernietigd in zoverre daarin is beslist over de vergoeding van griffierecht.

De Raad ziet, ten slotte, termen aanwezig om op grond van artikel 8:75 van de Awb gedaagde te veroordelen in de proceskosten van appellante in hoger beroep. Deze kosten worden begroot op f 70,-- aan reiskosten. Hierbij tekent de Raad aan dat de rechtbank in haar uitspraak van 22 januari 1999, die in het geding, nummer 99/753 NABW aan de orde was, met toepassing van artikel 8:75 van de Awb gedaagde heeft veroordeeld in de proceskosten van appellante in de vorm van reiskosten ad f 21,63, zijnde de kosten van het bijwonen van de zitting van de rechtbank op 26 november 1998 op welke zitting ook het onderhavige geding in eerste aanleg is behandeld.

Beslist wordt als volgt.


III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak in het geding nummer 97/2087 NABW, voorzover daarbij is beslist over de vergoeding van griffierecht;
Bevestigt de aangevallen uitspraak voor het overige;
Veroordeelt gedaagde in de proceskosten van appellante in hoger beroep tot een bedrag groot f 70,--, te betalen door de gemeente Nuth;
Gelast de gemeente Nuth aan appellante het in beroep (in het geding nummer 97/2087 NABW) gestorte recht van f 55,-- en van f 160,-- in hoger beroep (totaal f 215,--) te vergoeden.

Aldus gegeven door mr. drs. N.J. van Vulpen-Grootjans als voorzitter en mr. J.G. Treffers en mr. Ch. de Vrey als leden, in tegenwoordigheid van mr. P.C. de Wit als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 16 oktober 2001.

(get.) N.J. van Vulpen-Grootjans.

(get.) P.C. de Wit.

F.B
2509

 

 

 

 

 

LJN: AA3543, Rechtbank Roermond , 98/407 NABW K2

Datum uitspraak: 30-12-1998

Rechtsgebied: Bijstandszaken Soort procedure: Eerste aanleg - meervoudig

Uitspraak ARRONDISSEMENTSRECHTBANK TE ROERMOND
meervoudige kamer voor bestuursrechtelijke zaken


UITSPRAAK

Procedurenr.: 98 / 407 NABW K2

Inzake A te B eiseres,

tegen

het college van Burgemeester en Wethouders van de gemeente Maasbracht, te Maasbracht, verweerder.

Datum en aanduiding van het bestreden besluit: de brief d.d. 23 maart 1998, kenmerk: SWO/MaG/B 22.

Datum van terechtzitting: 9 december 1998

1. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING.

Bij het in de aanhef van deze uitspraak genoemde besluit heeft verweerder het bezwaar van eiseres tegen een besluit waarbij de haar toegekende bijstandsuitkering met ingang van 1 juli 1997 is beŽindigd en waarbij de betaalde bijstand over de periode van 10 januari 1996 tot 1 juli 1997 is teruggevorderd, niet-ontvankelijk verklaard voor zover het betreft de terugvordering en ongegrond voor zover het betreft de beŽindiging.

Tegen dit besluit is bij deze rechtbank beroep ingesteld.

De door verweerder ter uitvoering van artikel 8:42 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) ingezonden stukken en het verweerschrift zijn in afschrift aan de gemachtigde van eiseres gezonden.

Het beroep is behandeld ter zitting van de rechtbank op 9 december 1998, waar eiseres in persoon is verschenen en bijgestaan door mr. B. de Leeuw, en waar verweerder -opgeroepen bij gemachtigde te verschijnen - zich heeft doen vertegenwoordigen door G.G.J. Maat, ambtenaar van de afdeling Sociale Zaken, Welzijn en Onderwijs van verweerders gemeente.


II. OVERWEGINGEN.

Eiseres heeft zich op 10 januari 1996 tot verweerders sociale dienst gewend met het verzoek in aanmerking te worden gebracht voor bijstand ingevolge de Algemene bijstandswet (Abw) ter voorziening in de kosten van levensonderhoud voor haar zelf en haar kind. Zij heeft daarbij aangegeven aanspraak te maken op bijstand in verband met echtscheiding. Bij besluit van 21 maart 1996 is aan eiseres met ingang van de datum van de aanvraag bijstand toegekend naar de norm van een alleenstaande ouder (met een toeslag van 4%). Bij dat besluit is het vermogen van eiseres bij de aanvang van de bijstandsverlening vastgesteld op nihil, in afwachting van de scheiding en deling van de huwelijksgoederengemeenschap. Bij dat besluit heeft verweerder voorts onder meer nog meegedeeld dat op grond van artikel 82 van de Abw de gemaakte en te maken kosten van bijstand worden teruggevorderd indien en voor zover de opbrengst van de scheiding en deling van de huwelijksgoederengemeenschap, vermeerderd met het vermogen van eiseres op het moment van aanvang van de bijstandsverlening, het bedrag van het vrij te laten vermogen te boven gaat.
Op het inkomstenformulier over april 1997 geeft eiseres kennelijk aan dat zij een bedrag van f 3.000,= heeft ontvangen aan alimentatie en dat haar vermogen is gestegen met een bedrag van f 16.500,= wegens boedeldeling. In het kader van het daarop volgende heronderzoek blijkt dat de woning waar eiseres voorheen met haar ex-echtgenoot heeft gewoond bij verkoop een over de echtelieden te verdelen bedrag heeft opgeleverd van f 104.392,77. Uit het ter zake opgemaakte rapport blijkt dat eiseres een bedrag van f 16.500,= heeft ontvangen en dat de rest van de haar toekomende f 52.196,39 is aangewend om een schuld aan haar moeder te vereffenen. Die schuld is ontstaan tijdens een periode van inwoning; de moeder van eiseres heeft in de bij de woning van eiseres en haar echtgenoot behorende garage gewoond en de verbouwing van die garage tot woning is door de moeder betaald. Van die schuld zijn geen bewijsstukken voorhanden en eiseres heeft ten tijde van de aanvraag die schuld niet vermeld.

Bij besluit van 25 juli 1997 deelt verweerder eiseres mee dat haar bijstandsuitkering met ingang van 1 juli 1997 is beŽindigd in verband met het feit dat zij door de opbrengst van de scheiding en deling van de huwelijksgoederengemeenschap over voldoende middelen kan beschikken ter voorziening in de algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan.
Voorts deelt verweerder mee dat op grond van artikel 82 van de Abw de gemaakte kosten van bijstand tot een bedrag van f 26.285,82 van eiseres wordt teruggevorderd.

Namens eiseres wordt een -ongemotiveerd- bezwaarschrift ingediend en eerst ter hoorzitting op 11 december 1997 wordt aangevoerd op welke gronden bezwaar wordt gemaakt. Eiseres doet aanvoeren dat zij zich niet kan verenigen met de wijze waarop het aan haar toe te rekenen vermogen is berekend en evenmin met de terugvordering. In de visie van eiseres bestaat er geen rechtsgrond om een bedrag van f 26.285,82 terug te vorderen. Indien en voor zover het vermogen de grens van het vrij te laten vermogen overschrijdt, kan dit alleen gevolgen hebben voor de verlening van bijstand in de toekomst.
Met betrekking tot de vermogensberekening brengt eiseres naar voren dat de schuld aan haar moeder zowel moeders aandeel in de aflossing van de hypotheek als moeders financiering van de verbouwing omvatte. Zij legt een verklaring over, waarin de moeder van eiseres verklaart van 1 oktober 1991 tot en met 5 augustus 1996 in de garage achter de echtelijke woning te hebben gewoond en in die periode te hebben meebetaald aan de aflossing van de hypotheek, alsmede het bewoonbaar maken van de garage te hebben bekostigd. Moeder stelt dat zij zowel het geld voor het bewoonbaar maken van de garage als het meebetalen aan de hypotheek terug wilde hebben bij de verkoop van de woning. Eiseres heeft zich verplicht gevoeld voornoemde uitgaven van haar moeder terug te betalen uit de verkoopopbrengst van het huis; deze verplichting bestaat ook voor haar ex-echtgenoot.

Uit overgelegde afschriften van bankrekeningen blijkt dat het bedrag van f 52.196,39 door de notaris op 15 april 1997 aan de moeder van eiseres is overgemaakt en dat de moeder vervolgens op 17 april 1997 f 16.500,= heeft overgemaakt naar eiseres. Desgevraagd wordt aangegeven dat niet kan worden aangetoond hoe het door eiseres gehanteerde schuldsaldo precies is berekend. Eiseres is van mening dat verweerder ten onrechte haar vermogen op een bedrag van f 52.196,39 heeft vastgesteld in plaats van op f 16.500,=.

Voorts voert eiseres aan dat er, aangezien zij het verkrijgen van vermogen betwist, voor de terugvordering geen rechtsgrond bestaat. Verweerder doet naar voren brengen dat niet kan worden geconcludeerd dat er een schuld zou bestaan van eiseres aan haar moeder ten bedrage van f 35.696,39.

Het uitbrengen van advies door de bezwaarschriftencommissie wordt vervolgens aangehouden ten einde eiseres in de gelegenheid te stellen bewijsstukken aan te leveren die het bestaan van de schuld aan haar moeder kunnen aantonen.

Bij brief van 19 december 1997 legt de gemachtigde van eiseres in afschrift een bladzijde uit een taxatierapport over, waarin is beschreven dat de garage verwarmd is en voorzien van een keukenblok, badkamer met ligbad en toilet.

Op 21 januari 1998 adviseert de bezwaarschriftencommissie het bezwaar voor zover het is gericht tegen de terugvordering niet-ontvankelijk te verklaren, op grond van de overweging dat de terugvordering is gebaseerd op het terugvorderingsbesluit van 21 maart 1996. Voorts adviseert de commissie het bezwaar voor zover het is gericht tegen de beŽindiging van de bijstandsuitkering ongegrond te verklaren, op grond van de overweging dat niet is gebleken van het ontstaan en bestaan van een schuld van eiseres aan haar moeder. Dienovereenkomstig heeft verweerder besloten.

In beroep wordt betwist dat de terugvordering is gebaseerd op de beschikking van 21 maart 1996 en wordt aangevoerd dat bij besluit van 25 juli 1997 voor het eerst het bedrag van f 26.285,82 wordt genoemd. Van de zijde van eiseres wordt gesteld dat, nu het in bezwaar aangevochten besluit is genomen na 1 juli 1997, de competentie ter zake van het terugvorderingsbesluit bij de bestuursrechter is gelegen.

Voorts wordt aangevoerd dat de moeder van eiseres bijna vijf jaar lang een maandelijkse bijdrage heeft geleverd van f 250,= in de aflossing van de woning en dat de moeder de verbouwing van de garage heeft betaald, maar dat daar geen bewijsstukken meer van voorhanden zijn. Destijds was er geen aanleiding een en ander schriftelijk vast te leggen.

Eiseres heeft er bij de aanvraag van de uitkering niet aan gedacht de schuld aan haar moeder op te geven, omdat zij de vordering van haar moeder niet als schuld heeft ervaren; zij zag het als een bedrag dat automatisch verrekend zou worden met de overwaarde van het huis.

In het verweerschrift geeft verweerder aan zich op het standpunt te stellen dat bij beschikking van 21 maart 1996 het oorspronkelijke besluit tot terugvordering is genomen en dat bij de beschikking van 25 juli 1997 slechts nader invulling van het oorspronkelijke terugvorderingsbesluit wordt gegeven door een specificatie. Wat de beŽindiging van de uitkering betreft herhaalt verweerder in het verweerschrift dat eiseres nimmer melding heeft gemaakt van de schuld en dat uit geen enkel bewijsstuk blijkt van die schuld.

De rechtbank dient te beoordelen of het bestreden besluit in strijd is met het geschreven of ongeschreven recht dan wel met enig algemeen rechtsbeginsel.

Daartoe wordt, voor zover eiseres niet-ontvankelijk is verklaard in haar bezwaar, overwogen als volgt. Op 1 juli 1997 is de Wet boeteny maatregelen en terug- en invordering sociale verzekering (hierna: de Wet boeten) in werking getreden voor de Abw. De Wet boeten heeft wijzigingen gebracht in het regime van terugvordering, invordering, boeten en maatregelen van de Abw. Het ingang van 1 juli 1997 is het toetsen van de terugvordering van bijstandsuitkeringen een bestuursrechtelijke aangelegenheid, waarbij de toetsing volgens de voor terugvordering geldende bestuursrechtelijke regels plaatsvindt. Terugvorderingsbesluiten, afgegeven nŠ 1 juli 1997, behoren vanaf die datum tot de competentie van de bestuursrechter. Artikel XVI van de Wet boeten is een overgangsbepaling, waarbij in het eerste lid is bepaald, voorzover hier van belang, dat ten aanzien van de (materiŽle) bevoegdheid tot terugvordering van hetgeen voor 1 juli 1997 onverschuldigd is betaald door het in werking treden van de Wet boeten geen wijziging wordt gebracht. In het tweede lid van artikel XVI van de Wet boeten is bepaald dat ten aanzien van besluiten tot weigering, terugvordering of verrekening, die voor de datum van inwerkingtreding van deze wet zijn bekendgemaakt, het recht zoals dat voor die datum gold van toepassing blijft. Deze bepaling is geschreven voor het scheppen van duidelijkheid in toepasselijkheid van oud of nieuw procesrecht en om te voorkomen dat er (te lang) onduidelijkheid in de in te roepen rechtsbescherming bestaat. Indien en voor zover er sprake is van een ten aanzien van eiseres genomen terugvorderingsbesluit van vůůr 1 juli 1997 blijft derhalve op grond van artikel XVI, tweede lid, van de Wet boeten het oude recht -en de oude procedure- op die terugvordering van toepassing.
De rechtbank ziet zich derhalve geplaatst voor beantwoording van de vraag of verweerders toekenningsbesluit van 21 maart 1996 -mede- is aan te merken als een besluit met betrekking tot terugvordering als bedoeld in artikel XVI, tweede lid, van de Wet boeten.

Verweerder stelt zich op het standpunt dat met het toekenningsbesluit van 21 maart 1996 ook een beslissing is genomen ten aanzien van terugvordering van bijstand, indien en voor zover de opbrengst van de scheiding en deling van de huwelijksgoederengemeenschap daartoe aanleiding geeft.

De rechtbank volgt verweerder daarin niet. De beslissing van 21 maart 1996 kan, voor zover het betreft de mededeling over terugvordering, niet worden aangemerkt als een besluit in de zin van artikel XVI, tweede lid, van de Wet boeten en mitsdien niet als een besluit ter zake waarvan de oude processuele bepalingen inzake de rechtsgang en de rechtsbescherming van de bijstandswet, zoals die luidde tot 1 juli 1997, blijven gelden.
De rechtbank heeft geen aanleiding gezien voor de veronderstelling dat de wetgever in artikel XVI, tweede lid, van de Wet boeten met de term besluit iets anders bedoeld heeft dan een besluit in de zin van de Awb en derhalve een besluit dat aan alle daaraan te stellen eisen moet voldoen.

Voor zover het de terugvordering van bijstand betreft wordt bij de beslissing van 21 maart 1996 niet de rechtsbetrekking tussen partijen volledig en definitief vastgelegd, nu vermelding van een mogelijke toepassing van het bepaalde in artikel 82 van de Abw nog niet wijst op een als definitief bedoeld oordeel van verweerder omtrent de toepasselijkheid van dat wettelijk voorschrift in het concrete geval van eiseres. Vermelding van artikel 82 van de Abw is geen constituerend element van die beslissing geweest en in die zin is die vermelding niet op rechtsgevolg gericht geweest. Op 21 maart 1996 was voorts nog niet zeker en niet duidelijk of en in hoeverre er toepassing gegeven zou gaan worden aan het bepaalde in artikel 82 van de Abw.

Verweerder heeft ter zitting van de rechtbank nog aangegeven dat eiseres naar aanleiding van het toekenningsbesluit van 21 maart 1996, juist vanwege de -voorgenomen- toepassing van artikel 82 van de Abw, is opgenomen in de debiteurenadministratie. Een dergelijke handeling erleent echter aan de beslissing van 21 maart 1996, voor zover daarbij is beoogd toepassing te geven aan artikel 82 van de Abw, nog niet het karakter van een besluit. Een en ander doet aan het oordeel van de rechtbank dan ook niet af.

De rechtbank ziet verweerders toekenningsbesluit van 21 maart 1996 niet als een besluit waarbij van meet af aan de verleende bijstand als terugvorderbare bijstand is verleend en waarbij de terugbetaling op grond van het bepaalde in artikel 82 van de Abw als een noodzakelijk aan de verleende bijstand verbonden voorwaarde aan de bijstandsverlening is verbonden. Gelet op het vorenstaande heeft verweerder ten onrechte het bezwaar van eiseres voor zover dat is gericht tegen de in het besluit van 25 juli 1997 opgenomen terugvordering, niet-ontvankelijk verklaard. In zoverre is het beroep van eiseres gegrond en dient het bestreden besluit te worden vernietigd. Verweerder zal opnieuw hebben te beslissen op het bezwaar van eiseres tegen de terugvordering van bijstand.

Voor zover het bezwaar van eiseres tegen beŽindiging van bijstand per 1 juli 1997 ongegrond is verklaard overweegt de rechtbank als volgt. Verweerder stelt zich op het standpunt dat eiseres per 1 juli 1997 de beschikking heeft over meer dan het vrij te laten bescheiden vermogen en heeft op die grond het recht van eiseres op bijstand per 1 juli 1997 beŽindigd.
Daarbij gaat verweerder ervan uit dat eiseres geacht moet worden per 1 juli 1997 de beschikking te hebben over een bedrag van (f 52.196,39 - f 26.285,82 =) f 25.910,57. Door de vorenstaande uitspraak van de rechtbank ter zake van de terugvordering van bijstand is echter de grondslag aan de vermogensvaststelling per 1 juli 1997 komen te ontvallen. De vermogensvaststelling per 1 juli 1997 is immers niet los te zien van de uitkomst van verweerders heroverweging ten aanzien van de toepassing van artikel 82 van de Abw, waarbij -voorafgaand aan een eventuele beŽindiging- eerst vastgesteld moet worden of en zo ja, inhoeverre eiseres naderhand met betrekking tot de periode waarover bijstand is verleend over in aanmerking te nemen middelen beschikt of kan beschikken. Het beroep van eiseres komt ook op dit onderdeel voor gegrondverklaring in aanmerking. Het bestreden besluit wordt ook in zoverre vernietigd en verweerder zal opnieuw dienen te beslissen op het bezwaar van eiseres.

De gemachtigde van eiseres heeft verzocht om met toepassing van het bepaalde in artikel 8:73 van de Awb een veroordeling uit te spreken tot vergoeding van de wettelijke rente over de ten onrechte niet betaalde uitkering vanaf 1 juli 1997. Nu niet met zekerheid is te zeggen of het door verweerder ingevolge deze uitspraak te nemen nieuwe besluit op bezwaar zal leiden tot een, wat het recht op uitkering betreft, voor eiseres gunstiger resultaat, en indien zulks het geval is in welke mate dat resultaat gunstiger is, kan dat verzoek thans niet worden gehonoreerd. Mocht echter onderhavige vernietiging inderdaad een nabetaling van uitkering ten gevolge hebben, dan kan eiseres -indien en voor zover verweerder dat al niet eigener beweging doet- aan verweerder verzoeken om de wettelijke rente te vergoeden, welke beslissing op zich zelf is te beschouwen als een besluit in de zin van artikel 1:3 van de Awb.

De rechtbank acht verder termen aanwezig om verweerder op grond van het bepaalde in artikel 8:75 van de Awb te veroordelen in de proceskosten die eiseres redelijkerwijs heeft moeten maken in verband met de behandeling van dit beroep, een en ander overeenkomstig de normen van het Besluit proceskosten bestuursrecht. Voor de in aanmerking te nemen proceshandelingen wordt voor het beroepschrift en het verschijnen ter zitting van de rechtbank twee punten toegekend. Het gewicht van de zaak wordt bepaald op gemiddeld, hetgeen correspondeert met de wegingsfactor ťťn.

Mitsdien wordt beslist als volgt.


Ill. BESLISSING.

De arrondissementsrechtbank te Roermond;

gelet op het bepaalde in de artikelen 8:70, 8:72, 8:73, 8:74 en 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht;

verklaart het beroep gegrond en vernietigt het bestreden besluit;

bepaalt dat verweerder opnieuw beslist op het bezwaarschrift van eiseres met inachtneming van het bij deze uitspraak bepaalde;

veroordeelt verweerder in de kosten van de beroepsprocedure bij de rechtbank, aan de zijde van eiseres begroot op f. 1.420,= (zijnde de kosten van rechtsbijstand) te vergoeden door verweerders gemeente aan de griffier der gerechten in het arrondissement Roermond;

bepaalt dat verweerders gemeente aan eiseres het door deze gestorte griffierecht volledig vergoedt.

Aldus gedaan door mrs. P.J. Voncken (42) (voorzitter), F.J.C. Huijbers (28) en R.H. Smits (39), in tegenwoordigheid van J.N. Buddeke als griffier
en in het openbaar uitgesproken op 30 december 1998.


Voor eensluidend afschrift:
de wnd. griffier:

verzonden op:

Voor belanghebbende en het bestuursorgaan staat tegen deze uitspraak het rechtsmiddel hoger beroep open bij de Centrale Raad van Beroep. De termijn voor het instellen van het hoger beroep bedraagt zes weken.

 

 

 

 

 

 
LJN: AA3611, Rechtbank Maastricht , 98/869 en 98/1126 NABW Z PER
Datum uitspraak: 21-06-1999
Datum publicatie: 27-08-2001
Rechtsgebied: Bijstandszaken
Soort procedure: Eerste aanleg - enkelvoudig
Uitspraak
ARRONDISSEMENTSRECHTDANK TE MAASTRICHT
enkelvoudige kamer voor bestuursrechtelijke zaken

UITSPRAAK

Reg.nrs.:98 / 869 en 98 / 1126 NABW Z PER

Inzake

A te B, eiser,

tegen

het College van Burgemeester en Wethouders van de Gemeente Meerssen, gevestigd te Meerssen, verweerder.

Datum en aanduiding van het bestreden besluit:

-het als een besluit in de zin van artikel 6:2, aanhef en onder b, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) aan te merken niet tijdig beslissen op het door eiser gemaakte bezwaar tegen het niet tijdig beslissen op een aanvraag om vergoeding van kosten voor kinderopvang,
-het besluit van verweerder van 14 augustus 1998.

Datum van behandeling ter zitting: 11 mei 1999.


I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING.

Bij brief van 21 juni 1998 heeft eiser bij deze rechtbank beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een besluit door "de gemeente Gulpen c.q. gemeente Meerssen".

Bij brief van 26 augustus 1998-heeft het college van Burgemeester en Wethouders van de gemeente Gulpen (hierna: B&W van Gulpen) een verweerschrift ingediend. Daarbij is onder andere overgelegd een beslissing van 14 augustus 1998, waarbij het college van Burgemeester en Wethouders van de gemeente Meerssen (hierna: B&W van Meerssen) afwijzend heeft beschikt op een door eiser gedaan verzoek om vergoeding van kosten van kinderopvang.

Op 31 augustus 1998 heeft de rechtbank eiser verzocht aan te geven of met de beslissing van 14 augustus 1998 geheel aan zijn bezwaren is tegemoetgekomen.

Bij brief, met bijlagen, van 2 september 1998 heeft eiser de rechtbank meegedeeld het niet eens te zijn met de beslissing van 14 augustus 1998.

Op 4 september 1998 heeft de rechtbank een aantal door B&W van Gulpen ingediende stukken in afschrift aan eiser gezonden.

Op 14 september 1998 heeft de rechtbank eiser en B&W van Gulpen meegedeeld dat de beslissing d.d. 14 augustus 1998 van B&W van Meerssen in de met het beroepschrift van 21 juni 1998 aangevangen procedure wordt betrokken.

Bij brief van 1 oktober 1998 hebben B&W van Gulpen nog een gedingstuk ingediend. Dit is op 4 november 1998 in afschrift aan eiser verzonden.

Bij brief van 16 april 1999 heeft de rechtbank B&W van Meerssen ambtshalve in de gelegenheid gesteld als partij aan het geding deel te nemen.

Het beroep is behandeld ter zitting van de rechtbank op 11 mei 1999.
Eiser is niet ter zitting verschenen.
Namens B&W van Gulpen is verschenen de heer H.G.M. Laheije.
Namens B&W van Meerssen is verschenen de heer R.A.G.M. Platte.


II. OVERWEGINGEN.

II.1. Eiser, die de Nederlandse nationaliteit bezit, is sedert 1995 gehuwd met een Poolse vrouw. Sedert hun huwelijk wonen ze in Nederland. In mei 1997 is hun kind geboren. De echtgenote van eiser heeft een inburgeringscontract gesloten met de gemeente Gulpen. Teneinde in te burgeren dient ze een taalcursus Nederlands te volgen en een inleiding orientatie gedurende een aantal ochtenden per week. Die cursussen kan ze volgen via het Heuvelland integratieprogramma. Eiser stelt niet op zijn kind te kunnen passen als zijn echtgenote de lessen volgt, omdat hij deels arbeidsongeschikt is.

II.2. Op 29 september 1997 heeft eiser zich tot B&W van Gulpen gewend met een aanvraag om bijzondere bijstand, die onder meer betrekking heeft op kosten voor de opvang van het kind.

Bij brief van 3 november 1997 heeft eiser zich opnieuw tot B&W van Gulpen gewend met een verzoek om vergoeding van de kosten van de oppas.

Bij besluit van 3 december 1997 hebben B&W van Gulpen het door eiser op 29 september 1997 gedane verzoek om bijzondere bijstand gedeeltelijk ingewilligd. B&W van Gulpen hebben echter besloten eiser bijzondere bijstand in de kosten voor kinderopvang te weigeren, onder de overweging dat voor deze .kosten een voorliggende voorziening van toepassing is. Daarbij is eiser verwezen naar de door het algemeen maatschappelijk werk uitgevoerde regeling kinderopvang in het kader van het Heuvelland integratieprogramma.

Tegen het besluit van 3 december 1997 heeft eiser geen bezwaar gemaakt, zodat dit in rechte onaantastbaar is geworden.

II.3. Uit de gedingstukken en het verhandelde ter zitting is voldoende aannemelijk geworden dat B&W van Meerssen kort na 3 december 1997 op de hoogte zijn geraakt van eisers aanvraag om vergoeding van de kosten van kinderopvang. Dit blijkt met name uit het feit dat, zoals ter zitting van de zijde van B&W van Gulpen en B&W van Meerssen is bevestigd, B&W van Gulpen op verzoek van B&W van Meerssen op 11 maart 1998 de GGD Oostelijk Zuid-Limburg (hierna: GGD) hebben benaderd met het verzoek te beoordelen of eiser om medische redenen niet in staat is voor zijn kind te zorgen als zijn echtgenote niet thuis is. De GGD heeft op 6 mei 1998 aan B&W van Gulpen advies uitgebracht, welk advies vervolgens is doorgezonden aan B&W van Meerssen. B&W van Meerssen hebben dit advies ten grondslag gelegd aan de thans bestreden beslissing van 14 augustus 1998.

Intussen had eiser bij brief van 18 maart 1998 bezwaar gemaakt tegen het uitblijven van een beslissing op zijn verzoek om vergoeding van de kosten van kinderopvang. Vermoedelijk - ook ter zitting bleek dit niet met zekerheid te achterhalen - heeft eiser deze brief toegezonden aan de gemeente Meerssen, gelet op het noemen van de heer Platte in kop van de brief.

Nu B&W van Meerssen, gelet op het voorgaande, kennelijk kort na 3 december 1997 op de hoogte zijn geraakt van eisers aanvraag en deze vervolgens kennelijk in behandeling hebben genomen, zij het met tussenkomst van B&W van Gulpen, en B&W van Meerssen uiteindelijk ook de door eiser bestreden reŽle beslissing van 14 augustus 1998 hebben genomen, acht de rechtbank het aangewezen B&W van Meerssen aan te merken als het verwerende orgaan. B&W van Meerssen zullen in het vervolg van deze uitspraak dan ook worden aangeduid als verweerder.

IIA. Gelet op hetgeen in de vorige rubriek is overwogen acht de rechtbank het voorts aangewezen eisers brief van 18 maart 1998 aan te merken als een bezwaarschrift tegen het niet tijdig beslissen door verweerder op eisers aanvraag om vergoeding van de kosten van kinderopvang.

Het door eiser op 21 juni 1 99 8 ingediende beroepschrift merkt de rechtbank aan als te zijn gericht tegen het niet tijdig beslissen door verweerder op het door op 18 maart 1998 ingediende bezwaarschrift.

II.5. De vraag doet zich nu voor of de rechtbank bevoegd is van dit beroep kennis te nemen. Deze vraag zal slechts bevestigend beantwoord kunnen worden als het reŽle besluit van 14 augustus 1998 beschouwd kan worden als een besluit in de zin van artikel 1:3 van de Awb, waartegen op grond van artikel 8:1 van de Awb beroep kan worden ingesteld bij de rechtbank.

Uit de gedingstukken blijkt dat het Heuvelland integratieprogramma voorziet in de uitvoering op regionaal niveau van door het kabinet met de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) gemaakte afspraken over de inburgering van nieuwkomers.

Onder nieuwkomers wordt verstaan: toegelaten vluchtelingen, houders van een vergunning tot verblijf op humanitaire gronden, houders van een voorwaardelijke vergunning tot verblijf, gezinsherenigers of -vormers en Nederlanders afkomstig van de Nederlandse Antillen of Aruba. Niet in geding is dat eisers echtgenote als nieuwkomer kan worden aangemerkt.

Het Heuvelland integratieprogramma voorziet in een inburgeringsprogramma waarvoor gelden ter beschikking worden gesteld door het ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport en het ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen. Deze gelden worden door de centrale overheid weliswaar uitbetaald aan de afzonderlijke gemeenten die in het project deelnemen, maar worden vervolgens doorgesluisd naar de gemeente Meerssen, die is aangemerkt als centrumgemeente voor de uitvoering van het programma. Blijkens de stukken hebben de door de centrale overheid aldus verstrekte gelden mede betrekking op de kosten van kinderopvang.

Op grond van hetgeen in de voorgaande alinea is overwogen is de rechtbank van oordeel dat een beslissing van verweerder tot het al dan niet toekennen van een vergoeding in de kosten van kinderopvang in het kader van het Heuvelland integratieprogramma, dient te worden aangemerkt als het vervullen van een publiekrechtelijke taak, ter uitvoering waarvan door de overheid gelden ter beschikking zijn gesteld. Hierin acht de rechtbank voldoende aanleiding gelegen om een beslissing op de aanvraag van kinderopvang in het kader van het Heuvelland integratieprogramma aan te merken als een Besluit in de zin van artikel 1:3 van de Awb, waartegen ingevolge de Awb bezwaar kan worden gemaakt en beroep kan worden ingesteld. Mitsdien kan op grond van artikel 6:2, aanhef en onder b, van de Awb, ook tegen het uitblijven van een beslissing op de aanvraag bezwaar worden gemaakt en tegen het uitblijven van een beslissing op dit bezwaar beroep worden ingesteld bij de rechtbank. De rechtbank acht zich dan ook bevoegd van de beroepen kennis te nemen.

II.6. Eiser heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat verweerder niet tijdig op het bezwaarschrift heeft beslist. Op grond van artikel 7:10, eerste lid, van de Awb dient binnen zes weken - of indien een commissie als bedoeld in artikel 7:13 van de Awb is ingesteld -- binnen tien weken op het bezwaarschrift te zijn beslist. Het bezwaarschrift is ingediend op 18 maart 1998, terwijl verweerder eerst op 14 augustus 1998 heeft beslist. Nu van een opschorting van de termijn voor het beslissen op bezwaar als bedoeld in het tweede lid van artikel 7:LO van de Awb en van een verdaging als bedoeld in het derde lid niet is gebleken, en eiser evenmin heeft ingestemd met verder uitstel van de beslissing op bezwaar, kan de rechtbank niet anders dan concluderen dat te laat op het bezwaarschrift is beslist.

Nu verweerder op 14 augustus alsnog heeft beslist op de aanvraag van eiser is de rechtbank, gelet op vaste jurisprudentie, van oordeel dat eiser geen belang meer heeft bij een beoordeling van het tegen het niet tijdig beslissen op het bezwaarschrift gerichte beroep. Eiser is dan ook in dit beroep niet-ontvankelijk. Dit neemt niet weg dat verweerders gemeente gehouden is het door eiser terzake van de indiening van zijn beroepschrift van 21 juni 1998 betaalde griffierecht aan eiser te vergoeden.

Van door eiser in verband met de behandeling van zijn tegen het niet tijdig beslissen op het bezwaarschrift ingediende beroep gemaakte, en op grond van de Awb te vergoeden proceskosten, is de rechtbank niet gebleken.

II.7. Ten aanzien van eisers beroep tegen het besluit van 14 augustus 1998 overweegt de rechtbank als volgt.

Zoals hiervoor is aangegeven heeft verweerder, met tussenkomst van B&W van Gulpen, de GGD verzocht hem te adviseren over de vraag of eiser om medische redenen niet in staat is voor zijn kind te zorgen als zijn echtgenote niet thuis is.

In een uitgebreid gemotiveerd advies van 6 mei 1998 heeft de GGD aangegeven dat eiser op grond van het door de GGD zelf uitgevoerde onderzoek, alsmede op grond van aanvullende informatie van de verzekeringsgeneeskundige en de arbeidsdeskundige van GAK Nederland BV, weliswaar beperkt arbeidsongeschikt is te achten, maar dat zijn beperkingen niet zover gaan dat hij niet in staat zou zijn om zijn tien maanden oude kind te verzorgen.

Nu van de zijde van eiser geen medische gegevens zijn aangereikt die op het tegendeel duiden, is de rechtbank van oordeel dat verweerder op goede gronden heeft geoordeeld dat eiser in afwezigheid van zijn echtgenote zelf voor zijn kind kan zorgen en mitsdien niet in aanmerking komt voor een vergoeding van de kosten van kinderopvang in het kader van het Heuvelland integratieprogramma. Het beroep tegen het besluit van 14 augustus 1998 is dan ook ongegrond.

Gelet op het bepaalde in de artikelen 8:70, 8:72 en 8:74 van de Awb wordt dan ook als volgt beslist.


III. BESLISSING.

De arrondissementsrechtbank te Maastricht:

1. verklaart het beroep tegen het als een besluit in de zin van artikel 6:2, aanhef en onder b, van de Awb aan te merken niet tijdig beslissen op het bezwaarschrift van 18 maart 1998 niet-ontvankelijk;

2. verklaart het beroep tegen het besluit van 14 augustus 1998 ongegrond.

3. bepaalt dat aan eiser het door hem betaalde griffierecht ten bedrage van f 55,-- wordt vergoed door de gemeente Meerssen.

Aldus gedaan door mr. R.E. Bakker in tegenwoordigheid van mr. M.J.H.T. Peters, griffier
en in het openbaar uitgesproken op 21 juni 1999

door mr. Bakker voornoemd in tegenwoordigheid van voornoemde griffier.

w.g. R. Peters w.g. R.E. Bakker

Voor eensluidend afschrift: de wnd. griffier:

Verzonden op: hw

Voor een belanghebbende en het bestuursorgaan staat tegen deze uitspraak het rechtsmiddel hoger beroep open bij de Centrale Raad van Beroep. De termijn voor het instellen van het hoger beroep bedraagt zes weken.

Bij een spoedeisend belang staat voor het bestuursorgaan en een belanghebbende, nadat hoger beroep is ingesteld, tevens de mogelijkheid open om de President van de Centrale Raad van Beroep te benaderen met een verzoek om voorlopige vo Beslissing inzake vergoeden van kosten van kinderopvang in kader van inburgeringsprogramma nieuwkomers is besluit als bedoeld in art. 1:3 Awb.

Beroep tegen (uitblijven van) beslissing op bezwaar inzake afwijzing verzoek om vergoeding van kosten van kinderopvang in het kader van inburgeringsprogramma. Het Heuvelland integratieprogramma voorziet in de uitvoering op regionaal niveau van de door het kabinet met de VNG gemaakte afspraken over de inburgering van nieuwkomers. Voor het inburgeringsprogramma worden gelden ter beschikking gesteld door het ministerie van VWS en OCW. De aldus verstrekte gelden hebben mede betrekking op de kosten van kinderopvang.

De Rb is van oordeel dat een beslissing van verweerder tot het al dan niet toekennen van een vergoeding in de kosten van kinderopvang in het kader van het Heuvelland integratieprogramma dient te worden aangemerkt als het vervullen van een publiekrechtelijke taak, ter uitvoering waarvan door de overheid gelden ter beschikking zijn gesteld. Hierin acht de Rb voldoende aanleiding gelegen om de beslissing aan te merken als een besluit in de zin van art. 1:3 Awb. Rb bevoegd om van het beroep kennis te nemen.orziening op grond van artikel 8:81 van de Awb.

 

 

 

 
LJN: AA3977, Rechtbank Zutphen , 98/1320 NABW
Datum uitspraak: 22-03-1999
Rechtsgebied: Bijstandszaken
Soort procedure: Eerste aanleg - enkelvoudig
Uitspraak
ARRONDISSEMENTSRECHTBANK TE ZUTPHEN
Enkelvoudige kamer voor bestuursrechtelijke zaken

Reg.nr.: 98/1320 NABW


PROCES-VERBAAL VAN MONDELINGE UITSPRAAK


in het geschil tussen:

A, te B, eiseres,

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Harderwijk, verweerder.


1. Bestreden besluit

Besluit van verweerder van 17 november 1998 tot ongegrondverklaring van het bezwaar van eiseres tegen het besluit van 17 juli 1998, waarbij verweerder:
heeft beslist tot ongewijzigde voortzetting van de aan eiseres verstrekte bijstandsuitkering zolang zij niet daadwerkelijk over de nalatenschap van haar ouders kan beschikken;
heeft medegedeeld dat de verstrekte bijstand zal worden teruggevorderd vanaf de ingangsdatum van de uitkering, voor zover het bedrag dat uit de erfenis beschikbaar komt toereikend is.


2. Gronden

Ingevolge artikel 7:1 in verbinding met artikel 8:1 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan bezwaar worden gemaakt tegen een besluit. Ingevolge artikel 1:3 Awb wordt onder een besluit verstaan: een schriftelijke beslissing van een bestuursorgaan, inhoudende een publiekrechtelijke rechtshandeling.

Het bezwaarschrift van eiseres was uitsluitend gericht tegen de mededeling van verweerder dat de verstrekte bijstand zal worden teruggevorderd vanaf de ingangsdatum van de uitkering, voor zover het bedrag dat uit de erfenis beschikbaar komt toereikend is.

Deze mededeling bevat niet een besluit tot terugvordering van bijstand, doch slechts de aankondiging van het voornemen tot terugvordering op enig moment in de toekomst, wanneer het bedrag uit de erfenis beschikbaar zal zijn gekomen. Uit deze aankondiging vloeien geen rechten of verplichtingen voort.

De mededeling is derhalve van feitelijke aard en niet gericht op enig rechtsgevolg, zodat geen sprake is van een rechtshandeling. Het bezwaarschrift was dus niet gericht tegen een besluit in de zin van artikel 1:3 van de Awb.

Dit betekent dat verweerder het bezwaarschrift niet-ontvankelijk had moeten verklaren. Het bestreden besluit kan niet in stand blijven.

De rechtbank ziet aanleiding zelf in de zaak te voorzien door het bezwaarschrift alsnog niet-ontvankelijk te verklaren.

Er zijn termen aanwezig voor een veroordeling van verweerder in de proceskosten van eiseres. Terzake van rechtsbijstand wordt 1 punt toegekend met een gewichtsfactor 1.


3. Beslissing

De rechtbank:

verklaart het beroep gegrond;
vernietigt het bestreden besluit;
verklaart het bezwaarschrift van eiseres alsnog niet-ontvankelijk en bepaalt dat deze uitspraak in zoverre in de plaats treedt van het vernietigde besluit;
gelast verweerders gemeente het betaalde griffierecht van f 55,- aan eiseres te vergoeden; -  veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van f 710,-, te betalen door verweerders gemeente.

Deze uitspraak is gedaan op 22 maart 1999.

Binnen zes weken na deze datum staat hoger beroep open bij de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.

Waarvan proces-verbaal,




H. de Groot,  mr. K. van Duyvendijk,
griffier.   rechter.



Afschrift verzonden:

 

 

 

 

 

 
LJN: AA6935, Rechtbank Almelo , 99/758 BELEI Q1 A
Datum uitspraak: 19-05-2000
Rechtsgebied: Bijstandszaken
Soort procedure: Eerste aanleg - enkelvoudig
Uitspraak
ARRONDISSEMENTSRECHTBANK ALMELO
Sector Bestuursrecht - Enkelvoudige Kamer
  

Registratienummer: 99/758 BELEI Q1 A


UITSPRAAK

in het geschil tussen:

[eiser], wonende te [woonplaats], eiser,
gemachtigde: mr. B.J. van Beek, advocaat en procureur
te Enschede,

en

het College van Burgemeester en Wethouders van de gemeente Hengelo (O), verweerder.


1. Aanduiding bestreden besluit
Besluit van verweerder d.d. 3 augustus 1999, verzonden 4 augustus 1998.


2. De feiten en het verloop van de procedure
Eiser had het voornemen om in het pand aan de [adres] een broodjes- en delicatessenzaak (op de begane grond) en een ontmoetingscentrum voor jongeren van de vereniging Tur Abdin (in de kelder) te beginnen. Op het betreffende perceel rust ingevolge het bestemmingsplan "Binnenstad, deelplan Centrum Noord" de bestemming "winkels, klasse W12".
Om zijn zaken te kunnen exploiteren heeft eiser op 31 mei 1996 een huurovereenkomst gesloten ten aanzien van bovengenoemd pand. Vervolgens heeft hij bij verweerder:
op 4 juni 1996 een uitkering op grond van het Bijzonder bijstandsbesluit zelfstandigen (Bbz) aangevraagd ter voorziening in de behoefte aan bedrijfskapitaal en ter voorziening in de algemeen noodzakelijke kosten van bestaan;
op 26 augustus 1996 een verzoek om vrijstelling ingediend teneinde het pand te mogen gebruiken voor horeca-doeleinden, waarbij is aangegeven dat eiser ook de kelder hiervoor wilde gebruiken;
op 28 december 1996 verzocht om een bestemmingsplanherziening met betrekking tot het gebruik van de kelder voor horeca-doeleinden;
op 10 december 1996 een drank- en horecawetvergunning aangevraagd voor zijn broodjes- en delicatessenzaak en tevens een "alcohol-vrij"-vergunning.

Bij besluit van verweerder van 6 december 1996 is de aanvraag voor een uitkering op grond van het Bbz (het bijstandskrediet) afgewezen. Tegen dit besluit is door eiser geen bezwaar en/of beroep ingesteld.
Bij besluit van 28 november 1996 is vrijstelling verleend van de bepalingen van het bestemmingsplan voor het gebruik van de begane grond van het pand voor horeca-doeleinden. Op het verzoek tot vrijstelling is niet beslist voor zover het de kelder betrof. Eiser heeft geen bezwaar en/of beroep ingesteld tegen het besluit van 28 november 1996. Tevens heeft hij geen bezwaar en/of beroep ingesteld tegen de weigering tijdig te beslissen op het verzoek om vrijstelling voor het gebruik van de kelder voor horecadoel-einden.

Op het verzoek van eiser om een bestemmingsplanherziening is nimmer door verweerder beslist. Eiser heeft geen bezwaar en/of beroep ingesteld tegen het niet tijdig beslissen op het verzoek.

Verweerder heeft aan eiser geen drank- en horecawetvergunning verstrekt, omdat het door eiser gehuurde pand niet aan de inrichtingseisen zou voldoen.
Eiser heeft zijn zaak in het pand aan de [adres] op 12 oktober 1996 geopend en eind maart/begin april 1997 gesloten.

Bij brief van 2 september 1997 is namens eiser aan verweerder verzocht te besluiten om aan eiser te vergoeden de door hem tengevolge van de handelwijze van verweerder geleden schade ad ¶ 125.000,--, alsmede de nog door hem te lijden schade. Aan dit verzoek heeft eiser het volgende ten grondslag gelegd:
verweerder heeft ten onrechte geweigerd een bijstandskrediet te verlenen;
verweerder heeft ten onrechte geen vrijstelling verleend voor het gebruik van de kelder voor horeca-doeleinden;
verweerder heeft eiser ten onrechte geen drank- en horecawet-vergunning of "alcohol-vrij"-vergunning verstrekt en eiser terzake verkeerd voorgelicht;
verweerder heeft zich onvoldoende ingespannen om tegemoet te komen aan de gerechtvaardigde belangen van eiser.

Eiser is in de gelegenheid gesteld om zijn verzoek op 9 december 1997 mondeling toe te lichten, van welke gelegenheid gebruik is gemaakt.
Bij besluit van 7 april 1998 is het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Ter onderbouwing van de beslissing is verwezen naar de notitie "aansprakelijkheid Tropicana" (stuk B9), waarvan de inhoud als hier herhaald en ingelast wordt beschouwd.

Eiser heeft zich met deze beslissing niet kunnen verenigen en heeft daartegen bezwaar doen maken. Het bezwaarschrift is op 20 mei 1998 bij verweerder ingekomen. De gronden van bezwaar zijn aangevuld bij schrijven van 15 september 1998. Naast hetgeen al in het verzoek om schadevergoeding was vermeld heeft eiser tevens aangevoerd dat hij wegens het niet verkrijgen van de vereiste vergunningen geen speelautomaten heeft kunnen plaatsen, waardoor hij schade heeft geleden. Ook was de informatieverschaffing van de zijde van verweerder niet goed.

Het bezwaarschrift is behandeld tijdens de hoorzitting van de commissie voor de bezwaarschriften van 31 maart 1999. Deze commissie heeft op 7 juli 1999 advies uitgebracht. Het advies overnemend heeft verweerder bij het bestreden besluit het bezwaar van eiser, voor zover de vordering was gericht op de toepassing van de Drank- en Horecawet en op de herziening van het bestemmingsplan, niet-ontvankelijk verklaard, omdat niet was voldaan aan het connexiteitsvereiste.
Voor zover de vordering was gericht op de toepassing van de Algemene bijstandswet en het Bbz is het bezwaar eveneens niet-ontvankelijk verklaard, omdat er sprake was van een onherroepelijk besluit van verweerder (eiser zou te laat bezwaar ingesteld hebben tegen de afwijzing van het verzoek om een bijstandskrediet). Het bezwaar is voor het overige ongegrond verklaard.

Eiser heeft zich niet met dit besluit kunnen verenigen en heeft daartegen beroep doen instellen. Het beroepschrift is ingekomen ter griffie op 30 augustus 1999. Bij brief van 29 oktober 1999 heeft verweerder de op het geding betrekking hebbende stukken aan de rechtbank doen toekomen. Bij brief van 1 december 1999 zijn de aanvullende gronden van beroep ingediend. Verweerder heeft daarop op 13 januari 2000 het verweerschrift aan de rechtbank toegezonden.

Het beroep is behandeld ter openbare zitting van de rechtbank van 19 april 2000, waar eiser is verschenen vergezeld van gemachtigde mr. B.J. van Beek, terwijl verweerder zich heeft doen vertegen-woordigen door mrs. H.E.M. Wolsink en H.B.M. Bosman.


3. Overwegingen
In geschil is de vraag of het besluit van 3 augustus 1999, verzonden op 4 augustus 1999, waarbij de bezwaren van eiser tegen de afwijzing van het verzoek om schadevergoeding niet-ontvankelijk, dan wel ongegrond zijn verklaard, in rechte in stand kan blijven.

Eiser heeft verweerder verzocht tot afgifte van een zelfstandig schadebesluit. Een dergelijk besluit kan worden gedefinieerd als een besluit van een bestuursorgaan (verweerder) op een verzoek van een burger (eiser) om schadevergoeding terzake van een onrechtmatige overheidsdaad.

Ingevolge de rechtspraak van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) is een primair besluit omtrent vergoeding van gestelde geleden schade als gevolg van een eerder (appellabel) besluit, een besluit in de zin van artikel 1:3 van de Algemene wet bestuurs-recht (Awb). Ingevolge de rechtspraak van de Afdeling bestuurs-rechtspraak van de Raad van State (ABRS) is de schriftelijke beslissing van een bestuursorgaan op een verzoek om vergoeding van schade, die veroorzaakt zou zijn binnen het kader van de uitoefening van een aan het publiekrecht ontleende bevoegdheid, een publiekrechtelijke rechtshandeling en dus een besluit in de zin van artikel 1:3 van de Awb.

Uit de rechtspraak van zowel de CRvB als de ABRS blijkt dat die administratieve rechter bevoegd is te achten tot kennisneming van beroepen tegen een zelfstandig schadebesluit, die ook bevoegd is te oordelen over beroepen tegen het schadeveroorzakende handelen zelf. Indien (destijds) geen beroep, en eventueel daaraan voorafgaand bezwaar, mogelijk was tegen het schadeveroorzakende overheidshandelen, kan tegen het naar aanleiding van dat handelen uitgelokte zelfstandig schadebesluit ook geen beroep worden ingesteld bij de bestuursrechter en is alleen de burgerlijke rechter bevoegd de aanspraak op schadevergoeding te beoordelen.
Er kan dus geen beroep worden ingesteld bij de bestuursrechter tegen een beslissing van een bestuursorgaan op een verzoek tot schadevergoeding naar aanleiding van (onder meer) feitelijk handelen of niet-appellabele handelingen.

Indien een schadeveroorzakend besluit niet is vernietigd door de bestuursrechter zal de onrechtmatigheid daarvan op andere wijze moeten worden vastgesteld. Dit kan doordat het bestuursorgaan de onrechtmatigheid erkent. Deze erkenning kan op vele manieren plaatsvinden, bijvoorbeeld doordat de onrechtmatigheid met zoveel woorden wordt erkend door intrekking of wijziging van het besluit of door honorering van een verzoek om op het besluit terug te komen. De onrechtmatigheid zal telkens ex tunc moeten worden vastgesteld. Indien een besluit niet door de rechter vernietigd is (er is geen rechtsmiddel aangewend, of de aanwending daarvan heeft niet geleid tot herroeping of vernietiging van het besluit) en de onrechtmatigheid daarvan niet door het bestuursorgaan wordt erkend, dan staat de leer van de formele rechtskracht in beginsel aan honorering van een verzoek om schadevergoeding in de weg. In gevallen waarin geen beroep openstaat en heeft opengestaan tegen besluiten zal de onrechtmatigheid daarvan moeten worden vastgesteld door de burgerlijke rechter.

De hiervoor vermelde rechtspraak heeft in dit geval de volgende consequenties.

bijstandskrediet

Verweerder heeft de aanvraag van eiser voor een bijstandskrediet afgewezen. Eiser heeft tegen dit besluit geen bezwaar en/of beroep ingesteld. Het besluit heeft derhalve formele rechtskracht gekregen. Nu verweerder niet heeft erkend dat het betreffende besluit onrechtmatig is, moet de rechtbank er van uitgaan dat het besluit niet onrechtmatig was. Eiser heeft niet gesteld en even-min is de rechtbank gebleken dat eiser, ondanks de rechtmatigheid van het besluit, schade heeft geleden die toch voor rekening van verweerder dient te komen.
Verweerder heeft het bezwaar van eiser tegen dit onderdeel van het primaire besluit niet-ontvankelijk verklaard wegens termijn-overschrijding. Hierbij is echter miskend dat het bezwaar zich niet richt tegen het oorspronkelijke besluit tot afwijzing van het verzoek om een bijstandskrediet, maar tegen de afwijzing van het verzoek om vergoeding van de tengevolge van het oorspronke-lijke besluit geleden schade, vervat in het besluit van 7 april 1998.

Nu het bezwaarschrift tegen dit laatste besluit tijdig is ingediend is er geen sprake van termijnoverschrijding.
Gelet op het vorenstaande is de rechtbank van oordeel dat eisers bezwaar niet niet-ontvankelijk, maar ongegrond verklaard had moeten worden. De rechtbank zal daarom het bestreden besluit op dit punt vernietigen. Verweerder kan in dit geval echter tot geen andere conclusie komen dan dat het bezwaar tegen de afwijzing van het verzoek om schadevergoeding, voor zover gebaseerd op het besluit tot afwijzing van het bijstandskrediet, ongegrond is. De rechtbank zal daarom, met toepassing van het bepaalde in artikel 8:72, vierde lid van de Awb, bepalen dat haar uitspraak (houdende ongegrondverklaring) in de plaats treedt van het vernietigde gedeelte van dit besluit.

niet verlenen vrijstelling bestemmingsplan voor kelder

Terzake is een verzoek ingediend door eiser, maar geen besluit genomen door verweerder. Gelet op het bepaalde in artikel 4:13 van de Awb diende verweerder na uiterlijk 8 weken een besluit te nemen, dan wel een kennisgeving aan eiser te sturen met vermel-ding van de termijn waarop de beschikking tegemoet kon worden gezien. Zulks heeft verweerder niet gedaan.
Verweerder heeft nog immer niet, en dus niet tijdig beslist op het verzoek van eiser. Nu ingevolge het bepaalde in artikel 6:2 van de Awb het niet tijdig nemen van een besluit voor de toepassing van de wettelijke voorschriften over bezwaar en beroep met een besluit wordt gelijkgesteld, is er sprake van een appellabel besluit. De rechtbank is derhalve bevoegd te oordelen over dit onderdeel van het bestreden besluit.
Beoordeeld moet worden of het besluit van verweerder (het niet tijdig beslissen) onrechtmatig is en of eiser tengevolge hiervan schade heeft geleden. De rechtbank is van oordeel dat dit laatste niet het geval is. Indien eiser belang had bij een (snelle) be-slissing op zijn verzoek had het uit het oogpunt van beperking van zijn schade voor de hand gelegen dat hij relatief korte tijd na het verstrijken van de beslistermijn bezwaar en/of beroep tegen het besluit had ingesteld. Nu hij dat niet heeft gedaan gaat de rechtbank er van uit dat hij vorenbedoeld belang niet had, althans dat niet gebleken is dat hij dit belang had. Het niet tijdig beslissen op het verzoek door verweerder kan naar het oordeel van de rechtbank in dit geval dan ook geen grondslag zijn voor toekenning van schadevergoeding.
De rechtbank is dan ook van oordeel dat verweerder het bezwaar van eiser tegen de afwijzing van zijn verzoek om schadevergoeding, voor zover gegrond op het niet tijdig beslissen op het verzoek om vrijstelling, terecht ongegrond heeft verklaard. Het beroep van eiser dient op dit punt dan ook ongegrond te worden verklaard.

herziening bestemmingsplan

Hier geldt dat besluiten ten aanzien van het al dan niet herzien van een bestemmingsplan niet appellabel zijn. Nu het (niet tijdig nemen van het) oorspronkelijke besluit niet appellabel is, is de bestuursrechter, in casu de rechtbank, niet bevoegd te oordelen ten aanzien van dit deel van het bestreden besluit.
Eiser had zich terzake tot de burgerlijke rechter moeten wenden.

drank- en horecawetvergunning en de "alcohol-vrij"-vergunning

De door eiser gevraagde vergunningen zijn nimmer door verweerder verleend. Terzake van het (niet tijdig nemen van het) besluit op dit verzoek had eiser zich echter niet tot rechtbank kunnen wenden, maar had hij in administratief beroep moeten gaan bij het College van Gedeputeerde Staten van de Provincie Overijssel (GS). Ten aanzien van dit onderdeel van het bestreden besluit is de rechtbank derhalve niet bevoegd. De rechtbank zal de zaak, voor zover hierop betrekking hebbend, doorsturen naar GS.

speelautomatenvergunning

Eiser heeft geen speelautomatenvergunning aangevraagd. Er is dus geen sprake van een door verweerder terzake genomen besluit of van een weigering om tijdig op een aanvraag te beslissen. Er is en was geen bezwaar of beroep mogelijk, zodat de rechtbank niet bevoegd is te oordelen over de betreffende onderdelen van het bestreden besluit. Terzake is de burgerlijke rechter bevoegd.

feitelijke handelingen

Hier geldt hetzelfde als ten aanzien van de speelautomatenver-gunning is overwogen: de burgerlijke rechter is bevoegd.

Op grond van hetgeen hiervoor is overwogen zal de rechtbank:
het beroep gegrond verklaren voor zover het ziet op dat onderdeel van het besluit dat betrekking heeft op niet ontvankelijkverklaring van het bezwaar tegen het afwijzen van het verzoek om schadevergoeding, voor zover gegrond op het niet verlenen van het bijstandskrediet, en het besluit op dit punt vernietigen, maar bepalen dat haar uitspraak (ongegrond) in de plaats treedt van het vernietigde gedeelte van het besluit;
zich onbevoegd verklaren voor zover het beroep betrekking heeft op de niet-ontvankelijkverklaring van het bezwaar tegen het afwijzen van het verzoek om schadevergoeding, gegrond op het niet tijdig nemen van een beslissing op het verzoek tot het verlenen van de drank- en horecawetvergunning en de "alcohol-vrij"-vergunning;
zich onbevoegd verklaren voor zover het beroep betrekking heeft op de niet-ontvankelijkverklaring, respectievelijk het onge grond verklaren van het bezwaar tegen het afwijzen van het verzoek om schadevergoeding, voor zover gegrond op het niet tijdig nemen van een beslissing op het verzoek om herziening van het bestemmingsplan, respectievelijk op het niet verlenen van een speelautomatenvergunning en op feitelijk handelen van verweerder. De burgerlijke rechter is te dien aanzien bevoegd.

De rechtbank ziet geen aanleiding om verweerder met toepassing van het bepaalde in artikel 8:75 van de Awb te veroordelen in de kosten die eiser in verband met de behandeling van het beroep heeft moeten maken.

Beslist wordt daarom als volgt:


4. Beslissing

De Arrondissementsrechtbank te Almelo,

Recht doende:

verklaart het beroep gegrond voor zover het ziet op dat onder deel van het bestreden besluit dat betrekking heeft op de niet ontvankelijkverklaring van het bezwaar tegen het afwijzen van het verzoek om schadevergoeding, voor zover gegrond op het niet verlenen van het bijstandskrediet, en vernietigt het besluit op dit punt;
verklaart het bezwaar van eiser tegen de afwijzing van het verzoek om schadevergoeding, voor zover gegrond op het besluit van verweerder van 6 december 1996 tot weigering van een bijstandskrediet, ongegrond en bepaalt dat haar uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde gedeelte van het besluit;
verklaart zich onbevoegd voor zover het beroep betrekking heeft op de niet-ontvankelijkverklaring van het bezwaar tegen het afwijzen van het verzoek om schadevergoeding, gegrond op het niet tijdig nemen van een beslissing op het verzoek tot het verlenen van een drank- en horecawetvergunning en een "alcohol-vrij"-vergunning en zendt de stukken terzake naar GS;
verklaart zich onbevoegd voor zover het beroep betrekking heeft op de niet-ontvankelijkverklaring, respectievelijk de ongegrondverklaring van het bezwaar tegen de afwijzing van het verzoek om schadevergoeding, voor zover gegrond op het niet tijdig nemen van een beslissing op het verzoek tot herziening van het bestemmingsplan, respectievelijk op het niet verlenen van een speelautomatenvergunning en op het feitelijk handelen van verweerder.
verstaat dat verweerder het door eiser gestorte griffierecht, ad ¶ 225,--, aan eiser vergoedt.

Tegen deze uitspraak staat binnen zes weken na verzending hoger beroep open bij de Centrale Raad van Beroep te Utrecht (voor zover het de eerste twee onderdelen van het dictum betreft), respectievelijk de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State te 's-Gravenhage, respectievelijk het College van Beroep voor het Bedrijfsleven (voorzover het de speelautomatenvergunning betreft).


Aldus gewezen en in het openbaar uitgesproken op 19 mei 2000 door mr. K.J. Haarhuis in tegenwoordigheid van J.G.M. Wolbers als griffier.


Afschrift verzonden op
jk

 

 

 

 

 

 

 
LJN: AA7084, Rechtbank Arnhem , 98/1782
Datum uitspraak: 08-11-1999
Datum publicatie: 23-08-2001
Rechtsgebied: Bijstandszaken
Soort procedure: Eerste aanleg - enkelvoudig
Uitspraak
Arrondissementsrechtbank te Arnhem
Meervoudige Kamer Bestuursrecht
Reg.nr.: 98/1782

UITSPRAAK

in het geding tussen:

[eiseres], wonende te [woonplaats], eiseres,

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Arnhem, verweerder.


1. Aanduiding bestreden besluit

Besluit van verweerder van 26 augustus 1998.


2. Feiten en procesverloop

Bij besluit van 21 oktober 1991 heeft verweerder eiseres en [echtgenoot], echtgenoot van eiseres, met ingang van 8 juli 1991 een uitkering ingevolge de Algemene bijstandswet (Abw) naar de norm voor een echtpaar toegekend.

Bij besluit van 30 januari 1998 heeft verweerder de verstrekte bijstandsuitkering over de periode 1 augustus 1995 tot 13 februari 1996 herzien en de over deze periode (te veel) verstrekte uitkering van f 5608,34 bruto teruggevorderd.

Namens eiseres is op 10 maart 1998 tegen dat besluit bezwaar gemaakt. Het bezwaar is behandeld op 5 augustus 1998 door de bezwaarschriftencommissie Sociale Zaken. Eiseres is bij de behandeling niet verschenen. Vervolgens heeft deze commissie op 5 augustus 1998 advies aan verweerder uitgebracht.

Bij het hierboven aangeduide besluit van 26 augustus 1998 heeft verweerder het bezwaar ongegrond verklaard.

Namens eiseres heeft J. van Dorssen op 30 september 1998 tegen dit besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft op 10 november 1998 een verweerschrift ingediend.

Het beroep is behandeld ter zitting van de rechtbank van 6 oktober 1999, waar eiseres noch gemachtigde zijn verschenen en waar verweerder zich heeft doen vertegenwoordigen door S.J.P.M. van Oyen, werkzaam bij de gemeente.


3. Overwegingen

In dit geding moet worden beoordeeld of het bestreden besluit, waarbij verweerder de bezwaren tegen het besluit van 30 januari 1998 ongegrond heeft verklaard, de rechterlijke toetsing kan doorstaan. In het besluit van 30 januari 1998, heeft verweerder de aan [echtgenoot], echtgenoot van eiseres, naar de norm voor gehuwden verstrekte bijstandsuitkering over de periode 1 augustus 1995 tot 13 februari 1996 herzien en de over deze periode (te veel) verstrekte uitkering van f 5608,34 bruto teruggevorderd.

Aan het bestreden besluit ligt ten grondslag dat eiseres de inlichtingenverplichting van artikel 65, eerste lid van de Abw heeft geschonden. Doordat eiseres noch [echtgenoot] verweerder op de hoogte heeft gesteld van het feit dat door eiseres inkomsten zijn genoten uit werkzaamheden is ten onrechte bijstand verleend. Deze ten onrechte verleende bijstand wordt op grond van het bepaalde in artikel 81, eerste lid van de Abw teruggevorderd. Voor de terugbetaling is eiseres op grond van het bepaalde in artikel 84, eerste en vierde lid van de Abw hoofdelijk aansprakelijk.

Eiseres kan zich met dit besluit niet verenigen. Eiseres voert aan, dat verweerder er geen rekening mee heeft gehouden, dat zij in Nederland is gekomen zonder de Nederlandse taal te kennen en niet bekend was met de regels die door verweerder worden gehanteerd. Eiseres stelt dat haar echtgenoot in juli 1995 reeds op de hoogte was van haar werkzaamheden in [plaats] per 1 augustus 1995. Eiseres voert aan dat door verweerder eerder controle had moeten plaatsvinden. Voorts stelt eiseres dat zij in de periode 1 augustus 1995 tot februari 1996 geen controle-formulieren heeft getekend en in het geheel geen contact meer heeft gehad met de heer [echtgenoot].

De rechtbank overweegt als volgt.

Op 1 juli 1997 is de Wet boeten, maatregelen en terug- en invordering sociale zekerheid (Wet van 25 april 1996, Stb. 1996, 248, hierna: de Wet boeten) ten aanzien van de Algemene bijstandswet (Abw) in werking getreden.

Ingevolge artikel XVI, eerste lid van de overgangsbepalingen van deze wet wordt -voor zover hier van belang- in de bevoegdheid van de gemeenten tot weigering van uitkering wegens gedragingen die hebben plaatsgevonden voor de datum van inwerkingtreding van deze wet, alsmede in de bevoegdheid tot terugvordering en verrekening van hetgeen voor die datum onverschuldigd is betaald, geen wijziging gebracht. Krachtens het tweede lid blijft ten aanzien van besluiten tot weigering, terugvordering of verrekening, die voor de datum van inwerkingtreding van deze wet zijn bekendgemaakt, het recht zoals dat voor die datum gold van toepassing.

Ingevolge laatstgenoemd artikellid geldt naar het oordeel van de rechtbank, dat ten aanzien van een terugvorderingsbesluit dat op of na 1 juli 1997 bekend is gemaakt de bestuursrechter de bevoegde rechter is.

Het aan het bestreden besluit ten grondslag liggende primaire besluit tot terugvordering is gedateerd 30 januari 1998, zodat moet worden geconcludeerd dat de rechtbank terzake bevoegd is.

Aan de orde is de vraag of verweerder op goede gronden heeft besloten tot herziening van de aan eiseres en haar echtgenoot toegekende bijstandsuitkering en terugvordering van de ten onrechte verleende bijstand.

De herziening en terugvordering hebben betrekking op de periode 1 augustus 1995 tot 13 februari 1996, zijnde een periode voorafgaand aan de inwerkingtreding van de Wet boeten op 1 juli 1997, zodat aan de hand van het hiervoor weergegeven overgangsartikel moet worden bepaald welke bepalingen van toepassing zijn.

Genoemd artikel XVI, eerste lid, dient, mede gelet op de uitspraken van de Hoge Raad van 13 januari 1995, JABW 1995/233 en 3 maart 1995, JABW 1995/334, waarin een uitleg is gegeven aan het vergelijkbare overgangsartikel VIII van de Wet van 15 april 1992, Stb. 1992, 193, aldus te worden opgevat dat indien de terugvordering betrekking heeft op een periode vůůr de inwerkingtreding van de Wet boeten, het materiŽle recht inzake de bevoegdheid tot weigering, terugvordering en verrekening zoals dat toen gold, van toepassing blijft. Uit het tweede lid volgt naar het oordeel van de rechtbank a contrario dat ten aanzien van besluiten, die op of na 1 juli 1997 bekend zijn gemaakt, voor wat betreft de wijze van weigering, terugvordering of verrekening de Wet boeten van toepassing is, ook als het gaat om voor de inwerkingtreding van de Wet boeten ten onrechte of teveel betaalde uitkeringen.

Op grond van het vorenstaande moet worden geconcludeerd, dat op de vraag of en zo ja hoeveel kan worden teruggevorderd de terugvorderingsbepalingen van de Abw zoals die luidden voor 1 juli 1997 van toepassing zijn en dat voor wat betreft de procedure van terugvordering de Wet boeten van toepassing is.

Op 1 januari 1996 zijn de (nieuwe) bepalingen van de Abw in werking getreden, hetgeen met zich meebrengt dat op de onderhavige periode verschillende wettelijke bepalingen van toepassing zijn. Ten aanzien van de periode 1 augustus 1995 tot 1 januari 1996 zijn dit onder meer de artikelen 30, tweede lid, 57, onder d en 59a, eerste en derde lid van de ABW (oud) -zoals deze artikelen luidden van 1 augustus 1992 tot 1 januari 1996. Met betrekking tot de periode 1 januari 1996 tot 13 februari 1996 zijn dit de artikelen 65, eerste en tweede lid, 81, eerste lid en 84 eerste en derde lid, van de Abw, zoals deze artikelen luidden van 1 januari 1996 tot 1 juli 1997.

Voornoemde bepalingen bevatten -voor zover hier van belang-geen materiŽle verschillen. Hieronder is de tekst van de bepalingen zoals deze luidden van 1 januari 1996 tot 1 juli 1997 weergegeven.

Ingevolge artikel 65, eerste lid van de Abw (30, tweede lid, van de ABW) doet de belanghebbende op verzoek van burgemeester en wethouders of uit eigen beweging onverwijld mededeling van al hetgeen van belang is voor de verlening van bijstand of de voortzetting daarvan. Krachtens het tweede lid maakt belanghebbende voor de verstrekking van gegevens gebruik van een door burgemeester en wethouders verstrekt formulier. Op grond van artikel 81, eerste lid van de Abw (57, onder d, van de ABW) wordt de bijstand teruggevorderd indien de verplichting bedoeld in artikel 65 (30 ABW) niet of niet behoorlijk is nagekomen, voor zover de betreffende handelwijze heeft geleid tot het ten onrechte of tot een te hoog bedrag verlenen van bijstand. Ingevolge artikel 84, eerste lid van de Abw (59a, eerste lid, van de ABW) worden, indien bijstand als bedoeld in artikel 13, tweede lid is verleend (gezinsbijstand), voor de toepassing van deze paragraaf als belanghebbenden aangemerkt de in dat artikel bedoelde personen. Krachtens het derde lid van artikel 84 van de Abw (59a, derde lid, van de ABW) zijn de in het eerste lid bedoelde personen hoofdelijk aansprakelijk voor de terugbetaling van de ten onrechte gemaakte kosten van bijstand.

Verweerders beslissing tot herziening van de aan eiseres en haar echtgenoot toegekende uitkering beoogt naar het oordeel van de rechtbank wijziging te brengen in de aanspraak op in het verleden toegekende en reeds uitbetaalde bijstand. Een zodanig besluit heeft als rechtsgevolg dat vast komt te staan dat in het verleden ten onrechte bijstand is verleend en dat derhalve onverschuldigde betaling heeft plaatsgevonden.

De rechtbank is -overeenkomstig de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) van 26 juli 1994, RSV 1995/54- van oordeel dat een herzieningsbeslissing een besluit is in de zin van artikel 1:3 van de Awb, waartegen bezwaar kan worden gemaakt en vervolgens beroep kan worden ingesteld.

In de omstandigheid dat zodanig besluit niet past in het oude - civielrechtelijke- stelsel van de ABW en in ieder geval niet was vereist, zoals de Hoge Raad in zijn arrest van 18 april 1997, NJ 1997/499, heeft geoordeeld, ziet de rechtbank -in navolging van de CRvB in zijn uitspraak van 20 juli 1999, 98/3246, PS Actua van 9 september 1999, nr. 99- niet langer aanleiding voor een andersluidend oordeel.

De rechtbank is -anders dan verweerder kennelijk meent- van oordeel, dat de herziening niet kan worden gebaseerd op het bepaalde in artikel 69, derde lid, van de Abw, zoals dat artikel luidt sedert 1 juli 1997. Bedoeld artikellid ziet op de herziening of intrekking van een besluit tot toekenning van bijstand en betreft naar het oordeel van de rechtbank een (nieuwe) materiŽle bepaling. Ingevolge eerdergenoemde overgangsbepaling kan dit artikellid derhalve niet de basis vormen voor een herziening van de aan eiseres en haar echtgenoot toegekende uitkering.

Nu herziening van een over een periode vůůr 1 juli 1997 toegekende uitkering niet is vereist, maar wel is toegestaan, ziet de rechtbank in de vermelding van artikel 69, derde lid, van de Abw geen aanleiding om tot vernietiging van het bestreden besluit over te gaan.

Niet in geschil is dat eiseres inkomsten uit werkzaamheden heeft genoten en deze inkomsten niet aan verweerder heeft gemeld.

Vast staat dat eiseres de in artikel 65, eerste lid van de Abw (30, tweede lid, van de ABW) opgenomen inlichtingenverplichting niet is nagekomen. Eiseres heeft verweerder nimmer op de hoogte gesteld van haar werkzaamheden en inkomsten. De omstandigheid dat eiseres onvoldoende bekend was met de Nederlandse taal alsmede de regels die door verweerder worden gehanteerd maakt dit verzuim niet verschoonbaar. Het feit, dat de echtgenoot van eiseres evenmin aan de inlichtingenverplichting heeft voldaan en de bijstandsuitkering mogelijk heeft geconsumeerd, ontslaat eiseres niet van de verplichting onverwijld mededeling te doen van feiten en omstandigheden welke van invloed zijn op het recht op bijstand. De bijstandsuitkering is aan eiseres en haar echtgenoot toegekend en de inlichtingenverplichting rust derhalve op zowel eiseres als haar echtgenoot.

Ingevolge het hierboven weergegeven artikel 84 van de Abw (59a van de ABW) zijn beiden hoofdelijk aansprakelijk voor de terugbetaling van de ten onrechte gemaakte kosten van bijstand.

De rechtbank is derhalve van oordeel dat verweerder op goede gronden heeft besloten tot herziening van de aan eiseres en haar echtgenoot toegekende bijstandsuitkering en terugvordering van de over de periode 1 augustus 1995 tot 13 februari 1996 (te veel) verstrekte bijstandsuitkering van f 5608,34.

Op grond van het bovenstaande is de rechtbank van oordeel, dat de stellingen van eiseres tegen het besluit van 26 augustus 1998 geen doel treffen. Van strijd met enige geschreven of ongeschreven rechtsregel of algemeen rechtsbeginsel is de rechtbank niet gebleken. Nu er evenmin een andere reden is om het bestreden besluit voor onjuist te houden, dient het beroep ongegrond te worden verklaard.

Gelet op het vorenstaande acht de rechtbank geen termen aanwezig toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Awb. Het hiervoor overwogene leidt de rechtbank tot de volgende beslissing.


4. Beslissing

De rechtbank

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus gegeven door mr. H.A.W. Snijders, mr. W.P.C.G. Derksen en mr. W.F. Bijloo, rechters, en in het openbaar uitgesproken op 8 november 1999, door mr. H.A.W. Snijders, voornoemd, in tegenwoordigheid van mr. G.H.W. Bodt als griffier.

De griffier,   De rechter,



Tegen deze uitspraak staat, behoudens het bepaalde in artikel 6:24 juncto 6:13 van de Awb, binnen zes weken na de dag van verzending hiervan, voor belanghebbenden hoger beroep open bij de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.

Verzonden op: 16 november 1999
Coll:

 

 

 

 

 

 
LJN: AA8349, Rechtbank Almelo , 00/312 NABW Z1 A
Datum uitspraak: 05-10-2000
Rechtsgebied: Bijstandszaken
Soort procedure: Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie: Onzekerheid over het nog niet vaststaande aandeel in de boedelscheiding hoeft aan terugvordering niet in de weg te staan. Verweerder is van mening dat de uitbetaalde bedragen zijn aan te merken als aan eiseres toekomende gelden uit de boedelscheiding. Volgens verweerder zijn het gelden voortkomende uit het huwelijk van eiseres met haar ex-echtgenoot die op voorhand reeds zijn verdeeld. Het feit dat de boedelscheiding nog niet totaal is geŽffectueerd doet volgens verweerder daaraan niet af. Rechtbank: Voldoende is vast komen te staan dat eiseres daadwerkelijk over de genoemde vermogensbestanddelen kon beschikken en het bescheiden vermogen is overtroffen. Dat de boedelscheiding nog niet is geŽffectueerd doet daaraan niet af. De onzekerheid over het nog niet vaststaande aandeel in de boedelscheiding hoeft naar het oordeel van de rechtbank in de onderhavige situatie niet in de weg te staan. Het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Hengelo, verweerder. mr. J.G.J. Roelvink
Uitspraak
ARRONDISSEMENTSRECHTBANK ALMELO
Sector Bestuursrecht - Enkelvoudige Kamer



Registratienummer: 00/312 NABW Z1 A



UITSPRAAK


in het geschil tussen:


A, wonende te B, eiseres,
gemachtigde: D. Greveling, werkzaam bij Greveling Rechtshulp te Hengelo,


en


het College van Burgemeester en Wethouders van de gemeente Hengelo, verweerder.



1. Aanduiding bestreden besluit

Besluit van verweerder d.d. 7 maart 2000, verzonden op 8 maart 2000.


2. De feiten en het verloop van de procedure

Bij besluit van 19 september 1995 heeft verweerder aan eiseres met ingang van 17 juli 1995 een periodieke uitkering op grond van de Algemene Bijstandswet (ABW) toegekend naar de norm voor een alleenstaande. Bij brief van gelijkluidende datum heeft verweerder eiseres meegedeeld dat de uitkering over de periode 17 juli 1995 tot aan de datum van de feitelijke ontbinding van het huwelijk van eiseres als boedelschuld zal worden ingebracht bij de boedelnotaris. Daarbij is voorts meegedeeld dat de uitkering die wordt verstrekt na de feitelijke ontbinding van het huwelijk van eiseres zal worden teruggevorderd op de haar toekomende gelden uit de boedelscheiding.
Bij besluit van 13 september 1995 is aan eiseres een uitkering toegekend in de vorm van een renteloze geldlening van ¶ 3.500,-- voor de aanschaf van duurzame gebruiksgoederen. Ook bij dit besluit is eiseres meegedeeld dat de uitkering van haar zal worden teruggevorderd op de haar toekomende gelden uit de boedelscheiding.
Op 14 februari 1996 is de echtscheiding ingeschreven in de Gemeentelijke Basisadministratie (GBA).
De ABW-uitkering van eiseres is met ingang van 1 januari 1997 omgezet in een uitkering op grond van Algemene bijstandswet (Abw).

Naar aanleiding van een melding op 10 december 1996 dat eiseres zou samenwonen is een onderzoek ingesteld. Uit het ingestelde onderzoek is vervolgens gebleken dat eiseres uit de verkoop van de echtelijke woning op 10 april 1996, respectievelijk 16 juli 1996 een bedrag van ¶ 4.370,28, respectievelijk ¶ 8.151,-- heeft ontvangen. Daarnaast heeft zij van haar ex-echtgenoot op 23 oktober 1996 ¶ 7.907,40 per kas ontvangen. Van deze ontvangsten heeft eisers geen melding gedaan aan verweerder.
Op 23 juni 1997 heeft eiseres bij de uitvoeringsinstelling Gak Nederland B.V. een arbeidsongeschiktheidsuitkering aangevraagd, die haar met terugwerkende kracht tot 23 juni 1996 is toegekend.
Bij besluit van 31 augustus 1998 heeft verweerder eiseres meegedeeld dat een bedrag van ƒ 11.128,68 van haar wordt teruggevorderd. Daarbij is tevens meegedeeld dat dit besluit een uitvoering is van reeds in 1995 genomen terugvorderingsbesluiten, zodat geen bezwaar en beroep mogelijk is.
Op 12 februari 1999 heeft verweerder de kantonrechter te Enschede verzocht om een zogenaamde executoriale titel voor zijn vordering ad ƒ 11.128,68 op eiseres. Bij beschikking van 28 juli 1999 heeft de kantonrechter de vordering vastgesteld op het vorengenoemde bedrag. Tegen deze uitspraak is eiseres in hoger beroep gegaan bij deze rechtbank, sector burgerlijke zaken. Bij beschikking van 3 november 1999 heeft de rechtbank de kantonrechter onbevoegd verklaard kennis te nemen van het verzoek van de gemeente d.d. 12 februari 1999.
Naar aanleiding van deze uitspraak heeft verweerder op 8 november 1999, verzonden op 16 november 1999 een nieuw besluit genomen. Bij dat besluit wordt evenals bij het besluit van 31 augustus 1998 een bedrag van ƒ 11.128,68 van eiseres teruggevorderd, waarbij zij thans wel in de gelegenheid wordt gesteld om binnen zes weken na datum van verzending van dit besluit een bezwaarschrift in te dienen. Tevens heeft verweerder eiseres meegedeeld dat het eerdere op 31 augustus 1998 afgegeven besluit is komen te vervallen.
Namens eiseres is op 28 december 1999 een bezwaarschrift ingediend tegen verweerders besluit van 8 november 1999.
Eiseres is in de gelegenheid gesteld om haar bezwaren ter hoorzitting mondeling nader toe te lichten. Van deze gelegenheid is op 8 februari 2000 gebruik gemaakt.
Bij het bestreden besluit van 7 maart 2000 is het bezwaarschrift van eiseres ongegrond verklaard.
Blijkens het namens eiseres op 19 april 2000 ingediende beroepschrift kan zij zich niet verenigen met dit besluit.
Verweerder heeft op 16 mei 2000 een verweerschrift ingediend.
Het beroep is behandeld ter openbare zitting van de rechtbank van 14 september 2000, waar eiseres is verschenen bij haar gemachtigde, terwijl verweerder zich heeft doen vertegenwoordigen door P. Paalman.


3. Overwegingen

In geschil is de vraag of het besluit van verweerder van 7 maart 2000, waarbij de bezwaren van eiseres tegen het besluit van 8 november 1999 ongegrond zijn verklaard, in rechte in stand kan blijven.

Ingevolge artikel 1:3, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) wordt onder besluit verstaan: een schriftelijke beslissing van een bestuursorgaan, inhoudende een publiekrechtelijke rechtshandeling. Voor het begrip rechtshandeling is kenmerkend dat het gaat om handelen, gericht op rechtsgevolg.

Ingevolge artikel 6:7 van de Awb bedraagt de termijn voor het indienen van een bezwaar- of beroepschrift zes weken.
Op grond van het bepaalde in artikel 6:8, eerste lid, in verbinding met artikel 3:41 van de Awb, vangt die termijn aan met ingang van de dag na die waarop het besluit is toegezonden of uitgereikt aan de belanghebbende(n).
Op grond van het bepaalde in artikel 6:9, eerste lid, van de Awb is een bezwaar- of beroepschrift tijdig ingediend indien het voor het einde van de termijn is ontvangen.
Op grond van het bepaalde in artikel 6:11 van de Awb blijft ten aanzien van een na afloop van de termijn ingediend bezwaar- of beroepschrift niet-ontvankelijkverklaring op grond daarvan achterwege indien redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de indiener in verzuim is geweest.

De rechtbank stelt vast dat verweerder op 8 november 1999 een tweede besluit, gelijkluidend aan het besluit van 31 augustus 1998, heeft genomen. Een zelfde nieuw besluit, met juiste rechtsmiddelenverwijzing, levert naar het oordeel van de rechtbank geen besluit op in de zin van artikel 1:3 van de Awb. Het is niet op enig ander zelfstandig rechtsgevolg gericht, dan dat reeds was beoogd met het besluit van 31 augustus 1998.

Voorzover het beroepschrift van eiseres is gericht tegen de beslissing op bezwaar van 7 maart 2000, waarbij het bezwaarschrift van 28 december 1999 tegen het besluit van 8 november 1999 ongegrond is verklaard, dient het beroep gegrond te worden verklaard. Immers verweerder had het bezwaarschrift tegen dat besluit niet-ontvankelijk moeten verklaren.

Voorzover het bezwaarschrift van eiseres van 28 december 1999 is gericht tegen het besluit van 31 augustus 1998 is de rechtbank van oordeel dat hoewel dit niet is ingesteld binnen de termijn als bedoeld in artikel 6:7 Awb niet-ontvankelijkverklaring van het bezwaarschrift achterwege dient te blijven. De door verweerder gezaaide verwarring door de mogelijkheid van bezwaar en beroep tegen het besluit van 31 augustus 1998 expliciet uit te sluiten, levert naar het oordeel van de rechtbank een verschoonbare termijnoverschrijding op.
Na de uitspraak van de rechtbank op 3 november 1999 had eiseres zo snel mogelijk - in het algemeen binnen een termijn van veertien dagen - alsnog bezwaar moeten instellen tegen het besluit van 31 augustus 1998. Door het schrijven van verweerder van 8 november 1999, verzonden op 16 november 1999, mocht zij echter verwachten de volle termijn te hebben en kan redelijkerwijs niet worden geoordeeld dat zij hiermee in verzuim is geweest.

Daarbij neemt de rechtbank mede in aanmerking dat namens eiseres ter zitting is verklaard dat zij het schrijven van verweerder van 8 november 1999 eerder had ontvangen, dan de uitspraak van de rechtbank van 3 november 1999.

Verweerder heeft naar het oordeel van de rechtbank met zijn schrijven van 8 november 1999 niet beoogd de werking van het terugvorderingsbesluit van 31 augustus 1998 ongedaan te maken, maar heeft uitsluitend beoogd de in de uitspraak van de rechtbank van 3 november 1999 aangegeven rechtsgang van bezwaar en beroep mogelijk te maken. Op grond daarvan kan niet worden geoordeeld dat het besluit van 31 augustus 1998 is ingetrokken.

De rechtbank overweegt dienaangaande als volgt.

Ingevolge artikel 1, eerste lid, van de Algemene Bijstandswet (ABW), zoals die luidde ten tijde hier in het geding, wordt aan iedere Nederlander die hier in zodanige omstandigheden verkeert of dreigt te geraken dat hij niet over de middelen beschikt om in de noodzakelijke kosten van het bestaan te voorzien, bijstand verleend door burgemeester en wethouders.
Ingevolge artikel 4 ABW kan bijstand in de behoefte aan bedrijfskapitaal en aan duurzame goederen worden verleend in de vorm van een geldlening of borgtocht.
Ingevolge artikel 7, eerste lid, aanhef en onder b, ABW worden bij de beoordeling van de mate waarin een persoon beschikt over middelen onder meer buiten beschouwing gelaten een bescheiden vermogen dat geen bepaalde bestemming heeft.
Ingevolge artikel 55, eerste lid, ABW worden kosten van bijstand door de gemeente teruggevorderd in de gevallen en naar de regels van deze paragraaf.
Ingevolge het derde lid kan van terugvordering geheel of gedeeltelijk worden afgezien indien gelet op de omstandigheden van persoon en gezin daarvoor dringende redenen aanwezig zijn.
Ingevolge artikel 58, tweede lid, ABW worden kosten van bijstand, verleend over een periode gedurende welke middelen of aanspraken op middelen aanwezig zijn waarover nog niet kan worden beschikt, van de betrokkene teruggevorderd tot het bedrag waarover krachtens die middelen of aanspraken later wordt of kan worden beschikt.

Verweerder heeft bij besluiten van 13 september 1995, respectievelijk 19 september 1995, eiseres (bijzondere)bijstand toegekend, waarbij haar is meegedeeld dat deze bijstand van haar zal worden teruggevorderd op de haar toekomende gelden uit de boedelscheiding indien en voorzover het bedrag hiervan uitstijgt boven het vrij te laten vermogen, in casu ¶ 9.300,--.
Vast staat dat aan eiseres uit de boedelscheiding in totaal ¶ 20.428,68 is betaald. Naar aanleiding hiervan heeft verweerder bij besluit van 31 augustus 1998 in totaal ¶ 11.128,68 van eiseres teruggevorderd, zijnde de in de periode van 14 februari 1996 tot 23 juni 1996 uitgekeerde bijstand ad ¶ 7.731,68 en het resterende bedrag van de geldlening ad ¶ 3.397,--.
Eiseres stelt dat de aan haar betaalde bedragen van in totaal ¶ 20.428,68 bij wege van voorschot op de boedelscheiding aan haar zijn betaald.
Daarbij is eiseres van mening dat de bijstand pas van haar kan worden teruggevorderd als de boedelscheiding heeft plaatsgevonden. Nu er nog geen boedelscheiding heeft plaatsgevonden ontbreekt naar de opvatting van eiseres de daarvoor vereiste grondslag aan verweerders terugvorderingsbeslissing. Hiernaast heeft eiseres gesteld dat er sprake is van schulden in plaats van vermogen.
Verweerder is van mening dat de uitbetaalde bedragen zijn aan te merken als aan eiseres toekomende gelden uit de boedelscheiding. Volgens verweerder zijn het gelden voortkomende uit het huwelijk van eiseres met haar ex-echtgenoot die op voorhand reeds zijn verdeeld. Het feit dat de boedelscheiding nog niet totaal is geŽffectueerd doet volgens verweerder daaraan niet af.

Naar het oordeel van de rechtbank is voldoende vast komen te staan dat eiseres daadwerkelijk over de vorengenoemde vermogensbestanddelen kon beschikken en het bescheiden vermogen is overtroffen. Dat de boedelscheiding nog niet geŽffectueerd is doet aan het voorgaande niet af. De onzekerheid over het nog niet vaststaande aandeel in de boedelscheiding hoeft naar het oordeel van de rechtbank in de onderhavige situatie aan terugvordering niet in de weg te staan.
Daarbij is de rechtbank met verweerder van oordeel dat de gestelde schulden niet worden gestaafd door enig bewijsmateriaal.
Op grond van het vorenstaande is de rechtbank van oordeel dat verweerder op goede gronden ¶ 11.128,68 aan bijstand van eiseres heeft teruggevorderd. Niet is gebleken van dringende redenen die aan de terugvordering in de weg zouden staan.

Op grond van het vorenoverwogene acht de rechtbank het, gelet op het bepaalde in artikel 8:75 van de Awb billijk verweerder te veroordelen in de kosten die eiseres redelijkerwijs heeft moeten maken in verband met de behandeling van dit beroep, zijnde de kosten van rechtsbijstand ad ¶ 1420,--.

Beslist wordt derhalve als volgt:


4. Beslissing

De Arrondissementsrechtbank Almelo,

Recht doende:


verklaart het beroep gegrond en vernietigt het bestreden besluit voorzover de bezwaren tegen het besluit van 8 november 1999 gegrond zijn verklaard;
verklaart eiseres niet-ontvankelijk in haar bezwaar tegen het besluit van 8 november 1999;
verklaart het beroep voor het overige ongegrond;
veroordeelt verweerder in de door eiseres gemaakte proceskosten, welke kosten worden bepaald op ¶ 1420,-- door verweerders gemeente te betalen aan eiseres;
verstaat dat verweerders gemeente aan eiseres het griffierecht ad ¶ 60,-- vergoedt.


Tegen deze uitspraak staat binnen zes weken na verzending hoger beroep open bij de Centrale Raad van Beroep te Utrecht.


Gewezen en in het openbaar uitgesproken op 5 oktober 2000 door mr. J.G.J. Roelvink, in tegenwoordigheid van J. Wenniger als griffier.


Afschrift verzonden op
AN

 

 

 

 

 

 

 
LJN: AA9587, Rechtbank Maastricht , 98/1889 NABW Z SCC
Datum uitspraak: 30-05-2000
Rechtsgebied: Bijstandszaken
Soort procedure: Eerste aanleg - meervoudig
Uitspraak
ARRONDISSEMENTSRECHTBANK TE MAASTRICHT
enkelvoudige kamer voor bestuursrechtelijke zaken

UITSPRAAK


Reg.nr.:  98/1889 NABW Z SCC

Inzake :  [eiser], eiser,

tegen :  het College van Burgemeester en Wethouders van de Gemeente Sittard, verweerder.



Datum en aanduiding van het bestreden besluit:

-  het met een besluit als bedoeld in artikel 6:2, aanhef en onder b, van de Awb gelijk te stellen niet tijdig beslissen op het bezwaarschrift van 30 juli 1998;

-  het besluit van verweerder van 21 december 1998, kenmerk 128;

-  het besluit van verweerder van 24 maart 1999, kenmerk 3655.


Datum van behandeling ter zitting: 4 april 2000.


I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING.

Bij brief van 2 juni 1998 heeft de directeur van de Dienst Sociale Zaken en Welzijn van de gemeente Sittard aan GAK Nederland BV in verband met de verrekening van een aan eiser toegekende uitkering krachtens de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) een specificatie doen toekomen van de aan eiser over de periode van 26 december 1997 tot en met 30 april 1998 verstrekte uitkering krachtens de Algemene bijstandswet (Abw).

Tegen deze brief is namens eiser bij brief van 30 juli 1998 bezwaar gemaakt door mr. A.C.S. Grťgoire, advocaat te Sittard.

Bij brief van 17 december 1998 is namens eiser bij de rechtbank beroep ingesteld tegen het niet tijdig beslissen op het bezwaarschrift van 30 juli 1998.

Bij besluit van 21 december 1998 heeft verweerder het bezwaarschrift van 30 juli 1998 niet-ontvankelijk verklaard.

Bij brief van 14 januari 1999 heeft de gemachtigde van eiser de rechtbank meegedeeld dat eiser zich niet met dit besluit kan verenigen.

Inmiddels had verweerder bij besluit van 7 december 1998 de aan eiser over de periode van 26 december 1997 tot 1 mei 1998 verstrekte uitkering ten bedrage van f 9.801,70 van eiser teruggevorderd. Daarbij is aangegeven dat dit bedrag reeds werd verrekend met het GAK.

Bij brief van 21 januari 1999 heeft de gemachtigde van eiser de rechtbank meegedeeld van mening te zijn dat het besluit van 7 december 1998 dient te worden meegenomen in de reeds bij de rechtbank aanhangige procedure.

Bij brief van 20 januari 1999 heeft verweerder ter zake van het namens eiser tegen het niet tijdig beslissen op het bezwaarschrift van 30 juli 1998 ingestelde beroep een verweerschrift ingediend. Voorts heeft verweerder de op deze procedure betrekking hebbende stukken ingediend. Deze stukken zijn op 9 februari 1999 in afschrift aan de gemachtigde van eiser gezonden.

Bij brief van 18 maart 1999 heeft verweerder een verweerschrift ingediend ter zake van de inhoudelijke beoordeling van eisers beroep. Voorts heeft verweerder de op deze beoordeling betrekking hebbende stukken ingediend. Deze stukken zijn op 25 maart 1999 in afschrift aan de gemachtigde van eiser gezonden.

Bij besluit van 24 maart 1999 heeft verweerder beslist op de door verweerder als bezwaarschrift aangemerkte brief van 21 januari 1999.

Na de uitnodiging voor de zitting heeft verweerder bij brief van 4 april 2000 nog een aantal stukken ingediend. Hierop is namens eiser bij brief van 13 april 2000 gereageerd.

Op verzoek van de gemachtigde van eiser is het onderhavige beroep gevoegd behandeld met het beroep geregistreerd onder nummer 98/1696.

Het beroep is behandeld ter zitting van de rechtbank op
4 april 2000. Eiser is bij voornoemde gemachtigde verschenen. Verweerder is verschenen bij gemachtigde mr. S.E.H.M. Sniekers, werkzaam bij de gemeente Sittard.


II. OVERWEGINGEN.

II.1. Namens eiser is beroep ingesteld tegen het uitblijven van een beslissing op het bezwaarschrift van 30 juli 1998.
Bij besluit van 21 december 1998, aan de gemachtigde van eiser verzonden op 6 januari 1999, heeft verweerder alsnog op dit bezwaarschrift beslist.

De rechtbank stelt vast dat verweerder de door artikel 7:10 van de Awb voorgeschreven termijn voor het beslissen op bezwaar ruimschoots heeft overschreden. Hieraan kan niet afdoen dat, zoals door verweerder in het verweerschrift van
20 januari 1999 is aangevoerd, verweerder aanvankelijk van oordeel was dat de brief van 30 juli 1998 niet als bezwaarschrift kon worden aangemerkt en evenmin dat, naar door verweerder is gesteld, de behandeling van het bezwaar in overeenstemming met eiser gedurende ongeveer anderhalve maand is aangehouden.

Namens eiser is dan ook terecht het standpunt ingenomen dat er sprake is van een met een besluit gelijk te stellen niet tijdig nemen van een besluit als bedoeld in artikel 6:2, aanhef en onder b, van de Awb, waartegen beroep bij de rechtbank openstaat.

Nu door verweerder bij besluit van 21 december 1998 alsnog op het bezwaarschrift van 30 juli 1998 is beslist, dient dit beroep, wegens het ontbreken van procesbelang, echter niet-ontvankelijk te worden verklaard.

II.2. De rechtbank zal thans overgaan tot de beoordeling van het bestreden besluit van 21 december 1998.

De rechtbank stelt voorop dat de inzet van de onderhavige beroepsprocedure, alsmede van de met deze zaak gevoegd behandelde procedure onder registratienummer voor eiser is gelegen in het veiligstellen van de mogelijkheid om in rechte op te komen tegen het verrekenen van een aan eiser alsnog over de periode van 26 december 1997 tot en met 30 april 1998 toegekende arbeidsongeschiktheidsuitkering met de door verweerder aan eiser over deze periode verstrekte bijstand. Deze verrekening dient te worden voorafgegaan door een met toepassing van artikel 82, aanhef en onder a, van de Abw genomen terugvorderingsbesluit. Hieraan kan niet afdoen dat eiser op 16 januari 1998 een machtiging heeft ondertekend, op grond waarvan de door hem eventueel in de toekomst te ontvangen gelden ingevolge de WAO aan de Dienst Sociale Zaken en Welzijn van de gemeente Sittard betaalbaar gesteld worden. Het rechtszekerheidsbeginsel brengt immers mee dat verweerder eiser, voordat verweerder tot de feitelijke verrekening overgaat, van het hiertoe strekkende terugvorderingsbesluit op de hoogte stelt, en hem daarmee in de gelegenheid stelt desgewenst een rechtsmiddel tegen dit besluit aan te wenden.

II.3. In casu heeft de feitelijke verrekening van eisers Abw-uitkering met de hem alsnog toegekende arbeidsongeschiktheidsuitkering plaatsgevonden in de maand juni 1998. Deze verrekening is voorafgegaan door de in rubriek I vermelde brief van 2 juni 1998 van de directeur van de Dienst Sociale Zaken en Welzijn van de gemeente Sittard aan GAK Nederland BV. Eiser heeft deze brief via GAK Nederland BV ontvangen. Van een aan eiser gericht, aan de feitelijke verrekening voorafgaand, terugvorderingsbesluit is de rechtbank niet gebleken.

II.4. Bij het bestreden besluit van 21 december 1998 heeft verweerder het bezwaarschrift van 30 juli 1998 niet-ontvankelijk verklaard. Daartoe heeft verweerder overwogen dat de brief van 2 juni 1998 kennelijk niet aan eiser was gericht, aangezien deze geen nieuw besluit betrof, maar een nadere uitwerking van de beschikking van 5 februari 1998, waarbij aan eiser met ingang van 25 december 1997 bijstand werd verleend onder cessie van de aan eiser nog toe te kennen arbeidsongeschiktheidsuitkering. Verweerder is op grond hiervan van oordeel dat de brief van 2 juni 1998 niet kan worden aangemerkt als een besluit als bedoeld in artikel 1:3 van de Awb, zodat het tegen deze brief gemaakte bezwaar niet-ontvankelijk is.

II.5. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder aldus miskend dat de brief van 2 juni 1998 weliswaar als zodanig niet als een besluit in de zin van artikel 1:3 van de Awb kan worden aangemerkt, maar dat eiser naar aanleiding van deze brief redelijkerwijs kon menen dat door verweerder reeds een besluit tot terugvordering van de aan hem verleende bijstand was genomen, te meer nu, naar hiervoor is aangegeven, de thans in geding zijnde terugvordering reeds in juni 1998 feitelijk is gerealiseerd. De omstandigheid dat eiser tegen de verrekening bezwaar heeft gemaakt, ruim voordat verweerder bij brief van 7 januari 1999 eiser op de hoogte heeft gesteld van het met de verrekening samenhangende terugvorderingsbesluit, kan dan ook op grond van het bepaalde in artikel 6:10, eerste lid, aanhef en onder b, van de Awb niet tot de niet-ontvankelijkheid van het bezwaarschrift van 30 juli 1998 leiden.

Op grond van het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat het besluit van 21 december 1998 niet in rechte kan worden gehandhaafd.

II.6. Zoals in rubriek I is aangegeven heeft de gemachtigde van eiser bij brief van 21 januari 1999 de rechtbank op de hoogte gesteld van het besluit van 7 december 1998, waarbij verweerder de aan eiser over de periode van 26 december 1997 tot en met 30 april 1998 verstrekte bijstandsuitkering alsnog met toepassing van artikel 82, aanhef en onder a, van de Abw heeft teruggevorderd. Eiser heeft zich op het standpunt gesteld dat deze beslissing dient te worden meegenomen in de bij de rechtbank al lopende procedure, die haar oorsprong vindt in het namens eiser ingestelde beroep tegen het niet tijdig beslissen door verweerder op het bezwaarschrift van 30 juli 1998.

Bij brief van 9 februari 1999 heeft de rechtbank verweerder, onder verwijzing naar de in rubriek I vermelde brief van eisers gemachtigde van 14 januari 1999, verzocht een verweerschrift in te dienen terzake van het besluit van 21 december 1998. De rechtbank heeft daarbij miskend dat verweerder terzake reeds bij brief van 20 januari 1999 een verweerschrift had ingediend.

Voor verweerder is de brief van de rechtbank echter aanleiding geweest om bij brief van 18 maart 1999 een verweerschrift in te dienen met betrekking tot de inhoudelijke beoordeling van het namens eiser ingestelde beroep.
Bovendien heeft verweerder bij besluit van 24 maart 1999 een beslissing genomen op het namens eiser tegen het besluit van 7 december 1998 ingediend bezwaarschrift van 21 januari 1999. Daarbij wordt een en ander nog verder gecompliceerd door het feit dat de gemachtigde van eiser zich bij brief van dezelfde datum bovendien tot de rechtbank heeft gewend met het verzoek het besluit van 7 december 1998 te betrekken in de lopende beroepsprocedure.

Dienaangaande overweegt de rechtbank dat, wat er ook zij van de procesrechtelijke verwarring die uit deze gang van zaken spreekt, partijen kennelijk de bedoeling hebben gehad om ook de inhoudelijke besluitvorming met betrekking tot de jegens eiser toegepaste verrekening aan de rechtbank voor te leggen. Ook de rechtbank acht het om proceseconomische redenen aangewezen het besluit op bezwaar van 24 maart 1999 in de beoordeling te betrekken. De rechtbank acht dit met het oog op artikel 6:20 van de Awb verantwoord, nu bij dit besluit het inhoudelijk oordeel is gegeven, tegen het uitblijven waarvan het inleidende beroepschrift van 17 december 1998 was gericht.

II.7. De rechtbank staat dan ook thans voor de vraag of het bestreden besluit van 24 maart 1999 in rechte kan worden gehandhaafd. De rechtbank overweegt als volgt.

Gelet op het bepaalde in de artikel 82, aanhef en onder a, juncto de artikelen 42 en 47, eerste lid, aanhef en onder a, van de Abw is de rechtbank van oordeel dat verweerder de aan eiser over de periode van 26 december 1997 tot 1 mei 1998 toegekende bijstand terecht van eiser heeft teruggevorderd, nu achteraf aan eiser over deze periode een WAO-uitkering is toegekend.
De rechtbank is voorts van oordeel dat verweerder en het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv) terecht toepassing hebben gegeven aan de Circulaire van de SVR van 18 april 1994, nr. 982. Zoals in de aan deze uitspraak gehechte uitspraak van heden met registratienummer is overwogen is het Lisv terecht overgegaan tot een bruto verrekening van de aan eiser toegekende WAO-uitkering met de aan eiser door verweerder verleende bijstand.

De rechtbank heeft in de gedingstukken geen aanknopingspunten gevonden voor het oordeel dat de hoogte van het terug te vorderen bedrag niet juist zou zijn vastgesteld. Voor zover namens eiser is aangevoerd dat in het teruggevorderde bedrag ten onrechte een bedrag van f 350,-- aan voorschotten is opgenomen, is de rechtbank van oordeel dat verweerder voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat dit bedrag ziet op een aan eiser bij besluit van 20 januari 1998 verstrekt voorschot, dat reeds in februari 1998 bij de uitbetaling van de Abw-uitkering over de maand december 1997 is verrekend, zodat dit bedrag niet meer betrokken is bij de verrekening met de arbeidsongeschiktheidsuitkering van eiser.

Op grond van het voorgaande is het beroep tegen het besluit van 24 maart 1999 ongegrond.

II.8. De rechtbank acht termen aanwezig om verweerder met toepassing van artikel 8:75 van de Awb te veroordelen in de kosten, die eiser in verband met de behandeling van het beroep tegen het niet tijdig beslissen op het bezwaarschrift van
30 juli 1998, alsmede tegen het besluit van 21 december 1998 redelijkerwijs heeft moeten maken.
Deze proceskostenveroordeling heeft betrekking op de kosten van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand, waarvan het bedrag wordt vastgesteld overeenkomstig het tarief, als bedoeld in artikel 2, eerste lid, onder a, van het Besluit proceskosten bestuursrecht.
De rechtbank kent daarbij ter zake van de verrichte proceshandelingen 2,5 punten met een waarde van ¶ 710,-- toe (0,5 punt voor de indiening van het beroepschrift tegen het niet tijdig beslissen op het bezwaarschrift van 30 juli 1999, 1 punt terzake van het beroep tegen het besluit van 21 december 1998 en 1 punt voor het verschijnen ter zitting) en bepaalt het gewicht van de zaak, gelet op de aard en de inhoud van het geschil, op gemiddeld (wegingsfactor 1).
Het te vergoeden bedrag voor verleende rechtsbijstand bedraagt derhalve 2,5 x ¶ 710,-- x 1 = ¶ 1.775,--.

Op grond van het bepaalde in de artikelen 8:70, 8:72, 8:74 en 8:75 van de Awb wordt als volgt beslist.


III. BESLISSING.

De arrondissementsrechtbank te Maastricht:

1.  verklaart het beroep tegen het als een besluit in de zin van artikel 6:2, aanhef en onder b, van de Awb aan te merken niet tijdig beslissen op het bezwaarschrift van 30 juli 1998 niet-ontvankelijk;

2.  verklaart het beroep tegen het besluit van 21 december 1998 gegrond en vernietigt dit besluit;

3.  verklaart het beroep tegen het besluit van 24 maart 1999 ongegrond;

4.  bepaalt dat aan eiser het door hem betaalde griffierecht ten bedrage van ¶ 55,-- wordt vergoed door de gemeente Sittard;

5.  veroordeelt verweerder in de kosten van de beroepsprocedure bij de rechtbank, aan de zijde van eiser begroot op ¶ 1.775,--, zijnde de kosten van rechtsbijstand, te vergoeden door de gemeente Sittard aan eiser.


Aldus gedaan door mr. R.E. Bakker in tegenwoordigheid van
mr. C.A.M. Kavelaars als griffier en in het openbaar uitgesproken op 30 mei 2000 door mr. Bakker voornoemd in tegenwoordigheid van voornoemde griffier.


  w.g. C. Kavelaars   w.g. R.E. Bakker

  Voor eensluidend afschrift:
  de wnd. griffier:


Verzonden op:
TJ



Voor een belanghebbende en het bestuursorgaan staat tegen deze uitspraak het rechtsmiddel hoger beroep open bij de Centrale Raad van Beroep, postbus 16002, 3500 DA Utrecht.
De termijn voor het instellen van het hoger beroep bedraagt zes weken.

Bij een spoedeisend belang bestaat voor een belanghebbende en het bestuursorgaan, nadat hoger beroep is ingesteld, tevens de mogelijkheid om de President van de Centrale Raad van Beroep te verzoeken een voorlopige voorziening te treffen als bedoeld in artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht.

 

 

 

 

 

 


LJN: AB0950, Rechtbank Zutphen , reg.nr.: 99/1063 NABW
Datum uitspraak: 09-04-2001
Rechtsgebied: Bijstandszaken
Soort procedure: Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie: Besluit tot terugvordering op grond van overeenkomst van geldlening is geen besluit als bedoeld in art. 1:3 Awb. Bezwaar tegen besluit tot terugvordering van leenbijstand in verband met aanschaf van een woonwagen ongegrond verklaard. Op 5 maart 1975 is aan de echtgenoot van eiseres op grond van het toenmalige Besluit bijstandsverlening woonwagenbewoners van 16 mei 1974 (Stb. 1974, nr. 359; hierna: het Besluit) bijstand in de vorm van een geldlening toegekend. Ingevolge punt 3 van de betreffende overeenkomst is de leensom of het onafgeloste gedeelte daarvan terstond opeisbaar bij wanbetaling of verzuim in de stipte voldoening van de overeengekomen aflossingen. Deze overeenkomst tot geldlening dient te worden gekwalificeerd als een overeenkomst naar burgerlijk recht. Dat deze overeenkomst is aangegaan op grond van een besluit ter uitvoering van de Algemene Bijstandswet (ABW) doet aan de kwalificatie van die overeenkomst niet af. De rechtbank vindt voor dit oordeel steun in het arrest van de Hoge Raad van 26 maart 1999 (RSV 1999/197 en NJ 1999/445). Aangezien de echtgenoot van eiseres in 1975 uit hoofde van voornoemde civielrechtelijke overeenkomst het nu verschuldigde bedrag heeft ontvangen wordt ook de vraag of de in die overeenkomst genoemde betalingsverplichtingen zijn overtreden, alsmede de vraag of op die grond het onafgeloste gedeelte van de leensom terstond opeisbaar is geworden, beheerst door de regels van het civiele recht. De omstandigheid dat met de inwerkingtreding van de Wet Boeten en maatregelen sociale zekerheid (hierna: Wet Boeten) per 1 juli 1997 de mogelijkheid is geopend om verleende bijstand via de bestuursrechtelijke weg terug te vorderen doet aan voornoemd oordeel niet af. Met de Wet Boeten is immers niet beoogd de kwalificatie van een overeenkomst als de onderhavige te wijzigen. Deze kwalificatie dient bepalend te zijn voor het antwoord op de vraag volgens welke regels het terstond opeisbaar zijn van de leensom dient te worden beoordeeld. In dit verband acht de rechtbank tevens van belang dat verweerders besluit tot bijstandverlening d.d. 5 maart 1975 niet de voorwaarden bevat op de overtreding waarvan verweerder de onderhavige besluitvorming baseert. Voorts is van belang dat de leenbijstand destijds uitsluitend aan de echtgenoot van eiseres is toegekend, hetgeen met zich meebrengt dat een terugvordering van die bijstand van eiseres primair zijn grondslag vindt in de hoofdelijke aansprakelijkheid waartoe eiseres zich middels de civielrechtelijke overeenkomst heeft verbonden. Verweerders beslissing in primo houdt derhalve geen (publiekrechtelijke) rechtshandeling in, zodat er - gelet op het bepaalde in art. 1:3, eerste lid Awb - geen sprake is van een besluit in de zin van dat artikel. Bestreden besluit vernietigd; bezwaar van eiseres alsnog niet-ontvankelijk verklaard. Onder verwijzing naar artikel 8:71 van de Awb wordt geoordeeld dat in het onderhavige geval uitsluitend een vordering bij de burgerlijke rechter kan worden ingesteld. Het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Harderwijk, verweerder. mr. E.J.J.M. Weyers
Uitspraak
ARRONDISSEMENTSRECHTBANK TE ZUTPHEN
Enkelvoudige kamer voor bestuursrechtelijke zaken


Reg.nr.: 99/1063 NABW 58



UITSPRAAK


in het geding tussen:

M. wonende te X, eiseres,
en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Harderwijk, verweerder.




1. Aanduiding bestreden besluit

Besluit van verweerder van 23 september 1999.


2. Feiten

Bij besluit van 5 maart 1975 is aan de (inmiddels overleden) echtgenoot van eiseres bijstand verleend in de vorm van een lening tegen 5% rente, ter voorziening in de aanschaf van een woonwagen ter vervanging van een bestaande woonwagen. De lening bedroeg in totaal een bedrag van fl. 23.300,--, te weten een bedrag van fl. 20.800,-- ten behoeve van de aanschaf en een bedrag van fl. 2.500,-- voor de inrichting van de betreffende woonwagen. In verband daarmee is tussen de gemeente Harderwijk en de echtgenoot van eiseres op 9 april 1975 een overeenkomst, acte van geldlening geheten, gesloten, waarbij laatstgenoemde zich heeft verbonden tot terugbetaling van voornoemd geldbedrag. Tevens heeft eiseres zich bij die overeenkomst als hoofdelijk mede-schuldenares verbonden tot terugbetaling van al hetgeen haar echtgenoot uit hoofde van vorenstaande overeenkomst aan verweerder verschuldigd is of zal worden.

Vervolgens heeft eiseres op enig moment vůůr 1998 verweerder telefonisch laten weten dat de woonwagen medio 1997 was gesloopt en dat haar kinderen inmiddels voor haar een nieuwe woonwagen hadden aangeschaft. Verweerder is vervolgens gebleken dat eiseres inmiddels eigener beweging was gestopt met het aflossen van voornoemde geldlening, en de woonwagen in strijd met het op 9 april 1975 overeengekomene niet aan verweerder ter vernietiging was overgedragen.

Bij brief van 10 februari 1999 is daarop het restant bedrag van de geldlening, te weten
fl. 17.569,60, van eiseres teruggevorderd op de grond dat de uit de geldlening voortvloeiende betalingsverplichtingen niet dan wel in onvoldoende mate zijn nagekomen. Het daartegen namens eiseres door mr. H.A. van der Kleij, advocaat werkzaam bij het Buro van Rechtshulp te Zwolle, ingediende bezwaarschrift gedateerd 3 maart 1999, heeft verweerder bij het bestreden besluit ongegrond verklaard.


3. Procesverloop

Namens eiseres heeft mr. Van der Kleij voornoemd beroep ingesteld op de in het aanvullend beroepschrift van 14 december 1999 vermelde gronden. Verweerder heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken en een verweerschrift ingezonden.
Het beroep is behandeld ter zitting van 28 maart 2001, waar eiseres in persoon is verschenen, bijgestaan door mr. Van der Kleij voornoemd. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door de heer G.J. van Bussel, ambtenaar der gemeente.


4. Motivering

4.1 De rechtbank ziet aanleiding allereerst te beoordelen of verweerder het bezwaar van eiseres terecht ontvankelijk heeft geacht. In dit verband dient de vraag te worden beantwoord of verweerders beslissing in primo een besluit behelst in de zin van artikel 1:3, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).

Ingevolge artikel 1:3, eerste lid, van de Awb wordt onder een besluit verstaan: een schriftelijke beslissing van een bestuursorgaan, inhoudende een publiekrechtelijke rechtshandeling.

De rechtbank oordeelt in dit verband als volgt.

4.2 Op 5 maart 1975 heeft verweerder op grond van het toenmalige Besluit bijstandsverlening woonwagenbewoners van 16 mei 1974 (Stb. 1974, nr. 359; hierna: het Besluit) aan de echtgenoot van eiseres bijstand in de vorm van een geldlening toegekend voor de aanschaf van een woonwagen.

Ingevolge artikel 12, eerste lid, van genoemd Besluit dient de bijstand in de kosten van de aankoop van een woonwagen te worden verleend in de vorm van een geldlening, tenzij bijstand in de vorm van borgtocht mogelijk is. Op 9 april 1975 is in dit kader een overeenkomst tot geldlening gesloten, waarbij eiseres en haar echtgenoot zich jegens verweerder hoofdelijk hebben verbonden tot terugbetaling van een geldbedrag ad f. 23.300,- in wekelijkse termijnen van f. 10,- en de eigendom van de woonwagen aan verweerder is overgedragen onder gelijktijdige in bruikleen verschaffing van die woonwagen aan de echtgenoot van eiseres. Ingevolge punt 3 van de betreffende overeenkomst is de leensom of het onafgeloste gedeelte daarvan terstond opeisbaar bij wanbetaling of verzuim in de stipte voldoening van de overeengekomen aflossingen.

Naar het oordeel van de rechtbank dient deze in 1975 aangegane overeenkomst tot geldlening te worden gekwalificeerd als een overeenkomst naar burgerlijk recht. Dat deze overeenkomst is aangegaan op grond van een besluit ter uitvoering van de Algemene Bijstandswet (ABW) doet aan de kwalificatie van die overeenkomst niet af.

De rechtbank vindt voor dit oordeel steun in het arrest van de Hoge Raad van 26 maart 1999 (RSV 1999/197 en NJ 1999/445) waarin het navolgende is overwogen:

“Waar de Algemene Bijstandswet in de artikelen 4, 4a en 7a in de destijds geldende tekst sprak, en artikel 21 en 22 Abw thans spreken, van bijstand in de vorm van een geldlening, had en heeft zij het oog op de overeenkomst naar burgerlijk recht, hoezeer ook door de gemeente aangegaan op grond van een bestuursrechtelijk besluit, bij welke overeenkomst deze de betrokkene een som geld ter leen is verstrekt. De verbintenis van deze laatste om de door hem ter leen ontvangen som terug te betalen moet dan ook worden gekwalificeerd als een uit een overeenkomst voortvloeiende verbintenis tot een geven zoals bedoeld in artikel 3:307 BW.”

Aangezien de echtgenoot van eiseres in 1975 uit hoofde van voornoemde civielrechtelijke overeenkomst het nu verschuldigde bedrag heeft ontvangen wordt naar het oordeel van de rechtbank ook de vraag of de in die overeenkomst genoemde betalingsverplichtingen zijn overtreden, alsmede de vraag of op die grond het onafgeloste gedeelte van de leensom terstond opeisbaar is geworden, beheerst door de regels van het civiele recht.

De omstandigheid dat met de inwerkingtreding van de Wet Boeten en maatregelen sociale zekerheid (hierna: Wet Boeten) per 1 juli 1997 de mogelijkheid is geopend om verleende bijstand via de bestuursrechtelijke weg terug te vorderen doet aan voornoemd oordeel niet af. Met de Wet Boeten is immers niet beoogd de kwalificatie van een overeenkomst als de onderhavige te wijzigen. Deze kwalificatie dient naar het oordeel van de rechtbank bepalend te zijn voor het antwoord op de vraag volgens welke regels het terstond opeisbaar zijn van de leensom dient te worden beoordeeld.

In dit verband acht de rechtbank tevens van belang dat verweerders besluit tot bijstandverlening d.d. 5 maart 1975 niet de voorwaarden bevat op de overtreding waarvan verweerder de onderhavige besluitvorming baseert. Voorts is van belang dat de leenbijstand destijds uitsluitend aan de echtgenoot van eiseres is toegekend, hetgeen naar het oordeel van de rechtbank met zich meebrengt dat een terugvordering van die bijstand van eiseres primair zijn grondslag vindt in de hoofdelijke aansprakelijkheid waartoe eiseres zich middels de civielrechtelijke overeenkomst van 9 april 1975 heeft verbonden.

Het vorenoverwogene leidt de rechtbank tot het oordeel dat verweerders beslissing in primo geen (publiekrechtelijke) rechtshandeling inhoudt, zodat er - gelet op het bepaalde in artikel 1:3, eerste lid, van de Awb - geen sprake is van een besluit in de zin van dat artikel.

Ingevolge het bepaalde in artikel 8:1, eerste lid, juncto artikel 7:1, eerste lid, van de Awb kan slechts tegen een besluit in de zin van artikel 1:3, eerste lid, van de Awb bezwaar en beroep worden ingesteld. Verweerder heeft derhalve bij het bestreden besluit ten onrechte het bezwaar van eiseres ontvankelijk verklaard. Gelet hierop komt het bestreden besluit dan ook voor vernietiging in aanmerking. Met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Awb zal de rechtbank het bezwaar van eiseres alsnog niet-ontvankelijk verklaren.

Onder verwijzing naar artikel 8:71 van de Awb wordt geoordeeld dat in het onderhavige geval uitsluitend een vordering bij de burgerlijke rechter kan worden ingesteld.

4.3  De rechtbank ziet in het vorenoverwogene aanleiding verweerder te veroor-delen in
de kosten die eiseres in verband met de behandeling van het beroep heeft moeten maken.

Met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht kent de rechtbank ter zake van verleende rechtsbijstand 2 punten toe, waarbij een wegingsfactor van 1 wordt gehanteerd. Voorts kent de rechtbank ter zake van reis- en verblijfkosten een bedrag van ¶. 46,91 toe.


5. Beslissing

De rechtbank,

recht doende:

-  verklaart het beroep gegrond;

-  vernietigt het bestreden besluit;

-  verklaart het bezwaar van eiseres alsnog niet-ontvankelijk en bepaalt dat deze uitspraak in zoverre in de plaats treedt van het vernietigde besluit;

-  bepaalt dat de gemeente Harderwijk het betaalde griffierecht van ¶. 60,-- aan eiseres vergoedt;

-  veroordeelt verweerder in de kosten van rechtsbijstand van eiseres tot een bedrag van ¶. 1420,- , te betalen door de gemeente Harderwijk aan de griffier van de rechtbank door storting op bankrekeningnummer 1923.25.922 ten name van DS 547 Arrondissement Zutphen te Zutphen, onder vermelding van het in de kop van deze uitspraak genoemde registratienummer;

veroordeelt verweerder in de overige proceskosten van eiseres tot een bedrag van
  ¶. 46,91, te betalen door de gemeente Harderwijk aan eiseres.



Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.


Aldus gegeven door mr. E.J.J.M. Weyers en in het openbaar uitgesproken op 9 april 2001 in tegenwoordigheid van de griffier.

 

 

 

 

 

 
LJN: AB1806, Rechtbank Utrecht , SBR 99/1714 ABW en SBR 00/1899 NABW
Datum uitspraak: 28-02-2001
Rechtsgebied: Bijstandszaken
Soort procedure: Eerste aanleg - enkelvoudig
Uitspraak
ARRONDISSEMENTSRECHTBANK TE UTRECHT

Reg. nr.: SBR 99/1714 ABW en SBR 00/1899 NABW

UITSPRAAK van de arrondissements-
rechtbank te Utrecht, enkelvoudige kamer
voor de behandeling van bestuursrechtelijke
zaken, in de gedingen tussen:

[eiser],
wonende te Utrecht,
e i s e r,

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Utrecht,
v e r w e e r d e r.


1. VERLOOP VAN DE PROCEDURE.

Bij besluit van 14 juli 1998, verzonden op 20 juli 1998, heeft verweerder eisers bezwaarschrift, gericht tegen de hoogte van de uitkering ingevolge de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers (IOAW) vanaf 1 januari 1998 tot en met 31 december 1998, ongegrond verklaard.

Tegen dit besluit is op 27 augustus 1999 namens eiser beroep bij deze rechtbank ingesteld. De gronden van het beroep zijn bij brief van 18 oktober 2000 aangevuld.

Bij brief van 11 oktober 1999 heeft verweerder de op de zaak betrekking hebbende stukken alsmede een verweerschrift ingediend.

Dit geding is bij de rechtbank geregistreerd onder nummer SBR 99/1714 ABW.

Bij besluit van 16 augustus 2000, verzonden op 23 augustus 2000, heeft verweerder eisers bezwaren tegen het besluit van 27 juli 1999, waarbij aan eiser met ingang van 1 januari 1999 bijstand in de vorm van een geldlening is toegekend als aanvulling op het inkomen tot het wettelijk minimum, ongegrond verklaard.

Op 3 oktober 2000 is namens eiser beroep tegen dit besluit ingesteld bij de rechtbank.

Bij brief van 27 oktober 2000 heeft verweerder de op de zaak betrekking hebbende stukken alsmede een verweerschrift ingediend.

Namens eiser is bij brief van 24 november 2000 een reactie gegeven op het verweerschrift. Tevens zijn bij die gelegenheid nog enkele stukken aan de rechtbank overgelegd.

Dit geding is bij de rechtbank geregistreerd onder nummer SBR 00/1899 NABW.

De gedingen zijn gevoegd behandeld ter zitting van 6 december 2000, alwaar eiser in persoon is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde, mr. B.J.M. de Leest, advocaat te Utrecht. Verweerder is verschenen bij gemachtigden Chr. van den Berg en H.C. Hoogendam, beiden werkzaam bij verweerders gemeente.


2. OVERWEGINGEN.

Feiten
Aan de gedingstukken en het verhandelde ter zitting ontleent de rechtbank de volgende feiten en omstandigheden.

Eiser ontvangt maandelijks een uitkering ingevolge de IOAW. Op deze uitkering wordt eisers uitkering krachtens de Wet op de Arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) in mindering gebracht. Bij brief van 30 november 1998 heeft eiser bezwaar gemaakt tegen de hoogte van de aan hem uitbetaalde uitkering ingevolge de IOAW over de periode vanaf januari 1998 tot op het moment van schrijven, omdat deze uitkering sinds januari 1998 verlaagd is. Eiser verzoekt om met terugwerkende kracht tot en met januari 1998 een aanvulling te verstrekken tot het wettelijk sociaal minimum.

Op 14 juli 1999 heeft verweerder eisers bezwaren ongegrond verklaard. Bij dit besluit heeft verweerder eiser meegedeeld zijn brief van 30 november 1998 (tevens) als aanvraag voor aanvullende bijstand in de vorm van leenbijstand met betrekking tot de periode 1 januari 1999 tot en met 31 december 1999 aan te merken.

Bij besluit van 27 juli 1999 heeft verweerder aan eiser leenbijstand toegekend vanaf 1 januari 1999.

Namens eiser is hiertegen bij brief van 7 september 1999 bezwaar gemaakt.

Op 18 november 1999 heeft een hoorzitting plaatsgevonden, alwaar eiser in persoon is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde.

Vervolgens heeft verweerder het thans bestreden besluit van 16 augustus 2000 afgegeven.


Het beroep geregistreerd onder nummer SBR 99/1714 ABW

In dit geding staat de rechtbank voor de beantwoording van de vraag of verweerder terecht en op goede gronden eisers bezwaren tegen de hoogte van zijn IOAW-uitkering ongegrond heeft verklaard en heeft geweigerd eiser in aanmerking te brengen voor aanvullende bijstand over het jaar 1998.

In het bestreden besluit stelt verweerder zich op het standpunt dat de uitkering ingevolge de IOAW correct en overeenkomstig de wettelijke bepalingen is vastgesteld. Door een per 1 januari 1998 ingevoerde belastingmaatregel is eisers inkomen vanaf die datum inderdaad lager dan de voor eiser geldende bijstandsnorm. Als gevolg van deze rijksmaatregel heeft verweerder besloten om bij wijze van uitzondering op aanvraag aanvullende bijstand toe te kennen en wel in de vorm van leenbijstand. Verweerder heeft in het hier bestreden besluit van 14 juli 1999 overwogen dat eiser met zijn brief van 30 november 1998 kennelijk heeft beoogd alsnog in aanmerking te komen voor aanvullende periodieke bijstand van 1 januari 1998 tot 1 december 1998. Gelet op de omstandigheid dat eiser over het jaar 1998 reeds via de Belastingdienst de nadelige gevolgen van de per 1 januari 1998 ingevoerde belastingmaatregel ongedaan heeft kunnen maken, acht verweerder het niet juist dat alsnog over het jaar 1998 aanvullende bijstand wordt verleend.

Namens eiser is in beroep betoogd dat vanaf 1 januari 1998 het maandelijkse totale netto inkomen van eiser beneden het bijstandsniveau ligt, hetwelk het gevolg is van de invoering per die datum van de Wet Premiedifferentiatie en marktwerking bij arbeidsongeschiktheidsverzekeringen (Wet Pemba). Door deze maatregel heeft een belangrijke verschuiving plaatsgevonden in de bruto-netto trajecten van inkomens. Namens eiser is aangevoerd dat eiser voor het jaar 1998 een T-biljet heeft ingevuld, doch dat daarmee de terugval in zijn inkomen niet volledig wordt gecompenseerd. Voor het deel dat niet gecompenseerd wordt dient naar de mening van eiser aanvullende bijstand te worden verleend. Eisers brief van 30 november 1998 dient als een aanvraag voor aanvullende bijstand te worden beschouwd.
Ter zitting is namens eiser nog gesteld dat het niet verweerders zaak is of eiser nu wel of niet een belastingteruggave ontvangt. Voorts heeft de gemachtigde van eiser betoogd dat verweerder de door de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid (SoZaWe) voorgestelde werkwijze zou moeten volgen, te weten dat verweerder naast de IOAW-uitkering ook de uitbetaling van eisers uitkering op grond van de WAO voor zijn rekening neemt.
Ten slotte is namens eiser ter zitting nog aangegeven dat eisers netto inkomsten in het jaar 1998 met inbegrip van de belastingteruggave over dat jaar net boven het sociale minimum liggen.

Verweerder heeft hier tegenin gebracht dat eiser formeel geen aanvraag heeft ingediend voor aanvullende bijstand over het jaar 1998, doch slechts bezwaar heeft gemaakt tegen de hoogte van de toegekende IOAW-uitkering. Ter zitting heeft verweerder hier nog aan toegevoegd dat een beroepsprocedure niet kan worden gebruikt om een niet ingediende aanvraag om bijstand met terugwerkende kracht geŽffectueerd te krijgen. Daarnaast heeft verweerder in beroep gesteld dat eiser uiteindelijk aan netto inkomsten meer heeft ontvangen dan waar hij in het kader van de Algemene bijstandswet (Abw) recht zou hebben.
Verweerder heeft nog betoogd dat de door de Minister van SoZaWe voorgestelde werkwijze erg tijdrovend is. Verweerder onderkent echter de problemen voor mensen zoals eiser. Daarom is verweerder bereid leenbijstand te verstrekken.

De rechtbank overweegt als volgt.

Met betrekking tot de vaststelling van de hoogte van de IOAW-uitkering

Als gevolg van de Pemba-operatie heeft er met ingang van januari 1998 een belangrijke verschuiving plaatsgevonden in de bruto-netto trajecten van inkomens. De oorzaken hiervan zijn (a) een lagere overhevelingstoeslag, het vervallen van de WAO-premie als werknemerspremie en het vervallen van de premie ingevolge de Algemene Arbeidsongeschiktheidswet (AAW) en (b) een extra verhoging van het belastingvrije bedrag. De IOAW-grondslagen worden zodanig vastgesteld dat deze, rekening houdend met het toepasselijke bruto-netto traject, netto gelijk zijn aan de in de wet genoemde netto bedragen. Het gewijzigde bruto-netto traject leidt tot lagere IOAW-grondslagen. Daardoor resulteert na de verrekening met het andere inkomen een lagere bruto IOAW-uitkering. Bij de bepaling van de in te houden loonheffing kan het voorgaande tot gevolg hebben dat geen van beide inkomens groot genoeg is om het volledige belastingvrije bedrag daarop in mindering te brengen. Het resultaat kan zijn dat het totale netto inkomen lager is dan beoogd.

Dit stemt overeen met hetgeen eiser in zijn bezwaarschrift van 30 november 1998 heeft gesteld, te weten dat zijn IOAW-uitkering al sinds januari 1998 verlaagd is.

Tot besluiten in de zin van artikel 1:3 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) dienen te worden gerekend besluiten die wijziging beogen te brengen in de aanspraak op in het verleden toegekende en reeds uitbetaalde uitkeringen. De rechtbank is van oordeel dat de uitkeringsspecificatie van januari 1998 moet worden aangemerkt als een besluit in de zin van artikel 1:3 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), nu deze specificatie ertoe strekt dat aan eiser een uitkering ingevolge de IOAW wordt toegekend die in verband met de invoering van de Wet Pemba afwijkt van de IOAW-uitkering die eiser voordien werd verstrekt.
De uitkeringsspecificaties over de maanden februari 1998 en volgende zijn naar het oordeel van de rechtbank niet meer dan een informatieve weergave van de berekening van de aan eiser toegekende uitkering ingevolge de IOAW en leveren dan ook geen besluiten in de zin van artikel 1:3 van de Awb op.
Eiser kon derhalve slechts tegen de uitkeringsspecificatie van januari 1998 bezwaar maken. De betreffende specificatie dateert van 17 januari 1998, zodat eiser zijn bezwaren uiterlijk 1 maart 1998 aan verweerder had dienen kenbaar te maken. Nu eiser eerst bij brief van 30 november 1998 bezwaar heeft gemaakt tegen de vaststelling van de hoogte van de aan hem toegekende IOAW-uitkering vanaf januari 1998 tot dan toe, moet de conclusie luiden dat dit bezwaarschrift tardief is ingediend.

Gelet op het voorgaande komt de rechtbank tot het oordeel dat verweerder eiser in zijn bezwaren tegen de vaststelling van de hoogte van diens IOAW-uitkering sinds januari 1998 niet-ontvankelijk had moeten verklaren. Nu verweerder eiser ten onrechte heeft ontvangen in diens desbetreffende bezwaren kan het op de vaststelling van de hoogte van de uitkering ingevolge de IOAW ziende gedeelte van het bestreden besluit niet in stand blijven. In verband hiermee dient eisers beroep, voor zover betrekking hebbend op dit aspect, gegrond te worden verklaard.
De rechtbank ziet in het voorgaande aanleiding om ten aanzien van dit gedeelte van het bestreden besluit met toepassing van het vierde lid van artikel 8:72 van de Awb zelf in de zaak te voorzien.

Met betrekking tot de aanvraag om aanvullende bijstand

De rechtbank kan verweerder niet volgen waar hij in beroep stelt dat eiser formeel geen aanvraag heeft ingediend voor aanvullende bijstand over het jaar 1998, doch slechts bezwaar heeft gemaakt tegen de hoogte van de toegekende uitkering krachtens de IOAW. Immers heeft eiser in zijn brief van 30 november 1998 (tevens) verzocht om met terugwerkende kracht tot en met januari 1998 een aanvulling te verstrekken tot het wettelijk sociaal minimum. Bovendien heeft verweerder in het hier bestreden besluit overwogen dat eiser met zijn brief van 30 november 1998 kennelijk heeft beoogd alsnog in aanmerking te komen voor aanvullende periodieke bijstand van 1 januari 1998 tot 1 december 1998. Verweerder heeft deze aanvraag echter afgewezen onder de overweging dat, gelet op de omstandigheid dat eiser over het jaar 1998 reeds via de Belastingdienst de nadelige gevolgen van de per 1 januari 1998 ingevoerde belastingmaatregel ongedaan heeft kunnen maken, verweerder het niet juist acht dat alsnog over het jaar 1998 aanvullende bijstand wordt verleend.

De rechtbank concludeert dan ook dat eiser wel een aanvraag om aanvullende bijstand heeft gedaan over de periode januari tot december 1998, op welke aanvraag verweerder ook beslist heeft. Nu het hier echter een primair besluit betreft, dient, vooraleer deze zaak aan de rechtbank ter beoordeling kan worden voorgelegd, hiertegen eerst bezwaar te worden gemaakt. De rechtbank kan eiser in het namens hem ingestelde beroep tegen de afwijzende beslissing ten aanzien van eisers aanvraag om een aanvulling op zijn IOAW-uitkering over het jaar 1998 dan ook niet ontvangen. Het bij de rechtbank ingediende beroepschrift dient op de voet van artikel 6:15 van de Awb te worden doorgezonden aan verweerder.

Op grond van al hetgeen hiervoor is overwogen ten aanzien van het beroep geregistreerd onder nummer SBR 99/1714 AWB oordeelt de rechtbank dat er aanleiding is om verweerder te veroordelen in de kosten die eiser in verband met de behandeling van het beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. Deze kosten zijn met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht begroot op ƒ 1.420,-- als kosten van verleende rechtsbijstand en op ƒ 5,-- als reiskosten.

Gelet op de reden van vernietiging van het thans bestreden besluit dient het verzoek om schadevergoeding in de vorm van renteschade te worden afgewezen.

Het beroep geregistreerd onder nummer SBR 00/1899 NABW

Bij dit besluit heeft verweerder zijn besluit van 27 juli 1999 tot het aan eiser verlenen van bijstand in de vorm van leenbijstand gehandhaafd.

Namens eiser is in beroep aangevoerd dat op grond van artikel 24a, aanhef en sub a, van de Algemene bijstandswet (Abw) leenbijstand kan worden verstrekt, indien redelijkerwijs kan worden aangenomen dat de belanghebbende op korte termijn over voldoende middelen zal beschikken om over de betreffende periode in de noodzakelijke kosten van het bestaan te voorzien. Eiser stelt in de eerste plaats dat er geen sprake is van een redelijk korte termijn. Eiser zal in het jaar 2000 aangifte moeten doen over het jaar 1999, hetgeen op zijn vroegst medio 2000 zal leiden tot teruggave. Een termijn van meer dan een jaar is geen korte termijn. Daarnaast meent eiser dat hoe dan ook een deel van de leenbijstand zal moeten worden omgezet in bijstand om niet, hetgeen betekent dat er sowieso geen sprake is van het redelijkerwijs beschikken over voldoende middelen van bestaan.
Voorts heeft eiser betoogd dat hij jaarlijks een belastingteruggave ontvangt in verband met een buitengewone lastenaftrek vanwege het onderhouden van familieleden in Marokko. Namens eiser is een kopie van de aangifte over 1999 met en zonder buitengewone lastenaftrek overgelegd. Zonder die lastenaftrek is er geen sprake van een teruggave, met aftrek bedraagt het terug te ontvangen bedrag ¶ 505,--.
Ter zitting is aan het vorenstaande namens eiser nog toegevoegd dat het verweerder niet aangaat of eiser belasting terugkrijgt of niet.

Blijkens het hier bestreden besluit stelt verweerder zich op het standpunt dat bijstand in de algemene bijstandskosten om niet wordt verstrekt, tenzij de Abw anders voorschrijft. In sommige gevallen is de gemeente verplicht en in andere gevallen heeft ze de vrijheid om bijstand in de vorm van een geldlening te verstrekken. In het onderhavige geval heeft verweerder ervoor gekozen bijstand in de vorm van een geldlening te verstrekken ter hoogte van het verschil tussen de bijstandsnorm en de werkelijke inkomsten op grond van de IOAW en WAO. Afhankelijk van de hoogte van de belastingteruggave dient de leenbijstand door eiser te worden terugbetaald of kan de leenbijstand voor een deel of volledig worden omgezet in bijstand om niet. Voorts verdient het verstrekken van bijstand in de vorm van een geldlening de voorkeur boven het verlenen van bijstand om niet, omdat dit fiscaal gezien voordeliger is voor eiser. Leenbijstand wordt fiscaal niet belast, in tegenstelling tot bijstand om niet.

In beroep is namens verweerder nog naar voren gebracht dat als uit de definitieve belastingaanslag blijkt dat eiser aan netto inkomsten in 1999 meer heeft ontvangen dan de hem toekomende netto bijstandsnorm dat meerdere dan met de verstrekte leenbijstand zal worden verrekend. Als eiser als gevolg van buitengewone lasten met zijn netto inkomen onder de voor hem geldende bijstandsnorm geraakt, zal aan de hand van de definitieve belastingaanslag worden bezien of met de opgevoerde lasten wel of geen rekening moet worden gehouden. Verweerder meent dat het niet zo kan en mag zijn dat de gemeenschap in de vorm van bijstandsverlening opdraait voor buitengewone lasten die in het kader van bijstandsverlening niet noodzakelijk zijn.

Ter zitting heeft verweerder nog aangevoerd dat hij heeft aangenomen dat er sprake is van het ingevolge artikel 24 van de Abw ‘redelijkerwijs kunnen aannemen dat de belanghebbende op korte termijn over voldoende middelen zal beschikken’ vanwege de vooronderstelling dat, hoewel hij bijna elke maand minder dan de bijstandsnorm ontvangt, eiser op jaarbasis qua netto inkomsten wel minimaal op het sociaal minimum zit. Dit zou te maken hebben met het feit dat eiser jaarlijks in de maand mei zijn vakantiegeld op grond van de WAO krijgt uitbetaald, hetgeen een hoger percentage betreft dan het vakantiegeld ingevolge de IOAW.
Ten slotte is ter zitting door verweerder nog aangevoerd en middels een berekening toegelicht dat eisers netto inkomen over het jaar 1999, ook als geen rekening wordt gehouden met zijn buitengewone lasten, hoger ligt dan waar hij ingevolge de Abw recht op zou hebben.

De rechtbank overweegt als volgt.

Ingevolge artikel 7, eerste lid van de Abw, heeft iedere Nederlander, die hier te lande in zodanige omstandigheden verkeert of dreigt te geraken dat hij niet over de middelen beschikt om in de noodzakelijke kosten van het bestaan te voorzien, recht op bijstand van overheidswege. Het tweede lid van dit artikel stelt gelijk met de Nederlander, bedoeld in het eerste lid, de hier te lande verblijvende vreemdeling die rechtmatig in Nederland verblijf houdt in de zin van artikel 1b, aanhef, en onder 1, van de Vreemdelingenwet.

Artikel 13, tweede lid, van de Abw bepaalt dat burgemeester en wethouders ten aanzien van de personen die een gezin vormen de bijstand en de daaraan verbonden verplichtingen afstemmen op de omstandigheden, mogelijkheden en middelen van het gezin.

Op grond van artikel 19 van de Abw wordt bijstand verleend om niet, tenzij in deze wet anders is bepaald.

Ingevolge artikel 24 van de Abw kan bijstand (eveneens) worden verleend in de vorm van een geldlening of borgtocht indien - voor zover hier van belang - redelijkerwijs kan worden aangenomen dat de belanghebbende op korte termijn over voldoende middelen zal beschikken om over de betreffende periode in de noodzakelijke kosten van het bestaan te voorzien.

Zoals de rechtbank hiervoor reeds heeft overwogen, heeft er als gevolg van de invoering van de Wet Pemba met ingang van 1 januari 1998 een belangrijke verschuiving plaatsgevonden in de bruto-netto trajecten van inkomens, leidend tot lagere IOAW-grondslagen. Wanneer iemand naast zijn uitkering krachtens de IOAW nog andere inkomsten heeft, zoals in het geval van eiser, kan het gevolg zijn dat bij de bepaling van de in te houden loonheffing geen van beide inkomens groot genoeg is om het volledige belastingvrije bedrag daarop in mindering te brengen. Het resultaat kan dan zijn dat het maandelijkse netto inkomen lager is dan beoogd.

De norm van de IOAW is dezelfde als de bijstandsnorm krachtens de Abw. Door de Pemba-operatie kan de netto-uitkering ingevolge de IOAW echter een andere uitkomst geven dan de bijstandsnorm ingevolge Abw. Ook in het onderhavige geval is sprake van een maandelijkse netto uitkering die lager is dan de bijstandsnorm. Op jaarbasis evenwel liggen de netto inkomsten van eiser net boven het sociale minimum. Partijen kunnen niet exact aangeven waar dit door veroorzaakt wordt, maar men vermoedt dat dit te maken heeft met de vakantietoeslag (krachtens de WAO). Wat hiervan ook zij, tussen partijen is niet in geding dat eisers uitkeringen ingevolge de IOAW en de WAO tezamen op jaarbasis netto niet onder de bijstandsnorm liggen.
Partijen verschillen evenmin van mening over het feit dat eiser maandelijks meestal een netto uitkering ontvangt die onder de voor hem geldende bijstandsnorm ligt. Ter compensatie verleent verweerder eiser aanvullende bijstand in de vorm van leenbijstand tot de voor eiser geldende bijstandsnorm.
Aangezien eisers maandelijkse tekorten ten opzichte van de bijstandsnorm blijkbaar worden gecompenseerd door de vakantietoeslag die eiser ontvangt, ligt het naar het oordeel van de rechtbank in de rede de door verweerder te verlenen c.q. verleende leenbijstand te verrekenen met hetgeen eiser als gevolg van die vakantietoeslag boven de bijstandsnorm krijgt uitgekeerd. De rechtbank oordeelt evenwel dat de door verweerder gekozen oplossing om de leenbijstand jaarlijks te verrekenen na een eventuele belastingteruggave aan eiser - hoewel minder voor de hand liggend - ook een mogelijkheid is. Eiser wordt hierdoor immers, in vergelijking met het verrekenen met de jaarlijkse vakantietoeslag, niet tekort gedaan.
De rechtbank overweegt in dit verband nog dat verweerder heeft aangegeven dat de leenbijstand afhankelijk van de hoogte van de belastingteruggave (deels) dient te worden terugbetaald dan wel gedeeltelijk of volledig wordt omgezet in bijstand om niet. Door deze benadering kan het nimmer zo zijn dat eisers inkomsten op jaarbasis onder de voor hem geldende bijstandsnorm komen te liggen.
Ten overvloede merkt de rechtbank nog op dat bijstandsverlening niet, zoals namens eiser wordt betoogd, kan geschieden op de grond dat eisers inkomsten als gevolg van de invoering van de Wet Pemba lager uitvallen dan voorheen. Bijstand wordt verleend in die gevallen dat personen onder het sociale minimum (dreigen te) geraken, niet als sprake is van een terugval in inkomen.

Het vorengaande leidt ertoe dat in de namens eiser aangevoerde grieven geen grond is gelegen het bestreden besluit te vernietigen. Aangezien de rechtbank ook overigens niet is gebleken dat het bestreden besluit niet in stand zou kunnen blijven, dient het beroep ongegrond te worden verklaard.
Gelet hierop ziet de rechtbank geen aanleiding om verweerder in de proceskosten te veroordelen.

Er dient als volgt te worden beslist.


3. BESLISSING.

De arrondissementsrechtbank te Utrecht,

recht doende,

ten aanzien van het beroep geregistreerd onder nummer SBR 99/1714 ABW:

verklaart het beroep, voor zover dit ziet op het gedeelte van het bestreden besluit waarin verweerder zich uitspreekt over de vaststelling van de hoogte van de aan eiser toegekende uitkering ingevolge de IOAW, gegrond;

vernietigt dit gedeelte van het bestreden besluit;

verklaart eiser in zijn bezwaren tegen dit gedeelte van het bestreden besluit alsnog niet-ontvankelijk;

verklaart eiser in zijn beroep, voor zover dit betrekking heeft op eisers aanvraag om aanvullende bijstand, niet-ontvankelijk;

wijst het verzoek om schadevergoeding af;

bepaalt dat verweerder het door eiser betaalde griffierecht ad ƒ 60,-- aan hem vergoedt;

veroordeelt verweerder in de kosten van eiser in dit geding ten bedrage van ƒ 1.425,-, te betalen door de gemeente Utrecht;

ten aanzien van het beroep geregistreerd onder nummer SBR 00/1899 NABW:

verklaart het beroep ongegrond.


Aldus vastgesteld door mr. J. Barkel-van Berchum, lid van de enkelvoudige kamer, en in het openbaar uitgesproken op 28 februari 2001.

De griffier:          het lid van de enkelvoudige kamer:




G.J. van Ingen          J. Barkel-van Berchum
(bij afwezigheid van
de behandelend griffier
R.A. van Bruchem)


Afschrift verzonden op:

Tegen deze uitspraak staat, binnen zes weken na de dag van bekendmaking hiervan, voor belanghebbenden hoger beroep open bij de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.

 

 

 

 

 

 

 

 
LJN: AB2483, Centrale Raad van Beroep , 00/2768 NABW
Datum uitspraak: 29-05-2001
Datum publicatie: 02-08-2001
Rechtsgebied: Bijstandszaken
Soort procedure: Hoger beroep
Uitspraak
00/2768 NABW


U I T S P R A A K


in het geding tussen:

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Hoorn, appellant,

en

[A.], wonende te [B.], gedaagde.


I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING

Appellant heeft op bij een aanvullend beroepschrift aangevoerde gronden hoger beroep ingesteld tegen een door de Arrondissementsrechtbank te Alkmaar op 11 april 2000 tussen partijen gewezen uitspraak, waarnaar hierbij wordt verwezen.

Als gemachtigde van gedaagde heeft J.A. Klaver, verbonden aan het Werkkollektief Hoorn, een verweerschrift ingediend.

Het geding is, gevoegd met de gedingen, geregistreerd onder de nummers 00/2769 NABW, 00/2770 NABW en 00/2771 NABW, behandeld ter zitting van 17 april 2001, waar appellant zich heeft doen vertegenwoordigen door mr. ing. F.A.J. Groenendijk, werkzaam bij de gemeente Hoorn, terwijl gedaagde is verschenen bij zijn gemachtigde J.A. Klaver voornoemd. Na de behandeling ter zitting zijn de zaken weer gesplitst en wordt in de onderwerpelijke zaak afzonderlijk uitspraak gedaan.


II. MOTIVERING

De Raad gaat voor zijn oordeelsvorming uit van de volgende feiten en omstandigheden.

Gedaagde was ten tijde van belang als oproepkracht werkzaam bij [X.] B.V. te [Y.]. Hij was bij die werkgeefster ingedeeld in belastingtariefgroep 0.

Appellant heeft gedaagde met ingang van 4 maart 1998 een uitkering toegekend inge-volge de Algemene bijstandswet (Abw), berekend naar de norm voor gehuwden.

Bij besluit van 31 maart 1999 heeft appellant aan gedaagde de verplichting opgelegd om de tariefgroepindeling door zijn werkgeefster uiterlijk op 31 maart 1999 te doen wijzigen in tariefgroep 2 en bepaald dat vanaf 1 april 1999 bij de verrekening van zijn inkomsten uit arbeid ervan wordt uitgegaan dat hij in de juiste tariefgroep is ingedeeld.

Bij zijn besluit van 22 juni 1999 heeft appellant het bezwaar van gedaagde tegen de hier-voor genoemde onderdelen van het primaire besluit als ongegrond afgewezen.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank, onder bepalingen omtrent griffierecht en proceskosten, het beroep van - thans - gedaagde tegen het besluit van 22 juni 1999 gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en bepaald dat - thans - appellant opnieuw op het ingediende bezwaarschrift beslist met inachtneming van het in die uitspraak overwogene. De rechtbank was van oordeel dat in de Abw geen bepaling is aan te wijzen die appellant de bevoegdheid toekent om een bijstandsgerechtigde te verplichten zich in een bepaalde belastingtariefgroep te laten indelen. Op grond daarvan is, aldus de rechtbank, de onderwerpelijke, bij het besluit van 31 maart 1999 aan gedaagde opgelegde verplichting om zich bij zijn werkgeefster in belastingtariefgroep 2 te doen indelen niet gebaseerd op een aan appellant toegekende publiekrechtelijke bevoegdheid. Aldus kan dat besluit in zoverre niet worden aangemerkt als een besluit in de zin van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) omdat niet gesproken kan worden van een publiekrechtelijke rechtshandeling als bedoeld in artikel 1:3, eerste lid, van de Awb. Het bezwaar van gedaagde tegen dit onderdeel van het besluit van 31 maart 1999 had dan ook naar het oordeel van de rechtbank niet-ontvankelijk moeten worden verklaard. Omdat appellant dit niet had gedaan, komt het op bezwaar genomen besluit van appellant van 22 juni 1999 volgens de rechtbank in zoverre voor vernietiging in aanmerking. De rechtbank heeft voorts de vraag of appellant het recht heeft om, indien gedaagde niet voldoet aan de hem opgelegde verplichting, de uitkering uit te betalen alsof hij daaraan had voldaan, ontkennend beantwoord. Naar het oordeel van de rechtbank kan niet worden gesproken van middelen waarover gedaagde redelijkerwijs kan beschikken.

Appellant heeft zich in hoger beroep tegen het hiervoor omschreven oordeel van de rechtbank gekeerd. Appellant is van opvatting dat artikel 106 van de Abw hem de bevoegdheid toekent om een bijstandsgerechtigde, die ook loon uit een dienstbetrekking ontvangt, te verplichten om zich bij zijn of haar werkgever in de voor de bijstands-verlening gunstigste tariefgroep te doen indelen en dat bij de berekening van de aanvullende bijstand ervan uit gegaan moet worden dat die indeling ook heeft plaatsgevonden.

De Raad heeft het volgende overwogen.

Ingevolge artikel 106 van de Abw kunnen burgemeester en wethouders aan de bijstand onder andere verplichtingen verbinden die strekken tot zijn vermindering of beŽindiging.

De Raad is, anders dan de rechtbank, van oordeel dat appellant op grond van deze bepaling in beginsel bevoegd is om aan de bijstandsverlening aan gedaagde de voorwaarde te verbinden dat gedaagde zich bij zijn werkgeefster in een andere belastingtariefgroep doet indelen, nu deze voorwaarde tot vermindering van het door appellant te betalen bedrag aan bijstand leidt. Dat appellant zich aldus op het terrein van de fiscus begeeft, maakt dit naar het oordeel van de Raad niet anders.

Ten aanzien van de vervolgens aan de orde komende vraag of appellant niet in redelijkheid tot het besluit is kunnen komen om gedaagde de onderwerpelijke voorwaarde op te leggen, dan wel daarbij anderszins heeft gehandeld in strijd met een geschreven of ongeschreven rechtsregel of algemeen rechtsbeginsel, is de Raad tot het volgende gekomen.

Artikel 26, eerste lid aanhef en onder a, van de Abw bepaalt dat de alleenstaande of het gezin recht op algemene bijstand heeft indien het in aanmerking te nemen inkomen lager is dan de bijstandsnorm, bedoeld in paragraaf 2 en 3. Het tweede lid van deze bepaling houdt in dat de hoogte van de algemene bijstand het verschil is tussen het inkomen en de bijstandsnorm, bedoeld in paragraaf 2 en 3. Het vierde lid van dit artikel bepaalt, ten slotte, dat de algemene bijstand wordt verhoogd met de loonbelasting en premies volksverzekeringen waarvoor de gemeente die de bijstand verleent, krachtens de Wet op de loonbelasting 1964 inhoudingsplichtige is, alsmede met de over die bijstand verschuldigde ziekenfondspremie.

Met het oog op de zo-even aangehaalde bepaling is een aantal circulaires en brieven van de Staatssecretaris van FinanciŽn van belang, waaronder de Circulaire van 2 september 1997, nr. DB97/1429, V-N 1997, blz. 3251, welke aan partijen bekend is. Uit die circulaire blijkt dat er knelpunten in de belastingheffing over bijstandsuitkeringen kunnen optreden indien er sprake is van samenloop van bijstand en loon uit dienstbetrekking in combinatie met aftrekposten. Dienaangaande is het volgende vermeld:
"  Zowel bij de inhouding op de bijstandsuitkering als bij de inhouding op het loon mag rekening worden gehouden met (een deel van) de belastingvrije som.
Zoals hiervoor is beschreven leidt dit op zich niet tot een verplichte aanslag inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen. Als er echter om een andere reden toch een aanslag wordt opgelegd, treden inhaaleffecten op; over de teveel genoten belastingvrije som wordt dan alsnog belasting berekend. Als gevolg daarvan zal een aftrekpost niet of slechts gedeeltelijk tot een teruggaaf leiden. Om dat te voorkomen kan de bijstandsgerechtigde ingeval hij aftrekposten voorziet, bij zijn werkgever om indeling in tariefgroep 1 verzoeken.".
Hieraan voegt de Raad toe dat voor 1998 een zelfde regeling geldt, waarbij het gaat om indeling in tariefgroep 0.

De Raad constateert op grond van de aangehaalde passages dat de fiscus accepteert en zelfs als uitgangspunt neemt dat een bijstandsgerechtigde die tevens loon uit dienst-betrekking ontvangt, zich bij zijn werkgever niet in tariefgroep 0 doet indelen. Maar de fiscus acht het eveneens aanvaardbaar indien een bijstandsgerechtigde, die daarnaast loon uit dienstbetrekking ontvangt, zich bij zijn werkgever wel in tariefgroep 0 doet indelen, zulks met het oog op mogelijke aftrekposten.

Onder die omstandigheden is de Raad van oordeel, mede in het licht van artikel 43, tweede lid aanhef en onder d, van de Abw, dat appellant niet in redelijkheid van gedaagde, die zich met het oog op mogelijke aftrekposten bij zijn werkgeefster in belastingtariefgroep 0 heeft doen indelen, kan vergen dat hij zich bij zijn werkgeefster in tariefgroep 2 doet indelen. De omstandigheid dat een en ander tot gevolg heeft dat gedaagde van zijn werkgeefster een lager netto loon ontvangt en appellant mitsdien een hoger bedrag aan aanvullende bijstand moet betalen, heeft de Raad niet tot een ander oordeel kunnen brengen.

In het voorgaande ligt tevens besloten dat appellant ten onrechte bij de berekening van de hoogte van de aanvullende bijstand is uitgegaan van een indeling in tariefgroep 2.

Op grond van het vorenoverwogene is de Raad tot de slotsom gekomen dat de aangevallen uitspraak, met verbetering van de gronden, voor bevestiging in aanmerking komt.

De Raad acht, ten slotte, termen aanwezig om appellant op grond van artikel 8:75 van de Awb te veroordelen in de proceskosten van gedaagde die, omdat sprake is van samenhangende zaken als bedoeld in de bijlage bij het Besluit proceskosten bestuursrecht, worden begroot op f 2.130,-- voor verleende rechtsbijstand.



III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak;
Bepaalt dat appellant met inachtneming van het in deze -’s Raads- uitspraak overwogene een nieuw besluit neemt op het bezwaarschrift van gedaagde;
Veroordeelt appellant in de proceskosten van gedaagde in hoger beroep tot een bedrag groot f 2.130,--;
Bepaalt dat van de gemeente Hoorn een griffierecht van f 675,-- wordt geheven.

Aldus gegeven door mr. J.G. Treffers als voorzitter en mr. J.M.A. van der Kolk-Severijns en mr. drs. N.J. van Vulpen-Grootjans als leden, in tegenwoordigheid van
mr. A.W.E. de Rooij als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 29 mei 2001.



            (get.) J.G. Treffers.



            (get.) A.W.E. de Rooij.



GdJ
315

 

 

 

 

 

 

 
LJN: AB2485, Centrale Raad van Beroep , 99/1460 NABW
Datum uitspraak: 24-04-2001
Datum publicatie: 02-08-2001
Rechtsgebied: Bijstandszaken
Soort procedure: Hoger beroep
Uitspraak
99/1460 NABW


U I T S P R A A K


in het geding tussen:

[A.], wonende te [B.], appellant,

en

de Commissie Bezwaren S.W. van de gemeente Gemert-Bakel, gedaagde.


I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING

Appellant heeft op bij beroepschrift aangevoerde gronden hoger beroep ingesteld tegen een door de Arrondissementsrechtbank te ’'s-Hertogenbosch op 23 februari 1999 tussen partijen gewezen uitspraak, waarnaar hierbij wordt verwezen.

Nadien heeft appellant zich diverse malen met brieven tot de Raad gewend en nog stukken aan de Raad doen toekomen.

Gedaagde heeft zich bij schrijven van 1 februari 2000 tot de Raad gewend.

Het geding is behandeld ter zitting van 13 maart 2001, waar appellant niet is verschenen en gedaagde zich heeft doen vertegenwoordigen door A.W. van Zutphen.


II. MOTIVERING

Bij besluit van 20 november 1996 is de uitkering welke appellant ontving ingevolge de Rijksgroepsregeling werkloze werknemers (RWW), berekend naar de norm voor een alleenstaande, na herbeoordeling met ingang van 1 december 1996 omgezet in een uitkering ingevolge de Algemene bijstandswet (Abw). Daarbij is appellant op grond van indeling in de zogenoemde fase 4 (D-categorie) met toepassing van artikel 107 van de Abw ontheven van de verplichtingen neergelegd in in het bijzonder artikel 113 van de Abw om redenen van medische, sociale of andere aard.

Na door appellant tegen deze ontheffing gemaakt bezwaar is het besluit van 20 november 1996 bij besluit van 21 april 1997 gehandhaafd.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen het besluit van 21 april 1997 gegrond verklaard, het bestreden besluit vernietigd en met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) zelf in de zaak voorzien en het bezwaar alsnog niet-ontvankelijk verklaard. Daarbij heeft de rechtbank overwogen dat de indeling van appellant in fase 4 (D-categorie) een handeling van feitelijke aard is en geen rechtshandeling in de zin van artikel 1:3 van de Awb, zodat daartegen geen rechtsmiddelen openstaan. Gedaagde had het bezwaar van appellant dan ook niet-ontvankelijk dienen te verklaren. Tevens heeft de rechtbank geoordeeld dat, wanneer het bezwaar van appellant geacht zou moeten worden te zijn gericht tegen de gebruikmaking door gedaagde van de in artikel 107, eerste lid, van de Abw neergelegde bevoegdheid om de verplichting gericht op de arbeidsinschakeling niet op te leggen, ook dat bezwaar niet-ontvankelijk zou moeten worden verklaard omdat - aldus de rechtbank - niet valt in te zien welk rechtens te beschermen belang appellant bij zodanig bezwaar zou kunnen hebben.

Appellant heeft zich in hoger beroep tegen die oordeelsvorming gekeerd. Hij heeft - voorzover de Raad het uit de diverse schrifturen van appellant begrijpt - zijn al in de bezwaarschriftprocedure geŽtaleerde standpunt dat hij wel een plaats op de arbeidsmarkt behoort te hebben, gehandhaafd.

Dienaangaande overweegt de Raad als volgt.

Allereerst is de Raad van oordeel dat een indeling in fase 4, categorie D, geen handeling van feitelijke aard betreft, nu daaraan het standpunt ten grondslag ligt dat appellant niet bemiddelbaar is naar arbeid, zodat van de kant van gedaagde geen pogingen worden ondernomen om hem aan te zetten tot het ontplooien van activiteiten op de arbeidsmarkt.
Aldus is bedoelde indeling op rechtsgevolg gericht. Voorts berust het verlenen van ontheffing als vorenbedoeld op de bevoegdheid van burgemeester en wethouders, neergelegd in artikel 107 van de Abw. Het besluit om van deze wettelijke bevoegdheid gebruik te maken is evenzeer op rechtsgevolg gericht en bij dat besluit is het belang van appellant terdege rechtstreeks betrokken, in welk verband de al dan niet gegrondheid van de geuite bezwaren niet ter zake doet.

Dit brengt mee dat sprake is van een besluit in de zin van artikel 1:3 van de Awb waartegen voor appellant het middel van bezwaar openstaat. De Raad is dan ook van oordeel dat de rechtbank ten onrechte tot een niet-ontvankelijkheid van het bezwaarschrift is gekomen.

Wel onderschrijft de Raad het oordeel van de rechtbank dat het bestreden besluit op bezwaar onbevoegdelijk door de commissie Bezwaren S.W. in plaats van door het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Gemert-Bakel is genomen en derhalve voor vernietiging in aanmerking komt. Nu het College van burgemeester en wethouders in beroep schriftelijk te kennen heeft gegeven het besluit van 21 april 1997 van de Commissie Bezwaren S.W. te bekrachtigen, staat de Raad, gezien naar artikel 8:72, derde lid, van de Awb, voor de vraag of het besluit van gedaagde op grond van artikel 107 van de Abw op onjuiste gronden is genomen.

De Raad beantwoordt deze vraag ontkennend. Gelet op de beschikbare gegevens, waarvan met name het medische advies van de GGD Helmond van 24 mei 1995, acht de Raad het besluit van gedaagde om appellant met toepassing van artikel 107 van de Abw ontheffing van de in artikel 113 van de Abw neergelegde verplichtingen te verlenen op goede gronden te berusten. De Raad is dan ook tot de conclusie gekomen dat de rechtsgevolgen van het bestreden besluit op bezwaar in stand kunnen worden gelaten.

De Raad die, ten slotte, geen termen aanwezig acht om toepassing te geven aan het bepaalde in artikel 8:75 van de Awb, beslist als volgt.


III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak voor zover het inleidend beroep gegrond is verklaard en het bestreden besluit is vernietigd;
Vernietigt de aangevallen uitspraak voor het overige, behoudens voor zover daarbij de gemeente Gemert-Bakel is gelast aan appellant het door hem gestorte griffierecht te vergoeden;
Bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde bestreden besluit in stand blijven;
Gelast de gemeente Gemert-Bakel aan appellant het in hoger beroep gestorte griffierecht ad f 170,-- te vergoeden.


Aldus gewezen door mr. J.G. Treffers als voorzitter en mr. Ch. de Vrey en mr. J.M.A. van der Kolk-Severijns als leden, in tegenwoordigheid van I.J.M. Peereboom-Nieuwenburg als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 24 april 2001.

          (get.) J.G. Treffers.

          (get.) I.J.M. Peereboom-Nieuwenburg.

JdB
2004

 

 

 

 

 
LJN: AB3075, Rechtbank Zutphen , 01/150 NABW
Datum uitspraak: 31-07-2001
Datum publicatie: 03-08-2001
Rechtsgebied: Bijstandszaken
Soort procedure: Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie: Nu voor eiseres op 1 december 1996 de (nieuwe) Abw van toepassing is, dient deze datum te gelden als de aanvang van de bijstandsverlening als bedoeld in art. 52.1.c Abw. Eiseres ontvangt sedert 1983 een bijstandsuitkering. Begin 2000 heeft zij een erfenis ontvangen ad fl. 5.125,-. Verweerder heeft dientengevolge een bedrag van fl. 2.174,75 teruggevorderd wegens overschrijding van de vermogensgrens. Bij de berekening van het teruggevorderde bedrag is verweerder uitgegaan van het vermogen van eiseres op 1 januari 1983, dat toen f 6.899,75 bedroeg, als het bij de aanvang van de bijstandsverlening aanwezige vermogen. De rechtbank overweegt dat bij besluit van 23 december 1996 verweerder heeft bepaald dat de (nieuwe) Abw met ingang van 1 december 1996 jegens eiseres van toepassing is. Derhalve is, gelet op art. 4.1 IAbw, de toepassing van de (oude) ABW jegens eiseres op 1 december 1996 geŽindigd. Op laatstgenoemde datum ontstond er voor eiseres een nieuw recht op algemene bijstand. De rechtbank ziet zich in deze opvatting gesteund door de MvT bij de IAbw, waarin het besluit dat de rechtsgevolgen specificeert waartoe toepassing van de (nieuwe) Abw leidt ten aanzien van degene die op het moment van de inwerkingtreding van de (nieuwe) Abw reeds recht op algemene bijstand had, een toekenningsbesluit wordt genoemd (Kamerstukken II 1991/92, 22 614, nr. 3, p. 6 en 18). In casu heeft dan ook datum van 1 december 1996 te gelden als de aanvang van de bijstandsverlening als bedoeld in art. 52.1.c Abw. Beroep gegrond. Het college van burgemeester en wethouders van Harderwijk, verweerder. mr. J.W.A. Fleuren
Uitspraak
ARRONDISSEMENTSRECHTBANK TE ZUTPHEN
Enkelvoudige kamer voor bestuursrechtelijke zaken


Reg.nr.: 01/150 NABW



  UITSPRAAK

in het geding tussen:

X, wonende te Y, eiseres,
en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Harderwijk, verweerder.

______________________________________________________________________


1. Aanduiding bestreden besluit

Besluit van verweerder van 28 december 2000.


2. Feiten

Eiseres ontvangt sinds 1 januari 1983 van verweerder een bijstandsuitkering.

Op 23 maart 1999 is de vader van eiseres overleden. Eiseres heeft dientengevolge begin 2000 een erfenis ontvangen ten bedrage van f 5.125,-.

In verband met deze erfenis heeft verweerder bij besluit van 9 augustus 2000 een bedrag van f 2.174,75 teruggevorderd van eiseres wegens overschrijding van de toepasselijke vermogensgrens, genoemd in artikel 54 van de Algemene bijstandswet (Abw).

Tegen dit besluit heeft eiseres bij brief van 6 september 2000 bezwaar gemaakt.

Bij het thans bestreden besluit heeft verweerder het bezwaar ongegrond verklaard.


3. Procesverloop

Eiseres heeft beroep ingesteld op de in het beroepschrift vermelde gronden. Verweerder heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken en een verweerschrift ingezonden.

Het geding is behandeld ter zitting van 15 mei 2001, waar eiseres zich heeft laten vertegenwoordigen door P. Stam en verweerder door mr. L. RŲst.


4. Motivering

In dit geding dient te worden beoordeeld of verweerder op goede gronden heeft besloten een bedrag van f 2.174,75 terug te vorderen van eiseres.



Uit het bepaalde in artikel 82, in verbinding met hoofdstuk IV, afdeling 3, van de Abw, voor zover hier van belang, volgt dat kosten van bijstand worden teruggevorderd van de belanghebbende voor zover hij naderhand met betrekking tot de periode waarover bijstand is verleend over in aanmerking te nemen vermogen beschikt of kan beschikken.

Artikel 52, eerste lid, aanhef en onder c, van de Abw bepaalt dat niet als vermogen in aanmerking wordt genomen: vermogen ontvangen tijdens de periode waarover beroep op bijstand wordt gedaan, tot het bedrag dat het bij de aanvang van de bij-standsverlening aanwezige vermogen minder bedroeg dan de toepasselijke vermogensgrens, genoemd in artikel 54.

Bij de berekening van het teruggevorderde bedrag is verweerder uitgegaan van het vermogen van eiseres op 1 januari 1983, dat toen f 6.899,75 bedroeg, als het bij de aanvang van de bijstandsverlening aanwezige vermogen.

Eiseres heeft zich daarentegen op het standpunt gesteld dat, gelet op de invoering van de (nieuwe) Abw in 1996, had moeten worden uitgegaan van haar vermogen in dat jaar. Zij heeft daarbij aangevoerd dat verweerder vanwege de geringe omvang van haar vermogen in 1996 in de erfenis geen aanleiding kon vinden om kosten van bijstand terug te vorderen.

De rechtbank overweegt als volgt.

Bij besluit van 23 december 1996 heeft verweerder bepaald dat de (nieuwe) Abw met ingang van 1 december 1996 jegens eiseres van toepassing is. Derhalve is, gelet op artikel 4, eerste lid, van de Invoeringswet herinichting Algemene Bijstandswet, de toepassing van de (oude) Algemene Bijstandswet jegens eiseres op 1 december 1996 geŽindigd. Op laatstgenoemde datum ontstond er voor eiseres een nieuw recht op algemene bijstand. De rechtbank ziet zich in deze opvatting gesteund door de memorie van toelichting bij de Invoeringswet herinrichting Algemene Bijstandswet, waarin het besluit dat de rechtsgevolgen specificeert waartoe toepassing van de (nieuwe) Abw leidt ten aanzien van degene die op het moment van de inwerkingtreding van de (nieuwe) Abw reeds recht op algemene bijstand had, een toekenningsbesluit wordt genoemd (Kamerstukken II 1991/92, 22 614, nr. 3, p. 6 en 18).

Ten aanzien van eiseres heeft dan ook naar het oordeel van de rechtbank de datum van
1 december 1996 te gelden als de aanvang van de bijstandsverlening als bedoeld in artikel 52, eerste lid, aanhef en onder c, van de Abw.

Verweerder heeft nog aangevoerd dat hij in het genoemde besluit van 23 december 1996 eveneens is uitgegaan van het vermogen bij de aanvang van de bijstand in 1983 en dat eiseres tegen dit besluit geen bezwaar heeft gemaakt. Voor zover verweerder hiermee heeft willen betogen dat zijn standpunt dat het bij de aanvang van de bijstandsverlening aanwezige vermogen als bedoeld in artikel 52, eerste lid, aanhef en onder c, van de Abw ten aanzien van eiseres f 6.899,75 bedroeg, rechtens onaantastbaar is geworden, overweegt de rechtbank het volgende.

De betrokken passage in het besluit, verzonden op 23 december 1996, luidt:
"Volgens de bepalingen in de Algemene bijstandswet geldt in uw situatie een maximale vermogensvrijlating van f 7.600,-.
Uw vermogen bij aanvang van bijstandsverlening bedroeg f 6.899,75.
Zonder dat verdere bijstandsverlening in gevaar komt, kunt u dus nog een vermogensvermeerdering realiseren ten bedrage van het verschil tussen bovengenoemde bedragen."



Deze passage bevat naar het oordeel van de rechtbank slechts een feitelijke mededeling, opgenomen ter informatie van de bijstandsgerechtigde. Ter zitting heeft verweerders gemachtigde deze zienswijze onderschreven. Het besluit behelst derhalve geen bindende vaststelling van het bedrag van het bij de aanvang van de bijstandsverlening aanwezige vermogen als bedoeld in artikel 52, eerste lid, aanhef en onder c, van de Abw.

Uit het voorgaande volgt dat verweerder bij de berekening van het bedrag van de terugvordering c.q. de bepaling van het bedrag waarmee de ten aanzien van eiseres toepasselijke vermogensgrens werd overschreden, is uitgegaan van een onjuist uitgangspunt met betrekking tot het bij de aanvang van de bijstandsverlening aanwezige vermogen. Het bestreden besluit komt voor ver-nietiging in aanmerking wegens strijd met artikel 52, eerste lid, aanhef en onder c, van de Abw.

De rechtbank merkt ten slotte op dat niet is gebleken van proceskosten aan de zijde van eiseres als bedoeld in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.


5. Beslissing

De rechtbank,

recht doende:

-verklaart het beroep gegrond;
-vernietigt het bestreden besluit;
-bepaalt dat verweerder een nieuw besluit neemt met in-achtne-ming van deze uitspraak;
-gelast verweerders gemeente aan eiseres het betaalde griffierecht van f 60,- te vergoeden.

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.

Aldus gegeven door mr. J.W.A. Fleuren en in het openbaar uitgesproken op 31 juli 2001 in tegenwoordigheid van de griffier.
Afschrift verzonden op:

 

 

 

 

 

 

 
LJN: AD7519, Rechtbank Assen , 01/289 ABW
Datum uitspraak: 07-12-2001
Datum publicatie: 20-12-2001
Rechtsgebied: Bijstandszaken
Soort procedure: Eerste aanleg - meervoudig
Uitspraak
Meervoudige kamer
voor
bestuursrechtelijke zaken


Kenmerk: 01/289 ABW

01/289 ABW
  U I T S P R A A K



In het geding tussen


[eiser], wonende te [woonplaats], eiser,

en

het College van Burgemeester en Wethouders der gemeente Emmen, verweerder.



Procesverloop

Bij brief van 20 maart 2001 is namens eiser beroep ingesteld tegen het besluit van verweerder van 8 februari 2001. Bij dit besluit is het bezwaarschrift van eiser gericht tegen het besluit van 15 november 2000, waarbij eisers verzoek om kwijtschelding van een op de Algemene Bijstandswet berustende schuld is afgewezen, ongegrond verklaard.

Verweerder heeft bij brief van 17 april 2001 de gedingstukken, alsmede een verweerschrift ingezonden.

Bij brief van 29 oktober 2001 is het standpunt van eiser nader onderbouwd.

Partijen hebben afschriften van de gedingstukken ontvangen.

Het beroep is behandeld ter zitting van de rechtbank op 13 november 2001, alwaar eiser in persoon is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde mr. M.R.P. Ossentjuk, werkzaam bij het Bureau voor Rechtshulp te Emmen. Verweerder heeft zich bij die gelegenheid doen vertegenwoordigen door zijn ambtenaar mr. P. Bethlehem.


Motivering

Feiten en omstandigheden

In verband met ten onrechte ontvangen bijstand over de periode oktober 1986 tot januari 1988 en de periode juni 1989 tot en met 1991 heeft verweerder een vordering op eiser ten bedrage van ƒ 27.021,94. Deze bedragen zijn door rechterlijke tussenkomst (een beschikking van de kantonrechter van 23 oktober 1991 en een appelbeschikking van de rechtbank van 30 augustus 1995) vastgesteld.

Eiser heeft herhaaldelijk verzocht om kwijtschelding van deze schuld. Verweerder heeft deze verzoeken steeds afgewezen.

Bij brief van 20 september 2000 is namens eiser opnieuw verzocht om kwijtschelding van de vordering die verweerder op eiser heeft. Daarbij is aangegeven dat sprake is van een nieuw feit, aangezien thans de vijfjaarstermijn van artikel 78c van de Algemene bijstandswet (Abw) is verstreken.

Bij besluit van 15 november 2000 heeft verweerder aangegeven dat er geen aanleiding is de vordering kwijt te schelden, aangezien niet zonder meer duidelijk is dat hij in de toekomst geen mogelijkheden voor aflossing heeft. Verweerder heeft verder aangegeven bereid te zijn tot afkoop van de vordering met 50% tegen finale kwijting voor het restant.

Tegen dit besluit is namens eiser op 22 december 2000 bezwaar gemaakt. Op 15 januari 2001 is eiser in de gelegenheid gesteld zijn bezwaren mondeling toe te lichten. Van deze mogelijkheid heeft zijn gemachtigde namens hem gebruik gemaakt. Op 23 januari 2001 is namens eiser desgevraagd een Verklaring van Inkomen en Vermogen ingezonden.

Bij het bestreden besluit van 8 februari 2001 heeft verweerder het bezwaarschrift van eiser ongegrond verklaard. Verweerder heeft daarbij overwogen dat per individueel geval een afweging kan worden gemaakt omtrent de vraag of van terugvordering wordt afgezien. Verweerder meent dat terecht is besloten niet van terugvordering af te zien nu het aannemelijk is dat eiser op enig moment een inkomen gelijk aan de bijstandsnorm zal ontvangen. Verweerder heeft daarbij aangegeven dat eiser 60 jaar is en hij, als hij 65 jaar wordt, recht heeft op een uitkering ingevolge de AOW. Daarnaast heeft verweerder aangegeven dat eiser nog bijna niets heeft afgelost.


Standpunten partijen

Eiser stelt dat verweerder bij de beoordeling van de vraag of iemand in aanmerking komt voor kwijtschelding moet uitgaan van de uitgangspunten van de Wijzigingswet Faillissementswet in verband met de sanering van schulden van natuurlijke personen (WSNP). Daarmee verhoudt zich volgens eiser niet dat gekeken wordt of er kans is dat er in de toekomst wel een terugbetalingsmogelijkheid bestaat. Eiser wijst er op dat de vordering dateert van meer dan tien jaar geleden en dat eiser in die tien jaar nooit een deel van de vordering heeft afgelost en het inkomen van eiser ook niet zodanig is geweest dat de gemeente beslag kon laten leggen. Eiser vraagt zich af waarop verweerder het oordeel baseert omtrent zijn aflossingsmogelijkheden voor de toekomst. Verder stelt eiser dat het voorstel van de gemeente om tot kwijtschelding over te gaan indien 50% van de vordering betaald zou worden geen reŽel voorstel is nu eiser een netto-inkomen heeft van ƒ 1.700,- per maand en om die reden geen bedrag van ƒ 13.500,- bij elkaar kan krijgen. Eiser stelt verder dat verweerder voor wat betreft de toepassing van artikel 78c van de Abw een ad hoc beleid voert en dat het beleid dat wel is vastgelegd niet strookt met artikel 78c van de Abw. Eiser stelt voorts dat verweerder hem aanrekent dat hij geen aanvullende bijstand heeft gevraagd. Als hij een dergelijke aanvraag wel had ingediend, zou verweerder hierop beslag hebben gelegd. De vordering zou dan mogelijk boekhoudkundig zijn afgeboekt, maar feitelijk zou verweerder geen cent meer ontvangen dan nu het geval is.

Verweerder stelt dat artikel 78c van de Abw niet meebrengt dat een vordering moet worden kwijtgescholden indien aan de voorwaarden van dat artikel is voldaan. Uitgangspunt blijft dat iemand zoveel mogelijk van een schuld terug betaalt. Dat eiser een inkomen beneden de beslagvrije voet heeft is, zo stelt verweerder, zijn vrije keuze nu eiser geen uitkering ingevolge de Abw heeft aangevraagd. Mogelijk heeft eiser een vermogen dat hoger is dan het vrij te laten bescheiden vermogen en in dat geval wordt, aldus verweerder, een schuld niet kwijtgescholden. Verweerder stelt verder dat inmiddels wel een beleid is vastgesteld met betrekking tot het kwijtschelden van vorderingen en dat het aanbod dat aan eiser is gedaan gelet daarop erg soepel is. Verweerder geeft aan dat de onderhavige vordering het gevolg is van fraude door eiser en dat hij van die schuld slechts zeer weinig (ongeveer ƒ 1.800,-) heeft afgelost en dat er geen enkele reden is het nog openstaande bedrag van ruim ƒ 27.000,- kwijt te schelden.


Beoordeling

De rechtbank stelt vast dat de hier in geding zijnde schulden door de civiele rechter (kantonrechter respectievelijk rechtbank in hoger beroep) zijn vastgesteld. Dit werpt de vraag op of de rechtbank, als bestuursrechter, wel bevoegd is kennis te nemen van onderhavig geschil.

In dat verband overweegt de rechtbank het volgende.

Tot 1 juli 1997 was de civiele rechter (de kantonrechter in eerste aanleg) bij uitsluiting bevoegd terzake van besluiten tot terugvordering van ten onrechte verleende bijstand. Een en ander was vastgelegd in artikel 65 (oud) van de tot 1 januari 1996 geldende Algemene Bijstandswet (ABW) en artikel 88 van de op die datum in werking getreden Algemene bijstandswet (Abw).
Op 1 juli 1997 is ten aanzien van de Abw de Wet Boeten, maatregelen en terug- en invordering sociale zekerheid (hierna: Wet Boeten) in werking getreden, waarbij de exclusieve bevoegdheid van de civiele rechter ten aanzien van terugvorderings≠besluiten is vervallen.

In de Wet Boeten is het volgende overgangsrecht vastgesteld.

Ingevolge het bepaalde in artikel XVI, eerste lid, van de Wet Boeten wordt in de bevoegdheid van gemeenten tot -onder meer- terugvordering en verrekening van hetgeen voor die datum onverschuldigd is betaald, geen wijziging gebracht. Uit dit artikellid volgt dat terugvorderingsbesluiten die betrekking hebben op verleende bijstand over een periode die ligt voor 1 juli 1997 in materiŽle zin beoordeeld moeten worden aan de hand van het voor 1 juli 1997 vigerende recht (zie bijv. CRvB 27 juli 1999, JABW 1999/132).

In het tweede lid van artikel XVI van de Wet Boeten is onder meer bepaald dat ten aanzien van besluiten tot terugvordering of verrekening, die voor de datum van de inwerkingtreding van deze wet zijn bekendgemaakt, het oude recht blijft gelden. Dit artikellid ziet op de bepalingen die de procedure regelen (zie punt 2.3 van de conclusie van A-G Langemeijer bij HR 22 december 2000, NJ 2001, 58), zoals bepalingen omtrent welke rechter bevoegd is.

Artikel 78c van de Abw, dat over de bevoegdheid tot kwijtschelding handelt, is op 1 augustus 1998 zonder enig overgangsrecht in werking getreden.

Ten slotte is van belang dat sedert 1 januari 1994 ingevolge de Algemene wet bestuursrecht bezwaar (bij het bestuursorgaan) en beroep (bij de bestuursrechter) openstaat tegen besluiten in de zin van die wet, tenzij daar bij of krachtens wet een uitzondering op is gemaakt (zoals ten aanzien van terugvordering van ten onrechte verstrekte bijstand tot 1 juli 1997 in artikel 65 van de ABW respectievelijk artikel 88 van de Abw).

Een besluit omtrent kwijtschelding van een op een publiekrechtelijke regeling berustende vordering dient te worden aangemerkt als een besluit in de zin van artikel 1:3 van de Awb. Immers, kwijtschelding brengt een wijziging in de (publiekrechtelijke) rechtsverhouding tussen het bestuursorgaan en de betrokken burger met zich mee.

Ten aanzien van de in het onderhavige geval aan de orde zijnde beslissing omtrent kwijtschelding kan derhalve worden vastgesteld dat, ongeacht of daarop artikel 78c van de Abw van toepassing is, het een besluit in de zin van de Awb is.

In het onderhavige geval is de rechtbank derhalve als bestuursrechter bevoegd, tenzij uit enige wettelijke bepaling het tegendeel blijkt. In dit verband is cruciaal hoe de bepaling van artikel XVI, tweede lid, van de Wet Boeten moet worden uitgelegd.

Enerzijds zou kunnen worden geoordeeld dat met de woorden “ten aanzien van” in die bepaling wordt bedoeld “al hetgeen betrekking heeft op”, dat wil zeggen niet alleen het besluit tot terug- en eventueel invordering, maar ook alle besluiten die daarin een wijziging aanbrengen. In dat geval zou de civiele rechter, die bevoegd was te oordelen over het “primaire” terugvorderingsbesluit, ook ten aanzien van de vervolgbesluiten bevoegd zijn, ongeacht het tijdstip waarop die besluiten zijn genomen.

Anderzijds zou kunnen worden geoordeeld dat met de woorden “ten aanzien van” uitsluitend die besluiten zelf worden bedoeld en niet besluiten die op enigerlei wijze daarop voortbouwen.

De rechtbank is van oordeel dat de woorden “ten aanzien van” in artikel XVI, tweede lid, van de Wet Boeten op laatstgenoemde, restrictieve wijze, uitgelegd dienen te worden.
In het bestuursrecht geldt immers de op de Awb berustende hoofdregel dat ten aanzien van besluiten in de zin van die wet de bestuursrechter bevoegd is. Artikel XVI, tweede lid, van de Wet Boeten, betreft een uitzondering op die hoofdregel. Noch in die bepaling zelf, noch in geschiedenis van de totstandkoming van die bepaling zijn concrete aanwijzingen aan te treffen voor een ruime uitleg van die bepaling. Derhalve dient de hoofdregel te gelden nu artikel XVI, tweede lid, van de Wet Boeten daarop geen expliciete uitzondering maakt. Dit betekent dat onder de werkingssfeer van artikel XVI, tweede lid, van de Wet Boeten slechts die besluiten vallen, die vůůr de inwerkingtreding van de Wet Boeten zijn bekendgemaakt. Onder die werkingssfeer vallen niet besluiten, die weliswaar voortbouwen dan wel teruggrijpen op een vůůr de datum van inwerkingtreding van de Wet Boeten bekendgemaakt terugvorderings≠besluit, maar op of na de datum van inwerkingtreding van de Wet Boeten zijn bekendgemaakt.

Nu het primaire besluit bekend is gemaakt op 15 november 2000, is de rechtbank bevoegd kennis te nemen van het onderhavige geschil.

De rechtbank stelt vervolgens vast dat in het onderhavige geval ingevolge artikel XVI, eerste lid, van de Wet Boeten het “oude” materiele recht van toepassing. Artikel 78c van de Abw is echter eerst op 1 augustus 1998 in werking getreden. Derhalve rijst de vraag of de bepaling van artikel 78c als materieel recht kan worden aangemerkt. In het onderhavige geval kan het antwoord op deze vraag echter in het midden blijven, omdat verweerder, zoals ter zitting is gebleken, ook voor oude vorderingen als vaste gedragslijn toepassing geeft aan artikel 78c van de Abw.

Artikel 78c van de Abw bepaalt het volgende:
“1. In afwijking van artikel 78 kunnen burgemeester en wethouders besluiten van
terugvordering of van verdere terugvordering af te zien, indien de belanghebbende:
a. gedurende vijf jaar volledig aan zijn betalingsverplichtingen heeft voldaan;
b. gedurende vijf jaar niet volledig aan zijn betalingsverplichtingen heeft voldaan, maar het achterstallige bedrag over die periode, vermeerderd met de daarover verschuldigde wettelijke rente en de op de invordering betrekking hebbende kosten, alsnog heeft betaald;
c. gedurende vijf jaar geen betalingen heeft verricht en niet aannemelijk is dat hij deze op enig moment zal gaan verrichten; of
d. een bedrag, overeenkomend met ten minste 50% van de restsom in ťťn keer aflost.
2. De in het eerste lid, onder a en b, genoemde termijn is drie jaar indien:
a. het gemiddeld inkomen van de belanghebbende in die periode de beslagvrije voet bedoeld in de artikelen 475c en 475d van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering niet te boven is gegaan; en
b. de terugvordering niet het gevolg is van het niet of niet behoorlijk nakomen van de verplichting, bedoeld in artikel 65, eerste lid.
3. Het eerste lid is niet van toepassing ten aanzien van vorderingen welke door pand of hypotheek op een goed of goederen zijn gedekt, behoudens voorzover zij niet op die goederen verhaald kunnen worden.
4. Bij ministeriŽle regeling kunnen met betrekking tot dit artikel nadere regels worden gesteld.”

Verweerder heeft in het kader van deze regeling, ten aanzien van zogenoemde fraudeschulden, waarvan in het onderhavige geval sprake is, in een beleidsregel vastgelegd dat iemand in aanmerking komt voor kwijtschelding, wanneer hij 120 maanden volgens de afspraak heeft afgelost op een vordering. Bovendien kan, wanneer 60 maanden op een fraudeschuld is afgelost, het restant van het nog openstaande bedrag afgekocht worden door een bedrag ter hoogte van 50% van de restantschuld te betalen.

De rechtbank acht deze door verweerder gehanteerde beleidsregel niet onredelijk of anderszins strijdig met enig algemeen beginsel van behoorlijk bestuur en evenmin in strijd met de in artikel 87c van de Abw vastgelegde kwijtscheldingsregeling.

In het onderhavige geval staat vast dat eiser slechts een zeer gering bedrag heeft afgelost en niet gedurende 5 jaar achtereen aan zijn betalingsverplichtingen heeft voldaan. Voorts heeft verweerder terecht geconstateerd dat aangenomen mag worden dat eiser bij het bereiken van zijn 65-verjaardag (eiser is geboren op 23 maart 1940) wel aflossingscapaciteit heeft.

Verweerder heeft derhalve in overeenstemming met artikel 78c van de Abw en zijn beleidsregel het verzoek om kwijtschelding afgewezen.

Vervolgens dient nog de vraag beantwoord te worden of in het onderhavige geval sprake is geweest van zodanig zwaarwegende bijzondere omstandigheden, dat verweerder desondanks gehouden was om kwijtschelding te verlenen.
In dat verband is namens eiser aangevoerd dat hij jarenlang een inkomen onder het voor hem relevante sociaal minimum heeft genoten, maar niettemin heeft afgezien van het aanvragen van aanvullende bijstandsuitkering. Het voordeel dat verweerder daarvan heeft gehad, komt aldus eiser ongeveer overeen met het bedrag van de restschuld.
De rechtbank stelt in dit verband voorop dat eiser geen recht heeft gehad op aanvullende bijstand, omdat hij geen aanvullende bijstand heeft aangevraagd. Juridisch gezien kan er derhalve geen sprake zijn van “het tegen elkaar wegstrepen” van schulden. Voorts heeft verweerder zich terecht op het standpunt gesteld, dat bepaald niet vaststaat dat eiser recht had op aanvullende bijstand en dat thans eigenlijk niet meer goed is vast te stellen of, en zo ja in hoeverre, eiser recht zou hebben gehad op aanvullende bijstand indien hij dat tijdig zou hebben aangevraagd.

Om die reden kan niet geoordeeld worden dat er sprake is van zodanig zwaarwegende bijzondere omstandigheden, dat verweerder gehouden was om kwijtschelding te verlenen.

Ook hetgeen overigens namens eiser is aangevoerd, kan de rechtbank niet tot een ander oordeel leiden, zodat het beroep van eiser niet kan slagen.

De rechtbank acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten.



Beslissing


De rechtbank:

- verklaart het beroep ongegrond


Tegen deze uitspraak kunnen partijen, alsmede iedere andere belangheb≠bende, hoger beroep instellen bij de Centrale Raad van Beroep te Utrecht. Het hoger beroep dient ingesteld te worden door het indienen van een beroep≠schrift bij de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002 te 3500 DA Utrecht binnen zes weken onmiddellijk liggend na de dag van verzending van de uitspraak door de grif≠fier.


Aldus gegeven door mr. J.H. de Wildt, voorzitter, en mrs. A.T. de Kwaasteniet en G.H. Morsink, leden,
en uitgesproken in het openbaar op
door mr. J.H. de Wildt, in tegenwoordigheid van mr. L.M. Tobť, griffier.



mr. L.M. Tobť  mr. J.H. de Wildt


Afschrift verzonden op:

 

 

 

 

 

LJN: AE4494, Rechtbank Arnhem , AWB 01/205 NABW

 
LJN: AE4494, Rechtbank Arnhem , AWB 01/205 NABW
Datum uitspraak: 26-04-2002
Datum publicatie: 01-07-2002
Rechtsgebied: Bijstandszaken
Soort procedure: Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie: Verzoek om terug te komen op onaantastbaar geworden beslissing van de kantonrechter is niet aan te merken als nieuwe aanvraag als bedoeld in art. 4:6 Awb. Beschikking kantonrechter dat verweerder van eiser een bedrag van ƒ 25.381,77 kan terugvorderen. Eiser heeft hiertegen geen beroep ingesteld. Naar aanleiding van een verzoek van eiser om het bedrag te corrigeren heeft verweerder meegedeeld dat niet meer inhoudelijk op de kwestie zal worden ingegaan. De vraag die zich hier voordoet is of verweerder het verzoek van eiser, dat neerkomt op een verzoek om terug te komen op een in kracht van gewijsde gegane terugvorderingsbeschikking van de kantonrechter, had dienen aan te merken als een verzoek als bedoeld in art. 4:6 Awb. In casu is er geen sprake van een terugvorderingsbesluit van verweerder dat in bezwaar en/of beroep is gehandhaafd, maar van een rechtens onaantastbaar geworden beslissing van de kantonrechter. Zo er al sprake zou zijn van nieuwe feiten of omstandigheden, die, waren zij bekend geweest, tot een ander oordeel hadden kunnen leiden, ligt het naar het oordeel van de rechtbank niet op de weg van verweerder om het besluit van de kantonrechter ongedaan te maken. Voor dit oordeel vindt de rechtbank steun in de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 13 maart 2001, JABW 2001/78, LJN ZB921 De Raad heeft daar weliswaar overwogen dat het niet onmogelijk is dat een bestuursorgaan na 1 juli 1997 een besluit neemt omtrent terugvordering van kosten van bijstand over een tijdvak waarover ook reeds de kantonrechter bij een in kracht van gewijsde gegane terugvorderingsbeschikking heeft geoordeeld. Het betrof echter een besluit tot aanvullende terugvordering, dat geen wijziging bracht in de beschikking van de kantonrechter. Verweerder heeft de verzoeken van eiser terecht niet aangemerkt als een verzoek als bedoeld in art. 4:6 Awb. De reactie(s) van verweerder is een feitelijke mededeling, die niet kan worden aangemerkt als een publiekrechtelijke rechtshandeling, zodat er geen sprake is van een besluit als bedoeld in art. 1:3 Awb. Terecht kennelijk niet-ontvankelijk verklaard. Burgemeester en wethouders van Wijchen, verweerder. mr. J.N.A. Bootsma
Uitspraak
Rechtbank Arnhem
Sector bestuursrecht

Reg.nr.: AWB 01/205 NABW


UITSPRAAK

ingevolge artikel 8:77 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in het geding tussen:


A,
te B, eiser,

en

het College van Burgemeester en wethouders van de gemeente Wijchen, verweerder .


1. Aanduiding bestreden besluit

Besluit van verweerder van 13 december 2000, verzonden op 19 december 2000.


2. Feiten en procesverloop

Eiser ontving sedert 9 november 1992 een bijstandsuitkering.

Bij besluit van 28 augustus 1996 heeft verweerder van eiser een bedrag van ƒ 5.873,60 netto teruggevorderd. Tegen dit besluit heeft eiser bezwaar gemaakt.

Bij besluit van 20 januari 1997 heeft verweerder het van eiser terug te vorderen bedrag gewijzigd en nader vastgesteld op ¶ 25.381,77 bruto.

Bij besluit van 23 december 1997 heeft verweerder eisers bezwaar voor zover gericht tegen de terugvordering niet-ontvankelijk verklaard.

Naar aanleiding van een door verweerder op 2 augustus 1999 ingediend verzoekschrift heeft de kantonrechter bij beschikking van 19 mei 2000 vastgesteld dat verweerder van eiser de bruto bedragen van ¶ 20.849,96, ¶ 4.397,10 en ¶ 190,96 (tezamen voormeld bedrag van ¶ 25.381,77) kan terugvorderen.
Tegen deze beschikking heeft eiser geen beroep ingesteld.

Bij brief van 10 augustus 2000 heeft eiser verweerder verzocht om een nieuwe berekening van het teruggevorderde bedrag.

Bij brief van 15 augustus 2000 heeft verweerder eiser meegedeeld dat hij over de hoogte van de terugvordering, die door de kantonrechter is nagerekend en (inmiddels onherroepelijk) is vastgesteld, niet meer in discussie treedt.

Bij brief van 16 augustus 2000 heeft eiser verweerder verzocht om uitleg omtrent loonheffing bij een uitkering en loonheffing bij terugvordering.

Op 14 september 2000 heeft eiser aan verweerder een gecorrigeerde berekening van de terugvordering toegezonden, met het verzoek om een bevestiging van de juistheid daarvan.

In reactie hierop heeft verweerder bij schrijven van 15 september 2000 eiser nogmaals meegedeeld dat niet meer inhoudelijk op de kwestie zal worden ingegaan. Twijfels over de juistheid van de terugvordering had eiser in de procedure bij de kantonrechter kunnen indienen of in beroep tegen de beschikking van de kantonrechter kunnen aanvoeren.
Verweerder heeft dit standpunt, mede ten aanzien van de brutering van de vordering, herhaald bij brieven van 25 september 2000, 3 oktober 2000 en 1 november 2000.

Op 16 oktober 2000 heeft eiser bezwaar gemaakt tegen de weigering van verweerder om inhoudelijk in te gaan op zijn verzoek van 14 september 2000 en de weigering een berekening te geven van het verschil tussen de op de uitkering ingehouden en de teruggevorderde loonheffing.

Bij het thans bestreden besluit van 13 december 2000 heeft verweerder het bezwaar kennelijk niet-ontvankelijk verklaard.

Tegen dit besluit heeft X namens eiser op 24 januari 2001 beroep ingesteld.

Verweerder heeft op 19 februari 2001 een verweerschrift ingediend.

Het beroep is behandeld ter zitting van de rechtbank van 22 maart 2002. Eiser is aldaar vertegenwoordigd door zijn vader, X. Verweerder is, met bericht van verhindering, niet verschenen.


3. Overwegingen

In dit geding moet worden beoordeeld of het bestreden besluit, waarbij verweerder het bezwaarschrift van eiser kennelijk niet-ontvankelijk heeft verklaard, de rechterlijke toetsing kan doorstaan.

Aan het bestreden besluit ligt ten grondslag dat eisers bezwaar niet is gericht tegen een besluit als bedoeld in artikel 1:3 van de Awb, nu aan het algemene antwoord op eisers verzoek geen rechtsgevolg is verbonden.

Eisers beoogt met zijn beroep wijziging van het door de kantonrechter vastgestelde bedrag dat hij aan verweerder dient terug te betalen.

De rechtbank overweegt als volgt.

Ingevolge artikel 1:3, eerste lid, van de Awb wordt onder een besluit verstaan: een schriftelijke beslissing van een bestuursorgaan, inhoudende een publiekrechtelijke rechtshandeling.

Ingevolge de artikelen 7:1 en 8:1 van de Awb kan slechts tegen een besluit bezwaar en beroep worden ingesteld.

Ingevolge artikel 8:5 van de Awb is van bezwaar en beroep uitgezonderd een besluit genomen op grond van een wettelijk voorschrift dat is opgenomen in de bijlage die bij deze wet behoort.

Artikel 4:6 van de Awb schept de mogelijkheid om een bestuursorgaan te verzoeken terug te komen op een rechtens onaantastbaar geworden besluit. Een belanghebbende dient bij een dergelijk verzoek nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden te vermelden.
De beslissing op een dergelijk verzoek is een besluit als bedoeld in artikel 1:3 van de Awb.

De vraag die zich hier voordoet is of verweerder het verzoek van eiser, dat neerkomt op een verzoek om terug te komen op een in kracht van gewijsde gegane terugvorderingsbeschikking van de kantonrechter, had dienen aan te merken als een verzoek als bedoeld in artikel 4:6 van de Awb.

Verweerder heeft op 28 augustus 1996 en 20 januari 1997 weliswaar besloten tot terugvordering, maar het betrof besluiten waartegen destijds op grond van de bepalingen in de Algemene bijstandswet en de bijlage bij de Awb geen bezwaar en beroep mogelijk was. Een procedure tot terugvordering diende tot 1 juli 1997 door een verzoekschrift bij de kantonrechter aanhangig gemaakt te worden. Uit een besluit tot terugvordering als zodanig vloeide geen terugbetalingsverplichting voort en voor het stuiten van de verjaringstermijn was niet bepalend het terugvorderingsbesluit, maar de datum van indiening van een verzoekschrift bij de kantonrechter. De rechtbank verwijst in dit verband naar de uitspraak van de Hoge Raad van 22 december 2000, NJ 2001/58.

In casu is er geen sprake van een terugvorderingsbesluit van verweerder dat in bezwaar en/of beroep is gehandhaafd, maar van een rechtens onaantastbaar geworden beslissing van de kantonrechter. Zo er al sprake zou zijn van nieuwe feiten of omstandigheden, die, ware zij bekend geweest, tot een ander oordeel hadden kunnen leiden, ligt het naar het oordeel van de rechtbank niet op de weg van verweerder om het besluit van de kantonrechter ongedaan te maken.
Voor dit oordeel vindt de rechtbank steun in de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 13 maart 2001, JABW 2001/78. De Raad heeft daar weliswaar overwogen dat het niet onmogelijk is dat een bestuursorgaan na 1 juli 1997 een besluit neemt omtrent terugvordering van kosten van bijstand over een tijdvak waarover ook reeds de kantonrechter bij een in kracht van gewijsde gegane terugvorderingsbeschikking heeft geoordeeld. Het betrof echter een besluit tot aanvullende terugvordering, dat geen wijziging bracht in de beschikking van de kantonrechter.

De rechtbank overweegt voorts dat in de op 1 juli 1997, respectievelijk 1 augustus 1998 inwerkinggetreden artikelen 78a en 78c van de Algemene bijstandswet aan burgemeester en wethouders de bevoegdheid is gegeven om onder bepaalde omstandigheden van (verdere) terugvordering af te zien. Toewijzing van een dergelijk verzoek kan meebrengen dat een door de kantonrechter vastgestelde terugvordering feitelijk niet volledig wordt ingevorderd. De grondslag daarvan is echter niet gelegen in een wijziging van de hoogte de terugvordering, maar in de omstandigheden als genoemd in de betreffende artikelen. De thans in geding zijnde verzoeken van eiser kunnen niet worden gezien als een verzoek om toepassing van artikel 78a of artikel 78c van de Abw.

Het vorenstaande leidt de rechtbank tot de slotsom dat verweerder de verzoeken van eiser terecht niet heeft aangemerkt als een verzoek als bedoeld in artikel 4:6 van de Awb en dat de reactie(s) van verweerder een feitelijke mededeling is, die niet kan worden aangemerkt als een publiekrechtelijke rechtshandeling, zodat er geen sprake is van een besluit als bedoeld in artikel 1:3 van de Awb.
Verweerder heeft eisers bezwaar dan ook terecht kennelijk niet-ontvankelijk verklaard.

De rechtbank merkt ten slotte nog op dat het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering voor het herroepen van vonnissen eigen voorwaarden en een eigen procedure kent middels de mogelijkheid tot het indienen van een requeste civiel. In hoeverre een dergelijk verzoek in casu kans van slagen heeft staat niet ter beoordeling aan de sector bestuursrecht van de rechtbank.

De rechtbank acht geen termen aanwezig over te gaan tot een proceskostenveroordeling als bedoeld in artikel 8:75 van de Awb.

Het hiervoor overwogene leidt de rechtbank tot de volgende beslissing.


4. Beslissing

De rechtbank

verklaart het beroep ongegrond.


Aldus gegeven door mr. J.N.A. Bootsma, rechter, en in het openbaar uitgesproken op 26 april 2002, in tegenwoordigheid van mr. J.M.B. Moll van Charante als griffier.

De griffier,  De rechter,



Tegen deze uitspraak staat voor belanghebbenden, behoudens het bepaalde in artikel 6:24 juncto 6:13 van de Awb, binnen zes weken na de dag van verzending hiervan, hoger beroep open bij de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.

Verzonden op: 26 april 2002

 

 

 

 

 

LJN: AE6166, Centrale Raad van Beroep , 02/2118 NABW, 02/2156 NABW-VV

 
LJN: AE6166, Centrale Raad van Beroep , 02/2118 NABW, 02/2156 NABW-VV
Datum uitspraak: 25-06-2002
Datum publicatie: 06-08-2002
Rechtsgebied: Bijstandszaken
Soort procedure: Voorlopige voorziening+bodemzaak
Uitspraak

02/2118 NABW
02/2156 NABW-VV


U I T S P R A A K


van


DE VOORZIENINGENRECHTER VAN DE CENTRALE RAAD VAN BEROEP

in de hoofdzaak, als bedoeld in artikel 8:86 van de Algemene wet bestuursrecht, alsmede inzake het verzoek om toepassing van artikel 8:81 van die wet in samenhang met artikel 21 van de Beroepswet in het geding tussen:

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Maastricht, verzoeker,

en

[Gedaagde], wonende te [woonplaats], gedaagde.


I. INLEIDING

Verzoeker heeft op de in het beroepschrift van 2 april 2002 vervatte gronden hoger beroep ingesteld tegen de door de rechtbank Maastricht op 26 februari 2002 tussen partijen gewezen uitspraak, waarnaar hierbij wordt verwezen.
In dezelfde brief is verzocht om toepassing van het bepaalde in artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).

Namens gedaagde heeft mr. A.J.J. Kreutzkamp, advocaat te Valkenburg aan de Geul, een verweerschrift ingediend.

Verzoeker heeft desgevraagd nadere stukken ingezonden.

Het verzoek is behandeld ter zitting van 4 juni 2002, waar verzoeker zich heeft doen vertegenwoordigen door L.B.W. Heuts, werkzaam bij de gemeente Maastricht, terwijl voor gedaagde is verschenen mr. Kreutzkamp voornoemd.

II. MOTIVERING

Ingevolge het bepaalde in artikel 18 en artikel 21 van de Beroepswet in verbinding met artikel 8:81 van de Awb kan, indien tegen een uitspraak van de rechtbank of van de voorzieningenrechter van de rechtbank als omschreven in artikel 18 van de Beroepswet hoger beroep is ingesteld, de voorzieningenrechter van de Raad op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.
Het bepaalde in artikel 21 van de Beroepswet in verbinding met artikel 8:86 van de Awb houdt met betrekking tot het hoger beroep voorts in dat de voorzieningenrechter van de Raad, indien hij van oordeel is dat na de zitting nader onderzoek redelijkerwijs niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak, onmiddellijk uitspraak kan doen in de hoofdzaak.

De voorzieningenrechter is van oordeel dat na de behandeling van het verzoek ter zitting nader onderzoek redelijkerwijs niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak en acht termen aanwezig om in de hoofdzaak onmiddellijk uitspraak te doen.

De voorzieningenrechter gaat op grond van de gedingstukken en het verhandelde ter zitting uit van de volgende feiten en omstandigheden.

Aan gedaagde is bij besluiten van achtereenvolgens 4 maart 1996, 6 februari 1997, 15 juli 1997 en 20 februari 1998, voorzover hier van belang, telkens gedurende zes maanden bijstand ter voorziening in de kosten van levensonderhoud toegekend ingevolge het Besluit bijstandverlening zelfstandigen (Bbz). In deze besluiten is onder meer meegedeeld dat de bijstand verstrekt wordt onder toepassing van artikel 23 van de Abw en artikel 10 van het Bbz in de vorm van een lening en pas definitief wordt vastgesteld na ontvangst van de desbetreffende jaarstukken.

Bij besluit van 17 januari 2000 (lees: 2001) heeft verzoeker, voorzover hier van belang, de bijstand over de jaren 1997 en 1998 definitief vastgesteld. Daarbij zijn de in die jaren verstrekte leningen, die in totaal f 33.724,62 hebben bedragen, tot een bedrag van f 27.205,00 omgezet in een bedrag om niet en is gedaagde verzocht het resterende bedrag van f 6.519,62 binnen 30 dagen terug te betalen.

Bij besluit van 11 april 2001 heeft verzoeker de door gedaagde tegen het besluit van 17 januari 2001 ingediende bezwaren, welke gericht zijn tegen de vaststelling dat het hiervoor vermelde bedrag moet worden terugbetaald, niet-ontvankelijk verklaard. Daartoe heeft verzoeker overwogen dat het besluit tot terugvordering is aan te merken als een besluit ter voorbereiding op een privaatrechtelijke rechtshandeling als bedoeld in artikel 8:3 van de Awb.

De rechtbank heeft het beroep dat namens gedaagde tegen het besluit van 11 april 2001 is ingesteld gegrond verklaard, dit besluit vernietigd, verzoeker opgedragen een nieuw besluit te nemen op het bezwaarschrift van 23 februari 2001 en beslissingen gegeven inzake de vergoeding van griffierecht en proceskosten.

De rechtbank heeft hiertoe onder meer het volgende overwogen (waarbij verzoeker als verweerder en gedaagde als eiser is aangeduid):

"Ingevolge artikel 83, eerste lid van de Abw worden kosten van bijstand verleend in de vorm van geldlening ingevolge deze paragraaf van de belanghebbende teruggevorderd, indien hij de hieruit voortvloeiende verplichtingen niet of niet behoorlijk nakomt.

Nu de onderhavige geldlening, weliswaar bij publiekrechtelijk toekenningsbesluit, doch (mede) op grond van een privaatrechtelijke overeenkomst (leenovereenkomst) is verstrekt, ziet de rechtbank zich geplaatst voor de vraag of de beoordeling van de onderhavige terugvordering bestuursrechtelijk dan wel civielrechtelijk dient te geschieden.

Indien de bijstand in de vorm van een geldlening is verstrekt, doet zich naar het oordeel van de rechtbank een situatie voor waarop specifieke regels die betrekking hebben op een dergelijke lening, in casu de Algemene bijstandswet (Abw) en de Bbz, alsmede de eventueel in het toekenningsbesluit vermelde verplichtingen en de in de overeenkomst van geldlening opgenomen verplichtingen, bij voorrang op de algemene regels omtrent geldleningen, van toepassing moeten worden geacht.

De rechtbank stelt vast dat voor de terugvordering van leenbijstand een specifiek artikel in de terugvorderingsparagraaf van de Abw is opgenomen, te weten artikel 83 van de Abw. De rechtbank stelt voorts vast dat de gelden zijn verstrekt op grond van een daartoe strekkend toekenningsbesluit in de zin van artikel 1:3 van de Awb en tevens zijn teruggevorderd middels een besluit in de zin van artikel 1:3 van de Awb.
Op grond van het vorenstaande is de onderhavige terugvordering een bestuursrechtelijke aangelegenheid en was verweerder derhalve wel bevoegd om van de terugvordering van bijstand die is verstrekt in de vorm van een geldlening kennis te nemen. Verweerder dient dan ook alsnog inhoudelijk op het bezwaarschrift van eiser te beslissen.

Op grond van bovenstaande concludeert de rechtbank dat verweerder ten onrechte is overgegaan tot niet-ontvankelijkverklaring.
Dit betekent dat het beroep voor gegrond gehouden moet worden onder een gelijktijdige vernietiging van het bestreden besluit. Hetgeen verder is aangevoerd heeft de rechtbank niet tot een ander oordeel geleid.".

Verzoeker heeft het oordeel van de rechtbank in hoger beroep gemotiveerd bestreden.

De voorzieningenrechter overweegt het volgende.

Indien aan een zelfstandige bijstand wordt verstrekt in de kosten van levensonderhoud, heeft de bijstand gelet op het bepaalde in artikel 23, eerste en tweede lid, van de Abw voorlopig de vorm van een renteloze geldlening. Zodra het inkomen bekend is over het boekjaar waarin de in het eerste lid bedoelde bijstand is verleend, wordt de hoogte van deze bijstand definitief vastgesteld en vindt, voorzover de zelfstandige geen in aanmerking te nemen vermogen heeft, tot die hoogte omzetting plaats in een bedrag om niet.
Ingevolge artikel 10, eerste lid, van het Bbz nemen burgemeester en wethouders een nadere beslissing met betrekking tot de verleende bijstand, bedoeld in artikel 23, eerste lid, van de wet, nadat zij het netto-inkomen uit bedrijf of zelfstandig beroep definitief hebben vastgesteld aan de hand van de administratie.
Ingevolge artikel 10, tweede lid, aanhef en onder c, van het Bbz, wordt, indien de verleende bijstand, vermeerderd met het in het desbetreffende boekjaar behaalde netto-inkomen meer is dan de jaarnorm, de bijstand ter grootte van het verschil teruggevorderd en wordt de rest van de als geldlening verstrekte bijstand omgezet in een bedrag om niet. Uit de wetsgeschiedenis van deze bepaling blijkt dat, indien op jaarbasis te veel bijstand is verstrekt, de resterende lening dient te worden terugbetaald.

Het primaire besluit van 17 januari 2001 houdt in de definitieve vaststelling van het recht op bijstand als bedoeld in artikel 10 van het Bbz over 1997 en 1998, de omzetting van een deel van de in die jaren voorlopig verstrekte bijstand in de vorm van een geldlening in een uitkering om niet en - als uitvloeisel daarvan - de vaststelling dat het resterende deel, te weten een bedrag van f 6.519,62, binnen 30 dagen moet worden terugbetaald.

De voorzieningenrechter leidt uit het besluit op bezwaar af dat verzoeker met deze laatste vaststelling in feite een beslissing heeft genomen tot terugvordering van de aan gedaagde toegekende leenbijstand tot een bedrag van f 6.519,62. Naar vaste rechtspraak dient een beslissing van een bestuursorgaan tot eerder in het kader van zijn bestuursrechtelijke taken en bevoegdheden gedane financiŽle verstrekking te worden aangemerkt als een beslissing als bedoeld in artikel 1:3, eerste lid, van de Awb. Hierin ligt tevens besloten dat, anders dan verzoeker heeft aangenomen, geen sprake is van een besluit ter voorbereiding van een privaatrechtelijke rechtshandeling. Dat het besluit betrekking heeft op terugvordering van in de vorm van een geldlening verstrekte bijstand leidt niet tot een ander oordeel. In dit verband merkt de voorzieningenrechter nog op dat het arrest van de Hoge Raad van 26 maart 1999, nr. R 98/082 HR, onder meer gepubliceerd in JVB 1999/222, waarnaar verzoeker ter ondersteuning van zijn beroep heeft verwezen, slechts ziet op de vraag welke verjaringstermijn van toepassing is op de vordering tot terugbetaling van bij wijze van geldlening verstrekte bijstand voor bedrijfskapitaal.

Het voorgaande leidt de voorzieningenrechter evenals de rechtbank tot het oordeel dat verzoeker de bezwaren tegen het besluit van 17 januari 2001 ten onrechte niet-ontvankelijk heeft verklaard.
Het is nu aan verzoeker om alsnog inhoudelijk op de bezwaren van gedaagde te beslissen. Met het oog daarop overweegt de voorzieningenrechter nog het volgende.

Voor terugvordering van bijstand in de vorm van een geldlening is - behoudens bij wijze van geldlening verstrekte voorschotten als bedoeld in artikel 25 van de Abw - slechts plaats op basis van artikel 83, eerste lid, van de Abw. Deze bepaling verplicht de gemeente tot terugvordering van de belanghebbende van kosten van bijstand verleend in de vorm van een geldlening, indien hij de hieruit voortvloeiende verplichtingen niet of niet behoorlijk nakomt.

Hieruit volgt dat verzoeker in het kader van de heroverweging van het besluit van 17 januari 2001 eerst zal moeten vaststellen of gedaagde niet of in onvoldoende mate heeft voldaan aan de omtrent de terugbetaling van de geldlening vastgestelde verplichtingen. Is dat het geval, dan zal de vaststelling in het primaire besluit ter zake van de terugbetalingsverplichting met toepassing van artikel 83, eerste lid, van de Abw in stand kunnen worden gelaten, tenzij er sprake is van dringende redenen als bedoeld in artikel 78, derde lid, van de Abw.

Met inachtneming van het voorgaande komt de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking.

Gezien hetgeen hiervoor is overwogen is geen grond om enigerlei voorlopige voorziening te treffen en wordt het verzoek afgewezen.

Voor toepassing van artikel 8:75 van de Awb acht de voorzieningenrechter geen termen aanwezig.


III. BESLISSING

De voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak;
Wijst het verzoek om toepassing van artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht af.

Aldus gewezen door mr. drs. N.J. van Vulpen-Grootjans, in tegenwoordigheid van I.J.M. Peereboom-Nieuwenburg als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 25 juni 2002.

    (get.) N.J. van Vulpen-Grootjans.

    (get.) I.J.M. Peereboom-Nieuwenburg.

JvS
2106

 

 

 

LJN: AF0888, Centrale Raad van Beroep , 00/6339 NABW

 
LJN: AF0888, Centrale Raad van Beroep , 00/6339 NABW
Datum uitspraak: 03-09-2002
Datum publicatie: 20-11-2002
Rechtsgebied: Bijstandszaken
Soort procedure: Hoger beroep
Uitspraak
E N K E L V O U D I G E K A M E R

00/6339 NABW

U I T S P R A A K

in het geding tussen:

[appellant], wonende te [woonplaats], appellant,

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Vlissingen, gedaagde.

I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING

Appellant heeft op bij het beroepschrift aangegeven gronden hoger beroep ingesteld tegen een tussen partijen gewezen uitspraak van de rechtbank Middelburg van 1 november 2000, waarnaar hierbij wordt verwezen.

Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.

Het geding is behandeld ter zitting van 23 juli 2002, waar appellant niet is verschenen en gedaagde zich heeft doen vertegenwoordigen door H. Hofman, werkzaam bij de gemeente Vlissingen.

II. MOTIVERING

Bij besluit van 17 december 1999 heeft gedaagde appellant tot 1 juni 2000 ontheffing verleend van enkele van de verplichtingen, bedoeld in artikel 113, eerste lid, van de Algemene bijstandswet (Abw). Daarbij heeft gedaagde onder meer het volgende opgenomen:
"Voorwaarde (…) is dat u vanaf heden tot 1 februari 2000 verplicht bent om een huisarts te zoeken en u via de huisarts te laten doorverwijzen naar de professionele hulpverlening. Als op 1 februari 2000 blijkt dat u aan deze voorwaarde niet hebt voldaan dan kan dat consequenties hebben voor uw uitkering.".

Daartegen heeft appellant bezwaar gemaakt, welk bezwaar bij besluit van 23 maart 2000 niet-ontvankelijk is verklaard.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank - met een bepaling omtrent het griffierecht - het tegen het besluit van
23 maart 2000 ingestelde beroep ongegrond verklaard. Zij heeft daartoe overwogen dat het bezwaar niet is gericht tegen een besluit in de zin van artikel 1:3, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en daarom terecht niet-ontvankelijk is verklaard.

Appellant kan zich met de aangevallen uitspraak niet verenigen.

De Raad overweegt het volgende.

Gedaagde heeft aan de aan appellant verleende ontheffing, die berust op artikel 107, tweede lid, van de Abw, de hiervoor weergegeven verplichting verbonden.

In artikel 106 van de Abw is, voorzover hier van belang, bepaald dat burgemeester en wethouders aan de bijstand verplichtingen kunnen verbinden die strekken tot inschakeling in de arbeid dan wel tot vermindering of beŽindiging van de bijstand.

De Raad kan uit de gedingstukken niet anders afleiden dan dat gedaagde met het opleggen van de onderhavige verplichting heeft beoogd te bevorderen dat de medische situatie van appellant verbetert, zodat appellant uiteindelijk (weer) in de arbeid kan worden ingeschakeld en zijn bijstandsuitkering kan worden verminderd of beŽindigd. Het opleggen van deze verplichting moet dan ook berusten op artikel 106 van de Abw. Daarmee staat vast dat wel degelijk sprake is van een besluit in de zin van artikel 1:3, eerste lid, van de Awb.

In het besluit van 23 maart 2000 heeft gedaagde aan de niet-ontvankelijkverklaring van het bezwaar ten grondslag gelegd dat sprake zou zijn van een op grond van artikel 6:3 van de Awb niet voor bezwaar en vervolgens beroep vatbaar besluit. Dit is onjuist. Het opleggen van een verplichting als bedoeld in artikel 106 van de Abw strekt ertoe dat op de betrokkene de rechtsplicht komt te rusten die verplichting na te leven. Van een besluit inzake de procedure ter voorbereiding van een besluit is derhalve geen sprake. Dat voor het verbinden van een sanctie aan eventuele niet-naleving van de verplichting een afzonderlijk besluit nodig is, kan bovendien niet leiden tot het oordeel dat een besluit op grond van artikel 106 van de Abw de betrokkene niet rechtstreeks in zijn belang treft.

Uit het voorgaande volgt dat de aangevallen uitspraak, voorzover aangevochten, niet in stand kan blijven. Het beroep dient gegrond te worden verklaard en het besluit van 23 maart 2000 dient te worden vernietigd. Gedaagde dient alsnog een inhoudelijk besluit te nemen op het bezwaar van appellant.

Van kosten waarop een veroordeling in de proceskosten betrekking kan hebben, is de Raad ten slotte niet gebleken.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:
Vernietigt de aangevallen uitspraak voorzover aangevochten;
Verklaart het beroep tegen het besluit van 23 maart 2000 gegrond en vernietigt dat besluit;
Bepaalt dat gedaagde met inachtneming van deze uitspraak een nieuw besluit op bezwaar neemt;
Bepaalt dat de gemeente Vlissingen aan appellant het in hoger beroep betaalde griffierecht van € 77,14 (f 170,--) vergoedt.

Aldus gegeven door mr. drs. Th.G.M. Simons, in tegenwoordigheid van mr. P.C. de Wit als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 3 september 2002.

(get.) Th.G.M. Simons

(get.) P.C. de Wit.

 

 

LJN: AF1533, Rechtbank Maastricht , AWB 02 / 1613 NABW VV

 
Datum uitspraak: 25-11-2002
Datum publicatie: 03-04-2003
Rechtsgebied: Bijstandszaken
Soort procedure: Voorlopige voorziening
Uitspraak
RECHTBANK MAASTRICHT
Reg.nr: AWB 02/1613 NABW VV


UITSPRAAK van de voorzieningenrechter van de rechtbank Maastricht inzake het verzoek om toepassing van artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in het geschil tussen:

[verzoeker] te [woonplaats], verzoeker,

en

het College van Burgemeester en Wethouders van de Gemeente Heerlen, gevestigd te Heerlen, verweerder.

Toepassing van artikel 8:81 van de Awb wordt verzocht ten aanzien van het besluit van verweerder van 16 januari 2001.

Kenmerk: 15.35/7653.


I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING.

Bij het in de aanhef van deze uitspraak genoemde besluit van 16 januari 2001, heeft verweerder aan verzoeker mededeling gedaan van een ten aanzien van verzoeker genomen besluit inzake de toepassing van de Algemene bijstandswet (Abw).

Tegen dit besluit is door mr. P.J. de Graaf, advocaat te Utrecht, namens verzoeker een bezwaarschrift bij verweerder en vervolgens een beroepschrift op grond van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) ingediend bij deze rechtbank. Bij schrijven van 17 juli 2002 heeft mr. R.C.C.M. Nadaud, advocaat te Vaals, laten weten dat hij de zaak van bovengenoemde gemachtigde overneemt.
Bij uitspraak van 26 augustus 2002 heeft de rechtbank het beroep gegrond verklaard en verweerder opgedragen een nieuw besluit te nemen op het bezwaarschrift.

Vervolgens heeft verzoeker zich gewend tot de voorzieningenrechter van de rechtbank met het verzoek een voorlopige voorziening te treffen ex artikel 8:81 van de Awb ter zake schorsing van de executie van de verhaalsbeslissing en opheffing van het beslag op de uitkering.
De door verweerder ter uitvoering van artikel 8:83 van de Awb ingezonden stukken zijn in kopie aan de gemachtigde van verzoeker gezonden.


II. OVERWEGINGEN.

Gelet op artikel 8:84, tweede lid, aanhef en onder a, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) ziet de voorzieningenrechter zich voor de vraag gesteld of hij bevoegd is van het onderhavige verzoek kennis te nemen. De voorzieningenrechter overweegt ter zake als volgt.

Bij besluit van 16 januari 2001, waartegen bezwaar aanhangig is, heeft verweerder verzoeker medegedeeld dat verzoekers uitkering met ingang van 1 mei 1999 wordt herzien. Voorts heeft verweerder gebruik gemaakt van de aan hem toekomende bevoegdheid krachtens de Algemene bijstandswet verleende bijstand terug te vorderen. Dit besluit bevatte (voor zover hier van belang) de mededeling dat dit besluit tot terugvordering een executoriale titel oplevert.
Namens verzoeker is geen beroep ingesteld tegen het uitblijven van een nieuw besluit op bezwaar.

Ingevolge artikel 87, eerste lid, van de Algemene bijstandswet (Abw) levert het besluit tot terugvordering een executoriale titel op in de zin van het Tweede Boek van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv).
In het tweede lid van dit artikel wordt artikel 14f van de Abw van overeenkomstige toepassing verklaard. Deze laatste bepaling regelt de wijze van invordering van de terugvordering.

Verweerder heeft in het onderhavige geval executoriaal beslag op de uitkering van eiser gelegd. In het thans voorliggende verzoekschrift wordt namens verzoeker verzocht om de hiervoor genoemde executie te schorsen en het beslag op te heffen.

De voorzieningenrechter is van oordeel dat deze maatregelen en het daarop gerichte verzoek niet worden geregeerd door artikel 14f van de Abw, maar door het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering. De voorzieningenrechter merkt daartoe als volgt op.

Volgens inmiddels vaste jurisprudentie van de Centrale Raad van Beroep kan het gebruikmaken van de hier bedoelde bevoegdheid tot invordering worden aangemerkt als een handeling als bedoeld in artikel 138 van de Abw. Op grond van deze bepaling wordt een dergelijke handeling voor de toepassing van artikel 8:1, eerste lid, van de Awb gelijkgesteld met een besluit. Verzoeker heeft echter geen rechtsmiddel aangewend tegen de als zodanig te kwalificeren handeling.
In de parlementaire geschiedenis van de artikelen 14f en 87 van de Abw, met name in de memorie van toelichting, wordt verder opgemerkt dat de administratieve rechter tevens bevoegd kan worden geacht, indien de belanghebbende zich, na bezwaar te hebben gemaakt of beroep te hebben ingesteld, tot de voorzieningenrechter wendt met het verzoek over te gaan tot schorsing van het besluit tot terugvordering (Kamerstukken II 1995/1996, 23909, nr. 12, blz. 7) dan wel eerst een verzoek tot het bestuursorgaan richt, inhoudende schorsing van de tenuitvoerlegging (Kamerstukken II 1995/1996, 23909, nr. 14, blz. 14).
Reeds in de Memorie van Toelichting is echter benadrukt dat het aan de betrokkene is een keuze te maken welke rechtsbescherming hij verkiest. Indien niet voor de hiervoor weergegeven bestuursrechtelijke voorzieningen wordt gekozen, dient een geschil in verband met de executie te worden beslecht op grond van artikel 438 RV (Kamerstukken II 1994/1995, 23 909, nr. 3, blz. 63).

Gelet op de duidelijke bewoordingen van het verzoek zal verzoeker zich voor het door hem gevraagde dienen te wenden tot de civiele rechter. De voorzieningenrechter verklaart zich dan ook onbevoegd van het onderhavige geschil kennis te nemen.

Mogelijk ten overvloede merkt de voorzieningenrechter op dat doorzending van het verzoek om voorlopige voorziening aan de civiele voorzieningenrechter met toepassing van artikel 6:15 van de Awb niet mogelijk is. De verschillen tussen het bestuursrechtelijke en privaatrechtelijke geding op het punt van het aanhangig maken, maken dat niet mogelijk.

Met toepassing van artikel 8:83, derde lid en 8:84 van de Awb wordt als volgt beslist.


III. BESLISSING.

De president van de rechtbank Maastricht:

verklaart zich onbevoegd kennis te nemen van het verzoek om voorlopige voorziening.

Aldus gedaan door mr. F.A.G.M. Vluggen in tegenwoordigheid van mr. M.J.G.E. Wolters
als griffier en in het openbaar uitgesproken op 25 november 2002
door mr. Vluggen voornoemd in tegenwoordigheid van voornoemde griffier.

w.g. M. Wolters      w.g. F.A.G.M. Vluggen



      Voor eensluidend afschrift,
      de griffier,



Verzonden: 25 november 2002



Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.

 

 

 

 
Commercieel belang Openbaar Ministerie en gemeenten bij bonnenregen aan burgers
JH11 Geschiedenis 7 oktober 2005 Vraagjes van Hop aan College Ermelo inzake verkeer, verkeersforum,verkeerssituaties in Ermelo
Kunt u mij uitleggen welke instantie SMF is, die de gebruikersnaam controleert?
Kunt u mij uitleggen welke anderen u bedoeld met de vraag "E-mailadres verbergen voor anderen"?
Kunt u mij uitleggen waarom u niet kenbaar maakt dat er een profiel van de gebruiker aangemaakt ťn bewaard wordt?
Kunt u mij uitleggen wat er met het gedaan wordt en wie er inzage in hebben?
Kunt u mij uitleggen hoe het profiel tegen misbruik beschermd wordt?
Kunt u mij uitleggen waarom uitsluitend de voorwaarden om aan "Ermelo forum" mee te doen, in het Engels gesteld zijn?
Kunt u mij uitleggen waarom expliciet gesteld wordt dat de gegeven reactie niet strijdig mag zijn met iedere internationale _…N wetgeving van de Verenigde Staten_?
Kunt u mij uitleggen waarom er in dit verband voorbij gegaan wordt aan de Nederlandse wetgeving?
Kunt u mij uitleggen waarom er in de voorwaarden glashard gelogen wordt? Met name de laatste zin "The software does not collect or send any other form of information to your computer".
JH15 “Van alle kanten in Ermelo wordt de roep gehoord om deze politieke partij (Groep Hop) dood te zwijgen en ik ben er helaas achter gekomen dat dit waarschijnlijk waar is” schrijft mevrouw Jeanne Dijkstra eindredacteur van het Ermelo's Weekblad aan de Raad voor de Journalistiek
308 De norm! Een politiebeambte moet boeten voor te weinig bonnen
623 Burgers, paspoorten, voertuigen krijgen microchip met foto en vingerafdruk om boetes volautomatisch te incasseren
372 Beroepschrift tegen verkeersboete onder overlegging van aantoonbare feiten dat ik niet op die plaats geweest ben
373 Beroepschrift op internet tegen de verkeersboete bellen met mobiele telefoon
126 Jurisprudentie, toelichting en aanvullende informatie gelinkt aan de verkeersboete bellen met mobiele telefoon
191 Beroepschrift op internet tegen de verkeersboete "bestemmingsverkeer"
412 Beroepschrift op internet tegen IDENTIFICATIEPLICHT boete
172 Jurisprudentie, toelichting en aanvullende informatie gelinkt aan boetes IDENTIFICATIEPLICHT
235 Beroepschrift op internet tegen de verkeersboete verplichte APK keuring
330 Beroepschrift op internet tegen de verkeersboete gesimuleerde wegsituaties
364 Beroepschrift verkeersboete voetganger op voetgangersoversteekplaats niet voor laten gaan, feitcode R482
510 Onderbouwing verzoek (2) met jurisprudentie van de Raad van State
331 Beroepschrift op internet tegen de verkeersboete overtreding maximum snelheid
386 Jurisprudentie, toelichting en aanvullende informatie gelinkt aan de verkeersboete overtreding maximum snelheid
423 OM blijft gebruikers lasershield of laserecho vervolgen voor “belemmeren van een opsporingshandeling” (WvS, art.184)
418 Commercieel belang OvJ bij opleggen en handhaven van administratieve sancties
155 Bonnenregen richting burgers wordt door Justitie steeds beter en sneller georganiseerd
336 Troonrede 2004 Gemeenten meer mogelijkheden bestuurlijke boetes voor kleine vergrijpen en parkeerovertredingen
BSC Waarom zijn namen en nevenfuncties van leden/secretarissen bezwaarschriftencommissie gemeente GEHEIM?
240 Als bewijslast tegen burgers door OM als problematisch wordt ervaren worden wetten voor het Openbaar Ministerie opgerekt
475 OM: "Verkeerscamera's kunnen we mooi gebruiken om te bepalen welke voertuigen zich waar in het land bevinden"
414 Wet Bijzondere Opsporingsbevoegdheden 270597 inzicht werkwijze OM en politie opslaan gegevens burgers geheime dossiers
370 OM, rechtersleger, politie, veiligheidsdiensten willen wetten oprekken om info over niet-verdachte burgers op te slaan
371 Vanaf 11 mei 2008 wordt op de website het woord "rechtersleger" ingevoerd als aanduiding voor beroepsgroep rechters
STEM Stemwijzer! Stem NIET op CDA, PVDA, VVD en GroenLinks in 2010 na problemen met bonnen/ politie/aangifte/chicanes!
   

top