Het
gevaar! School,
jeugdzorg & Big
Brother is watching you! CDA-rechter
en MvJ Donner wil nu de vrijheid om het doen en laten
van de hele bevolking vast te leggen. Donner acht het misplaatst en
onverantwoord te zoeken naar de schuldigen in zaak Savannah!
1. Op de website "Openbaar Ministerie" wordt uitgegaan van
"corruptie van coalities" tussen OM, school en
"jeugdzorg" (101)
2. Waarbij (jeugdige) daders die kinderen in elkaar slaan steeds VRIJUIT
kunnen gaan (581)
3. Om slachtoffers van dit soort mishandeling op te kunnen sluiten in een
kindertehuis van een paar vierkante meter zonder raam (177)
4. De school de betrokken ouders van het slachtoffer VALS gaat
beschuldigen van kindermishandeling tijdens groot overleg (575)
5. Zodat Christen-Unie Minister van Jeugd en Gezin meer geld aan
"jeugdzorg" kan geven om burgers in de gaten te houden (RVDK) |
Censuur
in Nederland © |
Stockholmsyndroom
To
whom it may concern
Project
VERZOEK 465
Project
VERZOEK 466
Project
VERZOEK 102
Project
BEZWAAR tegen Plan van Aanpak
Project
BEZWAAR tegen HVP zorgverlener
Project
LBIO
Project
WRAKING
Project
bonnenregen
Hoe
leer ik zelf (WOB) procederen tegen bestuursorganen?
WOB VERZOEK,
VERDAGING, BESLUIT, BEZWAARSCHRIFT VERDAGING, HOORZITTING, NIEUW BESLUIT,
BEROEPSCHRIFT
Voorbeeld:
Meekijken maar ook ZELF PROCEDEREN met J. Hop tegen NIET
KLANTVRIENDELIJKE GEMEENTEN
Processen
bureau jeugdzorg, Versie 2, Definitief, 18 mei 2005
REFERENTIEWERKMODEL BUREAU JEUGDZORG
Uitgebracht aan: Ministerie van VWS Directie Jeugdbeleid, afdeling
Jeugdhulpverlening De heer drs. M. Verbeek en Ministerie van Justitie Directie
Jeugd en Criminaliteitspreventie De heer drs. D. Brons Uitgebracht door: Ordina
Public Management Consulting BV Projectgroep Bureau Jeugdzorg. Projectleider: De
heer drs. H.P. Zwier Projectnummer P0309-519 Datum: 1 maart 2005 Versie: 2.0
(Definitief) Processen bureau jeugdzorg Versie 2 Definitief 18 mei 2005 2
Versienr. Datum
Inhoud / belangrijkste wijzigingen Uitgebracht aan
V0.1 08-08-03 Eerste versie document (concept) Ministeries van Justitie en VWS
V1.0 08-10-03 Aanpassingen naar aanleiding van commentaar Rijk, Provincies,
MO-groep en Bureaus Jeugdzorg Ministeries van Justitie en VWS V2.0
Artikelnummering en inhoud conform definitieve Wet op de jeugdzorg en het
Uitvoeringsbesluit jeugdzorg Ministeries van Justitie en VWS Processen bureau
jeugdzorg Versie 2 Definitief 18 mei 2005 3 1. LEESWIJZER 11 2. WET OP DE
JEUGDZORG 16 3. AANMELDING EN ACCEPTATIE 22 3.1. Uitvoeren eerste
oordeelsvorming 25 3.2. Voor BJz? 29 3.3. Eventueel verwijzen 29 3.4.
Crisissituatie? 29 3.5. Voldoende hulp geboden? 29 3.6. Verdere hulp/onderzoek
van BJz nodig? 29 3.7. Verstrekken informatie aan cliënt en benoemen
contactpersoon 29 3.8. Maken eerste afspraak cliënt 31 3.9. Verwijzen
voorliggende voorzieningen 31 3.10. Registreren gegevens 32 3.11. Afsluiten 33
4. REAGEREN OP SIGNAAL VAN DERDE 34 4.1. Bepalen herkomst en aard signaal 38
4.2. Geeft signaal aanleiding tot handelen van het BJz zelf? 38 4.3. Lijkt er
sprake van crisissituatie? 38 4.4. Is de melder geholpen met een inhoudelijk
advies? 38 4.5. Geven inhoudelijk advies aan melder 39 4.6. Is er reden zelf
contact op te nemen met mogelijke cliënt? 39 4.7. De melder verzoeken mogelijke
cliënt ertoe te bewegen zich aan te melden 39 4.8. Contact opnemen met
mogelijke cliënt 39 4.9. Geeft het contact aanleiding tot handelen? 40 4.10.
Terugkoppeling aan melder 40 4.11. Afsluiten na conclusie dat handelen niet
nodig is 41 4.12. Is er medewerking? 41 4.13. Is er reden tot inschakelen AMK?
41 4.14. Melden bij AMK 41 4.15. Reden verzoek tot onderzoek RvdK? 41 4.16.
Terugkoppelen aan melder (na conclusie dat contact geen reden geeft tot
handelen) 43 4.17. Afsluiten na conclusie dat contact geen aanleiding geeft tot
handelen 43 5. ANALYSE EN OPSTELLEN DIAGNOSTISCH BEELD 44 5.1. Verzamelen
informatie 47 5.2. Analyseren situatie 47 5.3. Beoordelen of spec. diagnose
nodig is 51 5.4. Specialistische diagnose nodig? 52 5.5. Stellen specialistische
diagnose 52 5.6. Samenstellen diagnostisch beeld 53 6. VASTSTELLEN BENODIGDE
ZORG 54 6.1. Bepalen of en zo ja welke zorg nodig is 57 Processen bureau
jeugdzorg Versie 2 Definitief 18 mei 2005 4 6.2. Is er sprake van (gezins)voogdij
of jeugdreclassering? 58 6.3. Opstellen plan 58 6.4. Is de conclusie dat
verwijzing of zorg BJz wenselijk is? 64 6.5. Registreren gegevens na conclusie
geen verdere verwijzing of zorg BJz nodig 65 6.6. Afsluiten proces vaststellen
benodigde zorg na conclusie geen zorg nodig 66 6.7. Is besloten tot geïndiceerde
zorg? 66 6.8. Is er sprake van (gezins)voogdij of jeugdreclassering? 66 6.9.
Vaststellen of een aanvraag van de cliënt haalbaar is 67 6.10. Wil de cliënt
een aanvraag indienen? 68 6.11. Vaststellen of aanvraag aanwezig is 68 6.12.
Aanvraag aanwezig? 69 6.13. Ervoor zorgdragen dat cliënt een aanvraag kan
indienen 69 6.14. Opstellen indicatiebesluit 71
6.14.1. Formuleren
ontwerp indicatiebesluit 80
6.14.2. Beoordelen
ontwerp indicatiebesluit 80
6.14.3. Aanpassen
ontwerp ind.besluit nodig na beoordeling? 80
6.14.4. Voeren
overleg met aanvrager/cliënt 80
6.14.5. Aanpassen
ontwerp IB nodig na overleg cliënt? 80
6.14.6. Vaststellen
indicatiebesluit 81
6.14.7. Houdt het
IB een aanspraak AWBZ in? 81
6.14.8. Voorleggen
IB aan zorgkantoor 82
6.14.9. Versturen
IB naar cliënt 82
6.14.10. Versturen
afschrift indicatiebesluit aan huisarts 82
6.14.11. Houdt het
besluit in dat de cliënt geïndiceerde zorg nodig heeft? 83
6.14.12. Uitvoeren
Casemanagement 83
6.14.13. Afsluiten
na negatief indicatiebesluit 83
6.15. Registreren gegevens na opstellen indicatiebesluit 83 6.16. Is naast geïndiceerde
zorg ook andere dan geïndiceerde zorg nodig? 84 6.17. Afsluiten proces
vaststellen benodigde zorg na opstellen indicatiebesluit 84 6.18. Heeft cliënt
een aanvraag ingediend? 84 6.19. Opstellen indicatiebesluit geen geïndiceerde
zorg nodig 84 6.20. Is besloten tot opstellen schriftelijk advies voor andere
dan geïnd. zorg? 84 6.21. Is besloten tot verwijzing zonder schrift. advies
naar andere dan geïndiceerde zorg? 85 6.22. Verlenen ambulante jeugdzorg door
BJz 86 6.23. Verwijzen naar andere dan geïnd. zorg (zonder schriftelijk advies)
86 6.24. Verwijzen naar andere dan geïnd. zorg met schriftelijk advies 86
6.24.1. Opstellen
schriftelijk advies 87
6.24.2. Versturen
schriftuur aan huisarts 87
6.25. Uitvoeren casemanagement andere dan geïndiceerde zorg 88 7. UITVOEREN
CASEMANAGEMENT GEÏNDICEERDE ZORG 89 7.1. Bijstaan/motiveren cliënt bij tot
gelding brengen aanspraak 93 Processen bureau jeugdzorg Versie 2 Definitief 18
mei 2005 5
7.1.1. Bespreken
mogelijkheden met cliënt 95
7.1.2. Zijn er
redenen om aan te nemen dat de aanspraak tot gelding gebracht zal
worden? 96
7.1.3. Faciliteren
aanmelding cliënt bij zorgaanbieder 96
7.1.4. Is er sprake
van gezinsvoogdij? 97
7.1.5. Zijn er
redenen tot het geven van een aanwijzing? 97
7.1.6. Geven
aanwijzing voor accepteren zorg 97
7.1.7. Wordt de
aanwijzing opgevolgd? 99
7.1.8. Is
uithuisplaatsing wenselijk? 99
7.1.9. Afsluiten na
conclusie uithuisplaatsing niet wenselijk 99
7.1.10. Is
medewerking cliënt verplicht i.h.k.v. een jeugdreclasseringstraject? 99
7.1.11. Melden niet
meewerken jeugdige aan OM of directeur justitiële jeugdinrichting 100
7.1.12. Zijn er
redenen tot verzoek tot onderzoek RvdK? 100
7.1.13. Afsluiten
na niet meewerken cliënt en geen reden verzoek tot onderzoek RvdK 101
7.2. Bevorderen opstellen hulpverleningsplan door zorgaanbieder 101
7.2.1. Beoordelen
plan zorgaanbieder 102
7.2.2. Ligt het
plan in het verlengde van het indicatiebesluit? 103
7.2.3. Mededeling
niet akkoord aan cliënt en zorgaanbieder; uitnodigen tot overleg 104
7.3. Volgen verleende zorg 104
7.3.1. Ontvangen
melding zorgaanbieder aanvang zorg 107
7.3.2. Registreren
datum aanvang zorg en gegevens over soort zorg 107
7.3.3. Betreft het
zorg waarvoor een ouderlijke bijdrage verschuldigd is? 107
7.3.4. Mededeling
aanvang zorg aan LBIO 109
7.3.5. De verleende
zorg wordt gevolgd 109
7.4. Afhandelen beëindiging verleende zorg 109
7.4.1. Ontvangen
melding zorgaanbieder beëindiging zorg 111
7.4.2. Registreren
datum beëindiging zorg 111
7.4.3. Betreft het
zorg waarvoor een ouderlijke bijdrage verschuldigd is? 111
7.4.4. Mededeling
aanvang zorg aan LBIO 111
7.4.5. Afsluiten
111
7.5. Uitvoeren eindevaluatie 111 7.6. Lijkt verdere zorg nodig? 111 7.7. Analyse
en opstellen diagnostisch beeld 112 7.8. Bepalen of cliënt (na)zorg nodig heeft
112 7.9. Heeft cliënt nog (na)zorg nodig? 112 7.10. Adviseren cliënt zorg 112
7.11. Bijstaan cliënt verkrijgen zorg 112 7.12. Afsluiten 113 8. UITVOEREN
CASEMANAGEMENT ANDERE DAN GEÏNDICEERDE ZORG 114 9. PROCESSEN GEZINSVOOGDIJ 116
9.1. Aanmelding en Acceptatie gezinsvoogdij 119 Processen bureau jeugdzorg
Versie 2 Definitief 18 mei 2005 6
9.1.1. Aanwijzen
gezinsvoogd 120
9.1.2. Plannen
eerste contact 123
9.1.3. Versturen
mededeling minderjarige en ouder(s) of voogd 123
9.2. Uitvoeren gezinsvoogdij 123
9.2.1. Uitvoeren
plan 126
9.2.2. Evalueren
126
9.2.3. Voortzetting
maatregel wenselijk? 126
9.2.4. Aanvragen
verlenging 127
9.2.5. Bijstelling
nodig? 127
9.2.6. Bijstellen
plan 127
9.2.7. Beëindigen
127
9.2.8. Mededelen beëindiging
aan RvdK 127
9.3. Uithuisplaatsing (bij gezinsvoogdij) 128
9.3.1. Bepalen
"soort" uithuisplaatsing 132
9.3.2. Heeft de
uithuisplaatsing betrekking op geïndiceerde zorg? 132
9.3.3. Is er een
indicatiebesluit dat aanspraak op 24-uurs verblijf inhoudt? 132
9.3.4. Aanvragen
machtiging UHP ihkv geïnd. zorg 132
9.3.5. Machtiging
UHP verkregen (ihkv geïnd zorg)? 132
9.3.6. Afsluiten na
niet verkrijgen machtiging UHP 133
9.3.7. Aanvragen
machtiging UHP - niet ihkv geïnd. zorg 133
9.3.8. Machtiging
UHP verkregen (niet ihkv geïnd. zorg)? 133
9.3.9. Regelen
uithuisplaatsing niet ihkv geïnd. zorg 134
9.3.10. Afsluiten
na niet verkrijgen machtiging UHP 134
10. PROCESSEN VOOGDIJ 135 10.1. Aanmelding en Acceptatie voogdij 137
10.1.1. Aanwijzen
voogdijwerker 139
10.1.2. Plannen
eerste contact 141
10.1.3. Versturen
mededeling minderjarige en ouder(s) of verzorger(s) 141
10.2. Uitvoeren voogdij 141
10.2.1. Uitvoeren
plan 144
10.2.2. Evalueren
144
10.2.3. Is beëindiging
voogdij aan de orde? 144
10.2.4. Bijstelling
plan nodig? 144
10.2.5. Bijstellen
plan 144
10.2.6. Beëindigen
voogdij 145
10.3. Plaatsing bij voogdij 145 11. PROCESSEN JEUGDRECLASSERING 147 11.1.
Aanmelding en Acceptatie jeugdreclassering 150
11.1.1. Aanwijzen
reclasseringswerker 151
11.1.2. Plannen
eerste contact 154
11.1.3. Versturen
mededeling minderjarige en ouder(s) of verzorger(s) 154
Processen bureau jeugdzorg Versie 2 Definitief 18 mei 2005 7 11.2. Uitvoeren
jeugdreclassering 154
11.2.1. Uitvoeren
plan 156
11.2.2. Evalueren
156
11.2.3. Is beëindiging
aan de orde? 156
11.2.4. Bijstelling
plan nodig? 157
11.2.5. Bijstellen
plan 157
11.2.6. Melden bij
de RvdK 157
11.2.7. Betreft af
te sluiten traject een verplichte voorwaarde? 157
11.2.8. Beëindigen
157
11.2.9. (evt.)
Uitvoeren vrijwillige nazorg 157
11.2.10. Melden bij
OM/Directeur justitiële jeugdinrichting/selectiefunctionaris 158
12. FUNGEREN ALS AMK 159 12.1. Beoordelen contact 162 12.2. Is/zijn betrokkenen
bekend bij BJz? 163 12.3. Opvragen informatie 163 12.4. Is er sprake van een
crisissituatie? 163 12.5. Informeren melder crisissituatie 163 12.6. Aanleiding
tot actie AMK? 163 12.7. Informeren melder dat AMK geen actie onderneemt 164
12.8. Afsluiten na conclusie geen aanleiding tot handelen 164 12.9. Kan worden
volstaan met een advies? 164 12.10. Geven advies aan melder 164 12.11. Is één
advies voldoende? 164 12.12. Registreren en afsluiten na geven advies of consult
165 12.13. Verlenen consult aan melder 165 12.14. Is consult voldoende? 165
12.15. Controleren of betrokkenen bekend zijn bij de RvdK 165 12.16. Redenen tot
overdracht aan de RvdK? 165 12.17. Overdragen aan raad voor de kinderbescherming
166 12.18. Starten onderzoek 166 12.19. Kunnen betrokkenen geïnformeerd worden?
167 12.20. Informeren betrokkenen 168 12.21. Zijn er redenen tot informeren
andere just. autoriteiten? 168 12.22. Informeren andere justitiële autoriteiten
168 12.23. Sprake van kindermishandeling? 168 12.24. Informeren ouders en
aanbieden hulp 169 12.25. Werken de ouders mee? 169 12.26. Zijn er redenen tot
het doen van een verzoek tot onderzoek bij de RvdK? 169 12.27. Registreren en
afsluiten na conclusie kindermishandeling 169 12.28. Informeren ouders conclusie
geen kindermishandeling 170 12.29. Informeren melder dat onderzoek is afgerond
170 Processen bureau jeugdzorg Versie 2 Definitief 18 mei 2005 8 12.30. Lijkt
verdere zorg nodig en werken ouders mee? 170 12.31. Registreren en afsluiten na
conclusie geen kindermishandeling 170 13. VERLENEN AMBULANTE JEUGDZORG (BJZ) 171
14. BIJZONDERE SITUATIES 172 14.1. Behandelen crisissituaties 172
14.1.1. Beoordelen
spoedeisendheid situatie 175
14.1.2. Lijkt
jeugdzorg nodig? 175
14.1.3. Afsluiten
175
14.1.4. Is
onmiddellijke verlening jeugdzorg noodzakelijk? 175
14.1.5. Vaststellen
te verlenen zorg 175
14.1.6. Geïndiceerde
zorg nodig? 175
14.1.7.
Uithuisplaatsing wenselijk? 176
14.1.8. Realiseren
geïndiceerde zorg bij crisis 176
14.1.9. Verlenen
ambulante jeugdzorg (BJz) 176
14.1.10. Bepalen of
cliënt verdere zorg nodig heeft 176
14.1.11. Nog
verdere zorg nodig? 176
14.1.12. Afsluiten
177
14.2. Beëindiging hulp door cliënt 177 14.3. Uithuisplaatsing bij crisis 178
14.3.1. Informeren
ouders 180
14.3.2. Vaststellen
of ouders/jeugdige akkoord gaan 180
14.3.3. Ouders en
jeugdige akkoord? 180
14.3.4. Bepalen of
verzoek tot onderzoek aan Raad nodig is 180
14.3.5. Redenen
verzoek tot onderzoek RvdK? 180
14.3.6. Bepalen of
spoed nodig is 181
14.3.7. Reden tot
spoed? 181
14.3.8. Verzoeken
tot spoedonderzoek bij Raad 181
14.3.9. Verzoeken
tot onderzoek bij Raad 181
14.3.10. Informeren
Raad verblijfplaats jeugdige 181
14.3.11. Plaatsen
jeugdige 181
14.3.12.
Registreren 181
14.3.13. Afsluiten
181
14.4. Doen van een verzoek tot onderzoek (dan wel spoedonderzoek) bij de RvdK
182
14.4.1. Informeren
ouders over verzoek aan de RvdK 182
14.4.2. Betreft het
een verzoek tot spoedonderzoek? 183
14.4.3. Afwachten
reactie van ouders 183
14.4.4. Vaststellen
verzoek tot onderzoek 183
14.4.5. Indienen
verzoek tot onderzoek bij de RvdK 183
14.4.6. Versturen
afschrift aan de jeugdige en zijn ouders 183
14.4.7. Ontvangen
terugkoppeling van de RvdK 184
15. UITVOEREN BEZWAAR EN BEROEP 185 Processen bureau jeugdzorg Versie 2
Definitief 18 mei 2005 9 15.1. Voorbereiding bezwaarprocedure 187
15.1.1. Registreren
bezwaarschrift 189
15.1.2. Beoordelen
ontvankelijkheid 189
15.1.3. Is
bezwaarschrift ontvankelijk? 189
15.1.4. Voldoet het
bezwaarschrift aan de formele vereisten 189
15.1.5. Versturen
ontvangstbevestiging bij niet voldoen formele vereisten 189
15.1.6. Wordt het
verzuim hersteld? 190
15.1.7. Versturen
ontvangstbevestiging 190
15.1.8. Versturen
mededeling niet-ontv. 190
15.1.9. Toetsen
formele vereisten 190
15.2. Voorbereiden hoorzitting 191 15.3. Hoorzitting 191 15.4. Beslissing op
bezwaar 192 15.5. In kennis stellen beslissing op bezwaar 192 16. KLACHTRECHT
194 Processen bureau jeugdzorg Versie 2 Definitief 18 mei 2005 10
Processen bureau
jeugdzorg
Processen bureau jeugdzorg Versie 2 Definitief 18 mei 2005 11
1. Leeswijzer
A. Inleiding
Het referentiewerkmodel bureau jeugdzorg is ontwikkeld in opdracht van de
Directie Jeugdbeleid van het ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport en
de Directie Jeugd en Criminaliteitspreventie van het Ministerie van Justitie.
Het model geeft op hoofdlijnen de werkprocessen van de bureaus jeugdzorg weer
die voortvloeien uit de Wet op de jeugdzorg en dient als uitgangspunt te worden
gezien voor verdere invulling door de bureaus jeugdzorg. Bij het ontwikkelen van
het model zijn behalve de reeds genoemde ministeries ook het Interprovinciaal
Overleg (IPO), de Maatschappelijk Ondernemers Groep (MOgroep) en de bureaus
jeugdzorg nauw betrokken geweest. De doelen die worden nagestreefd met het
ontwikkelen van het referentiewerkmodel zijn: • integratie en harmonisatie op
het niveau van werkprocessen; • input voor het kwaliteitsbeleid van de bureaus
jeugdzorg; • basis voor de informatiehuishouding van de bureaus jeugdzorg (en
ketenpartners); • basis voor normprijsonderzoek. Het model in zijn huidige
vorm is tot stand gekomen in twee fasen. In de eerste fase is met de
ministeries, het IPO en de MOgroep een aantal criteria vastgesteld waaraan het
model moest voldoen. Deze zijn leidend geweest bij het modelleren van het
proces. Het betreft de volgende criteria: • eenheid van taal t.a.v. de
werkprocessen; • transparant en eenduidig, heldere en eenvoudige taal; •
inzicht in onderlinge relaties binnen het BJz en de afhankelijkheden van elkaar
(“schakelmomenten”); • inzicht op hoofdlijnen geven in de relaties naar de
ketenpartners; • basis voor definitie meetpunten in werkprocessen; • model
vormt basis voor te starten normprijsonderzoek. In de tweede fase is het model
ontwikkeld in een tiental intensieve workshopsessies met medewerkers van een
aantal bureaus jeugdzorg. Waar de inhoud daarom vroeg, waren ook 'specialisten'
aanwezig, zoals medewerkers van de MOgroep, van de raad voor de
kinderbescherming en van de zorgaanbieders. Tevens heeft een klankbordgroep,
bestaande uit diverse partijen uit de omgeving van de bureaus jeugdzorg
meegedacht bij de ontwikkeling van het model. Het model is op punten waar de wet
ruimte laat voor eigen invulling nog algemeen in zijn beschrijving. Tijdens de
implementatie bestaat de mogelijkheid om als bureaus jeugdzorg de mogelijkheid
gemeenschappelijk nadere invulling te geven aan deze ruimte. Processen bureau
jeugdzorg Versie 2 Definitief 18 mei 2005 12
B. Wettelijk kader
Het referentiewerkmodel is een vertaling in werkprocessen van de Wet op de
jeugdzorg en onderliggende regelgeving (Uitvoeringsbesluit wet op de jeugdzorg).
Uitgegaan is van de wetteksten zoals die golden bij de inwerkingtreding van de
wet op 1 januari 2005. Voorts is gebruik gemaakt van het Conceptbesluit
Beleidsinformatie van maart 2005. Hierin zijn wel de verwijzigingen naar
artikelen in de Wet en de onderliggende regelgeving aangepast. Waar wordt
geciteerd uit de Memorie van Toelichting betreft het de toelichtingen van
eerdere versies van de Wet en de onderliggende AMvB's. De artikelverwijzingen in
deze teksten zijn aangepast en voorts zijn de laatste ontwikkelingen hierin
verwerkt. . Waar het gaat de Wet op de jeugdzorg en de onderliggende
regelgeving, en om artikelen uit andere wetten die in samenhang met deze wet
zijn aangepast, worden in het referentiewerkmodel deze artikelen letterlijk
geciteerd wanneer dat relevant is. Daar waar andere wetten dan de hierboven
genoemde aan de orde zijn (zoals bijvoorbeeld het Wetboek van strafrecht), is
meestal volstaan met een verwijzing naar de desbetreffende artikelen. De wet
focust zich op het benoemen van taken en verantwoordelijkheden. Hierdoor kan het
model beheersmatig overkomen. In de Wjz is ervoor gekozen de
verantwoordelijkheid van de kwaliteit van de bureaus jeugdzorg en de zorg zeer
sterk bij de instellingen zelf te leggen. Dit geldt ook voor de invulling van
cliëntgericht handelen, het serieus nemen van en het mee laten beoordelen door
de cliënt. De wet en nadere regelgeving leggen derhalve weinig over de
uitvoering van de primaire processen vast. In die zin is de Wjz dan ook te
benoemen als een kaderstellende wet. Dit heeft voor het referentiewerkmodel
allereerst tot gevolg dat het model niet moet worden beschouwd als een weergave
van het proces wat een cliënt doorloopt in het bureau jeugdzorg. Ten tweede is
het referentiewerkmodel gefocust op de taken die het bureau jeugdzorg moet
uitvoeren en welke stappen daarin te onderscheiden zijn. Met andere woorden het wat
van het bureau jeugdzorg is beschreven. Beslissingen over welke functionaris
binnen het bureau jeugdzorg een taak uitvoert, welke organisatiestructuur
gekozen wordt, wanneer een taak wordt uitgevoerd en in welke tijdspanne en op
welke wijze (de kwaliteit) het bureau jeugdzorg levert, zijn een
verantwoordelijkheid van de bureaus jeugdzorg zelf. Het is de opgave voor de
bureaus jeugdzorg gezamenlijk en afzonderlijk om deze vragen die voortkomen uit
het referentiewerkmodel in het wettelijk verplicht te voeren kwaliteitsbeleid te
beantwoorden
C. Detaillering
Zoals hierboven al werd gesteld, is het model een vertaling van de wet en de
onderliggende regelgeving. Waar deze gedetailleerd zijn is het model dat ook,
waar deze ruimte laten voor Processen bureau jeugdzorg Versie 2 Definitief 18
mei 2005 13 nadere invulling blijft het model op een algemeen niveau in zijn
beschrijving. Bij het ontwikkelen van het referentiewerkmodel is een belangrijk
uitgangspunt geweest dat niet getreden zou worden in de bevoegdheden van de
bureaus jeugdzorg. De bureaus kunnen het model dan ook verder naar eigen inzicht
vormgeven, binnen de kaders die door de wet (en daarmee door het
referentiewerkmodel) gesteld worden. Voorts geeft het model nadrukkelijk geen
aanwijzingen over de inhoudelijke aspecten van het werk van de bureaus
jeugdzorg. Keuzes omtrent te hanteren onderzoeksmethodieken, gesprekstechnieken
e.d. behoren immers bij uitstek tot de eigen verantwoordelijkheid van de bureaus
jeugdzorg. Het model beperkt zich bewust tot de meer formele aspecten.
D. Model en
werkelijkheid
Een model kan nooit meer zijn dan een nogal abstracte beschrijving van de
werkelijkheid. Daarmee is een model altijd in zekere zin statisch. Fasen in het
proces en handelingen daarbinnen staan in het model strikt volgordelijk
beschreven, waar ze in de werkelijkheid veel meer door elkaar heen lopen. In het
model is bijvoorbeeld een duidelijke scheiding aangebracht tussen een fase
waarin de situatie van de cliënt geanalyseerd wordt enerzijds en een fase
waarin bepaald wordt welke zorg voor die cliënt wenselijk is anderzijds. In
werkelijkheid zal in veel gevallen al een beeld van die zorg groeien tijdens de
analysefase. Voorts richt het model zich op de zaken die gedaan moeten worden,
zonder uitspraken te doen over wie die
zaken dan moet uitvoeren, tenzij de wet expliciet eisen stelt op dit punt. Het
staat de bureaus jeugdzorg dan ook in beginsel vrij om de taakverdeling in de
processen vorm te geven. Een consequentie hiervan is ook, dat organisaties in de
omgeving van het bureau jeugdzorg alleen zichtbaar zijn wanneer er sprake is van
een duidelijk gestructureerd – in de wet omschreven – proces tussen het
bureau jeugdzorg en de desbetreffende ketenpartner (met name de raad voor de
kinderbescherming en de zorgaanbieders). In sommige artikelen in de wet worden
expliciet overlegmomenten met de cliënt voorgeschreven. Deze zijn ook in het
model terug te vinden. Daarmee kan de indruk worden gewekt dat alleen op die
momenten in het proces overleg met de cliënt gevoerd wordt. Het behoeft naar
onze overtuiging evenwel geen betoog dat dit overleg met de cliënt veel meer
een continu proces zal zijn dan het model kan aangeven. Een aantal processen
beschrijft hoe te handelen in situaties die zich op ieder moment kunnen
voordoen, zoals crisissituaties of situaties waarin het vermoeden rijst dat er
een voor de jeugdige bedreigende situatie ontstaat of ontstaan is. Deze
processen zijn in het model apart beschreven onder de titel Bijzondere
situaties. In principe wordt niet vanuit hoofdprocessen naar deze bijzondere
processen verwezen, behalve op momenten waarin medewerkers van het bureau
jeugdzorg extra alert zullen zijn op dergelijke situaties, zoals bij aanmelding
of bij een eerste contact met een mogelijke cliënt in het kader van de "outreachende"
taak van het bureau Processen bureau jeugdzorg Versie 2 Definitief 18 mei 2005
14 jeugdzorg. Processen bureau jeugdzorg Versie 2 Definitief 18 mei 2005 15
E. Gebruikte
symbolen
In de processchema's wordt gebruikt gemaakt van een drietal symbolen.
Symbool
Betekenis
Beginactiviteit of afsluitende activiteit : de eerste resp. laatste actie van
een proces. Een proces heeft altijd één beginactiviteit, maar kan meerdere
eindactiviteiten hebben, afhankelijk van de situatie. Soms wordt vanuit een
processtap een stippellijnverbinding gemaakt naar dit symbool. Het betreft dan
een verwijzing naar een activiteit (in de regel de beginactiviteit) van een
ander werkproces. Activiteit of een deelproces: dit is een activiteit in het
proces. Soms bestaat zo'n activiteit zelf ook weer uit een aantal stappen. In
dat geval is er sprake van een deelproces Afvraging: in een activiteit kunnen
een of meerdere beslissingen worden genomen, die gevolgen hebben voor de verdere
afhandeling. Deze beslismomenten worden onder de activiteit beschreven waarin
zij aan de orde zijn geweest. Het betreft altijd gesloten vragen, waarop dus
alleen met 'ja' of 'nee' geantwoord kan worden. Ingewikkelder beslissingen
worden in een werkproces 'uiteengerafeld' tot een reeks van dergelijke vragen.
In het proces zie je dan een aantal van deze 'wiebers' onder elkaar. Met elkaar
vormen ze een 'als dan' – redenering. De symbolen zijn onderling verbonden
door pijlen, waarmee de volgorde van de stappen wordt aangegeven. Op deze wijze
kunnen ook 'lussen' worden gemaakt voor reeksen processtappen die één of
meerdere malen herhaald (kunnen) worden. Processen bureau jeugdzorg Versie 2
Definitief 18 mei 2005 16
2. Wet op de
jeugdzorg
A. Algemeen
De artikelen 5 tot en met 12 van de Wet beschrijven de taken die het bureau
jeugdzorg heeft te vervullen. Een deel van deze taken is hier beschreven als
hoofdproces, andere taken komen in het model terug als deelproces van een
hoofdproces, en een klein aantal taken is terug te vinden als bijzonder proces.
Ten slotte is in overleg met de opdrachtgever een aantal taken niet nader als
proces uitgewerkt. Het model beschrijft als hoofdprocessen (en bijbehorende
deelprocessen): • beoordelen of en zo ja, welke zorg een cliënt nodig heeft,
het (doen) realiseren van die zorg en het evalueren ervan, met als
deelprocessen: • indicatietaak (art. 5 Wjz); • casemanagement (art. 5, lid
1, sub f – j, Wjz), met als onderdeel daarvan de melding aan het Landelijk
Bureau Inning Onderhoudsbijdragen (art. 12 Wjz); • verlenen van ambulante
jeugdzorg (art. 10, lid 2, sub b, Wjz); • behandelen bezwaarprocedure tegen
genomen indicatiebesluit (op grond van art. 5, lid 5, Wjz); • voorzover de
hierboven genoemde taak niet op verzoek van de cliënt gebeurt, maar uit eigen
beweging (art. 5, lid 3, Wjz), is een proces reageren
op signaal van derden
beschreven. Het betreft hier (een deel van de) de taak die in de
toelichting als "outreachend" wordt beschreven; • uitoefenen van de
voogdij of voorlopige voogdij (art. 10, lid 1, sub a, Wjz); • uitoefenen
gezinsvoogdij (OTS) (art. 10, lid 1, sub b, Wjz.); • jeugdreclassering
(art. 10, lid 1, sub c-d, Wjz);
• fungeren als Advies- en Meldpunt Kindermishandeling (art. 10, lid1,
sub e, Wjz). Bijzondere processen zijn processen die niet direct gekoppeld zijn
aan één van de hoofd- of deelprocessen, maar wel op elk moment binnen een van
die processen uitgevoerd kunnen worden. Het gaat meestal om situaties die zich
plotseling kunnen voordoen en die vragen om bijzondere stappen. Het betreft: •
behandelen crisissituaties (op grond van art. 3, lid 5, Wjz en art. 14
Uitvoeringsbesluit Wet op de jeugdzorg); • in kennis stellen raad voor de
kinderbescherming wanneer een maatregel met betrekking tot het gezag overwogen
moet worden (art. 9 Wjz); • klachtafhandeling. Niet nader als proces
uitgewerkt zijn de taken: • kindertelefoon (art. 10, lid 3, sub c, Wjz); •
versterking voorliggende voorzieningen (art. 10, lid 3, sub a, Wjz).
B. Fasering in het
model
Processen bureau jeugdzorg Versie 2 Definitief 18 mei 2005 17 Bij het opstellen
van het model is steeds uitgegaan van een fasering in de hoofdprocessen. De
onderscheiden fases zijn: 1. Aanmelding en Acceptatie 2. Analyse en Opstellen
diagnostisch beeld 3. Vaststellen benodigde zorg 4. Realiseren benodigde zorg 5.
Volgen (monitoren) verleende zorg 6. Evalueren 7. Afsluiten De eerste drie fasen
zijn in het model terug te vinden als aparte processen. Voor de laatste vier
fasen ligt dat anders. Deze fasen zijn in het model niet als aparte processen te
zien, maar als processtappen. De fasen 4 t/m 7 zijn te herkennen in de
processen: • Uitvoeren casemanagement geïndiceerde zorg; • Uitvoeren
casemanagement andere dan geïndiceerde zorg; • Uitvoeren gezinsvoogdij; •
Uitvoeren voogdij; • Uitvoeren jeugdreclassering.
C. Wet en
onderliggende regelgeving
C.1. Doel van de
Wet op de Jeugdzorg
In de Koninklijke boodschap staat vermeld dat: ‘het wenselijk is een
wettelijke aanspraak op jeugdzorg voor zover daarop geen aanspraak bestaat
ingevolge de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten of de Beginselenwet justitiële
jeugdinrichtingen, te vestigen, een samenhangend aanbod van jeugdzorg te
realiseren, dat aansluit op de behoefte, de toegang tot de jeugdzorg alsmede de
bekostiging van de jeugdzorg waarop ingevolge deze wet aanspraak bestaat opnieuw
te regelen’. De belangrijkste pijlers van de Wet op de jeugdzorg zijn: • De
oprichting van één bureau jeugdzorg per provincie en drie grootstedelijke
regio’s; • Vraaggericht werken, en daarmee samenhangend een versterking van
de positie van de cliënten, onder meer verankerd in een aanspraak op geïndiceerde
zorg, klachtrecht en medezeggenschap (door mogelijkheid voor cliënten om te
participeren bij de beleidsvorming van zowel de bureaus jeugdzorg en de
zorgaanbieders als de overheden); • Het recht op geïndiceerde jeugdzorg (in
beginsel tot 18 jaar) NB: dit houdt tevens acceptatieplicht zorgaanbieders in.
C.2. Structuur van
de Wet op de Jeugdzorg
De Wet op de Jeugdzorg kent de volgende indeling (in hoofdstukken): I. algemene
bepalingen Processen bureau jeugdzorg Versie 2 Definitief 18 mei 2005 18 II.
aanspraken op jeugdzorg III. de stichting die een bureau jeugdzorg in stand
houdt IV. zorgaanbod V. planning VI. uitkeringen en subsidies VII.
beleidsinformatie VIII. toezicht IX. inzage in en het bewaren en vernietigen van
bescheiden X. de vertrouwenspersoon XI. medezeggenschap XII. klachtrecht XIII.
bijdrage in kosten van jeugdzorg XIV. wijziging van andere wetten XV. overgangs-
en slotbepalingen Voor de Bureaus Jeugdzorg staan de belangrijkste bepalingen in
de hoofdstukken III en VII. Daarnaast zijn met name de hoofdstukken IXX, XI en
XII voor de bureaus van belang. Veel van de relevante regelgeving is neergelegd
eenAlgemene Maatregel van Bestuur: het Uitvoeringsbesluit Wet op de jeugdzorg.
D Bureaus
Jeugdzorg in de Wet op de Jeugdzorg
D.1 Algemene
bepalingen (artikel 4)
• De Provincie moet ervoor zorgen dat er in de provincie een bureau jeugdzorg
werkzaam is dat in stand wordt gehouden door een stichting. • Doel van de
stichting is het instandhouden van een bureau jeugdzorg dat de in deze wet aan
de stichting opgedragen taken vervult. • Eventuele nevendoelen zijn beperkt
tot het verlenen van andere jeugdzorg dan in de wet genoemd en het geven van
voorlichting advies bij opgroei- opvoedingsvraagstukken en het beantwoorden van
vragen van jeugdigen over hun juridische positie. Eén en ander voorzover
daarvoor door de provincie toestemming is verleend; • Voorts zijn er
bepalingen met betrekking tot bestuur en raad van toezicht. • De Provincie
heeft bevoegdheden om in te grijpen (aanwijzingsbevoegdheid, schorsing en
ontslag van bestuursleden van de stichting en de raad van toezicht).
D.2 Taken van de
Bureaus jeugdzorg (artikel 4 - 12)
Als taken van het bureau jeugdzorg noemt de wet: • indicatietaak: beoordelen
of en zo ja, welke zorg een cliënt nodig heeft, zowel op verzoek van cliënt
als uit eigen beweging (art. 5 Wjz); • casemanagement
(art. 10, lid 1, sub f – j, Wjz);
Processen bureau jeugdzorg Versie 2 Definitief 18 mei 2005 19 • aan
Landelijk Bureau Inning Onderhoudsbijdragen melden wanneer zorg waar een
ouderbijdrage voor geldt start. en eindigt (art. 12 Wjz); • verlenen van
ambulante jeugdzorg, binnen de door de provincie bij de subsidiëring gestelde
grenzen (art. 10, lid 2, sub b, Wjz); • uitoefenen van de voogdij of
voorlopige voogdij (art. 10, lid 1, sub a, Wjz); • uitoefenen gezinsvoogdij
(OTS) en voorlopige gezinsvoogdij (VOTS) (art. 10, lid 1, sub b, Wjz.); •
jeugdreclassering (art. 10, lid 1, sub c-d, Wjz); • fungeren als Advies- en
Meldpunt Kindermishandeling (art. 10, lid1, sub e, Wjz); • voortdurend bezien
of ten aanzien van een jeugdige een maatregel in het gezag overwogen dient te
worden, en waar nodig de raad voor de kinderbescherming hiervan in kennis
stellen (art. 9, Wjz); • kindertelefoon, binnen de door de provincie bij de
subsidiëring gestelde grenzen (art. 10, lid 3, sub c, Wjz); • versterking
voorliggende voorzieningen, binnen de door de provincie bij de subsidiëring
gestelde grenzen (art. 10, lid 3, sub a, Wjz).
D.3 Kwaliteit
(artikel 13 - 15)
In de wet is een aantal kwaliteitseisen opgenomen. De wijze waarop stichting
taken uitoefent dient schriftelijk vastgelegd te worden. Kernpunten van de eisen
rond kwaliteit zijn: a. doeltreffend, doelmatig en cliëntgericht (art. 13, lid
2, Wjz); b. uitvoering taken op basis van plan dat is afgestemd op de behoeften
van de cliënt; dit plan wordt niet vastgesteld dan na overleg met de cliënt (art.
13, lid 3, Wjz); c. eisen aan organisatie (art. 13, lid 4, Wjz); d. een
systematische bewaking, beheersing en verbetering van de kwaliteit van de
uitvoering van de taken, in ieder geval te realiseren door het verzamelen en
registreren van gegevens m.b.t. de kwaliteit van de uitvoering, het aan de hand
daarvan toetsen van de kwaliteit en waar nodig veranderen van de werkwijze (art.
13, lid 5, Wjz); e. het aanwijzen van een contactpersoon ten aanzien van de cliënt;
deze contactpersoon bevordert de continuïteit in de taakuitvoering van het
bureau jeugdzorg ten aanzien van de cliënt (art. 13, lid 8, WJz). Nadere
regelgeving met betrekking tot de kwaliteit is neergelegd in het
Uitvoeringsbesluit Wet op de jeugdzorg.
E. Uitwerking
wettelijke taken in proces Bureaus Jeugdzorg
De Wet op de Jeugdzorg en de onderliggende regelgeving bevatten een aantal
voorschriften die algemene gelding hebben, dat wil zeggen die niet voor één of
enkele van de taken gelden, maar voor allemaal. Voor zover het inrichtingseisen,
deskundigheids- opleidingseisen e.d. betreft, zijn die in dit model buiten
beschouwing gelaten. Processen bureau jeugdzorg Versie 2 Definitief 18 mei 2005
20
E.1
Kwaliteitseisen in de Wet op de Jeugdzorg
In art. 13 t/m 15 Wjz staat een aantal kwaliteitseisen vermeld. Genoemde eisen
zijn onder andere: 1. Tot een verantwoorde uitvoering van de taken, genoemd in
artikel 10, eerste lid, onder a, b, c en d, behoort in ieder geval dat de taken
worden uitgevoerd op basis van een plan dat is afgestemd op de behoeften van de
cliënt. Het plan wordt niet vastgesteld dan na overleg met de cliënt (art. 13,
derde lid, Wjz); 2. De stichting gaat bij de uitoefening van haar taken uit van
de godsdienstige gezindheid, de levensovertuiging en culturele achtergrond van
de cliënt (art. 15 Wjz). De kwaliteitseisen zijn verder uitgewerkt in
onderliggende besluiten.
E.2 Bepalingen in
het Uitvoeringsbesluit Wet op de jeugdzorg
Het Uitvoeringsbesluit Wet op de jeugdzorg bevat de volgende algemene
bepalingen: 1. De stichting informeert de cliënt over de taken en werkwijze van
het bureau jeugdzorg en over zijn rechten. De informatie wordt in begrijpelijke
vorm verschaft (art. 27); 2. De stichting maakt de cliënt duidelijk welke taak
het bureau jeugdzorg ten aanzien van hem uitoefent (art. 27); 3. Art.32 stelt
voorts als eis dat bij de taken indicatiestelling en van de justitiële taken
een multidisciplinaire beoordeling van de betreffende problemen plaats moet
vinden, indien de aard van de problematiek dit vergt.
E.3 Verwerking
gegevens in Besluit beleidsinformatie jeugdzorg
In het Besluit beleidsinformatie jeugdzorg staan bepalingen vermeld over de
verwerking van een aantal algemene gegevens door de Stichting. Naar deze
bepalingen zal in het referentiewerkmodel worden verwezen bij de processen
waarin zij een rol spelen.
F. De Wet op de
jeugdzorg en de AWBZ
In de nota van toelichting bij het Besluit jeugdzorgaanspraken wordt nader
ingegaan op de relatie tussen aanspraak op grond van de Wet op de jeugdzorg
enerzijds en aanspraak op grond van de AWBZ anderzijds: Psychiatrische zorg en
jeugdzorg Er bestaat een belangrijke relatie met de aanspraken die zijn
geformuleerd in het Besluit zorgaanspraken AWBZ. Met name op het terrein van
psychiatrische zorg is er een aantal lastig af te grenzen zorgvormen. In dit
verband is het van belang op te merken dat de aanhef van artikel 2, eerste lid,
van het Besluit zorgaanspraken AWBZ bepaalt dat de verzekerde slechts aanspraak
heeft op de in dat eerste lid opgesomde vormen van zorg, voor zover die zorg
niet kan worden bekostigd op grond van een andere wettelijke regeling. Gevolg
hiervan is dat altijd eerst moet worden bezien of aanspraak bestaat ingevolge de
Wet op de jeugdzorg. Is dat niet het geval, dan kan worden bezien of aanspraak
bestaat ingevolge de AWBZ. In het Processen bureau jeugdzorg Versie 2 Definitief
18 mei 2005 21 artikelsgewijze deel van deze toelichting wordt concreet ingegaan
op de wijze waarop de knelpunten over de afgrenzing zoveel mogelijk zijn
weggenomen. Hieronder is een aantal algemene noties hierover opgenomen. Indien
de ontregeling van het opgroeien fundamenteel is, blijkt de
opvoedingsproblematiek vaak complex en zijn opgroeiproblemen van de kinderen en
jongeren vaak meervoudig. Niet alleen loopt het thuis niet goed, maar ook in de
buurt, op school en in het publieke domein doen zich problemen voor. Frequent
spelen ernstige gedragproblemen en ernstige psychische problemen hierbij een
rol: hetzij als (genetisch meebepaalde) oorzaak of een der oorzaken, hetzij als
gevolg of een der gevolgen van de ontregeling. Bij kinderen en jongeren worden
de problemen doorgaans in twee globale groepen onderscheiden: problemen die het
gevolg zijn van pogingen om ontregeling te bestrijden door overcontrole en
problemen die het gevolg zijn van het verdwijnen van controle. De eerste groep
problemen noemt men meestal internaliserende problemen. Het betreft angsten,
depressies, wanen, dwanghandelingen. De tweede groep noemt men doorgaans
externaliserende problemen: opstandigheid, agressie, antisociaal gedrag en
dergelijke. Daarnaast kunnen andere stoornissen zoals eetstoornissen,
automutilatie, psychosen, psychosomatische stoornissen en posttraumatische
stressstoornissen genoemd worden. De kinder- en jeugdpsychiatrie heeft expertise
opgebouwd in het behandelen van deze stoornissen, waarbij biopsychologische
factoren een rol spelen en, daarmee samenhangend, (psycho)farmacologische
behandeling vaak onderdeel uitmaakt van de zorg. Voor zover en zolang deze
problemen zich voordoen is derhalve zorg door de kinder- en jeugdpsychiatrie
noodzakelijk. In veel gevallen zal deze psychiatrische zorg noodzakelijk zijn
als onderdeel van of in combinatie met jeugdzorg waarop ingevolge de wet
aanspraak bestaat. In andere gevallen zijn deze stoornissen zo dominant en
verstorend in het opvoeden en opgroeien dat er sprake moet zijn van geïntegreerde
zorg en hulp onder een kinderpsychiatrisch regime. Processen bureau jeugdzorg
Versie 2 Definitief 18 mei 2005 22
3. Aanmelding en
Acceptatie
A. Algemeen
De Wet op de jeugdzorg stelt dat het bureau jeugdzorg de taak als bedoeld in
artikel 5, eerste lid, uitoefent op verzoek van een cliënt of uit eigen
beweging (art. 5, lid 3, Wjz). Het proces Aanmelding
en Acceptatie beschrijft de stappen die worden uitgevoerd wanneer er contact
is tussen het bureau jeugdzorg en een mogelijke cliënt met een probleem, een
klacht of een vraag. Dit contact kan tot stand zijn gekomen doordat de mogelijke
cliënt contact opneemt met het bureau jeugdzorg, of doordat het bureau
jeugdzorg erin is geslaagd contact te leggen met een mogelijke cliënt. De
situatie waarin een andere persoon dan een (mogelijke) cliënt contact opneemt
met het bureau jeugdzorg, is beschreven in het proces Reageren
op signaal van derde. Wanneer het bureau jeugdzorg een cliënt krijgt in het
kader van een (gezins)voogdij- of reclasseringstaak, vindt in beginsel
automatisch acceptatie plaats. Het aanmeldingsproces start in deze gevallen bij
de stap "aanwijzen contactpersoon". Hierbij wordt een aantal
bijzondere eisen gesteld. Om die reden zijn de aanmeldingsprocessen voor deze
taken apart beschreven, resp. onder Uitvoeren
gezinsvoogdij, Uitvoeren voogdij en Uitvoeren
jeugdreclassering.
B. Het begrip cliënt
en de indicatietaak van het bureau jeugdzorg.
Het begrip cliënt wordt door de wet omschreven als: • een jeugdige, zijn
ouders of stiefouder of anderen die de jeugdige als behorend tot hun gezin
verzorgen en opvoeden (art. 1 sub d, Wjz). Dit betekent voor het
referentiewerkmodel nog niet dat iedereen die contact opneemt met het bureau
jeugdzorg onmiddellijk een cliënt is; er wordt onderscheid gemaakt tussen een
mogelijke (of potentiële) cliënt en een "echte" cliënt. De
beslissing waarin een mogelijke cliënt daadwerkelijk als cliënt aangemerkt
wordt, noemen we in het referentiewerkmodel de acceptatie.
Belangrijk: Wanneer een mogelijke cliënt
besluit een aanvraag in te dienen voor een indicatiebesluit – en het bureau
jeugdzorg met hem krachtens artikel 27 van Uitvoeringsbesluit Wjz op die
mogelijkheid wijzen – dan is hij daarmee per definitie een cliënt van het
bureau jeugdzorg. Deze situatie kan op zich op elk moment in het proces
voordoen. Niet rechtmatig in Nederland verblijvende vreemdelingen worden door de
wet wel beschouwd als cliënten, maar zij hebben geen aanspraak op jeugdzorg:
Artikel 3, lid 1,
Wjz
1. Cliënten, behoudens niet rechtmatig in Nederland verblijvende vreemdelingen,
hebben aanspraak op jeugdzorg. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur
worden aard, Processen bureau jeugdzorg Versie 2 Definitief 18 mei 2005 23
inhoud en omvang van de jeugdzorg waarop aanspraak bestaat, geregeld. Ingevolge
deze wet bestaat geen aanspraak op jeugdzorg waarop ingevolge de Beginselenwet
justitiële jeugdinrichtingen aanspraak bestaat. Onder vreemdeling wordt in dit
artikel verstaan hetgeen daaronder wordt verstaan in de Vreemdelingenwet 2000.
Vanzelfsprekend vloeien de inhoudelijke criteria voor de beslissing tot
acceptatie rechtstreeks voort uit de taken van het bureau jeugdzorg, in dit
geval de indicatietaak zoals omschreven in artikel 5 Wjz:
Artikel 5 Wjz
1. De stichting heeft tot taak te bezien of een cliënt zorg nodig heeft in
verband met opgroei-, opvoedings- of psychiatrische problemen, dan wel in
verband met problemen van een cliënt, niet zijnde een jeugdige, die het
onbedreigd opgroeien van een jeugdige belemmeren. 2. Tot de taak, bedoeld in het
eerste lid, behoort het vaststellen of een cliënt is aangewezen op: a.
jeugdzorg waarop ingevolge deze wet aanspraak bestaat, b. zorg, bestaande uit
bij algemene maatregel van bestuur aan te wijzen vormen van geestelijke
gezondheidszorg voor jeugdigen waarop ingevolge de Algemene Wet Bijzondere
Ziektekosten aanspraak bestaat, c. zorg, bestaande uit bij algemene maatregel
van bestuur aan te wijzen vormen van zorg voor verstandelijk gehandicapte
jeugdigen waarop ingevolge de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten aanspraak
bestaat, en d. jeugdzorg waarop ingevolge artikel 11a van de Beginselenwet
justitiële jeugdinrichtingen aanspraak bestaat. 3. De stichting oefent de taak,
bedoeld in het eerste lid, uit op verzoek van een cliënt of uit eigen beweging.
4. Uitgangspunt bij het uitoefenen van de taak, bedoeld in het eerste lid, is
dat zorg het belang van een onbedreigde ontwikkeling van een jeugdige dient.
Deze zorg is in verband hiermee niet ingrijpender dan noodzakelijk en wordt
geboden zo dicht mogelijk bij de plaats waar de cliënt duurzaam verblijft en
gedurende een zo kort mogelijke periode.
5. In
afwijking van artikel 8:7 van de Algemene wet bestuursrecht is voor beroepen op
grond van die wet tegen beschikkingen, gegeven op grond van artikel 5, tweede
lid, of artikel 6, vierde lid, bevoegd de kinderrechter binnen het rechtsgebied
waarvan de stichting haar zetel heeft. In de Memorie van Toelichting wordt nader
uiteengezet om wat voor soort zorg het gaat (artikelsgewijze toelichting bij
artikel 5):
Memorie van
Toelichting, artikelsgewijs
artikel 5
Dit artikel bevat de indicatietaak van de stichting. De stichting moet
vaststellen op welke Processen bureau jeugdzorg Versie 2 Definitief 18 mei 2005
24 jeugdzorg een cliënt is aangewezen. De stichting oefent ingevolge het
voorgestelde tweede lid, deze taak niet alleen uit ten aanzien van jeugdzorg
waarop ingevolge de onderhavige wet aanspraak bestaat, maar ook voor bij
algemene maatregel van bestuur aan te geven AWBZ-verstrekkingen voor jeugdigen.
Het betreft de jeugd-GGZ en de zorg voor verstandelijk gehandicapte jeugdigen
met opgroei- of opvoedingsproblemen. De jeugd-GGZ zal de zorg omvatten die wordt
geboden door de jeugdafdelingen van de Riagg, de poliklinieken en
jeugdafdelingen van algemene psychiatrische ziekenhuizen, de poliklinieken en
jeugdafdelingen psychiatrie van academische ziekenhuizen en poliklinieken en
klinieken van instellingen voor kinder- en jeugdpsychiatrie. In de sfeer van de
zorg voor verstandelijk gehandicapten zullen worden aangewezen die vormen van
hulp die inspelen op opgroei- of opvoedingsproblemen. De indicatietaak betreft
ook de jeugdzorg waarop ingevolge de Beginselenwet justitiële jeugdinrichtingen
aanspraak bestaat (zie artikel 77, onderdeel D). (...) De taak beperkt zich
evenwel niet tot het vaststellen van zorg waarop aanspraak bestaat. In de derde
nota van wijziging is deze taak breder gedefinieerd. In de artikelsgewijze
toelichting bij deze nota wordt de indicatietaak verder omschreven: Met de
herformulering wordt de indruk dat indiceren alleen inhoudt het vaststellen van
de zorg waarop aanspraak bestaat, weggenomen. Eerste, tweede en derde lid. In
het eerste lid wordt de kerntaak van het bureau jeugdzorg beschreven, namelijk
het bezien of een cliënt zorg nodig heeft in verband met opgroei- of opvoedings-
of psychiatrische problemen dan wel in verband met problemen van cliënten, niet
zijnde een jeugdige, die het onbedreigd opgroeien van een jeugdige belemmeren.
In de omschrijving staat het onbedreigd opgroeien van een jeugdige centraal. Het
onbedreigd opgroeien van een jeugdige kan belemmerd worden door problemen
gelegen bij de jeugdige zelf (bijvoorbeeld problematiek gerelateerd aan de
leeftijdsfase of een psychische stoornis), maar ook door problemen van
bijvoorbeeld de ouders of pleegouders met de opvoeding. Tot slot kan sprake zijn
van problemen van de ouders zelf. Hierbij kan gedacht worden aan
verslavingsproblematiek of depressiviteit. Regelmatig zal ook een combinatie van
bovengenoemde factoren aan de orde zijn. Dit betekent dat het bureau jeugdzorg
ook kan verwijzen naar andere zorg dan bedoeld in art. 5, lid 2 Wjz. Zie
hiervoor de begeleidende tekst bij Vaststellen
benodigde zorg. Zie verder de begeleidende tekst bij de eerste stap van dit
proces: Uitvoeren eerste
oordeelsvorming. Processen bureau jeugdzorg Versie 2 Definitief 18 mei 2005
25
3.1. Uitvoeren
eerste oordeelsvorming
A. Algemeen
Processen bureau jeugdzorg Versie 2 Definitief 18 mei 2005 26 Deze stap moet
worden gezien als het eerste gesprek dat plaatsvindt tussen de mogelijke cliënt
en het bureau jeugdzorg. Natuurlijk kan de mogelijke cliënt al bekend zijn bij
het bureau. In dat geval zal het gehele proces van aanmelding en acceptatie snel
kunnen verlopen. Gedurende de eerste oordeelsvorming worden in ieder geval vier
vragen beantwoord, aan de hand waarvan verdere stappen gezet worden in het
proces: • is de mogelijke cliënt 'aan het goede adres'? ("Voor BJz?")
• is er sprake van een crisissituatie? • blijkt na enige tijd dat de cliënt
voldoende geholpen is? • zo nee, is verdere hulp of onderzoek door het BJz
nodig? De volgorde waarin deze vragen in het model zijn opgenomen is natuurlijk
niet toevallig, maar moet ook weer niet zodanig worden opgevat dat ze altijd in
deze volgorde aan de orde zullen komen. Een crisissituatie zal in de regel snel
herkend worden, en daarmee zal dan de voorgaande vraag – is de mogelijke cliënt
aan het goede adres – als vanzelf beantwoord zijn.
B. De vragen
B.1 Is de cliënt
aan het goede adres? ("Voor BJz?")
In de Memorie van Toelichting wordt omschreven wat de doelgroep is van het
bureau jeugdzorg: De doelgroep van de jeugdzorg bestaat uit jeugdigen, hun
ouders, stiefouders en anderen, die een jeugdige als behorend tot hun gezin
verzorgen en opvoeden. Pleegouders die in het kader van de jeugdzorg pleegzorg
bieden, zijn in die hoedanigheid geen cliënt. Zij maken immers onderdeel uit
van het aanbod. Zij kunnen echter wel een behoefte hebben aan jeugdzorg als het
pleegkind in hun gezin opgroei- of opvoedingsproblemen heeft. Alleen in dat
geval zijn zij cliënt en vallen zij onder 'anderen' uit de definitie van
jeugdzorg. Wanneer het pleegkind langdurig in het pleeggezin verblijft, zouden
zich immers opgroei- en opvoedproblemen voor kunnen doen die door het bureau
jeugdzorg gediagnosticeerd moeten worden (hierover meer in de toelichting op
artikel 1). De vraag is op te splitsen in twee vragen: • kan de mogelijke cliënt
op formele gronden als cliënt worden aangemerkt? • kan de mogelijke cliënt
op inhoudelijke gronden als cliënt worden aangemerkt? De formele gronden zijn
te herleiden uit de begripsbepalingen in de wet voor "jeugdige" en
"cliënt" (art1. resp. sub b. en sub d., Wjz) en uit art. 3, lid 1 en
2, Wjz.
Artikel 1, sub b
en d, Wjz
In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: b.
jeugdige: een in Nederland verblijvende persoon die: Processen bureau jeugdzorg
Versie 2 Definitief 18 mei 2005 27 1 de meerderjarigheidsleeftijd nog niet heeft
bereikt, 2 de meerderjarigheidsleeftijd heeft bereikt en ten aanzien van wie op
grond van artikel 77c van het Wetboek van Strafrecht recht is gedaan
overeenkomstig de artikelen 77g tot en met 77gg van het Wetboek van Strafrecht,
of 3 de meerderjarigheidsleeftijd doch niet de leeftijd van drieëntwintig jaren
heeft bereikt, en voor wie voortzetting van jeugdzorg, die was aangevangen of
waarvan de aanvraag, bedoeld in artikel 7, eerste lid, was ingediend vóór het
bereiken van de meerderjarigheidsleeftijd, noodzakelijk is of voor wie, na beëindiging
van jeugdzorg die was aangevangen vóór het bereiken van de
meerderjarigheidsleeftijd, binnen een termijn van een half jaar hervatting van
jeugdzorg noodzakelijk is; d. cliënt: een jeugdige, zijn ouders of stiefouder
of anderen die de jeugdige als behorend tot hun gezin verzorgen en opvoeden;
Artikel 3 Wjz, lid
1 en 2
1. Cliënten, behoudens niet rechtmatig in Nederland verblijvende vreemdelingen,
hebben aanspraak op jeugdzorg. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur
worden aard, inhoud en omvang van de jeugdzorg waarop aanspraak bestaat,
geregeld. Ingevolge deze wet bestaat geen aanspraak op jeugdzorg waarop
ingevolge de Beginselenwet justitiële jeugdinrichtingen aanspraak bestaat.
Onder vreemdeling wordt in dit artikel verstaan hetgeen daaronder wordt verstaan
in de Vreemdelingenwet 2000. 2. Gedeputeerde staten van de provincie waarin de
jeugdige voorafgaand aan de aanvang van de jeugdzorg, duurzaam verblijft, dragen
ervoor zorg dat cliënten hun aanspraak op jeugdzorg als bedoeld in het eerste
lid, tot gelding kunnen brengen. De inhoudelijke gronden hangen samen met de
taak van het bureau jeugdzorg. Het gaat er hier om of het bureau jeugdzorg de
aangewezen instantie is om iets te doen met de vraag, de klacht of het probleem
waarmee de mogelijke cliënt aanklopt bij het bureau. De criteria zijn te
herleiden uit de begripsbepaling in de wet voor "jeugdzorg" in art. 1
sub c, Wjz:
Artikel 1, sub c,
Wjz
In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: c.
jeugdzorg: ondersteuning van en hulp aan jeugdigen, hun ouders, stiefouders of
anderen, die een jeugdige als behorende tot hun gezin verzorgen en opvoeden, bij
opgroei- of opvoedingsproblemen of dreigende zodanige problemen; De Memorie van
Toelichting geeft een nader antwoord op de vraag wat jeugdzorg is en voor wie
deze zorg bedoeld is: Het begrip jeugdzorg wordt in artikel 1 van het
wetsvoorstel breed gedefinieerd als ondersteuning van en hulp aan jeugdigen, hun
ouders, stiefouders of anderen, die een jeugdige als behorende tot hun gezin
verzorgen en opvoeden, bij opgroei- en Processen bureau jeugdzorg Versie 2
Definitief 18 mei 2005 28 opvoedingsproblemen of dreigende zodanige problemen.
De definitie geeft de grenzen aan van jeugdzorg. Jeugdzorg is ingevolge deze
definitie hulp en steun bij opgroei- en opvoedingsproblemen of dreigende
zodanige problemen. Dit betekent dat jeugdzorg geen antwoord behoeft te bieden
op simpele opvoedingsvragen zoals hoeveel slaap heeft een kind van twee jaar
eigenlijk nodig. Het gaat om situaties waarin de opvoeding problematisch dreigt
te worden. Dit zijn situaties waarin ouders niet in staat zijn geheel
zelfstandig aan problemen van een jeugdige waarvoor zij verantwoordelijk zijn
het hoofd te bieden. Ouders kunnen onmachtig zijn een kind op te voeden,
waardoor problemen ontstaan. Ook kunnen zich in een normaal verlopende
opvoedingssituatie opgroei- en opvoedingsproblemen voordoen. In zulke situaties
biedt de jeugdzorg hulp en ondersteuning. Wanneer is vastgesteld dat de
mogelijke cliënt een hulpvraag heeft met betrekking tot jeugdzorg en daarmee
geholpen wil dan wel moet worden, heeft acceptatie
plaatsgevonden en dient een aantal zaken te worden geregistreerd. Welke
zaken dat zijn, is vastgelegd in het Besluit beleidsinformatie jeugdzorg. Zie
hiervoor de toelichting bij de activiteit Registreren
gegevens in dit proces. Wanneer blijkt dat de mogelijke cliënt 'aan het
verkeerde adres' is, wordt het proces afgesloten. Eventueel kan de cliënt
worden verwezen naar een instantie waar hij of zij met zijn vraag, klacht of
probleem terecht zou kunnen. In het processchema is dit weergegeven als verwijzen.
B.2 Is er sprake
van een crisissituatie?
Wanneer er sprake is (of lijkt te zijn) van een crisissituatie, gaat het proces
verder zoals omschreven bij Behandelen
crisissituaties. De procesbeschrijving is te vinden onder Bijzondere
situaties.
B.3 Blijkt na
enige tijd dat voldoende hulp geboden is?
Het kan zijn dat tijdens het gesprek tussen de cliënt en een hulpverlener van
het bureau blijkt dat de cliënt zich voldoende geholpen voelt en weer
zelfstandig 'verder kan'. In dat geval wordt een beperkt aantal gegevens
geregistreerd en wordt het proces afgesloten.
B.4 Is verdere
hulp of onderzoek door het BJz nodig?
Wanneer blijkt dat de vraag, de klacht of het probleem van de cliënt meer vergt
dan het lopende gesprek, is de vraag of een verwijzing naar het lokale veld
voldoet, dan wel of het bureau jeugdzorg verdere hulp of onderzoek moet bieden.
In het eerste geval wordt de cliënt gewezen op de mogelijkheid zich te wenden
tot een aanbieder van zorg in het lokale veld. In het tweede geval wordt aan de
cliënt verteld wie zijn of haar contactpersoon zal zijn en wordt een afspraak
gemaakt voor verder contact. Processen bureau jeugdzorg Versie 2 Definitief 18
mei 2005 29
3.2. Voor BJz?
Beoordeeld is of de cliënt bij het bureau jeugdzorg aan het goede adres is. •
Indien de cliënt 'voor het BJz is' , is bepaald of het een crisissituatie
betreft. • Indien de cliënt niet 'voor het BJz is', wordt de cliënt
verwezen.
3.3. Eventueel
verwijzen
Het proces wordt afgesloten. Eventueel kan de cliënt worden verwezen naar een
andere instantie waar hij met zijn vraag, klacht of probleem terecht kan. Het
kan dan bijvoorbeeld gaan om een consultatiebureau, budgetteringsondersteuning
e.d..
3.4.
Crisissituatie?
Beoordeeld is of het een crisissituatie betreft. • Indien het een
crisissituatie betreft, wordt het proces Behandelen crisissituaties gestart. •
Indien het géén crisissituatie betreft, is beoordeeld of er al voldoende hulp
geboden is.
3.5. Voldoende
hulp geboden?
Beoordeeld is of op dit moment voldoende hulp is geboden. • Indien voldoende
hulp geboden is, worden de benodigde gegevens geregistreerd. • Indien nog niet
voldoende hulp is geboden, is beoordeeld of verdere hulp dan wel onderzoek van
het bureau jeugdzorg nodig is.
3.6. Verdere
hulp/onderzoek van BJz nodig?
Beoordeeld is of er nog verdere hulp dan wel onderzoek van het bureau jeugdzorg
nodig is. • Indien er nog verdere hulp/onderzoek van het bureau jeugdzorg
nodig is, wordt een contactpersoon benoemd. • Indien er géén verdere
hulp/onderzoek van het bureau jeugdzorg nodig is, worden de benodigde gegevens
geregistreerd.
3.7. Verstrekken
informatie aan cliënt en benoemen contactpersoon
In het Uitvoeringsbesluit WJz wordt gesteld dat het bureau de cliënt informatie
dient te verstrekken (artikel 27). Bovendien stelt de Wet op de jeugdzorg in
artikel 13, lid 8, dat ten aanzien van de cliënt een contactpersoon dient te
worden aangewezen. In het Processen bureau jeugdzorg Versie 2 Definitief 18 mei
2005 30 referentiewerkmodel wordt ervan uitgegaan dat wanneer het gaat om een
voogdij- of jeugdreclasseringstaak, de contactpersoon waarvan in het besluit
sprake is, de voogdijwerker of de reclasseringswerker is. Deze combinatie van
taken is evenwel alleen verplicht voor de gezinsvoogdijtaak.
Artikel 27
Uitvoeringsbesluit Wjz
1. De stichting informeert de cliënt over de taken en werkwijze van het bureau
jeugdzorg en over zijn rechten. De informatie wordt in begrijpelijke vorm
verschaft. 2. De stichting maakt de cliënt duidelijk welke taak het bureau
jeugdzorg ten aanzien van hem uitoefent.
Artikel 13, lid 8,
Wjz
De stichting wijst ten aanzien van een cliënt een contactpersoon aan. De
contactpersoon is aanspreekpunt voor de cliënt gedurende de gehele periode
waarin de stichting een van haar wettelijke taken ten aanzien van de cliënt
uitoefent. De contactpersoon bevordert de continuïteit in de taakuitvoering van
het bureau jeugdzorg ten aanzien van de cliënt en is de persoon die de cliënt
in voorkomende gevallen jeugdzorg als bedoeld in artikel 10, derde lid, onder b,
verleent. Zo mogelijk wijst de stichting bij de taakuitvoering ten aanzien van
de cliënt in volgende gevallen dezelfde contactpersoon aan. De toelichting
stelt hierover (onder kopje 3. Algemene eisen): Het bureau jeugdzorg is
verplicht de cliënt informatie te verstrekken over de taken en werkwijze van
het bureau jeugdzorg en over zijn rechten. Deze informatie moet in begrijpelijke
vorm worden verschaft. Het is immers van belang dat de cliënt weet wat het
bureau jeugdzorg voor hem wel en niet kan doen en ook welke bevoegdheden het
bureau in zijn algemeenheid heeft. Daar hoort het niet bij te blijven, de cliënt
zal moeten weten in welke hoedanigheid hij met het bureau te maken heeft en
welke bevoegdheden het bureau jegens hem heeft. Dit laatste is vooral van belang
als het gaat om de justitiële taken, waarbij de relatie cliënt bureau alles
behalve vrijblijvend is. In verband hiermee is bovendien geregeld dat een cliënt
binnen het bureau jeugdzorg een contactpersoon toegewezen zal moeten krijgen. De
contactpersoon fungeert als aanspreekpunt voor de cliënt, opdat de cliënt snel
en eenvoudig antwoord kan krijgen op vragen over bijvoorbeeld de voortgang van
het indicatietraject of over het waarom van onderzoeken die het bureau nodig
acht. De contactpersoon hoeft niet een medewerker te zijn die uitsluitend deze
taak ten opzichte van de cliënt heeft. Een combinatie van functies ligt voor de
hand. Artikelsgewijs stelt de toelichting voorts:
Artikel 27
Uitvoeringsbesluit Wjz
Processen bureau jeugdzorg Versie 2 Definitief 18 mei 2005 31 Een goede
informatieverstrekking door het bureau jeugdzorg is voor de cliënt van groot
belang. Deze bepaling strekt daartoe. In het eerste lid is een algemene
informatieplicht voor de stichting geformuleerd. Deze informatieplicht omvat
zowel informatie over de taken als over de werkwijze van het bureau jeugdzorg.
Voorts kan gedacht worden aan informatie over bijvoorbeeld het aanvragen van een
indicatiebesluit, de contactpersoon, de vertrouwenspersoon, het verwerken van
gegevens en de regeling voor de behandeling van klachten. In het tweede lid is
een specifieke informatieplicht opgenomen. Te allen tijde dient het de cliënt
duidelijk te zijn welke taak het bureau jeugdzorg ten aanzien van hem uitoefent.
Het is voor een cliënt namelijk een essentieel verschil of de medewerker van
het bureau jeugdzorg bijvoorbeeld een gesprek met de cliënt voert in het kader
van een ondertoezichtstelling (artikel 10, eerste lid, onder b van de wet) of
een gesprek in het kader van de taak vaststellen op welke zorg de cliënt is
aangewezen (artikel 5, eerste lid van de wet). Naar de cliënt toe moet het
altijd duidelijk zijn welke taak die het bureau ten aanzien van hem uitvoert.De
verschillende taken brengen immers verschillende bevoegdheden mee.
Artikel 13, lid 8,
Wjz
Dit artikel regelt dat de stichting een contactpersoon ten aanzien van de cliënt
aanwijst. De cliënt kan bij hem terecht met alle vragen (aanspreekpunt) die hij
heeft over bijvoorbeeld procedures binnen het bureau jeugdzorg zoals de aanvraag
van een indicatiebesluit of een verwijzing naar voorliggende voorzieningen. Er
worden geen nadere regels gesteld over de taakomschrijving, deskundigheid etc.
van deze contactpersoon. Het bureau jeugdzorg zal hieraan zelf invulling moeten
geven. Wel zal het bureau jeugdzorg in de beschrijving van zijn werkwijze moeten
verantwoorden op welke wijze invulling wordt gegeven aan deze verplichting
(artikel 13, eerste lid, van de wet). De contactpersoon is geen specifieke
functionaris. De contactpersoon kan degene zijn, die reeds contact heeft met de
cliënt, maar dit hoeft niet. Het is mogelijk om bij de uitvoering van
verschillende taken met betrekking tot één en dezelfde cliënt of cliëntsysteem
een andere medewerker als contactpersoon aan te wijzen al dan niet op verzoek
van de cliënt zelf. Zo kan de gezinsvoogd tevens als contactpersoon voor de
jeugdige en zijn ouders optreden, terwijl ze in een voortraject mogelijk al een
andere contactpersoon hadden. Een vergelijkbare situatie kan zich voordoen bij
het verlenen van steun bij het tot gelding brengen van een aanspraak.
3.8. Maken eerste
afspraak cliënt
Met de cliënt wordt een afspraak gemaakt voor een volgend gesprek. Het proces
gaat verder bij Analyse en opstellen diagnostisch beeld.
3.9. Verwijzen
voorliggende voorzieningen
De cliënt wordt verwezen naar voorliggende voorzieningen. Processen bureau
jeugdzorg Versie 2 Definitief 18 mei 2005 32
3.10. Registreren
gegevens
Deze registratiestap wordt uitgevoerd nadat: • de cliënt heeft aangegeven met
het aanmeldingsproces voldoende hulp te hebben gehad, of • nadat de cliënt in
het aanmeldingsproces is doorverwezen naar het lokale veld. In het Besluit
beleidsinformatie bureau jeugdzorg wordt een aantal algemene gegevens genoemd
die door het bureau jeugdzorg verwerkt moeten worden. N.B.: Niet alle gegevens
die voortvloeien uit de opsomming in dit artikel zullen op dit moment van het
proces al bekend zijn. Aangezien dit echter de plek in het referentiewerkmodel
is waarop de geïndiceerde zorg aanvangt, is het registratiemoment hier
opgenomen.
Artikel 2
1. Voor de verwerking van de gegevens, bedoeld in artikel 42 van de wet,
registeert de stichting bij de aanvang van de eerste van een van de taken,
bedoeld in artikel 5, eerste lid, of artikel 10, eerste lid, onder e tot en met
j, of derde lid, onder b, van de wet de volgende gegevens: a. de datum van
aanmelding van de cliënt; b. het vervolg dat de stichting geeft aan de
aanmelding; c. in voorkomende gevallen het beroep van de beroepsmatig met de cliënt
werkzame persoon of de instantie die de cliënt heeft aangemeld of de cliënt
ertoe heeft bewogen zich aan te melden. 2. Onverminderd het eerste lid
registreert de stichting per jeugdige bij de aanvang van de eerste van een van
de taken, bedoeld in artikel 5, eerste lid, of artikel 10, eerste lid of derde
lid, onder b, van de wet de volgende gegevens: a. de geboortedatum; b. het
geslacht; c. het geboorteland of de geboortestreek, alsmede het geboorteland of
de geboortestreek van zijn ouders; d. de dagbesteding; e. de leefsituatie; f. de
gemeente van inschrijving in het bevolkingsregister; g. het adres in de gemeente
van inschrijving in het bevolkingsregister; h. de verblijfplaats indien deze
afwijkt van het adres, bedoeld onder f i. de al dan niet rechtmatigheid van het
verblijf in Nederland, indien de jeugdige een vreemdeling als bedoeld in de
Vreemdelingenwet 2000 is. 3. Voor zover taken bedoeld in artikel 10, eerste lid,
onder a tot en met d, van de wet pas aanvangen nadat voor een cliënt toepassing
is gegeven aan het eerste of het tweede lid voor een van de taken, bedoeld in
artikel 10, eerste lid, onder e tot en met j, of het derde lid, onder b, van de
wet, registreert de stichting voorts op het moment dat die taken aanvangen over
de jeugdige: Processen bureau jeugdzorg Versie 2 Definitief 18 mei 2005 33 a. de
dagbesteding; b. de leefsituatie; c. de gemeente van inschrijving in het
bevolkingsregister; d. het adres in de gemeente van inschrijving in het
bevolkingsregister; e. de verblijfplaats indien deze afwijkt van het adres,
bedoeld onder d. Om te kunnen voldoen aan de registratie-eisen in dit artikel
zullen minimaal de gegevens als bedoeld onder a. van dit artikel moeten worden
vastgelegd.
3.11. Afsluiten
Het proces Aanmelding en Acceptatie wordt afgesloten. Processen bureau jeugdzorg
Versie 2 Definitief 18 mei 2005 34
4. Reageren op
signaal van derde
A. Algemeen
Niet alleen (mogelijke) cliënten nemen contact op met het bureau jeugdzorg, ook
anderen kunnen om de aandacht van het bureau vragen. Dit kunnen personen zijn
die aandacht vragen voor een mogelijke probleemsituatie die zij in hun omgeving
onderkennen, professionals uit voorliggende voorzieningen die om advies vragen
(zie in dit verband art. 10, lid 3, onder b, Wjz), personen die een vermoeden
van kindermishandeling willen melden, etc. Het is ook mogelijk dat het bureau
jeugdzorg een signaal krijgt uit 'het netwerk', min of meer via via, van
mogelijke probleemsituaties. Afhankelijk van de aard en herkomst van het
signaal, zal het bureau jeugdzorg stappen moeten ondernemen. De verschillende
'routes' zijn in dit deel van het procesmodel weergegeven. Het proces kan worden
gezien als een invulling van de 'outreachende' taak van het bureau jeugdzorg.
Deze taak staat omschreven in de derde nota van wijziging:
3. Optreden bij
signalen van derden over een voor een jeugdige bedreigende situatie
In veel gevallen zullen ouders en jeugdigen zelf hulp zoeken als zij zich
realiseren dat zij problemen hebben waaraan zij niet zonder hulp van buitenaf
het hoofd kunnen bieden. Zij zullen in eerste instantie hulp zoeken in de
directe omgeving bij familie of vrienden of bij lokale voorzieningen als het
consultatiebureau of het algemeen maatschappelijk werk. (...). Als zij er op die
manier niet uitkomen – en dan kunnen we spreken van ernstige problemen -
kunnen zij zich wenden tot het bureau jeugdzorg. (...). Niet alle ouders en
jeugdigen realiseren zich echter dat er sprake is van een probleemsituatie. Er
zijn gevallen waarbij het probleeminzicht van de ouders en/of de jeugdige
ontbreekt. Regelmatig constateren voorzieningen als scholen, consultatiebureaus
of het algemeen maatschappelijk werk, opgroei- en opvoedingsproblemen of een
gezinssituatie die gemakkelijk tot dergelijke problemen kan leiden. Als deze
zodanig zijn dat deze voorzieningen er weinig mee kunnen doen, kan zorg in de
sfeer van jeugdzorg waarop aanspraak bestaat, geestelijke gezondheidszorg voor
jeugdigen of soms zelfs jeugdzorg in een justitiële jeugdinrichting, nodig
zijn. Voorgesteld wordt om het bureau jeugdzorg de taak (artikel 5, derde lid)
te geven om contact te zoeken met het gezin op basis van ontvangen signalen van
derden indien sprake is van een voor een jeugdige bedreigende situatie. Het
wordt dan mogelijk hulpverlening op gang te brengen bij gezinnen, die niet zelf
hulp zoeken. In het wetsvoorstel, zoals dit tot de onderhavige nota van
wijziging luidde, was een dergelijke taak niet expliciet in het wetsvoorstel
opgenomen. Met de nota van wijziging wordt het een expliciete taak van het
bureau jeugdzorg actief te reageren op een signaal van een mogelijke bedreiging
van een Processen bureau jeugdzorg Versie 2 Definitief 18 mei 2005 35 kind. De
beoordeling of van een dergelijke situatie sprake is, ligt bij het bureau
jeugdzorg. Het bureau jeugdzorg zal contact op moeten nemen met betrokkenen en
hen motiveren de problemen onder ogen te zien, met hen nagaan welke hulp nodig
is en hen motiveren tot het aanvaarden van hulp. De activiteiten van het bureau
zijn in principe dezelfde als bij cliënten die zelf om hulp vragen. Alleen komt
er bij deze cliënten bij dat zij er van overtuigd moeten worden dat er
problemen zijn en dat er iets moet gebeuren. In deze gevallen zal het proces van
indicatiestelling een hulpverleningskarakter aannemen, maar het blijft een
onderdeel van indicatiestelling. Dit betekent dat het altijd moet gaan om het
zoeken naar het antwoord op de vraag of, en zo ja welke zorg een cliënt nodig
heeft. Is de hulp zodanig urgent dat voor dat laatste geen tijd is of
betrokkenen niet bereid zijn mee te werken, dan kan een maatregel van
kinderbescherming geboden zijn en dient de raad voor de kinderbescherming
hiervan in kennis te worden gesteld teneinde te onderzoeken of een maatregel van
kinderbescherming moet worden gevraagd. In verband hiermee is de kerntaak van
het bureau jeugdzorg geherformuleerd tot: “bezien of een cliënt zorg nodig
heeft in verband met opgroei- of opvoedingsproblemen of in verband met problemen
van cliënten, niet zijnde een jeugdige, die het onbedreigd opgroeien van een
jeugdige belemmeren” (artikel 5, eerste lid). Deze omschrijving is breder dan
de oorspronkelijk voorgestelde en sluit beter aan bij het takenpakket dat het
bureau jeugdzorg heeft. De tekst van het wetsvoorstel was erg gericht op het
toetsen van de noodzaak van zorg als bedoeld in artikel 5, tweede lid. De tekst
is zodanig aangepast dat het bureau jeugdzorg nu de algemene taak heeft om te
beoordelen of, en zo ja, welke zorg cliënt nodig heeft. Het gaat daarbij niet
alleen om aanspraken in de sfeer van de Wet op de jeugdzorg, de AWBZ, of de
Beginselenwet justitiële jeugdinrichtingen of om andere jeugdzorg, maar nu ook
om vormen van zorg ter oplossing van problemen die buiten de directe opvoeding(srelatie)
liggen, maar wel op de opvoeding van invloed (kunnen) zijn. De herformulering
van de kerntaak van het bureau jeugdzorg en zijn taak om eigener beweging
contact op te nemen met een gezin is uitdrukkelijk niet bedoeld om een onderzoek
te starten naar de noodzaak van een kinderbeschermingsmaatregel zoals de raad
voor de kinderbescherming dat uitvoert. Het onderzoek naar de noodzaak van een
kinderbeschermingsmaatregel en het entameren daarvan bij de rechter is en blijft
voorbehouden aan de raad voor de kinderbescherming. Wel is het bedoeld om de
leemte tussen zorg op verzoek van de cliënt en de zorg afgedwongen door een
kinderbeschermingsmaatregel op te vullen. Wij willen voorkomen dat een bureau
jeugdzorg niets kan doen zonder toestemming van de cliënt en dat de enige
uitzondering daarop een maatregel van kinderbescherming is. Er zijn situaties
dat er nog geen titel voor een kinderbeschermingsmaatregel is, maar hulp wel
noodzakelijk is. Met de wijziging wordt de lacune tussen een maatregel en de
constatering dat hulp nodig is, opgevuld. Op het moment dat het bureau jeugdzorg
contact opneemt met de cliënt, is deze niet verplicht hieraan gehoor te geven.
Door een outreachende aanpak van het bureau jeugdzorg kan dit Processen bureau
jeugdzorg Versie 2 Definitief 18 mei 2005 36 echter wel bevorderd worden.Het
gaat er met andere woorden om dat vroegtijdige signalering van ernstige opgroei-
en opvoedingsproblemen snel kan leiden tot passende zorg. Het liefst in een
vrijwillig kader, maar als het niet anders kan in het kader van een maatregel
van kinderbescherming. Het bureau jeugdzorg zal er alert op moeten zijn of er
aanleiding is een maatregel van kinderbescherming te overwegen. De raad voor de
kinderbescherming zal daarvan in kennis moeten worden gesteld, waarna de raad
een onderzoek naar de noodzaak van een kinderbeschermingsmaatregel kan starten.
(...).
B.
Registratie-eisen
In de wet- en regelgeving zijn geen eisen opgenomen over het verwerken van
gegevens ten aanzien van dit proces. Processen bureau jeugdzorg Versie 2
Definitief 18 mei 2005 37 Processen bureau jeugdzorg Versie 2 Definitief 18 mei
2005 38
4.1. Bepalen
herkomst en aard signaal
De eerste stap in dit proces is dat bepaald wordt van wie het signaal afkomstig
is (bijvoorbeeld een professional, iemand uit het netwerk van de mogelijke cliënt,
politie) en wat de aard van het signaal is. Aan de hand daarvan wordt bepaald
hoe verder te handelen. In het model is dit verwoord in drie vragen: • geeft
het signaal aanleiding tot handelen? • lijkt er sprake van een crisissituatie?
• is er reden om (als bureau jeugdzorg) zelf contact op te nemen met de
mogelijke cliënt?
4.2. Geeft signaal
aanleiding tot handelen van het BJz zelf?
Bepaald is of de omschreven situatie aanleiding geeft actie te ondernemen in de
richting van de mogelijke cliënt, hetzij als BJz, hetzij via degene van wie het
signaal afkomstig is. • Indien dit het geval is, gaat het proces verder bij de
volgende beslisstap: Lijkt er sprake te
zijn
van een
crisissituatie
• Indien er geen aanleiding tot verdere actie is, wordt het proces afgesloten.
Dit wordt gemeld aan degene van wie het signaal afkomstig is, eventueel
vergezeld van een advies.
4.3. Lijkt er
sprake van crisissituatie?
Bij de beoordeling van de aard en de herkomst van het signaal is duidelijk
geworden dat het signaal aanleiding geeft tot actie. Bovendien is bepaald of het
al dan niet gaat om een crisissituatie. • Wanneer er inderdaad van een
crisissituatie sprake is, wordt gehandeld zoals omschreven in het proces Behandelen
crisissituaties onder Bijzondere
situaties.
• Wanneer er geen sprake lijkt te zijn van een crisis (maar er wel actie
ondernomen moet worden), gaat het proces verder bij het volgende beslismoment: Is
de melder geholpen met
een inhoudelijk
advies?
4.4. Is de melder
geholpen met een inhoudelijk advies?
Er is een inschatting gemaakt of de melder geholpen is met een inhoudelijk
advies. • Lijkt dit zo te zijn, dan wordt een advies gegeven aan de melder •
Lijkt dit niet zo te zijn, dan gaat het proces verder bij de afvraging of er
redenen zijn als bureau jeugdzorg zelf contact op te nemen met de mogelijke cliënt.
Processen bureau jeugdzorg Versie 2 Definitief 18 mei 2005 39
4.5. Geven
inhoudelijk advies aan melder
De melder krijgt advies.
4.6. Is er reden
zelf contact op te nemen met mogelijke cliënt?
Bij de beoordeling van de aard en herkomst van het signaal is vast komen te
staan dat er aanleiding is voor actie, maar dat het geen crisis betreft.
Bovendien is vastgesteld of er redenen zijn om zelf (als bureau jeugdzorg)
contact op te nemen met de mogelijke cliënt. • Is dit inderdaad het geval,
dan wordt getracht contact op te nemen met de mogelijke cliënt. • Zijn deze
redenen er niet, dan kan (voor dit moment) worden volstaan met een advies aan
degene van wie het signaal afkomstig is. Deze persoon wordt daarbij verzocht
zelf contact op te nemen met de mogelijke cliënt, teneinde hem ertoe te bewegen
zich bij het BJz aan te melden.
4.7. De melder
verzoeken mogelijke cliënt ertoe te bewegen zich aan te melden
Degene van wie het signaal afkomstig is wordt verzocht contact op te nemen met
de mogelijke cliënt en hem ertoe te bewegen zich aan te melden bij het BJz.
Voorzover dat nodig is, wordt de persoon geadviseerd over hoe daarbij gehandeld
kan worden. Als de mogelijke cliënt zich wil gaan melden, dan gaat het proces
verder bij Aanmelding en Acceptatie op het moment dat de cliënt zich
daadwerkelijk meldt bij het bureau jeugdzorg. Als de mogelijke cliënt zich niet
lijkt te willen gaan melden, dan kan het bureau jeugdzorg ervoor (alsnog) kiezen
om zelf contact op te nemen met de mogelijke cliënt.
4.8. Contact
opnemen met mogelijke cliënt
Het bureau jeugdzorg neemt contact op met de mogelijke cliënt. Daarbij
informeert het bureau de mogelijke cliënt zoals omschreven in artikel 27 van
het Uitvoeringsbesluit Wjz (e.e.a. voorzover de mogelijke cliënt hiervoor
ruimte laat):
Artikel 27
Uitvoeringsbesluit Wjz
1. De stichting informeert de cliënt over de taken en werkwijze van het bureau
jeugdzorg en over zijn rechten. De informatie wordt in begrijpelijke vorm
verschaft. 2. De stichting maakt de cliënt duidelijk welke taak het bureau
jeugdzorg ten aanzien van hem uitoefent. De toelichting stelt hierover (onder
kopje 3. Algemene eisen): Het bureau jeugdzorg is verplicht de cliënt
informatie te verstrekken over de taken en Processen bureau jeugdzorg Versie 2
Definitief 18 mei 2005 40 werkwijze van het bureau jeugdzorg en over zijn
rechten. Deze informatie moet in begrijpelijke vorm worden verschaft. Het is
immers van belang dat de cliënt weet wat het bureau jeugdzorg voor hem wel en
niet kan doen en ook welke bevoegdheden het bureau in zijn algemeenheid heeft.
Daar hoort het niet bij te blijven, de cliënt zal moeten weten in welke
hoedanigheid hij met het bureau te maken heeft en welke bevoegdheden het bureau
jegens hem heeft. Artikelsgewijs stelt de toelichting voorts: Een goede
informatieverstrekking door het bureau jeugdzorg is voor de cliënt van groot
belang. Deze bepaling strekt daartoe. In het eerste lid is een algemene
informatieplicht voor de stichting geformuleerd. Deze informatieplicht omvat
zowel informatie over de taken als over de werkwijze van het bureau jeugdzorg.
Voorts kan gedacht worden aan informatie over bijvoorbeeld het aanvragen van een
indicatiebesluit, de contactpersoon, de vertrouwenspersoon, het verwerken van
gegevens en de regeling voor de behandeling van klachten. In het tweede lid is
een specifieke informatieplicht opgenomen. Te allen tijde dient het de cliënt
duidelijk te zijn welke taak het bureau jeugdzorg ten aanzien van hem uitoefent.
Het is voor een cliënt namelijk een essentieel verschil of de medewerker van
het bureau jeugdzorg bijvoorbeeld een gesprek met de cliënt voert in het kader
van een ondertoezichtstelling (artikel 10, eerste lid, onder b van de wet) of
een gesprek in het kader van de taak vaststellen op welke zorg de cliënt is
aangewezen (artikel 5, eerste lid van de wet). Naar de cliënt toe moet het
altijd duidelijk zijn welke taak die het bureau ten aanzien van hem uitvoert. De
verschillende taken brengen immers verschillende bevoegdheden mee. Het verdere
verloop van het proces is afhankelijk van de mate waarin de mogelijke cliënt
medewerking verleent. Zie hiervoor de afvraging Is
er medewerking? in dit proces.
4.9. Geeft het
contact aanleiding tot handelen?
Er is contact opgenomen met een mogelijke cliënt, op grond van een signaal van
een derde. Beoordeeld wordt of de aard van dit voor het BJz aanleiding geeft tot
verder handelen. • Is dit inderdaad het geval, dan gaat het proces verder bij
de volgende afvraging: Is er
medewerking?
• Is er geen aanleiding tot verder handelen, dan wordt dit teruggekoppeld aan
de melder, met een eventueel advies.
4.10.
Terugkoppeling aan melder
De persoon van wie het signaal afkomstig is, wordt gemeld dat het bureau
jeugdzorg op grond van de omschreven situatie geen aanleiding ziet tot verdere
actie. Eventueel kan de persoon geadviseerd worden over hoe verder te handelen.
Processen bureau jeugdzorg Versie 2 Definitief 18 mei 2005 41
4.11. Afsluiten na
conclusie dat handelen niet nodig is
Het proces wordt afgesloten.
4.12. Is er
medewerking?
Duidelijk is geworden of de cliënt ingaat op de uitnodiging van het bureau
jeugdzorg om hulp te aanvaarden. Als er geen medewerking is, rijst de vraag of
het BJz het AMK of de raad voor de kinderbescherming moet inschakelen.
Samengevat voor de afvraging of er medewerking is: • Indien er medewerking is,
dan kan overgegaan worden tot Aanmelding en Acceptatie. • Is de medewerking er
niet, dan gaat het processchema verder bij de vraag of er redenen zijn het AMK
in te schakelen.
4.13. Is er reden
tot inschakelen AMK?
Er is contact opgenomen met een mogelijke cliënt, op grond van een signaal van
een derde. De mogelijke cliënt is evenwel niet geneigd om in te gaan op het
contact. Bezien wordt of er redenen zijn het AMK in te schakelen. • Is dit
inderdaad het geval, dan wordt er een melding gedaan bij het AMK. • Is dit
niet het geval, dan gaat het processchema verder bij de afvraging of er redenen
zijn de raad voor de kinderbescherming in te schakelen.
4.14. Melden bij
AMK
Er vindt interne overdracht binnen het bureau jeugdzorg plaats naar het AMK, in
de vorm van een melding van het vermoeden van kindermishandeling.
4.15. Reden
verzoek tot onderzoek RvdK?
Er is contact opgenomen met een mogelijke cliënt, op grond van een signaal van
een derde. De mogelijke cliënt is evenwel niet geneigd om in te gaan op het
contact. Bezien wordt of er redenen zijn de raad voor de kinderbescherming in te
schakelen. • Is dit inderdaad het geval, dan wordt er een melding gedaan bij
de raad voor de kinderbescherming. • Is dit niet het geval, dan kan het bureau
jeugdzorg verder niets meer doen. Dit wordt teruggemeld aan degene van wie het
signaal afkomstig was, waarbij deze persoon ook geadviseerd kan worden over hoe
verder te handelen. Processen bureau jeugdzorg Versie 2 Definitief 18 mei 2005
42 Bezien of het noodzakelijk is de raad voor de kinderbescherming in te
schakelen is een taak die het BJz voortdurend uitvoert, op grond van artikel 5d
uit de wet.
Artikel 9 Wjz
1. De stichting beziet bij de uitoefening van haar taken voortdurend of een
maatregel met betrekking tot het gezag overwogen dient te worden. 2. Zodra de
stichting tot het oordeel komt dat een maatregel met betrekking tot het gezag
over een minderjarige overwogen dient te worden, stelt zij de raad voor de
kinderbescherming hiervan in kennis. In de derde nota van wijziging wordt een
toelichting gegeven: Het bureau jeugdzorg zal er alert op moeten zijn of er
aanleiding is een maatregel van kinderbescherming te overwegen. De raad voor de
kinderbescherming zal daarvan in kennis moeten worden gesteld, waarna de raad
een onderzoek naar de noodzaak van een kinderbeschermingsmaatregel kan starten.
Bij de onderhavige nota is het wetsvoorstel aangescherpt in die zin dat als
uitdrukkelijke opdracht is geformuleerd dat het bureau jeugdzorg zich
voortdurend de vraag moet stellen of een maatregel op zijn plaats is (artikel
9). De rechtswaarborgen met betrekking tot het treffen van een maatregel van
kinderbescherming zijn uiteraard onverkort gehandhaafd. De wet verplicht
bovendien tot samenwerking van het bureau jeugdzorg met de raad voor de
kinderbescherming. Hieromtrent worden bij of krachtens algemene maatregel van
bestuur regels gesteld (artikel 13, zevende lid). Het is de rechter die de
kinderbeschermingsmaatregel op verzoek van de raad voor de kinderbescherming
oplegt. De rechter moet ingevolge het wetsvoorstel de stichting die het bureau
jeugdzorg in stand houdt aanwijzen als gezinsvoogd of als voogd (artikel 10,
eerste lid, onder a en b). De artikelsgewijze toelichting in de derde nota van
wijziging stelt voorts: In artikel 9 is nadrukkelijker dan het geval was, tot
uitdrukking gebracht dat de stichting bij de uitoefening van al haar taken, dus
niet alleen bij het fungeren als advies- en meldpunt kindermishandeling,
voortdurend beziet of een gezagsmaatregel over een minderjarige nodig kan zijn.
Zodra de stichting tot een dergelijk oordeel komt, is de stichting verplicht de
raad voor de kinderbescherming van deze gevallen in kennis te stellen. Deze
verduidelijking brengt mee dat de specifiek op het fungeren als advies- en
meldpunt kindermishandeling gerichte plicht tot overdracht van een melding aan
de raad voor de kinderbescherming (artikel 11, eerste lid, onder d) kan komen te
vervallen. Aangezien de samenwerking van de stichting met de raad betrekking
heeft op alle taken van de stichting, is het consequent dat de regels die
ingevolge artikel 13, zevende lid, kunnen worden gesteld over de samenwerking
met de raad gelden voor alle taken. De wijziging van artikel 13, zevende lid, en
artikel 238, vijfde lid van Boek 1 Processen bureau jeugdzorg Versie 2
Definitief 18 mei 2005 43 van het Burgerlijk Wetboek strekken hiertoe. Mede
gezien het belang dat de cliënt heeft bij een goede uitoefening van de kerntaak
van het bureau jeugdzorg, namelijk het bezien of de cliënt zorg nodig heeft en
zo ja welke, is het wenselijk dat ook nadere regels worden gesteld over de
uitoefening van de taak, bedoeld in artikel 5, eerste lid. De wijziging van het
zevende lid strekt ook hiertoe.
4.16.
Terugkoppelen aan melder (na conclusie dat contact geen reden geeft tot
handelen)
Er is contact opgenomen met een mogelijke cliënt, op grond van een signaal van
een derde. De mogelijke cliënt is evenwel niet geneigd om in te gaan op het
contact. Bezien is of er redenen waren het AMK of de raad voor de
kinderbescherming in te schakelen, maar voor geen van beide opties zijn gronden
aanwezig gebleken. Het bureau jeugdzorg kan in een dergelijk geval - op dat
moment - niets meer doen. De persoon van wie het signaal afkomstig was, wordt
hiervan op de hoogte gesteld en krijgt eventueel een advies over hoe verder
gehandeld zou kunnen worden.
4.17. Afsluiten na
conclusie dat contact geen aanleiding geeft tot handelen
Het proces reageren op signaal van derde wordt afgesloten. Processen bureau
jeugdzorg Versie 2 Definitief 18 mei 2005 44
5. Analyse en
opstellen diagnostisch beeld
A. Algemeen
In de fase Analyse en Diagnostisch beeld wordt
– heel simpel gesteld – bezien wat er precies aan de hand is met een cliënt
of binnen een cliëntsysteem. Is er een probleem, wat is dat probleem, waardoor
wordt het veroorzaakt of in stand gehouden en in hoeverre kan het cliëntsysteem
op eigen kracht verbetering bereiken in de situatie. Vooral dit laatste aspect
wordt in de wet benadrukt. Zie de beschrijving bij de activiteit Analyseren
situatie van dit proces. De conclusie die voortvloeit uit dit proces, noemen
we in dit model een diagnostisch beeld.
De term diagnose wordt nadrukkelijk
vermeden, omdat die term een smallere betekenis heeft in die zin dat deze vaak
gesteld wordt in termen van een tussen professionals overeengekomen
classificatie. De volgorde van de verschillende stappen komt nogal statisch
over. In werkelijkheid zullen de verschillende inhoudelijke aspecten -
verzamelen informatie, analyseren - meer door elkaar heen lopen.
B.
Registratie-eisen
Het Besluit beleidsinformatie bureau jeugdzorg noemt in artikel 2 een aantal
algemene zaken waarover gegevens moeten worden verwerkt. Dit artikel is ook al
aangehaald bij Registreren
gegevens in het proces Aanmelding en
acceptatie. Daar was registratie van een beperkt deel van deze algemene
gegevens aan de orde. In de fase Analyse
en diagnostisch beeld zal een groter aantal in het besluit genoemde aspecten
geregistreerd moeten worden. Volledigheidshalve wordt het artikel hier nogmaals
weergegeven:
Artikel 2
1. Voor de verwerking van de gegevens, bedoeld in artikel 42 van de wet,
registeert de stichting bij de aanvang van de eerste van een van de taken,
bedoeld in artikel 5, eerste lid, of artikel 10, eerste lid, onder e tot en met
j, of derde lid, onder b, van de wet de volgende gegevens: a. de datum van
aanmelding van de cliënt; b. het vervolg dat de stichting geeft aan de
aanmelding; c. in voorkomende gevallen het beroep van de beroepsmatig met de cliënt
werkzame persoon of de instantie die de cliënt heeft aangemeld of de cliënt
ertoe heeft bewogen zich aan te melden. 2. Onverminderd het eerste lid
registreert de stichting per jeugdige bij de aanvang van de eerste van een van
de taken, bedoeld in artikel 5, eerste lid, of artikel 10, eerste lid of derde
lid, onder b, van de wet de volgende gegevens: a. de geboortedatum; Processen
bureau jeugdzorg Versie 2 Definitief 18 mei 2005 45 b. het geslacht; c. het
geboorteland of de geboortestreek, alsmede het geboorteland of de geboortestreek
van zijn ouders; d. de dagbesteding; e. de leefsituatie; f. de gemeente van
inschrijving in het bevolkingsregister; g. het adres in de gemeente van
inschrijving in het bevolkingsregister; h. de verblijfplaats indien deze afwijkt
van het adres, bedoeld onder f i. de al dan niet rechtmatigheid van het verblijf
in Nederland, indien de jeugdige een vreemdeling als bedoeld in de
Vreemdelingenwet 2000 is. 3. Voor zover taken bedoeld in artikel 10, eerste lid,
onder a tot en met d, van de wet pas aanvangen nadat voor een cliënt toepassing
is gegeven aan het eerste of het tweede lid voor een van de taken, bedoeld in
artikel 10, eerste lid, onder e tot en met j, of het derde lid, onder b, van de
wet, registreert de stichting voorts op het moment dat die taken aanvangen over
de jeugdige: a. de dagbesteding; b. de leefsituatie; c. de gemeente van
inschrijving in het bevolkingsregister; d. het adres in de gemeente van
inschrijving in het bevolkingsregister; e. de verblijfplaats indien deze afwijkt
van het adres, bedoeld onder d. Processen bureau jeugdzorg Versie 2 Definitief
18 mei 2005 46 Processen bureau jeugdzorg Versie 2 Definitief 18 mei 2005 47
5.1. Verzamelen
informatie
De benodigde informatie over de cliënt en zijn/haar situatie wordt verzameld.
Hierbij kan onder meer gedacht worden aan het bijeen brengen van informatie die
al bij de voorliggende voorzieningen bekend is. Wanneer er sprake is geweest van
een aanmelding en acceptatie in het kader van (gezins)voogdij of
jeugdreclassering, behoort ook het rapport van de raad voor de kinderbescherming
tot de hier bedoelde informatie. Voorts kan het ook gaan om gegevens als bedoeld
in artikel 2 van het Besluit beleidsinformatie jeugdzorg. (Zie begeleidende
tekst bij Analyse en opstellen
diagnostisch beeld).
5.2. Analyseren
situatie
A. Algemeen
In de begeleidende tekst bij Aanmelding en acceptatie is de indicatietaak van het bureau
jeugdzorg omschreven: bezien of een cliënt
zorg nodig heeft in verband met opgroei-,
opvoedings- of
psychiatrische problemen, dan wel in verband met problemen van een cliënt, niet
zijnde een jeugdige, die het onbedreigd
opgroeien van de jeugdige belemmeren. (art. 5, lid 1, Wjz) Deze taak is in
dit referentiewerkmodel opgedeeld in twee fasen: Analyse
en opstellen
diagnostisch beeld en Vaststellen
benodigde zorg. De wet maakt dit onderscheid niet expliciet, maar met name
de eisen die worden gesteld aan het indicatiebesluit impliceren wel een
dergelijk onderscheid. Belangrijk is, dat de analyse zich ook moet richten op de
mogelijkheden die het cliëntsysteem zelf heeft om de problemen het hoofd te
bieden (draagkracht en draaglast). Bovendien dienen eventuele psychiatrische
aandoeningen van de jeugdige betrokken te worden in de analyse. Wanneer sprake
is van dergelijke aandoeningen, zal de ernst daarvan moeten worden vastgesteld.
Dit om een goede afbakening te kunnen maken tussen zorg waarop aanspraak bestaat
op grond van de Wet op de jeugdzorg en zorg op grond van de AWBZ. Zie hiervoor
paragraaf 2.3 van deze tekst.
B. Eisen aan het
analyseproces vanuit de wet
In artikel 6, eerste en tweede lid van de wet worden eisen gesteld aan de inhoud
van het indicatiebesluit, dat een aanspraak geeft op geïndiceerde zorg. Artikel
8 stelt daarnaast eisen aan de schriftelijke vastlegging van een verwijzing naar
andere dan geïndiceerde zorg. In feite wordt in de beide artikelen aangegeven
waarop de analyse van het bureau jeugdzorg zich moet richten. Beide artikelen
stellen hiermee eisen aan het proces van analyse en opstellen diagnostisch
beeld. De daarin genoemde inhoud zal immers tijdens deze fase aan de orde moeten
komen. Volledigheidshalve worden beide artikelen hieronder weergegeven.
Processen bureau jeugdzorg Versie 2 Definitief 18 mei 2005 48
Artikel 6, lid 1
en 2, WJz
1. Indien de stichting een besluit neemt, waarbij wordt vastgesteld dat een cliënt
is aangewezen op zorg als bedoeld in artikel 5, tweede lid, geeft zij daarbij in
ieder geval: a. een beschrijving van de problemen of dreigende problemen van de
cliënt, de ernst en de mogelijke oorzaken daarvan; b. een beschrijving van de
in verband daarmee benodigde zorg en het met die zorg beoogde doel; c. de
termijn gedurende welke de aanspraak geldt nadat de in het besluit voorziene
zorg is aangevangen; d. de termijn waarbinnen de aanspraak tot gelding moet zijn
gebracht; e. een advies wie de zorg kan of kunnen verlenen.
2. In
het besluit geeft de stichting aan of coördinatie van de zorg noodzakelijk is
en zo ja, wie deze coördinatie het beste kan uitvoeren.
Artikel 8 WJz
1. Indien de stichting van oordeel is dat zorg, niet zijnde zorg als bedoeld in
artikel 5, tweede lid, noodzakelijk is om een voor een jeugdige bedreigende
situatie te voorkomen, legt de stichting ten behoeve van de cliënt schriftelijk
vast welke zorg zij noodzakelijk acht. Zij geeft daarbij in ieder geval: a. een
beschrijving van de problemen of dreigende problemen van de cliënt en de
mogelijke oorzaken daarvan; b. de mate waarin deze een bedreigende situatie voor
de jeugdige kunnen veroorzaken; c. een beschrijving van de in verband daarmee
benodigde zorg; d. een advies wie de benodigde zorg kan verlenen. 2. Bij de
vastlegging geeft de stichting aan of coördinatie van de zorg noodzakelijk is
en zo ja, wie deze coördinatie het beste kan uitvoeren.
C. Eisen aan het
analyseproces vanuit onderliggende regelgeving
In het Uitvoeringsbesluit Wjz worden nadere eisen gesteld aan het
indicatiebesluit – en daarmee op de aan de orde zijnde aspecten bij het
analyseren van de situatie – ingegaan.
Artikel 30
Uitvoeringsbesluit Wjz
1. Ter uitvoering van de taak, bedoeld in artikel 5, eerste lid, van de wet,
beziet de stichting de problemen van een cliënt en de ernst hiervan. Zij
onderzoekt hiertoe de psychosociale, psychische of gedragsproblemen, dan wel de
psychiatrische aandoening van de jeugdige, de problemen van de cliënt, niet
zijnde de jeugdige die het onbedreigd opgroeien van de jeugdige belemmeren, en
besteedt bovendien aandacht aan de opvoedingssituatie. 2. De stichting betrekt
in haar onderzoek tevens factoren die de ontwikkeling van de jeugdige gunstig beïnvloeden
of kunnen beïnvloeden. Processen bureau jeugdzorg Versie 2 Definitief 18 mei
2005 49
Artikel 32
Uitvoeringsbesluit Wjz
Bij de uitvoering van de taken, bedoeld in de artikelen 5, eerste lid en 10,
eerste lid, onder a tot en met e, van de wet, vindt een multidisciplinaire
beoordeling van de problemen plaats, indien de aard van de problematiek dit
vergt. In de algemene en in de artikelsgewijze toelichting bij het besluit wordt
hierop nader ingegaan:
4. Bezien of een
cliënt zorg nodig heeft
Hiervoor is in verband met de beschrijving van de deskundigheden waarover het
bureau jeugdzorg moet beschikken, reeds uitgebreid ingegaan op het analyseren
van de problemen van de jeugdigen, zijn ouders en het gehele gezin. Op basis van
de analyse zal bepaald moeten worden welke zorg nodig is. Daarbij zullen zowel
de problemen als de positieve factoren een rol moeten spelen. Zoals reeds eerder
aangegeven is, is de vraag welke zorg geboden is, breder dan de vraag of een cliënt
is aangewezen op zorg waarvoor het bureau jeugdzorg de indicatietaak heef. De
uitkomst kan namelijk ook zijn dat andere vormen van zorg zijn aangewezen,
bijvoorbeeld algemeen maatschappelijk werk of verslavingszorg. Gezien de
omschrijving van de aanspraken op grond van de wet in het Besluit
jeugdzorgaanspraken zal altijd moeten worden gekeken naar de probleemoplossende
mogelijkheden van het gezin en de zorg die sociale of professionele steunbronnen
in de directe omgeving van het gezin kunnen bieden.
Artikel 30
Dit artikel beschrijft in enkele zinnen de eerste fase van het indicatieproces,
dat wil zeggen het bezien of een cliënt zorg nodig heeft (artikel 5, eerste en
tweede lid, van de wet). Dat proces begint met een analyse van de problemen van
de cliënt en van de ernst ervan. Voor een goede analyse is het van belang dat
alle problemen in ogenschouw worden genomen en niet alleen die welke als
psychosociale, psychische of gedragsproblemen, dan wel als psychiatrische
aandoening van de jeugdige moeten worden aangeduid. Daarbij kan worden gedacht
aan leerproblemen, somatische aandoeningen of een lichamelijke of verstandelijke
handicap. Ook problemen in de opvoedingssituatie kunnen het ongestoord opgroeien
van een jeugdige ongunstig beïnvloeden. Het kan bijvoorbeeld gaan om
verwaarlozing. Deze problemen kunnen onder andere hun oorzaak vinden in
verslavingsproblemen, financiële problemen of het beschikken over onvoldoende
opvoedingscapaciteit van ouders. Kortom alle problemen die het ongestoord
opgroeien van jeugdigen belemmeren, dienen nadrukkelijk in beeld te worden
gebracht. Tot slot dient aandacht te worden besteed aan factoren die de
ontwikkeling van de jeugdige gunstig beïnvloeden. Bij de analyse van de
problemen gaat het niet alleen om een inventarisatie van hetgeen de cliënt
aangeeft, maar ook om een professionele vertaling daarvan. Evenmin gaat het
louter om problemen die door een cliënt zelf als zodanig worden ervaren. Het
kan goed zijn dat ouders hun kind als een probleemkind ervaren, terwijl dat bij
het kind dat zelf niet of maar in zeer Processen bureau jeugdzorg Versie 2
Definitief 18 mei 2005 50 geringe mate het geval is. Het is de taak van het
bureau met de inzet van deskundigen, zonodig van verschillende disciplines, te
komen tot een geobjectiveerde probleembeschrijving.
Artikel 32
Dit artikel bepaalt dat de beoordeling van de problematiek bij de uitvoering van
een aantal taken van het bureau jeugdzorg dient te worden gedaan door twee
verschillende disciplines (multidisciplinair) indien de problematiek het vergt.
Dit kan bijvoorbeeld een maatschappelijk werker en een psycholoog zijn, maar ook
een (vertrouwens)arts en een orthopedagoog. De eis van multidisciplinaire
beoordeling wordt gesteld om de kwaliteit van de beoordeling te optimaliseren.
Het is niet noodzakelijk om altijd een multidisciplinaire beoordeling te geven.
Slechts indien de problematiek dit vergt, is beoordeling door meer dan één
discipline noodzakelijk.
D. Beperkingen
aanspraak jeugdzorg
In de bovenstaande artikelen – met name artikel 30 Uitvoeringsbesluit Wjz –
wordt erop gewezen dat het van belang is om in de analyse eventuele
psychiatrische aandoeningen van de jeugdige te betrekken. Daarnaast wordt in
datzelfde artikel gesteld dat de mogelijkheden moeten worden onderzocht die het
cliëntsysteem heeft om problemen zelf het hoofd te kunnen bieden. Een en ander
hangt samen met een aantal beperkingen op de aanspraak op jeugdhulp die worden
geformuleerd in het Besluit jeugdzorgaanspraken.
Artikel 3
Uitvoeringsbesluit Wjz
1. Jeugdhulp omvat behandeling of begeleiding van een: a. jeugdige, gericht op
het oplossen, verminderen of voorkomen van verergering dan wel het omgaan met de
gevolgen van zijn psychosociale, psychische of gedragsproblemen; b. cliënt,
niet zijnde een jeugdige, gericht op het verkrijgen van zodanige vaardigheden
dat hij aan de onder a bedoelde psychosociale, psychische of gedragsproblemen in
het gezin het hoofd kan bieden. 2. Geen aanspraak bestaat op jeugdhulp voor
zover: a. de jeugdige of zijn ouders, stiefouder of anderen die hem als
behorende tot hun gezin verzorgen en opvoeden de psychosociale, psychische of
gedragsproblemen van die jeugdige het hoofd kunnen bieden, al dan niet met
behulp van personen uit hun directe omgeving of met behulp van andere
voorzieningen die hulp bieden dan zorgaanbieders of b. de psychosociale,
psychische of gedragsproblemen hun oorzaak vinden of mede vinden in een
psychiatrische aandoening van een jeugdige die zodanig van aard is dat een
psychiatrische aanpak van de problemen noodzakelijk is. Een soortgelijke
beperking geldt voor verblijf:
Artikel 4
Uitvoeringsbesluit Wjz
Processen bureau jeugdzorg Versie 2 Definitief 18 mei 2005 51 1. Verblijf omvat
het aan een jeugdige gedurende het etmaal of een deel daarvan bieden van
verblijf met een passend pedagogisch klimaat bij een pleegouder of in een
accommodatie van een zorgaanbieder. 2. Geen aanspraak bestaat op verblijf voor
zover: a. de jeugdige geen psychosociale, psychische of gedragsproblemen heeft,
dan wel de jeugdige of zijn ouders, stiefouder of anderen die hem als behorende
tot hun gezin verzorgen en opvoeden, de psychosociale, psychische of
gedragsproblemen van die jeugdige het hoofd kunnen bieden, al dan niet met
jeugdhulp als bedoeld in artikel 3, met behulp van personen uit hun directe
omgeving of met behulp van andere voorzieningen die hulp bieden dan
zorgaanbieders, b. het verblijf noodzakelijk is voor persoonlijke verzorging,
ondersteunende begeleiding, activerende begeleiding of behandeling als bedoeld
in artikel 2, eerste lid, van het Besluit zorgaanspraken AWBZ in verband met een
verstandelijke, lichamelijke of zintuiglijke handicap, dan wel een
psychiatrische of somatische aandoening of beperking of c. het verblijf in een
justitiële jeugdinrichting als bedoeld in artikel 1, onder b, van de
Beginselenwet justitiële jeugdinrichtingen betreft.
3. In
afwijking van het tweede lid, onder a, bestaat aanspraak op verblijf: a. indien
het een minderjarige betreft die onder voogdij van een stichting staat; b. als
door verblijf bij een pleegouder het hoofd kan worden geboden aan de
psychosociale, psychische of gedragsproblemen van de jeugdige. 4. Aanspraak op
verblijf gedurende een deel van het etmaal bestaat slechts indien dit
noodzakelijk is voor het tot gelding brengen van een aanspraak op jeugdhulp als
bedoeld in artikel 3. In de analysefase (en daaruit voortvloeiend in de fase van
vaststellen van de benodigde zorg) zal dus altijd een afweging moeten worden
gemaakt tussen de draaglast die de geconstateerde problematiek inhoudt voor het
cliëntsysteem enerzijds en de draagkracht van dat cliëntsysteem anderzijds.
Bovendien zal de analyse erop gericht moeten zijn eventuele psychiatrische
aandoeningen te onderkennen en de ernst daarvan vast te (laten) stellen.
E. Godsdienstige
overtuiging, levensovertuiging en culturele achtergrond cliënt
Het bureau jeugdzorg dient bij de uitvoering van haar taken uit te gaan van de
godsdienstige overtuiging, de levensovertuiging en culturele achtergrond cliënt
(Artikel 15, Wjz). Dit zal in de analysefase aan de orde moeten komen.
5.3. Beoordelen of
specialistische diagnose nodig is
Beoordeeld wordt of het nodig is om een specialistische diagnose te laten
stellen. Processen bureau jeugdzorg Versie 2 Definitief 18 mei 2005 52 Van een
specialistische diagnose is sprake als voor het bepalen van het diagnostisch
beeld gebruik wordt gemaakt van een specialistische classificatiesystematiek.
Het stellen van een specialistische diagnose is in deze definitie voorbehouden
aan een gedragswetenschapper / BIGgeregistreerde.
5.4.
Specialistische diagnose nodig?
Bepaald is of er een specialistische diagnose nodig is. • Indien een
specialistische diagnose gesteld moet worden, wordt deze activiteit gestart. •
Indien géén specialistische diagnose gesteld moet worden, wordt het
diagnostisch beeld samengesteld.
5.5. Stellen
specialistische diagnose
De opdracht voor het stellen van een specialistische diagnose wordt verstrekt.
Hierbij wordt expliciet aangegeven dat behalve de conclusie van het onderzoek
ook de test- en onderzoeksgegevens opgeleverd moeten worden dan wel beschikbaar
gehouden dienen te worden (in verband met de mogelijkheid voor de cliënt om een
second opinion te laten uitvoeren). Het Uitvoeringsbesluit Wet op de jeugdzorg
zegt in hierover het volgende:
Artikel 36, lid 1,
Uitvoeringsbesluit Wet op de jeugdzorg
1. De stichting laat op verzoek van de cliënt de, bij het opstellen van het
indicatiebesluit gebruikte test- en onderzoeksgegevens van gedragsdeskundig of
psychiatrisch onderzoek, door een deskundige interpreteren en van een advies
voorzien, tenzij het belang van de jeugdige zich daartegen verzet, Deze
deskundige heeft geen arbeidsovereenkomst met de stichting en is evenmin bij de
behandeling of begeleiding of bij onderzoek van de cliënt betrokken geweest. De
toelichting:
Artikel 36
Dit artikel geeft de cliënt in een beperkt aantal gevallen het recht om een
zogenaamde ‘second opinion’ te vragen over test- en onderzoeksgegevens die
het bureau jeugdzorg gebruikt heeft bij het opstellen van het indicatiebesluit. Eerste
lid. Aan het indicatiebesluit liggen soms testen en onderzoeken ten
grondslag. De gegevens die uit deze onderzoeken voortkomen worden geïnterpreteerd,
hetgeen leidt tot conclusies over de benodigde zorg. Het indicatiebesluit heeft
verstrekkende gevolgen, omdat Processen bureau jeugdzorg Versie 2 Definitief 18
mei 2005 53 het besluit een voorwaarde is voor een aanspraak op zorg. Bovendien
heeft de stichting als enige de taak indicatiebesluit vast te stellen (monopoliepositie).
Dit brengt mee dat het voor de cliënt belangrijk is dat hij de stichting kan
verzoeken om een ‘second opinion’ te vragen aan een onafhankelijk
deskundige. Het onderhavige artikel geeft de cliënt daartoe het recht. Dit kan
tijdens het overleg van de cliënt met het bureau jeugdzorg over het voorgenomen
indicatiebesluit (artikel 34, Uitvoeringsbesluit Wjz) of op een ander moment. De
stichting is verplicht voor te zorgen dat een deskundige wordt ingeschakeld en
vergoed hiervoor ook de kosten. Het onafhankelijk advies kan slechts gevraagd
worden over de interpretatie van testen onderzoeksgegevens van een
gedragsdeskundig of psychiatrisch onderzoek dat is uitgevoerd. Het moet worden
onderscheiden van een verzoek om aanvullend onderzoek of een verzoek om
tegenonderzoek dan wel contra-expertise. Voor deze onderzoeken wordt geen recht
neergelegd. Het recht op een ‘second opinion’ is niet ongeclausuleerd. Het
kan alleen gevraagd worden voor de interpretatie van test- en onderzoeksgegevens
van een onderzoek dat is uitgevoerd en het gaat alleen om test- en
onderzoeksgegevens die zijn gebruikt bij het opstellen van het indicatiebesluit.
Daarnaast is voorwaarde dat het belang van de jeugdige zich daartegen niet mag
verzetten. Daarbij kan gedacht worden aan situaties waarin hulp dringend nodig
is, welke hulp hem onthouden zou worden als er eerst een ‘second opinion’
moet worden uitgevoerd. De beslissing van het bureau jeugdzorg om een verzoek
van de cliënt tot een ‘second opinion’ af te wijzen, is een beslissing
inzake de procedure ter voorbereiding van het indicatiebesluit (artikel 6:3
Awb). Tegen deze beslissing kan derhalve geen afzonderlijk bezwaar of beroep
worden ingesteld, tenzij de beslissing de cliënt los van het indicatiebesluit
rechtstreeks in zijn belang treft. In een bezwaar of beroepsprocedure tegen het
indicatiebesluit kan de beslissing van de stichting tot het niet laten
verrichten van een ‘second opinion’ wel een rol spelen. Het indicatiebesluit
kan bijvoorbeeld vernietigd worden op grond van een onvoldoende voorbereiding
van het indicatiebesluit.
5.6. Samenstellen
diagnostisch beeld
Het diagnostisch beeld wordt samengesteld. Processen bureau jeugdzorg Versie 2
Definitief 18 mei 2005 54
6. Vaststellen
benodigde zorg
A. Algemeen
Aan de hand van het diagnostisch beeld wordt bepaald wat voor zorg nodig is.
Vaak zal al hierover al tijdens de fase van analyse en diagnostisch beeld een
idee zijn ontstaan. De keuze is in dit model evenwel apart weergegeven, en wel
als eerste stap van het proces, met als "input" het diagnostisch beeld
uit de vorige fase. De verdere stappen in dit model worden genomen naar
aanleiding van deze keuze. Er zijn in de optiek van het referentiewerkmodel zes
mogelijke "uitkomsten" van het keuzeproces: • er is geen verdere
zorg nodig in de zin van art 5, lid 1 van de wet: er wordt eventueel
doorverwezen naar andersoortige hulp of zorg; • er is geïndiceerde zorg
nodig: er wordt een indicatiebesluit opgesteld; • er is andere dan geïndiceerde
zorg nodig, en er wordt verwezen met schriftelijk advies; • er is andere dan
geïndiceerde zorg nodig, en er wordt doorverwezen zonder schriftelijk advies;
• er is zowel geïndiceerde als andere dan geïndiceerde zorg nodig: er wordt
een indicatiebesluit opgesteld (voor de geïndiceerde zorg) en er wordt verwezen
met schriftelijk advies; • er wordt ambulante hulpverlening bij het bureau
jeugdzorg aangeboden (nadat is vastgesteld dat de cliënt geen aanspraak heeft
op geïndiceerde zorg). N.B. De
relevante wetsartikelen zijn opgenomen in de begeleidende teksten bij het proces
Analyse en opstellen diagnostisch beeld,
met name onder Analyseren situatie.
B. Zorgaanbieders
en aanbieders van zorg
De wet maakt onderscheid tussen zorgaanbieders en aanbieders van zorg:
Artikel 1, sub g
en h, WJz
In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: g.
zorgaanbieder: de natuurlijke persoon of de rechtspersoon die jeugdzorg
verleent, waarop ingevolge deze wet aanspraak bestaat; h. aanbieder van zorg: de
natuurlijke persoon of de rechtspersoon, die andere zorg verleent dan die,
waarop ingevolge deze wet aanspraak bestaat;
C. Coördinatie
van de zorg, gezinscoach
Wanneer de cliënt is aangewezen op meerdere vormen van zorg (en daarmee op
meerdere hulpverleners), schrijft de wet voor dat de coördinatie tussen deze
zorgaanbieders/aanbieders van zorg wordt geregeld. In verband hiermee wordt ook
de gezinscoach genoemd. In de derde nota van wijziging wordt uitgebreid op dit
onderwerp ingegaan: Processen bureau jeugdzorg Versie 2 Definitief 18 mei 2005
55
5. Gezinscoach als
directe ondersteuner van gezinnen met meervoudige problematiek
Gezinscoaching kan gezinnen met meervoudige problematiek en waarbij meerdere
hulpverleningsinstanties betrokken zijn, ondersteunen. De gezinscoach heeft als
taak te bevorderen dat de hulpverlening in samenhang wordt aangeboden. Gezien de
behoefte aan samenhangende zorg voor cliënten, hebben wij dit als taak van het
bureau jeugdzorg opgenomen dat het bureau bij zijn besluitvorming altijd
overweegt of coördinatie van zorg noodzakelijk is (artikelen 6, tweede lid, en
8, tweede lid). De gezinscoach dient te worden onderscheiden van de ‘casemanager’.
De casemanagementtaken van het bureau jeugdzorg zijn omschreven in artikel 10,
eerste lid, onder f, g, h, i en j. Dit houdt onder meer in dat het bureau
jeugdzorg zich tot het uiterste inspant dat de cliënten ook daadwerkelijk een
beroep doen op de noodzakelijke zorg en dat deze zorg wordt geboden. De
gezinscoach ondersteunt gezinnen wanneer zij in verband met meervoudige
problematiek met veel verschillende hulpverleners cq. instanties te maken
hebben. Gezinscoaching is in beginsel geen functie van het bureau jeugdzorg,
maar een functie die kan worden uitgeoefend door een zorgaanbieder of een lokale
voorziening. Als regel geldt dat de rol van gezinscoach het beste kan worden
vervuld door een persoon die het vertrouwen van het gezin heeft. Wanneer er
verschillende hulpverleners bij een gezin zijn betrokken dan moet de afspraak
worden gemaakt dat één van hen de rol van gezinscoach vervult. Het proces om
te komen tot een besluit op welke zorg de cliënt is aangewezen, vindt plaats
samen met de cliënt. Daarbij komt ook aan de orde of er behoefte bestaat aan
gezinscoaching en zo ja wie die taak het beste op zich kan nemen. De cliënt kan
daarbij aangeven, wie hij als gezinscoach zou willen hebben. Gezinscoaching kan
worden opgepakt door een lokale voorziening, maar kan ook gelegd worden bij een
zorgaanbieder. In het uiterste geval kan het bureau jeugdzorg als gezinscoach
optreden, als er geen gerede persoon in dat kader kan worden gevonden. De
vaststelling door het bureau jeugdzorg dat gezinscoaching nodig is en wie deze
functie het beste kan uitvoeren, bindt lokale voorzieningen niet. Het is een
advies aan de cliënt. Ook hier geldt dat het bureau jeugdzorg met de
vaststelling niet treedt in de verantwoordelijkheid van de voorliggende
voorzieningen. Als de gezinscoaching in de aansprakensfeer nodig wordt geacht,
dan valt deze onder de acceptatieplicht.
D. Godsdienstige
overtuiging, levensovertuiging en culturele achtergrond cliënt
Het bureau jeugdzorg dient bij de uitvoering van haar taken uit te gaan van de
godsdienstige overtuiging, de levensovertuiging en culturele achtergrond cliënt
(Artikel 15, Wjz). Dit zal dan ook een rol moeten spelen bij het vaststellen van
de benodigde zorg. Processen bureau jeugdzorg Versie 2 Definitief 18 mei 2005 56
Bepalen of en zo ja welke zorg nodig is Is er sprake van (gezins)voogdij of
jeugdreclassering? Opstellen plan Is de conclusie dat verwijzing of zorg BJz
wenselijk is? Registreren gegevens na conclusie geen verdere verwijzing of zorg
BJz nodig Afsluiten proces vaststellen benodigde zorg na conclusie geen zorg
nodig Is besloten tot geïndiceerde zorg? Is er sprake van (gezins)voogdij of
jeugdreclassering? Is besloten tot opstellen schriftelijk advies voor andere dan
geïnd. zorg? Vaststellen of een aanvraag van de cliënt haalbaar is Wil de cliënt
een aanvraag indienen? Vaststellen of aanvraag aanwezig is Aanvraag aanwezig?
Opstellen indicatiebesluit Registreren gegevens na opstellen indicatiebesluit Is
naast geïndiceerde zorg ook andere dan geïndiceerde zorg nodig? Ervoor
zorgdragen dat cliënt een aanvraag kan indienen Afsluiten proces vaststellen
benodigde zorg na opstellen indicatiebesluit Verwijzen naar andere dan geïnd.
zorg met schriftelijk advies Is besloten tot verwijzing zonder schriftelijk
advies naar andere dan geïndiceerde zorg? Verwijzen naar andere dan geïnd.
zorg (zonder schriftelijk advies) Verlenen ambulante jeugdzorg door BJz
Uitvoeren casemanagement andere dan geïndiceerde zorg nee ja nee ja ja ja nee
ja nee ja nee nee ja nee ja nee ja Heeft cliënt een aanvraag ingediend?
Opstellen indicatiebesluit geen geïndiceerde zorg nodig nee nee ja Processen
bureau jeugdzorg Versie 2 Definitief 18 mei 2005 57
6.1. Bepalen of en
zo ja welke zorg nodig is
A. Algemeen
Aan de hand van het diagnostisch beeld wordt bepaald wat voor zorg nodig is.
Leidend hierin art 5, lid 1, WJz:
Artikel 5, eerste
lid, WJz
1. De stichting heeft tot taak te bezien of een cliënt zorg nodig heeft in
verband met opgroei-, opvoedings- of psychiatrische problemen, dan wel in
verband met problemen van een cliënt, niet zijnde een jeugdige, die het
onbedreigd opgroeien van een jeugdige belemmeren.
B. Zo-zo-zo beleid
Een belangrijk uitgangspunt bij het vaststellen van benodigde zorg is het
zo-zo-zo-beleid om de hulpverlening zo kort mogelijk, zo licht mogelijk en zo
nabij mogelijk te laten zijn. Dit uitgangspunt is neergelegd in artikel 5,
vierde lid van de wet:
Artikel 5, vierde
lid, WJz
4. Uitgangspunt bij het uitoefenen van de taak, bedoeld in het eerste lid, is
dat zorg het belang van een onbedreigde ontwikkeling van een jeugdige dient.
Deze zorg is in verband hiermee niet ingrijpender dan noodzakelijk en wordt
geboden zo dicht mogelijk bij de plaats waar de cliënt duurzaam verblijft en
gedurende een zo kort mogelijke periode. In de memorie van toelichting wordt
hierover gesteld: (Het vierde lid – red.) bevat een instructienorm die bij de
uitoefening van de indicatietaak in acht moet worden genomen. Het eerste
uitgangspunt is uiteraard dat de cliënt de jeugdzorg moet krijgen die hij nodig
heeft. Omdat in het algemeen de minst ingrijpende vorm van jeugdzorg, die zo
dicht mogelijk bij huis en zo kort mogelijk wordt geboden, het meest doelmatig
en het meest doeltreffend is, is dit in dit artikellid als uitgangspunt voor de
indicatiestelling geformuleerd. Wij wijzen er overigens nadrukkelijk op dat het
de problemen van de cliënt zijn en niet het aanwezige aanbod, die de uitkomst
van het indicatieproces bepalen.
C. Geïndiceerde
zorg en andere dan geïndiceerde zorg
Waar het gaat om zorg die wordt geboden buiten het bureau jeugdzorg, zijn er
ruwweg twee 'soorten' zorg te onderscheiden: • zorg zoals omschreven in
artikel 5, lid 2 • andere zorg dan daar omschreven. Processen bureau jeugdzorg
Versie 2 Definitief 18 mei 2005 58 In het dagelijks taalgebruik – en ook in
dit model – worden deze vormen van zorg benoemd als resp. geïndiceerde
zorg en andere dan geïndiceerde zorg.
6.2. Is er sprake
van (gezins)voogdij of jeugdreclassering?
Wanneer het bureau jeugdzorg ten aanzien van de jeugdige een taak heeft in het
kader van (gezins)voogdij of jeugdreclassering, gelden bijzondere regels. Zo
moet er een plan worden opgesteld op basis waarvan de taak wordt uitgevoerd (art.
13, derde lid, Wjz). Voor verdere informatie, zie bij Opstellen
plan. • Wanneer er ten aanzien van de jeugdige sprake is van een taak in
het kader van (gezins)voogdij of jeugdreclassering, gaat het proces verder bij Opstellen
plan.
• Wanneer er ten aanzien van de jeugdige geen sprake is van een
dergelijke taak, gaat het proces verder bij de afvraging Is de conclusie dat verwijzing of BJz wenselijk is?
6.3. Opstellen
plan
A. Algemeen
Wanneer er ten aanzien van de jeugdige een taak is in het kader van (gezins)voogdij
of jeugdreclassering, dient aan de uitvoering van die taak een plan ten
grondslag te liggen. Dit plan dient te zijn afgestemd op de behoeften van de cliënt
en dient in overleg met de cliënt te worden opgesteld.
Artikel 10, lid 3,
WJz
3. Tot een verantwoorde uitvoering van de taken, genoemd in artikel 10, eerste
lid, onder a, b, c en d, behoort in ieder geval dat de taken worden uitgevoerd
op basis van een plan dat is afgestemd op de behoeften van de cliënt. Het plan
wordt niet vastgesteld dan na overleg met de cliënt. Het Uitvoeringsbesluit Wet
op de jeugdzorg gaat nader in op dit plan, en beschrijft voor elk van de
genoemde taken aan welke eisen het plan dient te voldoen.
B. Gezinsvoogdij
De eisen die voor de gezinsvoogdijtaak worden gesteld, staan in artikel 18 van
het besluit:
Artikel 43
Uitvoeringsbesluit Wet op de jeugdzorg
1. De stichting stelt uiterlijk zes weken nadat de minderjarige onder haar
toezicht is gesteld en zij hiervan in kennis is gesteld, een plan vast als
bedoeld in artikel 13, derde lid, van de wet. 2. Het plan bevat in ieder geval:
a. een beschrijving van de doelen die met de ondertoezichtstelling worden
nagestreefd, zo nodig uitgesplitst in doelen op korte en lange termijn,
Processen bureau jeugdzorg Versie 2 Definitief 18 mei 2005 59 b. de wijze waarop
deze doelen worden nagestreefd, c. een beschrijving van de voorgenomen
activiteiten met betrekking tot de minderjarige en de met het gezag belaste
ouder of voogd, d. een vermelding van de wijze waarop de ouders of anderen die
de minderjarige als behorend tot hun gezin verzorgen en opvoeden, alsmede zijn
sociale omgeving zullen worden betrokken bij de werkzaamheden, dan wel een
vermelding van de redenen waarom dit niet zal gebeuren en e. een vermelding van
de momenten waarop de ondertoezichtstelling geëvalueerd wordt.
3. In
het plan wordt tevens vermeld welke zorg voor de minderjarige, voor de met het
gezag belaste ouder, voogd of voor anderen die de minderjarige als behorend tot
hun gezin verzorgen en opvoeden nodig is, onder vermelding van de wijze waarop
de doelen die met de ondertoezichtstelling worden nagestreefd, samenhangen met
de doelen van de zorg. 4. Indien een minderjarige ten minste achttien maanden
buiten het ouderlijke gezin is verzorgd en opgevoed, bevat het plan een
beschrijving van de doelen van de ondertoezichtstelling op langere termijn
waarbij aandacht wordt besteed aan de continuïteit van de verblijfplaats van de
minderjarige. 5. Het plan komt niet tot stand en wordt niet gewijzigd dan nadat
daarover in ieder geval overleg is gepleegd met: a. de minderjarige,
overeenkomstig zijn leeftijds- en ontwikkelingsniveau en b. de met het gezag
belaste ouder, voogd of anderen die de minderjarige als behorend tot hun gezin
verzorgen en opvoeden, tenzij dit overleg kennelijk schade zou toebrengen aan de
minderjarige. 6. Van het overleg en de resultaten daarvan wordt melding gemaakt
in het plan. Indien geen overleg mogelijk is, wordt hiervan met opgave van
redenen melding gemaakt. 7. Zo vaak als noodzakelijk, doch ten minste één maal
per jaar wordt bezien in hoeverre het plan bijstelling behoeft.
C. Voogdij
De eisen die voor de voogdijtaak worden gesteld, staan in artikel 40 van het
Uitvoeringsbesluit: Artikel 40
Uitvoeringsbesluit Wet op de jeugdzorg 1. De stichting stelt uiterlijk zes
weken nadat de voogdij aan haar is opgedragen en zij hiervan in kennis is
gesteld, een plan vast als bedoeld in artikel 13, derde lid, van de wet. 2. Het
plan bevat in ieder geval: a. een beschrijving van de doelen die met de voogdij
worden nagestreefd, zo nodig uitgesplitst in doelen op korte en lange termijn,
b. de wijze waarop deze doelen worden nagestreefd, c. een beschrijving van de
voorgenomen activiteiten met betrekking tot de minderjarige, d. een vermelding
van de wijze waarop de ouders of anderen die de minderjarige als behorend tot
hun gezin verzorgen en opvoeden, alsmede zijn sociale omgeving zullen worden
betrokken bij de werkzaamheden, dan wel een vermelding van de redenen waarom dit
niet zal Processen bureau jeugdzorg Versie 2 Definitief 18 mei 2005 60 gebeuren
en e. een vermelding van de momenten waarop de voogdij geëvalueerd wordt.
3. In
het plan wordt tevens vermeld welke zorg voor de minderjarige dan wel anderen
die de minderjarige als behorend tot hun gezin verzorgen en opvoeden nodig is,
onder vermelding van de wijze waarop de doelen die met de voogdij worden
nagestreefd, samenhangen met de doelen van de zorg. 4. Het plan komt niet tot
stand en wordt niet gewijzigd dan nadat daarover in ieder geval overleg is
gepleegd met: a. de minderjarige, overeenkomstig zijn leeftijds- en
ontwikkelingsniveau, b. de ouders of anderen die de minderjarige als behorend
tot hun gezin verzorgen en opvoeden, tenzij dit overleg kennelijk schade zal
toebrengen aan de minderjarige. 5. Van het overleg en de resultaten daarvan
wordt melding gemaakt in het plan. Indien geen overleg mogelijk is, wordt
hiervan met opgave van redenen melding gemaakt. 6. Zo vaak als noodzakelijk,
doch ten minste één maal per jaar wordt bezien in hoeverre het plan
bijstelling behoeft.
D.
Jeugdreclassering
De eisen die voor de jeugdreclasseringstaak worden gesteld, staan in artikel 46
van het Uitvoeringsbesluit:
Artikel 46
Uivoeringsbesluit Wet op de jeugdzorg
1. De stichting stelt uiterlijk zes weken nadat zij een taak, bedoeld in artikel
10, eerste lid, onder c of d, van de wet heeft gekregen en zij hiervan in kennis
is gesteld, een plan vast als bedoeld in artikel 13, derde lid, van de wet. 2.
Het plan bevat in ieder geval: a. een beschrijving van de doelen die met de
jeugdreclassering nagestreefd worden, zo nodig uitgesplitst in doelen op korte
en lange termijn, b. de wijze waarop deze doelen worden nagestreefd, c. een
beschrijving van de voorgenomen activiteiten met betrekking tot de jeugdige, d.
een vermelding van de wijze waarop de ouders, voogd of een anderen die de
jeugdige als behorend tot hun gezin verzorgen en opvoeden, alsmede zijn sociale
omgeving zal worden betrokken bij de werkzaamheden, dan wel een vermelding van
de redenen waarom dit niet zal gebeuren en e. een vermelding van de momenten
waarop de wijze waarop de jeugdreclassering wordt uitgevoerd, geëvalueerd
wordt.
3. In
het plan wordt tevens vermeld welke zorg voor de minderjarige, voor de met het
gezag belaste ouder, voogd of voor een anderen die de minderjarige als behorend
tot hun gezin verzorgen en opvoeden nodig is, onder vermelding van de wijze
waarop de doelen die met de jeugdreclassering worden nagestreefd, samenhangen
met de doelen van de zorg.
3. In
het plan wordt tevens vermeld welke jeugdzorg of andere zorg voor de jeugdige
noodzakelijk is. Processen bureau jeugdzorg Versie 2 Definitief 18 mei 2005 61
4. Het plan komt niet tot stand en wordt niet gewijzigd dan nadat daarover in
ieder geval overleg is gepleegd met: a. de jeugdige; b. de ouders, voogd of
anderen die de jeugdige als behorend tot hun gezin verzorgen en opvoeden, tenzij
dit overleg kennelijk schade zal toebrengen aan de jeugdige. 5. Van het overleg
en de resultaten daarvan wordt melding gemaakt in het plan. Indien geen overleg
mogelijk is, wordt hiervan met opgave van redenen melding gemaakt. 6. Zo vaak
als noodzakelijk, doch ten minste één maal per jaar wordt bezien in hoeverre
het plan bijstelling behoeft.
E. Algemene
toelichting voor plan i.h.k.v. (gezins)voogdij
Onderstaande toelichting is genomen uit de algemene toelichting bij het –
toentertijd zogeheten – Besluit kwaliteit en werkwijze bureau jeugdzorg. De
regels hebben (...) betrekking op het plan van aanpak dat dient te worden
opgesteld (artikel 13, derde lid, van de wet). In dit plan moeten de doelen die
met de ondertoezichtstelling (ots) of voogdij moeten worden bereikt worden
aangegeven. Uit onderzoeken naar de uitvoering van de ondertoezichtstelling is
gebleken dat het aanbeveling verdient meer doel- en kindgericht te werken om de
effectiviteit van de ots te verhogen. In het onderhavige besluit wordt benadrukt
dat het daarbij gaat om concrete doelen op korte en lange termijn binnen het
kader van de uitvoering van een maatregel. Hoe in de praktijk daadwerkelijk
vormgegeven moet worden aan het doel- en kindgericht werken is een van de
onderwerpen van het verbetertraject uitvoering gezinsvoogdij waarin wordt
gewerkt aan de ontwikkeling van een werkwijze en benodigde instrumenten om de
effectiviteit van de ots te verhogen. Het uitgangspunt van de Wet op de
jeugdzorg dat er vraaggericht gewerkt moet worden, geldt ook bij de uitvoering
van de civiele maatregelen. Ook gedwongen hulpverlening moet zoveel mogelijk
vanuit de vragen en problemen van ouders en jeugdigen plaatsvinden. Dit betekent
dat het plan van aanpak in principe niet zonder overleg met de cliënt tot stand
mag komen. Er is één belangrijke uitzondering namelijk dat geen overleg
behoeft plaats te vinden als dat kennelijk schadelijk zal zijn voor de jeugdige.
Is overleg niet mogelijk zal dit gemotiveerd in het plan moeten worden vermeld.
F. Algemene
toelichting voor plan i.h.k.v. jeugdreclassering
Onderstaande toelichting is genomen uit de algemene toelichting bij het –
toentertijd zogeheten – Besluit kwaliteit en werkwijze bureau jeugdzorg. In
het onderhavige besluit worden nadere regels gesteld over de uitvoering van de
jeugdreclassering, bedoeld in artikel 10, eerste lid, onder c en d, van de wet.
Het gaat hier Processen bureau jeugdzorg Versie 2 Definitief 18 mei 2005 62
vooral om het plan van aanpak dat moet worden opgesteld op grond van artikel 13,
derde lid, van de wet en de voorlichting aan justitiële autoriteiten.
Belangrijk onderdeel van het plan van aanpak zijn de doelen die moeten worden
bereikt met de jeugdreclasseringsbegeleiding. Deze doelen worden in overleg met
de jeugdige vastgesteld. Ook wordt vastgelegd wat er nodig is om deze doelen te
bereiken. Een dergelijke aanpak maakt het werk helder en toetsbaar en maakt ook
een expliciete evaluatie mogelijk.
G. Artikelsgewijze
toelichting
Artikel 43
Ingevolge artikel 13, derde lid, van de wet moet de stichting voor uitoefening
van de voogdij over en ondertoezichtstelling van een minderjarige of van de
uitvoering van de jeugdreclassering voor elke jeugdige een plan opstellen. Dit
artikel stelt eisen aan het plan voor de minderjarige die onder toezicht is
gesteld. Hulp en steun bij de ondertoezichtstelling is erop gericht de
verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding zoveel mogelijk bij de met
het gezag belaste ouder te doen behouden (artikel 1:257, lid 2 BW). Dit zal tot
uitdrukking dienen te komen in het plan. Het plan wordt door de stichting zo
spoedig mogelijk opgesteld, doch binnen zes weken nadat de stichting ervan in
kennis is gesteld dat de uitoefening van de ondertoezichtstelling aan haar is
opgedragen. De in kennisstelling is vormvrij. Een formele beschikking van de
rechter behoeft dus niet te zijn ontvangen door de stichting, maar de stichting
moet wel aantoonbaar op enige wijze in kennis zijn gesteld. Door deze werkwijze
is het helder wanneer de termijn van zes weken voor het vaststellen van een plan
begint te lopen, maar is het niet afhankelijk gemaakt van de administratieve
afhandeling bij een rechtbank. Het tweede lid geeft aan wat het plan in ieder
geval moet bevatten. Het betreft dus een nietlimitatieve opsomming. In het plan
dienen onder andere doelen van de ondertoezichtstelling te worden opgenomen en
de wijze waarop deze doelen nagestreefd worden. Uit het onderzoek van Slot,
Theunissen, Esmeijer en Duivenvoorden (Vrije Universiteit, januari 2002) is
gebleken dat het belangrijk is om concrete doelen te stellen, die gerelateerd
zijn aan het kind. De gezinsvoogd zal, indien dit noodzakelijk is, jeugdzorg of
zorg inschakelen en zal dit tevens in het plan opnemen (derde lid). Voor deze
zorg zal in het algemeen een indicatiebesluit nodig zijn dat ingevolge artikel
7, zesde lid, onder a, van de wet in dit geval zonder aanvraag kan worden
genomen. In het tweede lid, onder c, wordt gesproken over de met gezag belaste
ouder en onder d over ouders. De OTS is een maatregel die is gericht op de
minderjarige en de met het gezag belaste ouder. Zo kan de gezinsvoogd alleen een
schriftelijke aanwijzing geven aan de minderjarige en de met het gezag belaste
ouder (artikel 1:258 BW). Ook de hulp en steun is op hen gericht (art 1:257 lid
3 BW laat nog een uitzondering toe). De in het plan vastgelegde activiteiten
richten zich dus op de minderjarige die onder toezicht is gesteld en de ouder
die met het gezag is belast. Dit neemt niet weg dat het belangrijk is dat de
ouder die niet met het gezag is belast, wordt betrokken bij de werkzaamheden van
de gezinsvoogd. Het tweede lid Processen bureau jeugdzorg Versie 2 Definitief 18
mei 2005 63 onder d. strekt onder meer hiertoe. Indien het niet gewenst is dat
de ouder die niet met het gezag is belast, wordt betrokken bij de uitvoering van
de OTS wordt dit in het plan aangegeven. Het plan is belangrijk voor de cliënt,
omdat hierin op heldere wijze wordt vastgelegd wat de cliënt van het bureau
jeugdzorg bij de uitoefening van de OTS mag verwachten. Het plan vormt in feite
het spoorboekje van het traject dat de cliënt en het bureau jeugdzorg met
elkaar ingaan. Ook voor de Inspectie jeugdzorg en de raad voor de
kinderbescherming is het plan van belang om hun taken goed te kunnen uitvoeren.
Het plan biedt een belangrijk instrument om de kwaliteit van de uitvoering van
een maatregel (Inspectie jeugdzorg) of een individuele beëindiging van een
ondertoezichtstelling of uithuisplaatsing (raad voor de kinderbescherming) te
toetsen. Uitgangspunt is, dat het plan zowel met de minderjarige als met het
gezag belaste ouder of anderen die de minderjarige als behorend tot hun gezin
verzorgen en opvoeden, wordt besproken, alvorens het zijn definitieve vorm
krijgt. Dit geldt zowel voor de eerste keer dat het plan tot stand komt als bij
wijzigingen (vijfde lid). Het zal uiteraard van de leeftijd van de jeugdige
afhangen in hoeverre een overleg met hem over het plan mogelijk is. Er is geen
leeftijdsgrens opgenomen, maar als maatstaf kan worden gehanteerd dat het plan
in ieder geval met jeugdigen ouder dan twaalf jaren besproken moet worden. Het
is wenselijk om het plan ook met jeugdigen, die jonger zijn dan twaalf te
bespreken al is het maar om uitleg te geven over wat hen te wachten staat. Het
vierde lid is opgenomen, omdat het bij langdurige uithuisplaatsing (langer dan
18 maanden) belangrijk is dat een lange termijn planning wordt opgesteld waarbij
tevens de doelstelling van de ondertoezichtstelling op langere termijn centraal
staat. In het project Trillium waarin onder meer een visie op pleegzorg is
ontwikkeld (Trillium-Visiedocument, VOG-Trillium, november 1998) en in het
onderzoek van Adviesbureau Van Montfoort naar transgenerationele overdracht van
kinderbeschermingsmaatregelen (B.O. Vogelvang & N. Boesveldt,
Maatregel…Regelmaat, reconstructie van (het doorbreken van) transgenerationele
overdracht van kinderbeschermingsmaatregelen, november 2001) is het belang van
een lange termijn planning voor minderjarigen, die voor een langere periode in
een pleeggezin of onder de hoede van een instelling voor jeugdzorg zijn
geplaatst, naar voren gebracht. De periode van anderhalf jaar is gekozen, omdat
het dan mogelijk is dat de raad voor de kinderbescherming of het openbaar
ministerie een gedwongen ontheffing verzoekt (artikel 1:268, lid 2, onder a,
BW). Indien een gedwongen ontheffing aangewezen lijkt, zal de stichting de raad
voor de kinderbescherming hiervan in kennis moeten stellen. Een verzoek tot
ontheffing kan immers niet door het bureau jeugdzorg zelf worden gedaan. Artikel
45 van dit besluit strekt hiertoe. Een ondertoezichtstelling kan voor een
periode van maximaal één jaar worden uitgesproken en het stellen van doelen
die de periode van de OTS overstijgen, lijkt op het eerste gezicht wellicht
tegenstrijdig. Het bureau jeugdzorg zal iedere keer wanneer een OTS of
machtiging tot uithuisplaatsing (MUHP) afloopt moeten beslissen of een verzoek
tot verlenging van de Processen bureau jeugdzorg Versie 2 Definitief 18 mei 2005
64 OTS en verlenging van de MUHP aangewezen is. De kinderrechter zal op verzoek
van de stichting de OTS en MUHP al dan niet verlengen. Het feit dat de OTS en
MUHP iedere keer verlengd moeten worden, betekent niet dat het bureau jeugdzorg
geen doelen op langere termijn kan stellen. Het belang van het kind vraagt een
langere termijn planning ook al is het niet zeker dat de OTS en MUHP verlengd
zal worden. Door wijziging in omstandigheden kan het plan altijd aangepast
worden. In het zevende lid wordt bovendien bepaald dat ten minste één maal per
jaar wordt bezien in hoeverre het plan bijstelling behoeft. Hierdoor wordt
altijd een plan op maat voor de cliënt gerealiseerd.
Artikel 40
Ingevolge artikel 13, derde lid, van de wet moet de stichting voor uitoefening
van de voogdij over en ondertoezichtstelling van een minderjarige of van de
uitvoering van de jeugdreclassering voor elke jeugdige een plan opstellen. Dit
artikel stelt eisen aan het plan voor de minderjarige die onder voogdij van de
stichting staat. Het plan voor de uitoefening van de voogdij komt in grote
lijnen overeen met het plan van de ondertoezichtstelling en jeugdreclassering
(artikelen 43 en 46).
Artikel 46
Ingevolge artikel 9, derde lid, van de wet moet de stichting voor uitoefening
van de voogdij en ondertoezichtstelling of van de uitvoering van de
jeugdreclassering voor elke minderjarige een plan opstellen. Dit artikel stelt
eisen aan het plan voor de jeugdreclassering. Het plan voor de jeugdreclassering
komt in grote lijnen overeen met het plan van de ondertoezichtstelling en de
voogdij (artikelen 43 en 40).
6.4. Is de
conclusie dat verwijzing of zorg BJz wenselijk is?
Aan de hand van het diagnostisch beeld is bepaald of en zo ja wat voor zorg
nodig is. In deze stap gaat het om de vraag of verdere zorg nodig is in de zin
van art. 5, lid 1 van de wet. Het kan zo zijn dat na analyse het diagnostisch
beeld geen aanleiding geeft tot dergelijke zorg. Er kan bijvoorbeeld sprake zijn
van somatische problematiek of er is reeds in de analysefase een oplossing
gevonden. In dat geval eindigt het proces. Wel kan de cliënt een advies krijgen
over waar hij verder terecht kan. • Blijkt dat er zorg nodig is in de zin van
art. 5, lid 1, Wjz, dan gaat het proces verder bij de volgende afvraging: Is
besloten tot het opstellen van een indicatiebesluit?
• Blijkt dat er geen zorg nodig is in de zin van art. 5, lid 1, Wjz, dan
wordt het proces afgesloten na registratie van gegevens. Om een indruk te geven
van anderssoortige zorg waarnaar verwezen kan worden, geven wij hieronder
artikel 29 weer uit het Uitvoeringsbesluit Wet op de jeugdzorg. Dit artikel
geeft weer Processen bureau jeugdzorg Versie 2 Definitief 18 mei 2005 65 over
welke deskundigheden het bureau jeugdzorg dient te beschikken. Een aantal van
die deskundigheden wijst in de richting van andere problematiek dan die waarvoor
het bureau jeugdzorg zorg kan bieden. Dergelijke problematiek moet wel herkend
kunnen worden.
Artikel 29
Uitvoeringsbesluit Wet op de jeugdzorg
1. Ten behoeve van een verantwoorde uitvoering door de stichting van de aan haar
bij de wet opgedragen taken, beschikt de stichting over deskundigheid met
betrekking tot: a. de beoordeling en aanpak van psychosociale, psychische of
gedragsproblemen, dan wel een psychiatrische aandoening van jeugdigen; b. de
beoordeling en aanpak van opvoedingssituaties die het onbedreigd opgroeien van
jeugdigen kunnen belemmeren; c. de herkenning van taal- en leerproblemen; d. de
herkenning van somatische aandoeningen; e. de herkenning van lichamelijke of
verstandelijke handicaps; f. de beoordeling en aanpak van kindermishandeling; g.
de aanpak van jeugdige delinquenten; h. de juridische aspecten van de haar
opgedragen taken. 2. De stichting is op de hoogte van het aanbod van zorg. 3.
Bij regeling van Onze Ministers kunnen regels worden gesteld over de opleidings-
of deskundigheidseisen van medewerkers van de stichting, van beroepskrachten
werkzaam bij de stichting alsmede van de deskundigen, bedoeld in artikel 35. In
de toelichting bij het besluit wordt hierop nader ingegaan: Een aantal
specifieke problemen van de jeugdigen die geen opgroei- of opvoedingsproblemen
zijn, maar die wel tot opvoedingsproblemen kunnen leiden, wordt met zoveel
woorden genoemd. Deze problemen zullen om die reden wel aangepakt moeten worden,
maar zij eisen een specifieke aanpak buiten de jeugdzorg. Genoemd worden
allereerst de taal- en leerproblemen. Hetzelfde geldt voor somatische
aandoeningen en lichamelijke en verstandelijke handicaps. Deze problemen behoeft
het bureau slechts te kunnen herkennen. Het zal daarom over de deskundigheid
moeten beschikken, om een beargumenteerd vermoeden op dit punt uit te spreken.
Niet nodig is dat zij deze problemen kunnen beoordelen en voorzien van een
daarop passend hulpaanbod. Dat is een taak van het onderwijs, de somatische zorg
en de zorg voor verstandelijk gehandicapten.
6.5. Registreren
gegevens na conclusie geen verdere verwijzing of zorg BJz nodig
Na analyse is gebleken dat geen verdere zorg nodig is. Het proces wordt
afgesloten. Er moet echter wel een aantal gegevens worden geregistreerd, om te
kunnen voldoen aan de informatiebehoefte zoals neergelegd in artikel 2 van het
Besluit beleidsinformatie jeugdzorg, met name de informatiebehoefte onder a.
Processen bureau jeugdzorg Versie 2 Definitief 18 mei 2005 66
Artikel 2, sub a,
Besluit beleidsinformatie jeugdzorg; Algemene gegevens
Voor de verwerking van de gegevens, bedoeld in artikel 42 van de wet,
registreren de stichtingen de volgende algemene gegevens: a. gegevens over de
aanmelding van een cliënt bij de stichting met het doel inzicht te verkrijgen
in het aantal aanmeldingen en het daaraan getalsmatig in categorieën
uitgedrukte vervolg;
6.6. Afsluiten
proces vaststellen benodigde zorg na conclusie geen zorg nodig
Het proces wordt afgesloten.
6.7. Is besloten
tot geïndiceerde zorg?
Aan de hand van het diagnostisch beeld is bepaald dat er zorg nodig is, en dat
voor deze zorg moet worden verwezen naar een zorgaanbieder of een aanbieder van
zorg. In deze afvraging gaat het erom of besloten is dat geïndiceerde zorg
nodig is. • Is dat het geval, dan gaat het proces verder bij de activiteit: Vaststellen
of een aanvraag
aanwezig is. • Is niet besloten dat geïndiceerde zorg nodig is, dan zijn
er twee mogelijkheden: er is besloten dat andere dan geïndiceerde zorg nodig is
die geboden kan worden door een aanbieder van zorg, of er is besloten dat
ambulante zorg geboden wordt door het bureau jeugdzorg zelf. Het proces gaat
verder bij de afvraging Is besloten tot opstellen schriftelijk advies voor andere
dan geïndiceerde
zorg.
6.8. Is er sprake
van (gezins)voogdij of jeugdreclassering?
Wanneer het bureau jeugdzorg ten aanzien van de jeugdige een taak heeft in het
kader van (gezins)voogdij of jeugdreclassering, gelden bijzondere regels. Zo is
het niet verplicht dat aan het indicatiebesluit een aanvraag ten grondslag ligt.
Er kan echter wel naar gestreefd worden de cliënt ertoe te bewegen een aanvraag
in te dienen. Voor verdere informatie, zie bij Vaststellen
of
een aanvraag van de cliënt haalbaar is. • Wanneer er ten aanzien van de
jeugdige sprake is van een taak in het kader van (gezins)voogdij of
jeugdreclassering, gaat het proces verder bij Vaststellen
of een aanvraag
van de cliënt
haalbaar is.
• Wanneer er ten aanzien van de jeugdige geen sprake is van een dergelijke
taak, gaat het proces verder bij Vaststellen
of een aanvraag aanwezig is.
Processen bureau jeugdzorg Versie 2 Definitief 18 mei 2005 67
6.9. Vaststellen
of een aanvraag van de cliënt haalbaar is
Deze activiteit is alleen aan de orde indien er sprake is van een te nemen
indicatiebesluit in het kader van gezinsvoogdij, voogdij of jeugdreclassering.
Getracht kan worden de cliënt ertoe te bewegen een aanvraag in te dienen voor
geïndiceerde zorg. Deze aanvraag is echter in bovengenoemde situaties niet
verplicht. Door de cliënt ertoe te bewegen om toch een aanvraag in te dienen,
kan diens motivatie tot het aanvaarden van zorg worden gestimuleerd of
onderstreept. Besluit de cliënt echter om geen aanvraag in te dienen, dan kan
toch gewoon een indicatiebesluit worden opgesteld. In beginsel moet aan ieder
indicatiebesluit een aanvraag ten grondslag liggen. Zie hiervoor art. 7 Wjz. In
lid 6 wordt evenwel aan aantal uitzonderingen op deze regel genoemd:
Artikel 7, lid 6,
Wjz
6. In
afwijking van het eerste lid kan de stichting een besluit nemen zonder een
aanvraag daartoe, indien: a. verlening van zorg noodzakelijk is ter uitvoering
van de taken, bedoeld in artikel 10, eerste lid, onder a tot en met d; b. het
besluit strekt tot een uithuisplaatsing in het kader van een
ondertoezichtstelling als bedoeld in artikel 261 van Boek 1 van het Burgerlijk
Wetboek op verzoek van het openbaar ministerie of de raad voor de
kinderbescherming. De taken, bedoeld in artikel 10, eerste lid, onder a tot en
met d zijn: • uitoefenen van de voogdij en de voorlopige voogdij (art. 10, lid
1, sub a; • uitoefenen gezinsvoogdij (OTS) en voorlopige gezinsvoogdij (VOTS)
(art. 10, lid 1, sub b); • jeugdreclassering
(art. 10, lid 1, sub c-d).
Artikel 10, lid 1,
Wjz
1. De stichting heeft bovendien tot taak: a. het, met uitsluiting van andere
rechtspersonen en onverminderd artikel 302, tweede lid, van Boek 1 van het
Burgerlijk Wetboek uitoefenen van de voogdij en de voorlopige voogdij op grond
van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek of de voorlopige voogdij op grond van
andere wetten; b. het, met uitsluiting van anderen, uitoefenen van de taak,
genoemd in artikel 257 van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek; c. het geven van
de in artikel
77f
, eerste lid, onder a, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde aanwijzingen,
dan wel het uitvoeren van de taken, bedoeld in artikel 77j, vierde en vijfde
lid, 77o, eerste lid, 77s, achtste lid, 77aa, tweede en derde lid, van het
Wetboek van Strafrecht of in artikel 493, eerste lid, van het Wetboek van
Strafvordering, en de daarop Processen bureau jeugdzorg Versie 2 Definitief 18
mei 2005 68 aansluitende nazorg, alsmede het geven van begeleiding als bedoeld
in artikel 77hh, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht; d. het, met
uitsluiting van anderen, begeleiden van en toezicht houden op jeugdigen die deel
nemen aan een scholings– en trainingsprogramma als bedoeld in artikel 3 van de
Beginselenwet justitiële jeugdinrichtingen, of aan wie proefverlof als bedoeld
in artikel 31 van die wet is verleend, alsmede de overige taken die bij of
krachtens die wet aan de stichting zijn opgedragen.
6.10. Wil de cliënt
een aanvraag indienen?
Er is sprake van een indicatiebesluit in het kader van (gezins)voogdij of
jeugdreclassering. De cliënt is gevraagd of hij voor dit indicatiebesluit een
aanvraag wil indienen. Deze aanvraag is voor het nemen van het indicatiebesluit
door het BJz evenwel niet verplicht. • Als de cliënt ervoor kiest om
inderdaad een aanvraag in te dienen, gaat het proces verder bij de activiteit Ervoor
zorgdragen dat cliënt een aanvraag kan indienen.
• Als de cliënt geen aanvraag wil indienen, kan toch een
indicatiebesluit genomen worden; het proces gaat verder bij Opstellen
indicatiebesluit.
6.11. Vaststellen
of aanvraag aanwezig is
Vastgesteld wordt of er een aanvraag aanwezig is. De Wet op de jeugdzorg bepaalt
dat aan het besluit of een cliënt is aangewezen op zorg in beginsel een
aanvraag van de cliënt ten grondslag ligt (art. 7, eerste lid). Geen aanvraag
is nodig (art. 7, zesde lid Wjz): • indien verlening van zorg noodzakelijk is
ter uitvoering van een van de genoemde justitiële taken; • indien het besluit
strekt tot uithuisplaatsing in het kader van ondertoezichtstelling op verzoek
van het Openbaar Ministerie of de raad voor de kinderbescherming (art. 7, zesde
lid, sub b). Op enig moment vóór het totstandkomen van een indicatiebesluit
moet gecheckt worden of er een aanvraag aanwezig is. In het proces kan deze
check eigenlijk op elk moment gedaan worden. Ook de aanvraag kan op elk moment
in het proces (vanaf het ogenblik dat hetzij de cliënt, hetzij het BJz de
overtuiging heeft dat geïndiceerde hulp nodig is) gedaan worden. Dit moment in
het proces is het laatste moment waarop de aanvraag nog ingevuld kan worden.
Anders kan er geen indicatiebesluit worden genomen (behoudens in
crisissituaties). De letterlijke wetstekst luidt:
Artikel 7, eerste
en zesde lid
Processen bureau jeugdzorg Versie 2 Definitief 18 mei 2005 69 1. Aan een besluit
waarbij wordt vastgesteld of een cliënt is aangewezen op zorg als bedoeld in
artikel 5, tweede lid, ligt een aanvraag van een cliënt ten grondslag. (...)
6. In
afwijking van het eerste lid kan de stichting een besluit nemen zonder een
aanvraag daartoe, indien: a. verlening van zorg noodzakelijk is ter uitvoering
van de taken, bedoeld in artikel 10, eerste lid, onder a tot en met d; b. het
besluit strekt tot een uithuisplaatsing in het kader van een
ondertoezichtstelling als bedoeld in artikel 261 van Boek 1 van het Burgerlijk
Wetboek op verzoek van het openbaar ministerie of de raad voor de
kinderbescherming. Lid 6 stelt dat het bureau jeugdzorg in de omschreven
gevallen een indicatiebesluit kan nemen
zonder een aanvraag daartoe. Dat laat de mogelijkheid open om in dergelijke
gevallen de cliënt er toch toe te bewegen een aanvraag in te dienen, met het
oogmerk diens motivatie tot het aanvaarden van hulp te versterken dan wel te
onderstrepen.
6.12. Aanvraag
aanwezig?
Vastgesteld is of er een aanvraag aanwezig is. • Indien er een aanvraag
aanwezig is, dan wordt het indicatiebesluit opgesteld. • Indien er géén
aanvraag aanwezig is, dan wordt ervoor gezorgd dat de cliënt een aanvraag kan
indienen.
6.13. Ervoor
zorgdragen dat cliënt een aanvraag kan indienen
Het bureau jeugdzorg stelt de cliënt in de gelegenheid een aanvraag in te
dienen. In de wet is een regeling opgenomen omtrent de aanvraag van een
indicatiebesluit, en wel in artikel 7. Bij de activiteit Vaststellen
of aanvraag aanwezig is zijn lid 1 en 6 van dit artikel al aan de orde
geweest. Voor de volledigheid wordt hieronder het volledige artikel weergegeven,
vergezeld van een toelichting uit de derde nota van wijziging.
Artikel 7 Wjz
1. Aan een besluit waarbij wordt vastgesteld of een cliënt is aangewezen op
zorg als bedoeld in artikel 7, tweede lid, ligt een aanvraag van een cliënt ten
grondslag. 2. Indien de zorg betrekking heeft op een ander dan de aanvrager,
behoeft de aanvraag de instemming van de cliënt waarop de aanvraag betrekking
heeft. 3. Indien de aanvraag betrekking heeft op een minderjarige die jonger is
dan twaalf jaren of ouder dan twaalf jaren en niet in staat is tot een redelijke
waardering van zijn belangen ter zake, is niet de instemming van de minderjarige
vereist, maar van diens wettelijke vertegenwoordiger. Processen bureau jeugdzorg
Versie 2 Definitief 18 mei 2005 70 4. Indien de aanvraag betrekking heeft op een
minderjarige die de leeftijd van twaalf maar nog niet die van zestien jaren
heeft bereikt, behoeft de aanvraag de instemming van de minderjarige en diens
wettelijke vertegenwoordiger. Indien de wettelijk vertegenwoordiger weigert in
te stemmen met de aanvraag, kan de stichting in afwijking van de eerste volzin,
een besluit nemen indien de zorg voor de minderjarige noodzakelijk is en de
minderjarige de zorg weloverwogen blijft wensen.
5. In
afwijking van het tweede lid kan de stichting op een aanvraag van de wettelijk
vertegenwoordiger van een minderjarige, die ouder is dan twaalf jaren, maar nog
niet de leeftijd van zestien jaren heeft bereikt, en die weigert in te stemmen
met de aanvraag, een besluit nemen, indien de zorg voor de minderjarige
noodzakelijk is.
6. In
afwijking van het eerste lid kan de stichting een besluit nemen zonder een
aanvraag daartoe, indien: a. verlening van zorg noodzakelijk is ter uitvoering
van de taken, bedoeld in artikel 10, eerste lid, onder a tot en met d; b. het
besluit strekt tot een uithuisplaatsing in het kader van een
ondertoezichtstelling als bedoeld in artikel 261 van Boek 1 van het Burgerlijk
Wetboek op verzoek van het openbaar ministerie of de raad voor de
kinderbescherming. De derde nota van wijziging gaat nader in op de regels rond
de aanvraag en het waarom daarvan.Onderstaand een citaat.
6. Noodzaak van
meer drang in de vrijwillige hulpverlening
Zoals aangegeven zetten veel jeugdigen en hun ouders zelf de stap naar de
hulpverlening als zij ondersteuning nodig hebben bij oplossen of het leren
omgaan met hun problemen. Het komt echter voor dat zij hun eigen problemen niet
(h)erkennen of deze negeren. Het bureau jeugdzorg krijgt in dergelijke gevallen
de taak om actief op te treden en contact te zoeken met de cliënt. Voor zorg
waarop aanspraak bestaat is een daartoe strekkend indicatiebesluit van het
bureau jeugdzorg een vereiste. Zorg is het meest effectief als cliënten de
noodzaak daarvan inzien en zien wat de hulp aan de oplossing van de problemen
kan bijdragen. Het is echter niet altijd mogelijk cliënten dit inzicht bij te
brengen. Ook dan kan echter hulp nog wel hard nodig zijn. In verband hiermee is
bij onderhavige nota van wijziging een regeling in het wetsvoorstel opgenomen
omtrent de aanvrage van een indicatiebesluit. Hoofdregel is dat aan een
indicatiebesluit een aanvraag van een cliënt ten grondslag moet liggen (artikel
7, eerste lid). Om ook hulp op gang te kunnen brengen waarom een cliënt niet
nadrukkelijk vraagt is aan het bureau jeugdzorg de bevoegdheid gegeven om in een
aantal met name in het wetsvoorstel genoemde gevallen zonder een (volledige)
aanvraag daartoe een indicatiebesluit te nemen (artikel 7, vierde en vijfde
lid). Een aanvraag kan worden gedaan door iedere cliënt. Dit brengt mee dat een
ouder of een pleegouder een aanvraag kan doen voor zorg die hem zelf betreft en
ook voor zorg voor zijn kind of pleegkind. Anderzijds, maar dat is vooral
theoretisch, kan een jeugdige ook een aanvraag doen voor hulp aan zijn ouders of
pleegouders. Als de aanvraag wordt gedaan door een ander dan degene die de zorg
betreft, behoeft de aanvraag de instemming van betrokkene, tenzij deze nog geen
twaalf jaar is. Als betrokkene ouder is dan twaalf jaar maar niet in staat tot
een redelijke waardering van zijn belangen terzake, is zijn Processen bureau
jeugdzorg Versie 2 Definitief 18 mei 2005 71 instemming evenmin vereist.
Instemming van de vertegenwoordiger van de minderjarige is niet vereist als de
aanvraag wordt gedaan door een minderjarige, die ouder is dan twaalf jaren en de
minderjarige de zorg weloverwogen blijft wensen. Te denken valt aan weggelopen
minderjarigen waarbij de ouders weigeren in te stemmen met de aanvraag, maar ook
aan situaties waarbij tussen de minderjarige en zijn ouder of verzorger verschil
van inzicht blijft bestaan over zorg die noodzakelijk is. Als de aanvraag wordt
gedaan door de ouders voor een kind, dat ouder is dan twaalf jaren, maar het
kind, ook al is het in staat tot een redelijke waardering van zijn belangen
terzake, weigert in te stemmen met de aanvraag, kan de aanvraag toch worden
toegewezen als het kind de zorg nodig heeft. Voorts kan de stichting ambtshalve
een indicatiebesluit nemen ter uitvoering van de voogdij, gezinsvoogdij of
jeugdreclassering of op verzoek van de raad voor de kinderbescherming of het
openbaar ministerie. (...)
6.14. Opstellen
indicatiebesluit
A. Algemeen
Het indicatiebesluit wordt opgesteld. Onder een indicatiebesluit verstaan wij
een besluit dat aangeeft of een cliënt is aangewezen op zorg als bedoeld in
artikel 5, tweede lid, Wjz. Een indicatiebesluit kan zowel opgesteld worden om
de cliënt een aanspraak op geïndiceerde zorg te verkrijgen als om een
aanspraak op geïndiceerde zorg te beëindigen.
Ook kan het indicatiebesluit ertoe strekken dat naar het oordeel van het
bureau jeugdzorg de cliënt niet is
aangewezen op zorg als bedoeld in artikel 5, tweede lid, Wjz. Bij dit proces is
het van belang dat gedurende de gehele procesgang waar nodig/mogelijk overleg
met de cliënt/aanvrager wordt gevoerd. In deze begeleidende tekst worden
allereerst de algemene eisen aan het opstellen van het indicatiebesluit
behandeld, voorts komt een aantal eisen aan de orde die aan het besluit zelf
gesteld worden. Aparte aandacht wordt vervolgens besteed aan een aantal
beperkingen in de aanspraak op jeugdzorg, zoals die zijn geformuleerd in het het
Uitvoeringsbesluit Wet op de jeugdzorg (artikelen 1 t/m 6).
B. Eisen bij het
opstellen van het indicatiebesluit
Aan het proces van het opstellen van het indicatiebesluit worden de volgende
eisen gesteld: • aan een indicatiebesluit moet een aanvraag van de cliënt ten
grondslag liggen (art. 7, lid 1 Wjz), behoudens uitzonderingen (art. 7, 4de, 5de
en 6de lid Wjz), • altijd overleg met de cliënt op wie de zorg betrekking
heeft, behoudens uitzonderingen (art. 34 lid 3 Uitvoeringsbesluit Wet op de
jeugdzorg), Processen bureau jeugdzorg Versie 2 Definitief 18 mei 2005 72 •
altijd raadpleging van een daartoe gekwalificeerde gedragswetenschapper (art. 35
Uitvoeringsbesluit Wet op de jeugdzorg), • indien het om een verzoek om
uithuisplaatsing in het kader van ondertoezichtstelling gaat altijd overleg met
Openbaar Ministerie of de raad voor de kinderbescherming (art. 34 lid 2
Uitvoeringsbesluit Wet op de jeugdzorg), • mogelijkheid van second opinion: op
verzoek van cliënt laat de stichting de bij het opstellen van het
indicatiebesluit gebruikte test- en onderzoeksgegevens van gedragsdeskundig of
psychiatrisch onderzoek door een onafhankelijke deskundige interpreteren en
voorzien van een advies, tenzij het belang van de jeugdige zich daartegen verzet
(art. 36 Uitvoeringsbesluit Wet op de jeugdzorg).
C. Eisen die
gesteld worden aan het indicatiebesluit
De Wet op de Jeugdzorg spreekt niet over een indicatiebesluit, maar over een
aantal specifieke besluiten. Afhankelijk van de strekking van het besluit worden
verschillende eisen gesteld. In de lagere regelgeving wordt de (verzamel)term
indicatiebesluit wel gebruikt, waarbij vervolgens wel weer specifieke
indicatiebesluiten worden onderscheiden. Afhankelijk van het soort besluit dat
aan de orde is gelden verschillende eisen die hieronder aan de orde komen. Voor
zowel een indicatiebesluit als een besluit dat andere dan geïndiceerde zorg
noodzakelijk is, geldt dat de huisarts van de cliënt schriftelijk moet worden
geïnformeerd door de stichting; dit mag echter alleen als de cliënt daarvoor
toestemming geeft. (art. 28 Uitvoeringsbesluit Wet op de jeugdzorg).
C.1 Besluit geïndiceerde
zorg noodzakelijk
Indien een besluit wordt genomen dat geïndiceerde zorg nodig is, gelden de
vereisten zoals die zijn omschreven in artikel 6 van de wet.
Art 6 WJz
1. Indien de stichting een besluit neemt, waarbij wordt vastgesteld dat een cliënt
is aangewezen op zorg als bedoeld in artikel 5, tweede lid, geeft zij daarbij in
ieder geval: a. een beschrijving van de problemen of dreigende problemen van de
cliënt, de ernst en de mogelijke oorzaken daarvan; b. een beschrijving van de
in verband daarmee benodigde zorg en het met die zorg beoogde doel; c. de
termijn gedurende welke de aanspraak geldt nadat de in het besluit voorziene
zorg is aangevangen; d. de termijn waarbinnen de aanspraak tot gelding moet zijn
gebracht; e. een advies wie de zorg kan of kunnen verlenen.
2. In
het besluit geeft de stichting aan of coördinatie van de zorg noodzakelijk is
en zo ja, wie deze coördinatie het beste kan uitvoeren. 3. Door het verstrijken
van de termijn, bedoeld in het eerste lid, onder c, of indien een Processen
bureau jeugdzorg Versie 2 Definitief 18 mei 2005 73 aanspraak niet binnen de
termijn, bedoeld in het eerste lid, onder d, tot gelding is gebracht, vervalt de
aanspraak. 4. De aanspraak vervalt voorts indien de stichting een besluit neemt,
waarbij wordt vastgesteld dat een cliënt niet langer is aangewezen op zorg als
bedoeld in artikel 5, tweede lid. 5. Bij of krachtens algemene maatregel van
bestuur worden nadere regels gesteld omtrent de inhoud van het besluit, bedoeld
in het eerste lid, en kunnen regels worden gesteld omtrent de wijze van
totstandkoming daarvan, alsmede omtrent het vierde lid. N.B.
Wellicht ten overvloede benadrukken we dat de eisen die zijn genoemd in lid
1 van dit artikel alleen gelden wanneer de stichting een besluit neemt dat de
cliënt is aangewezen op geïndiceerde zorg. Wanneer de stichting vindt dat de
cliënt niet is aangewezen op deze
zorg, en dit wordt neergelegd in een indicatiebesluit (en dat moet als de cliënt
een aanvraag heeft ingediend), dan gelden de eisen in lid 1 dus niet. Het
Besluit indicatie jeugdzorg stelt nog een aantal aanvullende eisen:
Artikel 15
Uitvoeringsbesluit Wet op de jeugdzorg
Indien de stichting voorziet dat de zorg waarop een cliënt is aangewezen niet
tijdig beschikbaar is, kan zij vervangende zorg aanduiden, waarop de cliënt
alsdan is aangewezen. Een cliënt is slechts op de vervangende zorg aangewezen
tot het moment waarop de eerst aangewezen zorg beschikbaar is of tot de termijn,
gedurende welke de aanspraak op de zorg waarop de cliënt is aangewezen, is
verstreken.
Artikel 6 Besluit
indicatie jeugdzorg
Indien ten behoeve van één jeugdige meer dan één cliënt op zorg is
aangewezen geven de indicatiebesluiten de samenhang met de andere besluiten aan.
Over artikel 15 heeft het Ministerie van VWS in antwoord op vragen vanuit de
Bureaus jeugdzorg enige uitleg gegeven over de duur van de aanspraak op
vervangende zorg. Dit antwoord wordt hieronder weergegeven. Er is zorg geïndiceerd
die niet meteen beschikbaar is. In verband daarmee wordt vervangende zorg
aangegeven. De cliënt kan er voor kiezen de "echt" geïndiceerde zorg
op te eisen of genoegen te nemen met vervangende zorg. Dat opeisen zal in beide
gevallen binnen 13 weken moeten gebeuren omdat er dan geen geïndiceerde zorg en
dus ook geen vervangende zorg meer is. Nu het geval dat de aanspraak op
vervangende zorg tot gelding wordt gebracht, bijvoorbeeld na drie weken. Die
zorg vangt aan, maar de aanspraak op de "echte" zorg kan nog tot
gelding worden gebracht tot de dertien weken die daar voor staan zijn
verstreken. In het voorbeeld Processen bureau jeugdzorg Versie 2 Definitief 18
mei 2005 74 heeft de cliënt dus nog 10 weken over om te bekijken of de
vervangende zorg wel of niet bevalt. Bevalt de vervangende zorg niet dan kan hij
zijn aanspraak op de "echte"zorg gewoon binnen de dertien weken die
hij heeft tot gelding brengen. Bevalt die zorg wel dan kan de cliënt die
vervangende zorg blijven genieten tot de geldigheidsduur die aan de indicatie
verbonden is door het bureau jeugdzorg (maximaal een jaar) is verstreken.
C.2 Aanvullende
regels inhoud indicatiebesluit
Afhankelijk van het soort zorg dat nodig wordt geacht, gelden nog aanvullende
regels voor de inhoud en de wijze van totstandkoming van het indicatiebesluit
(Uitvoeringsbesluit Wet op de jeugdzorg art 18 t/m 20):
Artikel 18
Uitvoeringsbesluit Wet op de jeugdzorg
1. Indien de stichting vaststelt dat een cliënt is aangewezen op jeugdhulp,
geeft zij in het indicatiebesluit aan of een cliënt is aangewezen op jeugdhulp:
a. in de thuissituatie of in een accommodatie van een zorgaanbieder; b.
individueel of in groepsverband; 2. Het indicatiebesluit vermeldt de omvang van
de benodigde jeugdhulp, uitgedrukt in het benodigde aantal contacturen.
Artikel 19
Uitvoeringsbesluit Wet op de jeugdzorg
1. Indien de stichting vaststelt dat een jeugdige is aangewezen op verblijf,
geeft zij in het indicatiebesluit aan of de jeugdige is aangewezen op verblijf
bij een pleegouder, dan wel op verblijf in een accommodatie van een
zorgaanbieder. 2. Het indicatiebesluit vermeldt de omvang van het benodigde
verblijf, uitgedrukt in het benodigde aantal uren per etmaal en het aantal dagen
waarover de uren worden gespreid. 3. Het aantal dagen waarover de uren worden
gespreid wordt uitgedrukt in een minimum en maximum aantal dagen, waarbij de
marge twintig procent ten opzichte van het gemiddelde van het minimum en het
maximum bedraagt
Artikel 20
Uitvoeringsbesluit Wet op de jeugdzorg
1. Indien de stichting vaststelt dat een jeugdige is aangewezen op
observatiediagnostiek, geeft zij in het indicatiebesluit aan welke vragen met de
observatiediagnostiek beantwoord moeten worden. 2. Het indicatiebesluit vermeldt
de omvang van de benodigde observatiediagnostiek, uitgedrukt in het benodigde
aantal uren per etmaal en het aantal dagen per week waarover deze uren worden
gespreid.
D.
Indicatiebesluit is beschikking (AWB)
Dit type indicatiebesluit kan worden aangemerkt als een beschikking in de zin
van de Algemene Processen bureau jeugdzorg Versie 2 Definitief 18 mei 2005 75
Wet Bestuursrecht. Dit betekent dat bezwaar kan worden gemaakt bij het bureau
jeugdzorg en dat vervolgens beroep bij de rechter kan worden ingesteld. De
kinderrechter is in de Wet op de Jeugdzorg als bevoegde rechter aangewezen (art.
5, vijfde lid Wjz).
E. Beslissingen
die zijn gelijkgesteld aan indicatiebesluit
Er zijn drie beslissingen die in art. 3, derde lid Wjz gelijk gesteld worden met
het indicatiebesluit: • de rechter kan in het kader van het strafrecht
beslissen dat jeugdzorg nodig is; het dient hierbij te gaan om een uitspraak in
het kader van artikel 77s, eerste lid van het Wetboek van Strafrecht; • de
selectie functionaris van DJI kan beslissen over scholings en
trainingsprogramma’s (STP); • de directeur JJI kan beslissen dat jeugdzorg
nodig is in het kader van proefverlof.
F. Beperkingen
aanspraak
In de begeleidende tekst van de activiteit Analyseren
situatie van de fase Analyse en
opstellen
diagnostisch beeld is al gerefereerd naar een aantal beperkingen die in de
onderliggende regelgeving van de wet zijn gesteld op de aanspraak op jeugdzorg.
Dat is daar gedaan, omdat de criteria die in de desbetreffende artikelen worden
genoemd, meegenomen moeten worden in die fase. Het Uitvoeringsbesluit Wet op de
jeugdzorg houdt echter ook eisen in die aan het indicatiebesluit gesteld worden,
of preciezer: het benoemt criteria ten aanzien van de vraag wanneer voor welke
vorm van jeugdzorg geïndiceerd kan worden door middel van een indicatiebesluit
en wanneer dat niet kan. Er wordt daarbij onderscheid gemaakt tussen: 10.
jeugdhulp (artikel 3) 11. verblijf (artikel 4) en 12. observatiediagnostiek
(artikel 5)
Artikel 3
Uitvoeringsbesluit Wet op de jeugdzorg
1. Jeugdhulp omvat behandeling of begeleiding van een: a. jeugdige, gericht op
het oplossen, verminderen of voorkomen van verergering dan wel het omgaan met de
gevolgen van zijn psychosociale, psychische of gedragsproblemen; b. cliënt,
niet zijnde een jeugdige, gericht op het verkrijgen van zodanige vaardigheden
dat hij aan de onder a bedoelde psychosociale, psychische of gedragsproblemen in
het gezin het hoofd kan bieden. 2. Geen aanspraak bestaat op jeugdhulp voor
zover: a. de jeugdige of zijn ouders, stiefouder of anderen die hem als
behorende tot hun gezin verzorgen en opvoeden de psychosociale, psychische of
gedragsproblemen van die jeugdige het hoofd kunnen bieden, al dan niet met
behulp van personen uit hun directe omgeving of met behulp van andere
voorzieningen die hulp bieden dan zorgaanbieders of b. de psychosociale,
psychische of gedragsproblemen hun oorzaak vinden of mede vinden in Processen
bureau jeugdzorg Versie 2 Definitief 18 mei 2005 76 een psychiatrische
aandoening van een jeugdige die zodanig van aard is dat een psychiatrische
aanpak van de problemen noodzakelijk is.
Artikel 4
Uitvoeringsbesluit Wet op de jeugdzorg
1. Verblijf omvat het aan een jeugdige gedurende het etmaal of een deel daarvan
bieden van verblijf met een passend pedagogisch klimaat bij een pleegouder of in
een accommodatie van een zorgaanbieder. 2. Geen aanspraak bestaat op verblijf
voor zover: a. de jeugdige geen psychosociale, psychische of gedragsproblemen
heeft, dan wel de jeugdige of zijn ouders, stiefouder of anderen die hem als
behorende tot hun gezin verzorgen en opvoeden, de psychosociale, psychische of
gedragsproblemen van die jeugdige het hoofd kunnen bieden, al dan niet met
jeugdhulp als bedoeld in artikel 3, met behulp van personen uit hun directe
omgeving of met behulp van andere voorzieningen die hulp bieden dan
zorgaanbieders, b. het verblijf noodzakelijk is voor persoonlijke verzorging,
ondersteunende begeleiding, activerende begeleiding of behandeling als bedoeld
in artikel 2, eerste lid, van het Besluit zorgaanspraken AWBZ in verband met een
verstandelijke, lichamelijke of zintuiglijke handicap, dan wel een
psychiatrische of somatische aandoening of beperking of c. het verblijf in een
justitiële jeugdinrichting als bedoeld in artikel 1, onder b, van de
Beginselenwet justitiële jeugdinrichtingen betreft.
3. In
afwijking van het tweede lid, onder a, bestaat aanspraak op verblijf: a. indien
het een minderjarige betreft die onder voogdij van een stichting staat; b. als
door verblijf bij een pleegouder het hoofd kan worden geboden aan de
psychosociale, psychische of gedragsproblemen van de jeugdige. 4. Aanspraak op
verblijf gedurende een deel van het etmaal bestaat slechts indien dit
noodzakelijk is voor het tot gelding brengen van een aanspraak op jeugdhulp als
bedoeld in artikel 3.
Artikel 5
Uitvoeringsbesluit Wet op de jeugdzorg
1. Observatiediagnostiek omvat het onderzoeken van een jeugdige gericht op het
verkrijgen van gegevens die een stichting nodig heeft voor het nemen van een
indicatiebesluit. 2. Geen aanspraak op observatiediagnostiek bestaat als
aannemelijk is dat een jeugdige is aangewezen op zorg als bedoeld in artikel 5,
tweede lid, onder b, van de wet. 3. Aanspraak op observatiediagnostiek bestaat
slechts indien voor het verkrijgen van de gegevens, bedoeld in het eerste lid,
observatie tijdens verblijf gedurende het etmaal of een deel daarvan
noodzakelijk is. 4. Aanspraak op observatiediagnostiek bestaat voor een termijn
van ten hoogste zes weken. De aanspraak kan eenmaal met ten hoogste zes weken
worden verlengd. In artikel 4 van het Uitvoeringsbesluit Wet op de jeugdzorg
wordt verwezen naar artikel 2, eerste Processen bureau jeugdzorg Versie 2
Definitief 18 mei 2005 77 lid, van het Besluit zorgaanspraken AWBZ. Dit artikel
wordt hieronder volledigheidshalve weergegeven: Artikel 2 Besluit zorgaanspraken
AWBZ Artikel 2 1. De verzekerde heeft, behoudens voor zover het zorg betreft die
kan worden bekostigd op grond van een andere wettelijke regeling, aanspraak op:
a. huishoudelijke verzorging als omschreven in artikel 3; b. persoonlijke
verzorging als omschreven in artikel 4; c. verpleging als omschreven in artikel
5; d. ondersteunende begeleiding als omschreven in artikel 6; e. activerende
begeleiding als omschreven in artikel 7; f. behandeling als omschreven in
artikel 8; g. verblijf als omschreven in artikel 9; h. vervoer als omschreven in
artikel 10; i. het gebruik van een verpleegartikel als omschreven in artikel 11;
j. dieetadvisering als omschreven in artikel 12; k. ziekenhuiszorg als
omschreven in artikel 13; l. revalidatiezorg als omschreven in artikel 14; m.
zorg als omschreven in artikel 15; n. prenatale zorg als omschreven in artikel
16; o. onderzoek naar aangeboren stofwisselingsziekten als omschreven in artikel
17; p. vaccinaties als omschreven in artikel 18. 2. Op de zorg, omschreven bij
dit besluit, bestaat geen aanspraak voor zover deze objectief voorzienbaar
samenhangt met een onderzoek in een ziekenhuis dat of een behandeling in een
ziekenhuis die niet behoort tot de in artikel 13, eerste lid, omschreven zorg.
3. De aanspraak op zorg bestaat slechts voor zover de verzekerde, gelet op zijn
behoefte en uit een oogpunt van doelmatige zorgverlening, redelijkerwijs daarop
is aangewezen. 4. Bij ministeriële regeling kan de aanspraak op de zorg,
bedoeld in het eerste lid, nader worden geregeld en afhankelijk worden gesteld
van daarbij te stellen voorwaarden. Zie ook het algemene hoofdstuk over de Wet
op de jeugdzorg, onder het kopje De Wet op
de
jeugdzorg en de
AWBZ.
G.
Registratie-eisen
Registratie-eisen ten aanzien van het indicatiebesluit zijn opgenomen in het
Besluit beleidsinformatie jeugdzorg.
Artikel 3 Besluit
beleidsinformatie jeugdzorg
1. Voor de verwerking van de gegevens, bedoeld in artikel 42 van de wet,
registeert de Processen bureau jeugdzorg Versie 2 Definitief 18 mei 2005 78
stichting de volgende gegevens per cliënt over de taak, bedoeld in artikel 5,
eerste lid, van de wet: a. de datum van de aanvraag voor een indicatiebesluit;
b. de datum van het indicatiebesluit; c. of de cliënt volgens een
indicatiebesluit is aangewezen op zorg als bedoeld in artikel 5, tweede lid, van
de wet; d. of het indicatiebesluit is genomen in verband met het verstrijken van
de termijn, bedoeld in artikel 6, eerste lid, onder c, van de wet; e. of het
indicatiebesluit is genomen in verband met het verstrijken van de termijn,
bedoeld in artikel 6, eerste lid, onder d, van de wet met een aanduiding van de
reden waarom de cliënt niet binnen de gestelde termijn de aanspraak tot gelding
heeft gebracht; f. of het indicatiebesluit is genomen op grond van artikel 6,
vierde lid, van de wet met een aanduiding van de reden; g. de datum van de
beslissing, bedoeld in artikel 3, derde lid, tweede volzin, van de wet met een
aanduiding van degene die de beslissing neemt; h. de datum dat de huisarts of de
behandelaar toepassing geeft aan artikel 5 van het Besluit verwijzing jeugd-ggz
met een aanduiding van de hoedanigheid van de verwijzer; i. of de stichting een
indicatiebesluit heeft genomen in een geval, bedoeld in artikel 3 van het
Besluit indicatie jeugdzorg, nadat de zorg is aangevangen; j. de datum van het
beëindigen van de medewerking van de cliënt aan de taak van de stichting,
bedoeld in artikel 5, eerste lid, van de wet; k. de datum van de schriftelijke
vastlegging, bedoeld in artikel 8, eerste lid, van de wet.
2. In
de gevallen bedoeld in het eerste lid, onder b, f en g, registeert de stichting
per cliënt de aard, inhoud en omvang van zorg waarop de cliënt aanspraak
heeft. Daarbij wordt een onderscheid gemaakt tussen eerst aangewezen zorg en
vervangende zorg als bedoeld in artikel 5 van het Besluit indicatie jeugdzorg.
3. In
de gevallen bedoeld in het eerste lid, onder b, registreert de stichting per
cliënt de termijnen, bedoeld in artikel 6, eerste lid, onder c en d, van de
wet. Processen bureau jeugdzorg Versie 2 Definitief 18 mei 2005 79 Processen
bureau jeugdzorg Versie 2 Definitief 18 mei 2005 80
6.14.1. Formuleren
ontwerp indicatiebesluit
Het ontwerp indicatiebesluit wordt geformuleerd.
6.14.2. Beoordelen
ontwerp indicatiebesluit
Het ontwerp indicatiebesluit wordt door een gedragswetenschapper ten finale
beoordeeld. In het Uitvoeringsbesluit Wet op de jeugdzorg wordt het volgende
vermeld:
Artikel 35
Uitvoeringsbesluit Wet op de jeugdzorg
De stichting neemt geen indicatiebesluit dan nadat een ontwerp daarvan ter
beoordeling is voorgelegd aan een gekwalificeerde gedragswetenschapper.
6.14.3. Aanpassen
ontwerp indicatiebesluit nodig na beoordeling?
Uit de beoordeling van het ontwerp indicatiebesluit door een
gedragswetenschapper kan naar voren komen dat het ontwerp indicatiebesluit
aangepast moet worden. • Indien het ontwerp indicatiebesluit aangepast moet
worden, wordt het ontwerp ge(her)formuleerd. • Indien het ontwerp
indicatiebesluit niet aangepast moet worden, wordt overleg gevoerd met de
aanvrager/cliënt.
6.14.4. Voeren
overleg met aanvrager/cliënt
Met de aanvrager en/of cliënt wordt gedurende het gehele proces overleg gevoerd
(in beginsel). Nadat besloten is dat het ontwerp indicatiebesluit geen verdere
aanpassing behoeft, wordt expliciet met de aanvrager en/of cliënt over het
indicatiebesluit overlegd. In het Uitvoeringsbesluit Wet op de jeugdzorg staat
in art. 34 hierover het volgende vermeld:
Artikel 34
Uitvoeringsbesluit Wet op de jeugdzorg
1. Het indicatiebesluit komt niet tot stand dan nadat over een ontwerp daarvan
in ieder geval overleg is gepleegd met de aanvrager en met degene wiens
instemming is vereist op grond van artikel 7, van de wet.
2. In
een geval als bedoeld in artikel 7, zesde lid, onder b, van de wet neemt de
stichting geen indicatiebesluit dan na overleg met het openbaar ministerie of de
raad voor de kinderbescherming.
6.14.5. Aanpassen
ontwerp IB nodig na overleg cliënt?
Uit het overleg met de cliënt over het ontwerp indicatiebesluit door een
gedragswetenschapper kan naar voren komen dat het ontwerp indicatiebesluit
aangepast moet worden. Processen bureau jeugdzorg Versie 2 Definitief 18 mei
2005 81 • Indien het ontwerp indicatiebesluit aangepast moet worden, wordt het
ontwerp ge(her)formuleerd. • Indien het ontwerp indicatiebesluit niet
aangepast moet worden, wordt het indicatiebesluit vastgesteld. N.B.
Het model geeft hiermee de indruk dat er slechts één moment is waarop
overleg met de cliënt gevoerd wordt. Vaak zal er meer overleg zijn tijdens het
opstellen van het besluit.
6.14.6.
Vaststellen indicatiebesluit
Het indicatiebesluit wordt vastgesteld.
6.14.7. Houdt het
IB een aanspraak AWBZ in?
Het indicatiebesluit kan een aanspraak op grond van de AWBZ inhouden. • Als
het indicatiebesluit een aanspraak op grond van de AWBZ inhoudt, dan dient het
in bepaalde gevallen te worden voorgelegd aan het zorgkantoor. • Houdt het
indicatiebesluit alleen een aanspraak in op grond van de Wjz, of een aanspraak
op grond van de AWBZ waarvoor geen voorlegging aan het zorgkantoor nodig is, dan
gaat het proces verder bij Versturen IB
naar cliënt.
De regels hiervoor zijn vastgelegd in een notitie van het Ministerie van
VWS (DJB/JZ-2518669). Daarin wordt onderscheid gemaakt in werkwijze in 2005 en
in de jaren daarna.
2005
Het indicatiebesluit wordt gestuurd naar het zorgkantoor
("gegevensuitwisseling volgens de AZRsystematiek") voor •
intramurale jeugd-GGZ langer dan 1 jaar; • PGB aanvragen • Zorg geboden door
aanbieders die vanaf 1 april 2003 een nieuwe toelating hebben ontvangen van het
CVZ. Voor alle overige vormen van jeugd-GGZ verstrekt het bureau jeugdzorg het
indicatiebesluit van de cliënt aan de jeugd-GGZ zorgaanbieder (behalve wanneer
er sprake is van een rechtstreekse verwijzing door de huisarts). De jeugd-GGZ
zorgaanbieder maakt hiervan melding bij het zorgkantoor. Processen bureau
jeugdzorg Versie 2 Definitief 18 mei 2005 82
2006 en verder
De situatie in 2006 blijft voor de intramurale jeugd-GGZ na een jaar hetzelfde
als in 2005: de gegevensuitwisseling vindt plaats tussen de bureaus jeugdzorg en
de zorgkantoren volgens de AZR systematiek. Voor alle overige vormen van
jeugd-GGZ geven de bureaus jeugdzorg per 1 januari 2006 een indicatiebesluit af
waarvan zij melding maken aan de zorgverzekeraars, conform de eisen van de
zorgverzekeraars.
6.14.8. Voorleggen
IB aan zorgkantoor
Het indicatiebesluit voor zorg zoals omschreven onder 6.14.7wordt voorgelegd aan
het zorgkantoor. Het zorgkantoor toetst het indicatiebesluit van bureau
jeugdzorg op formele eisen volgens de AWBZ en niet op inhoudelijke gronden.
Voorts heeft het zorgkantoor de taak om te registreren welke zorg de cliënten
(moeten) ontvangen.
6.14.9. Versturen
IB naar cliënt
De cliënt wordt schriftelijk in kennis gesteld van het besluit. Daarbij wordt
informatie over de mogelijkheid van bezwaar en beroep opgenomen (artikel 3:40 en
3:41 Awb). Ook wordt vermeld door wie, binnen welke termijn en bij welk orgaan
bezwaar kan worden gemaakt of beroep kan worden ingesteld (artikel 3:45 Awb).
6.14.10. Versturen
afschrift indicatiebesluit aan huisarts
Als de cliënt daarvoor toestemming geeft, wordt aan de huisarts van de cliënt
een afschrift van het indicatiebesluit gestuurd. In het Uitvoeringsbesluit Wet
op de jeugdzorg wordt dit als volgt verwoord:
Artikel 28
Uitvoeringsbesluit Wet op de jeugdzorg
De stichting stuurt, onverminderd artikel 51 van de wet, aan de huisarts van de
cliënt een afschrift van het indicatiebesluit (...). Uit artikel 51 van de wet
volgt, dat voor het versturen van het indicatiebesluit in beginsel de
toestemming van de cliënt vereist is:
Artikel 51 Wjz
1. Onverminderd het bij of krachtens de wet bepaalde, verstrekken de stichting
en de zorgaanbieder aan anderen dan de cliënt geen inlichtingen over de cliënt,
dan wel inzage in of afschrift van de bescheiden dan met toestemming van de cliënt.
Processen bureau jeugdzorg Versie 2 Definitief 18 mei 2005 83 2. Indien de cliënt
minderjarig is, is in plaats van diens toestemming de toestemming van zijn
wettelijke vertegenwoordiger vereist, indien hij: a. jonger is dan twaalf jaren,
of b. de leeftijd van twaalf jaren heeft bereikt en niet in staat kan worden
geacht tot een redelijke waardering van zijn belangen terzake. 3. Onder anderen
dan de cliënt zijn niet begrepen degenen van wie beroepshalve de medewerking
bij de toegang tot en de uitvoering van de jeugdzorg noodzakelijk is, alsmede
degenen die zijn betrokken bij de voorbereiding of uitvoering van de taken,
bedoeld in artikel 10, eerste lid, onder a tot en met d, doch slechts voor zover
dit voor de medewerking bij de toegang, de uitvoering van de jeugdzorg of de
voorbereiding of uitvoering van een maatregel noodzakelijk is.
6.14.11. Houdt het
besluit in dat de cliënt geïndiceerde zorg nodig heeft?
Als de cliënt een aanvraag heeft ingediend, dan moet het bureau jeugdzorg
altijd een indicatiebesluit opstellen. Een indicatiebesluit kan daarom negatief
zijn. Er is dan expliciet besloten dat de cliënt niet (langer) is aangewezen op
geïndiceerde zorg.. • Indien het indicatiebesluit stelt dat geïndiceerde
zorg nodig is, dan gaat het proces verder bij Uitvoeren
casemanagement geïndiceerde zorg. • Indien het indicatiebesluit stelt dat
de cliënt niet (langer) is aangewezen op zorg, dan wordt het proces hier
afgesloten.
6.14.12. Uitvoeren
Casemanagement
Het Casemanagement wordt uitgevoerd. Zie verder bij het proces Casemanagement
geïndiceerde zorg.
6.14.13. Afsluiten
na negatief indicatiebesluit
Gegevens worden geregistreerd (zie inleidende tekst bij Opstellen
indicatiebesluit, onder kopje G)
6.15. Registreren
gegevens na opstellen indicatiebesluit
Gegevens worden geregistreerd. Zie begeleidende tekst bij Opstellen
indicatiebesluit onder kopje G. N.B.: Niet alle gegevens die voortvloeien
uit de opsomming in dit artikel zullen op dit moment van het proces al bekend
zijn. Aangezien dit echter de plek in het referentiewerkmodel is waarop de geïndiceerde
zorg aanvangt, is het registratiemoment hier opgenomen. Processen bureau
jeugdzorg Versie 2 Definitief 18 mei 2005 84
6.16. Is naast geïndiceerde
zorg ook andere dan geïndiceerde zorg nodig?
Het kan zijn dat voor een cliëntsysteem naast geïndiceerde zorg ook andere dan
geïndiceerde zorg nodig is. Is dat inderdaad het geval, dan is de aanname in
dit model dat de verwijzing voor de andere dan geïndiceerde zorg altijd
geschiedt door middel van een schriftelijke verwijzing. De voornaamste reden
hiervoor is de coördinatie die moet worden aangegeven in zowel het schriftelijk
advies als in het indicatiebesluit. • Wanneer naast geïndiceerde zorg ook
andere dan geïndiceerde zorg nodig is, dan gaat het proces verder bij Verwijzen
naar andere dan geïndiceerde zorg met schriftelijk advies.
• Is dit niet het geval, dan wordt het proces afgesloten.
6.17. Afsluiten
proces vaststellen benodigde zorg na opstellen indicatiebesluit
Gegevens worden geregistreerd. Zie begeleidende tekst bij Opstellen
indicatiebesluit onder kopje G.
6.18. Heeft cliënt
een aanvraag ingediend?
Besloten is dat de cliënt niet is aangewezen op geïndiceerde zorg. Als de cliënt
evenwel een aanvraag heeft ingediend, dan moet er een indicatiebesluit worden
genomen, in dit geval een waarin staat dat de cliënt niet is aangewezen op geïndiceerde
zorg. De cliënt moet op de
mogelijkheid gewezen worden dat hij een aanvraag kan indienen. • Als de cliënt
een aanvraag heeft ingediend, gaat het proces verder met de stap opstellen
indicatiebesluit
geen geïndiceerde zorg nodig
• Heeft de cliënt geen aanvraag ingediend – en
te kennen gegeven dat ook niet te willen doen
– dan gaat het proces verder bij de vraag: Is
besloten tot opstellen schriftelijk advies voor
andere dan geïndiceerde
zorg?
6.19. Opstellen
indicatiebesluit geen geïndiceerde zorg nodig
Er wordt een indicatiebesluit opgesteld waarin staat dat de cliënt niet is
aangewezen op geïndiceerde zorg. Zie de procesbeschrijving Opstellen
indicatiebesluit. Daarna gaat het
proces
verder bij de
afvraging: Is besloten tot opstellen
schriftelijk advies voor andere dan
geïndiceerde
zorg?
6.20. Is besloten
tot opstellen schriftelijk advies voor andere dan geïndiceerde zorg?
Besloten is dat de cliënt geen aanspraak heeft op geïndiceerde zorg. De vraag
die hier aan de orde is, betreft andere dan geïndiceerde zorg, die geboden
wordt door een aanbieder van zorg. Dit kan op twee manieren gebeuren, namelijk
met en zonder schriftelijk advies. Bij een verwijzing Processen bureau jeugdzorg
Versie 2 Definitief 18 mei 2005 85 met schriftelijk advies hoort ook een vorm
van casemanagement. Zie de begeleidende tekst bij het proces Verwijzen
naar andere dan geïndiceerde zorg met schriftelijk advies
• Als is besloten te verwijzen met schriftelijk advies, gaat het proces
verder bij Verwijzen naar
andere dan geïndiceerde
zorg met schriftelijk advies
• Als besloten is te verwijzen zonder schriftelijk advies, gaat het proces
verder bij de afvraging:
Is besloten tot
verwijzen zonder schriftelijk advies naar andere dan geïndiceerde zorg?
In de derde nota van wijziging wordt nadere uitleg gegeven op de verwijzing met
schriftelijk advies, onder het kopje 4, Bijstaan van een cliënt bij het verkrijgen van zorg waarop geen
aanspraak bestaat en het volgen van
die zorg. In deze tekst wordt duidelijk wat het belangrijkste criterium is
bij de keuze om al dan niet met een schriftelijk advies te verwijzen. Het gaat
erom of met de zorg waarnaar wordt verwezen een bedreigende situatie voor een
jeugdige kan worden voorkomen. Is dat het geval, dan dient te worden met een
schriftelijk advies.
Uit derde nota van
wijziging
(...) Het bureau (kan – red.) menen dat dergelijke ("geïndiceerde"
– red.) zorg niet nodig is, maar wel zorg die gegeven kan worden door lokale
voorzieningen (artikel 8). Het hoeft daarbij geen jeugdzorg te betreffen, maar
het kan ook om zorg gaan als hulp bij budgetteren of verslavingszorg. Als de
problemen opgelost kunnen worden met behulp van de aanbieders van deze vormen
van zorg zal het bureau hen daarnaar moeten verwijzen. Als de zorg nodig is om
een bedreigende situatie voor een jeugdige te voorkomen, achten wij een enkele
verwijzing onvoldoende. (...). Het wetsvoorstel verplicht het bureau jeugdzorg
een verwijzing naar andere voorzieningen schriftelijk vast te leggen (artikel
8). Dit schept geen verplichtingen voor die voorzieningen, maar maakt zowel voor
de cliënt als voor de voorzieningen helder welke zorg de cliënt nodig heeft.
(...) Overigens is de verplichting tot schriftelijke vastlegging beperkt tot
zorg die noodzakelijk is om een bedreigende situatie voor een minderjarige te
voorkomen. De andere voorzieningen hebben, zoals hiervoor al gesteld, geen
acceptatieplicht zoals die wel geldt voor zorgaanbieders (artikel 19). Wel zal
de cliënt goed gefundeerd een beroep kunnen doen op die voorzieningen. Zijn
problemen en behoefte aan zorg zijn immers al in kaart gebracht.
6.21. Is besloten
tot verwijzing zonder schriftelijk advies naar andere dan
geïndiceerde
zorg?
Besloten is dat de cliënt zorg nodig heeft, maar geen aanspraak heeft op geïndiceerde
zorg. Besloten is bovendien dat een verwijzing met een schriftelijk advies naar
andere dan geïndiceerde zorg niet noodzakelijk is. Er zijn nu nog twee
mogelijkheden, namelijk een Processen bureau jeugdzorg Versie 2 Definitief 18
mei 2005 86 verwijzing zonder schriftelijk advies, of het aanbieden van
ambulante hulpverlening door het bureau jeugdzorg zelf. In dit model is deze
keuze weergegeven met de vraag of tot een verwijzing zonder schriftelijk advies
besloten is. • Is dit het geval, dan gaat het proces verder bij Verwijzen
naar andere dan geïndiceerde zorg
(zonder
schriftelijk advies).
• Is dit niet het geval, dan gaat het proces verder bij Verlenen
ambulante jeugdzorg (BJz),
onder Bijzondere situaties.
6.22. Verlenen
ambulante jeugdzorg door BJz
Zie proces Verlenen ambulante jeugdzorg
(BJz) onder Bijzondere situaties
6.23. Verwijzen
naar andere dan geïnd. zorg (zonder schriftelijk advies)
De cliënt wordt verwezen naar een aanbieder van zorg, zonder een schriftelijk
advies.
6.24. Verwijzen
naar andere dan geïnd. zorg met schriftelijk advies
In artikel 8 van de wet worden eisen gesteld waaraan het schriftelijk advies
moet voldoen:
Artikel 8 Wjz
1. Indien de stichting van oordeel is dat zorg, niet zijnde zorg als bedoeld in
artikel 5, tweede lid, noodzakelijk is om een voor een jeugdige bedreigende
situatie te voorkomen, legt de stichting ten behoeve van de cliënt schriftelijk
vast welke zorg zij noodzakelijk acht. Zij geeft daarbij in ieder geval: a. een
beschrijving van de problemen of dreigende problemen van de cliënt en de
mogelijke oorzaken daarvan; b. de mate waarin deze een bedreigende situatie voor
de jeugdige kunnen veroorzaken; c. een beschrijving van de in verband daarmee
benodigde zorg; d. een advies wie de benodigde zorg kan verlenen. 2. Bij de
vastlegging geeft de stichting aan of coördinatie van de zorg noodzakelijk is
en zo ja, wie deze coördinatie het beste kan uitvoeren. De artikelsgewijze
toelichting in de derde nota van wijziging stelt daarbij: Bij het vaststellen of
een cliënt zorg nodig heeft, kan de stichting tot het oordeel komen dat zorg
noodzakelijk is, die geen zorg is waarop aanspraak bestaat ingevolgde deze wet
of andere zorg, bedoeld in artikel 5, tweede lid. Indien andere zorg
noodzakelijk is om een voor een minderjarige bedreigende situatie te voorkomen,
legt de stichting dit oordeel schriftelijk vast ten behoeve van de cliënt. De
cliënt kan hiermee naar instellingen gaan om de zorg te krijgen, die hij nodig
heeft. De cliënt heeft echter geen aanspraak op deze zorg. (...) Processen
bureau jeugdzorg Versie 2 Definitief 18 mei 2005 87 De vastlegging geeft de cliënt
en de uitvoeders van de wenselijk geachte zorg inzicht in de problematiek en de
achtergronden daarvan. De uitvoerders kunnen daardoor snel inspelen op de
problemen. Het bureau jeugdzorg behoeft niet in alle gevallen zijn oordeel
schriftelijk vast te leggen. Deze verplichting bestaat slechts als de zorg
noodzakelijk is om een voor een minderjarige bedreigende situatie te voorkomen.
Een eenvoudige verwijzing behoeft derhalve niet (in
een
schriftelijk advies – red.) te worden vastgelegd.
6.24.1. Opstellen
schriftelijk advies
Het advies wordt opgesteld, waarbij de aspecten zoals die zijn genoemd in
artikel 8 van de wet aan de orde komen.
6.24.2. Versturen
schriftuur aan huisarts
Als de cliënt daarmee instemt, wordt aan de huisarts van de cliënt een
schriftuur verstuurd waarin de zorg, bedoeld in art. 8 Wjz is vastgelegd. In het
Uitvoeringsbesluit Wet op de jeugdzorg wordt dit als volgt verwoord:
Artikel 28
Uitvoeringsbesluit Wet op de jeugdzorg
De stichting stuurt, onverminderd artikel 51 van de wet, aan de huisarts van de
cliënt een afschrift van (...) het schriftuur waarin de zorg, bedoeld in
artikel 8, van de wet, is vastgelegd. Uit artikel 51 van de wet volgt, dat voor
het versturen van het bedoelde schriftuur in beginsel de toestemming van de cliënt
vereist is:
Artikel 51 Wjz
1. Onverminderd het bij of krachtens de wet bepaalde, verstrekken de stichting
en de zorgaanbieder aan anderen dan de cliënt geen inlichtingen over de cliënt,
dan wel inzage in of afschrift van de bescheiden dan met toestemming van de cliënt.
2. Indien de cliënt minderjarig is, is in plaats van diens toestemming de
toestemming van zijn wettelijke vertegenwoordiger vereist, indien hij: a. jonger
is dan twaalf jaren, of b. de leeftijd van twaalf jaren heeft bereikt en niet in
staat kan worden geacht tot een redelijke waardering van zijn belangen terzake.
3. Onder anderen dan de cliënt zijn niet begrepen degenen van wie beroepshalve
de medewerking bij de toegang tot en de uitvoering van de jeugdzorg noodzakelijk
is, alsmede degenen die zijn betrokken bij de voorbereiding of uitvoering van de
taken, bedoeld in artikel 10, eerste lid, onder a tot en met d, doch slechts
voor zover dit voor de medewerking bij de toegang, de uitvoering van de
jeugdzorg of de voorbereiding of uitvoering van een maatregel Processen bureau
jeugdzorg Versie 2 Definitief 18 mei 2005 88 noodzakelijk is.
6.25. Uitvoeren
casemanagement andere dan geïndiceerde zorg
Zie Uitvoeren casemanagement andere dan geïndiceerde
zorg
Processen bureau jeugdzorg Versie 2 Definitief 18 mei 2005 89
7. Uitvoeren
casemanagement geïndiceerde zorg
A. Algemeen
Het begrip casemanagement komt in de wetstekst als zodanig niet voor. De wet
noemt wel een aantal taken die tezamen als casemanagement verstaan kunnen
worden.
art. 10, eerste
lid, sub f t/m i, Wjz
f. het actief bijstaan van een cliënt en het zo nodig motiveren van een cliënt
tot het tot gelding brengen van zijn aanspraak op zorg als bedoeld in artikel 5,
tweede lid; g. het, met uitsluiting van anderen, bevorderen dat degenen bij wie
een aanspraak op zorg als bedoeld in artikel 5, tweede lid, tot gelding wordt
gebracht, een samenhangend hulpverleningsplan tot stand brengen dat is afgeleid
van het besluit, bedoeld in artikel 6, eerste lid; h. het volgen van de
verleende zorg als bedoeld in artikel 5, tweede lid, en het bijstaan van de cliënt
bij vragen omtrent de inhoud van deze zorg, alsmede de evaluatie van deze zorg;
i. het adviseren van de cliënt omtrent zorg die na beëindiging van de zorg,
bedoeld in artikel 5, tweede lid, nodig is en het bijstaan van de cliënt bij
het verkrijgen van deze zorg; In de Memorie van Toelichting wordt gesteld:
Paragraaf 3.4.
Wettelijke taken van bureau jeugdzorg na de indicatiestelling
Ten aanzien van het proces na de indicatiestelling onderscheidt het wetsvoorstel
voor het bureau jeugdzorg de volgende taken. Allereerst heeft het bureau tot
taak een cliënt bij te staan bij het verwezenlijken van zijn aanspraak.
Uitgangspunt daarbij is, als het gaat om vrijwillige jeugdzorg, dat de cliënt
zelf uitmaakt of hij zijn aanspraak tot gelding wil brengen en zo ja bij welke
zorgaanbieder. Deze taak van het bureau is een ondersteunende. Daarmee is het
geen onbelangrijke taak. De cliënt zal het bureau zeker nodig hebben om zijn
weg te vinden naar de jeugdzorg waarvoor hij is geïndiceerd. Het is ook
mogelijk dat het bureau namens of ten behoeve van de cliënt de aanspraak op
jeugdzorg tot gelding brengt. Dit kan van belang zijn als de cliënt dit zelf
niet kan of wil doen. Bovendien zal dit de realisering van de aanspraak wellicht
nog beter bevorderen, omdat de zorgaanbieders dan in zeer directe zin met het
bureau te maken hebben. Het bureau bevordert voorts dat een hulpverleningsplan
tot stand komt. Als hulp van meer dan één zorgaanbieder nodig is, bevordert
het bureau de totstandkoming van een samenhangend hulpverleningsplan. Het
hulpverleningsplan dient te zijn afgeleid van het indicatiebesluit. Het bureau
jeugdzorg volgt de geboden jeugdzorg en staat de cliënt bij als hij daaromtrent
met vragen zit. Het bureau zal tot slot betrokken zijn bij de evaluatie van de
geboden zorg. De hiervoor beschreven taken komen deels overeen met wat de
projectgroep Toegang casemanagement en zorgtoewijzing noemt. Voor het uitoefenen
van deze taken dient het Processen bureau jeugdzorg Versie 2 Definitief 18 mei
2005 90 bureau jeugdzorg te beschikken over deugdelijke informatie ten aanzien
van het zorgaanbod, vertaald in modules en zorgprogramma’s, de kwaliteit en de
beschikbaarheid daarvan.
B. Casemanagement
in de fasering van het referentiewerkmodel
Bij het opstellen van het model is steeds uitgegaan van een fasering in de
hoofdprocessen. De onderscheiden fasen zijn: • Aanmelding en Acceptatie •
Analyse en Opstellen diagnostisch beeld • Vaststellen benodigde zorg •
Realiseren benodigde zorg • Volgen (monitoren) verleende zorg • Evalueren
• Afsluiten De taken uit het bovengenoemde wetsartikel die tezamen opgevat
worden als casemanagement, beslaan de fasen 4 t/m 7. Omwille van de
overzichtelijkheid zijn deze vier fasen samengenomen in één
procesbeschrijving.
C. Samenhang met
uitvoering (gezins)voogdij en jeugdreclassering
Wanneer ten behoeve van een jeugdige in het kader van (gezins)voogdij of
jeugdreclassering een indicatiebesluit is genomen, is er (veel) minder sprake
van vrijwilligheid. De jeugdige zal zoveel mogelijk gemotiveerd worden om zorg
te aanvaarden, net als in het vrijwillige traject, maar wanneer hij dit weigert,
zijn er voor (gezins)voogdij- en jeugdreclasseringswerkers mogelijkheden tot
drang. Deze mogelijkheden zijn opgenomen in de procesbeschrijvingen van het
casemanagement. Daarnaast worden in de Wet op de jeugdzorg en met name in het
Uitvoeringsbesluit (hoofdstuk Kwaliteit en werkwijze bureaus jeugdzorg) eisen
gesteld aan de uitvoering van de (gezins)voogdij en jeugdreclasseringstaken. De
eisen zijn vertaald in aparte processen, resp. Uitvoering
gezinsvoogdij, Uitvoering voogdij en
Uitvoering jeugdreclassering.
De processen lijken sterk op elkaar en kennen in grote lijnen de volgende
stappen: • Uitvoeren plan; • Evalueren; • Aan de hand van de uitkomsten
van de evaluatie bepalen of voortzetting wenselijk is. Wanneer er sprake is van
geïndiceerde zorg, kunnen evaluatiemomenten in het uitvoeringsproces samengaan
met evaluatiemomenten uit het casemanagement. In de processchema's is dit niet
aangegeven. Het kan immers voorkomen dat een evaluatie plaats moet vinden van
het (gezins)voogdij- of jeugdreclasseringsplan op grond van de in dat proces
geldende termijnen, terwijl de geïndiceerde zorg nog loopt en er dus nog geen
eindevaluatie kan Processen bureau jeugdzorg Versie 2 Definitief 18 mei 2005 91
plaatsvinden. In de begeleidende tekst zal – waar dat relevant is – wel
gewezen worden op mogelijke samenhang tussen de beide processen. Processen
bureau jeugdzorg Versie 2 Definitief 18 mei 2005 92 Processen bureau jeugdzorg
Versie 2 Definitief 18 mei 2005 93
7.1.
Bijstaan/motiveren cliënt bij tot gelding brengen aanspraak
A. Vrijwillig
kader
De cliënt heeft met het indicatiebesluit een aanspraak op geïndiceerde zorg.
Wanneer er sprake is van een vrijwillig traject, is de cliënt geheel vrij in de
keuze of hij deze aanspraak tot gelding wil brengen of niet (zie de algemene
toelichtende tekst bij dit proces: Casemanagement
geïndiceerde zorg). Het bureau jeugdzorg heeft echter wel nadrukkelijk de
taak om de cliënt ertoe te motiveren deze aanspraak daadwerkelijk tot gelding
te brengen en hem daar desgewenst ook in bij te staan. Wanneer de cliënt ertoe
besluit de aanspraak niet tot gelding te brengen, kan het bureau jeugdzorg op
grond van de ernst van de situatie de raad voor de kinderbescherming verzoeken
een onderzoek uit te voeren. Wanneer het bureau jeugdzorg evenwel geen redenen
ziet voor een dergelijk verzoek tot onderzoek, kan op dat moment niets meer
gedaan worden.
B. (Gezins)voogdij
en jeugdreclassering
Wanneer er sprake is van gezinsvoogdij of jeugdreclassering ligt de situatie
anders, in die zin dat er meer mogelijkheden zijn tot drang. Bij gezinsvoogdij
betreft dat de mogelijkheid tot het geven van een aanwijzing door de
gezinsvoogd, en de mogelijkheid tot het aanvragen bij de kinderrechter van een
machtiging tot uithuisplaatsing. Bij jeugdreclassering moet het bureau jeugdzorg
bij niet aanvaarding van de geboden zorg het Openbaar Ministerie of een
directeur van de betrokken jeugdinrichting op de hoogte brengen, wanneer deze
zorg een verplicht karakter heeft. Het is vervolgens aan deze instanties om te
bepalen wat er dan gebeurt. Ook voor plaatsing van een minderjarige bij een
pleeggezin of in een tehuis in het kader van voogdij, moet een indicatiebesluit
aanwezig zijn.
C.
Uithuisplaatsing
Het bureau jeugdzorg kan tot de conclusie komen dat het in het belang van de
verzorging en opvoeding van de minderjarige of tot onderzoek van diens
geestelijke of lichamelijke gesteldheid noodzakelijk is dat deze gedurende dag
en nacht uit huis wordt geplaatst. Deze uithuisplaatsing kan al dan niet
verbonden zijn aan geïndiceerde zorg. Als deze conclusie is getrokken in een
situatie van vrijwillige hulpverlening (er is geen sprake van gezinsvoogdij) en
de ouders zijn akkoord met de uithuisplaatsing, dan kan deze doorgang vinden.
Heeft de plaatsing betrekking op geïndiceerde zorg, dan moet er natuurlijk wel
een indicatiebesluit aanwezig zijn dat een aanspraak inhoudt op 24-uurs
verblijf. Gaan de ouders niet akkoord, dan geldt ook hier dat het bureau
jeugdzorg kan overwegen een verzoek tot onderzoek te doen bij de raad voor de
kinderbescherming (zie onder A. van deze tekst). De gezinsvoogd kan de
kinderrechter op grond van artikel 261 van het Burgerlijk Wetboek verzoeken tot
een machtiging uithuisplaatsing. Zie daarvoor het de procesbeschrijving Uithuisplaatsing
bij gezinsvoogdij onder Uitvoeren
gezinsvoogdij. Processen bureau jeugdzorg Versie 2 Definitief 18 mei 2005 94
De regels voor plaatsing van de jeugdige in het kader van de voogdijtaak staan
beschreven in de artikelen 305 en 306 van boek 1 van het Burgerlijk Wetboek. Zie
hiervoor de procesbeschrijving Plaatsing
bij voogdij onder Uitvoeren voogdij.
Processen bureau jeugdzorg Versie 2 Definitief 18 mei 2005 95
7.1.1. Bespreken
mogelijkheden met cliënt
A. Algemeen
Bespreken mogelijkheden met cliënt Zijn er redenen om aan te nemen dat de
aanspraak tot gelding gebracht zal worden? Faciliteren aanmelding cliënt bij
zorgaanbieder Is er sprake van gezinsvoogdij? Zijn er redenen tot het geven van
een aanwijzing? Is medewerking cliënt verplicht i.h.k.v. een jeugdreclasserings
traject? Geven aanwijzing voor accepteren zorg Wordt de aanwijzing opgevolgd? Is
uithuisplaatsing wenselijk? Afsluiten na conclusie uithuisplaatsing niet
wenselijk Melden niet meewerken jeugdige aan het OM Zijn er redenen tot verzoek
tot onderzoek RvdK? Afsluiten na niet meewerken cliënt en geen reden verzoek
tot onderzoek RvdK Bevorderen opstellen hulpverlenings plan door zorgaanbieder
Bevorderen opstellen hulpverlenings plan door zorgaanbieder Uithuisplaatsin g
(bij gezinsvoogdij) Doen van een verzoek tot onderzoek (dan wel spoedonderzo ek)
bij de RvdK ja nee ja nee ja nee ja nee nee nee nee Processen bureau jeugdzorg
Versie 2 Definitief 18 mei 2005 96 Voorzover dit al niet is gebeurd, wordt met
de cliënt overlegd over de mogelijkheden voor invulling van de zorg die in het
indicatiebesluit wordt genoemd. Hiertoe dient het bureau jeugdzorg op de hoogte
te zijn van het aanbod van zorg (art. 29, lid 2, Uitvoeringsbesluit Wet op de
jeugdzorg).
Artikel 29, lid 2,
Uitvoeringsbesluit Wet op de jeugdzorg
De stichting heeft kennis van het aanbod van zorg. In de Memorie van Toelichting
wordt nader ingegaan op de begeleidende taak van het bureau jeugdzorg in deze:
Aangezien de jeugdzorg waartoe een cliënt is geïndiceerd, wordt uitgedrukt in
modules en het niet zonder meer duidelijk is welke zorgaanbieder welke modules
biedt, is het voor de cliënt moeilijk zijn aanspraak zonder hulp te
verwezenlijken. Daarom heeft de stichting tot taak de cliënt daarbij te
begeleiden. De stichting is immers op de hoogte van het aanbod en kan
gemakkelijk de nodige contacten leggen. Dat wil zeggen dat de geïndiceerde cliënt
wordt geholpen bij het zoeken van een aanbieder die hem de zorg waarop hij is
aangewezen kan leveren. Dit kan zover gaan dat de stichting de cliënt, als het
benodigde aanbod niet voor handen is, op diens verzoek, begeleidt bij het
opeisen van het aanbod bij de provincie als het gaat om jeugdzorg waarop
ingevolge het wetsvoorstel aanspraak bestaat en bij de zorgverzekeraar als het
gaat om aanspraak ingevolge de AWBZ en bij de Minister van Justitie als het gaat
om een civielrechtelijke plaatsing in een justitiële jeugdinrichting als
bedoeld in artikel 11a Bjj.
B. Godsdienstige
overtuiging, levensovertuiging en culturele achtergrond cliënt
Het bureau jeugdzorg dient bij de uitvoering van haar taken uit te gaan van de
godsdienstige overtuiging, de levensovertuiging en culturele achtergrond cliënt
(Artikel 15, Wjz). Bij het bespreken van de mogelijkheden binnen het zorgaanbod
zal dat dus zeker aan de orde moeten komen.
7.1.2. Zijn er
redenen om aan te nemen dat de aanspraak tot gelding gebracht zal
worden?
Deze vraag geldt zowel voor het vrijwillige traject als voor situaties van
(gezins)voogdij en jeugdreclassering. De jeugdige kan immers altijd besluiten om
de geboden geïndiceerde zorg niet te aanvaarden.
7.1.3. Faciliteren
aanmelding cliënt bij zorgaanbieder
De cliënt wil zijn aanspraak op geïndiceerde zorg tot gelding brengen. Het
bureau jeugdzorg ondersteunt de cliënt – desgewenst – bij diens aanmelding
bij de zorgaanbieder. Processen bureau jeugdzorg Versie 2 Definitief 18 mei 2005
97 De stichting kan ook op verzoek van de cliënt namens deze diens aanspraak op
jeugdzorg tot gelding brengen.
7.1.4. Is er
sprake van gezinsvoogdij?
De cliënt heeft aangegeven de aangeboden zorg niet te aan te nemen (zijn
aanspraak niet tot gelding te brengen). Wanneer er sprake is van gezinsvoogdij,
beschikt het bureau jeugdzorg in deze situatie over een aantal middelen tot
drang of dwang. Zie toelichtende tekst bij Bijstaan/motiveren
cliënt bij tot gelding brengen aanspraak. • Wanneer er sprake is van
gezinsvoogdij, dan gaat het proces verder bij de afvraging Zijn
er
redenen tot het
geven van een aanwijzing?
• Is er geen sprake van gezinsvoogdij, dan gaat het proces verder bij de
afvraging Is
medewerking van cliënt
verplicht in het kader van een jeugdreclasseringstraject?
7.1.5. Zijn er
redenen tot het geven van een aanwijzing?
De cliënt heeft aangegeven de aangeboden zorg niet te aan te nemen (zijn
aanspraak niet tot gelding te brengen). Er is sprake van gezinsvoogdij. De
gezinsvoogd heeft (formeel) de mogelijkheid een aanwijzing te geven die ertoe
strekt dat de cliënt de hulp aanvaardt – en dus zijn aanspraak tot gelding
brengt. Overigens wordt dit maar heel zelden toegepast, aangezien het de
communicatie ernstig kan verstoren. Zie toelichtende tekst bij Bijstaan/motiveren cliënt bij tot gelding brengen aanspraak. •
Wanneer de gezinsvoogd een aanwijzing geeft, dan gaat het proces verder bij Geven
aanwijzing voor
accepteren zorg.
• Wanneer de gezinsvoogd geen aanwijzing geeft, gaat het proces verder bij: Is
uithuisplaatsing wenselijk?.
7.1.6. Geven
aanwijzing voor accepteren zorg
De cliënt heeft aangegeven de aangeboden zorg niet te aan te nemen (zijn
aanspraak niet tot gelding te brengen). Er is sprake van gezinsvoogdij. De
gezinsvoogd heeft besloten een aanwijzing te geven die ertoe strekt dat de
geboden zorg (alsnog) geaccepteerd wordt. N.B.
Overigens moet hierbij in ogenschouw worden genomen dat een aanwijzing in
dit soort situaties maar zelden wordt gebruikt, omdat deze formele gang de vaak
broze communicatie ernstig kan verstoren. Processen bureau jeugdzorg Versie 2
Definitief 18 mei 2005 98 Wetgeving rond de aanwijzing is vastgelegd in de
artikelen 258 t/m 260 van boek 1 van het Burgerlijk Wetboek.
Artikel 1:258 BW
1. De stichting, bedoeld in artikel 1, onder f, van de Wet op de jeugdzorg kan
ter uitvoering van haar taak schriftelijk aanwijzingen geven betreffende de
verzorging en opvoeding van de minderjarige. 2. De met het gezag belaste ouder
en de minderjarige dienen deze aanwijzingen op te volgen. 3. Plaatsing van de
minderjarige gedurende dag en nacht buiten het gezin geschiedt, behoudens in de
gevallen dat de met het gezag belaste ouder daartoe zonder bezwaar van de
stichting, bedoeld in artikel 1, onder f, van de Wet op de jeugdzorg overgaat,
alleen krachtens artikel 261.
Artikel 1:259 BW
1. Op verzoek van de met het gezag belaste ouder of de minderjarige van twaalf
jaren of ouder kan de kinderrechter een aanwijzing geheel of gedeeltelijk
vervallen verklaren. Het verzoek heeft geen schorsende kracht, tenzij de
kinderrechter het tegendeel bepaalt. 2. Bij de indiening van het verzoek wordt
de beslissing van de stichting, bedoeld in artikel 1, onder f, van de Wet op de
jeugdzorg overgelegd. 3. De termijn voor het indienen van het verzoek bij de
kinderrechter bedraagt twee weken en vangt aan met ingang van de dag na die
waarop de beslissing is toegezonden of uitgereikt. 4. Ten aanzien van een na
afloop van de termijn ingediend verzoek blijft nietontvankelijkverklaring op
grond daarvan achterwege indien de verzoeker redelijkerwijs niet geoordeeld kan
worden in verzuim te zijn geweest.
Artikel 1:260 BW
1. De met het gezag belaste ouder en de minderjarige van twaalf jaren of ouder
kunnen de stichting, bedoeld in artikel 1, onder f, van de Wet op de jeugdzorg
verzoeken een aanwijzing wegens gewijzigde omstandigheden geheel of gedeeltelijk
in te trekken. 2. De stichting, bedoeld in artikel 1, onder f, van de Wet op de
jeugdzorg geeft een schriftelijke beslissing binnen twee weken na ontvangst van
het verzoek. 3. Artikel 259 is van overeenkomstige toepassing. 4. Het niet of
niet tijdig nemen van een beslissing door de stichting, bedoeld in artikel 1,
onder f, van de Wet op de jeugdzorg wordt voor de toepassing van deze bepaling
gelijkgesteld met afwijzing van het verzoek. De termijn voor het indienen van
het verzoek bij de kinderrechter loopt in dat geval door zolang de stichting,
bedoeld in artikel 1, onder f, van de Wet op de jeugdzorg niet heeft beslist en
eindigt, indien de stichting, bedoeld in artikel 1, onder f, van de Wet op de
jeugdzorg alsnog beslist, twee weken daarna. Processen bureau jeugdzorg Versie 2
Definitief 18 mei 2005 99
7.1.7. Wordt de
aanwijzing opgevolgd?
De cliënt heeft aangegeven de aangeboden zorg niet te aan te nemen (zijn
aanspraak niet tot gelding te brengen). Er is sprake van gezinsvoogdij. De
gezinsvoogd heeft een aanwijzing gegeven dat de cliënt de zorg moet aanvaarden.
Zie toelichtende tekst bij Bijstaan/motiveren cliënt bij tot gelding brengen aanspraak. •
Als de cliënt de aanwijzing opvolgt en de zorg alsnog aanvaardt, gaat het
proces verder bij Bevorderen opstellen
hulpverleningsplan onder Casemanagement
geïndiceerde zorg.
• Als de cliënt de aanwijzing niet opvolgt, dan dient overwogen worden
of uithuisplaatsing wenselijk is; het proces gaat verder bij de afvraging Is
uithuisplaatsing wenselijk?
7.1.8. Is
uithuisplaatsing wenselijk?
De cliënt heeft aangegeven de aangeboden zorg niet te aan te nemen (zijn
aanspraak niet tot gelding te brengen). Er is sprake van gezinsvoogdij. De
afvraging is nu of de situatie dermate ernstig is, dat uithuisplaatsing op grond
van artikel 1:261 BW noodzakelijk is. • Als uithuisplaatsing wenselijk wordt
geacht, dan gaat het proces verder bij het proces Uithuisplaatsing
(bij gezinsvoogdij) onder Bijzondere
processen.
• Als uithuisplaatsing niet wenselijk is, dan wordt het
casemanagementproces gestopt.
7.1.9. Afsluiten
na conclusie uithuisplaatsing niet wenselijk
Het proces Casemanagement geïndiceerde zorg wordt afgesloten.
7.1.10. Is
medewerking cliënt verplicht i.h.k.v. een jeugdreclasseringstraject?
Er is een indicatiebesluit ten behoeve van een cliënt genomen, maar deze
aanvaardt de aangeboden zorg niet (brengt zijn aanspraak niet tot gelding).
Wanneer het indicatiebesluit is genomen in een situatie van jeugdreclassering,
en dit indicatiebesluit maakt deel uit van voorwaarden die zijn verbonden aan
het jeugdreclasseringsprogramma, gelden er bijzondere regels. • Wanneer er
sprake is van een verplichting tot het aanvaarden van de zorg in het kader van
een jeugdreclasseringtraject, dan moet het niet meewerken van de jeugdige worden
gemeld aan het Openbaar Ministerie. Het proces gaat verder bij Melden
niet meewerken jeugdige
aan OM.
• Is er geen sprake van een dergelijke verplichting, dan staat het de cliënt
vrij om zijn aanspraak op geïndiceerde zorg niet tot gelding te brengen. Wel
kan het bureau jeugdzorg Processen bureau jeugdzorg Versie 2 Definitief 18 mei
2005 100 zich nog de vraag stellen of de situatie van de jeugdige dermate
ernstig is dat een verzoek tot onderzoek bij de raad voor de kinderbescherming
op zijn plaats is. Het proces gaat verder bij de afvraging Zijn
er redenen tot verzoek tot onderzoek bij de RvdK?
7.1.11. Melden
niet meewerken jeugdige aan OM
Er is ten aanzien van de cliënt een indicatiebesluit genomen, in het kader van
de jeugdreclasseringstaak van het bureau jeugdzorg. De geboden zorg maakt deel
uit van de voorwaarden die bij het reclasseringstraject gesteld zijn. De
jeugdige weigert evenwel de zorg te aanvaarden. Het bureau jeugdzorg heeft bij
het uitoefenen van de reclasseringstaak in een dergelijk geval de plicht om dit
te melden bij het openbaar ministerie.
Artikel 48, derde
lid, Uitvoeringsbesluit Wet op de jeugdzorg
3. Indien de jeugdige een opgelegde voorwaarde niet of niet geheel nakomt, meldt
de jeugdreclassering dit onverwijld aan het openbaar ministerie. De raad voor de
kinderbescherming dient voorts altijd een afschrift te krijgen. De
meldingsplicht vloeit voort uit de toezichthoudende taak die het bureau
jeugdzorg heeft bij het bieden van hulp en steun, vrijwillig toezicht en
begeleiding na doorverwijzing door de raad voor de kinderbescherming naar
aanleiding van een proces-verbaal, tenuitvoerlegging leerstraf sociale
vaardigheidstraining, tenuitvoerlegging van scholings- en trainingsprogramma’s
onder verantwoordelijkheid van de directeur van een justitiële jeugdinrichting
en nazorg bij jeugddetentie.
7.1.12. Zijn er
redenen tot verzoek tot onderzoek RvdK?
Er is een indicatiebesluit ten behoeve van een cliënt genomen, maar deze
aanvaardt de aangeboden zorg niet (brengt zijn aanspraak niet tot gelding). Er
is ten aanzien van de cliënt geen sprake van een taak in het kader van
gezinsvoogdij of jeugdreclassering. De vraag is of de situatie van de jeugdige
dermate ernstig is dat een verzoek tot onderzoek bij de raad voor de
kinderbescherming op zijn plaats is. • Als er redenen zijn voor het doen van
een verzoek tot onderzoek, gaat het proces verder bij Doen
van verzoek tot onderzoek bij de RvdK onder Bijzondere
situaties. • Zijn er geen redenen tot het doen van een dergelijk verzoek,
dan wordt het proces afgesloten. Processen bureau jeugdzorg Versie 2 Definitief
18 mei 2005 101
7.1.13. Afsluiten
na niet meewerken cliënt en geen reden verzoek tot onderzoek RvdK
Het proces wordt afgesloten.
7.2. Bevorderen
opstellen hulpverleningsplan door zorgaanbieder
Bij degenen bij wie een aanspraak op geïndiceerde zorg tot gelding wordt
gebracht, wordt bevorderd dat een samenhangend hulpverleningsplan wordt
opgesteld, dat is afgeleid van het indicatiebesluit. Dit vloeit voort uit
artikel 6, eerste lid onder g, van de Wet op de jeugdzorg.
Artikel 10, eerste
lid, sub g, Wjz
1. De stichting heeft bovendien tot taak: (...) g. het, met uitsluiting van
anderen, bevorderen dat degenen bij wie een aanspraak op zorg als bedoeld in
artikel 5, tweede lid, tot gelding wordt gebracht, een samenhangend
hulpverleningsplan tot stand brengen dat is afgeleid van het besluit, bedoeld in
artikel 6, eerste lid. Het belang van deze taak is blijkens de Memorie van
Toelichting des te groter wanneer er meerdere zorgaanbieders betrokken zijn bij
de hulpverlening aan de cliënt. Als de benodigde zorg door meer dan één
zorgaanbieder geboden moet worden, is het voor de cliënt van het grootste
belang dat alle zorgaanbieders samenwerken teneinde aan de cliënt een
samenhangend zorgpakket te bieden. In onderdeel g wordt in verband hiermee aan
de stichting de taak opgedragen te bevorderen dat de zorgaanbieders komen tot
een samenhangend hulpverleningsplan. De zorgaanbieders zijn verantwoordelijk
voor het opstellen en uitvoeren van het hulpverleningsplan, waarbij het van
belang is dat het hulpverleningsplan aansluit bij de indicatie. Juist in verband
hiermee is het bevorderen van de totstandkoming van het hulpverleningsplan bij
de stichting gelegd. Processen bureau jeugdzorg Versie 2 Definitief 18 mei 2005
102
7.2.1. Beoordelen
plan zorgaanbieder
De zorgaanbieder heeft een hulpverleningsplan opgesteld. Het bureau jeugdzorg
beoordeelt dit plan, en overlegt hierover met de zorgaanbieder en in beginsel
ook met de cliënt, waarbij wordt bezien of het plan aansluit bij het
indicatiebesluit. Artikel 24 van de Wet op de jeugdzorg, met name het tweede en
het derde lid, gaat nader in op het plan en de wijze waarop het tot stand komt.
Het vierde lid geeft voorts aan dat het plan, wanneer er sprake is van zorg in
het kader van de (gezins)voogdij- of jeugdreclasseringstaak, moet aansluiten bij
het plan dat aan de uitvoering van die taak ten behoeve van die cliënt ten
grondslag ligt. Volledigheidshalve staat hieronder het gehele artikel 24 Wjz
afgedrukt. Het artikel richt zich echter vooral op de werkwijze van de
zorgaanbieder. Het hulpverleningsplan en de wijze waarop dit tot stand komt is
immers een verantwoordelijkheid van de desbetreffende zorgaanbieder. De
verantwoordelijkheid van het bureau jeugdzorg is om te bewaken dat het plan
Processen bureau jeugdzorg Versie 2 Definitief 18 mei 2005 103 in het verlengde
ligt van het indicatiebesluit.
Artikel 24 Wjz
1. Een zorgaanbieder, niet zijnde een alleen werkende zorgaanbieder als bedoeld
in artikel 18, tweede lid, verleent verantwoorde zorg. Onder verantwoorde zorg
wordt verstaan: zorg van goed niveau, die in ieder geval doeltreffend, doelmatig
en cliëntgericht wordt verleend en die is afgestemd op de reële behoefte van
de cliënt. 2. Tot verantwoorde zorg behoort in ieder geval dat de zorg die
wordt verleend, is gebaseerd op een hulpverleningsplan dat is afgeleid van het
besluit, bedoeld in artikel 6, eerste lid. 3. Een zorgaanbieder en een aanbieder
van zorg als bedoeld in artikel 5, tweede lid, onder b, c of d, plegen, in
verband met het tweede lid, overleg met de stichting omtrent de inhoud van het
hulpverleningsplan. Indien aan een cliënt door meer dan één zorgaanbieder of
aanbieder van zorg als bedoeld in artikel 5, tweede lid, onder b, c of d, zorg
wordt geboden, werken zij zodanig samen dat aan de cliënt samenhangende zorg
wordt geboden en plegen zij gezamenlijk over het hulpverleningsplan overleg met
de stichting. Tijdens het overleg wordt vastgesteld welke zorgaanbieder of
aanbieder van zorg als bedoeld in artikel 5 tweede lid, onder b, c of d, belast
is met de coördinatie van de totstandkoming van het hulpverleningsplan en de
uitvoering daarvan. In het hulpverleningsplan wordt opgenomen welke aanbieder
belast is met de coördinatie van de zorg. 4. Voor zover het betreft cliënten
ten aanzien van wie de stichting een van de taken, bedoeld in artikel 10, eerste
lid, onder a, b, c of d, uitoefent, is het overleg er tevens op gericht het
hulpverleningsplan en het plan, bedoeld in artikel 13, derde lid, op elkaar te
doen aansluiten. 5. Het hulpverleningsplan wordt niet dan na overleg met de cliënt
vastgesteld. Het behoeft diens instemming, tenzij het zorg betreft waartoe een
maatregel van kinderbescherming verplicht. Een zorgaanbieder die pleegzorg
biedt, pleegt over het hulpverleningsplan tevens overleg met de betrokken
pleegouder. Het hulpverleningsplan wordt vastgesteld vóór de aanvang van de
zorg, doch uiterlijk binnen zes weken na de dag waarop is komen vast te staan
welke aanbieder of zorgaanbieders de zorg waarop de cliënt is aangewezen, zal
verlenen. 6. Indien de cliënt minderjarig is, is in plaats van diens
instemming, de instemming van zijn wettelijke vertegenwoordiger vereist, indien
hij: a. jonger is dan twaalf jaren, of b. de leeftijd van twaalf jaren heeft
bereikt en niet in staat kan worden geacht tot een redelijke waardering van zijn
belangen terzake. 7. Indien de cliënt minderjarig is en de leeftijd van twaalf
maar nog niet die van zestien jaren heeft bereikt, is tevens de instemming van
de wettelijke vertegenwoordiger vereist.
7.2.2. Ligt het
plan in het verlengde van het indicatiebesluit?
Het bureau jeugdzorg heeft het hulpverleningsplan van de zorgaanbieder
beoordeeld op de vraag of het inderdaad in het verlengde van het
indicatiebesluit ligt. Processen bureau jeugdzorg Versie 2 Definitief 18 mei
2005 104 • Is dit inderdaad het geval dan gaat het proces verder bij de
volgende fase van het casemanagement: Volgen
verleende zorg. • Ligt het hulpverleningsplan naar het oordeel van het
bureau jeugdzorg niet in het verlengde van het indicatiebesluit, en blijft dat
ook na aanpassingen het geval, dan stopt deze processtap en moet wellicht een
andere zorgaanbieder gevonden worden. In ieder geval ligt het voor de hand dat
het bureau jeugdzorg de cliënt en de zorgaanbieder op de hoogte stellen van hun
bezwaren tegen het hulpverleningsplan. N.B. Als cliënt en zorgaanbieder
desondanks toch zouden besluiten "met elkaar in zee te gaan", dan
wordt die zorg niet gefinancierd door de provincie.
7.2.3. Mededeling
niet akkoord aan cliënt en zorgaanbieder; uitnodigen tot overleg
Cliënt en zorgaanbieder wordt meegedeeld dat (en waarom) het bureau jeugdzorg
niet akkoord kan gaan met het hulpverleningsplan.
7.3. Volgen
verleende zorg
De verleende geïndiceerde zorg wordt gevolgd. Tijdens dit proces wordt de cliënt
bijgestaan bij vragen omtrent de inhoud van deze zorg. Het volgen van de
verleende zorg wordt in artikel 6, eerste lid onder h, Wjz, als taak benoemd:
Artikel 10, eerste
lid onder h, Wjz
1. De stichting heeft bovendien tot taak: (...) h. het volgen van de verleende
zorg als bedoeld in artikel 5, tweede lid, en het bijstaan van de cliënt bij
vragen omtrent de inhoud van deze zorg, alsmede de evaluatie van deze zorg. In
de Memorie van Toelichting wordt hierbij gesteld: In vervolg hierop (het
bevorderen van de totstandkoming van het hulpverleningsplan – red.) is het
volgens onderdeel h de taak van de stichting de geboden jeugdzorg te volgen en
te evalueren en de cliënt bij te staan tijdens het zorgproces. Dit neemt de
verantwoordelijkheid van de zorgaanbieder niet weg, maar draagt er toe bij dat
het aanbod blijft aansluiten bij de problemen. Hiermee wordt bewerkstelligd dat
herindicatie een natuurlijk gegeven wordt als blijkt dat de hulp waarvoor de cliënt
is geïndiceerd niet effectief is of wanneer ook na afloop van de termijn van de
indicatie voortzetting nodig is. Hoe dit "volgen" gestalte moet worden
gegeven is een zaak die de bureaus jeugdzorg zelf kunnen invullen. In artikel 20
van de Wet op de jeugdzorg worden wel eisen gesteld aan de zorgaanbieder waar
het gaat om informatieverstrekking aan het bureau jeugdzorg over de Processen
bureau jeugdzorg Versie 2 Definitief 18 mei 2005 105 verleende zorg.
Artikel 20 Wjz
Een zorgaanbieder en een aanbieder van zorg als bedoeld in artikel 5, tweede
lid, onder ben c, doen aan de stichting die heeft vastgesteld dat een cliënt is
aangewezen op die zorg, mededeling van de aanvang en de beëindiging van de
zorg. Zij houden de stichting op de hoogte van de voortgang van de zorg,
verschaffen de stichting de gegevens die nodig zijn voor de evaluatie van de
zorg en werken mee aan deze evaluatie. Aan het volgen van de zorg is ook een
aantal registratieve handelingen verbonden. Het bureau jeugdzorg dient te
registreren wanneer de zorgaanbieder aanvangt met het verlenen van de zorg. Als
het zorg betreft waarvoor een ouderlijke bijdrage is verschuldigd, dient de
aanvang te worden gemeld bij het Landelijk Bureau Inning Onderhoudsbijdragen
(LBIO). Processen bureau jeugdzorg Versie 2 Definitief 18 mei 2005 106 Processen
bureau jeugdzorg Versie 2 Definitief 18 mei 2005 107
7.3.1. Ontvangen
melding zorgaanbieder aanvang zorg
De zorgaanbieder dient het bureau jeugdzorg te melden wanneer de zorg aanvangt
en eindigt (art. 20 Wjz).
7.3.2. Registreren
datum aanvang zorg en gegevens over soort zorg
Op grond van artikel 4 van het Besluit beleidsinformatie jeugdzorg dient het
bureau jeugdzorg een aantal gegevens te verwerken over de verlening van zorg
waarop aanspraak bestaat. N.B.: Niet alle gegevens die voortvloeien uit de
opsomming in dit artikel zullen op dit moment van het proces al bekend zijn.
Aangezien dit echter de plek in het referentiewerkmodel is waarop de geïndiceerde
zorg aanvangt, is het registratiemoment hier opgenomen.
Artikel 4 Besluit
beleidsinformatie bureau jeugdzorg
Voor de verwerking van de gegevens, bedoeld in artikel 42 van de wet, registeert
de stichting de volgende gegevens per cliënt over de verlening van de zorg,
bedoeld in artikel 5, tweede lid, van de wet: a. of de eerst aangewezen zorg of
de vervangende zorg als bedoeld in artikel 5 van het Besluit indicatie jeugdzorg
wordt verleend; b. de aard, inhoud en omvang van zorg die is verleend; c. de
datum waarop de verlening van de zorg een aanvang neemt; d. de datum waarop de
verlening van de zorg eindigt en de reden waarom; e. de mate waarin de doelen
gesteld in het indicatiebesluit zijn gehaald; f. de datum van de schriftelijke
mededeling, bedoeld in artikel 12 van de wet, die de stichting doet aan het
landelijk bureau inning onderhoudsbijdragen over de aanvang van jeugdzorg
waarvoor een ouderbijdrage verschuldigd is.
7.3.3. Betreft het
zorg waarvoor een ouderlijke bijdrage verschuldigd is?
Wanneer het zorg betreft waarvoor een ouderlijke bijdrage verschuldigd is, dient
het bureau jeugdzorg aan het Landelijk Bureau Inning Onderhoudsbijdragen (LBIO)
melding te doen van de aanvang en de beëindiging van deze zorg.
Artikel 12 Wjz
De stichting heeft verder tot taak aan het landelijk bureau inning
onderhoudsbijdragen onverwijld schriftelijk mededeling te doen van de aanvang en
beëindiging van jeugdzorg waarvoor een ouderbijdrage verschuldigd is. Deze
mededeling bevat de gegevens die nodig zijn voor de vaststelling van de
bijdrage. De mededeling wordt gedaan met gebruikmaking van een door Onze
Ministers vastgesteld formulier. Een ouderlijke bijdrage is verschuldigd wanneer
geboden jeugdzorg verzorging en verblijf omvat. De regels die hierbij gelden
zijn in de Wet op de jeugdzorg verspreid over drie wetsartikelen (art. 69,
eerste lid; art. 71, tweede lid en artikel 72). In de Memorie van Toelichting
wordt één en ander Processen bureau jeugdzorg Versie 2 Definitief 18 mei 2005
108 echter samengenomen: Artikel 69 regelt de ouderbijdrage. Bijdrageplichtig is
de onderhoudsplichtige ouder. Dit zijn de ouders, stiefouders en ook de
verwekker van een kind tegen wie een vaderschapsactie is toegewezen (artikel 394
Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek). De onderhoudsplicht blijft bestaan ook als
het kind uit huis is geplaatst. Het wordt redelijk geacht dat
onderhoudsplichtigen bijdragen in de kosten van verzorging en verblijf, wanner
deze voor rekening van de overheid komen. De bijdrageplicht heeft dan ook alleen
betrekking op die vormen van jeugdzorg die mede verzorging of verblijf omvatten.
Geen ouderbijdrage is derhalve verschuldigd voor ambulante hulpverlening. Anders
dan in de Wet op de jeugdhulpverlening is deze beperking van de bijdrageplicht
in het wetsvoorstel zelf opgenomen. Een alimentatieplichtige ouder is niet
bijdrageplichtig omdat deze reeds met de alimentatie voldoet aan zijn
onderhoudsplicht (art. 71, tweede lid – red.). Als ouders gescheiden wonen en
er geen alimentatie is bepaald is alleen die ouder bijdrageplichtig die
onmiddellijk voorafgaand aan de aanvang van de zorg recht op kinderbijslag heeft
(art. 72 – red.). Er zijn uitzonderingen op de hoofdregel dat een ouderlijke
bijdrage verschuldigd is wanneer er sprake is van jeugdzorg die verzorging en
verblijf omvat. Deze staan omschreven in artikel 71, eerste lid:
Artikel 71, lid 1,
Wjz
1. Geen ouderbijdrage is verschuldigd indien: a. de jeugdige met het oog op
adoptie niet meer door zijn ouders wordt verzorgd en opgevoed; b. de ouders van
het gezag over de jeugdige zijn ontheven of ontzet; c. het verblijf en de
verzorging worden geboden in een acute noodsituatie, zulks voor de duur van ten
hoogste zes weken; d. aan een minderjarige jeugdige nog jeugdzorg wordt geboden
als bedoeld in artikel 69 na schriftelijk aan het landelijk bureau inning
onderhoudsbijdragen kenbaar gemaakt bezwaar door degene die het ouderlijk gezag
of de voogdij uitoefent, tenzij het een jeugdige betreft ten aanzien van wie een
maatregel van kinderbescherming is getroffen die tot verlening van zodanige zorg
strekt of die deze noodzakelijk maakt; e. het bij algemene maatregel van bestuur
aan te geven inkomen van de jeugdige € 226,89 of meer per maand bedraagt. In
de Memorie van Toelichting wordt hierover gesteld: Op het uitgangspunt dat van
de onderhoudsplichtige een bijdrage wordt verlangd wordt een aantal
uitzonderingen voorgesteld. Zo wordt geen bijdrage verlangd als de jeugdige met
het oog op adoptie niet meer door de ouders wordt verzorgd en opgevoed of als de
ouders uit de Processen bureau jeugdzorg Versie 2 Definitief 18 mei 2005 109
ouderlijke macht zijn ontzet of ontheven. In deze situaties zijn de banden
tussen de ouders en het kind duurzaam verbroken. In crisissituaties zou het
vragen van een ouderbijdrage kunnen leiden tot niet meewerken van de ouders.
Daarom bestaat er ook in dat geval geen bijdrageplicht voor de ouders. Als
ouders zich tegen vrijwillige zorgverlening verzetten, zal deze moeten worden beëindigd.
De zorg zal dan nog zes weken kunnen worden voortgezet. Voor deze zorg zal geen
bijdrage zijn verschuldigd. Ten slotte wordt geen ouderbijdrage verlangd als de
jeugdige zelf over een structureel inkomen beschikt. Er van wordt uitgegaan dat
de ouders dan niet meer financieel in de verzorging en opvoeding bijdragen. •
Wanneer een bijdrage verschuldigd is, gaat het proces verder bij Mededeling
aanvang zorg
aan LBIO.
• Is geen bijdrage verschuldigd, dan gaat het proces verder bij de stap De
verleende zorg
wordt gevolgd van dit proces.
7.3.4. Mededeling
aanvang zorg aan LBIO
De mededeling aan het LBIO wordt gedaan met gebruikmaking van een
standaardformulier, en bevat de gegevens die nodig zijn voor de vaststelling van
de bijdrage.
7.3.5. De
verleende zorg wordt gevolgd
Het bureau jeugdzorg volgt de zorgverlening door de zorgaanbieder. Zie
toelichtende tekst bij Volgen verleende
zorg.
7.4. Afhandelen beëindiging
verleende zorg
Wanneer de zorg wordt beëindigd, meldt de zorgaanbieder dit aan het bureau
jeugdzorg. Aangezien het resultaat van een eindevaluatie kan zijn dat er nog een
behoefte bestaat aan zorg, geïndiceerd dan wel anders dan geïndiceerd, wordt
met de eindevaluatie niet per definitie gewacht tot na de beëindiging van de
lopende zorg. Dit om te voorkomen dat een cliënt in de periode tussen twee
zorgverleningstrajecten 'uit het zicht verdwijnt'. Processen bureau jeugdzorg
Versie 2 Definitief 18 mei 2005 110 Processen bureau jeugdzorg Versie 2
Definitief 18 mei 2005 111
7.4.1. Ontvangen
melding zorgaanbieder beëindiging zorg
De zorgaanbieder dient het bureau jeugdzorg te melden wanneer de zorg aanvangt
en eindigt (art. 20 Wjz).
7.4.2. Registreren
datum beëindiging zorg
De datum beëindiging zorg wordt geregistreerd.
7.4.3. Betreft het
zorg waarvoor een ouderlijke bijdrage verschuldigd is?
Wanneer het zorg betreft waarvoor een ouderlijke bijdrage verschuldigd is, dient
het bureau jeugdzorg aan het Landelijk Bureau Inning Onderhoudsbijdragen (LBIO)
melding te doen van de aanvang en de beëindiging van deze zorg.
Artikel 12 Wjz
De stichting heeft verder tot taak aan het landelijk bureau inning
onderhoudsbijdragen onverwijld schriftelijk mededeling te doen van de aanvang en
beëindiging van jeugdzorg waarvoor een ouderbijdrage verschuldigd is. Deze
mededeling bevat de gegevens die nodig zijn voor de vaststelling van de
bijdrage. De mededeling wordt gedaan met gebruikmaking van een door Onze
Ministers vastgesteld formulier.
7.4.4. Mededeling
aanvang zorg aan LBIO
De mededeling aan het LBIO wordt gedaan met gebruikmaking van een
standaardformulier.
7.4.5. Afsluiten
Het proces wordt afgesloten.
7.5. Uitvoeren
eindevaluatie
Aan het einde van de geïndiceerde periode (maximaal één jaar) wordt de
verleende zorg geëvalueerd. Tussenevaluaties vinden ook plaats, maar die vallen
onder het proces Volgen van de verleende zorg. De documentatie van de tussen- en
de eindevaluaties vormt eventueel input voor een nieuw op te stellen
indicatiebesluit. Tijdens de evaluatie wordt bepaald of er verdere (al dan niet
geïndiceerde hulp) nodig is.
7.6. Lijkt verdere
zorg nodig?
Bepaald is of er verdere geïndiceerde hulp nodig is. Processen bureau jeugdzorg
Versie 2 Definitief 18 mei 2005 112 1. Indien er verdere geïndiceerde hulp
nodig is, wordt het benodigde indicatiebesluit opgesteld. 2. Indien er géén
verdere geïndiceerde hulp nodig is, is bepaald of er nog een aanspraak bestaat.
7.7. Analyse en
opstellen diagnostisch beeld
Zie hoofdstuk Analyse en opstellen
diagnostisch beeld
7.8. Bepalen of
cliënt (na)zorg nodig heeft
Bepaald wordt of de cliënt nog zorg nodig heeft ná de beëindiging van de geïndiceerde
zorg. Dit volgt uit artikel 10, eerste lid, onder i, Wjz:
Artikel 10, lid 1,
sub i, Wjz
1. De stichting heeft bovendien tot taak: (...) i. het adviseren van de cliënt
omtrent zorg die na beëindiging van de zorg, bedoeld in artikel 5, tweede lid,
nodig is en het bijstaan van de cliënt bij het verkrijgen van deze zorg.
7.9. Heeft cliënt
nog (na)zorg nodig?
Bepaald is of de cliënt nog (na)zorg nodig heeft. 1. Indien de cliënt (na)zorg
nodig heeft, wordt de cliënt geadviseerd over de zorg. 2. Indien de cliënt
geen (na)zorg nodig heeft, worden de benodigde gegevens geregistreerd.
7.10. Adviseren
cliënt zorg
De cliënt wordt geadviseerd omtrent zorg die na beëindiging van de verleende
geïndiceerde zorg nodig is.
7.11. Bijstaan cliënt
verkrijgen zorg
De cliënt wordt bijgestaan bij het verkrijgen van de zorg die nodig is na het
beëindigen van de verleende geïndiceerde zorg. Processen bureau jeugdzorg
Versie 2 Definitief 18 mei 2005 113
7.12. Afsluiten
Het proces Uitvoeren casemanagement geïndiceerde zorg wordt afgesloten.
Processen bureau jeugdzorg Versie 2 Definitief 18 mei 2005 114
8. Uitvoeren
casemanagement andere dan geïndiceerde zorg
De Wet op de jeugdzorg schrijft niet alleen voor geïndiceerde, maar ook voor
andere dan geïndiceerde zorg een vorm van casemanagement voor.
Artikel 10, lid j,
Wjz
De stichting heeft bovendien tot taak: (...) j. het in gevallen als bedoeld in
artikel 8, eerste lid, bijstaan van een cliënt bij het verkrijgen van zorg, zo
nodig motiveren van een cliënt tot het gebruik maken van zorg, en volgen van
deze zorg. Dit casemanagement hoeft echter alleen te worden uitgevoerd als er
sprake is van een verwijzing met schriftelijk advies (als bedoeld in artikel 8
van de wet). In de derde nota van wijziging wordt onder het kopje 4.
Bijstaan van een cliënt bij het verkrijgen van zorg waarop geen aanspraak
bestaat en in de artikelsgewijze toelichting nader op de materie ingegaan.
Hieronder twee citaten. Het bureau jeugdzorg heeft tot taak om de cliënt bij te
staan bij het realiseren van die zorg (zie hiervoor ook de wijziging van artikel
6 (nu artikel 10 – red.), eerste lid, onder j). Met name bij minder
gemotiveerde cliënten zal het bureau jeugdzorg een actieve rol moeten
vervullen. Omdat het gaat om zorg, die noodzakelijk is om een voor een
minderjarige een bedreigende situatie te voorkomen, is het van groot belang dat
het bureau jeugdzorg de cliënt stimuleert om de zorg in te roepen. Het volgen
van de zorg maakt het bureau jeugdzorg noch verantwoordelijk voor het verlenen
van die zorg, noch voor de kwaliteit daarvan. Dat is en blijft de
verantwoordelijkheid van die hulpverlener. Het bureau jeugdzorg zal wel op
gezette tijden informeren hoe het gaat. Als blijkt dat de ouders of de jeugdige
afhaken of als de hulpverleners aangeven dat het ondanks de verleende zorg niet
goed gaat in het gezin, dan zal het bureau moeten bezien of andere zorg nodig
is. Een en ander betekent dat het bureau jeugdzorg niet treedt in de
verantwoordelijkheid van de voorliggende voorzieningen. Het spreekt voor zich
dat in situaties waarin jeugdbeschermingsmaatregelen aan de orde zijn, middelen
tot drang kunnen worden ingezet, zoals dat ook mogelijk is bij case management
voor geïndiceerde zorg. Er zijn geen specifieke registratie-eisen ten aanzien
van dit proces, maar wel geldt, dat registratie plaats dient te vinden conform
artikel 2, onder a, van het Besluit beleidsinformatie jeugdzorg:
Besluit
beleidsinformatie jeugdzorg, artikel 2, onder a
Processen bureau jeugdzorg Versie 2 Definitief 18 mei 2005 115
Artikel
2 Algemene gegevens
Voor de verwerking van de gegevens, bedoeld in artikel 42 van de wet,
registreren de stichtingen de volgende algemene gegevens: a. gegevens over de
aanmelding van een cliënt bij de stichting met het doel inzicht te verkrijgen
in het aantal aanmeldingen en het daaraan getalsmatig in categorieën
uitgedrukte vervolg; Gedoeld wordt hier met name op het in het artikel genoemde
"in categorieën uitgedrukte gevolg". Processen bureau jeugdzorg
Versie 2 Definitief 18 mei 2005 116
9. Processen
gezinsvoogdij
A. Algemeen
In artikel 10, lid 1, onder b, is vastgelegd dat het bureau jeugdzorg de
gezinsvoogdijtaak dient uit te voeren zoals die wordt genoemd in artikel 257 van
boek 1 van het Burgerlijk Wetboek:
Artikel 1:257 BW
1. De stichting, bedoeld in artikel 1, onder f, van de Wet op de jeugdzorg houdt
toezicht op de minderjarige en zorgt dat aan de minderjarige en de met het gezag
belaste ouder hulp en steun worden geboden teneinde de bedreiging van de
zedelijke of geestelijke belangen of de gezondheid van de minderjarige af te
wenden. 2. Deze hulp en steun zijn erop gericht de met het gezag belaste ouder
de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding zoveel mogelijk te doen
behouden. Bij algemene maatregel van bestuur, op voordracht van Onze Ministers
van Justitie en van Volksgezondheid, Welzijn en Sport, kunnen regels worden
gesteld omtrent de aard en de omvang van de hulp en steun. 3. Indien het
leeftijds- en ontwikkelingsniveau van de minderjarige en diens bekwaamheid en
behoefte zelfstandig te handelen en zijn leven naar eigen inzicht in te richten
daartoe noodzaken, zijn de hulp en steun, meer dan op het vergroten van de
mogelijkheden van de ouders om hun kind te verzorgen en op te voeden, gericht op
het vergroten van de zelfstandigheid van de minderjarige. 4. De stichting,
bedoeld in artikel 1, onder f, van de Wet op de jeugdzorg bevordert de
gezinsband tussen de met het gezag belaste ouder en de minderjarige. Het bureau
krijgt deze taak opgelegd door de kinderrechter. Deze kan een minderjarige op
grond van art. 1:254 van het Burgerlijk Wetboek onder bepaalde omstandigheden
onder toezicht stellen. In dringende gevallen kan er ook sprake zijn van
voorlopige ondertoezichtstelling (art. 1:255 BW). Evenals de overige
werkprocessen van het bureau jeugdzorg kent de gezinsvoogdijtaak de fasen
Aanmelding en Acceptatie, Analyse en Opstellen diagnostisch beeld en Vaststellen
benodigde zorg. Het proces Aanmelding en Acceptatie is sterk afwijkend van dat
in het vrijwillige kader en is daarom apart opgenomen in het model. De overige
hier genoemde fasen zijn binnen de gezinsvoogdijtaak nagenoeg gelijk aan die van
het vrijwillige kader. Waar voor de gezinsvoogdij bijzondere omstandigheden of
regels gelden, is dit in de beschrijving van deze processen opgenomen. Wanneer
ten aanzien van een cliënt die onder toezicht wordt gesteld zorg wordt verleend
door een zorgaanbieder (geïndiceerd) of een aanbieder van zorg (anders dan geïndiceerd),
dient deze zorg te worden gevolgd (casemanagement). Ook hiervoor geldt dat deze
processen grosso modo gelijk zijn aan die welke gelden in het vrijwillige kader.
Uitzonderingen zijn ook hier zichtbaar in de Processen bureau jeugdzorg Versie 2
Definitief 18 mei 2005 117 procesbeschrijvingen. In dit geval doet zich een
situatie voor waarin het bureau jeugdzorg ten aanzien van de desbetreffende cliënt
twee processen tegelijk uitvoert, namelijk het genoemde casemanagement en de
uitvoeringstaken rond de gezinsvoogdij. Hoewel de Wet hier geen uitspraken over
doet, ligt het voor de hand dat de gezinsvoogd tevens de taak van het genoemde
casemanagement op zich neemt en dat de evaluatiemomenten van het casemanagement
zoveel mogelijk samenlopen met die uit het uitvoeringsproces gezinsvoogdij. Het
staat de bureaus jeugdzorg echter vrij één en ander op een andere wijze te
organiseren. Aan de uitvoering van de gezinsvoogdijtaak ten aanzien van de
betrokken minderjarige dient altijd een plan ten grondslag te liggen (artikel 9,
lid 3, Wjz). In dit referentiewerkmodel is deze activiteit terug te vinden in
het proces Vaststellen benodigde zorg (waarin de mogelijkheid is opgenomen dat
de hulp en steun géén jeugdzorg omvat zoals die wordt aangeboden door
zorgaanbieders of aanbieders van zorg).
B. Nadere
bepalingen ten aanzien van de gezinsvoogdijtaak
Aanwijzing
In het kader van de hulp en steun als bedoeld in artikel 1:257 BW kan het BJz
een schriftelijke aanwijzing geven met betrekking tot de verzorging en opvoeding
(art. 1:258).
Uithuisplaatsing
Voorts kan de rechter het BJz op verzoek van het BJz, de raad voor de
kinderbescherming of het Openbaar Ministerie machtigen tot uithuisplaatsing van
het kind (art. 1:261). Aan deze plaatsing ligt in beginsel een indicatiebesluit
ten grondslag.
Bepalingen
in Uitvoeringsbesluit Wet op de jeugdzorg
In artt. 37 tm/ 39 van Uitvoeringsbesluit Wet op de jeugdzorg staan algemene
bepalingen vermeld voor het uitoefenen van zowel de voogdij-, de gezinsvoogdij-
als de jeugdreclasseringstaak.
Artikel 37
Uitvoeringsbesluit Wet op de jeugdzorg
Indien de stichting ten aanzien van een jeugdige meer dan één taak als bedoeld
in artikel 10, eerste lid, onder a, b, c en d, van de wet uitoefent, bevat het
plan, bedoeld in artikel 13, derde lid, van de wet, een beschrijving van de
wijze waarop de uitvoering van de verschillende taken op elkaar worden
afgestemd.
Artikel 38
Uitvoeringsbesluit Wet op de jeugdzorg jeugdzorg
Onverminderd artikel 10, eerste lid, onder i, van de wet stelt de stichting bij
beëindiging van de taak, bedoeld in artikel 10, eerste lid, onder a, b, c en d,
van de wet ten aanzien van de jeugdige een rapport op waarin beschreven wordt op
welke wijze zij haar taak heeft verricht. In het rapport wordt aangegeven of de
jeugdige naar het oordeel van de stichting, behoefte heeft Processen bureau
jeugdzorg Versie 2 Definitief 18 mei 2005 118 aan nazorg en op welke wijze
hierin kan worden voorzien.
Artikel 39
Uitvoeringsbesluit Wet op de jeugdzorg jeugdzorg
Bij regeling van Onze Ministers kunnen nadere regels worden gesteld over het
verrichten of doen verrichten van een gedragsdeskundig of psychiatrisch
diagnostisch onderzoek ter voorbereiding van een besluit in het kader van de
uitvoering van de taken, bedoeld in artikel 10, eerste lid, onder a, b, c en d,
van de wet, dat een rechterlijke beslissing vereist.
Ontheffing
van de ouders overwegen
In art. 45 van het Uitvoeringsbesluit Wet op de jeugdzorg staat het volgende
vermeld over eventuele ontheffing van de ouders:
Artikel 45
Uitvoeringsbesluit Wet op de jeugdzorg
De stichting beziet bij de uitoefening van de ondertoezichtstelling regelmatig
of een ontheffing van de ouders als bedoeld in artikel 268 van Boek 1 van het
Burgerlijk Wetboek overwogen moet worden. Zodra de stichting tot het oordeel
komt dat een ontheffing overwogen moet worden, stelt zij de raad voor de
kinderbescherming hiervan in kennis.
C.
Registratie-eisen
Registratie-eisen rond het proces gezinsvoogdij staan vermeld in het Besluit
beleidsinformatie jeugdzorg.
Artikel 6 Besluit
beleidsinformatie jeugdzorg
Voor de verwerking van de gegevens, bedoeld in artikel 42 van de wet, registeert
de stichting per minderjarige de volgende gegevens over hun taken, bedoeld in
artikel 10, eerste lid, onder a en b, van de wet: a. de datum waarop de
stichting de op schrift vastgelegde beslissing heeft ontvangen waaruit blijkt
dat een taak een aanvang heeft genomen met een aanduiding van de hoedanigheid
van degene die de beslissing heeft genomen; b. de datum waarop de taak, bedoeld
in artikel 10, eerste lid, onder b, van de wet aanvangt of wordt verlengd; c. de
datum waarop een taak als bedoeld in artikel 10, eerste lid, onder b, van de wet
eindigt met een aanduiding van de reden daarvan. d. de datum waarop een taak als
bedoeld in artikel 10, eerste lid, onder a, van de wet aanvangt en eindigt met
een aanduiding van de soort voogdij en de reden van beëindiging; e. de datum
waarop de rechter een machtiging tot uithuisplaatsing heeft gegeven met een
aanduiding van de soort machtiging uithuisplaatsing en de duur van de
machtiging; f. de datum waarop de stichting aan de jeugdige, zijn ouders of
degene die hem als behorende tot hun gezin verzorgen en opvoeden mededeelt dat
een taak is aangevangen; g. de datum waarop een medewerker van de stichting over
een taak een eerste contact heeft met de cliënt; Processen bureau jeugdzorg
Versie 2 Definitief 18 mei 2005 119 h. de datum waarop de stichting het plan,
bedoeld in artikel 13, derde lid, van de wet vaststelt.
9.1. Aanmelding en
Acceptatie gezinsvoogdij
Het aanmeldings- en acceptatieproces voor gezinsvoogdij wijkt sterk af van de
situatie van aanmelding in het vrijwillige kader. Het bureau jeugdzorg heeft ten
aanzien van deze taak immers een acceptatieplicht. Het proces kent drie stappen:
• Aanwijzen gezinsvoogdijwerker • Plannen eerste contact • Versturen
mededeling Vervolgens gaat het proces verder bij Analyse en opstellen diagnostisch beeld. In dat proces wordt het
plan opgesteld zoals bedoeld in artikel 13, lid 3, van de Wet op de jeugdzorg.
Eventueel wordt dan ook een indicatiebesluit opgesteld (voor geïndiceerde
zorg), of een schriftelijk advies (voor andere dan geïndiceerde zorg).
Processen bureau jeugdzorg Versie 2 Definitief 18 mei 2005 120
9.1.1. Aanwijzen
gezinsvoogd
A. Algemeen
Het bureau jeugdzorg krijgt er kennis van dat zij de gezinsvoogdijtaak over een
minderjarige heeft gekregen en zij wijst als eerste een gezinsvoogd aan. Daarbij
houdt het bureau rekening met de godsdienstige gezindheid, de levensovertuiging
en culturele achtergrond van de cliënt (art. 15, Processen bureau jeugdzorg
Versie 2 Definitief 18 mei 2005 121 Wjz). Verdere regelgeving rond het aanwijzen
van de gezinsvoogd is vastgelegd in artikel 44 van het Uitvoeringsbesluit Wet op
de jeugdzorg.
Artikel 44
Uitvoeringsbesluit Wet op de jeugdzorg
1. De stichting wijst binnen vijf dagen nadat de minderjarige onder haar
toezicht is gesteld en zij hiervan in kennis is gesteld, een gezinsvoogdijwerker
aan, en doet hiervan mededeling aan de minderjarige en de met het gezag belaste
ouder of voogd.
2. In
deze mededeling worden tevens opgenomen: a. de datum van het eerste contact van
de gezinsvoogdijwerker met de minderjarige en de met het gezag belaste ouder of
voogd, b. de medewerker van de stichting die de gezinsvoogdijwerker bij diens
afwezigheid vervangt, c. informatie over de bevoegdheden van de stichting bij de
uitoefening van de ondertoezichtstelling en d. de wijze waarop een verzoek als
bedoeld in artikel 259, eerste lid, artikel 260, eerste lid, en artikel 263,
tweede lid, van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek moet worden gedaan. 3. De
stichting kan, al dan niet op verzoek van de minderjarige, de met het gezag
belaste ouder of voogd, een andere medewerker als gezinsvoogdijwerker
aanwijzen.. Onderstaand de toelichting op dit artikel:
Artikel 19
Dit artikel bepaalt in het eerste lid dat de stichting binnen vijf dagen nadat
de minderjarige onder haar toezicht is gesteld een gezinsvoogdijwerker aanwijst
en hiervan mededeling doet aan de minderjarige en de met het gezag belaste
ouder. Deze hebben er immers belang bij dat zij zo snel mogelijk te weten wie er
invulling gaat geven aan de ondertoezichtstelling. In het tweede lid is een
niet-limitatieve opsomming opgenomen van onderwerpen die daarnaast in de
mededeling opgenomen dienen te worden. Het gestelde onder b en c is van belang
voor de versterking van de positie van de cliënt; de cliënt dient kennis te
hebben van bijvoorbeeld het feit dat het bureau jeugdzorg een schriftelijke
aanwijzing kan geven en de wijze waarop hiertegen in verzet kan worden gekomen.
B. Informeren cliënt
- contactpersoon
In het Uitvoeringsbesluit Wet op de jeugdzorg wordt gesteld dat het bureau de
cliënt informatie dient te verstrekken (artikel 27 Uitvoeringsbesluit). In de
Wet op de jeugdzorg wordt voorts aangegeven dat ten aanzien van de cliënt een
contactpersoon dient te worden aangewezen (artikel 13, lid 8, Wjz). In het
referentiewerkmodel wordt ervan uitgegaan dat de contactpersoon waarvan in het
besluit sprake is, de gezinsvoogdijwerker is. Voor de gezinsvoogdijtaak is deze
combinatie verplicht.
Artikel 27
Uitvoeringsbesluit Wet op de jeugdzorg
Processen bureau jeugdzorg Versie 2 Definitief 18 mei 2005 122 1. De stichting
informeert de cliënt over de taken en werkwijze van het bureau jeugdzorg en
over zijn rechten. De informatie wordt in begrijpelijke vorm verschaft. 2. De
stichting maakt de cliënt duidelijk welke taak het bureau jeugdzorg ten aanzien
van hem uitoefent.
Artikel 13, lid 8,
Wjz
De stichting wijst ten aanzien van een cliënt een contactpersoon aan. De
contactpersoon is aanspreekpunt voor de cliënt gedurende de gehele periode
waarin de stichting een van haar wettelijke taken ten aanzien van de cliënt
uitoefent. De contactpersoon bevordert de continuïteit in de taakuitvoering van
het bureau jeugdzorg ten aanzien van de cliënt en is de persoon die de cliënt
in voorkomende gevallen jeugdzorg als bedoeld in artikel 10, derde lid, onder b,
verleent. Zo mogelijk wijst de stichting bij de taakuitvoering ten aanzien van
de cliënt in volgende gevallen dezelfde contactpersoon aan. De toelichting bij
het voormalige Besluit Kwaliteit en Werkwijze (dat nu is opgenomen in het
Uitvoeringsbesluit) stelt hierover (onder kopje 3. Algemene eisen): Het bureau
jeugdzorg is verplicht de cliënt informatie te verstrekken over de taken en
werkwijze van het bureau jeugdzorg en over zijn rechten. Deze informatie moet in
begrijpelijke vorm worden verschaft. Het is immers van belang dat de cliënt
weet wat het bureau jeugdzorg voor hem wel en niet kan doen en ook welke
bevoegdheden het bureau in zijn algemeenheid heeft. Daar hoort het niet bij te
blijven, de cliënt zal moeten weten in welke hoedanigheid hij met het bureau te
maken heeft en welke bevoegdheden het bureau jegens hem heeft. Dit laatste is
vooral van belang als het gaat om de justitiële taken, waarbij de relatie cliënt
bureau alles behalve vrijblijvend is. In verband hiermee is bovendien geregeld
dat een cliënt binnen het bureau jeugdzorg een contactpersoon toegewezen zal
moeten krijgen. De contactpersoon fungeert als aanspreekpunt voor de cliënt,
opdat de cliënt snel en eenvoudig antwoord kan krijgen op vragen over
bijvoorbeeld de voortgang van het indicatietraject of over het waarom van
onderzoeken die het bureau nodig acht. De contactpersoon hoeft niet een
medewerker te zijn die uitsluitend deze taak ten opzichte van de cliënt heeft.
Een combinatie van functies ligt voor de hand. Artikelsgewijs stelt de
toelichting voorts:
Artikel 27
Uitvoeringsbesluit Wet op de jeugdzorg
Een goede informatieverstrekking door het bureau jeugdzorg is voor de cliënt
van groot belang. Deze bepaling strekt daartoe. In het eerste lid is een
algemene informatieplicht voor de stichting geformuleerd. Deze informatieplicht
omvat zowel informatie over de taken als over de werkwijze van het bureau
jeugdzorg. Voorts kan gedacht worden aan informatie over bijvoorbeeld het
aanvragen van een indicatiebesluit, de contactpersoon, de vertrouwenspersoon,
het verwerken van gegevens en de regeling voor de behandeling van klachten. In
het tweede lid is een specifieke informatieplicht opgenomen. Te allen tijde
dient Processen bureau jeugdzorg Versie 2 Definitief 18 mei 2005 123 het de cliënt
duidelijk te zijn welke taak het bureau jeugdzorg ten aanzien van hem uitoefent.
Het is voor een cliënt namelijk een essentieel verschil of de medewerker van
het bureau jeugdzorg bijvoorbeeld een gesprek met de cliënt voert in het kader
van een ondertoezichtstelling (artikel 10, eerste lid, onder b van de wet) of
een gesprek in het kader van de taak vaststellen op welke zorg de cliënt is
aangewezen (artikel 5, eerste lid van de wet). Naar de cliënt toe moet het
altijd duidelijk zijn welke taak die het bureau ten aanzien van hem uitvoert.De
verschillende taken brengen immers verschillende bevoegdheden mee.
Artikel 13, lid 8,
Wjz
Dit artikel regelt dat de stichting een contactpersoon ten aanzien van de cliënt
aanwijst. De cliënt kan bij hem terecht met alle vragen (aanspreekpunt) die hij
heeft over bijvoorbeeld procedures binnen het bureau jeugdzorg zoals de aanvraag
van een indicatiebesluit of een verwijzing naar voorliggende voorzieningen. Er
worden geen nadere regels gesteld over de taakomschrijving, deskundigheid etc.
van deze contactpersoon. Het bureau jeugdzorg zal hieraan zelf invulling moeten
geven. Wel zal het bureau jeugdzorg in de beschrijving van zijn werkwijze moeten
verantwoorden op welke wijze invulling wordt gegeven aan deze verplichting
(artikel 13, eerste lid, van de wet). De contactpersoon is geen specifieke
functionaris. De contactpersoon kan degene zijn, die reeds contact heeft met de
cliënt, maar dit hoeft niet. Het is mogelijk om bij de uitvoering van
verschillende taken met betrekking tot één en dezelfde cliënt of cliëntsysteem
een andere medewerker als contactpersoon aan te wijzen al dan niet op verzoek
van de cliënt zelf. Zo kan de gezinsvoogd tevens als contactpersoon voor de
jeugdige en zijn ouders optreden, terwijl ze in een voortraject mogelijk al een
andere contactpersoon hadden. Een vergelijkbare situatie kan zich voordoen bij
het verlenen van steun bij het tot gelding brengen van een aanspraak. N.B.
Wanneer een cliënt ambulante zorg krijgt van het Bureau Jeugdzorg
("jeugdzorg als bedoeld in artikel 10, derde lid, onder b"), moet
degene die de hulp verleent ook de contactpersoon zijn.
9.1.2. Plannen
eerste contact
De datum voor het eerste contact, zoals vermeld in artikel 44, lid 2, sub a,
Uitvoeringsbesluit Wet op de jeugdzorg, wordt gepland.
9.1.3. Versturen
mededeling minderjarige en ouder(s) of voogd
Aan de minderjarige en de met gezag belaste ouder(s) of voogd wordt een
mededeling verstuurd, zoals omschreven in art. 44 van het Uitvoeringsbesluit Wet
op de jeugdzorg (zie begeleidende tekst bij Aanwijzen
gezinsvoogd.).
9.2. Uitvoeren
gezinsvoogdij
Bij deze procesbeschrijving gaat het om de gezinsvoogdijtaak 'sec', dus de taak
zoals Processen bureau jeugdzorg Versie 2 Definitief 18 mei 2005 124 omschreven
in artikel 1:257 BW, op grond van het plan waarvan in artikel 13, lid 3 van de
Wet op de jeugdzorg sprake is. Deze taak kan samengaan met casemanagement
wanneer ten behoeve van de jeugdige zorg wordt verleend door een zorgaanbieder
(geïndiceerde zorg) of een aanbieder van zorg (niet geïndiceerde zorg). Zie
hierover verder de begeleidende tekst bij Processen
gezinsvoogdij, onder A. Algemeen.
Processen bureau jeugdzorg Versie 2 Definitief 18 mei 2005 125 Processen
bureau jeugdzorg Versie 2 Definitief 18 mei 2005 126
9.2.1. Uitvoeren
plan
Het plan, bedoeld in artikel 13, derde lid, Wjz, wordt uitgevoerd.
9.2.2. Evalueren
Het plan wordt geëvalueerd, conform art. 43, lid 7 van het Uitvoeringsbesluit
Wet op de jeugdzorg:
Artikel 43, lid 7,
Uitvoeringsbesluit Wet op de jeugdzorg
7. Zo vaak als noodzakelijk, doch ten minste één maal per jaar wordt bezien in
hoeverre het plan bijstelling behoeft. Bepaald wordt in ieder geval of • de
maatregel van gezinsvoogdij eindigt of dat verlenging van de gezinsvoogdij
noodzakelijk is; • tussentijdse beëindiging mogelijk is; • in geval van
voortzetting van de maatregel bijstelling van het plan noodzakelijk is. Op grond
van artikel 1:256 BW kan de kinderrechter de duur van de ondertoezichtstelling
bepalen op ten hoogste één jaar. De duur kan door hem telkens met één jaar
verlengd worden. Hij kan dit doen op verzoek van het bureau jeugdzorg, een
ouder, een ander die de minderjarige als behorend tot zijn gezin verzorgt en
opvoedt, de raad voor de kinderbescherming, of het openbaar ministerie. De
maatregel van gezinsvoogdij eindigt wanneer: • de termijn verstreken is en
geen verlenging is verkregen; • tussentijdse beëindiging is verkregen; •
besloten is een verderstrekkende maatregel te vragen en deze is verkregen; •
de jeugdige de meerderjarige leeftijd heeft bereikt • de jeugdige komt te
overlijden.
9.2.3.
Voortzetting maatregel wenselijk?
Bepaald is of voortzetting van de maatregel wenselijk is. • Als dit zo is, dan
wordt verlenging van de maatregel aangevraagd bij de kinderrechter. • Is dit
niet het geval, dan wordt van het besluit om geen verlenging van de maatregel
aan te vragen melding gedaan aan de raad voor de kinderbescherming. Processen
bureau jeugdzorg Versie 2 Definitief 18 mei 2005 127
9.2.4. Aanvragen
verlenging
Bij de kinderrechter wordt verlenging van de maatregel aangevraagd. Een
afschrift van de aanvraag wordt naar de raad voor de kinderbescherming gestuurd:
de Raad heeft in deze een toetsende taak. Bovendien dient een afschrift van de
aanvraag naar de belanghebbenden te worden verstuurd. Wordt de verlenging
verkregen, dan wordt bezien of bijstelling van het plan nodig is.
9.2.5. Bijstelling
nodig?
In de evaluatie van het plan is bezien of bijstelling van het plan nodig is. •
Is dit het geval, dan wordt het plan bijgesteld, in overleg met de cliënt. •
Is dit niet het geval, dan wordt het bestaande plan verder uitgevoerd.
9.2.6. Bijstellen
plan
Het plan wordt in overleg met de cliënt bijgesteld.
9.2.7. Beëindigen
De gezinsvoogdij wordt beëindigd. Dit kan op de volgende manieren gestalte
krijgen: 1. de instelling besluit om geen verzoekschrift verlenging in te
dienen; 2. de instelling vraagt een verderstrekkende maatregel aan; 3. de
instelling besluit om een tussentijdse beëindiging aan te vragen; 4 de
maatregel loopt van rechtswege af in het geval van meerderjarigheid. De raad
voor de kinderbescherming wordt van het besluit tot niet voortzetten van de
maatregel op de hoogte gebracht, op grond van artikel 1:256, lid 3, Burgerlijk
Wetboek:
Artikel 1:256, lid
3, BW
Indien de gezinsvoogdij-instelling niet overgaat tot een verzoek tot verlenging
doet zij hiervan zo spoedig mogelijk en onder overlegging van een verslag van
het verloop van de ondertoezichtstelling mededeling aan de raad voor de
kinderbescherming.
9.2.8. Mededelen
beëindiging aan RvdK
Aan de raad voor de kinderbescherming wordt gemeld dat de gezinsvoogdij voor
betreffende jeugdige beëindigd is. De Raad heeft hierbij een toetsende taak.
Als de Raad niet akkoord is, zal zij zich zelf tot de kinderrechter wenden met
het verzoek de maatregel te verlengen of opnieuw Processen bureau jeugdzorg
Versie 2 Definitief 18 mei 2005 128 een maatregel te nemen.
9.3.
Uithuisplaatsing (bij gezinsvoogdij)
A. Algemeen
Het bureau jeugdzorg kan tot de conclusie komen dat het in het belang van de
verzorging en opvoeding van de minderjarige of tot onderzoek van diens
geestelijke of lichamelijke gesteldheid noodzakelijk is dat deze gedurende dag
en nacht uit huis wordt geplaatst. Deze uithuisplaatsing kan al dan niet
verbonden zijn aan geïndiceerde zorg. Het bureau jeugdzorg kan de kinderrechter
in het kader van de gezinsvoogdijtaak op grond van artikel 261 van het
Burgerlijk Wetboek verzoeken tot een machtiging uithuisplaatsing. Wanneer deze
uithuisplaatsing in het kader staat van geïndiceerde zorg, moet het bureau
jeugdzorg het indicatiebesluit daartoe aan de kinderrechter doen toekomen. Is de
uithuisplaatsing niet verbonden aan geïndiceerde zorg, dan moet het bureau
jeugdzorg bij zijn verzoek aan de kinderrechter melden voor welke verblijfplaats
de machtiging wordt gevraagd. De regels voor uithuisplaatsing in het kader van
gezinsvoogdij zijn neergelegd in artikel 261 van boek 1 van het Burgerlijk
Wetboek. Dit artikel is in het kader van de Wet op de jeugdzorg aangepast (zie
artikel 77, sub H, Wjz). Onder uithuisplaatsing in het kader van geïndiceerde
zorg valt ook plaatsing in een justitiële jeugdinrichting als bedoeld in
artikel 1, onder b, van de Beginselenwet justitiële jeugdinrichtingen. Hiervoor
is uitdrukkelijk een daartoe strekkende machtiging van de kinderrechter vereist.
B. Relevante
wetsartikelen rond uithuisplaatsing
Artikel 3, vierde
lid, Wjz
Indien het besluit van de stichting strekt tot uithuisplaatsing in het kader van
een ondertoezichtstelling als bedoeld in artikel 261 van Boek 1 van het
Burgerlijk Wetboek, treedt het niet in werking dan nadat de in dat artikel
bedoelde machtiging van de kinderrechter is verkregen. Indien de machtiging niet
wordt verleend, vervalt het besluit. Indien de duur van de machtiging korter is
dan de termijn, bedoeld in artikel 6, eerste lid, onder c, wordt die termijn
gelijk aan de duur van de machtiging.
Artikel 1:261 BW
1. Indien dit noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding van
de minderjarige of tot onderzoek van diens geestelijke of lichamelijke
gesteldheid, kan de kinderrechter de Processen bureau jeugdzorg Versie 2
Definitief 18 mei 2005 129 stichting, bedoeld in artikel 1, onder f, van de Wet
op de jeugdzorg op haar verzoek machtigen de minderjarige gedurende dag en nacht
uit huis te plaatsen. De machtiging kan eveneens worden verleend op verzoek van
de raad voor de kinderbescherming of van het openbaar ministerie. 2. Indien de
uithuisplaatsing betrekking heeft op zorg als bedoeld in artikel 5, tweede lid,
van de Wet op de jeugdzorg, is het verzoek gericht op effectuering van het
besluit, bedoeld in artikel 6, eerste lid, van die wet. Dit besluit wordt bij
het verzoek overgelegd. Indien de uithuisplaatsing geen betrekking heeft op zorg
als bedoeld in artikel 5, tweede lid, van de Wet op de jeugdzorg, wordt bij het
verzoek vermeld voor welke verblijfplaats de machtiging wordt gevraagd.
3. In
afwijking van de eerste volzin van het tweede lid kan in de gevallen,
omschreven in de regels, gesteld krachtens artikel 3, vijfde lid, van de Wet op
de jeugdzorg, van artikel 11a, eerste lid, van de Beginselenwet justitiële
jeugdinrichtingen en van artikel 9b, tweede lid, van de Algemene Wet Bijzondere
Ziektekosten een machtiging tot uithuisplaatsing worden verleend zonder een
daartoe strekkend besluit. De machtiging tot uithuisplaatsing geldt in dat geval
totdat een besluit als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van de Wet op de
jeugdzorg is genomen. De kinderrechter kan bepalen dat de machtiging tot
uithuisplaatsing van kracht blijft indien het besluit, bedoeld in artikel 6,
eerste lid, van de Wet op de jeugdzorg strekt tot uithuisplaatsing. 4. De
kinderrechter kan eveneens een machtiging tot uithuisplaatsing verlenen zonder
dat daarbij een besluit als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van de Wet op de
jeugdzorg wordt overgelegd, indien het verzoek daartoe wordt gedaan door de raad
voor de kinderbescherming en de stichting, bedoeld in artikel 1, onder f, van
die wet geen besluit strekkend tot uithuisplaatsing neemt. In deze gevallen
wordt bij het verzoek vermeld voor welke verblijfplaats de machtiging wordt
gevraagd. Indien de kinderrechter de machtiging verleent, is de stichting
gehouden deze ten uitvoer te leggen, tenzij de raad met niettenuitvoerlegging
instemt. 5. Voor plaatsing in een justitiële jeugdinrichting als bedoeld in
artikel 1, onder b, van de Beginselenwet justitiële jeugdinrichtingen is een
uitdrukkelijk daartoe strekkende machtiging van de kinderrechter vereist. Deze
machtiging wordt slechts verleend, indien zij vereist is wegens ernstige
gedragsproblemen van de minderjarige. Zodra een verzoek tot zulk een machtiging
of tot verlenging daarvan bij de kinderrechter is ingediend, geeft deze aan het
bureau rechtsbijstandvoorziening ambtshalve last een raadsman aan de
minderjarige toe te voegen.
Artikel 11a
Beginselenwet justitiële jeugdinrichtingen
1. De jeugdige ten aanzien van wie met toepassing van artikel 261, derde en
vijfde lid, dan wel artikel 305, derde lid, Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek is
bepaald dat hij in een inrichting wordt geplaatst, heeft aanspraak op die
plaatsing. Een jeugdige heeft slechts aanspraak op deze plaatsing als de
stichting, bedoeld in artikel 1, onder f, van de Wet op de jeugdzorg, die
werkzaam is in de provincie waarin de jeugdige duurzaam verblijft, een besluit
heeft genomen Processen bureau jeugdzorg Versie 2 Definitief 18 mei 2005 130
waaruit blijkt dat hij op die plaatsing is aangewezen. Bij algemene maatregel
van bestuur worden regels gesteld voor gevallen waarin het besluit bedoeld in de
tweede volzin niet afgewacht kan worden. Daarbij kan worden afgeweken van de
tweede volzin. 2. De jeugdige, bedoeld in het eerste lid, kan worden
overgeplaatst naar een beperkt beveiligde inrichting als bedoeld in artikel 14,
eerste lid, onder a. 3. Indien de jeugdige, bedoeld in het eerste lid, in het
kader van een acute crisis moet worden geplaatst, geschiedt de plaatsing binnen
een week. Indien de plaatsing niet binnen een week mogelijk is, kan de
selectiefunctionaris deze termijn telkens met een week verlengen. Met een
beslissing tot verlenging wordt gelijk gesteld de weigering om binnen de termijn
te beslissen. Processen bureau jeugdzorg Versie 2 Definitief 18 mei 2005 131
Processen bureau jeugdzorg Versie 2 Definitief 18 mei 2005 132
9.3.1. Bepalen
"soort" uithuisplaatsing
Artikel 1:261 BW maakt een onderscheid tussen uithuisplaatsing die betrekking
heeft op geïndiceerde zorg en uithuisplaatsing die daarop geen betrekking heeft
(lid 2). Voor beide "soorten" uithuisplaatsing is een machtiging van
de kinderrechter vereist. Wordt de machtiging aangevraagd in het kader van geïndiceerde
zorg, dan dient het indicatiebesluit bij de aanvraag overlegd te worden. Voor
uithuisplaatsing niet in het kader van geïndiceerde zorg dient bij de aanvraag
tot machtiging te worden vermeld voor welke verblijfplaats de machtiging wordt
gevraagd.
9.3.2. Heeft de
uithuisplaatsing betrekking op geïndiceerde zorg?
Afvraging is of de uithuisplaatsing al dan niet betrekking heeft op geïndiceerde
zorg. • Is dit het geval, dan gaat het proces verder bij de afvraging of er
een indicatiebesluit is dat een aanspraak op 24-uurs verblijf inhoudt • Is dit
niet het geval, dan gaat het proces verder bij Aanvragen
machtiging UHP – niet i.h.k.v.
geïndiceerde zorg
9.3.3. Is er een
indicatiebesluit dat aanspraak op 24-uurs verblijf inhoudt?
Besloten is tot uithuisplaatsing die betrekking heeft op geïndiceerde zorg.
Afvraging is of er een indicatiebesluit is dat een aanspraak op 24-uurs verblijf
inhoudt. • Is dit het geval, dan gaat wordt de machtiging aangevraagd
(i.h.k.v. geïndiceerde zorg) • Is dit niet het geval, dan dient eerst een
indicatiebesluit met die strekking opgesteld te worden.
9.3.4. Aanvragen
machtiging UHP i.h.k.v. geïndiceerde zorg
Er wordt een machtiging uithuisplaatsing aangevraagd bij de kinderrechter. Het
gaat om uithuisplaatsing in het kader van geïndiceerde zorg. Het desbetreffende
indicatiebesluit wordt bij het verzoek overlegd (art. 1:261 BW, lid 2, eerste en
tweede volzin).
9.3.5. Machtiging
UHP verkregen (i.h.k.v. geïndiceerde zorg)?
Er is een machtiging uithuisplaatsing aangevraagd bij de kinderrechter. Het gaat
om uithuisplaatsing in het kader van geïndiceerde zorg. Afvraging is of de
verzochte machtiging verkregen is. • Is de machtiging verkregen, dan wordt
plaatsing van de minderjarige in samenspraak met de Processen bureau jeugdzorg
Versie 2 Definitief 18 mei 2005 133 zorgaanbieder geregeld. Het proces gaat
verder bij Bevorderen opstellen
hulpverleningsplan
door zorgaanbieder onder Uitvoeren
casemanagement geïndiceerde zorg.
• Is de machtiging niet verkregen, dan wordt het proces uithuisplaatsing
afgesloten. Is een machtiging verkregen, dienen hier bovendien gegevens over te
worden geregistreerd, op grond van artikel 6, onder c, Besluit beleidsinformatie
jeugdzorg.
Artikel 6, sub c,
Besluit beleidsinformatie jeugdzorg
Gegevens over
ondertoezichtstelling en voogdij
Voor de verwerking van de gegevens, bedoeld in artikel 42 van de wet,
registreren de stichtingen de volgende gegevens over hun taken als bedoeld in
artikel 6, eerste lid, onder a en b, van de wet: (...) c. gegevens over
uithuisplaatsing van een minderjarige met het doel inzicht te verkrijgen in het
aantal uithuisplaatsingen al dan niet onderscheiden naar met of zonder
machtiging; Op grond van artikel 1:262, lid 3, BW dient de uithuisplaatsing
binnen drie maanden ten uitvoer te zijn gelegd. Als de uithuisplaatsing na die
termijn nog niet ten uitvoer is gelegd, vervalt de machtiging.
9.3.6. Afsluiten
na niet verkrijgen machtiging UHP
Het proces wordt afgesloten. Het Besluit beleidsinformatie jeugdzorg vraagt géén
gegevens ten aanzien van niet verkregen machtigingen.
9.3.7. Aanvragen
machtiging UHP - niet i.h.k.v. geïndiceerde zorg
Er wordt een machtiging uithuisplaatsing aangevraagd bij de kinderrechter. Het
gaat niet om uithuisplaatsing in het
kader van geïndiceerde zorg. Bij het verzoek wordt vermeld voor welke
verblijfplaats de machtiging wordt gevraagd (art. 1:261 BW, lid 2, derde
volzin).
9.3.8. Machtiging
UHP verkregen (niet i.h.k.v. geïndiceerde zorg)?
Er is een machtiging uithuisplaatsing aangevraagd bij de kinderrechter. Het gaat
niet om uithuisplaatsing in het kader
van geïndiceerde zorg. Afvraging is of de verzochte machtiging verkregen is.
• Is de machtiging verkregen, dan wordt de minderjarige geplaatst. • Is de
machtiging niet verkregen, dan wordt het proces uithuisplaatsing afgesloten. Is
een machtiging verkregen, dienen hier bovendien gegevens over te worden
geregistreerd, op Processen bureau jeugdzorg Versie 2 Definitief 18 mei 2005 134
grond van artikel 6, onder c, Besluit beleidsinformatie jeugdzorg.
Artikel 6, sub c,
Besluit beleidsinformatie jeugdzorg
Gegevens over
ondertoezichtstelling en voogdij
Voor de verwerking van de gegevens, bedoeld in artikel 42 van de wet,
registreren de stichtingen de volgende gegevens over hun taken als bedoeld in
artikel 6, eerste lid, onder a en b, van de wet: (...) c. gegevens over
uithuisplaatsing van een minderjarige met het doel inzicht te verkrijgen in het
aantal uithuisplaatsingen al dan niet onderscheiden naar met of zonder
machtiging;
9.3.9. Regelen
uithuisplaatsing niet i.h.k.v. geïndiceerde zorg
De uithuisplaatsing, niet in het kader van geïndiceerde zorg, wordt geregeld.
Op grond van artikel 1:262, lid 3, BW dient de uithuisplaatsing binnen drie
maanden ten uitvoer te zijn gelegd. Als de uithuisplaatsing na die termijn nog
niet ten uitvoer is gelegd, vervalt de machtiging.
9.3.10. Afsluiten
na niet verkrijgen machtiging UHP
Het proces wordt afgesloten. Het Besluit beleidsinformatie jeugdzorg vraagt géén
gegevens ten aanzien van niet verkregen machtigingen. Processen bureau jeugdzorg
Versie 2 Definitief 18 mei 2005 135
10. Processen
voogdij
A. Algemeen
In artikel 10, lid 1, onder a, is vastgelegd dat het bureau jeugdzorg de
voogdijtaak dient uit te voeren zoals die wordt genoemd boek 1 van het
Burgerlijk Wetboek. Op grond van het Burgerlijk Wetboek kan de rechter in
gevallen waarin niet in het gezag over een kind is voorzien op verzoek van de
raad voor de kinderbescherming in het gezag over een kind voorzien door het BJz
met de voorlopige voogdij te lasten (art. 1:241). Op grond van het Burgerlijk
Wetboek kunnen ouders op verzoek van de raad voor de kinderbescherming of het
Openbaar Ministerie door de rechter van het gezag over hun kind worden ontheven
(art. 1:266 en 267) of ontzet (art. 1:269 en 270). Hangende het onderzoek naar
ontheffing of ontzetting kan de rechter het gezag van één of beide ouders over
één of meer kinderen schorsen en het BJz belasten met de voorlopige voogdij
over het kind (art. 1:271). Op grond van het Burgerlijk Wetboek kan het BJz
indien niet in het gezag over een kind is voorzien (bijvoorbeeld beide ouders
overleden) ook met de voogdij (verzorging en opvoeding) worden belast. In dit
geval wordt de jeugdige ter verzorging en opvoeding in een pleeggezin of in een
instelling geplaatst. Aan deze plaatsing ligt een indicatiebesluit ten
grondslag. De voogdijtaak ten aanzien van een minderjarige wordt aan het bureau
opgelegd door de rechter. Evenals de overige werkprocessen van het bureau
jeugdzorg kent de voogdijtaak de fasen Aanmelding en Acceptatie, Analyse en
Opstellen diagnostisch beeld en Vaststellen benodigde zorg. Hierbij zal het in
eerste instantie ook gaan om de uithuisplaatsing van de minderjarige, waaraan
immers een indicatiebesluit ten grondslag moet liggen. Het proces Aanmelding en
Acceptatie is sterk afwijkend van dat in het vrijwillige kader en is daarom
apart opgenomen in het model. De overige hier genoemde fasen zijn binnen de
voogdijtaak nagenoeg gelijk aan die van het vrijwillige kader. Waar voor de
voogdij bijzondere omstandigheden of regels gelden, is dit in de beschrijving
van deze processen opgenomen. Wanneer ten aanzien van een cliënt in het kader
van voogdij zorg wordt verleend door een zorgaanbieder (geïndiceerd) of een
aanbieder van zorg (anders dan geïndiceerd), dient deze zorg te worden gevolgd
(casemanagement). Ook hiervoor geldt dat deze processen grosso modo gelijk zijn
aan die welke gelden in het vrijwillige kader. Uitzonderingen zijn ook hier
zichtbaar in de procesbeschrijvingen. In dit geval doet zich een situatie voor
waarin het bureau jeugdzorg ten aanzien van de desbetreffende cliënt twee
processen tegelijk uitvoert, namelijk het genoemde casemanagement en de
uitvoeringstaken rond de voogdij. Hoewel de Wet hier geen uitspraken over doet,
ligt het voor de hand dat de voogd tevens de taak van het genoemde
casemanagement op zich neemt en dat de evaluatiemomenten van het casemanagement
zoveel mogelijk samenlopen met die uit het uitvoeringsproces voogdij. Het staat
de bureaus jeugdzorg echter vrij één en ander op een andere wijze te
organiseren. Processen bureau jeugdzorg Versie 2 Definitief 18 mei 2005 136 Aan
de uitvoering van de voogdijtaak ten aanzien van de betrokken minderjarige dient
altijd een plan ten grondslag te liggen (Artikel 13, lid 3, Wjz). In dit
referentiewerkmodel is deze activiteit terug te vinden in het proces Vaststellen
benodigde zorg (waarin de mogelijkheid is opgenomen dat de voogdijtaak ten
aanzien van de desbetreffende cliënt géén jeugdzorg omvat zoals die wordt
aangeboden door zorgaanbieders of aanbieders van zorg).
B. Nadere
bepalingen ten aanzien van de voogdijtaak
In artt. 37 tm/ 39 en 42 van het Uitvoeringsbesluit Wet op de jeugdzorg staan
algemene bepalingen vermeld voor het uitoefen van zowel de voogdij-, de
gezinsvoogdij- als wel de jeugdreclasseringstaak.
Artikel 37
Uitvoeringsbesluit Wet op de jeugdzorg
Indien de stichting ten aanzien van een jeugdige meer dan één taak als bedoeld
in artikel 10, eerste lid, onder a, b, c en d, van de wet uitoefent, bevat het
plan, bedoeld in artikel 13, derde lid, van de wet, een beschrijving van de
wijze waarop de uitvoering van de verschillende taken op elkaar worden
afgestemd.
Artikel 38
Uitvoeringsbesluit Wet op de jeugdzorg
Onverminderd artikel 10, eerste lid, onder i, van de wet stelt de stichting bij
beëindiging van de taak, bedoeld in artikel 10, eerste lid, onder a, b, c en d,
van de wet ten aanzien van de jeugdige een rapport op waarin beschreven wordt op
welke wijze zij haar taak heeft verricht. In het rapport wordt aangegeven of de
jeugdige naar het oordeel van de stichting, behoefte heeft aan nazorg en op
welke wijze hierin kan worden voorzien.
Artikel 39
Uitvoeringsbesluit Wet op de jeugdzorg
Bij regeling van Onze Ministers kunnen regels worden gesteld over het verrichten
of doen verrichten van een gedragsdeskundig of psychiatrisch diagnostisch
onderzoek ter voorbereiding van een besluit in het kader van de uitvoering van
de taken, bedoeld in artikel 10, eerste lid, onder a, b, c en d, van de wet, dat
een rechterlijke beslissing vereist.
Artikel 42
Uitvoeringsbesluit Wet op de jeugdzorg
1. De stichting houdt zich op de hoogte van de ontwikkeling van de minderjarige
die onder haar voogdij staat, de aan hem bestede zorg en diens vermogen. 2. Het
contact tussen de minderjarige en zijn oorspronkelijk milieu wordt bevorderd,
tenzij dit contact kennelijk schade zal toebrengen aan de minderjarige. 3. De
stichting bevordert dat de minderjarige persoonlijk contact heeft met een
persoon buiten de stichting en dat dit contact gecontinueerd wordt. 4. De
stichting houdt rekening met het belang dat voor de minderjarige kan zijn
gelegen in een overgang van het gezag naar de ouders dan wel, indien het belang
van de minderjarige dit eist, naar een pleegouder of een ander die in nauwe
persoonlijke betrekking staat tot de Processen bureau jeugdzorg Versie 2
Definitief 18 mei 2005 137 minderjarige.
C.
Registratie-eisen
Registratie-eisen rond het proces voogdij staan vermeld in het Besluit
beleidsinformatie jeugdzorg.
Artikel 6 Besluit
beleidsinformatie jeugdzorg
Voor de verwerking van de gegevens, bedoeld in artikel 42 van de wet, registeert
de stichting per minderjarige de volgende gegevens over hun taken, bedoeld in
artikel 10, eerste lid, onder a en b, van de wet: a. de datum waarop de
stichting de op schrift vastgelegde beslissing heeft ontvangen waaruit blijkt
dat een taak een aanvang heeft genomen met een aanduiding van de hoedanigheid
van degene die de beslissing heeft genomen; b. de datum waarop de taak, bedoeld
in artikel 10, eerste lid, onder b, van de wet aanvangt of wordt verlengd; c. de
datum waarop een taak als bedoeld in artikel 10, eerste lid, onder b, van de wet
eindigt met een aanduiding van de reden daarvan. d. de datum waarop een taak als
bedoeld in artikel 10, eerste lid, onder a, van de wet aanvangt en eindigt met
een aanduiding van de soort voogdij en de reden van beëindiging; e. de datum
waarop de rechter een machtiging tot uithuisplaatsing heeft gegeven met een
aanduiding van de soort machtiging uithuisplaatsing en de duur van de
machtiging; f. de datum waarop de stichting aan de jeugdige, zijn ouders of
degene die hem als behorende tot hun gezin verzorgen en opvoeden mededeelt dat
een taak is aangevangen; g. de datum waarop een medewerker van de stichting over
een taak een eerste contact heeft met de cliënt; h. de datum waarop de
stichting het plan, bedoeld in artikel 13, derde lid, van de wet vaststelt.
10.1. Aanmelding
en Acceptatie voogdij
Het aanmeldings- en acceptatieproces voor voogdij wijkt sterk af van de situatie
van aanmelding in het vrijwillige kader. Het bureau jeugdzorg heeft ten aanzien
van deze taak immers een acceptatieplicht. Het proces kent drie stappen: •
Aanwijzen voogdijwerker • Plannen eerste contact • Versturen mededeling
Vervolgens gaat het proces verder bij Analyse en opstellen diagnostisch beeld. In dat proces wordt het
plan opgesteld zoals bedoeld in artikel 13, lid 3, van de Wet op de jeugdzorg.
Eventueel wordt dan ook een indicatiebesluit opgesteld (voor geïndiceerde zorg
– in ieder geval voor de plaatsing in een pleeggezin of een tehuis), of een
schriftelijk advies (voor andere dan geïndiceerde zorg). Processen bureau
jeugdzorg Versie 2 Definitief 18 mei 2005 138 Processen bureau jeugdzorg Versie
2 Definitief 18 mei 2005 139
10.1.1. Aanwijzen
voogdijwerker
A. Algemeen
Het bureau jeugdzorg krijgt er kennis van dat zij de voogdijtaak over een
minderjarige heeft gekregen en zij wijst als eerste een voogd aan. Daarbij houdt
het bureau rekening met de godsdienstige gezindheid, de levensovertuiging en
culturele achtergrond van de cliënt (art. 15, Wjz). Verdere regelgeving rond
het aanwijzen van de gezinsvoogd is vastgelegd in artikel 41 van het
Uitvoeringsbesluit Wet op de jeugdzorg.
Artikel 41
Uitvoeringsbesluit Wet op de jeugdzorg
1. De stichting wijst binnen vijf dagen nadat de voogdij aan haar is opgedragen
en zij hiervan in kennis is gesteld, een voogdijwerker aan, en doet hiervan
mededeling aan de minderjarige en zijn ouders of anderen die de minderjarige als
behorend tot hun gezin verzorgen en opvoeden.
2. In
deze mededeling worden tevens opgenomen: a. de datum van het eerste contact van
de minderjarige met de voogdijwerker en b. de medewerker van de stichting die de
voogdijwerker bij afwezigheid vervangt. Onderstaand de toelichting op dit
artikel, zoals die wordt gegeven in het voormalige Besluit Kwaliteit en
Werkwijze, dat is opgenomen in het Uitvoeringsbesluit:
Artikel 41
Als de stichting de voogdij over een minderjarige heeft, draagt zij er zorg voor
dat de minderjarige overeenkomstig diens vermogen wordt verzorgd en opgevoed
(artikel 1:336 juncto 1:303, eerste lid BW). Om aan deze verplichting van de
stichting invulling te geven, bepaalt dit artikel dat stichting binnen vijf
dagen na de inkennisgeving een voogdijwerker aanstelt en hiervan mededeling doet
aan de minderjarige en zijn ouders of verzorgers om aan haar taak invulling te
gaan geven.
B. Informeren cliënt
- contactpersoon
In het Uitvoeringsbesluit Wet op de jeugdzorg wordt gesteld dat het bureau de
cliënt informatie dient te verstrekken (artikel 27 Uitvoeringsbesluit). In de
Wet op de jeugdzorg wordt voorts aangegeven dat ten aanzien van de cliënt een
contactpersoon dient te worden aangewezen (artikel 13, lid 8, Wjz). In het
referentiewerkmodel wordt ervan uitgegaan dat de contactpersoon waarvan in het
besluit sprake is, de voogdijwerker is. Deze combinatie van taken is evenwel
niet verplicht.
Artikel 27
Uitvoeringsbesluit Wet op de jeugdzorg
1. De stichting informeert de cliënt over de taken en werkwijze van het bureau
jeugdzorg en over zijn rechten. De informatie wordt in begrijpelijke vorm
verschaft. Processen bureau jeugdzorg Versie 2 Definitief 18 mei 2005 140 2. De
stichting maakt de cliënt duidelijk welke taak het bureau jeugdzorg ten aanzien
van hem uitoefent.
Artikel 13, lid 8,
Wjz
De stichting wijst ten aanzien van een cliënt een contactpersoon aan. De
contactpersoon is aanspreekpunt voor de cliënt gedurende de gehele periode
waarin de stichting een van haar wettelijke taken ten aanzien van de cliënt
uitoefent. De contactpersoon bevordert de continuïteit in de taakuitvoering van
het bureau jeugdzorg ten aanzien van de cliënt en is de persoon die de cliënt
in voorkomende gevallen jeugdzorg als bedoeld in artikel 10, derde lid, onder b,
verleent. Zo mogelijk wijst de stichting bij de taakuitvoering ten aanzien van
de cliënt in volgende gevallen dezelfde contactpersoon aan. De toelichting bij
het voormalige Besluit Kwaliteit en Werkwijze (dat nu is opgenomen in het
Uitvoeringsbesluit) stelt hierover (onder kopje 3. Algemene eisen): Het bureau
jeugdzorg is verplicht de cliënt informatie te verstrekken over de taken en
werkwijze van het bureau jeugdzorg en over zijn rechten. Deze informatie moet in
begrijpelijke vorm worden verschaft. Het is immers van belang dat de cliënt
weet wat het bureau jeugdzorg voor hem wel en niet kan doen en ook welke
bevoegdheden het bureau in zijn algemeenheid heeft. Daar hoort het niet bij te
blijven, de cliënt zal moeten weten in welke hoedanigheid hij met het bureau te
maken heeft en welke bevoegdheden het bureau jegens hem heeft. Dit laatste is
vooral van belang als het gaat om de justitiële taken, waarbij de relatie cliënt
bureau alles behalve vrijblijvend is. In verband hiermee is bovendien geregeld
dat een cliënt binnen het bureau jeugdzorg een contactpersoon toegewezen zal
moeten krijgen. De contactpersoon fungeert als aanspreekpunt voor de cliënt,
opdat de cliënt snel en eenvoudig antwoord kan krijgen op vragen over
bijvoorbeeld de voortgang van het indicatietraject of over het waarom van
onderzoeken die het bureau nodig acht. De contactpersoon hoeft niet een
medewerker te zijn die uitsluitend deze taak ten opzichte van de cliënt heeft.
Een combinatie van functies ligt voor de hand. Artikelsgewijs stelt de
toelichting voorts:
Artikel 27
Uitvoeringsbesluit Wet op de jeugdzorg
Een goede informatieverstrekking door het bureau jeugdzorg is voor de cliënt
van groot belang. Deze bepaling strekt daartoe. In het eerste lid is een
algemene informatieplicht voor de stichting geformuleerd. Deze informatieplicht
omvat zowel informatie over de taken als over de werkwijze van het bureau
jeugdzorg. Voorts kan gedacht worden aan informatie over bijvoorbeeld het
aanvragen van een indicatiebesluit, de contactpersoon, de vertrouwenspersoon,
het verwerken van gegevens en de regeling voor de behandeling van klachten. In
het tweede lid is een specifieke informatieplicht opgenomen. Te allen tijde
dient het de cliënt duidelijk te zijn welke taak het bureau jeugdzorg ten
aanzien van hem uitoefent. Het is voor een cliënt namelijk een essentieel
verschil of de medewerker van het bureau Processen bureau jeugdzorg Versie 2
Definitief 18 mei 2005 141 jeugdzorg bijvoorbeeld een gesprek met de cliënt
voert in het kader van een ondertoezichtstelling (artikel 10, eerste lid, onder
b van de wet) of een gesprek in het kader van de taak vaststellen op welke zorg
de cliënt is aangewezen (artikel 5, eerste lid van de wet). Naar de cliënt toe
moet het altijd duidelijk zijn welke taak die het bureau ten aanzien van hem
uitvoert.De verschillende taken brengen immers verschillende bevoegdheden mee.
Artikel 13, lid 8,
Wjz
Dit artikel regelt dat de stichting een contactpersoon ten aanzien van de cliënt
aanwijst. De cliënt kan bij hem terecht met alle vragen (aanspreekpunt) die hij
heeft over bijvoorbeeld procedures binnen het bureau jeugdzorg zoals de aanvraag
van een indicatiebesluit of een verwijzing naar voorliggende voorzieningen. Er
worden geen nadere regels gesteld over de taakomschrijving, deskundigheid etc.
van deze contactpersoon. Het bureau jeugdzorg zal hieraan zelf invulling moeten
geven. Wel zal het bureau jeugdzorg in de beschrijving van zijn werkwijze moeten
verantwoorden op welke wijze invulling wordt gegeven aan deze verplichting
(artikel 13, eerste lid, van de wet). De contactpersoon is geen specifieke
functionaris. De contactpersoon kan degene zijn, die reeds contact heeft met de
cliënt, maar dit hoeft niet. Het is mogelijk om bij de uitvoering van
verschillende taken met betrekking tot één en dezelfde cliënt of cliëntsysteem
een andere medewerker als contactpersoon aan te wijzen al dan niet op verzoek
van de cliënt zelf. Zo kan de gezinsvoogd tevens als contactpersoon voor de
jeugdige en zijn ouders optreden, terwijl ze in een voortraject mogelijk al een
andere contactpersoon hadden. Een vergelijkbare situatie kan zich voordoen bij
het verlenen van steun bij het tot gelding brengen van een aanspraak. N.B.
Wanneer een cliënt ambulante zorg krijgt van het Bureau Jeugdzorg
("jeugdzorg als bedoeld in artikel 10, derde lid, onder b"), moet
degene die de hulp verleent ook de contactpersoon zijn.
10.1.2. Plannen
eerste contact
Het eerste contact met de jeugdige wordt gepland (art. 41 Uitvoeringsbesluit Wet
op de jeugdzorg).
10.1.3. Versturen
mededeling minderjarige en ouder(s) of verzorger(s)
Aan de minderjarige en de ouder(s) of verzorger(s) wordt een mededeling
verstuurd.
10.2. Uitvoeren
voogdij
Bij deze procesbeschrijving gaat het om de voogdijtaak 'sec', op grond van het
plan waarvan in artikel 13, lid 3 van de Wet op de jeugdzorg sprake is. Deze
taak kan samengaan met casemanagement wanneer ten behoeve van de jeugdige zorg
wordt verleend door een zorgaanbieder (geïndiceerde zorg) of een aanbieder van
zorg (niet geïndiceerde zorg). Zie hierover verder de begeleidende tekst bij Processen
voogdij, onder A. Algemeen.
Processen bureau jeugdzorg Versie 2 Definitief 18 mei 2005 142 Processen
bureau jeugdzorg Versie 2 Definitief 18 mei 2005 143 Processen bureau jeugdzorg
Versie 2 Definitief 18 mei 2005 144
10.2.1. Uitvoeren
plan
Het plan, bedoeld in artikel 13, derde lid, Wjz, wordt uitgevoerd.
10.2.2. Evalueren
Het plan wordt geëvalueerd, conform art. 40, lid 6 van het Uitvoeringsbesluit
Wet op de jeugdzorg:
Artikel 40, lid 6,
Uitvoeringsbesluit Wet op de jeugdzorg
6. Zo vaak als noodzakelijk, doch ten minste één maal per jaar wordt bezien in
hoeverre het plan bijstelling behoeft. Bepaald wordt in ieder geval of • beëindiging
aan de orde is; • bijstelling van het plan noodzakelijk is. De maatregel van
voogdij eindigt wanneer: • de voogdij wordt overgedragen naar een natuurlijke
persoon; • de jeugdige de meerderjarige leeftijd heeft bereikt; • de
jeugdige komt te overlijden.
10.2.3. Is beëindiging
voogdij aan de orde?
Bepaald is of beëindiging van de voogdij aan de orde is. • Indien de voogdij
wordt voortgezet, gaat het proces verder bij de afvraging of bijstelling van het
plan noodzakelijk is. • Indien de voogdij wordt beëindigd, wordt het proces
Uitvoeren voogdij afgesloten.
10.2.4.
Bijstelling plan nodig?
Bepaald is of bijstelling van het plan noodzakelijk is. 1. Indien bijstelling
van het plan noodzakelijk is, wordt het plan bijgesteld. 2. Indien bijstelling
van het plan niet noodzakelijk is, wordt de lopende uitvoering van het plan
voortgezet.
10.2.5. Bijstellen
plan
Het plan wordt in overleg met de cliënt bijgesteld. Processen bureau jeugdzorg
Versie 2 Definitief 18 mei 2005 145
10.2.6. Beëindigen
voogdij
Het voogdijproces wordt afgesloten. Gegevens worden bijgewerkt. Voor
registratie-eisen zie begeleidende tekst bij Processen
voogdij.
10.3. Plaatsing
bij voogdij
A. Algemeen
De regels voor plaatsing van de jeugdige in het kader van de voogdijtaak staan
beschreven in de artikelen 305 en 306 van boek 1 van het Burgerlijk Wetboek.
Onder uithuisplaatsing in het kader van geïndiceerde zorg valt ook plaatsing in
een justitiële jeugdinrichting als bedoeld in artikel 1, onder b, van de
Beginselenwet justitiële jeugdinrichtingen. Hiervoor is uitdrukkelijk een
daartoe strekkende machtiging van de kinderrechter vereist. Wanneer het bureau
jeugdzorg een minderjarige uit huis heeft geplaatst, dient de raad voor de
kinderbescherming schriftelijk op de hoogte te worden gebracht van hun
verblijfplaats.
B. Wetsartikelen
Artikel 1:305 BW
1. De stichting, bedoeld in artikel 1, onder f, van de Wet op de jeugdzorg, die
hem toevertrouwde minderjarigen uit huis plaatst, houdt de raad voor de
kinderbescherming schriftelijk op de hoogte van de plaatsen waar zij zich
bevinden. 2. De plaatsen, waar de stichting, bedoeld in artikel 1, onder f, van
de Wet op de jeugdzorg, minderjarigen heeft geplaatst, worden door de raad voor
de kinderbescherming bezocht, zo vaak hij dit ter beoordeling van de toestand
der minderjarigen dienstig acht. 3. De artikelen 261, vijfde lid, 262, eerste en
derde lid, 263, eerste lid, eerste volzin, en vierde lid, eerste volzin, en 265,
eerste lid, zijn van overeenkomstige toepassing. Artikel 3, vierde lid, van de
Wet op de jeugdzorg is eveneens van overeenkomstige toepassing.
Artikel 1:306 BW
1. Zonder toestemming van de kantonrechter mag een rechtspersoon een hem
toevertrouwde minderjarige niet buiten Nederland plaatsen. 2. De kantonrechter
verleent deze toestemming slechts, indien hij de plaatsing voor de minderjarige
wenselijk acht.
Artikel 11a
Beginselenwet justitiële jeugdinrichtingen
1. De jeugdige ten aanzien van wie met toepassing van artikel 261, derde en
vijfde lid, dan wel artikel 305, derde lid, Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek is
bepaald dat hij in een inrichting wordt geplaatst, heeft aanspraak op die
plaatsing. Een jeugdige heeft slechts aanspraak op deze plaatsing als de
stichting, bedoeld in artikel 1, onder f, van de Wet op de jeugdzorg, die
Processen bureau jeugdzorg Versie 2 Definitief 18 mei 2005 146 werkzaam is in de
provincie waarin de jeugdige duurzaam verblijft, een besluit heeft genomen
waaruit blijkt dat hij op die plaatsing is aangewezen. Bij algemene maatregel
van bestuur worden regels gesteld voor gevallen waarin het besluit bedoeld in de
tweede volzin niet afgewacht kan worden. Daarbij kan worden afgeweken van de
tweede volzin. 2. De jeugdige, bedoeld in het eerste lid, kan worden
overgeplaatst naar een beperkt beveiligde inrichting als bedoeld in artikel 14,
eerste lid, onder a. 3. Indien de jeugdige, bedoeld in het eerste lid, in het
kader van een acute crisis moet worden geplaatst, geschiedt de plaatsing binnen
een week. Indien de plaatsing niet binnen een week mogelijk is, kan de
selectiefunctionaris deze termijn telkens met een week verlengen. Met een
beslissing tot verlenging wordt gelijk gesteld de weigering om binnen de termijn
te beslissen. Processen bureau jeugdzorg Versie 2 Definitief 18 mei 2005 147
11. Processen
jeugdreclassering
A. Algemeen
De jeugdreclasseringstaak maakt krachtens art. 10, eerste lid, sub c en d, Wjz,
deel uit van de taken van het bureau jeugdzorg.
Artikel 10 Wjz,
lid 1, sub c en d
1. De stichting heeft bovendien tot taak: (...) c. het geven van de in artikel
77f
, eerste lid, onder a, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde aanwijzingen,
dan wel het uitvoeren van de taken, bedoeld in artikel 77j, vierde en vijfde
lid, 77o, eerste lid, 77s, achtste lid, 77aa, tweede en derde lid, van het
Wetboek van Strafrecht of in artikel 493, eerste lid, van het Wetboek van
Strafvordering, en de daarop aansluitende nazorg, alsmede het geven van
begeleiding als bedoeld in artikel 77hh, tweede lid, van het Wetboek van
Strafrecht;d. het, met uitsluiting van anderen, begeleiden van en toezicht
houden op jeugdigen die deel nemen aan een scholings- en trainingsprogramma als
bedoeld in artikel 3 van de Beginselenwet justitiële jeugdinrichtingen, of aan
wie proefverlof als bedoeld in artikel 31 van die wet is verleend, alsmede de
overige taken die bij of krachtens die wet aan de stichting zijn opgedragen.
Doel van de jeugdreclassering is vanuit een pedagogische invalshoek de
resocialisatie van de jeugdige die met het strafrecht in aanraking is gekomen,
te bevorderen. Het verlenen van hulp en steun wordt aan de stichting opgedragen
door een justitiële beslissing in de vorm van een zgn. aanwijzing. Zo'n
aanwijzing is mogelijk in het kader van: • een transactie van de Officier van
Justitie; • voorwaardelijke veroordeling; • schorsing voorlopige hechtenis;
• vervroegde beëindiging van de maatregel van plaatsing in een inrichting
voor jeugdigen. Het bureau jeugdzorg kan ook door de raad voor de
kinderbescherming worden ingeschakeld voor de begeleiding van een verdachte. Bij
de uitvoering van de in art. 10 eerste lid onder c genoemde taken dient het BJz
aanwijzingen van de raad voor de kinderbescherming in acht te nemen (art. 10 lid
2 Wjz). Jeugdreclassering behelst ook het begeleiden van en toezicht houden op
jeugdigen die deelnemen aan een zgn. scholingsprogramma (STP) of aan wie
proefverlof (op grond van art. 31 of 43 Beginselenwet Justitiële
Jeugdinrichtingen) is verleend. De beslissing de jeugdige te laten deelnemen aan
een STP dan wel proefverlof te verlenen wordt genomen door de
selectiefunctionaris van Justitie resp. de directeur van de jeugdinrichting waar
de jeugdige verblijft. Dit gebeurt in samenwerking met het bureau jeugdzorg
(art. 10, lid 2 Wjz.). N.B. het Reglement Justitiële Jeugdinrichtingen bevat
ook nog een aantal taken die aan het Processen bureau jeugdzorg Versie 2
Definitief 18 mei 2005 148 bureau jeugdzorg zijn opgedragen, bijvoorbeeld
voordrachten voor deelname aan een STP- of proefverlof. Evenals de overige
werkprocessen van het bureau jeugdzorg kent de jeugdreclasseringstaak de fasen
Aanmelding en Acceptatie, Analyse en Opstellen diagnostisch beeld en Vaststellen
benodigde zorg. Het proces Aanmelding en Acceptatie is sterk afwijkend van dat
in het vrijwillige kader en is daarom apart opgenomen in het model. De overige
hier genoemde fasen zijn binnen de jeugdreclasseringstaak goed vergelijkbaar met
die van het vrijwillige kader. Waar voor de jeugdreclassering bijzondere
omstandigheden of regels gelden, is dit in de beschrijving van deze processen
opgenomen. Wanneer ten aanzien van een cliënt in het kader van
jeugdreclassering zorg wordt verleend door een zorgaanbieder (geïndiceerd) of
een aanbieder van zorg (anders dan geïndiceerd), dient deze zorg te worden
gevolgd door het bureau jeugdzorg (casemanagement). Ook hiervoor geldt dat deze
processen grosso modo gelijk zijn aan die welke gelden in het vrijwillige kader.
Uitzonderingen zijn ook hier zichtbaar in de procesbeschrijvingen. In dit geval
doet zich een situatie voor waarin het bureau jeugdzorg ten aanzien van de
desbetreffende cliënt twee processen tegelijk uitvoert, namelijk het genoemde
casemanagement en de uitvoeringstaken rond de jeugdreclassering. Hoewel de Wet
hier geen uitspraken over doet, ligt het voor de hand dat de reclasseringswerker
tevens de taak van het genoemde casemanagement op zich neemt en dat de
evaluatiemomenten van het casemanagement zoveel mogelijk samenlopen met die uit
het uitvoeringsproces jeugdreclassering. Het staat de bureaus jeugdzorg echter
vrij één en ander op een andere wijze te organiseren. Aan de uitvoering van de
jeugdreclasseringstaak ten aanzien van de betrokken jeugdige dient altijd een
plan ten grondslag te liggen (Artikel 13, lid 3, Wjz). In dit
referentiewerkmodel is deze activiteit terug te vinden in het proces Vaststellen
benodigde zorg (waarin de mogelijkheid is opgenomen dat de
jeugdreclasseringstaak ten aanzien van de desbetreffende cliënt géén
jeugdzorg omvat zoals die wordt aangeboden door zorgaanbieders of aanbieders van
zorg).
B. Algemene
bepalingen bij uitoefenen jeugdreclassering
In artt. 37 tm/ 39 van het Uitvoeringsbesluit Wet op de jeugdzorg staan algemene
bepalingen vermeld voor het uitoefen van zowel de voogdij-, de gezinsvoogdij-
als wel de jeugdreclasseringstaak.
Artikel 37
Uitvoeringsbesluit Wet op de jeugdzorg
Indien de stichting ten aanzien van een jeugdige meer dan één taak als bedoeld
in artikel 10, eerste lid, onder a, b, c en d, van de wet uitoefent, bevat het
plan, bedoeld in artikel 13, derde lid, van de wet, een beschrijving van de
wijze waarop de uitvoering van de verschillende taken op elkaar worden
afgestemd. Processen bureau jeugdzorg Versie 2 Definitief 18 mei 2005 149
Artikel 38
Uitvoeringsbesluit Wet op de jeugdzorg
Onverminderd artikel 10, eerste lid, onder i, van de wet stelt de stichting bij
beëindiging van de taak, bedoeld in artikel 10, eerste lid, onder a, b, c en d,
van de wet ten aanzien van de jeugdige een rapport op waarin beschreven wordt op
welke wijze zij haar taak heeft verricht. In het rapport wordt aangegeven of de
jeugdige naar het oordeel van de stichting, behoefte heeft aan nazorg en op
welke wijze hierin kan worden voorzien.
Artikel 39
Uitvoeringsbesluit Wet op de jeugdzorg
Bij regeling van Onze Ministers kunnen regels worden gesteld over het verrichten
of doen verrichten van een gedragsdeskundig of psychiatrisch diagnostisch
onderzoek ter voorbereiding van een besluit in het kader van de uitvoering van
de taken, bedoeld in artikel 10, eerste lid, onder a, b, c en d, van de wet, dat
een rechterlijke beslissing vereist.C.
Samenwerken met
andere instanties
In art. 49 van het Uitvoeringsbesluit Wet op de jeugdzorg wordt ingegaan op de
samenwerking met andere instanties:
Artikel 49
Uitvoeringsbesluit Wet op de jeugdzorg
1. Onverminderd artikel 60, vierde lid, legt de stichting de wijze van
samenwerking van de jeugdreclassering met de politie, de rechter, het openbaar
ministerie, de volwassenenreclassering, inrichtingen en de raad voor de
kinderbescherming vast in een protocol.
2. In
het protocol wordt in ieder geval vastgelegd: a. een vermelding van welke
functionaris het aanspreekpunt is van de jeugdreclassering voor vragen die casuïstiek
overstijgen; b. een beschrijving van de wijze waarop taken van de
jeugdreclassering en die van de in het eerste lid bedoelde instanties worden
uitgeoefend voor zover deze samenhangen of gelijktijdig plaatsvinden; c. de
wijze waarop en de termijn waarbinnen de instanties, bedoeld in het eerste lid,
over individuele zaken worden geïnformeerd.
D. Informeren
autoriteiten
In het Uitvoeringsbesluit is voorts vastgelegd dat het bureau jeugdzorg de
justitiële autoriteiten dient te informeren in het kader van de
jeugdreclasseringstaak. Het kan daarbij gaan om advies en om verslaglegging ten
aanzien van jeugdigen. Bovendien dient het bureau jeugdzorg de autoriteiten
onverwijld te informeren indien een jeugdige de opgelegde voorwaarden niet of
niet geheel nakomt.
Artikel 48
Uitvoeringsbesluit Wet op de jeugdzorg
1. Onverminderd de aan de raad voor de kinderbescherming toekomende taken en
bevoegdheden, voldoet de jeugdreclassering aan verzoeken van de rechter en het
openbaar Processen bureau jeugdzorg Versie 2 Definitief 18 mei 2005 150
ministerie om advies omtrent een jeugdige die wordt verdacht van een strafbaar
feit of die op grond daarvan is veroordeeld. 2. De jeugdreclassering brengt
geregeld verslag uit aan de rechter of het openbaar ministerie dat is belast met
het toezicht op de naleving van de voorwaarden, over de wijze waarop de jeugdige
zich houdt aan de voorwaarden door de rechter of het openbaar ministerie
opgelegd. 3. Indien de jeugdige een opgelegde voorwaarde niet of niet geheel
nakomt, meldt de jeugdreclassering dit onverwijld aan de autoriteit die de
voorwaarde heeft opgelegd. 4. De jeugdreclassering zendt de raad voor de
kinderbescherming een afschrift van het verslag, bedoeld in het tweede lid en de
melding, bedoeld in het derde lid.
E.
Registratie-eisen bij proces Uitvoeren jeugdreclassering
Ten aanzien van de jeugdreclasseringstaak wordt een aantal specifieke eisen
gesteld aan de verwerking van gegevens door het bureau jeugdzorg.
Artikel 7 Besluit
beleidsinformatie bureau jeugdzorg
Voor de verwerking van de gegevens, bedoeld in artikel 42 van de wet, registeert
de stichting per jeugdige de volgende gegevens over de taken, bedoeld in artikel
10, eerste lid, onder c en d, van de wet: a. de datum waarop de stichting de op
schrift vastgelegde beslissing heeft ontvangen waaruit blijkt dat een taak een
aanvang heeft genomen met een aanduiding van de hoedanigheid van degene die de
beslissing heeft genomen; b. de datum waarop een taak aanvangt met een
omschrijving van de aard; c. de datum waarop een taak eindigt met een aanduiding
van de reden daarvan; d. de datum waarop de stichting aan de jeugdige, zijn
ouders of degene die hem als behorende tot hun gezin verzorgen en opvoeden
mededeelt dat een taak is aangevangen; e. de datum waarop een medewerker van de
stichting over een taak een eerste contact heeft met de jeugdige; f. de datum
waarop de stichting het plan, bedoeld in artikel 13, derde lid, van de wet
vaststelt.
11.1. Aanmelding
en Acceptatie jeugdreclassering
Het aanmeldings- en acceptatieproces voor jeugdreclassering wijkt sterk af van
de situatie van aanmelding in het vrijwillige kader. Het bureau jeugdzorg heeft
ten aanzien van deze taak in beginsel immers een acceptatieplicht. Het proces
kent drie stappen: • Aanwijzen reclasseringswerker • Plannen eerste contact
• Versturen mededeling Vervolgens gaat het proces verder bij Analyse en opstellen diagnostisch beeld. In dat proces wordt het
plan opgesteld zoals bedoeld in artikel 13, lid 3, van de Wet op de jeugdzorg.
Eventueel wordt dan ook een indicatiebesluit opgesteld (voor geïndiceerde
zorg), of een schriftelijk advies Processen bureau jeugdzorg Versie 2 Definitief
18 mei 2005 151 (voor andere dan geïndiceerde zorg).
11.1.1. Aanwijzen
reclasseringswerker
A. Algemeen
Het bureau jeugdzorg krijgt er kennis van dat zij een jeugdreclasseringstaak
over een minderjarige heeft gekregen en zij wijst als eerste een
reclasseringswerker aan. Belangrijk hierbij Processen bureau jeugdzorg Versie 2
Definitief 18 mei 2005 152 is, dat het eerste ("face to face") contact
met de jeugdige binnen een termijn van 5 dagen moet plaatsvinden na het moment
waarop het bureau jeugdzorg er kennis van heeft gekregen ten aanzien van deze
jeugdige een reclasseringstaak te hebben gekregen. Regelgeving hieromtrent is
vastgelegd in artikel 47 van het Uitvoeringsbesluit Wet op de jeugdzorg.
Artikel 47
Uitvoeringsbesluit Wet op de jeugdzorg
1. De stichting wijst binnen vijf dagen nadat zij er kennis van heeft gekregen
dat zij voor een minderjarige de taak, bedoeld in artikel 10, eerste lid, onder
c of d van de wet heeft gekregen en zij daarvan op de hoogte is gesteld, een
reclasseringswerker aan, en doet hiervan mededeling aan de minderjarige en de
met het gezag belaste ouder of voogd.
2. In
deze mededeling wordt tevens opgenomen: a. de datum van het eerste contact van
de jeugdige met de jeugdreclasseringswerker dat uiterlijk vijf dagen nadat de
stichting de taak als bedoeld in eerste lid heeft gekregen, plaats vindt en b.
de medewerker die de jeugdreclasseringswerker bij afwezigheid vervangt.
Onderstaand de toelichting op dit artikel (toen nog artikel 27 Besluit kwaliteit
en werkwijze bureau jeugdzorg): Dit artikel bepaalt in het eerste lid dat de
stichting zo spoedig mogelijk nadat zij jeugdreclassering voor een jeugdige tot
taak heeft gekregen, een jeugdreclasseringswerker aanwijst en hiervan mededeling
doet aan de jeugdige en zijn ouders of verzorgers. De effectiviteit van het
jeugdstrafrecht is gebaat bij snel optreden. Het belang van snel optreden wordt
ook in het tweede en derde lid tot uitdrukking gebracht: binnen 5 dagen nadat de
stichting de jeugdreclassering voor een bepaalde jeugdige tot taak heeft
gekregen, zal een gesprek met de jeugdige moeten plaatsvinden.
B. Aanwijzen
contactpersoon - informeren cliënt
In het Uitvoeringsbesluit wordt gesteld dat het bureau de cliënt informatie
dient te verstrekken en in de Wet op de jeugdzorg wordt bovendien gesteld dat
ten aanzien van de cliënt een contactpersoon dient te worden aangewezen. In het
referentiewerkmodel wordt ervan uitgegaan dat de contactpersoon waarvan in het
besluit sprake is, de jeugdreclasseringswerker is. Deze combinatie van taken is
evenwel niet verplicht.
Artikel 27
Uitvoeringsbesluit Wet op de jeugdzorg
1. De stichting informeert de cliënt over de taken en werkwijze van het bureau
jeugdzorg en over zijn rechten. De informatie wordt in begrijpelijke vorm
verschaft. 2. De stichting maakt de cliënt duidelijk welke taak het bureau
jeugdzorg ten aanzien van hem Processen bureau jeugdzorg Versie 2 Definitief 18
mei 2005 153 uitoefent.
Artikel 13, lid 8,
Wet op de jeugdzorg
De stichting wijst ten aanzien van de cliënt een contactpersoon aan. De
contactpersoon is aanspreekpunt voor de cliënt en bevordert de continuïteit in
de taakuitvoering van het bureau jeugdzorg ten aanzien van de cliënt. De
toelichting stelt hierover (onder kopje 3. Algemene eisen): Het bureau jeugdzorg
is verplicht de cliënt informatie te verstrekken over de taken en werkwijze van
het bureau jeugdzorg en over zijn rechten. Deze informatie moet in begrijpelijke
vorm worden verschaft. Het is immers van belang dat de cliënt weet wat het
bureau jeugdzorg voor hem wel en niet kan doen en ook welke bevoegdheden het
bureau in zijn algemeenheid heeft. Daar hoort het niet bij te blijven, de cliënt
zal moeten weten in welke hoedanigheid hij met het bureau te maken heeft en
welke bevoegdheden het bureau jegens hem heeft. Dit laatste is vooral van belang
als het gaat om de justitiële taken, waarbij de relatie cliënt bureau alles
behalve vrijblijvend is. In verband hiermee is bovendien geregeld dat een cliënt
binnen het bureau jeugdzorg een contactpersoon toegewezen zal moeten krijgen. De
contactpersoon fungeert als aanspreekpunt voor de cliënt, opdat de cliënt snel
en eenvoudig antwoord kan krijgen op vragen over bijvoorbeeld de voortgang van
het indicatietraject of over het waarom van onderzoeken die het bureau nodig
acht. De contactpersoon hoeft niet een medewerker te zijn die uitsluitend deze
taak ten opzichte van de cliënt heeft. Een combinatie van functies ligt voor de
hand. Artikelsgewijs stelt de toelichting voorts: Artikelsgewijs stelt de
toelichting voorts:
Artikel 27
Uitvoeringsbesluit Wjz
Een goede informatieverstrekking door het bureau jeugdzorg is voor de cliënt
van groot belang. Deze bepaling strekt daartoe. In het eerste lid is een
algemene informatieplicht voor de stichting geformuleerd. Deze informatieplicht
omvat zowel informatie over de taken als over de werkwijze van het bureau
jeugdzorg. Voorts kan gedacht worden aan informatie over bijvoorbeeld het
aanvragen van een indicatiebesluit, de contactpersoon, de vertrouwenspersoon,
het verwerken van gegevens en de regeling voor de behandeling van klachten. In
het tweede lid is een specifieke informatieplicht opgenomen. Te allen tijde
dient het de cliënt duidelijk te zijn welke taak het bureau jeugdzorg ten
aanzien van hem uitoefent. Het is voor een cliënt namelijk een essentieel
verschil of de medewerker van het bureau jeugdzorg bijvoorbeeld een gesprek met
de cliënt voert in het kader van een ondertoezichtstelling (artikel 10, eerste
lid, onder b van de wet) of een gesprek in het kader van de taak vaststellen op
welke zorg de cliënt is aangewezen (artikel 5, eerste lid van de Processen
bureau jeugdzorg Versie 2 Definitief 18 mei 2005 154 wet). Naar de cliënt toe
moet het altijd duidelijk zijn welke taak die het bureau ten aanzien van hem
uitvoert.De verschillende taken brengen immers verschillende bevoegdheden mee.
Artikel 13, lid 8,
Wjz
Dit artikel regelt dat de stichting een contactpersoon ten aanzien van de cliënt
aanwijst. De cliënt kan bij hem terecht met alle vragen (aanspreekpunt) die hij
heeft over bijvoorbeeld procedures binnen het bureau jeugdzorg zoals de aanvraag
van een indicatiebesluit of een verwijzing naar voorliggende voorzieningen. Er
worden geen nadere regels gesteld over de taakomschrijving, deskundigheid etc.
van deze contactpersoon. Het bureau jeugdzorg zal hieraan zelf invulling moeten
geven. Wel zal het bureau jeugdzorg in de beschrijving van zijn werkwijze moeten
verantwoorden op welke wijze invulling wordt gegeven aan deze verplichting
(artikel 13, eerste lid, van de wet). De contactpersoon is geen specifieke
functionaris. De contactpersoon kan degene zijn, die reeds contact heeft met de
cliënt, maar dit hoeft niet. Het is mogelijk om bij de uitvoering van
verschillende taken met betrekking tot één en dezelfde cliënt of cliëntsysteem
een andere medewerker als contactpersoon aan te wijzen al dan niet op verzoek
van de cliënt zelf. Zo kan de gezinsvoogd tevens als contactpersoon voor de
jeugdige en zijn ouders optreden, terwijl ze in een voortraject mogelijk al een
andere contactpersoon hadden. Een vergelijkbare situatie kan zich voordoen bij
het verlenen van steun bij het tot gelding brengen van een aanspraak.
11.1.2. Plannen
eerste contact
Het eerste contact met de jeugdige wordt gepland. Dit contact moet plaatsvinden
binnen een termijn van 5 dagen na het moment waarop het bureau jeugdzorg er
kennis van heeft gekregen ten aanzien van deze jeugdige een reclasseringstaak te
hebben gekregen.
11.1.3. Versturen
mededeling minderjarige en ouder(s) of verzorger(s)
Aan de minderjarige en de met gezag belaste ouder(s) of verzorger(s) wordt de
mededeling verstuurd zoals bedoeld in artikel 47 Uitvoeringsbesluit Wet op de
jeugdzorg.
11.2. Uitvoeren
jeugdreclassering
Bij deze procesbeschrijving gaat het om de jeugdreclasseringstaak 'sec', op
grond van het plan waarvan in artikel 13, lid 3 van de Wet op de jeugdzorg
sprake is. Deze taak kan samengaan met casemanagement wanneer ten behoeve van de
jeugdige zorg wordt verleend door een zorgaanbieder (geïndiceerde zorg) of een
aanbieder van zorg (niet geïndiceerde zorg). Zie hierover verder de
begeleidende tekst bij Processen
jeugdreclassering, onder A. Algemeen.
Processen bureau jeugdzorg Versie 2 Definitief 18 mei 2005 155 Processen
bureau jeugdzorg Versie 2 Definitief 18 mei 2005 156
11.2.1. Uitvoeren
plan
Het plan, bedoeld in artikel 13, derde lid, Wjz, wordt uitgevoerd.
11.2.2. Evalueren
In het plan dient aangegeven te worden wanneer geëvalueerd wordt (artikel 46,
lid 2, sub e, Uitvoeringsbesluit Wet op de jeugdzorg).
Artikel 46, lid 2,
sub e, Uitvoeringsbesluit
Wet op de
jeugdzorg
2. Het plan bevat in ieder geval: (...) e. een vermelding van de momenten waarop
de wijze waarop de jeugdreclassering wordt uitgevoerd, geëvalueerd wordt.
Bepaald wordt in ieder geval of • de jeugdreclasseringstaak ten aanzien van de
jeugdige beëindigd wordt; • in geval van voortzetting bijstelling van het
plan noodzakelijk is. De jeugdreclasseringstaak ten aanzien van een jeugdige
eindigt: • door uitspraak van de rechter; • door beslissing Officier van
Justitie; • door beslissing van de raad voor de kinderbescherming; • door
aflopen van de termijn (wanneer sprake is van verplichting tot deelname); •
bij recidive tot het moment van nieuwe uitspraak rechter; • door het bereiken
van de meerderjarigheid door de jeugdige (hierop zijn uitzonderingen mogelijk);
• wanneer de jeugdige de gestelde voorwaarden niet of niet geheel nakomt en op
grond daarvan wordt besloten tot beëindiging (door OM, Directeur justitiële
jeugdinriching of selectiefunctionaris).
11.2.3. Is beëindiging
aan de orde?
Bepaald is of beëindiging aan de orde is. • Als dit zo is, gaat het proces
verder bij de afvraging of bijstelling van het plan nodig is. • Is
voortzetting niet wenselijk, dan gaat het proces verder bij de afvraging of ten
aanzien van de jeugdige nog wel een verplichting loopt tot het meewerken aan
jeugdreclassering. Processen bureau jeugdzorg Versie 2 Definitief 18 mei 2005
157
11.2.4.
Bijstelling plan nodig?
In de evaluatie van het plan is bezien of bijstelling van het plan nodig is. •
Is dit het geval, dan wordt het plan bijgesteld, in overleg met de cliënt. •
Is dit niet het geval, dan wordt het bestaande plan verder uitgevoerd.
11.2.5. Bijstellen
plan
Het plan wordt - zo mogelijk in overleg met de jeugdige - bijgesteld.
11.2.6. Melden bij
de RvdK
Aan de raad voor de kinderbescherming wordt gemeld het traject wordt beëindigd.
11.2.7. Betreft af
te sluiten traject een verplichte voorwaarde?
Het jeugdreclasseringstraject wordt beëindigd. Mogelijke beëindigingsgronden
zijn genoemd in de begeleidende tekst bij Evalueren. Afvraging hier is of het af te sluiten traject een
verplichte voorwaarde betrof. • Is dit het geval, dan wordt, afhankelijk van
de modaliteit, het OM, dan wel de Directeur van de justitiële jeugdinrichting,
dan wel de selectiefunctionaris van de beëindiging op de hoogte gebracht. •
Is dit niet het geval (betrof het bijvoorbeeld toezicht en begeleiding), dan
wordt het proces afgesloten.
11.2.8. Beëindigen
De jeugdreclassering wordt beëindigd. De stichting stelt bij beëindiging van
zijn justitiële taak ten aanzien van de jeugdige een rapport op waarin wordt
beschreven op welke wijze de stichting zijn taak heeft verricht. Ook moet worden
aangegeven of de jeugdige behoefte heeft aan nazorg en op welke wijze hierin kan
worden voorzien.
11.2.9. (evt.)
Uitvoeren vrijwillige nazorg
De eventueel gewenste vrijwillige nazorgtraject wordt gestart. Processen bureau
jeugdzorg Versie 2 Definitief 18 mei 2005 158
11.2.10. Melden
bij OM/Directeur justitiële jeugdinrichting/selectiefunctionaris
Afhankelijk van de modaliteit, wordt het OM, dan wel de Directeur van de justitiële
jeugdinrichting, dan wel de selectiefunctionaris van de beëindiging op de
hoogte gebracht. Processen bureau jeugdzorg Versie 2 Definitief 18 mei 2005 159
12. Fungeren als
AMK
A. Algemeen
Op grond van artikel 10, lid 1, onder e van de Wet op de jeugdzorg, heeft het
bureau jeugdzorg de taak om te fungeren als Advies- en Meldpunt
Kindermishandeling (AMK). Deze taak wordt meer gedetailleerd beschreven in
artikel 11:
Artikel 11 Wjz
1. Het fungeren als een advies- en meldpunt kindermishandeling houdt,
onverminderd de taken van de raad voor de kinderbescherming, de uitoefening van
de volgende taken in: a. het naar aanleiding van een melding van
kindermishandeling of een vermoeden daarvan, onderzoeken of sprake is van
kindermishandeling; b. het beoordelen van de vraag of en zo ja tot welke stappen
de melding van kindermishandeling of een vermoeden daarvan aanleiding geeft; c.
het binnen het bureau jeugdzorg overdragen van een zaak ten behoeve van de
uitvoering van de in artikel 5, eerste lid, bedoelde taak; d. het in kennis
stellen van andere justitiële autoriteiten van kindermishandeling of een
vermoeden daarvan, indien het belang van de minderjarige dan wel de ernst van de
situatie waarop de melding betrekking heeft, daartoe aanleiding geeft; e. het op
de hoogte stellen van degene die een melding heeft gedaan, van de stappen die
naar aanleiding van de melding zijn ondernomen. 2. Het fungeren als advies- en
meldpunt kindermishandeling houdt bovendien in het verstrekken van advies aan
een persoon die een vermoeden van kindermishandeling heeft over de stappen die
door hem in verband hiermee kunnen worden ondernomen en het zonodig ondersteunen
daarbij. De wijze waarop het bureau jeugdzorg die taak dient in te vullen is op
hoofdlijnen uitgewerkt in het Uitvoeringsbesluit Wet op de jeugdzorg.
B. Registratie
Het Besluit beleidsinformatie jeugdzorg omschrijft welke gegevens dienen te
worden geregistreerd in het AMK-proces. De meeste gegevens zullen tijdens het
proces zelf worden geregistreerd. Een precies moment is dan niet aan te geven.
Sommige gegevens kunnen pas bij afsluiting van het proces worden geregistreerd.
Die momenten zijn wel in het procesmodel opgenomen. De registratie-eisen voor
het AMK-proces zijn beschreven in artikel 8.
Artikel 8 Besluit
beleidsinformatie jeugdzorg
Voor de verwerking van de gegevens, bedoeld in artikel 42 van de wet, registeert
de stichting de volgende gegevens over de taak, bedoeld in artikel 10, eerste
lid, onder e, van de wet: Processen bureau jeugdzorg Versie 2 Definitief 18 mei
2005 160 a. de datum van de melding van kindermishandeling of een vermoeden
daarvan; b. de hoedanigheid van de melder; c. de datum waarop de stichting het
advies, bedoeld in artikel 11, tweede lid, van de wet afgeeft waarbij een
onderscheid wordt gemaakt tussen een eenmalig advies en andere adviezen; d. de
datum waarop het onderzoek, bedoeld in artikel artikel 11, eerste lid, onder a,
van de wet aanvangt en eindigt; e. het vervolg dat aan het onderzoek wordt
gegeven; f. of het onderzoek heeft geleid tot de vaststelling van
kindermishandeling. Processen bureau jeugdzorg Versie 2 Definitief 18 mei 2005
161 Processen bureau jeugdzorg Versie 2 Definitief 18 mei 2005 162
12.1. Beoordelen
contact
A. Algemeen
Het AMK-proces begint zodra iemand contact opneemt met het AMK en aangeeft een
vermoeden te hebben van kindermishandeling. De aard van de mededelingen en de
herkomst ervan worden door het AMK beoordeeld, waarbij in ieder geval vier
vragen aan de orde zijn: • is de persoon (of zijn de personen) om wie het in
de mededeling gaat reeds bekend bij het BJz? • is er sprake van een
crisissituatie? • geven de mededelingen aanleiding voor het AMK om in actie te
komen, en zo ja, • kan worden volstaan met het geven van een advies? De
handelingen die uit de antwoorden op deze vragen voortvloeien, worden in de
volgende stappen van het proces beschreven. Van belang is hier voorts hetgeen
voorgeschreven wordt in artikel 53 van het Uitvoeringsbesluit Wet op de
jeugdzorg:
Artikel 53
Uitvoeringsbesluit Wet op de jeugdzorg
Onverminderd artikel 27, draagt de stichting er zorg voor dat aan iedere
betrokkene bij een advies, melding of onderzoek naar aanleiding van een melding
bij het eerste contact informatie wordt verschaft over de procedure met
betrekking tot een advies, melding of onderzoek, de verwerking van
persoonsgegevens, met inachtneming van de artikelen 43, 53 en 54 van de wet, het
recht op inzage in of afschrift van de hem betreffende bescheiden alsmede de
wijze van behandeling van klachten. Als betrokkenen worden aangemerkt degene die
advies vraagt, degene die een melding doet, degene op wie een melding betrekking
heeft en degene die om informatie in het kader van een onderzoek naar aanleiding
van een melding wordt verzocht.
B. Eisen aan wijze
besluitvorming AMK, termijnen.
Aan de beslissing over de stappen die genomen moeten worden naar aanleiding van
de melding is een aantal termijnen vastgelegd in het Uitvoeringsbesluit.
Artikel 54
Uitvoeringsbesluit Wet op de jeugdzorg
1. Een advies- en meldpunt kindermishandeling stelt binnen vijf dagen na
ontvangst van een melding vast of de melding in onderzoek wordt genomen. 2. Een
advies- en meldpunt kindermishandeling oordeelt binnen dertien weken na de
vaststelling, bedoeld in het eerste lid, of en zo ja tot welke stappen de
melding aanleiding geeft. 3. Onverminderd artikel 32 vindt besluitvorming
omtrent een melding plaats door ten minste Processen bureau jeugdzorg Versie 2
Definitief 18 mei 2005 163 twee bij de stichting werkzame personen die taken
uitvoeren van een advies- en meldpunt kindermishandeling.
12.2. Is/zijn
betrokkenen bekend bij BJz?
Nagegaan is of de persoon of de personen over wie de mededeling van een
vermoeden van kindermishandeling reeds bekend zijn bij het bureau jeugdzorg. •
Is de persoon – of zijn de personen – om wie het gaat al bekend bij het
bureau jeugdzorg, dan wordt binnen het bureau jeugdzorg informatie over hen
opgevraagd. • Is dit niet het geval, dan gaat het proces verder bij de
afvraging of er sprake is van crisis.
12.3. Opvragen
informatie
Iemand heeft het bureau jeugdzorg medegedeeld een vermoeden te hebben van
kindermishandeling. Gebleken is dat de betrokken(en) bekend is (zijn) bij het
BJz. Er wordt binnen het bureau jeugdzorg informatie opgevraagd over deze
persoon/personen (bijvoorbeeld door het dossier op te vragen).
12.4. Is er sprake
van een crisissituatie?
Beoordeeld is of er sprake is van een crisissituatie. • Is er sprake van een
crisissituatie, dan neemt het AMK contact op met de betrokkenen en wordt
gehandeld zoals omschreven in het proces Behandelen
crisissituaties. Bovendien wordt de melder ervan op de hoogte gebracht dat
het AMK op grond van zijn mededeling tot handelen is overgegaan. • Is er geen
sprake van een crisissituatie, dan gaat het proces verder bij de afvraging of de
mededelingen van de melder aanleiding geven tot handelen.
12.5. Informeren
melder crisissituatie
De melder wordt ervan op de hoogte gebracht van de stappen die het bureau
jeugdzorg naar aanleiding van zijn melding heeft ondernomen (artikel 11, lid 1,
sub e, Wjz).
12.6. Aanleiding
tot actie AMK?
Beoordeeld is of de melding aanleiding geeft tot handelen (onderzoek, dan wel
advies/consult) of niet. • Geeft de melding aanleiding tot handelen, dan gaat
het proces verder bij de afvraging of Processen bureau jeugdzorg Versie 2
Definitief 18 mei 2005 164 volstaan kan worden met een advies. • Geeft de
melding géén aanleiding tot handelen, dan wordt de melder hiervan op de hoogte
gebracht en wordt het proces afgesloten. N.B.
Het kan natuurlijk zo zijn dat de vraag die bij het AMK terechtkomt
aanleiding geeft de melder in contact te brengen met het BJz (doorverbinden,
doorverwijzen).
12.7. Informeren
melder dat AMK geen actie onderneemt
De melder wordt ervan op de hoogte gebracht dat het bureau jeugdzorg naar
aanleiding van zijn melding geen actie heeft ondernomen. (Artikel 11, lid 1, sub
e, Wjz).
12.8. Afsluiten na
conclusie geen aanleiding tot handelen
Het proces wordt afgesloten. Het Besluit beleidsinformatie bureau jeugdzorg
noemt geen gegevens die voor deze situatie verwerkt hoeven te worden.
12.9. Kan worden
volstaan met een advies?
Beoordeeld is of naar aanleiding van de melding kan worden volstaan met het
geven van een advies aan de melder. • Kan worden volstaan met een advies, dan
wordt de melder een advies gegeven over hoe verder te handelen. • Geeft de
situatie aanleiding tot de conclusie dat het geven van een advies in dit geval
ontoereikend is, dan wordt een onderzoek gestart.
12.10. Geven
advies aan melder
De melder krijgt een advies over hoe te handelen (art. 11, tweede lid, Wjz).
Hierbij kan blijken dat één advies niet voldoende is. In dat geval wordt een
consulttraject ingegaan (dit is een korte reeks adviesgesprekken).
12.11. Is één
advies voldoende?
Aan de melder is een advies gegeven. Daarbij is duidelijk geworden of dit
voldoende was, of dat er redenen zijn een consulttraject in te gaan. • Is het
advies niet voldoende geweest, dan gaat het proces verder bij Starten
consult.
• Is het advies wel voldoende geweest, dan wordt het proces afgesloten.
Processen bureau jeugdzorg Versie 2 Definitief 18 mei 2005 165
12.12. Registreren
en afsluiten na geven advies of consult
Het proces wordt afgesloten. Op grond van artikel 8, sub c, Besluit
beleidsinformatie jeugdzorg, worden gegevens geregistreerd, te weten: "de
datum waarop de stichting het advies, bedoeld in artikel 11, tweede lid, van de
wet afgeeft waarbij een onderscheid wordt gemaakt tussen een eenmalig advies en
andere adviezen" Verlenen consult aan melder Er wordt een consulttraject
gestart. Dit houdt in een korte reeks van adviesgesprekken met de melder. Als
blijkt dat ondanks het consult de situatie zorgelijk blijft, wordt een onderzoek
gestart.
12.13. Is consult
voldoende?
Het consulttraject is afgerond. De vraag is nu of dit voldoende was om de zorgen
weg te nemen. • Is dit niet het geval, dan start het AMK een onderzoek • Is
dit wel het geval, dan worden gegevens geregistreerd en wordt het proces
afgesloten.
12.14. Controleren
of betrokkenen bekend zijn bij de RvdK
Het AMK heeft het voornemen een onderzoek te starten. Er wordt contact opgenomen
met de raad voor de kinderbescherming om te bezien of de betrokkenen bekend zijn
bij de raad. Als dit het geval is, neemt een inhoudelijk medewerker van het AMK
contact op met de raad. Besproken wordt het hoe en waarom van het bekend zijn
van betrokkenen bij de raad. Voorts worden afspraken gemaakt over hoe verder te
handelen. Er zijn drie mogelijkheden: • Het AMK draagt het onderzoek over aan
de raad; dit gebeurt met name als reeds een onderzoek loopt bij de raad. • Het
AMK vervolgt het eigen onderzoek. • Het AMK en de raad doen het onderzoek
samen. Eén en ander vloeit niet rechtstreeks voort uit wet- en regelgeving,
doch uit operationele afspraken tussen de raad voor de kinderbescherming en het
AMK.
12.15. Redenen tot
overdracht aan de RvdK?
Betrokkenen blijken bekend te zijn bij de raad voor de kinderbescherming. Er is
overleg gepleegd Processen bureau jeugdzorg Versie 2 Definitief 18 mei 2005 166
met de raad. Vraag hier is of in dat overleg besloten is het onderzoek over te
dragen aan de raad. • Als die redenen er zijn, wordt het onderzoek
overgedragen • Zijn er geen redenen tot overdracht, dan wordt het onderzoek
gestart.
12.16. Overdragen
aan raad voor de kinderbescherming
Het onderzoek wordt overgedragen aan de raad voor de kinderbescherming.
12.17. Starten
onderzoek
Er wordt een onderzoek gestart om te bezien of er sprake is van
kindermishandeling. Bij dit onderzoek is er veelal sprake van verwerking van
persoonsgegevens. Hierover stelt de Wet op de jeugdzorg een aantal regels.
Artikel 53 Wjz
1. De stichting kan, onverminderd de Wet bescherming persoonsgegevens, in de
gevallen, bedoeld in artikel 7, zesde lid, of indien dit voor de uitoefening van
de taken genoemd in artikel 11, eerste lid, noodzakelijk is te achten, zonder
toestemming van degene die het betreft persoonsgegevens verwerken. 2. De
stichting kan zonder toestemming van degene die het betreft slechts bijzondere
gegevens als bedoeld in artikel 16 van de Wet bescherming persoonsgegevens
verwerken indien uit een melding redelijkerwijs een vermoeden van
kindermishandeling kan worden afgeleid dan wel sprake is van een geval als
bedoeld in artikel 7, zesde lid. 3. Degene die op grond van een wettelijk
voorschrift of op grond van zijn ambt of beroep tot geheimhouding is verplicht
kan, zonder toestemming van degene die het betreft, aan een stichting
inlichtingen verstrekken, indien dit noodzakelijk kan worden geacht om een
situatie van kindermishandeling te beëindigen of een redelijk vermoeden van
kindermishandeling te onderzoeken. 4. Het college van burgemeester en wethouders
verstrekt een stichting terstond de algemene gegevens, bedoeld in artikel 34,
eerste lid, onder a, onderdelen 1 tot en met 6 van de Wet gemeentelijke
basisadministratie persoonsgegevens, die noodzakelijk zijn in verband met de
uitvoering van de taak, genoemd in artikel 11, eerste lid.
5. In
afwijking van artikel 103, eerste en tweede lid, van de Wet gemeentelijke
basisadministratie persoonsgegevens doet het college van burgemeester en
wethouders geen mededeling aan de betrokkene of degene die namens deze daarom
verzoekt, over de verstrekking van hem betreffende gegevens uit de gemeentelijke
basisadministratie aan de stichting, voor zover dit noodzakelijk kan worden
geacht om een situatie van kindermishandeling te beëindigen of een redelijk
vermoeden van kindermishandeling te onderzoeken. Voor wat betreft de toepassing
van artikel 110 van de Wet gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens
heeft het achterwege blijven van een mededeling als hier bedoeld dezelfde
gevolgen als het achterwege blijven van een mededeling ingevolge Processen
bureau jeugdzorg Versie 2 Definitief 18 mei 2005 167 artikel 103, derde lid, van
de Wet gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens.
Artikel 54 Wjz
1. Indien door de stichting bij de uitoefening van de taken, genoemd in artikel
11, eerste lid, persoonsgegevens worden verkregen bij anderen dan degene die het
betreft, brengt zij de betrokkene hiervan zo spoedig mogelijk, doch in ieder
geval binnen vier weken na het moment van vastlegging van de hem betreffende
gegevens, op de hoogte. 2. De in het eerste lid genoemde termijn kan telkens met
ten hoogste twee weken worden verlengd, voor zover dit noodzakelijk is voor de
uitoefening van de taken, genoemd in artikel 11, eerste lid, en dit noodzakelijk
kan worden geacht om een situatie van kindermishandeling te beëindigen of een
redelijk vermoeden van kindermishandeling te onderzoeken.
3. In
afwijking van artikel 35 van de Wet bescherming persoonsgegevens kan een
stichting de mededeling aan degene die het betreft dat ten aanzien van hem
persoonsgegevens worden verwerkt achterwege laten voor zover dit noodzakelijk
kan worden geacht om een situatie van kindermishandeling te beëindigen of een
redelijk vermoeden van kindermishandeling te onderzoeken. In de Memorie van
Toelichting wordt hierover gesteld: Deze artikelen bieden de bureaus jeugdzorg
een grondslag voor het verwerken van persoonsgegevens zonder toestemming van
betrokkene in de gevallen waarin het bureau fungeert als advies- en meldpunt
kindermishandeling. (...) Voor een snel en gedegen onderzoek in dat geval is het
vaak nodig dat betrokkenen gedurende een korte periode onwetend blijven.
Bovendien kan het onderzoek niet afhankelijk worden gemaakt van toestemming. Het
onderzoek naar een melding zou door een weigering kunnen stagneren. Ook zou de
agressie van een vermoedelijke dader kunnen toenemen als hij weet krijgt van
bemoeienis van het bureau. In artikel 53, eerste lid, is in verband daarmee
bepaald dat het bureau, als het fungeert als advies- en meldpunt
kindermishandeling, persoonsgegevens mag verwerken als dit voor de uitoefening
van die taak noodzakelijk is te achten. Hierbij kan worden gedacht aan
strafrechtelijke gegevens en gezondheidsgegevens. Het verwerken van bijzondere
gegevens zonder toestemming is alleen toegestaan als uit de melding
redelijkerwijs een vermoeden van kindermishandeling kan worden afgeleid. Met
andere woorden alvorens tot verwerking van bijzondere gegevens kan worden
overgegaan zal getoetst moeten worden of de melding aanleiding vormt voor de
veronderstelling dat sprake is van kindermishandeling.
12.18. Kunnen
betrokkenen geïnformeerd worden?
Bij het onderzoek dat het AMK uitvoert om te bezien of er sprake is van
kindermishandeling, Processen bureau jeugdzorg Versie 2 Definitief 18 mei 2005
168 worden persoonsgegevens verwerkt van de betrokkenen. Deze moeten hierover in
beginsel worden geïnformeerd. Dat kan soms echter niet wenselijk zijn. In de
begeleidende tekst bij Starten onderzoek is
aangegeven dat de Wet op de jeugdzorg de mogelijkheid biedt de betrokkenen nog
enige tijd onwetend te laten over het onderzoek (art. 53 en 54, Wjz). Afgewogen
is of de betrokkenen geïnformeerd kunnen worden. • Is dat het geval, dan
worden zij geïnformeerd (dit moet in principe 4 weken na de eerste verwerking
van de persoonsgegevens gebeuren) • Kunnen betrokkenen niet geïnformeerd
worden, dan gaat het proces verder bij de afvraging of er redenen zijn om andere
justitiële autoriteiten te informeren.
12.19. Informeren
betrokkenen
De betrokkenen worden geïnformeerd dat het AMK ten aanzien van hen een
onderzoek naar kindermishandeling heeft gestart.
12.20. Zijn er
redenen tot informeren andere justitiële autoriteiten?
Er loopt een onderzoek naar mogelijke kindermishandeling. Daarbij kan aan het
licht komen dat er mogelijk strafbare feiten zijn gepleegd (bijvoorbeeld
zedendelicten). Ook kunnen er zaken aan het licht komen die het noodzakelijk
maken de raad voor de kinderbescherming in te schakelen. In dergelijke gevallen
moet het bureau jeugdzorg andere justitiële autoriteiten hierover informeren
(artikel 11, lid 1, sub d, Wjz). • Als er redenen zijn de bedoelde justitiële
autoriteiten te informeren, dan wordt dit gedaan. Daarmee is het proces dan
afgesloten. • Zijn dergelijke redenen er niet, dan gaat het proces verder bij
de afvraging of de conclusie van het onderzoek is, dat er inderdaad sprake is
van kindermishandeling.
12.21. Informeren
andere justitiële autoriteiten
De desbetreffende justitiële autoriteit(en) wordt/worden geïnformeerd.
Gegevens worden geregistreerd die samenhangen met lid e. van artikel 8 Besluit
beleidsinformatie jeugdzorg: betreffende "het vervolg dat aan het onderzoek
wordt gegeven".
12.22. Sprake van
kindermishandeling?
De afvraging betreft de conclusie van het onderzoek: • Wanneer geconcludeerd
is dat er sprake is van kindermishandeling, dan wordt dit aan de Processen
bureau jeugdzorg Versie 2 Definitief 18 mei 2005 169 ouders gemeld, waarbij ook
hulp wordt aangeboden. • Als de conclusie luidt dat er géén sprake is van
kindermishandeling, worden de ouders geïnformeerd, en wordt overwogen of de
situatie aanleiding geeft om hulp aan te bieden.
12.23. Informeren
ouders en aanbieden hulp
De ouders worden op de hoogte gebracht dat het AMK tot de conclusie is gekomen
dat er sprake is van kindermishandeling. Daarbij wordt gewezen op de
mogelijkheid van jeugdzorg.
12.24. Werken de
ouders mee?
Aan de ouders is aangegeven dat naar het oordeel van het AMK hulp nodig is,
gegeven de geconstateerde situatie. Vraag is of de ouders hieraan meewerken. •
Wanneer de ouders meewerken vindt overdracht binnen BJz plaats. Het AMK
registreert gegevens over het af te sluiten proces (art. 8 Besluit
beleidsinformatie jeugdzorg – zie algemene begeleidende tekst Fungeren als AMK). Het proces gaat verder bij Analyse en
diagnostisch beeld. • Als de
ouders niet meewerken, overweegt het AMK of er redenen zijn een verzoek tot
onderzoek te doen bij de raad voor de kinderbescherming.
12.25. Zijn er
redenen tot het doen van een verzoek tot onderzoek bij de RvdK?
Aan de ouders is aangegeven dat naar het oordeel van het AMK hulp nodig is,
gegeven de geconstateerde situatie. De ouders willen echter niet meewerken.
Vraag is nu of er redenen zijn om de raad voor de kinderbescherming te vragen om
te onderzoeken of een maatregel in het gezag op zijn plaats is. • Wanneer er
redenen zijn om de raad in te schakelen, wordt een verzoek tot onderzoek gedaan
bij de raad. Het AMK registreert gegevens over het af te sluiten proces (art. 8
Besluit beleidsinformatie jeugdzorg – zie algemene begeleidende tekst Fungeren
als AMK) • Zijn deze redenen er niet, dan wordt het proces afgesloten.
12.26. Registreren
en afsluiten na conclusie kindermishandeling
Het AMK registreert gegevens over het af te sluiten proces (art. 8 Besluit
beleidsinformatie jeugdzorg – zie algemene begeleidende tekst Fungeren
als AMK). Het proces wordt afgesloten. Processen bureau jeugdzorg Versie 2
Definitief 18 mei 2005 170
12.27. Informeren
ouders conclusie geen kindermishandeling
De ouders worden op de hoogte gebracht dat het AMK tot de conclusie is gekomen
dat het gemelde vermoeden van kindermishandeling ongegrond is gebleken. Verder
overweegt het AMK of de situatie aanleiding geeft tot jeugdzorg.
12.28. Informeren
melder dat onderzoek is afgerond
De melder wordt ervan op de hoogte gebracht van de stappen die het bureau
jeugdzorg naar aanleiding van zijn melding heeft ondernomen (artikel 11, lid 1,
sub e, Wjz).
12.29. Lijkt
verdere zorg nodig en werken ouders mee?
De ouders zijn op de hoogte gebracht dat het AMK tot de conclusie is gekomen dat
het gemelde vermoeden van kindermishandeling ongegrond is gebleken. Het AMK
heeft overwogen of de situatie aanleiding geeft tot jeugdzorg (in een vrijwillig
kader). • Als dit zo is – en als de mogelijke cliënt hiermee instemt –
vindt overdracht plaats binnen het BJz en gaat het proces verder bij Analyse en diagnostisch beeld.
• Is dit niet zo, dan wordt het proces afgesloten.
12.30. Registreren
en afsluiten na conclusie geen kindermishandeling
Het proces wordt afgesloten. Gegevens worden geregistreerd. Het gaat hier in
ieder geval om gegevens die samenhangen met lid e. en f. van artikel 8 Besluit
beleidsinformatie jeugdzorg: te weten gegevens over het vervolg dat aan het
onderzoek wordt gegeven en gegevens over de vraag of het onderzoek heeft geleid
tot de vaststelling van kindermishandeling. Processen bureau jeugdzorg Versie 2
Definitief 18 mei 2005 171
13. Verlenen
ambulante jeugdzorg (BJz)
A. Algemeen
In art. 10, derde lid, onder b Wjz wordt als taak voor het bureau jeugdzorg
omschreven dat het bureau binnen de door de provincie bij de subsidiëring
gestelde grenzen ambulante jeugdzorg kan verlenen anders dan jeugdzorg als
bedoeld in artikel 5, tweede lid. Dit kan
alleen nadat is
vastgesteld dat de
cliënt niet is aangewezen op geïndiceerde zorg.
Artikel 10, lid 3,
sub b, Wjz
3. De stichting heeft binnen de door de provincie bij de subsidiëring gestelde
grenzen voorts tot taak: (...) b. het verlenen van ambulante jeugdzorg anders
dan jeugdzorg als bedoeld in artikel 5, tweede lid, nadat de stichting heeft
vastgesteld dat de cliënt niet is aangewezen op zorg als bedoeld in artikel 5,
tweede lid.
B.
Registratie-eisen bij proces Verlenen ambulante jeugdzorg (BJz)
Registratie-eisen bij dit proces zijn omschreven in artikel 5 van het Besluit
beleidsinformatie jeugdzorg:
Artikel 5 Besluit
beleidsinformatie jeugdzorg
Voor de verwerking van de gegevens, bedoeld in artikel 42 van de wet, registeert
de stichting de volgende gegevens per cliënt over het verlenen van ambulante
jeugdzorg, bedoeld in artikel 10, derde lid, onder b, van de wet: a. de datum
waarop de stichting beslist tot het verlenen van de zorg; b. de datum waarop het
verlenen van de zorg aanvangt; c. de datum waarop het verlenen van de zorg
eindigt; d. de reden van het beëindigen van de zorg. Processen bureau jeugdzorg
Versie 2 Definitief 18 mei 2005 172
14. Bijzondere
situaties
Onder de noemer Bijzondere situaties zijn de volgende processen beschreven: •
Behandelen crisissituaties • Beëindiging hulp door cliënt •
Uithuisplaatsing bij crisis • Doen van een verzoek tot onderzoek bij de raad
voor de kinderbescherming Deze situaties zijn bijzonder, omdat ze zich in
principe op elk moment kunnen voordoen. Niettemin wordt in een aantal van de
meer 'standaard' werkprocessen naar deze situaties verwezen. Dat is gedaan omdat
juist op die plaatsen in de processen de hier bedoelde bijzondere situaties
'herkend' worden.
14.1. Behandelen
crisissituaties
De wet biedt mogelijkheden voor situaties waarin geïndiceerde zorg nodig is,
maar niet gewacht kan worden op een indicatiebesluit. Dit wordt aangekondigd in
artikel 3, lid 5, van de wet en uitgewerkt in het Uitvoeringsbesluit.
Artikel 3 Besluit
indicatie jeugdzorg
1. Een cliënt heeft, in afwijking van artikel 3, derde lid, van de wet, in
situaties waarin naar het oordeel van de stichting die werkzaam is in de
provincie waarin de jeugdige duurzaam verblijft, onmiddellijke verlening van
jeugdzorg als bedoeld in artikel 5, tweede lid, onder a, respectievelijk d van
de wet, geboden is, aanspraak op deze jeugdzorg zonder dat die stichting een
indicatiebesluit heeft genomen. 2. Een aanspraak als bedoeld in het eerste lid
vervalt zodra met betrekking tot de cliënt een indicatiebesluit is genomen,
doch in ieder geval na vier weken.
Artikel 14
Uitvoeringsbesluit Wet op de jeugdzorg
1. Een cliënt heeft, in afwijking van artikel 3, derde lid, van de wet, in
situaties waarin naar het oordeel van de stichting die werkzaam is in de
provincie waarin de jeugdige duurzaam verblijft, onmiddellijke verlening van
jeugdzorg als bedoeld in artikel 5, tweede lid, onder a, respectievelijk d, van
de wet, geboden is, aanspraak op deze jeugdzorg zonder dat die stichting een
indicatiebesluit heeft genomen. 2. Een aanspraak als bedoeld in het eerste lid
vervalt zodra met betrekking tot de cliënt een indicatiebesluit is genomen,
doch in ieder geval na vier weken. 3. Het eerste en tweede lid zijn van
overeenkomstige toepassing bij plaatsing van een jeugdige in een inrichting. In
de nota van toelichting bij het besluit wordt hierop nader ingegaan in het
algemene gedeelte. Processen bureau jeugdzorg Versie 2 Definitief 18 mei 2005
173
3. Aanspraak op
jeugdzorg ingevolge de wet in spoedeisende situaties
Het besluit stelt voorts de regels voor de gevallen waarin een indicatiebesluit
niet kan worden afgewacht. De regeling houdt in dat geen indicatiebesluit nodig
is als onmiddellijke verlening van zorg geboden. De regeling geldt op grond van
artikel 3, vijfde lid, van de wet voor jeugdzorg waarop aanspraak ingevolge de
wet bestaat, en ook voor die zorg waarop ingevolge de AWBZ aanspraak bestaat
waarvoor het bureau jeugdzorg de indicatietaak heeft (zie artikel 9b, vierde
lid, laatste volzin, van de AWBZ, waarin de regeling die geldt voor de
aanspraken op grond van de wet van toepassing is verklaard. Het besluit heeft
nog geen betrekking op crisisplaatsingen in een justitiële jeugdinrichting. Op
plaatsing in een dergelijke inrichting bestaat tot 1 januari 2006 nog geen
aanspraak. Ingevolge de overgangsbepaling van artikel 112, derde lid, van de wet
is voor plaatsing wel een indicatiebesluit nodig. Deze regeling bevat ook een
regeling voor crisisplaatsingen in de justitiële jeugdinrichtingen die gelijk
is aan die opgenomen in het onderhavige besluit. De artikelsgewijze toelichting
bij dit artikel wordt hieronder weergegeven: Dit artikel geeft uitvoering aan
artikel 3, vijfde lid, van de wet, welk artikel bepaalt dat regels kunnen worden
gesteld voor de gevallen waarin een indicatiebesluit niet kan worden afgewacht.
De regeling houdt in dat er in dergelijke situaties wordt afgeweken van de
wettelijke regeling die inhoudt dat aanspraak ingevolge de wet slechts bestaat
op die jeugdzorg waarvan het desbetreffende bureau jeugdzorg heeft vastgesteld
dat de cliënt daarop is aangewezen. In afwijking van deze regeling bestaat er
aanspraak op jeugdzorg zonder dat daaraan een indicatiebesluit ten grondslag
ligt in situaties waarin onmiddellijke zorgverlening nodig wordt geacht. Het
bureau beoordeelt of van een dergelijke situatie sprake is en welke zorg in dat
geval nodig is. De aanspraak in spoedeisende gevallen vervalt zodra het bureau
jeugdzorg een indicatiebesluit heeft genomen, doch in ieder geval na twee weken.
Binnen de termijn van vier weken moet het bureau in staat worden geacht op basis
van een onderzoek aan te geven op welke zorg een cliënt is aangewezen. Bij cliënten
met ingewikkelde problemen kan dat wellicht nog geen definitieve beslissing
zijn. Wij achten het echter van belang en mogelijk dat het bureau toch op die
termijn tot een min of meer afgewogen oordeel komt. Als het nog geen definitief
oordeel kan zijn, zal het bureau in het indicatiebesluit de termijn gedurende
welke de aanspraak geldt moeten stellen op de periode die nodig is om tot een
definitief oordeel te komen. Processen bureau jeugdzorg Versie 2 Definitief 18
mei 2005 174 Processen bureau jeugdzorg Versie 2 Definitief 18 mei 2005 175
14.1.1. Beoordelen
spoedeisendheid situatie
Een cliënt komt met een acute hulpvraag bij het bureau jeugdzorg, of het bureau
jeugdzorg heeft zelf contact opgenomen met de cliënt op grond van een signaal
van een derde. Beoordeeld wordt of de situatie aanleiding geeft tot het
aanbieden van jeugdzorg - wat meestal het geval zal zijn - en zo ja of
onmiddellijke verlening van deze jeugdzorg noodzakelijk is. Het kan hier gaan om
zowel geïndiceerde zorg als om andere dan geïndiceerde zorg.
14.1.2. Lijkt
jeugdzorg nodig?
Beoordeeld is of de cliënt hulpverlening nodig heeft, al dan niet met spoed.
• Is verlening van jeugdzorg wenselijk, dan wordt vastgesteld of deze hulp
onmiddellijk dient te worden geboden, of dat het 'normale' traject doorlopen kan
worden. • Is verlening van jeugdzorg niet noodzakelijk (de cliënt is 'aan het
verkeerde adres'), dan wordt het proces afgesloten.
14.1.3. Afsluiten
Het proces wordt afgesloten. Er zijn geen gegevens die op grond van het Besluit
beleidsinformatie jeugdzorg zouden moeten worden geregistreerd.
14.1.4. Is
onmiddellijke verlening jeugdzorg noodzakelijk?
Beoordeeld is of de cliënt onmiddellijke hulpverlening nodig heeft, zodanig dat
een indicatiebesluit niet afgewacht kan worden. • Is onmiddellijke verlening
van jeugdzorg noodzakelijk, dan wordt vastgesteld om wat voor zorg dat moet
gaan. • Is verlening van jeugdzorg wel wenselijk, maar niet op heel korte
termijn, dan gaat het proces verder op de 'normale' manier, bij Analyse en opstellen diagnostisch beeld.
14.1.5.
Vaststellen te verlenen zorg
Vastgesteld wordt – in overleg met de cliënt – wat voor zorg aan de cliënt
geboden zou moeten worden. Het kan hier zowel gaan om geïndiceerde zorg als om
andere dan geïndiceerde zorg.
14.1.6. Geïndiceerde
zorg nodig?
Vastgesteld wat voor zorg aan de cliënt geboden zou moeten worden. De vraag is
hier of het Processen bureau jeugdzorg Versie 2 Definitief 18 mei 2005 176
daarbij gaat om geïndiceerde zorg of om andere dan geïndiceerde zorg. • Als
het gaat om geïndiceerde zorg, dan gaat het proces verder bij de afvraging of
uithuisplaatsing wenselijk is. • Is andere dan geïndiceerde zorg wenselijk,
dan wordt deze – met het oog op cliëntvriendelijkheid – door het bureau
jeugdzorg zelf verleend.
14.1.7.
Uithuisplaatsing wenselijk?
De vraag is of uithuisplaatsing wenselijk is. • Wanneer uithuisplaatsing
wenselijk is, gaat het proces verder Uithuisplaatsing
bij crisis.
• Wanneer uithuisplaatsing niet wenselijk is, gaat het proces verder bij Realiseren
geïndiceerde
zorg bij crisis.
14.1.8. Realiseren
geïndiceerde zorg bij crisis
Er wordt voor gezorgd dat de cliënt met spoed bij een zorgaanbieder terecht
kan. De cliënt heeft hiermee een aanspraak op deze zorg. Deze aanspraak eindigt
wanneer ten aanzien van hem een indicatiebesluit genomen is, doch in ieder geval
na vier weken.
14.1.9. Verlenen
ambulante jeugdzorg (BJz)
Het bureau verleent ambulante jeugdzorg, zoals bedoeld in artikel 10, lid 3, sub
b, Wjz.
14.1.10. Bepalen
of cliënt verdere zorg nodig heeft
In overleg met de cliënt wordt bezien of deze na de crisishulpverlening nog
verdere zorg nodig heeft.
14.1.11. Nog
verdere zorg nodig?
In overleg met de cliënt is bezien of deze nog verdere zorg nodig heeft. • Is
dit het geval, dan gaat het proces verder bij Analyse
en opstellen diagnostisch beeld
(teneinde een indicatiebesluit te kunnen opstellen). • Lijkt de cliënt
met de crisishulp voldoende geholpen te zijn, dan wordt het proces afgesloten.
Processen bureau jeugdzorg Versie 2 Definitief 18 mei 2005 177
14.1.12. Afsluiten
Het proces wordt afgesloten. Er worden gegevens geregistreerd conform artikel 2
Besluit beleidsinformatie jeugdzorg.
Artikel 2 Besluit
beleidsinformatie jeugdzorg
1. Voor de verwerking van de gegevens, bedoeld in artikel 42 van de wet,
registeert de stichting bij de aanvang van de eerste van een van de taken,
bedoeld in artikel 5, eerste lid, of artikel 10, eerste lid, onder e tot en met
j, of derde lid, onder b, van de wet de volgende gegevens: a. de datum van
aanmelding van de cliënt; b. het vervolg dat de stichting geeft aan de
aanmelding; c. in voorkomende gevallen het beroep van de beroepsmatig met de cliënt
werkzame persoon of de instantie die de cliënt heeft aangemeld of de cliënt
ertoe heeft bewogen zich aan te melden. 2. Onverminderd het eerste lid
registreert de stichting per jeugdige bij de aanvang van de eerste van een van
de taken, bedoeld in artikel 5, eerste lid, of artikel 10, eerste lid of derde
lid, onder b, van de wet de volgende gegevens: a. de geboortedatum; b. het
geslacht; c. het geboorteland of de geboortestreek, alsmede het geboorteland of
de geboortestreek van zijn ouders; d. de dagbesteding; e. de leefsituatie; f. de
gemeente van inschrijving in het bevolkingsregister; g. het adres in de gemeente
van inschrijving in het bevolkingsregister; h. de verblijfplaats indien deze
afwijkt van het adres, bedoeld onder f i. de al dan niet rechtmatigheid van het
verblijf in Nederland, indien de jeugdige een vreemdeling als bedoeld in de
Vreemdelingenwet 2000 is. 3. Voor zover taken bedoeld in artikel 10, eerste lid,
onder a tot en met d, van de wet pas aanvangen nadat voor een cliënt toepassing
is gegeven aan het eerste of het tweede lid voor een van de taken, bedoeld in
artikel 10, eerste lid, onder e tot en met j, of het derde lid, onder b, van de
wet, registreert de stichting voorts op het moment dat die taken aanvangen over
de jeugdige: a. de dagbesteding; b. de leefsituatie; c. de gemeente van
inschrijving in het bevolkingsregister; d. het adres in de gemeente van
inschrijving in het bevolkingsregister;
14.2. e. de
verblijfplaats indien deze afwijkt van het adres, bedoeld onder
d.Beëindiging
hulp door cliënt
Als de cliënt besluit te stoppen dan wordt dat in elk geval geregistreerd, op
grond van eisen die Processen bureau jeugdzorg Versie 2 Definitief 18 mei 2005
178 worden gesteld in het concept besluit beleidsinformatie. Daarnaast kan beëindiging
van het proces door de cliënt aanleiding zijn de raad voor de kinderbescherming
in te schakelen. Of er kan aanleiding zijn om zelf het initiatief te nemen
contact op te nemen (outreachende hulpverlening).
14.3.
Uithuisplaatsing bij crisis
Het kan nodig zijn dat een minderjarige vanwege een crisissituatie
uithuisgeplaatst moet worden en dat een indicatiebesluit met die strekking niet
afgewacht kan worden. De cliënt krijgt hiermee een aanspraak op deze geïndiceerde
zorg zonder dat een indicatiebesluit is genomen. Deze aanspraak vervalt zodra
met betrekking tot de cliënt een indicatiebesluit is genomen, doch in ieder
geval na vier weken (Uitvoeringsbesluit, art. 14, lid 2). Processen bureau
jeugdzorg Versie 2 Definitief 18 mei 2005 179 Processen bureau jeugdzorg Versie
2 Definitief 18 mei 2005 180
14.3.1. Informeren
ouders
De ouders worden geïnformeerd over het standpunt van het BJz dat
uithuisplaatsing jeugdige wenselijk is.
14.3.2.
Vaststellen of ouders/jeugdige akkoord gaan
Vastgesteld wordt of de ouders en de jeugdige akkoord gaan met de
uithuisplaatsing. Een vrijwillige uithuisplaatsing kan namelijk alleen gedaan
worden als alle betrokkenen akkoord zijn. Dit betekent dat een jeugdige tegen
zijn eigen wil in ter bescherming tegen zichzelf uithuisgeplaatst kan worden.
14.3.3. Ouders en
jeugdige akkoord?
Vastgesteld is of de ouders en de jeugdige akkoord gaan met de uithuisplaatsing.
• Indien de ouders en de jeugdige akkoord gaan met de uithuisplaatsing, wordt
de jeugdige geplaatst. • Indien de ouders en/of de jeugdige niet akkoord gaan
met de uithuisplaatsing, wordt bepaald of er reden is een verzoek tot onderzoek
in te dienen bij de raad voor de kinderbescherming N.B.
Ook als de ouders structureel onbereikbaar zijn (bijvoorbeeld als de
jeugdige is achtergelaten door de ouders), wordt bepaald of er reden is een
verzoek tot onderzoek in te dienen bij de raad voor de kinderbescherming. Die
vraag zal dan automatisch met 'ja' beantwoord worden, evenals de vraag die daar
in dit model op volgt: is er reden tot spoed. Dit leidt dan tot een verzoek tot
spoedonderzoek bij de raad voor de kinderbescherming.
14.3.4. Bepalen of
verzoek tot onderzoek aan Raad nodig is
Bepaald wordt of er redenen zijn een verzoek tot onderzoek te doen bij de raad
voor de kinderbescherming.
14.3.5. Redenen
verzoek tot onderzoek RvdK?
Bepaald is of er redenen zijn een verzoek tot onderzoek in te dienen bij de raad
voor de kinderbescherming. • Indien hier redenen voor zijn, wordt bepaald of
er redenen zijn tot spoed. • Indien er géén redenen zijn voor een verzoek
tot onderzoek, wordt de raad voor de kinderbescherming geïnformeerd over de
verblijfplaats van de jeugdige. N.B. Wanneer
de jeugdige wel, maar de ouders niet akkoord gaan (zoals wanneer een kind van
Processen bureau jeugdzorg Versie 2 Definitief 18 mei 2005 181 huis is
weggelopen en niet meer terug wil), dan wordt het kind geplaatst en wordt de
raad voor de kinderbescherming geïnformeerd over de verblijfplaats van de
jeugdige.
14.3.6. Bepalen of
spoed nodig is
Bepaald wordt of de ouders zich actief verzetten tegen de uithuisplaatsing van
de jeugdige.
14.3.7. Reden tot
spoed?
Bepaald is redenen zijn voor een spoedonderzoek door de raad voor de
kinderbescherming. • Indien dit het geval is, wordt bij de raad voor de
kinderbescherming verzocht om een spoedonderzoek. • Is dit niet het geval,
wordt de raad voor de kinderbescherming verzocht om een onderzoek.
14.3.8. Verzoeken
tot spoedonderzoek bij Raad
De raad voor de kinderbescherming wordt verzocht om een spoedonderzoek.
14.3.9. Verzoeken
tot onderzoek bij Raad
De raad voor de kinderbescherming wordt verzocht om een onderzoek.
14.3.10.
Informeren Raad verblijfplaats jeugdige
De raad voor de kinderbescherming wordt geïnformeerd over de verblijfplaats van
de jeugdige.
14.3.11. Plaatsen
jeugdige
De jeugdige wordt geplaatst.
14.3.12.
Registreren
De benodigde gegevens worden geregistreerd.
14.3.13. Afsluiten
Het proces Uithuisplaatsing bij Realiseren zorg in crisissituaties wordt
afgesloten. Processen bureau jeugdzorg Versie 2 Definitief 18 mei 2005 182
14.4. Doen van een
verzoek tot onderzoek (dan wel spoedonderzoek) bij de RvdK
Als er sprake is van een bedreiging van de ontwikkeling van het kind én de
vrijwillige hulpverlening is onvoldoende, loopt vast of is niet meer mogelijk,
kan het BJz de raad voor de kinderbescherming inschakelen. Dit gebeurt door
middel van een verzoek tot onderzoek, al dan niet met spoed. Bij spoed is het
doel in de regel het verkrijgen van een Voorlopige OTS of een Voorlopige
Voogdij.
14.4.1. Informeren
ouders over verzoek aan de RvdK
De ouders van de jeugdige worden geïnformeerd over het feit dat het BJz een
verzoek tot onderzoek (of spoedonderzoek) bij de raad voor de kinderbescherming
wil indienen. Processen bureau jeugdzorg Versie 2 Definitief 18 mei 2005 183
14.4.2. Betreft
het een verzoek tot spoedonderzoek?
Afvraging is hier of er redenen zijn om een verzoek tot spoedonderzoek in te
dienen. De raad hanteert de volgende criteria om een melding aan te merken als
spoedeisend: 1. Er moet sprake zijn van een acute en ernstige bedreiging van de
jeugdige, 2. Waarbij de jeugdige onmiddellijke hulp (of zorg) moet worden
geboden, 3. Waarbij de ouders (of wettelijke vertegenwoordigers) de hulp (of
zorg) niet geven. • Als er redenen zijn tot spoed, hoeft de reactie van de
ouders niet te worden afgewacht en wordt het verzoek tot spoedonderzoek
vastgesteld en ingediend bij de raad voor de kinderbescherming. • Is er geen
reden tot spoed, dan wordt de reactie van de ouders afgewacht.
14.4.3. Afwachten
reactie van ouders
De reactie van de ouders over het voornemen van het BJz om een verzoek tot
onderzoek bij de raad voor de kinderbescherming in te gaan dienen wordt
afgewacht. Zolang de reactie niet binnen is, kan het verzoek tot onderzoek niet
worden verzonden, tenzij er sprake is van spoed (met als doel het verkrijgen van
een Voorlopige OTS of een Voorlopige Voogdij). Overigens zal bij het afwachten
van de reactie van de ouders een redelijke termijn in acht kunnen worden genomen
en kan, ook als er geen reactie is gekomen, toch een verzoek tot onderzoek
ingediend worden.
14.4.4.
Vaststellen verzoek tot onderzoek
Het verzoek tot onderzoek aan de raad voor de kinderbescherming wordt
schriftelijk vastgesteld, inclusief de reactie van de ouders.
14.4.5. Indienen
verzoek tot onderzoek bij de RvdK
Het verzoek tot onderzoek wordt bij de raad voor de kinderbescherming ingediend.
14.4.6. Versturen
afschrift aan de jeugdige en zijn ouders
Een afschrift van het verzoek tot onderzoek aan de raad voor de
kinderbescherming wordt gestuurd naar de jeugdige en de ouders. Processen bureau
jeugdzorg Versie 2 Definitief 18 mei 2005 184
14.4.7. Ontvangen
terugkoppeling van de RvdK
De terugkoppeling van de raad voor de kinderbescherming wordt ontvangen. Hierbij
zijn de volgende opties mogelijk: • teruggeven aan het BJz omdat vrijwillige
hulp wél mogelijk wordt geacht; • voorlopige ondertoezichtstelling (met of
zonder machtiging uithuisplaatsing); • ondertoezichtstelling (met of zonder
machtiging uithuisplaatsing); • voorlopige voogdij; • voogdij (waaronder
ontheffing/ontheffing ouderlijke macht); • probleem opgelost: niets (meer) aan
de hand. Processen bureau jeugdzorg Versie 2 Definitief 18 mei 2005 185
15. Uitvoeren
Bezwaar en beroep
Indien het besluit wordt genomen dat geïndiceerde zorg noodzakelijk is, kan dit
besluit worden aangemerkt als een beschikking in de zin van de algemene wet
bestuursrecht. Ook een schriftelijke weigering een besluit te nemen en het niet
tijdig (niet binnen 8 weken) nemen van een besluit wordt volgens de Awb met een
besluit gelijk gesteld (artikel 6:2 Awb). Dit betekent dat bezwaar kan worden
gemaakt bij het BJz en dat vervolgens beroep bij de rechter kan worden
ingesteld. In artikel 5, vijfde lid van de Wjz is de kinderrechter als bevoegde
rechter aangewezen.. Indien wordt besloten dat andere dan geïndiceerde zorg noodzakelijk is, kan hiertegen géén
bezwaar en beroep worden aangetekend, daar een dergelijk besluit geen
beschikking is in de zin van de Awb. Dit besluit heeft immers geen rechtsgevolg,
daar het niet leidt tot een aanspraak zoals bij geïndiceerde zorg of het
weigeren daarvan. Indien het besluit wordt genomen dat geïndiceerde zorg
noodzakelijk is, kan de belanghebbende waar het besluit betrekking op heeft een
bezwaar- en beroepsprocedure starten wanneer hij/zij het niet eens is met het
voorgenomen besluit. Deze procedure is vastgelegd in de Algemene wet
bestuursrecht, Awb.
N.B. Van alle –
formele – brieven en documenten die in dit proces worden verstuurd en
ontvangen, dient
een kopie te worden gemaakt, die wordt ingevoegd in het dossier van de
belanghebbende.
Onder belanghebbende dient hier te worden verstaan: Degene wiens belang
rechtstreeks bij een besluit is betrokken (art. 1:2 Awb).
N.B.: het bezwaar
of beroep schorst niet de werking van het besluit waartegen het is gericht,
tenzij bij of
krachtens wettelijk voorschrift anders is bepaald (artikel 6:16 Awb).
Processen bureau jeugdzorg Versie 2 Definitief 18 mei 2005 186 Processen bureau
jeugdzorg Versie 2 Definitief 18 mei 2005 187
15.1.
Voorbereiding bezwaarprocedure
In het voorbereidingsproces wordt het bezwaarschrift beoordeeld op
ontvankelijkheid en op formele eisen waaraan het moet voldoen. Processen bureau
jeugdzorg Versie 2 Definitief 18 mei 2005 188 Processen bureau jeugdzorg Versie
2 Definitief 18 mei 2005 189
15.1.1.
Registreren bezwaarschrift
De datum van binnenkomst van het bezwaarschrift wordt geregistreerd. Binnen drie
weken dient een ontvangstbevestiging te worden verzonden naar de indiener. Het
kan hierbij gaan om een 'gewone' ontvangstbevestiging, een mededeling dat het
bezwaar niet ontvankelijk is, of een mededeling dat niet aan de formele
vereisten is voldaan. In dat laatste geval krijgt de indiener de mogelijkheid
het verzuim te herstellen.
15.1.2. Beoordelen
ontvankelijkheid
Nadat registratie heeft plaatsgevonden, wordt beoordeeld of het bezwaarschrift
ontvankelijk is. Een bezwaar is niet ontvankelijk wanneer: • het niet binnen
zes weken (plus één dag) na het tijdstip waarop het besluit bekend is gemaakt
is ingediend, tenzij de termijnoverschrijding verschoonbaar is (artikelen 6:10
t/m 6:12 Awb); • het geen betrekking heeft op een besluit in de zin van
artikel 1:3 Awb; • de indiener geen belanghebbende is in de zin van artikel
1:12 Awb.
15.1.3. Is
bezwaarschrift ontvankelijk?
Beoordeeld is of het bezwaarschrift ontvankelijk is. • Als het bezwaarschrift
ontvankelijk is, dan wordt het vervolgens getoetst op formele vereisten. • Is
het bezwaarschrift niet ontvankelijk, dan wordt dit binnen drie weken na
ontvangst van het bezwaarschrift schriftelijk aan de indiener medegedeeld. De
behandeling van het bezwaarschrift wordt dan stopgezet. In dit geval eindigt
hier het proces.
15.1.4. Voldoet
het bezwaarschrift aan de formele vereisten
Het bezwaarschrift is ontvankelijk en is getoetst aan de formele vereisten. •
Als het bezwaarschrift voldoet aan de formele vereisten, wordt een
ontvangstbevestiging naar de indiener gestuurd en wordt de hoorzitting
voorbereid. • Als het bezwaarschrift niet ontvankelijk is, wordt een
ontvangstbevestiging gestuurd waarbij wordt aangegeven welke van de formele
vereisten ontbreekt. De indiener krijgt dan de mogelijkheid zijn verzuim te
herstellen.
15.1.5. Versturen
ontvangstbevestiging bij niet voldoen formele vereisten
Indien blijkt dat het bezwaarschrift ontvankelijk is wordt aan de indiener
binnen drie weken na ontvangst van het bezwaarschrift een ontvangstbevestiging
gezonden. In deze brief is de vraag Processen bureau jeugdzorg Versie 2
Definitief 18 mei 2005 190 opgenomen of de indiener van het bezwaar gebruik wil
maken van de mogelijkheid om te worden gehoord (artikel 7:2 Awb). Bovendien
wordt de indiener van het bezwaarschrift in de ontvangstbevestiging in de
gelegenheid gesteld het verzuim te herstellen binnen een hem daartoe gestelde
termijn (artikel 6:6 Awb).
15.1.6. Wordt het
verzuim hersteld?
Het bureau jeugdzorg wacht af of de indiener het verzuim in zijn bezwaarschrift
herstelt. • Indien het verzuim binnen de gestelde termijn wordt hersteld,
wordt de hoorzitting voorbereid. • Indien het verzuim niet binnen de gestelde
termijn wordt hersteld, kan het bezwaar alsnog niet ontvankelijk worden
verklaard. In dat geval eindigt hier het proces.
15.1.7. Versturen
ontvangstbevestiging
Indien blijkt dat het bezwaarschrift ontvankelijk is wordt aan de indiener
binnen drie weken na ontvangst van het bezwaarschrift een ontvangstbevestiging
gezonden. In deze brief is de vraag opgenomen of de indiener van het bezwaar
gebruik wil maken van de mogelijkheid om te worden gehoord (artikel 7:2 Awb).
15.1.8. Versturen
mededeling niet-ontvankelijk
Het bureau jeugdzorg wacht af of de indiener het verzuim in zijn bezwaarschrift
herstelt. • Indien het verzuim binnen de gestelde termijn wordt hersteld,
wordt de hoorzitting voorbereid. • Indien het verzuim niet binnen de gestelde
termijn wordt hersteld, kan het bezwaar alsnog niet ontvankelijk worden
verklaard. In dat geval eindigt hier het proces.
15.1.9. Toetsen
formele vereisten
Het bezwaarschrift wordt eveneens getoetst aan de formele vereisten. Het
bezwaar- of beroepschrift moet worden ondertekend en tenminste de volgende
gegevens bevatten: • de naam en het adres van de indiener • de dagtekening
• een omschrijving van het besluit waartegen het bezwaar of beroep is gericht
• de gronden van het bezwaar of beroep Processen bureau jeugdzorg Versie 2
Definitief 18 mei 2005 191
15.2. Voorbereiden
hoorzitting
Op grond van artikel 7:2 Awb stelt het bestuursorgaan, alvorens op het
bezwaarschrift te beslissen, de belanghebbenden in de gelegenheid te worden
gehoord. Het bestuursorgaan stelt daarvan in ieder geval de indiener van het
bezwaarschrift op de hoogte, als ook de belanghebbenden die bij de voorbereiding
van het besluit hun zienswijze naar voren hebben gebracht. Van het horen van
belanghebbenden kan op grond van artikel 7:3 Awb worden afgezien indien: • het
bezwaar kennelijk niet ontvankelijk is (zie processtap Voorbereiden);
• het bezwaar kennelijk ongegrond is; • de belanghebbenden hebben verklaard
geen gebruik te willen maken van het recht te worden gehoord of • aan het
bezwaar volledig tegemoet wordt gekomen en andere belanghebbenden daardoor niet
in hun belangen kunnen worden geschaad.
15.3. Hoorzitting
M.b.t. het houden van de hoorzitting geeft de Awb 3 mogelijkheden. De
hoorzitting wordt gehouden door: • het bestuursorgaan zelf, dan wel de
voorzitter of een lid daarvan; • een persoon die niet bij de voorbereiding van
het omstreden besluit betrokken is geweest; • meer dan één persoon van wie
de meerderheid, onder wie degene die het horen leidt, niet bij d e voorbereiding
van het besluit betrokken is geweest. Indien t.b.v. de beslissing op het bezwaar
een adviescommissie is ingesteld, geschiedt het horen door een commissie
(artikel 7:13 Awb). De Awb geeft geen nadere aanwijzingen voor de criteria o.p
grond waarvan wordt overgegaan tot de instelling van een adviescommissie. Het
bestuursorgaan dat de beslissing heeft genomen mag zelf beslissen of er al dan
niet een adviescommissie wordt ingesteld. Voor zover niet bij wettelijk
voorschrift anders is bepaald, besluit het bestuursorgaan of het horen in het
openbaar plaatsvindt. Belanghebbenden worden in elkaars aanwezigheid gehoord
(artikel 7:6 Awb). Ambtshalve of op verzoek kunnen belanghebbenden ook
afzonderlijk worden gehoord, indien aannemelijk is dat gezamenlijk horen een
zorgvuldige behandeling zal belemmeren of dat tijdens het horen feiten of
omstandigheden bekend zullen worden waarvan geheimhouding om gewichtige redenen
is geboden. Op verzoek van de belanghebbenden kunnen door hem meegebrachte
getuigen en deskundigen Processen bureau jeugdzorg Versie 2 Definitief 18 mei
2005 192 worden gehoord (artikel 7:8 Awb). Van het horen wordt een verslag
gemaakt (artikel 7:7 Awb). Blijken na het horen nieuwe, voor de beslissing
belangrijke feiten of omstandigheden, dan worden belanghebbenden opnieuw in de
gelegenheid gesteld te worden gehoord (artikel 7:9 Awb).
15.4. Beslissing
op bezwaar
Het bestuursorgaan beslist binnen zes weken na ontvangst van het bezwaarschrift.
Indien een adviescommissie als bedoeld in artikel 7:13 is ingesteld bedraagt de
termijn waarbinnen moet worden besloten tien weken (artikel 7:10). De termijn
wordt opgeschort met de termijn die gemoeid is met het aanvullen van de vereiste
formele gegevens in het bezwaarschrift (zie onder punt 5). Het bestuursorgaan
kan de beslissing voor ten hoogste vier weken verdagen. Van de verdaging wordt
schriftelijk mededeling gedaan. Verder uitstel is mogelijk voor zover de
indiener van het bezwaarschrift daarmee instemt en andere belanghebbenden
daardoor niet in hun belangen kunnen worden geschaad of ermee instemmen. Op
grond van de aangevoerde bezwaren vindt een heroverweging van het bestreden
besluit plaats (artikel 7:11 Awb). Voor zover de heroverweging daartoe
aanleiding geeft, herroept het bestuursorgaan het bestreden besluit en neemt
voor zover nodig in de plaats daarvan een nieuw besluit. Indien het primaire
besluit krachtens mandaat is genomen, moet de beslissing op het besluit door een
ander orgaan worden genomen dan het orgaan dat de besluit krachtens mandaat
heeft genomen (artikel 10.3 lid 3 Awb).
15.5. In kennis
stellen beslissing op bezwaar
De beslissing wordt bekend gemaakt door toezending of uitreiking aan degenen tot
wie zij is gericht. Zo spoedig mogelijk na de bekendmaking van de beslissing
wordt hiervan mededeling gedaan aan de belanghebbenden die hun zienswijze bij
het bezwaar of bij de voorbereiding van het besluit naar voren hebben gebracht.
De beslissing op het bezwaar vermeldt hoe en binnen welke termijn beroep kan
worden ingesteld.
Beroep
Wanneer de belanghebbende in beroep gaat tegen de beslissing, zal de rechtbank
het bestuursorgaan dat de beslissing heeft genomen informeren over de ontvangst
van het Processen bureau jeugdzorg Versie 2 Definitief 18 mei 2005 193
beroepsschrift, stukken opvragen en een termijn stellen voor verweer. De
directeur wijst een functionaris aan die de verdere gang van zaken met de
rechtbank coördineert. NB1: Zowel bij bezwaar als bij beroep kan een voorlopige
voorziening worden gevraagd bij de President van de rechtbank. NB2: In de fase vóór
het beroep bestaat de mogelijkheid dat, indien een bestuursorgaan een besluit
moet intrekken door een aan zichzelf te wijten onrechtmatigheid, een vergoeding
kan worden gevraagd voor bepaalde gemaakte kosten (m.n. rechtsbijstand), mits
dit vóór het nemen van de beslissing op het bezwaar is gevraagde. Processen
bureau jeugdzorg Versie 2 Definitief 18 mei 2005 194
16. Klachtrecht
In de Wet op de jeugdzorg is het klachtrecht geregeld in de artikelen 67 en 68.
De regeling van het klachtrecht is onverkort overgenomen uit de Wet op de
jeugdhulpverlening (artikelen 46 tot en met 52). De bureaus jeugdzorg en de
zorgaanbieders dienen een regeling te treffen voor de behandeling van klachten
(artikel 68, lid 1). De wet geeft aan aan welke voorwaarden die regeling moet
voldoen. Deze voorwaarden 'sec' kunnen niet in een procesbeschrijving kunnen
worden vertaald. Dat kan pas als zij door de bureaus jeugdzorg en de
zorgaanbieders zijn uitgewerkt in een regeling. De desbetreffende artikelen en
hun toelichting zijn hieronder opgenomen.
Hoofdstuk XII.
Klachtrecht
Artikel 67
1. In
dit hoofdstuk wordt verstaan onder:
a. klager: degene
die als zodanig is aangewezen in de regeling, bedoeld in artikel 68
doch in ieder
geval een cliënt;
b. gedraging: enig
handelen of nalaten alsmede het nemen van een besluit dat
gevolgen heeft
voor een onder a, bedoelde persoon.
2. Hoofdstuk 9 van
de Algemene wet bestuursrecht is niet van toepassing op klachten
als bedoeld in
artikel 68, eerste lid.
Artikel 68
1. De stichtingen
en de zorgaanbieders treffen een regeling voor de behandeling van
klachten over
gedragingen van hen of van voor hen werkzame personen jegens
jeugdigen of
jegens hun ouders, voogden, stiefouders, anderen die een jeugdige als
behorende tot hun
gezin verzorgen en opvoeden of degenen die anders dan als ouder
samen met de ouder
het gezag over de jeugdige uitoefenen. Zij brengen de regeling op
passende wijze
onder de aandacht van in ieder geval degenen die als klager zijn
aangewezen.
2. De in het
eerste lid bedoelde regeling:
a. voorziet erin
dat de klachten worden behandeld door een uit ten minste drie leden
bestaande
klachtencommissie, welke personen niet werkzaam zijn voor of bij de
stichting of de
zorgaanbieder;
b. waarborgt dat
de klachtencommissie binnen zes weken na ontvangst van de klacht
de klager, degene
over wie is geklaagd en, indien dit niet dezelfde persoon is, de
stichting of de
zorgaanbieder, schriftelijk en met redenen omkleed in kennis stelt van
haar oordeel over
de gegrondheid van de klacht, al dan niet vergezeld van
aanbevelingen;
Processen bureau jeugdzorg Versie 2 Definitief 18 mei 2005 195
c. waarborgt dat
bij afwijking van de onder b bedoelde termijn de klachtencommissie
daarvan met
redenen omkleed mededeling doet aan de klager, degene over wie is
geklaagd en,
indien dit niet dezelfde persoon is, de stichting of de zorgaanbieder, onder
vermelding van de
termijn waarbinnen de klachtencommissie haar oordeel over de
klacht zal
uitbrengen;
d. waarborgt dat
de klager en degene over wie is geklaagd, door de klachtencommissie
in de gelegenheid
worden gesteld mondeling of schriftelijk een toelichting te geven op
de gedraging
waarover is geklaagd;
e. waarborgt dat
de klager en degene over wie is geklaagd, zich bij de behandeling van
de klacht kunnen
laten bijstaan.
3. De stichtingen
en de zorgaanbieders zien erop toe dat de klachtencommissie,
bedoeld in het
tweede lid, onder a, haar werkzaamheden verricht volgens een door deze
commissie op te
stellen reglement.
4. Door of namens
een klager kan bij de klachtencommissie, bedoeld in het tweede lid,
onder a, een
klacht tegen een stichting of zorgaanbieder worden ingediend over een
gedraging van hen
of van voor hen werkzame personen jegens de klager.
5. De stichting of
de zorgaanbieder deelt de klager en de klachtencommissie, bedoeld
in het tweede lid,
onder a, binnen vier weken na ontvangst van het in het tweede lid,
onder b, bedoelde
oordeel van de klachtencommissie schriftelijk mede of hij het
oordeel van de
commissie over de gegrondheid van de klacht deelt en of hij naar
aanleiding van dat
oordeel maatregelen zal nemen en zo ja welke. Bij afwijking van de
in de eerste
volzin bedoelde termijn, doet de stichting of de zorgaanbieder daarvan met
redenen omkleed
mededeling aan de klager en de klachtencommissie onder vermelding
van de termijn
waarbinnen de stichting of de zorgaanbieder zijn standpunt aan hen
kenbaar zal maken,
met dien verstande dat dit uitstel ten hoogste vier weken is.
6. In
afwijking van het vierde lid, kan bij de
klachtencommissie, bedoeld in het tweede
lid, onder a,
eveneens een klacht tegen een stichting of een zorgaanbieder worden
ingediend over een
gedraging van hen of van voor hen werkzame personen, jegens een
persoon, als
bedoeld in artikel 67, eerste lid, onder a, die inmiddels is overleden.
7. De stichting en
de zorgaanbieder dragen er zorg voor dat over elk kalenderjaar een
openbaar verslag
wordt opgesteld waarin worden aangegeven:
a. een beknopte
beschrijving van de regeling, bedoeld in het eerste lid;
b. de wijze waarop
de stichting en de zorgaanbieder die regeling onder de aandacht van
hun cliënten
hebben gebracht;
c. de
samenstelling van de klachtencommissie, bedoeld in het tweede lid, onder a;
d. in welke mate
die klachtencommissie haar werkzaamheden heeft kunnen verrichten
met inachtneming
van de waarborgen, bedoeld in het tweede lid;
e. het aantal en
de aard van de door die klachtencommissie behandelde klachten;
f. de strekking
van de oordelen en aanbevelingen van die klachtencommissie;
g. de aard van de
maatregelen, bedoeld in het vijfde lid.
Processen bureau jeugdzorg Versie 2 Definitief 18 mei 2005 196
8. Bij regeling
van Onze Ministers kunnen nadere regels worden gesteld met betrekking
tot het verslag.
9. De stichting en
de zorgaanbieder zenden het verslag voor 1 juni van het
daaropvolgende
kalenderjaar aan gedeputeerde staten, aan de inspectie en aan de
betrokken cliëntenorganisaties.
Memorie van
toelichting
Deze artikelen regelen het klachtrecht. De regeling van het klachtrecht is
onverkort overgenomen uit de Wet op de jeugdhulpverlening (artikelen 46 tot en
met 52). Ook dat klachtrecht wordt thans geëvalueerd. Ook hiervoor geldt dat de
resultaten van de evaluatie worden afgewacht alvorens wijzigingen in de regeling
zullen worden voorgesteld. Daarbij zullen uiteraard, zoals dat ook voor de
medezeggenschap het geval zal zijn, de naar aanleiding van het wetsvoorstel
uitgebrachte adviezen op dit punt, worden betrokken. De klachtregeling houdt het
volgende in. De stichtingen en zorgaanbieders worden verplicht een regeling te
treffen voor de behandeling van klachten. Het gaat daarbij om klachten over
gedragingen van een stichting of een zorgaanbieder, of van voor hen werkzame
personen. Geklaagd kan worden over al hetgeen de klager in de behandeling of
bejegening niet aanstaat. Dit impliceert niet dat de klager nagenoeg altijd
ontvankelijk zal zijn in zijn klacht en het betekent uiteraard niet dat nagenoeg
elke klacht gegrond zal zijn. Klager is degene die in de klachtregeling van de
stichting of zorgaanbieder als zodanig is aangewezen. In ieder geval zullen
degenen die in het wetsvoorstel cliënt zijn ook klager zijn. Hoofdstuk 9 van de
Awb bevat een regeling voor de behandeling van klachten door bestuursorganen.
Het terrein dat wordt bestreken door de Wet op de jeugdhulpverlening is
vooralsnog uitgezonderd van de inwerkingtreding van hoofdstuk 9 van de Awb (zie
KB van 7 juni 1999, Stb. 241). Het specifieke klachtrecht van de Wet op de
jeugdhulpverlening is wel voor een groot deel geënt op hoofdstuk 9 van de Awb.
De klachtregeling in het wetsvoorstel komt overeen met die van de Wet op de
jeugdhulpverlening en wordt met het wetsvoorstel ook van toepassing op de
bureaus jeugdzorg, die we in de Wet op de jeugdhulpverlening niet kennen. Voor
de (gezins)voogdij-instellingen, die in de bureaus jeugdzorg zullen opgaan,
geldt het klachtrecht van de Wet op de jeugdhulpverlening overigens nu al. We
beogen geen wijziging in de klachtregeling aan te brengen. In het verlengde van
het inwerkingtredingsregime van hoofdstuk 9 Awb ten aanzien van de Wet op de
jeugdhulpverlening wordt in artikel 62, tweede lid, uitdrukkelijk bepaald dat
hoofdstuk 9 van de Awb tot een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip niet
van toepassing is op klachten over bureaus jeugdzorg en zorgaanbieders. De
voorgestelde wettelijke bepalingen waarborgen een klachtenregeling die voorziet
in een Processen bureau jeugdzorg Versie 2 Definitief 18 mei 2005 197
zorgvuldige klachtenbehandeling. Deze waarborgen zijn: onpartijdige
oordeelsvorming door een klachtencommissie en termijnen waarbinnen de procedure
dient te zijn afgerond. De zorgvuldigheid van de klachtenbehandeling wordt
bovendien gewaarborgd door het principe van hoor en wederhoor en de mogelijkheid
voor de klagers zich te laten bijstaan bij de behandeling van hun klacht. Ten
slotte is in dit opzicht van belang de aan de stichtingen en zorgaanbieders
opgelegde verplichting tot het op de hoogte stellen van de betrokkenen van het
oordeel van de klachtencommissie en, in de laatste fase, van de maatregelen die
de stichting of zorgaanbieder neemt naar aanleiding van de klacht.
Voorgeschreven wordt dat er jaarlijks openbare verslagen over de
klachtenbehandeling moeten worden opgesteld en aan de inspectie moeten worden
verzonden. Dit hoeven geen afzonderlijke verslagen te zijn. Het ligt voor de
hand dat zij onderdeel zullen vormen van het kwaliteitsjaarverslag, waarin
vanuit de invalshoek van de kwaliteit, moet worden aangegeven welk gevolg is
gegeven aan klachten. Ten slotte opent het wetsvoorstel voor iedere klager de
mogelijkheid de kantonrechter te verzoeken de stichting of zorgaanbieder, die
terzake in gebreke is gebleven te verplichten tot naleving van de wettelijke
plicht te voorzien in een regeling voor de behandeling van klachten. Dezelfde
bevoegdheid wordt toegekend aan de cliëntenraad. Alvorens men zich tot de
kantonrechter kan wenden moet men zich tot de stichting of zorgaanbieder wenden
met een verzoek tot het doen naleven van de wettelijke verplichtingen.
| Hop
geeft zicht op denk-
en werkwijze
"jeugdzorg" door publicatie van formulieren en werkprocessen op
internet |
| 180 |
Diagnose
op bestelling! Onderonsjes STAAT/RECHTERSLEGER om toe te schrijven naar
verzoeken/rapporten/uitspraken! |
| LIN |
INFORMANT
Stichting Lindenhout "jeugdzorg"
in Nederland is niet kindgericht maar gericht op SCHAALVERGROTING! |
| 071 |
Bezwaarschrift
tegen BESLUIT bestuursorgaan
om ouder(s) foldermateriaal over indienen van klachten toe te sturen |
| 079 |
Vraag:
Waarom verliest het gewone volk systematisch hun
(censuur) rechtszaakjes tegen overheden?
Antwoord:
Omdat zaakjes van het gewone volk tegen de
Staat/RvdK/jeugdzorg worden toegewezen aan voor de overheid/bestuursorganen
partijdige rechters !
Informant:
Wie de zaken verdeelt kan de uitkomst van een
rechtsgeding beïnvloeden zegt bijvoorbeeld rechter Lampe
|
| 135 |
Art.
11.
Rechtspreken volgens de wet
De regter moet volgens de wet regt spreken; hij mag in geen geval de
innerlijke waarde of billijkheid der wet beoordelen. |
| 137 |
Hetze
tegen Hop in strijd om afgifte contactjournaal gezinsvoogd etaleert op een
fantastische wijze de mentaliteit die heerst in de jeugdzorg! Ook al
worden de ernstigste fouten gemaakt (51)
ze blijven doorgaan! Hop
MOET BLOEDEN! |
| 617 |
Vluchten
voor de Nederlandse jeugdzorg kan gewoon bij OTS maar hoe lang nog!
Slimmer is om VOOR een OTS al te vertrekken! |
| 518 |
Klopt
het ondertekeningsblok onder BESLUITEN en verzoek- en verweerschriften van
bestuursorganen die opereren in de jeugdzorg? |
| 101 |
AANDACHTSVESTIGING!
Aan ALLE burgemeesters, gemeentesecretarissen, raadsgriffiers en
ambtenaren gemeente of provincie in Nederland
Aan ALLE rechters in Nederland
Aan ALLE pleegouders
in Nederland
Aan ALLE medewerkers van scholen in Nederland
Aan ALLE medewerkers van ziekenhuizen in Nederland
Aan ALLE gedragsdeskundigen en psychologen in Nederland
Aan ALLE medewerkers van verzekeringsmaatschappijen in Nederland
Aan ALLE medewerkers van kindertehuizen, kindergevangenissen of andere
instellingen actief in de jeugdzorg
Aan ALLE politie agenten en hun leidinggevenden in Nederland
Indien u personen tegen komt bij OTS of VOTS die zich ten onrechte
uitgeven voor de VOOGD wordt u vriendelijk verzocht deze persoon GELIJK
AAN TE HOUDEN en over te dragen aan het BEVOEGD GEZAG voor een
WAARHEIDSVINDING ONDERZOEK. Indien deze persoon zich inderdaad ten
onrechte heeft uitgegeven voor een VOOGD bij OTS of VOTS aangifte tegen
deze persoon te doen wegens "het vervullen van een beroep in valse
hoedanigheid" met het verzoek aan het BEVOEGD GEZAG deze persoon
onverwijld een BEROEPSVERBOD op te leggen om ooit nog met kinderen te
werken om jeugdzorg voor kinderen en hun OUDERS BELAST MET HET GEZAG
VEILIGER te maken! |
| 082 |
Volg
het geld en u begrijpt waarom jeugdzorg probeert steeds meer KLANTEN in
hun klauwen te krijgen |
| 132 |
Exploitatie
kinderen door jeugdzorg: Arbeidsvoorwaarden
Jeugdbeschermer mei 2008. De
CAO-jeugdzorg is van toepassing. Het salaris bedraagt op basis van schaal
10, maximaal € 3.437,07 bruto per maand bij
een fulltime dienstverband met een eindejaarsuitkering met een vast deel
van 5,15% en een resultaatafhankelijk deel van 3,15%. |
| 177 |
Lindenhout
gezinshuisouder.
Arbeidsvoorwaarden
CAO Jeugdzorg. Salariëring conform schaal 8 van de salarisregeling
(minimaal € 1.940,94 en maximaal € 2.882,28 bruto per maand bij een
fulltime dienstverband). Lindenhout
biedt eindejaarsuitkering van 8,3% (deels resultaatafhankelijk), een
spaarloonregeling, een levensloopregeling, studiefaciliteiten en
aantrekkelijke collectieve verzekeringen. Voor
de functie gezinshuisouder geldt daarnaast 14% onregelmatigheidstoeslag,
slaapdienstvergoeding en een verhuiskostenvergoeding. |
|
Beloning
beleidsmedewerker "jeugdzorg" gemeente Alphen aan de Rijn 20
december 2
008 De
functie van beleidsmedewerker wordt gehonoreerd op basis van
salarisschaal 10 cao voor gemeenteambtenaren. Afhankelijk van de
ervaring van een kandidaat behoort een toelage tot het maximum van
schaal 11 tot de mogelijkheden. Het brutosalaris bedraagt daarom
maximaal € 3.800 per maand dan wel (bij een toelage) maximaal €
4.378 per maand bij een volledige werkweek van 36 uur. Deze bedragen
zijn exclusief 8% vakantiegeld en exclusief 5% (niveau 2008)
eindejaarsuitkering. Inclusief deze inkomensbestanddelen is sprake van
een jaarinkomen van maximaal €51.500 (schaal 10) dan wel maximaal €
59.365 (schaal 11). De functie is een voltijdsfunctie (36 uur). Een
vierdaagse werkweek (4x9) of deeltijdwerk (minimaal 32 uur) is
bespreekbaar. |
|
Grondrecht
op behoorlijke rechtspraak 6 EVRM, artikel 14 Bupoverdrag en het
Seveso-arrest (710)
Algemene beginselen van behoorlijk bestuur en beleid.
Een bestuursorgaan moet bij het uitoefenen van bevoegdheden een vaste
lijn volgen.
Een bestuursorgaan moet duidelijk maken aan de hand van welke criteria
de correcte beslissingen zullen worden genomen. |
| 003 |
Vraag:
Wie zijn Judith Leenders en Ron Nienhuis? 575
(581)
(101)
Antwoord: Uitzending Omroep
Gelderland) start afspelen van deze uitzending op 09:28 |
| 095 |
6
november 2007 Hop ontdekt kinderrechter is rechter, aanklager en
belanghebbende bij kinderbeschermingsmaatregelen |
| 073 |
In
de jeugdzorg formulieren worden uw kinderen als KLANTEN aangemerkt |
| 680 |
"Jeugdzorg"
verzoekt Parlement/Minister ingevoerde wetgeving KLANTEN met spoed uit te
hollen om GEGROND KLAGEN te voorkomen |
| 122 |
Kinderen
worden in de "jeugdzorg" KLANTEN aangemerkt! Wie zitten er
verborgen achter Bureau Jeugdzorg? "Bureau Jeugdzorg" heeft
naast jeugdhulpverlening, jeugdbescherming, jeugdreclassering en het
Advies en Meldpunt Kindermishandeling een aantal andere onderdelen: de
Kindertelefoon, Haltbureaus, de Kinder- en Jongerenrechtswinkel en een
aantal JIP's (Jongeren Informatie Punt). Deze maken samen deel uit van de
nieuwe organisatie. |
| 440 |
Lees
eerst de "meldcode kindermishandeling" om zicht te krijgen op de
aanmeldingsprocedure van uw kind bij het AMK |
| 545 |
Processen
bureau jeugdzorg, Versie 2, Definitief, 18 mei 2005 geeft zicht op werk-
en denkwijze medewerkers jeugdzorg |
| 549 |
Signalen
van derden geeft zicht op werk- en denkwijze medewerkers jeugdzorg |
| 339 |
Rechtersleger
heeft werkafspraken gemaakt met "jeugdzorg", Raad voor de
Kinderbescherming over inhoud verzoekschriften |
| 481 |
Deltaplan
jeugdzorg weer een signaal dat het in Nederland steeds gevaarlijker voor
de kinderen van het gewone volk |
| 097 |
Info
uit Wob verzoek 102! Hop
publiceert "Tielse Checklist Risicofactoren" om verweerschriften
ouders bij KIR te verbeteren |
| 478 |
Info
uit Wob verzoek 102! Hop
publiceert "Handleiding voor de invulling van de checklist
beoordeling van de veiligheid" |
| 388 |
Hop
publiceert de "aanmeldingslijst verzoek raadsonderzoek" |
| 436 |
Wet
op de jeugdzorg |
| 437 |
Uitvoeringsbesluit
wet op de jeugdzorg |
| |
|
top