CENSUUR EN ORGANISATIECRIMINALITEIT IN NEDERLAND ©

1997-2014+ Diepe minachting voor het structurele probleem in de Nederlandse rechtspraak te weten de weerzinwekkende partijdigheid voor de overheid.

Groep Hop wil de pensioengerechtigde leeftijd verlagen naar 60 jaar. Alle gemeente belastingen afschaffen. Improductieve bureaucratie aanpakken. Kinderbeschermingsmaatregelen na verzonnen verhalen is weerzinwekkende fraude. Ontvangen gelden dienen als heling te worden aangemerkt. Bekijk ons programma? Als u ook genaaid bent/wordt door voor de overheid steeds partijdige rechtspraak, gemeente, jeugdzorg, RvdK of UWV stel u verkiesbaar voor de verkiezingen gemeenteraad 2018. Praktijkvoorbeeld. Het jatten van de recreatiewoning van een 71+ jarige gehandicapte burger die VOOR 1996 zelf zijn recreatiewoning heeft (af)gebouwd en er voor 1996 ook woonde dat wordt door niemand ter discussie gesteld wordt door Hop als organisatiecriminaliteit gemeente Ermelo en zeer ernstige mishandeling van een gepensioneerde burger aangemerkt. Groep Hop is wel TEGEN de discriminatie van Nederlanders tov buitenlanders.

Stem TEGEN organisatiecriminaliteit bij de overheid! Stem VOOR Groep Hop. Dank u wel voor uw aandacht. J. Hop.

 

 

De Betere Krant van Ermelo

Nieuwsberichten uit het Ermelo, lees verder

?

Processen bureau jeugdzorg, Versie 2, Definitief, 18 mei 2005

 

REFERENTIEWERKMODEL BUREAU JEUGDZORG Uitgebracht aan: Ministerie van VWS Directie Jeugdbeleid, afdeling Jeugdhulpverlening De heer drs. M. Verbeek en Ministerie van Justitie Directie Jeugd en Criminaliteitspreventie De heer drs. D. Brons Uitgebracht door: Ordina Public Management Consulting BV Projectgroep Bureau Jeugdzorg. Projectleider: De heer drs. H.P. Zwier Projectnummer P0309-519 Datum: 1 maart 2005 Versie: 2.0 (Definitief) Processen bureau jeugdzorg Versie 2 Definitief 18 mei 2005 2

Versienr. Datum Inhoud / belangrijkste wijzigingen Uitgebracht aan

V0.1 08-08-03 Eerste versie document (concept) Ministeries van Justitie en VWS V1.0 08-10-03 Aanpassingen naar aanleiding van commentaar Rijk, Provincies, MO-groep en Bureaus Jeugdzorg Ministeries van Justitie en VWS V2.0 Artikelnummering en inhoud conform definitieve Wet op de jeugdzorg en het Uitvoeringsbesluit jeugdzorg Ministeries van Justitie en VWS Processen bureau jeugdzorg Versie 2 Definitief 18 mei 2005 3 1. LEESWIJZER 11 2. WET OP DE JEUGDZORG 16 3. AANMELDING EN ACCEPTATIE 22 3.1. Uitvoeren eerste oordeelsvorming 25 3.2. Voor BJz? 29 3.3. Eventueel verwijzen 29 3.4. Crisissituatie? 29 3.5. Voldoende hulp geboden? 29 3.6. Verdere hulp/onderzoek van BJz nodig? 29 3.7. Verstrekken informatie aan cliŽnt en benoemen contactpersoon 29 3.8. Maken eerste afspraak cliŽnt 31 3.9. Verwijzen voorliggende voorzieningen 31 3.10. Registreren gegevens 32 3.11. Afsluiten 33 4. REAGEREN OP SIGNAAL VAN DERDE 34 4.1. Bepalen herkomst en aard signaal 38 4.2. Geeft signaal aanleiding tot handelen van het BJz zelf? 38 4.3. Lijkt er sprake van crisissituatie? 38 4.4. Is de melder geholpen met een inhoudelijk advies? 38 4.5. Geven inhoudelijk advies aan melder 39 4.6. Is er reden zelf contact op te nemen met mogelijke cliŽnt? 39 4.7. De melder verzoeken mogelijke cliŽnt ertoe te bewegen zich aan te melden 39 4.8. Contact opnemen met mogelijke cliŽnt 39 4.9. Geeft het contact aanleiding tot handelen? 40 4.10. Terugkoppeling aan melder 40 4.11. Afsluiten na conclusie dat handelen niet nodig is 41 4.12. Is er medewerking? 41 4.13. Is er reden tot inschakelen AMK? 41 4.14. Melden bij AMK 41 4.15. Reden verzoek tot onderzoek RvdK? 41 4.16. Terugkoppelen aan melder (na conclusie dat contact geen reden geeft tot handelen) 43 4.17. Afsluiten na conclusie dat contact geen aanleiding geeft tot handelen 43 5. ANALYSE EN OPSTELLEN DIAGNOSTISCH BEELD 44 5.1. Verzamelen informatie 47 5.2. Analyseren situatie 47 5.3. Beoordelen of spec. diagnose nodig is 51 5.4. Specialistische diagnose nodig? 52 5.5. Stellen specialistische diagnose 52 5.6. Samenstellen diagnostisch beeld 53 6. VASTSTELLEN BENODIGDE ZORG 54 6.1. Bepalen of en zo ja welke zorg nodig is 57 Processen bureau jeugdzorg Versie 2 Definitief 18 mei 2005 4 6.2. Is er sprake van (gezins)voogdij of jeugdreclassering? 58 6.3. Opstellen plan 58 6.4. Is de conclusie dat verwijzing of zorg BJz wenselijk is? 64 6.5. Registreren gegevens na conclusie geen verdere verwijzing of zorg BJz nodig 65 6.6. Afsluiten proces vaststellen benodigde zorg na conclusie geen zorg nodig 66 6.7. Is besloten tot geÔndiceerde zorg? 66 6.8. Is er sprake van (gezins)voogdij of jeugdreclassering? 66 6.9. Vaststellen of een aanvraag van de cliŽnt haalbaar is 67 6.10. Wil de cliŽnt een aanvraag indienen? 68 6.11. Vaststellen of aanvraag aanwezig is 68 6.12. Aanvraag aanwezig? 69 6.13. Ervoor zorgdragen dat cliŽnt een aanvraag kan indienen 69 6.14. Opstellen indicatiebesluit 71

6.14.1. Formuleren ontwerp indicatiebesluit 80

6.14.2. Beoordelen ontwerp indicatiebesluit 80

6.14.3. Aanpassen ontwerp ind.besluit nodig na beoordeling? 80

6.14.4. Voeren overleg met aanvrager/cliŽnt 80

6.14.5. Aanpassen ontwerp IB nodig na overleg cliŽnt? 80

6.14.6. Vaststellen indicatiebesluit 81

6.14.7. Houdt het IB een aanspraak AWBZ in? 81

6.14.8. Voorleggen IB aan zorgkantoor 82

6.14.9. Versturen IB naar cliŽnt 82

6.14.10. Versturen afschrift indicatiebesluit aan huisarts 82

6.14.11. Houdt het besluit in dat de cliŽnt geÔndiceerde zorg nodig heeft? 83

6.14.12. Uitvoeren Casemanagement 83

6.14.13. Afsluiten na negatief indicatiebesluit 83

6.15. Registreren gegevens na opstellen indicatiebesluit 83 6.16. Is naast geÔndiceerde zorg ook andere dan geÔndiceerde zorg nodig? 84 6.17. Afsluiten proces vaststellen benodigde zorg na opstellen indicatiebesluit 84 6.18. Heeft cliŽnt een aanvraag ingediend? 84 6.19. Opstellen indicatiebesluit geen geÔndiceerde zorg nodig 84 6.20. Is besloten tot opstellen schriftelijk advies voor andere dan geÔnd. zorg? 84 6.21. Is besloten tot verwijzing zonder schrift. advies naar andere dan geÔndiceerde zorg? 85 6.22. Verlenen ambulante jeugdzorg door BJz 86 6.23. Verwijzen naar andere dan geÔnd. zorg (zonder schriftelijk advies) 86 6.24. Verwijzen naar andere dan geÔnd. zorg met schriftelijk advies 86

6.24.1. Opstellen schriftelijk advies 87

6.24.2. Versturen schriftuur aan huisarts 87

6.25. Uitvoeren casemanagement andere dan geÔndiceerde zorg 88 7. UITVOEREN CASEMANAGEMENT GEŌNDICEERDE ZORG 89 7.1. Bijstaan/motiveren cliŽnt bij tot gelding brengen aanspraak 93 Processen bureau jeugdzorg Versie 2 Definitief 18 mei 2005 5

7.1.1. Bespreken mogelijkheden met cliŽnt 95

7.1.2. Zijn er redenen om aan te nemen dat de aanspraak tot gelding gebracht zal

worden? 96

7.1.3. Faciliteren aanmelding cliŽnt bij zorgaanbieder 96

7.1.4. Is er sprake van gezinsvoogdij? 97

7.1.5. Zijn er redenen tot het geven van een aanwijzing? 97

7.1.6. Geven aanwijzing voor accepteren zorg 97

7.1.7. Wordt de aanwijzing opgevolgd? 99

7.1.8. Is uithuisplaatsing wenselijk? 99

7.1.9. Afsluiten na conclusie uithuisplaatsing niet wenselijk 99

7.1.10. Is medewerking cliŽnt verplicht i.h.k.v. een jeugdreclasseringstraject? 99

7.1.11. Melden niet meewerken jeugdige aan OM of directeur justitiŽle jeugdinrichting 100

7.1.12. Zijn er redenen tot verzoek tot onderzoek RvdK? 100

7.1.13. Afsluiten na niet meewerken cliŽnt en geen reden verzoek tot onderzoek RvdK 101

7.2. Bevorderen opstellen hulpverleningsplan door zorgaanbieder 101

7.2.1. Beoordelen plan zorgaanbieder 102

7.2.2. Ligt het plan in het verlengde van het indicatiebesluit? 103

7.2.3. Mededeling niet akkoord aan cliŽnt en zorgaanbieder; uitnodigen tot overleg 104

7.3. Volgen verleende zorg 104

7.3.1. Ontvangen melding zorgaanbieder aanvang zorg 107

7.3.2. Registreren datum aanvang zorg en gegevens over soort zorg 107

7.3.3. Betreft het zorg waarvoor een ouderlijke bijdrage verschuldigd is? 107

7.3.4. Mededeling aanvang zorg aan LBIO 109

7.3.5. De verleende zorg wordt gevolgd 109

7.4. Afhandelen beŽindiging verleende zorg 109

7.4.1. Ontvangen melding zorgaanbieder beŽindiging zorg 111

7.4.2. Registreren datum beŽindiging zorg 111

7.4.3. Betreft het zorg waarvoor een ouderlijke bijdrage verschuldigd is? 111

7.4.4. Mededeling aanvang zorg aan LBIO 111

7.4.5. Afsluiten 111

7.5. Uitvoeren eindevaluatie 111 7.6. Lijkt verdere zorg nodig? 111 7.7. Analyse en opstellen diagnostisch beeld 112 7.8. Bepalen of cliŽnt (na)zorg nodig heeft 112 7.9. Heeft cliŽnt nog (na)zorg nodig? 112 7.10. Adviseren cliŽnt zorg 112 7.11. Bijstaan cliŽnt verkrijgen zorg 112 7.12. Afsluiten 113 8. UITVOEREN CASEMANAGEMENT ANDERE DAN GEŌNDICEERDE ZORG 114 9. PROCESSEN GEZINSVOOGDIJ 116 9.1. Aanmelding en Acceptatie gezinsvoogdij 119 Processen bureau jeugdzorg Versie 2 Definitief 18 mei 2005 6

9.1.1. Aanwijzen gezinsvoogd 120

9.1.2. Plannen eerste contact 123

9.1.3. Versturen mededeling minderjarige en ouder(s) of voogd 123

9.2. Uitvoeren gezinsvoogdij 123

9.2.1. Uitvoeren plan 126

9.2.2. Evalueren 126

9.2.3. Voortzetting maatregel wenselijk? 126

9.2.4. Aanvragen verlenging 127

9.2.5. Bijstelling nodig? 127

9.2.6. Bijstellen plan 127

9.2.7. BeŽindigen 127

9.2.8. Mededelen beŽindiging aan RvdK 127

9.3. Uithuisplaatsing (bij gezinsvoogdij) 128

9.3.1. Bepalen "soort" uithuisplaatsing 132

9.3.2. Heeft de uithuisplaatsing betrekking op geÔndiceerde zorg? 132

9.3.3. Is er een indicatiebesluit dat aanspraak op 24-uurs verblijf inhoudt? 132

9.3.4. Aanvragen machtiging UHP ihkv geÔnd. zorg 132

9.3.5. Machtiging UHP verkregen (ihkv geÔnd zorg)? 132

9.3.6. Afsluiten na niet verkrijgen machtiging UHP 133

9.3.7. Aanvragen machtiging UHP - niet ihkv geÔnd. zorg 133

9.3.8. Machtiging UHP verkregen (niet ihkv geÔnd. zorg)? 133

9.3.9. Regelen uithuisplaatsing niet ihkv geÔnd. zorg 134

9.3.10. Afsluiten na niet verkrijgen machtiging UHP 134

10. PROCESSEN VOOGDIJ 135 10.1. Aanmelding en Acceptatie voogdij 137

10.1.1. Aanwijzen voogdijwerker 139

10.1.2. Plannen eerste contact 141

10.1.3. Versturen mededeling minderjarige en ouder(s) of verzorger(s) 141

10.2. Uitvoeren voogdij 141

10.2.1. Uitvoeren plan 144

10.2.2. Evalueren 144

10.2.3. Is beŽindiging voogdij aan de orde? 144

10.2.4. Bijstelling plan nodig? 144

10.2.5. Bijstellen plan 144

10.2.6. BeŽindigen voogdij 145

10.3. Plaatsing bij voogdij 145 11. PROCESSEN JEUGDRECLASSERING 147 11.1. Aanmelding en Acceptatie jeugdreclassering 150

11.1.1. Aanwijzen reclasseringswerker 151

11.1.2. Plannen eerste contact 154

11.1.3. Versturen mededeling minderjarige en ouder(s) of verzorger(s) 154

Processen bureau jeugdzorg Versie 2 Definitief 18 mei 2005 7 11.2. Uitvoeren jeugdreclassering 154

11.2.1. Uitvoeren plan 156

11.2.2. Evalueren 156

11.2.3. Is beŽindiging aan de orde? 156

11.2.4. Bijstelling plan nodig? 157

11.2.5. Bijstellen plan 157

11.2.6. Melden bij de RvdK 157

11.2.7. Betreft af te sluiten traject een verplichte voorwaarde? 157

11.2.8. BeŽindigen 157

11.2.9. (evt.) Uitvoeren vrijwillige nazorg 157

11.2.10. Melden bij OM/Directeur justitiŽle jeugdinrichting/selectiefunctionaris 158

12. FUNGEREN ALS AMK 159 12.1. Beoordelen contact 162 12.2. Is/zijn betrokkenen bekend bij BJz? 163 12.3. Opvragen informatie 163 12.4. Is er sprake van een crisissituatie? 163 12.5. Informeren melder crisissituatie 163 12.6. Aanleiding tot actie AMK? 163 12.7. Informeren melder dat AMK geen actie onderneemt 164 12.8. Afsluiten na conclusie geen aanleiding tot handelen 164 12.9. Kan worden volstaan met een advies? 164 12.10. Geven advies aan melder 164 12.11. Is ťťn advies voldoende? 164 12.12. Registreren en afsluiten na geven advies of consult 165 12.13. Verlenen consult aan melder 165 12.14. Is consult voldoende? 165 12.15. Controleren of betrokkenen bekend zijn bij de RvdK 165 12.16. Redenen tot overdracht aan de RvdK? 165 12.17. Overdragen aan raad voor de kinderbescherming 166 12.18. Starten onderzoek 166 12.19. Kunnen betrokkenen geÔnformeerd worden? 167 12.20. Informeren betrokkenen 168 12.21. Zijn er redenen tot informeren andere just. autoriteiten? 168 12.22. Informeren andere justitiŽle autoriteiten 168 12.23. Sprake van kindermishandeling? 168 12.24. Informeren ouders en aanbieden hulp 169 12.25. Werken de ouders mee? 169 12.26. Zijn er redenen tot het doen van een verzoek tot onderzoek bij de RvdK? 169 12.27. Registreren en afsluiten na conclusie kindermishandeling 169 12.28. Informeren ouders conclusie geen kindermishandeling 170 12.29. Informeren melder dat onderzoek is afgerond 170 Processen bureau jeugdzorg Versie 2 Definitief 18 mei 2005 8 12.30. Lijkt verdere zorg nodig en werken ouders mee? 170 12.31. Registreren en afsluiten na conclusie geen kindermishandeling 170 13. VERLENEN AMBULANTE JEUGDZORG (BJZ) 171 14. BIJZONDERE SITUATIES 172 14.1. Behandelen crisissituaties 172

14.1.1. Beoordelen spoedeisendheid situatie 175

14.1.2. Lijkt jeugdzorg nodig? 175

14.1.3. Afsluiten 175

14.1.4. Is onmiddellijke verlening jeugdzorg noodzakelijk? 175

14.1.5. Vaststellen te verlenen zorg 175

14.1.6. GeÔndiceerde zorg nodig? 175

14.1.7. Uithuisplaatsing wenselijk? 176

14.1.8. Realiseren geÔndiceerde zorg bij crisis 176

14.1.9. Verlenen ambulante jeugdzorg (BJz) 176

14.1.10. Bepalen of cliŽnt verdere zorg nodig heeft 176

14.1.11. Nog verdere zorg nodig? 176

14.1.12. Afsluiten 177

14.2. BeŽindiging hulp door cliŽnt 177 14.3. Uithuisplaatsing bij crisis 178

14.3.1. Informeren ouders 180

14.3.2. Vaststellen of ouders/jeugdige akkoord gaan 180

14.3.3. Ouders en jeugdige akkoord? 180

14.3.4. Bepalen of verzoek tot onderzoek aan Raad nodig is 180

14.3.5. Redenen verzoek tot onderzoek RvdK? 180

14.3.6. Bepalen of spoed nodig is 181

14.3.7. Reden tot spoed? 181

14.3.8. Verzoeken tot spoedonderzoek bij Raad 181

14.3.9. Verzoeken tot onderzoek bij Raad 181

14.3.10. Informeren Raad verblijfplaats jeugdige 181

14.3.11. Plaatsen jeugdige 181

14.3.12. Registreren 181

14.3.13. Afsluiten 181

14.4. Doen van een verzoek tot onderzoek (dan wel spoedonderzoek) bij de RvdK 182

14.4.1. Informeren ouders over verzoek aan de RvdK 182

14.4.2. Betreft het een verzoek tot spoedonderzoek? 183

14.4.3. Afwachten reactie van ouders 183

14.4.4. Vaststellen verzoek tot onderzoek 183

14.4.5. Indienen verzoek tot onderzoek bij de RvdK 183

14.4.6. Versturen afschrift aan de jeugdige en zijn ouders 183

14.4.7. Ontvangen terugkoppeling van de RvdK 184

15. UITVOEREN BEZWAAR EN BEROEP 185 Processen bureau jeugdzorg Versie 2 Definitief 18 mei 2005 9 15.1. Voorbereiding bezwaarprocedure 187

15.1.1. Registreren bezwaarschrift 189

15.1.2. Beoordelen ontvankelijkheid 189

15.1.3. Is bezwaarschrift ontvankelijk? 189

15.1.4. Voldoet het bezwaarschrift aan de formele vereisten 189

15.1.5. Versturen ontvangstbevestiging bij niet voldoen formele vereisten 189

15.1.6. Wordt het verzuim hersteld? 190

15.1.7. Versturen ontvangstbevestiging 190

15.1.8. Versturen mededeling niet-ontv. 190

15.1.9. Toetsen formele vereisten 190

15.2. Voorbereiden hoorzitting 191 15.3. Hoorzitting 191 15.4. Beslissing op bezwaar 192 15.5. In kennis stellen beslissing op bezwaar 192 16. KLACHTRECHT 194 Processen bureau jeugdzorg Versie 2 Definitief 18 mei 2005 10

Processen bureau jeugdzorg

Processen bureau jeugdzorg Versie 2 Definitief 18 mei 2005 11

1. Leeswijzer

A. Inleiding

Het referentiewerkmodel bureau jeugdzorg is ontwikkeld in opdracht van de Directie Jeugdbeleid van het ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport en de Directie Jeugd en Criminaliteitspreventie van het Ministerie van Justitie. Het model geeft op hoofdlijnen de werkprocessen van de bureaus jeugdzorg weer die voortvloeien uit de Wet op de jeugdzorg en dient als uitgangspunt te worden gezien voor verdere invulling door de bureaus jeugdzorg. Bij het ontwikkelen van het model zijn behalve de reeds genoemde ministeries ook het Interprovinciaal Overleg (IPO), de Maatschappelijk Ondernemers Groep (MOgroep) en de bureaus jeugdzorg nauw betrokken geweest. De doelen die worden nagestreefd met het ontwikkelen van het referentiewerkmodel zijn: • integratie en harmonisatie op het niveau van werkprocessen; • input voor het kwaliteitsbeleid van de bureaus jeugdzorg; • basis voor de informatiehuishouding van de bureaus jeugdzorg (en ketenpartners); • basis voor normprijsonderzoek. Het model in zijn huidige vorm is tot stand gekomen in twee fasen. In de eerste fase is met de ministeries, het IPO en de MOgroep een aantal criteria vastgesteld waaraan het model moest voldoen. Deze zijn leidend geweest bij het modelleren van het proces. Het betreft de volgende criteria: • eenheid van taal t.a.v. de werkprocessen; • transparant en eenduidig, heldere en eenvoudige taal; • inzicht in onderlinge relaties binnen het BJz en de afhankelijkheden van elkaar (“schakelmomenten”); • inzicht op hoofdlijnen geven in de relaties naar de ketenpartners; • basis voor definitie meetpunten in werkprocessen; • model vormt basis voor te starten normprijsonderzoek. In de tweede fase is het model ontwikkeld in een tiental intensieve workshopsessies met medewerkers van een aantal bureaus jeugdzorg. Waar de inhoud daarom vroeg, waren ook 'specialisten' aanwezig, zoals medewerkers van de MOgroep, van de raad voor de kinderbescherming en van de zorgaanbieders. Tevens heeft een klankbordgroep, bestaande uit diverse partijen uit de omgeving van de bureaus jeugdzorg meegedacht bij de ontwikkeling van het model. Het model is op punten waar de wet ruimte laat voor eigen invulling nog algemeen in zijn beschrijving. Tijdens de implementatie bestaat de mogelijkheid om als bureaus jeugdzorg de mogelijkheid gemeenschappelijk nadere invulling te geven aan deze ruimte. Processen bureau jeugdzorg Versie 2 Definitief 18 mei 2005 12

B. Wettelijk kader

Het referentiewerkmodel is een vertaling in werkprocessen van de Wet op de jeugdzorg en onderliggende regelgeving (Uitvoeringsbesluit wet op de jeugdzorg). Uitgegaan is van de wetteksten zoals die golden bij de inwerkingtreding van de wet op 1 januari 2005. Voorts is gebruik gemaakt van het Conceptbesluit Beleidsinformatie van maart 2005. Hierin zijn wel de verwijzigingen naar artikelen in de Wet en de onderliggende regelgeving aangepast. Waar wordt geciteerd uit de Memorie van Toelichting betreft het de toelichtingen van eerdere versies van de Wet en de onderliggende AMvB's. De artikelverwijzingen in deze teksten zijn aangepast en voorts zijn de laatste ontwikkelingen hierin verwerkt. . Waar het gaat de Wet op de jeugdzorg en de onderliggende regelgeving, en om artikelen uit andere wetten die in samenhang met deze wet zijn aangepast, worden in het referentiewerkmodel deze artikelen letterlijk geciteerd wanneer dat relevant is. Daar waar andere wetten dan de hierboven genoemde aan de orde zijn (zoals bijvoorbeeld het Wetboek van strafrecht), is meestal volstaan met een verwijzing naar de desbetreffende artikelen. De wet focust zich op het benoemen van taken en verantwoordelijkheden. Hierdoor kan het model beheersmatig overkomen. In de Wjz is ervoor gekozen de verantwoordelijkheid van de kwaliteit van de bureaus jeugdzorg en de zorg zeer sterk bij de instellingen zelf te leggen. Dit geldt ook voor de invulling van cliŽntgericht handelen, het serieus nemen van en het mee laten beoordelen door de cliŽnt. De wet en nadere regelgeving leggen derhalve weinig over de uitvoering van de primaire processen vast. In die zin is de Wjz dan ook te benoemen als een kaderstellende wet. Dit heeft voor het referentiewerkmodel allereerst tot gevolg dat het model niet moet worden beschouwd als een weergave van het proces wat een cliŽnt doorloopt in het bureau jeugdzorg. Ten tweede is het referentiewerkmodel gefocust op de taken die het bureau jeugdzorg moet uitvoeren en welke stappen daarin te onderscheiden zijn. Met andere woorden het wat van het bureau jeugdzorg is beschreven. Beslissingen over welke functionaris binnen het bureau jeugdzorg een taak uitvoert, welke organisatiestructuur gekozen wordt, wanneer een taak wordt uitgevoerd en in welke tijdspanne en op welke wijze (de kwaliteit) het bureau jeugdzorg levert, zijn een verantwoordelijkheid van de bureaus jeugdzorg zelf. Het is de opgave voor de bureaus jeugdzorg gezamenlijk en afzonderlijk om deze vragen die voortkomen uit het referentiewerkmodel in het wettelijk verplicht te voeren kwaliteitsbeleid te beantwoorden

C. Detaillering

Zoals hierboven al werd gesteld, is het model een vertaling van de wet en de onderliggende regelgeving. Waar deze gedetailleerd zijn is het model dat ook, waar deze ruimte laten voor Processen bureau jeugdzorg Versie 2 Definitief 18 mei 2005 13 nadere invulling blijft het model op een algemeen niveau in zijn beschrijving. Bij het ontwikkelen van het referentiewerkmodel is een belangrijk uitgangspunt geweest dat niet getreden zou worden in de bevoegdheden van de bureaus jeugdzorg. De bureaus kunnen het model dan ook verder naar eigen inzicht vormgeven, binnen de kaders die door de wet (en daarmee door het referentiewerkmodel) gesteld worden. Voorts geeft het model nadrukkelijk geen aanwijzingen over de inhoudelijke aspecten van het werk van de bureaus jeugdzorg. Keuzes omtrent te hanteren onderzoeksmethodieken, gesprekstechnieken e.d. behoren immers bij uitstek tot de eigen verantwoordelijkheid van de bureaus jeugdzorg. Het model beperkt zich bewust tot de meer formele aspecten.

D. Model en werkelijkheid

Een model kan nooit meer zijn dan een nogal abstracte beschrijving van de werkelijkheid. Daarmee is een model altijd in zekere zin statisch. Fasen in het proces en handelingen daarbinnen staan in het model strikt volgordelijk beschreven, waar ze in de werkelijkheid veel meer door elkaar heen lopen. In het model is bijvoorbeeld een duidelijke scheiding aangebracht tussen een fase waarin de situatie van de cliŽnt geanalyseerd wordt enerzijds en een fase waarin bepaald wordt welke zorg voor die cliŽnt wenselijk is anderzijds. In werkelijkheid zal in veel gevallen al een beeld van die zorg groeien tijdens de analysefase. Voorts richt het model zich op de zaken die gedaan moeten worden, zonder uitspraken te doen over wie die zaken dan moet uitvoeren, tenzij de wet expliciet eisen stelt op dit punt. Het staat de bureaus jeugdzorg dan ook in beginsel vrij om de taakverdeling in de processen vorm te geven. Een consequentie hiervan is ook, dat organisaties in de omgeving van het bureau jeugdzorg alleen zichtbaar zijn wanneer er sprake is van een duidelijk gestructureerd – in de wet omschreven – proces tussen het bureau jeugdzorg en de desbetreffende ketenpartner (met name de raad voor de kinderbescherming en de zorgaanbieders). In sommige artikelen in de wet worden expliciet overlegmomenten met de cliŽnt voorgeschreven. Deze zijn ook in het model terug te vinden. Daarmee kan de indruk worden gewekt dat alleen op die momenten in het proces overleg met de cliŽnt gevoerd wordt. Het behoeft naar onze overtuiging evenwel geen betoog dat dit overleg met de cliŽnt veel meer een continu proces zal zijn dan het model kan aangeven. Een aantal processen beschrijft hoe te handelen in situaties die zich op ieder moment kunnen voordoen, zoals crisissituaties of situaties waarin het vermoeden rijst dat er een voor de jeugdige bedreigende situatie ontstaat of ontstaan is. Deze processen zijn in het model apart beschreven onder de titel Bijzondere situaties. In principe wordt niet vanuit hoofdprocessen naar deze bijzondere processen verwezen, behalve op momenten waarin medewerkers van het bureau jeugdzorg extra alert zullen zijn op dergelijke situaties, zoals bij aanmelding of bij een eerste contact met een mogelijke cliŽnt in het kader van de "outreachende" taak van het bureau Processen bureau jeugdzorg Versie 2 Definitief 18 mei 2005 14 jeugdzorg. Processen bureau jeugdzorg Versie 2 Definitief 18 mei 2005 15

E. Gebruikte symbolen

In de processchema's wordt gebruikt gemaakt van een drietal symbolen.

Symbool

Betekenis

Beginactiviteit of afsluitende activiteit : de eerste resp. laatste actie van een proces. Een proces heeft altijd ťťn beginactiviteit, maar kan meerdere eindactiviteiten hebben, afhankelijk van de situatie. Soms wordt vanuit een processtap een stippellijnverbinding gemaakt naar dit symbool. Het betreft dan een verwijzing naar een activiteit (in de regel de beginactiviteit) van een ander werkproces. Activiteit of een deelproces: dit is een activiteit in het proces. Soms bestaat zo'n activiteit zelf ook weer uit een aantal stappen. In dat geval is er sprake van een deelproces Afvraging: in een activiteit kunnen een of meerdere beslissingen worden genomen, die gevolgen hebben voor de verdere afhandeling. Deze beslismomenten worden onder de activiteit beschreven waarin zij aan de orde zijn geweest. Het betreft altijd gesloten vragen, waarop dus alleen met 'ja' of 'nee' geantwoord kan worden. Ingewikkelder beslissingen worden in een werkproces 'uiteengerafeld' tot een reeks van dergelijke vragen. In het proces zie je dan een aantal van deze 'wiebers' onder elkaar. Met elkaar vormen ze een 'als dan' – redenering. De symbolen zijn onderling verbonden door pijlen, waarmee de volgorde van de stappen wordt aangegeven. Op deze wijze kunnen ook 'lussen' worden gemaakt voor reeksen processtappen die ťťn of meerdere malen herhaald (kunnen) worden. Processen bureau jeugdzorg Versie 2 Definitief 18 mei 2005 16

2. Wet op de jeugdzorg

A. Algemeen

De artikelen 5 tot en met 12 van de Wet beschrijven de taken die het bureau jeugdzorg heeft te vervullen. Een deel van deze taken is hier beschreven als hoofdproces, andere taken komen in het model terug als deelproces van een hoofdproces, en een klein aantal taken is terug te vinden als bijzonder proces. Ten slotte is in overleg met de opdrachtgever een aantal taken niet nader als proces uitgewerkt. Het model beschrijft als hoofdprocessen (en bijbehorende deelprocessen): • beoordelen of en zo ja, welke zorg een cliŽnt nodig heeft, het (doen) realiseren van die zorg en het evalueren ervan, met als deelprocessen: • indicatietaak (art. 5 Wjz); • casemanagement (art. 5, lid 1, sub f – j, Wjz), met als onderdeel daarvan de melding aan het Landelijk Bureau Inning Onderhoudsbijdragen (art. 12 Wjz); • verlenen van ambulante jeugdzorg (art. 10, lid 2, sub b, Wjz); • behandelen bezwaarprocedure tegen genomen indicatiebesluit (op grond van art. 5, lid 5, Wjz); • voorzover de hierboven genoemde taak niet op verzoek van de cliŽnt gebeurt, maar uit eigen beweging (art. 5, lid 3, Wjz), is een proces reageren op signaal van derden beschreven. Het betreft hier (een deel van de) de taak die in de toelichting als "outreachend" wordt beschreven; • uitoefenen van de voogdij of voorlopige voogdij (art. 10, lid 1, sub a, Wjz); • uitoefenen gezinsvoogdij (OTS) (art. 10, lid 1, sub b, Wjz.); • jeugdreclassering (art. 10, lid 1, sub c-d, Wjz); • fungeren als Advies- en Meldpunt Kindermishandeling (art. 10, lid1, sub e, Wjz). Bijzondere processen zijn processen die niet direct gekoppeld zijn aan ťťn van de hoofd- of deelprocessen, maar wel op elk moment binnen een van die processen uitgevoerd kunnen worden. Het gaat meestal om situaties die zich plotseling kunnen voordoen en die vragen om bijzondere stappen. Het betreft: • behandelen crisissituaties (op grond van art. 3, lid 5, Wjz en art. 14 Uitvoeringsbesluit Wet op de jeugdzorg); • in kennis stellen raad voor de kinderbescherming wanneer een maatregel met betrekking tot het gezag overwogen moet worden (art. 9 Wjz); • klachtafhandeling. Niet nader als proces uitgewerkt zijn de taken: • kindertelefoon (art. 10, lid 3, sub c, Wjz); • versterking voorliggende voorzieningen (art. 10, lid 3, sub a, Wjz).

B. Fasering in het model

Processen bureau jeugdzorg Versie 2 Definitief 18 mei 2005 17 Bij het opstellen van het model is steeds uitgegaan van een fasering in de hoofdprocessen. De onderscheiden fases zijn: 1. Aanmelding en Acceptatie 2. Analyse en Opstellen diagnostisch beeld 3. Vaststellen benodigde zorg 4. Realiseren benodigde zorg 5. Volgen (monitoren) verleende zorg 6. Evalueren 7. Afsluiten De eerste drie fasen zijn in het model terug te vinden als aparte processen. Voor de laatste vier fasen ligt dat anders. Deze fasen zijn in het model niet als aparte processen te zien, maar als processtappen. De fasen 4 t/m 7 zijn te herkennen in de processen: • Uitvoeren casemanagement geÔndiceerde zorg; • Uitvoeren casemanagement andere dan geÔndiceerde zorg; • Uitvoeren gezinsvoogdij; • Uitvoeren voogdij; • Uitvoeren jeugdreclassering.

C. Wet en onderliggende regelgeving

C.1. Doel van de Wet op de Jeugdzorg

In de Koninklijke boodschap staat vermeld dat: ‘het wenselijk is een wettelijke aanspraak op jeugdzorg voor zover daarop geen aanspraak bestaat ingevolge de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten of de Beginselenwet justitiŽle jeugdinrichtingen, te vestigen, een samenhangend aanbod van jeugdzorg te realiseren, dat aansluit op de behoefte, de toegang tot de jeugdzorg alsmede de bekostiging van de jeugdzorg waarop ingevolge deze wet aanspraak bestaat opnieuw te regelen’. De belangrijkste pijlers van de Wet op de jeugdzorg zijn: • De oprichting van ťťn bureau jeugdzorg per provincie en drie grootstedelijke regio’s; • Vraaggericht werken, en daarmee samenhangend een versterking van de positie van de cliŽnten, onder meer verankerd in een aanspraak op geÔndiceerde zorg, klachtrecht en medezeggenschap (door mogelijkheid voor cliŽnten om te participeren bij de beleidsvorming van zowel de bureaus jeugdzorg en de zorgaanbieders als de overheden); • Het recht op geÔndiceerde jeugdzorg (in beginsel tot 18 jaar) NB: dit houdt tevens acceptatieplicht zorgaanbieders in.

C.2. Structuur van de Wet op de Jeugdzorg

De Wet op de Jeugdzorg kent de volgende indeling (in hoofdstukken): I. algemene bepalingen Processen bureau jeugdzorg Versie 2 Definitief 18 mei 2005 18 II. aanspraken op jeugdzorg III. de stichting die een bureau jeugdzorg in stand houdt IV. zorgaanbod V. planning VI. uitkeringen en subsidies VII. beleidsinformatie VIII. toezicht IX. inzage in en het bewaren en vernietigen van bescheiden X. de vertrouwenspersoon XI. medezeggenschap XII. klachtrecht XIII. bijdrage in kosten van jeugdzorg XIV. wijziging van andere wetten XV. overgangs- en slotbepalingen Voor de Bureaus Jeugdzorg staan de belangrijkste bepalingen in de hoofdstukken III en VII. Daarnaast zijn met name de hoofdstukken IXX, XI en XII voor de bureaus van belang. Veel van de relevante regelgeving is neergelegd eenAlgemene Maatregel van Bestuur: het Uitvoeringsbesluit Wet op de jeugdzorg.

D Bureaus Jeugdzorg in de Wet op de Jeugdzorg

D.1 Algemene bepalingen (artikel 4)

• De Provincie moet ervoor zorgen dat er in de provincie een bureau jeugdzorg werkzaam is dat in stand wordt gehouden door een stichting. • Doel van de stichting is het instandhouden van een bureau jeugdzorg dat de in deze wet aan de stichting opgedragen taken vervult. • Eventuele nevendoelen zijn beperkt tot het verlenen van andere jeugdzorg dan in de wet genoemd en het geven van voorlichting advies bij opgroei- opvoedingsvraagstukken en het beantwoorden van vragen van jeugdigen over hun juridische positie. Eťn en ander voorzover daarvoor door de provincie toestemming is verleend; • Voorts zijn er bepalingen met betrekking tot bestuur en raad van toezicht. • De Provincie heeft bevoegdheden om in te grijpen (aanwijzingsbevoegdheid, schorsing en ontslag van bestuursleden van de stichting en de raad van toezicht).

D.2 Taken van de Bureaus jeugdzorg (artikel 4 - 12)

Als taken van het bureau jeugdzorg noemt de wet: • indicatietaak: beoordelen of en zo ja, welke zorg een cliŽnt nodig heeft, zowel op verzoek van cliŽnt als uit eigen beweging (art. 5 Wjz); • casemanagement (art. 10, lid 1, sub f – j, Wjz); Processen bureau jeugdzorg Versie 2 Definitief 18 mei 2005 19 • aan Landelijk Bureau Inning Onderhoudsbijdragen melden wanneer zorg waar een ouderbijdrage voor geldt start. en eindigt (art. 12 Wjz); • verlenen van ambulante jeugdzorg, binnen de door de provincie bij de subsidiŽring gestelde grenzen (art. 10, lid 2, sub b, Wjz); • uitoefenen van de voogdij of voorlopige voogdij (art. 10, lid 1, sub a, Wjz); • uitoefenen gezinsvoogdij (OTS) en voorlopige gezinsvoogdij (VOTS) (art. 10, lid 1, sub b, Wjz.); • jeugdreclassering (art. 10, lid 1, sub c-d, Wjz); • fungeren als Advies- en Meldpunt Kindermishandeling (art. 10, lid1, sub e, Wjz); • voortdurend bezien of ten aanzien van een jeugdige een maatregel in het gezag overwogen dient te worden, en waar nodig de raad voor de kinderbescherming hiervan in kennis stellen (art. 9, Wjz); • kindertelefoon, binnen de door de provincie bij de subsidiŽring gestelde grenzen (art. 10, lid 3, sub c, Wjz); • versterking voorliggende voorzieningen, binnen de door de provincie bij de subsidiŽring gestelde grenzen (art. 10, lid 3, sub a, Wjz).

D.3 Kwaliteit (artikel 13 - 15)

In de wet is een aantal kwaliteitseisen opgenomen. De wijze waarop stichting taken uitoefent dient schriftelijk vastgelegd te worden. Kernpunten van de eisen rond kwaliteit zijn: a. doeltreffend, doelmatig en cliŽntgericht (art. 13, lid 2, Wjz); b. uitvoering taken op basis van plan dat is afgestemd op de behoeften van de cliŽnt; dit plan wordt niet vastgesteld dan na overleg met de cliŽnt (art. 13, lid 3, Wjz); c. eisen aan organisatie (art. 13, lid 4, Wjz); d. een systematische bewaking, beheersing en verbetering van de kwaliteit van de uitvoering van de taken, in ieder geval te realiseren door het verzamelen en registreren van gegevens m.b.t. de kwaliteit van de uitvoering, het aan de hand daarvan toetsen van de kwaliteit en waar nodig veranderen van de werkwijze (art. 13, lid 5, Wjz); e. het aanwijzen van een contactpersoon ten aanzien van de cliŽnt; deze contactpersoon bevordert de continuÔteit in de taakuitvoering van het bureau jeugdzorg ten aanzien van de cliŽnt (art. 13, lid 8, WJz). Nadere regelgeving met betrekking tot de kwaliteit is neergelegd in het Uitvoeringsbesluit Wet op de jeugdzorg.

E. Uitwerking wettelijke taken in proces Bureaus Jeugdzorg

De Wet op de Jeugdzorg en de onderliggende regelgeving bevatten een aantal voorschriften die algemene gelding hebben, dat wil zeggen die niet voor ťťn of enkele van de taken gelden, maar voor allemaal. Voor zover het inrichtingseisen, deskundigheids- opleidingseisen e.d. betreft, zijn die in dit model buiten beschouwing gelaten. Processen bureau jeugdzorg Versie 2 Definitief 18 mei 2005 20

E.1 Kwaliteitseisen in de Wet op de Jeugdzorg

In art. 13 t/m 15 Wjz staat een aantal kwaliteitseisen vermeld. Genoemde eisen zijn onder andere: 1. Tot een verantwoorde uitvoering van de taken, genoemd in artikel 10, eerste lid, onder a, b, c en d, behoort in ieder geval dat de taken worden uitgevoerd op basis van een plan dat is afgestemd op de behoeften van de cliŽnt. Het plan wordt niet vastgesteld dan na overleg met de cliŽnt (art. 13, derde lid, Wjz); 2. De stichting gaat bij de uitoefening van haar taken uit van de godsdienstige gezindheid, de levensovertuiging en culturele achtergrond van de cliŽnt (art. 15 Wjz). De kwaliteitseisen zijn verder uitgewerkt in onderliggende besluiten.

E.2 Bepalingen in het Uitvoeringsbesluit Wet op de jeugdzorg

Het Uitvoeringsbesluit Wet op de jeugdzorg bevat de volgende algemene bepalingen: 1. De stichting informeert de cliŽnt over de taken en werkwijze van het bureau jeugdzorg en over zijn rechten. De informatie wordt in begrijpelijke vorm verschaft (art. 27); 2. De stichting maakt de cliŽnt duidelijk welke taak het bureau jeugdzorg ten aanzien van hem uitoefent (art. 27); 3. Art.32 stelt voorts als eis dat bij de taken indicatiestelling en van de justitiŽle taken een multidisciplinaire beoordeling van de betreffende problemen plaats moet vinden, indien de aard van de problematiek dit vergt.

E.3 Verwerking gegevens in Besluit beleidsinformatie jeugdzorg

In het Besluit beleidsinformatie jeugdzorg staan bepalingen vermeld over de verwerking van een aantal algemene gegevens door de Stichting. Naar deze bepalingen zal in het referentiewerkmodel worden verwezen bij de processen waarin zij een rol spelen.

F. De Wet op de jeugdzorg en de AWBZ

In de nota van toelichting bij het Besluit jeugdzorgaanspraken wordt nader ingegaan op de relatie tussen aanspraak op grond van de Wet op de jeugdzorg enerzijds en aanspraak op grond van de AWBZ anderzijds: Psychiatrische zorg en jeugdzorg Er bestaat een belangrijke relatie met de aanspraken die zijn geformuleerd in het Besluit zorgaanspraken AWBZ. Met name op het terrein van psychiatrische zorg is er een aantal lastig af te grenzen zorgvormen. In dit verband is het van belang op te merken dat de aanhef van artikel 2, eerste lid, van het Besluit zorgaanspraken AWBZ bepaalt dat de verzekerde slechts aanspraak heeft op de in dat eerste lid opgesomde vormen van zorg, voor zover die zorg niet kan worden bekostigd op grond van een andere wettelijke regeling. Gevolg hiervan is dat altijd eerst moet worden bezien of aanspraak bestaat ingevolge de Wet op de jeugdzorg. Is dat niet het geval, dan kan worden bezien of aanspraak bestaat ingevolge de AWBZ. In het Processen bureau jeugdzorg Versie 2 Definitief 18 mei 2005 21 artikelsgewijze deel van deze toelichting wordt concreet ingegaan op de wijze waarop de knelpunten over de afgrenzing zoveel mogelijk zijn weggenomen. Hieronder is een aantal algemene noties hierover opgenomen. Indien de ontregeling van het opgroeien fundamenteel is, blijkt de opvoedingsproblematiek vaak complex en zijn opgroeiproblemen van de kinderen en jongeren vaak meervoudig. Niet alleen loopt het thuis niet goed, maar ook in de buurt, op school en in het publieke domein doen zich problemen voor. Frequent spelen ernstige gedragproblemen en ernstige psychische problemen hierbij een rol: hetzij als (genetisch meebepaalde) oorzaak of een der oorzaken, hetzij als gevolg of een der gevolgen van de ontregeling. Bij kinderen en jongeren worden de problemen doorgaans in twee globale groepen onderscheiden: problemen die het gevolg zijn van pogingen om ontregeling te bestrijden door overcontrole en problemen die het gevolg zijn van het verdwijnen van controle. De eerste groep problemen noemt men meestal internaliserende problemen. Het betreft angsten, depressies, wanen, dwanghandelingen. De tweede groep noemt men doorgaans externaliserende problemen: opstandigheid, agressie, antisociaal gedrag en dergelijke. Daarnaast kunnen andere stoornissen zoals eetstoornissen, automutilatie, psychosen, psychosomatische stoornissen en posttraumatische stressstoornissen genoemd worden. De kinder- en jeugdpsychiatrie heeft expertise opgebouwd in het behandelen van deze stoornissen, waarbij biopsychologische factoren een rol spelen en, daarmee samenhangend, (psycho)farmacologische behandeling vaak onderdeel uitmaakt van de zorg. Voor zover en zolang deze problemen zich voordoen is derhalve zorg door de kinder- en jeugdpsychiatrie noodzakelijk. In veel gevallen zal deze psychiatrische zorg noodzakelijk zijn als onderdeel van of in combinatie met jeugdzorg waarop ingevolge de wet aanspraak bestaat. In andere gevallen zijn deze stoornissen zo dominant en verstorend in het opvoeden en opgroeien dat er sprake moet zijn van geÔntegreerde zorg en hulp onder een kinderpsychiatrisch regime. Processen bureau jeugdzorg Versie 2 Definitief 18 mei 2005 22

3. Aanmelding en Acceptatie

A. Algemeen

De Wet op de jeugdzorg stelt dat het bureau jeugdzorg de taak als bedoeld in artikel 5, eerste lid, uitoefent op verzoek van een cliŽnt of uit eigen beweging (art. 5, lid 3, Wjz). Het proces Aanmelding en Acceptatie beschrijft de stappen die worden uitgevoerd wanneer er contact is tussen het bureau jeugdzorg en een mogelijke cliŽnt met een probleem, een klacht of een vraag. Dit contact kan tot stand zijn gekomen doordat de mogelijke cliŽnt contact opneemt met het bureau jeugdzorg, of doordat het bureau jeugdzorg erin is geslaagd contact te leggen met een mogelijke cliŽnt. De situatie waarin een andere persoon dan een (mogelijke) cliŽnt contact opneemt met het bureau jeugdzorg, is beschreven in het proces Reageren op signaal van derde. Wanneer het bureau jeugdzorg een cliŽnt krijgt in het kader van een (gezins)voogdij- of reclasseringstaak, vindt in beginsel automatisch acceptatie plaats. Het aanmeldingsproces start in deze gevallen bij de stap "aanwijzen contactpersoon". Hierbij wordt een aantal bijzondere eisen gesteld. Om die reden zijn de aanmeldingsprocessen voor deze taken apart beschreven, resp. onder Uitvoeren gezinsvoogdij, Uitvoeren voogdij en Uitvoeren jeugdreclassering.

B. Het begrip cliŽnt en de indicatietaak van het bureau jeugdzorg.

Het begrip cliŽnt wordt door de wet omschreven als: • een jeugdige, zijn ouders of stiefouder of anderen die de jeugdige als behorend tot hun gezin verzorgen en opvoeden (art. 1 sub d, Wjz). Dit betekent voor het referentiewerkmodel nog niet dat iedereen die contact opneemt met het bureau jeugdzorg onmiddellijk een cliŽnt is; er wordt onderscheid gemaakt tussen een mogelijke (of potentiŽle) cliŽnt en een "echte" cliŽnt. De beslissing waarin een mogelijke cliŽnt daadwerkelijk als cliŽnt aangemerkt wordt, noemen we in het referentiewerkmodel de acceptatie. Belangrijk: Wanneer een mogelijke cliŽnt besluit een aanvraag in te dienen voor een indicatiebesluit – en het bureau jeugdzorg met hem krachtens artikel 27 van Uitvoeringsbesluit Wjz op die mogelijkheid wijzen – dan is hij daarmee per definitie een cliŽnt van het bureau jeugdzorg. Deze situatie kan op zich op elk moment in het proces voordoen. Niet rechtmatig in Nederland verblijvende vreemdelingen worden door de wet wel beschouwd als cliŽnten, maar zij hebben geen aanspraak op jeugdzorg:

Artikel 3, lid 1, Wjz

1. CliŽnten, behoudens niet rechtmatig in Nederland verblijvende vreemdelingen, hebben aanspraak op jeugdzorg. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden aard, Processen bureau jeugdzorg Versie 2 Definitief 18 mei 2005 23 inhoud en omvang van de jeugdzorg waarop aanspraak bestaat, geregeld. Ingevolge deze wet bestaat geen aanspraak op jeugdzorg waarop ingevolge de Beginselenwet justitiŽle jeugdinrichtingen aanspraak bestaat. Onder vreemdeling wordt in dit artikel verstaan hetgeen daaronder wordt verstaan in de Vreemdelingenwet 2000. Vanzelfsprekend vloeien de inhoudelijke criteria voor de beslissing tot acceptatie rechtstreeks voort uit de taken van het bureau jeugdzorg, in dit geval de indicatietaak zoals omschreven in artikel 5 Wjz:

Artikel 5 Wjz

1. De stichting heeft tot taak te bezien of een cliŽnt zorg nodig heeft in verband met opgroei-, opvoedings- of psychiatrische problemen, dan wel in verband met problemen van een cliŽnt, niet zijnde een jeugdige, die het onbedreigd opgroeien van een jeugdige belemmeren. 2. Tot de taak, bedoeld in het eerste lid, behoort het vaststellen of een cliŽnt is aangewezen op: a. jeugdzorg waarop ingevolge deze wet aanspraak bestaat, b. zorg, bestaande uit bij algemene maatregel van bestuur aan te wijzen vormen van geestelijke gezondheidszorg voor jeugdigen waarop ingevolge de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten aanspraak bestaat, c. zorg, bestaande uit bij algemene maatregel van bestuur aan te wijzen vormen van zorg voor verstandelijk gehandicapte jeugdigen waarop ingevolge de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten aanspraak bestaat, en d. jeugdzorg waarop ingevolge artikel 11a van de Beginselenwet justitiŽle jeugdinrichtingen aanspraak bestaat. 3. De stichting oefent de taak, bedoeld in het eerste lid, uit op verzoek van een cliŽnt of uit eigen beweging. 4. Uitgangspunt bij het uitoefenen van de taak, bedoeld in het eerste lid, is dat zorg het belang van een onbedreigde ontwikkeling van een jeugdige dient. Deze zorg is in verband hiermee niet ingrijpender dan noodzakelijk en wordt geboden zo dicht mogelijk bij de plaats waar de cliŽnt duurzaam verblijft en gedurende een zo kort mogelijke periode. 5. In afwijking van artikel 8:7 van de Algemene wet bestuursrecht is voor beroepen op grond van die wet tegen beschikkingen, gegeven op grond van artikel 5, tweede lid, of artikel 6, vierde lid, bevoegd de kinderrechter binnen het rechtsgebied waarvan de stichting haar zetel heeft. In de Memorie van Toelichting wordt nader uiteengezet om wat voor soort zorg het gaat (artikelsgewijze toelichting bij artikel 5):

Memorie van Toelichting, artikelsgewijs

artikel 5

Dit artikel bevat de indicatietaak van de stichting. De stichting moet vaststellen op welke Processen bureau jeugdzorg Versie 2 Definitief 18 mei 2005 24 jeugdzorg een cliŽnt is aangewezen. De stichting oefent ingevolge het voorgestelde tweede lid, deze taak niet alleen uit ten aanzien van jeugdzorg waarop ingevolge de onderhavige wet aanspraak bestaat, maar ook voor bij algemene maatregel van bestuur aan te geven AWBZ-verstrekkingen voor jeugdigen. Het betreft de jeugd-GGZ en de zorg voor verstandelijk gehandicapte jeugdigen met opgroei- of opvoedingsproblemen. De jeugd-GGZ zal de zorg omvatten die wordt geboden door de jeugdafdelingen van de Riagg, de poliklinieken en jeugdafdelingen van algemene psychiatrische ziekenhuizen, de poliklinieken en jeugdafdelingen psychiatrie van academische ziekenhuizen en poliklinieken en klinieken van instellingen voor kinder- en jeugdpsychiatrie. In de sfeer van de zorg voor verstandelijk gehandicapten zullen worden aangewezen die vormen van hulp die inspelen op opgroei- of opvoedingsproblemen. De indicatietaak betreft ook de jeugdzorg waarop ingevolge de Beginselenwet justitiŽle jeugdinrichtingen aanspraak bestaat (zie artikel 77, onderdeel D). (...) De taak beperkt zich evenwel niet tot het vaststellen van zorg waarop aanspraak bestaat. In de derde nota van wijziging is deze taak breder gedefinieerd. In de artikelsgewijze toelichting bij deze nota wordt de indicatietaak verder omschreven: Met de herformulering wordt de indruk dat indiceren alleen inhoudt het vaststellen van de zorg waarop aanspraak bestaat, weggenomen. Eerste, tweede en derde lid. In het eerste lid wordt de kerntaak van het bureau jeugdzorg beschreven, namelijk het bezien of een cliŽnt zorg nodig heeft in verband met opgroei- of opvoedings- of psychiatrische problemen dan wel in verband met problemen van cliŽnten, niet zijnde een jeugdige, die het onbedreigd opgroeien van een jeugdige belemmeren. In de omschrijving staat het onbedreigd opgroeien van een jeugdige centraal. Het onbedreigd opgroeien van een jeugdige kan belemmerd worden door problemen gelegen bij de jeugdige zelf (bijvoorbeeld problematiek gerelateerd aan de leeftijdsfase of een psychische stoornis), maar ook door problemen van bijvoorbeeld de ouders of pleegouders met de opvoeding. Tot slot kan sprake zijn van problemen van de ouders zelf. Hierbij kan gedacht worden aan verslavingsproblematiek of depressiviteit. Regelmatig zal ook een combinatie van bovengenoemde factoren aan de orde zijn. Dit betekent dat het bureau jeugdzorg ook kan verwijzen naar andere zorg dan bedoeld in art. 5, lid 2 Wjz. Zie hiervoor de begeleidende tekst bij Vaststellen benodigde zorg. Zie verder de begeleidende tekst bij de eerste stap van dit proces: Uitvoeren eerste oordeelsvorming. Processen bureau jeugdzorg Versie 2 Definitief 18 mei 2005 25

3.1. Uitvoeren eerste oordeelsvorming

A. Algemeen

Processen bureau jeugdzorg Versie 2 Definitief 18 mei 2005 26 Deze stap moet worden gezien als het eerste gesprek dat plaatsvindt tussen de mogelijke cliŽnt en het bureau jeugdzorg. Natuurlijk kan de mogelijke cliŽnt al bekend zijn bij het bureau. In dat geval zal het gehele proces van aanmelding en acceptatie snel kunnen verlopen. Gedurende de eerste oordeelsvorming worden in ieder geval vier vragen beantwoord, aan de hand waarvan verdere stappen gezet worden in het proces: • is de mogelijke cliŽnt 'aan het goede adres'? ("Voor BJz?") • is er sprake van een crisissituatie? • blijkt na enige tijd dat de cliŽnt voldoende geholpen is? • zo nee, is verdere hulp of onderzoek door het BJz nodig? De volgorde waarin deze vragen in het model zijn opgenomen is natuurlijk niet toevallig, maar moet ook weer niet zodanig worden opgevat dat ze altijd in deze volgorde aan de orde zullen komen. Een crisissituatie zal in de regel snel herkend worden, en daarmee zal dan de voorgaande vraag – is de mogelijke cliŽnt aan het goede adres – als vanzelf beantwoord zijn.

B. De vragen

B.1 Is de cliŽnt aan het goede adres? ("Voor BJz?")

In de Memorie van Toelichting wordt omschreven wat de doelgroep is van het bureau jeugdzorg: De doelgroep van de jeugdzorg bestaat uit jeugdigen, hun ouders, stiefouders en anderen, die een jeugdige als behorend tot hun gezin verzorgen en opvoeden. Pleegouders die in het kader van de jeugdzorg pleegzorg bieden, zijn in die hoedanigheid geen cliŽnt. Zij maken immers onderdeel uit van het aanbod. Zij kunnen echter wel een behoefte hebben aan jeugdzorg als het pleegkind in hun gezin opgroei- of opvoedingsproblemen heeft. Alleen in dat geval zijn zij cliŽnt en vallen zij onder 'anderen' uit de definitie van jeugdzorg. Wanneer het pleegkind langdurig in het pleeggezin verblijft, zouden zich immers opgroei- en opvoedproblemen voor kunnen doen die door het bureau jeugdzorg gediagnosticeerd moeten worden (hierover meer in de toelichting op artikel 1). De vraag is op te splitsen in twee vragen: • kan de mogelijke cliŽnt op formele gronden als cliŽnt worden aangemerkt? • kan de mogelijke cliŽnt op inhoudelijke gronden als cliŽnt worden aangemerkt? De formele gronden zijn te herleiden uit de begripsbepalingen in de wet voor "jeugdige" en "cliŽnt" (art1. resp. sub b. en sub d., Wjz) en uit art. 3, lid 1 en 2, Wjz.

Artikel 1, sub b en d, Wjz

In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: b. jeugdige: een in Nederland verblijvende persoon die: Processen bureau jeugdzorg Versie 2 Definitief 18 mei 2005 27 1 de meerderjarigheidsleeftijd nog niet heeft bereikt, 2 de meerderjarigheidsleeftijd heeft bereikt en ten aanzien van wie op grond van artikel 77c van het Wetboek van Strafrecht recht is gedaan overeenkomstig de artikelen 77g tot en met 77gg van het Wetboek van Strafrecht, of 3 de meerderjarigheidsleeftijd doch niet de leeftijd van drieŽntwintig jaren heeft bereikt, en voor wie voortzetting van jeugdzorg, die was aangevangen of waarvan de aanvraag, bedoeld in artikel 7, eerste lid, was ingediend vůůr het bereiken van de meerderjarigheidsleeftijd, noodzakelijk is of voor wie, na beŽindiging van jeugdzorg die was aangevangen vůůr het bereiken van de meerderjarigheidsleeftijd, binnen een termijn van een half jaar hervatting van jeugdzorg noodzakelijk is; d. cliŽnt: een jeugdige, zijn ouders of stiefouder of anderen die de jeugdige als behorend tot hun gezin verzorgen en opvoeden;

Artikel 3 Wjz, lid 1 en 2

1. CliŽnten, behoudens niet rechtmatig in Nederland verblijvende vreemdelingen, hebben aanspraak op jeugdzorg. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden aard, inhoud en omvang van de jeugdzorg waarop aanspraak bestaat, geregeld. Ingevolge deze wet bestaat geen aanspraak op jeugdzorg waarop ingevolge de Beginselenwet justitiŽle jeugdinrichtingen aanspraak bestaat. Onder vreemdeling wordt in dit artikel verstaan hetgeen daaronder wordt verstaan in de Vreemdelingenwet 2000. 2. Gedeputeerde staten van de provincie waarin de jeugdige voorafgaand aan de aanvang van de jeugdzorg, duurzaam verblijft, dragen ervoor zorg dat cliŽnten hun aanspraak op jeugdzorg als bedoeld in het eerste lid, tot gelding kunnen brengen. De inhoudelijke gronden hangen samen met de taak van het bureau jeugdzorg. Het gaat er hier om of het bureau jeugdzorg de aangewezen instantie is om iets te doen met de vraag, de klacht of het probleem waarmee de mogelijke cliŽnt aanklopt bij het bureau. De criteria zijn te herleiden uit de begripsbepaling in de wet voor "jeugdzorg" in art. 1 sub c, Wjz:

Artikel 1, sub c, Wjz

In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: c. jeugdzorg: ondersteuning van en hulp aan jeugdigen, hun ouders, stiefouders of anderen, die een jeugdige als behorende tot hun gezin verzorgen en opvoeden, bij opgroei- of opvoedingsproblemen of dreigende zodanige problemen; De Memorie van Toelichting geeft een nader antwoord op de vraag wat jeugdzorg is en voor wie deze zorg bedoeld is: Het begrip jeugdzorg wordt in artikel 1 van het wetsvoorstel breed gedefinieerd als ondersteuning van en hulp aan jeugdigen, hun ouders, stiefouders of anderen, die een jeugdige als behorende tot hun gezin verzorgen en opvoeden, bij opgroei- en Processen bureau jeugdzorg Versie 2 Definitief 18 mei 2005 28 opvoedingsproblemen of dreigende zodanige problemen. De definitie geeft de grenzen aan van jeugdzorg. Jeugdzorg is ingevolge deze definitie hulp en steun bij opgroei- en opvoedingsproblemen of dreigende zodanige problemen. Dit betekent dat jeugdzorg geen antwoord behoeft te bieden op simpele opvoedingsvragen zoals hoeveel slaap heeft een kind van twee jaar eigenlijk nodig. Het gaat om situaties waarin de opvoeding problematisch dreigt te worden. Dit zijn situaties waarin ouders niet in staat zijn geheel zelfstandig aan problemen van een jeugdige waarvoor zij verantwoordelijk zijn het hoofd te bieden. Ouders kunnen onmachtig zijn een kind op te voeden, waardoor problemen ontstaan. Ook kunnen zich in een normaal verlopende opvoedingssituatie opgroei- en opvoedingsproblemen voordoen. In zulke situaties biedt de jeugdzorg hulp en ondersteuning. Wanneer is vastgesteld dat de mogelijke cliŽnt een hulpvraag heeft met betrekking tot jeugdzorg en daarmee geholpen wil dan wel moet worden, heeft acceptatie plaatsgevonden en dient een aantal zaken te worden geregistreerd. Welke zaken dat zijn, is vastgelegd in het Besluit beleidsinformatie jeugdzorg. Zie hiervoor de toelichting bij de activiteit Registreren gegevens in dit proces. Wanneer blijkt dat de mogelijke cliŽnt 'aan het verkeerde adres' is, wordt het proces afgesloten. Eventueel kan de cliŽnt worden verwezen naar een instantie waar hij of zij met zijn vraag, klacht of probleem terecht zou kunnen. In het processchema is dit weergegeven als verwijzen.

B.2 Is er sprake van een crisissituatie?

Wanneer er sprake is (of lijkt te zijn) van een crisissituatie, gaat het proces verder zoals omschreven bij Behandelen crisissituaties. De procesbeschrijving is te vinden onder Bijzondere situaties.

B.3 Blijkt na enige tijd dat voldoende hulp geboden is?

Het kan zijn dat tijdens het gesprek tussen de cliŽnt en een hulpverlener van het bureau blijkt dat de cliŽnt zich voldoende geholpen voelt en weer zelfstandig 'verder kan'. In dat geval wordt een beperkt aantal gegevens geregistreerd en wordt het proces afgesloten.

B.4 Is verdere hulp of onderzoek door het BJz nodig?

Wanneer blijkt dat de vraag, de klacht of het probleem van de cliŽnt meer vergt dan het lopende gesprek, is de vraag of een verwijzing naar het lokale veld voldoet, dan wel of het bureau jeugdzorg verdere hulp of onderzoek moet bieden. In het eerste geval wordt de cliŽnt gewezen op de mogelijkheid zich te wenden tot een aanbieder van zorg in het lokale veld. In het tweede geval wordt aan de cliŽnt verteld wie zijn of haar contactpersoon zal zijn en wordt een afspraak gemaakt voor verder contact. Processen bureau jeugdzorg Versie 2 Definitief 18 mei 2005 29

3.2. Voor BJz?

Beoordeeld is of de cliŽnt bij het bureau jeugdzorg aan het goede adres is. • Indien de cliŽnt 'voor het BJz is' , is bepaald of het een crisissituatie betreft. • Indien de cliŽnt niet 'voor het BJz is', wordt de cliŽnt verwezen.

3.3. Eventueel verwijzen

Het proces wordt afgesloten. Eventueel kan de cliŽnt worden verwezen naar een andere instantie waar hij met zijn vraag, klacht of probleem terecht kan. Het kan dan bijvoorbeeld gaan om een consultatiebureau, budgetteringsondersteuning e.d..

3.4. Crisissituatie?

Beoordeeld is of het een crisissituatie betreft. • Indien het een crisissituatie betreft, wordt het proces Behandelen crisissituaties gestart. • Indien het gťťn crisissituatie betreft, is beoordeeld of er al voldoende hulp geboden is.

3.5. Voldoende hulp geboden?

Beoordeeld is of op dit moment voldoende hulp is geboden. • Indien voldoende hulp geboden is, worden de benodigde gegevens geregistreerd. • Indien nog niet voldoende hulp is geboden, is beoordeeld of verdere hulp dan wel onderzoek van het bureau jeugdzorg nodig is.

3.6. Verdere hulp/onderzoek van BJz nodig?

Beoordeeld is of er nog verdere hulp dan wel onderzoek van het bureau jeugdzorg nodig is. • Indien er nog verdere hulp/onderzoek van het bureau jeugdzorg nodig is, wordt een contactpersoon benoemd. • Indien er gťťn verdere hulp/onderzoek van het bureau jeugdzorg nodig is, worden de benodigde gegevens geregistreerd.

3.7. Verstrekken informatie aan cliŽnt en benoemen contactpersoon

In het Uitvoeringsbesluit WJz wordt gesteld dat het bureau de cliŽnt informatie dient te verstrekken (artikel 27). Bovendien stelt de Wet op de jeugdzorg in artikel 13, lid 8, dat ten aanzien van de cliŽnt een contactpersoon dient te worden aangewezen. In het Processen bureau jeugdzorg Versie 2 Definitief 18 mei 2005 30 referentiewerkmodel wordt ervan uitgegaan dat wanneer het gaat om een voogdij- of jeugdreclasseringstaak, de contactpersoon waarvan in het besluit sprake is, de voogdijwerker of de reclasseringswerker is. Deze combinatie van taken is evenwel alleen verplicht voor de gezinsvoogdijtaak.

Artikel 27 Uitvoeringsbesluit Wjz

1. De stichting informeert de cliŽnt over de taken en werkwijze van het bureau jeugdzorg en over zijn rechten. De informatie wordt in begrijpelijke vorm verschaft. 2. De stichting maakt de cliŽnt duidelijk welke taak het bureau jeugdzorg ten aanzien van hem uitoefent.

Artikel 13, lid 8, Wjz

De stichting wijst ten aanzien van een cliŽnt een contactpersoon aan. De contactpersoon is aanspreekpunt voor de cliŽnt gedurende de gehele periode waarin de stichting een van haar wettelijke taken ten aanzien van de cliŽnt uitoefent. De contactpersoon bevordert de continuÔteit in de taakuitvoering van het bureau jeugdzorg ten aanzien van de cliŽnt en is de persoon die de cliŽnt in voorkomende gevallen jeugdzorg als bedoeld in artikel 10, derde lid, onder b, verleent. Zo mogelijk wijst de stichting bij de taakuitvoering ten aanzien van de cliŽnt in volgende gevallen dezelfde contactpersoon aan. De toelichting stelt hierover (onder kopje 3. Algemene eisen): Het bureau jeugdzorg is verplicht de cliŽnt informatie te verstrekken over de taken en werkwijze van het bureau jeugdzorg en over zijn rechten. Deze informatie moet in begrijpelijke vorm worden verschaft. Het is immers van belang dat de cliŽnt weet wat het bureau jeugdzorg voor hem wel en niet kan doen en ook welke bevoegdheden het bureau in zijn algemeenheid heeft. Daar hoort het niet bij te blijven, de cliŽnt zal moeten weten in welke hoedanigheid hij met het bureau te maken heeft en welke bevoegdheden het bureau jegens hem heeft. Dit laatste is vooral van belang als het gaat om de justitiŽle taken, waarbij de relatie cliŽnt bureau alles behalve vrijblijvend is. In verband hiermee is bovendien geregeld dat een cliŽnt binnen het bureau jeugdzorg een contactpersoon toegewezen zal moeten krijgen. De contactpersoon fungeert als aanspreekpunt voor de cliŽnt, opdat de cliŽnt snel en eenvoudig antwoord kan krijgen op vragen over bijvoorbeeld de voortgang van het indicatietraject of over het waarom van onderzoeken die het bureau nodig acht. De contactpersoon hoeft niet een medewerker te zijn die uitsluitend deze taak ten opzichte van de cliŽnt heeft. Een combinatie van functies ligt voor de hand. Artikelsgewijs stelt de toelichting voorts:

Artikel 27 Uitvoeringsbesluit Wjz

Processen bureau jeugdzorg Versie 2 Definitief 18 mei 2005 31 Een goede informatieverstrekking door het bureau jeugdzorg is voor de cliŽnt van groot belang. Deze bepaling strekt daartoe. In het eerste lid is een algemene informatieplicht voor de stichting geformuleerd. Deze informatieplicht omvat zowel informatie over de taken als over de werkwijze van het bureau jeugdzorg. Voorts kan gedacht worden aan informatie over bijvoorbeeld het aanvragen van een indicatiebesluit, de contactpersoon, de vertrouwenspersoon, het verwerken van gegevens en de regeling voor de behandeling van klachten. In het tweede lid is een specifieke informatieplicht opgenomen. Te allen tijde dient het de cliŽnt duidelijk te zijn welke taak het bureau jeugdzorg ten aanzien van hem uitoefent. Het is voor een cliŽnt namelijk een essentieel verschil of de medewerker van het bureau jeugdzorg bijvoorbeeld een gesprek met de cliŽnt voert in het kader van een ondertoezichtstelling (artikel 10, eerste lid, onder b van de wet) of een gesprek in het kader van de taak vaststellen op welke zorg de cliŽnt is aangewezen (artikel 5, eerste lid van de wet). Naar de cliŽnt toe moet het altijd duidelijk zijn welke taak die het bureau ten aanzien van hem uitvoert.De verschillende taken brengen immers verschillende bevoegdheden mee.

Artikel 13, lid 8, Wjz

Dit artikel regelt dat de stichting een contactpersoon ten aanzien van de cliŽnt aanwijst. De cliŽnt kan bij hem terecht met alle vragen (aanspreekpunt) die hij heeft over bijvoorbeeld procedures binnen het bureau jeugdzorg zoals de aanvraag van een indicatiebesluit of een verwijzing naar voorliggende voorzieningen. Er worden geen nadere regels gesteld over de taakomschrijving, deskundigheid etc. van deze contactpersoon. Het bureau jeugdzorg zal hieraan zelf invulling moeten geven. Wel zal het bureau jeugdzorg in de beschrijving van zijn werkwijze moeten verantwoorden op welke wijze invulling wordt gegeven aan deze verplichting (artikel 13, eerste lid, van de wet). De contactpersoon is geen specifieke functionaris. De contactpersoon kan degene zijn, die reeds contact heeft met de cliŽnt, maar dit hoeft niet. Het is mogelijk om bij de uitvoering van verschillende taken met betrekking tot ťťn en dezelfde cliŽnt of cliŽntsysteem een andere medewerker als contactpersoon aan te wijzen al dan niet op verzoek van de cliŽnt zelf. Zo kan de gezinsvoogd tevens als contactpersoon voor de jeugdige en zijn ouders optreden, terwijl ze in een voortraject mogelijk al een andere contactpersoon hadden. Een vergelijkbare situatie kan zich voordoen bij het verlenen van steun bij het tot gelding brengen van een aanspraak.

3.8. Maken eerste afspraak cliŽnt

Met de cliŽnt wordt een afspraak gemaakt voor een volgend gesprek. Het proces gaat verder bij Analyse en opstellen diagnostisch beeld.

3.9. Verwijzen voorliggende voorzieningen

De cliŽnt wordt verwezen naar voorliggende voorzieningen. Processen bureau jeugdzorg Versie 2 Definitief 18 mei 2005 32

3.10. Registreren gegevens

Deze registratiestap wordt uitgevoerd nadat: • de cliŽnt heeft aangegeven met het aanmeldingsproces voldoende hulp te hebben gehad, of • nadat de cliŽnt in het aanmeldingsproces is doorverwezen naar het lokale veld. In het Besluit beleidsinformatie bureau jeugdzorg wordt een aantal algemene gegevens genoemd die door het bureau jeugdzorg verwerkt moeten worden. N.B.: Niet alle gegevens die voortvloeien uit de opsomming in dit artikel zullen op dit moment van het proces al bekend zijn. Aangezien dit echter de plek in het referentiewerkmodel is waarop de geÔndiceerde zorg aanvangt, is het registratiemoment hier opgenomen.

Artikel 2

1. Voor de verwerking van de gegevens, bedoeld in artikel 42 van de wet, registeert de stichting bij de aanvang van de eerste van een van de taken, bedoeld in artikel 5, eerste lid, of artikel 10, eerste lid, onder e tot en met j, of derde lid, onder b, van de wet de volgende gegevens: a. de datum van aanmelding van de cliŽnt; b. het vervolg dat de stichting geeft aan de aanmelding; c. in voorkomende gevallen het beroep van de beroepsmatig met de cliŽnt werkzame persoon of de instantie die de cliŽnt heeft aangemeld of de cliŽnt ertoe heeft bewogen zich aan te melden. 2. Onverminderd het eerste lid registreert de stichting per jeugdige bij de aanvang van de eerste van een van de taken, bedoeld in artikel 5, eerste lid, of artikel 10, eerste lid of derde lid, onder b, van de wet de volgende gegevens: a. de geboortedatum; b. het geslacht; c. het geboorteland of de geboortestreek, alsmede het geboorteland of de geboortestreek van zijn ouders; d. de dagbesteding; e. de leefsituatie; f. de gemeente van inschrijving in het bevolkingsregister; g. het adres in de gemeente van inschrijving in het bevolkingsregister; h. de verblijfplaats indien deze afwijkt van het adres, bedoeld onder f i. de al dan niet rechtmatigheid van het verblijf in Nederland, indien de jeugdige een vreemdeling als bedoeld in de Vreemdelingenwet 2000 is. 3. Voor zover taken bedoeld in artikel 10, eerste lid, onder a tot en met d, van de wet pas aanvangen nadat voor een cliŽnt toepassing is gegeven aan het eerste of het tweede lid voor een van de taken, bedoeld in artikel 10, eerste lid, onder e tot en met j, of het derde lid, onder b, van de wet, registreert de stichting voorts op het moment dat die taken aanvangen over de jeugdige: Processen bureau jeugdzorg Versie 2 Definitief 18 mei 2005 33 a. de dagbesteding; b. de leefsituatie; c. de gemeente van inschrijving in het bevolkingsregister; d. het adres in de gemeente van inschrijving in het bevolkingsregister; e. de verblijfplaats indien deze afwijkt van het adres, bedoeld onder d. Om te kunnen voldoen aan de registratie-eisen in dit artikel zullen minimaal de gegevens als bedoeld onder a. van dit artikel moeten worden vastgelegd.

3.11. Afsluiten

Het proces Aanmelding en Acceptatie wordt afgesloten. Processen bureau jeugdzorg Versie 2 Definitief 18 mei 2005 34

4. Reageren op signaal van derde

A. Algemeen

Niet alleen (mogelijke) cliŽnten nemen contact op met het bureau jeugdzorg, ook anderen kunnen om de aandacht van het bureau vragen. Dit kunnen personen zijn die aandacht vragen voor een mogelijke probleemsituatie die zij in hun omgeving onderkennen, professionals uit voorliggende voorzieningen die om advies vragen (zie in dit verband art. 10, lid 3, onder b, Wjz), personen die een vermoeden van kindermishandeling willen melden, etc. Het is ook mogelijk dat het bureau jeugdzorg een signaal krijgt uit 'het netwerk', min of meer via via, van mogelijke probleemsituaties. Afhankelijk van de aard en herkomst van het signaal, zal het bureau jeugdzorg stappen moeten ondernemen. De verschillende 'routes' zijn in dit deel van het procesmodel weergegeven. Het proces kan worden gezien als een invulling van de 'outreachende' taak van het bureau jeugdzorg. Deze taak staat omschreven in de derde nota van wijziging:

3. Optreden bij signalen van derden over een voor een jeugdige bedreigende situatie

In veel gevallen zullen ouders en jeugdigen zelf hulp zoeken als zij zich realiseren dat zij problemen hebben waaraan zij niet zonder hulp van buitenaf het hoofd kunnen bieden. Zij zullen in eerste instantie hulp zoeken in de directe omgeving bij familie of vrienden of bij lokale voorzieningen als het consultatiebureau of het algemeen maatschappelijk werk. (...). Als zij er op die manier niet uitkomen – en dan kunnen we spreken van ernstige problemen - kunnen zij zich wenden tot het bureau jeugdzorg. (...). Niet alle ouders en jeugdigen realiseren zich echter dat er sprake is van een probleemsituatie. Er zijn gevallen waarbij het probleeminzicht van de ouders en/of de jeugdige ontbreekt. Regelmatig constateren voorzieningen als scholen, consultatiebureaus of het algemeen maatschappelijk werk, opgroei- en opvoedingsproblemen of een gezinssituatie die gemakkelijk tot dergelijke problemen kan leiden. Als deze zodanig zijn dat deze voorzieningen er weinig mee kunnen doen, kan zorg in de sfeer van jeugdzorg waarop aanspraak bestaat, geestelijke gezondheidszorg voor jeugdigen of soms zelfs jeugdzorg in een justitiŽle jeugdinrichting, nodig zijn. Voorgesteld wordt om het bureau jeugdzorg de taak (artikel 5, derde lid) te geven om contact te zoeken met het gezin op basis van ontvangen signalen van derden indien sprake is van een voor een jeugdige bedreigende situatie. Het wordt dan mogelijk hulpverlening op gang te brengen bij gezinnen, die niet zelf hulp zoeken. In het wetsvoorstel, zoals dit tot de onderhavige nota van wijziging luidde, was een dergelijke taak niet expliciet in het wetsvoorstel opgenomen. Met de nota van wijziging wordt het een expliciete taak van het bureau jeugdzorg actief te reageren op een signaal van een mogelijke bedreiging van een Processen bureau jeugdzorg Versie 2 Definitief 18 mei 2005 35 kind. De beoordeling of van een dergelijke situatie sprake is, ligt bij het bureau jeugdzorg. Het bureau jeugdzorg zal contact op moeten nemen met betrokkenen en hen motiveren de problemen onder ogen te zien, met hen nagaan welke hulp nodig is en hen motiveren tot het aanvaarden van hulp. De activiteiten van het bureau zijn in principe dezelfde als bij cliŽnten die zelf om hulp vragen. Alleen komt er bij deze cliŽnten bij dat zij er van overtuigd moeten worden dat er problemen zijn en dat er iets moet gebeuren. In deze gevallen zal het proces van indicatiestelling een hulpverleningskarakter aannemen, maar het blijft een onderdeel van indicatiestelling. Dit betekent dat het altijd moet gaan om het zoeken naar het antwoord op de vraag of, en zo ja welke zorg een cliŽnt nodig heeft. Is de hulp zodanig urgent dat voor dat laatste geen tijd is of betrokkenen niet bereid zijn mee te werken, dan kan een maatregel van kinderbescherming geboden zijn en dient de raad voor de kinderbescherming hiervan in kennis te worden gesteld teneinde te onderzoeken of een maatregel van kinderbescherming moet worden gevraagd. In verband hiermee is de kerntaak van het bureau jeugdzorg geherformuleerd tot: “bezien of een cliŽnt zorg nodig heeft in verband met opgroei- of opvoedingsproblemen of in verband met problemen van cliŽnten, niet zijnde een jeugdige, die het onbedreigd opgroeien van een jeugdige belemmeren” (artikel 5, eerste lid). Deze omschrijving is breder dan de oorspronkelijk voorgestelde en sluit beter aan bij het takenpakket dat het bureau jeugdzorg heeft. De tekst van het wetsvoorstel was erg gericht op het toetsen van de noodzaak van zorg als bedoeld in artikel 5, tweede lid. De tekst is zodanig aangepast dat het bureau jeugdzorg nu de algemene taak heeft om te beoordelen of, en zo ja, welke zorg cliŽnt nodig heeft. Het gaat daarbij niet alleen om aanspraken in de sfeer van de Wet op de jeugdzorg, de AWBZ, of de Beginselenwet justitiŽle jeugdinrichtingen of om andere jeugdzorg, maar nu ook om vormen van zorg ter oplossing van problemen die buiten de directe opvoeding(srelatie) liggen, maar wel op de opvoeding van invloed (kunnen) zijn. De herformulering van de kerntaak van het bureau jeugdzorg en zijn taak om eigener beweging contact op te nemen met een gezin is uitdrukkelijk niet bedoeld om een onderzoek te starten naar de noodzaak van een kinderbeschermingsmaatregel zoals de raad voor de kinderbescherming dat uitvoert. Het onderzoek naar de noodzaak van een kinderbeschermingsmaatregel en het entameren daarvan bij de rechter is en blijft voorbehouden aan de raad voor de kinderbescherming. Wel is het bedoeld om de leemte tussen zorg op verzoek van de cliŽnt en de zorg afgedwongen door een kinderbeschermingsmaatregel op te vullen. Wij willen voorkomen dat een bureau jeugdzorg niets kan doen zonder toestemming van de cliŽnt en dat de enige uitzondering daarop een maatregel van kinderbescherming is. Er zijn situaties dat er nog geen titel voor een kinderbeschermingsmaatregel is, maar hulp wel noodzakelijk is. Met de wijziging wordt de lacune tussen een maatregel en de constatering dat hulp nodig is, opgevuld. Op het moment dat het bureau jeugdzorg contact opneemt met de cliŽnt, is deze niet verplicht hieraan gehoor te geven. Door een outreachende aanpak van het bureau jeugdzorg kan dit Processen bureau jeugdzorg Versie 2 Definitief 18 mei 2005 36 echter wel bevorderd worden.Het gaat er met andere woorden om dat vroegtijdige signalering van ernstige opgroei- en opvoedingsproblemen snel kan leiden tot passende zorg. Het liefst in een vrijwillig kader, maar als het niet anders kan in het kader van een maatregel van kinderbescherming. Het bureau jeugdzorg zal er alert op moeten zijn of er aanleiding is een maatregel van kinderbescherming te overwegen. De raad voor de kinderbescherming zal daarvan in kennis moeten worden gesteld, waarna de raad een onderzoek naar de noodzaak van een kinderbeschermingsmaatregel kan starten. (...).

B. Registratie-eisen

In de wet- en regelgeving zijn geen eisen opgenomen over het verwerken van gegevens ten aanzien van dit proces. Processen bureau jeugdzorg Versie 2 Definitief 18 mei 2005 37 Processen bureau jeugdzorg Versie 2 Definitief 18 mei 2005 38

4.1. Bepalen herkomst en aard signaal

De eerste stap in dit proces is dat bepaald wordt van wie het signaal afkomstig is (bijvoorbeeld een professional, iemand uit het netwerk van de mogelijke cliŽnt, politie) en wat de aard van het signaal is. Aan de hand daarvan wordt bepaald hoe verder te handelen. In het model is dit verwoord in drie vragen: • geeft het signaal aanleiding tot handelen? • lijkt er sprake van een crisissituatie? • is er reden om (als bureau jeugdzorg) zelf contact op te nemen met de mogelijke cliŽnt?

4.2. Geeft signaal aanleiding tot handelen van het BJz zelf?

Bepaald is of de omschreven situatie aanleiding geeft actie te ondernemen in de richting van de mogelijke cliŽnt, hetzij als BJz, hetzij via degene van wie het signaal afkomstig is. • Indien dit het geval is, gaat het proces verder bij de volgende beslisstap: Lijkt er sprake te zijn

van een crisissituatie

• Indien er geen aanleiding tot verdere actie is, wordt het proces afgesloten. Dit wordt gemeld aan degene van wie het signaal afkomstig is, eventueel vergezeld van een advies.

4.3. Lijkt er sprake van crisissituatie?

Bij de beoordeling van de aard en de herkomst van het signaal is duidelijk geworden dat het signaal aanleiding geeft tot actie. Bovendien is bepaald of het al dan niet gaat om een crisissituatie. • Wanneer er inderdaad van een crisissituatie sprake is, wordt gehandeld zoals omschreven in het proces Behandelen crisissituaties onder Bijzondere situaties. • Wanneer er geen sprake lijkt te zijn van een crisis (maar er wel actie ondernomen moet worden), gaat het proces verder bij het volgende beslismoment: Is de melder geholpen met

een inhoudelijk advies?

4.4. Is de melder geholpen met een inhoudelijk advies?

Er is een inschatting gemaakt of de melder geholpen is met een inhoudelijk advies. • Lijkt dit zo te zijn, dan wordt een advies gegeven aan de melder • Lijkt dit niet zo te zijn, dan gaat het proces verder bij de afvraging of er redenen zijn als bureau jeugdzorg zelf contact op te nemen met de mogelijke cliŽnt. Processen bureau jeugdzorg Versie 2 Definitief 18 mei 2005 39

4.5. Geven inhoudelijk advies aan melder

De melder krijgt advies.

4.6. Is er reden zelf contact op te nemen met mogelijke cliŽnt?

Bij de beoordeling van de aard en herkomst van het signaal is vast komen te staan dat er aanleiding is voor actie, maar dat het geen crisis betreft. Bovendien is vastgesteld of er redenen zijn om zelf (als bureau jeugdzorg) contact op te nemen met de mogelijke cliŽnt. • Is dit inderdaad het geval, dan wordt getracht contact op te nemen met de mogelijke cliŽnt. • Zijn deze redenen er niet, dan kan (voor dit moment) worden volstaan met een advies aan degene van wie het signaal afkomstig is. Deze persoon wordt daarbij verzocht zelf contact op te nemen met de mogelijke cliŽnt, teneinde hem ertoe te bewegen zich bij het BJz aan te melden.

4.7. De melder verzoeken mogelijke cliŽnt ertoe te bewegen zich aan te melden

Degene van wie het signaal afkomstig is wordt verzocht contact op te nemen met de mogelijke cliŽnt en hem ertoe te bewegen zich aan te melden bij het BJz. Voorzover dat nodig is, wordt de persoon geadviseerd over hoe daarbij gehandeld kan worden. Als de mogelijke cliŽnt zich wil gaan melden, dan gaat het proces verder bij Aanmelding en Acceptatie op het moment dat de cliŽnt zich daadwerkelijk meldt bij het bureau jeugdzorg. Als de mogelijke cliŽnt zich niet lijkt te willen gaan melden, dan kan het bureau jeugdzorg ervoor (alsnog) kiezen om zelf contact op te nemen met de mogelijke cliŽnt.

4.8. Contact opnemen met mogelijke cliŽnt

Het bureau jeugdzorg neemt contact op met de mogelijke cliŽnt. Daarbij informeert het bureau de mogelijke cliŽnt zoals omschreven in artikel 27 van het Uitvoeringsbesluit Wjz (e.e.a. voorzover de mogelijke cliŽnt hiervoor ruimte laat):

Artikel 27 Uitvoeringsbesluit Wjz

1. De stichting informeert de cliŽnt over de taken en werkwijze van het bureau jeugdzorg en over zijn rechten. De informatie wordt in begrijpelijke vorm verschaft. 2. De stichting maakt de cliŽnt duidelijk welke taak het bureau jeugdzorg ten aanzien van hem uitoefent. De toelichting stelt hierover (onder kopje 3. Algemene eisen): Het bureau jeugdzorg is verplicht de cliŽnt informatie te verstrekken over de taken en Processen bureau jeugdzorg Versie 2 Definitief 18 mei 2005 40 werkwijze van het bureau jeugdzorg en over zijn rechten. Deze informatie moet in begrijpelijke vorm worden verschaft. Het is immers van belang dat de cliŽnt weet wat het bureau jeugdzorg voor hem wel en niet kan doen en ook welke bevoegdheden het bureau in zijn algemeenheid heeft. Daar hoort het niet bij te blijven, de cliŽnt zal moeten weten in welke hoedanigheid hij met het bureau te maken heeft en welke bevoegdheden het bureau jegens hem heeft. Artikelsgewijs stelt de toelichting voorts: Een goede informatieverstrekking door het bureau jeugdzorg is voor de cliŽnt van groot belang. Deze bepaling strekt daartoe. In het eerste lid is een algemene informatieplicht voor de stichting geformuleerd. Deze informatieplicht omvat zowel informatie over de taken als over de werkwijze van het bureau jeugdzorg. Voorts kan gedacht worden aan informatie over bijvoorbeeld het aanvragen van een indicatiebesluit, de contactpersoon, de vertrouwenspersoon, het verwerken van gegevens en de regeling voor de behandeling van klachten. In het tweede lid is een specifieke informatieplicht opgenomen. Te allen tijde dient het de cliŽnt duidelijk te zijn welke taak het bureau jeugdzorg ten aanzien van hem uitoefent. Het is voor een cliŽnt namelijk een essentieel verschil of de medewerker van het bureau jeugdzorg bijvoorbeeld een gesprek met de cliŽnt voert in het kader van een ondertoezichtstelling (artikel 10, eerste lid, onder b van de wet) of een gesprek in het kader van de taak vaststellen op welke zorg de cliŽnt is aangewezen (artikel 5, eerste lid van de wet). Naar de cliŽnt toe moet het altijd duidelijk zijn welke taak die het bureau ten aanzien van hem uitvoert. De verschillende taken brengen immers verschillende bevoegdheden mee. Het verdere verloop van het proces is afhankelijk van de mate waarin de mogelijke cliŽnt medewerking verleent. Zie hiervoor de afvraging Is er medewerking? in dit proces.

4.9. Geeft het contact aanleiding tot handelen?

Er is contact opgenomen met een mogelijke cliŽnt, op grond van een signaal van een derde. Beoordeeld wordt of de aard van dit voor het BJz aanleiding geeft tot verder handelen. • Is dit inderdaad het geval, dan gaat het proces verder bij de volgende afvraging: Is er

medewerking?

• Is er geen aanleiding tot verder handelen, dan wordt dit teruggekoppeld aan de melder, met een eventueel advies.

4.10. Terugkoppeling aan melder

De persoon van wie het signaal afkomstig is, wordt gemeld dat het bureau jeugdzorg op grond van de omschreven situatie geen aanleiding ziet tot verdere actie. Eventueel kan de persoon geadviseerd worden over hoe verder te handelen. Processen bureau jeugdzorg Versie 2 Definitief 18 mei 2005 41

4.11. Afsluiten na conclusie dat handelen niet nodig is

Het proces wordt afgesloten.

4.12. Is er medewerking?

Duidelijk is geworden of de cliŽnt ingaat op de uitnodiging van het bureau jeugdzorg om hulp te aanvaarden. Als er geen medewerking is, rijst de vraag of het BJz het AMK of de raad voor de kinderbescherming moet inschakelen. Samengevat voor de afvraging of er medewerking is: • Indien er medewerking is, dan kan overgegaan worden tot Aanmelding en Acceptatie. • Is de medewerking er niet, dan gaat het processchema verder bij de vraag of er redenen zijn het AMK in te schakelen.

4.13. Is er reden tot inschakelen AMK?

Er is contact opgenomen met een mogelijke cliŽnt, op grond van een signaal van een derde. De mogelijke cliŽnt is evenwel niet geneigd om in te gaan op het contact. Bezien wordt of er redenen zijn het AMK in te schakelen. • Is dit inderdaad het geval, dan wordt er een melding gedaan bij het AMK. • Is dit niet het geval, dan gaat het processchema verder bij de afvraging of er redenen zijn de raad voor de kinderbescherming in te schakelen.

4.14. Melden bij AMK

Er vindt interne overdracht binnen het bureau jeugdzorg plaats naar het AMK, in de vorm van een melding van het vermoeden van kindermishandeling.

4.15. Reden verzoek tot onderzoek RvdK?

Er is contact opgenomen met een mogelijke cliŽnt, op grond van een signaal van een derde. De mogelijke cliŽnt is evenwel niet geneigd om in te gaan op het contact. Bezien wordt of er redenen zijn de raad voor de kinderbescherming in te schakelen. • Is dit inderdaad het geval, dan wordt er een melding gedaan bij de raad voor de kinderbescherming. • Is dit niet het geval, dan kan het bureau jeugdzorg verder niets meer doen. Dit wordt teruggemeld aan degene van wie het signaal afkomstig was, waarbij deze persoon ook geadviseerd kan worden over hoe verder te handelen. Processen bureau jeugdzorg Versie 2 Definitief 18 mei 2005 42 Bezien of het noodzakelijk is de raad voor de kinderbescherming in te schakelen is een taak die het BJz voortdurend uitvoert, op grond van artikel 5d uit de wet.

Artikel 9 Wjz

1. De stichting beziet bij de uitoefening van haar taken voortdurend of een maatregel met betrekking tot het gezag overwogen dient te worden. 2. Zodra de stichting tot het oordeel komt dat een maatregel met betrekking tot het gezag over een minderjarige overwogen dient te worden, stelt zij de raad voor de kinderbescherming hiervan in kennis. In de derde nota van wijziging wordt een toelichting gegeven: Het bureau jeugdzorg zal er alert op moeten zijn of er aanleiding is een maatregel van kinderbescherming te overwegen. De raad voor de kinderbescherming zal daarvan in kennis moeten worden gesteld, waarna de raad een onderzoek naar de noodzaak van een kinderbeschermingsmaatregel kan starten. Bij de onderhavige nota is het wetsvoorstel aangescherpt in die zin dat als uitdrukkelijke opdracht is geformuleerd dat het bureau jeugdzorg zich voortdurend de vraag moet stellen of een maatregel op zijn plaats is (artikel 9). De rechtswaarborgen met betrekking tot het treffen van een maatregel van kinderbescherming zijn uiteraard onverkort gehandhaafd. De wet verplicht bovendien tot samenwerking van het bureau jeugdzorg met de raad voor de kinderbescherming. Hieromtrent worden bij of krachtens algemene maatregel van bestuur regels gesteld (artikel 13, zevende lid). Het is de rechter die de kinderbeschermingsmaatregel op verzoek van de raad voor de kinderbescherming oplegt. De rechter moet ingevolge het wetsvoorstel de stichting die het bureau jeugdzorg in stand houdt aanwijzen als gezinsvoogd of als voogd (artikel 10, eerste lid, onder a en b). De artikelsgewijze toelichting in de derde nota van wijziging stelt voorts: In artikel 9 is nadrukkelijker dan het geval was, tot uitdrukking gebracht dat de stichting bij de uitoefening van al haar taken, dus niet alleen bij het fungeren als advies- en meldpunt kindermishandeling, voortdurend beziet of een gezagsmaatregel over een minderjarige nodig kan zijn. Zodra de stichting tot een dergelijk oordeel komt, is de stichting verplicht de raad voor de kinderbescherming van deze gevallen in kennis te stellen. Deze verduidelijking brengt mee dat de specifiek op het fungeren als advies- en meldpunt kindermishandeling gerichte plicht tot overdracht van een melding aan de raad voor de kinderbescherming (artikel 11, eerste lid, onder d) kan komen te vervallen. Aangezien de samenwerking van de stichting met de raad betrekking heeft op alle taken van de stichting, is het consequent dat de regels die ingevolge artikel 13, zevende lid, kunnen worden gesteld over de samenwerking met de raad gelden voor alle taken. De wijziging van artikel 13, zevende lid, en artikel 238, vijfde lid van Boek 1 Processen bureau jeugdzorg Versie 2 Definitief 18 mei 2005 43 van het Burgerlijk Wetboek strekken hiertoe. Mede gezien het belang dat de cliŽnt heeft bij een goede uitoefening van de kerntaak van het bureau jeugdzorg, namelijk het bezien of de cliŽnt zorg nodig heeft en zo ja welke, is het wenselijk dat ook nadere regels worden gesteld over de uitoefening van de taak, bedoeld in artikel 5, eerste lid. De wijziging van het zevende lid strekt ook hiertoe.

4.16. Terugkoppelen aan melder (na conclusie dat contact geen reden geeft tot

handelen)

Er is contact opgenomen met een mogelijke cliŽnt, op grond van een signaal van een derde. De mogelijke cliŽnt is evenwel niet geneigd om in te gaan op het contact. Bezien is of er redenen waren het AMK of de raad voor de kinderbescherming in te schakelen, maar voor geen van beide opties zijn gronden aanwezig gebleken. Het bureau jeugdzorg kan in een dergelijk geval - op dat moment - niets meer doen. De persoon van wie het signaal afkomstig was, wordt hiervan op de hoogte gesteld en krijgt eventueel een advies over hoe verder gehandeld zou kunnen worden.

4.17. Afsluiten na conclusie dat contact geen aanleiding geeft tot handelen

Het proces reageren op signaal van derde wordt afgesloten. Processen bureau jeugdzorg Versie 2 Definitief 18 mei 2005 44

5. Analyse en opstellen diagnostisch beeld

A. Algemeen

In de fase Analyse en Diagnostisch beeld wordt – heel simpel gesteld – bezien wat er precies aan de hand is met een cliŽnt of binnen een cliŽntsysteem. Is er een probleem, wat is dat probleem, waardoor wordt het veroorzaakt of in stand gehouden en in hoeverre kan het cliŽntsysteem op eigen kracht verbetering bereiken in de situatie. Vooral dit laatste aspect wordt in de wet benadrukt. Zie de beschrijving bij de activiteit Analyseren situatie van dit proces. De conclusie die voortvloeit uit dit proces, noemen we in dit model een diagnostisch beeld. De term diagnose wordt nadrukkelijk vermeden, omdat die term een smallere betekenis heeft in die zin dat deze vaak gesteld wordt in termen van een tussen professionals overeengekomen classificatie. De volgorde van de verschillende stappen komt nogal statisch over. In werkelijkheid zullen de verschillende inhoudelijke aspecten - verzamelen informatie, analyseren - meer door elkaar heen lopen.

B. Registratie-eisen

Het Besluit beleidsinformatie bureau jeugdzorg noemt in artikel 2 een aantal algemene zaken waarover gegevens moeten worden verwerkt. Dit artikel is ook al aangehaald bij Registreren gegevens in het proces Aanmelding en acceptatie. Daar was registratie van een beperkt deel van deze algemene gegevens aan de orde. In de fase Analyse en diagnostisch beeld zal een groter aantal in het besluit genoemde aspecten geregistreerd moeten worden. Volledigheidshalve wordt het artikel hier nogmaals weergegeven:

Artikel 2

1. Voor de verwerking van de gegevens, bedoeld in artikel 42 van de wet, registeert de stichting bij de aanvang van de eerste van een van de taken, bedoeld in artikel 5, eerste lid, of artikel 10, eerste lid, onder e tot en met j, of derde lid, onder b, van de wet de volgende gegevens: a. de datum van aanmelding van de cliŽnt; b. het vervolg dat de stichting geeft aan de aanmelding; c. in voorkomende gevallen het beroep van de beroepsmatig met de cliŽnt werkzame persoon of de instantie die de cliŽnt heeft aangemeld of de cliŽnt ertoe heeft bewogen zich aan te melden. 2. Onverminderd het eerste lid registreert de stichting per jeugdige bij de aanvang van de eerste van een van de taken, bedoeld in artikel 5, eerste lid, of artikel 10, eerste lid of derde lid, onder b, van de wet de volgende gegevens: a. de geboortedatum; Processen bureau jeugdzorg Versie 2 Definitief 18 mei 2005 45 b. het geslacht; c. het geboorteland of de geboortestreek, alsmede het geboorteland of de geboortestreek van zijn ouders; d. de dagbesteding; e. de leefsituatie; f. de gemeente van inschrijving in het bevolkingsregister; g. het adres in de gemeente van inschrijving in het bevolkingsregister; h. de verblijfplaats indien deze afwijkt van het adres, bedoeld onder f i. de al dan niet rechtmatigheid van het verblijf in Nederland, indien de jeugdige een vreemdeling als bedoeld in de Vreemdelingenwet 2000 is. 3. Voor zover taken bedoeld in artikel 10, eerste lid, onder a tot en met d, van de wet pas aanvangen nadat voor een cliŽnt toepassing is gegeven aan het eerste of het tweede lid voor een van de taken, bedoeld in artikel 10, eerste lid, onder e tot en met j, of het derde lid, onder b, van de wet, registreert de stichting voorts op het moment dat die taken aanvangen over de jeugdige: a. de dagbesteding; b. de leefsituatie; c. de gemeente van inschrijving in het bevolkingsregister; d. het adres in de gemeente van inschrijving in het bevolkingsregister; e. de verblijfplaats indien deze afwijkt van het adres, bedoeld onder d. Processen bureau jeugdzorg Versie 2 Definitief 18 mei 2005 46 Processen bureau jeugdzorg Versie 2 Definitief 18 mei 2005 47

5.1. Verzamelen informatie

De benodigde informatie over de cliŽnt en zijn/haar situatie wordt verzameld. Hierbij kan onder meer gedacht worden aan het bijeen brengen van informatie die al bij de voorliggende voorzieningen bekend is. Wanneer er sprake is geweest van een aanmelding en acceptatie in het kader van (gezins)voogdij of jeugdreclassering, behoort ook het rapport van de raad voor de kinderbescherming tot de hier bedoelde informatie. Voorts kan het ook gaan om gegevens als bedoeld in artikel 2 van het Besluit beleidsinformatie jeugdzorg. (Zie begeleidende tekst bij Analyse en opstellen diagnostisch beeld).

5.2. Analyseren situatie

A. Algemeen

In de begeleidende tekst bij Aanmelding en acceptatie is de indicatietaak van het bureau jeugdzorg omschreven: bezien of een cliŽnt zorg nodig heeft in verband met opgroei-,

opvoedings- of psychiatrische problemen, dan wel in verband met problemen van een cliŽnt, niet

zijnde een jeugdige, die het onbedreigd opgroeien van de jeugdige belemmeren. (art. 5, lid 1, Wjz) Deze taak is in dit referentiewerkmodel opgedeeld in twee fasen: Analyse en opstellen diagnostisch beeld en Vaststellen benodigde zorg. De wet maakt dit onderscheid niet expliciet, maar met name de eisen die worden gesteld aan het indicatiebesluit impliceren wel een dergelijk onderscheid. Belangrijk is, dat de analyse zich ook moet richten op de mogelijkheden die het cliŽntsysteem zelf heeft om de problemen het hoofd te bieden (draagkracht en draaglast). Bovendien dienen eventuele psychiatrische aandoeningen van de jeugdige betrokken te worden in de analyse. Wanneer sprake is van dergelijke aandoeningen, zal de ernst daarvan moeten worden vastgesteld. Dit om een goede afbakening te kunnen maken tussen zorg waarop aanspraak bestaat op grond van de Wet op de jeugdzorg en zorg op grond van de AWBZ. Zie hiervoor paragraaf 2.3 van deze tekst.

B. Eisen aan het analyseproces vanuit de wet

In artikel 6, eerste en tweede lid van de wet worden eisen gesteld aan de inhoud van het indicatiebesluit, dat een aanspraak geeft op geÔndiceerde zorg. Artikel 8 stelt daarnaast eisen aan de schriftelijke vastlegging van een verwijzing naar andere dan geÔndiceerde zorg. In feite wordt in de beide artikelen aangegeven waarop de analyse van het bureau jeugdzorg zich moet richten. Beide artikelen stellen hiermee eisen aan het proces van analyse en opstellen diagnostisch beeld. De daarin genoemde inhoud zal immers tijdens deze fase aan de orde moeten komen. Volledigheidshalve worden beide artikelen hieronder weergegeven. Processen bureau jeugdzorg Versie 2 Definitief 18 mei 2005 48

Artikel 6, lid 1 en 2, WJz

1. Indien de stichting een besluit neemt, waarbij wordt vastgesteld dat een cliŽnt is aangewezen op zorg als bedoeld in artikel 5, tweede lid, geeft zij daarbij in ieder geval: a. een beschrijving van de problemen of dreigende problemen van de cliŽnt, de ernst en de mogelijke oorzaken daarvan; b. een beschrijving van de in verband daarmee benodigde zorg en het met die zorg beoogde doel; c. de termijn gedurende welke de aanspraak geldt nadat de in het besluit voorziene zorg is aangevangen; d. de termijn waarbinnen de aanspraak tot gelding moet zijn gebracht; e. een advies wie de zorg kan of kunnen verlenen. 2. In het besluit geeft de stichting aan of coŲrdinatie van de zorg noodzakelijk is en zo ja, wie deze coŲrdinatie het beste kan uitvoeren.

Artikel 8 WJz

1. Indien de stichting van oordeel is dat zorg, niet zijnde zorg als bedoeld in artikel 5, tweede lid, noodzakelijk is om een voor een jeugdige bedreigende situatie te voorkomen, legt de stichting ten behoeve van de cliŽnt schriftelijk vast welke zorg zij noodzakelijk acht. Zij geeft daarbij in ieder geval: a. een beschrijving van de problemen of dreigende problemen van de cliŽnt en de mogelijke oorzaken daarvan; b. de mate waarin deze een bedreigende situatie voor de jeugdige kunnen veroorzaken; c. een beschrijving van de in verband daarmee benodigde zorg; d. een advies wie de benodigde zorg kan verlenen. 2. Bij de vastlegging geeft de stichting aan of coŲrdinatie van de zorg noodzakelijk is en zo ja, wie deze coŲrdinatie het beste kan uitvoeren.

C. Eisen aan het analyseproces vanuit onderliggende regelgeving

In het Uitvoeringsbesluit Wjz worden nadere eisen gesteld aan het indicatiebesluit – en daarmee op de aan de orde zijnde aspecten bij het analyseren van de situatie – ingegaan.

Artikel 30 Uitvoeringsbesluit Wjz

1. Ter uitvoering van de taak, bedoeld in artikel 5, eerste lid, van de wet, beziet de stichting de problemen van een cliŽnt en de ernst hiervan. Zij onderzoekt hiertoe de psychosociale, psychische of gedragsproblemen, dan wel de psychiatrische aandoening van de jeugdige, de problemen van de cliŽnt, niet zijnde de jeugdige die het onbedreigd opgroeien van de jeugdige belemmeren, en besteedt bovendien aandacht aan de opvoedingssituatie. 2. De stichting betrekt in haar onderzoek tevens factoren die de ontwikkeling van de jeugdige gunstig beÔnvloeden of kunnen beÔnvloeden. Processen bureau jeugdzorg Versie 2 Definitief 18 mei 2005 49

Artikel 32 Uitvoeringsbesluit Wjz

Bij de uitvoering van de taken, bedoeld in de artikelen 5, eerste lid en 10, eerste lid, onder a tot en met e, van de wet, vindt een multidisciplinaire beoordeling van de problemen plaats, indien de aard van de problematiek dit vergt. In de algemene en in de artikelsgewijze toelichting bij het besluit wordt hierop nader ingegaan:

4. Bezien of een cliŽnt zorg nodig heeft

Hiervoor is in verband met de beschrijving van de deskundigheden waarover het bureau jeugdzorg moet beschikken, reeds uitgebreid ingegaan op het analyseren van de problemen van de jeugdigen, zijn ouders en het gehele gezin. Op basis van de analyse zal bepaald moeten worden welke zorg nodig is. Daarbij zullen zowel de problemen als de positieve factoren een rol moeten spelen. Zoals reeds eerder aangegeven is, is de vraag welke zorg geboden is, breder dan de vraag of een cliŽnt is aangewezen op zorg waarvoor het bureau jeugdzorg de indicatietaak heef. De uitkomst kan namelijk ook zijn dat andere vormen van zorg zijn aangewezen, bijvoorbeeld algemeen maatschappelijk werk of verslavingszorg. Gezien de omschrijving van de aanspraken op grond van de wet in het Besluit jeugdzorgaanspraken zal altijd moeten worden gekeken naar de probleemoplossende mogelijkheden van het gezin en de zorg die sociale of professionele steunbronnen in de directe omgeving van het gezin kunnen bieden.

Artikel 30

Dit artikel beschrijft in enkele zinnen de eerste fase van het indicatieproces, dat wil zeggen het bezien of een cliŽnt zorg nodig heeft (artikel 5, eerste en tweede lid, van de wet). Dat proces begint met een analyse van de problemen van de cliŽnt en van de ernst ervan. Voor een goede analyse is het van belang dat alle problemen in ogenschouw worden genomen en niet alleen die welke als psychosociale, psychische of gedragsproblemen, dan wel als psychiatrische aandoening van de jeugdige moeten worden aangeduid. Daarbij kan worden gedacht aan leerproblemen, somatische aandoeningen of een lichamelijke of verstandelijke handicap. Ook problemen in de opvoedingssituatie kunnen het ongestoord opgroeien van een jeugdige ongunstig beÔnvloeden. Het kan bijvoorbeeld gaan om verwaarlozing. Deze problemen kunnen onder andere hun oorzaak vinden in verslavingsproblemen, financiŽle problemen of het beschikken over onvoldoende opvoedingscapaciteit van ouders. Kortom alle problemen die het ongestoord opgroeien van jeugdigen belemmeren, dienen nadrukkelijk in beeld te worden gebracht. Tot slot dient aandacht te worden besteed aan factoren die de ontwikkeling van de jeugdige gunstig beÔnvloeden. Bij de analyse van de problemen gaat het niet alleen om een inventarisatie van hetgeen de cliŽnt aangeeft, maar ook om een professionele vertaling daarvan. Evenmin gaat het louter om problemen die door een cliŽnt zelf als zodanig worden ervaren. Het kan goed zijn dat ouders hun kind als een probleemkind ervaren, terwijl dat bij het kind dat zelf niet of maar in zeer Processen bureau jeugdzorg Versie 2 Definitief 18 mei 2005 50 geringe mate het geval is. Het is de taak van het bureau met de inzet van deskundigen, zonodig van verschillende disciplines, te komen tot een geobjectiveerde probleembeschrijving.

Artikel 32

Dit artikel bepaalt dat de beoordeling van de problematiek bij de uitvoering van een aantal taken van het bureau jeugdzorg dient te worden gedaan door twee verschillende disciplines (multidisciplinair) indien de problematiek het vergt. Dit kan bijvoorbeeld een maatschappelijk werker en een psycholoog zijn, maar ook een (vertrouwens)arts en een orthopedagoog. De eis van multidisciplinaire beoordeling wordt gesteld om de kwaliteit van de beoordeling te optimaliseren. Het is niet noodzakelijk om altijd een multidisciplinaire beoordeling te geven. Slechts indien de problematiek dit vergt, is beoordeling door meer dan ťťn discipline noodzakelijk.

D. Beperkingen aanspraak jeugdzorg

In de bovenstaande artikelen – met name artikel 30 Uitvoeringsbesluit Wjz – wordt erop gewezen dat het van belang is om in de analyse eventuele psychiatrische aandoeningen van de jeugdige te betrekken. Daarnaast wordt in datzelfde artikel gesteld dat de mogelijkheden moeten worden onderzocht die het cliŽntsysteem heeft om problemen zelf het hoofd te kunnen bieden. Een en ander hangt samen met een aantal beperkingen op de aanspraak op jeugdhulp die worden geformuleerd in het Besluit jeugdzorgaanspraken.

Artikel 3 Uitvoeringsbesluit Wjz

1. Jeugdhulp omvat behandeling of begeleiding van een: a. jeugdige, gericht op het oplossen, verminderen of voorkomen van verergering dan wel het omgaan met de gevolgen van zijn psychosociale, psychische of gedragsproblemen; b. cliŽnt, niet zijnde een jeugdige, gericht op het verkrijgen van zodanige vaardigheden dat hij aan de onder a bedoelde psychosociale, psychische of gedragsproblemen in het gezin het hoofd kan bieden. 2. Geen aanspraak bestaat op jeugdhulp voor zover: a. de jeugdige of zijn ouders, stiefouder of anderen die hem als behorende tot hun gezin verzorgen en opvoeden de psychosociale, psychische of gedragsproblemen van die jeugdige het hoofd kunnen bieden, al dan niet met behulp van personen uit hun directe omgeving of met behulp van andere voorzieningen die hulp bieden dan zorgaanbieders of b. de psychosociale, psychische of gedragsproblemen hun oorzaak vinden of mede vinden in een psychiatrische aandoening van een jeugdige die zodanig van aard is dat een psychiatrische aanpak van de problemen noodzakelijk is. Een soortgelijke beperking geldt voor verblijf:

Artikel 4 Uitvoeringsbesluit Wjz

Processen bureau jeugdzorg Versie 2 Definitief 18 mei 2005 51 1. Verblijf omvat het aan een jeugdige gedurende het etmaal of een deel daarvan bieden van verblijf met een passend pedagogisch klimaat bij een pleegouder of in een accommodatie van een zorgaanbieder. 2. Geen aanspraak bestaat op verblijf voor zover: a. de jeugdige geen psychosociale, psychische of gedragsproblemen heeft, dan wel de jeugdige of zijn ouders, stiefouder of anderen die hem als behorende tot hun gezin verzorgen en opvoeden, de psychosociale, psychische of gedragsproblemen van die jeugdige het hoofd kunnen bieden, al dan niet met jeugdhulp als bedoeld in artikel 3, met behulp van personen uit hun directe omgeving of met behulp van andere voorzieningen die hulp bieden dan zorgaanbieders, b. het verblijf noodzakelijk is voor persoonlijke verzorging, ondersteunende begeleiding, activerende begeleiding of behandeling als bedoeld in artikel 2, eerste lid, van het Besluit zorgaanspraken AWBZ in verband met een verstandelijke, lichamelijke of zintuiglijke handicap, dan wel een psychiatrische of somatische aandoening of beperking of c. het verblijf in een justitiŽle jeugdinrichting als bedoeld in artikel 1, onder b, van de Beginselenwet justitiŽle jeugdinrichtingen betreft. 3. In afwijking van het tweede lid, onder a, bestaat aanspraak op verblijf: a. indien het een minderjarige betreft die onder voogdij van een stichting staat; b. als door verblijf bij een pleegouder het hoofd kan worden geboden aan de psychosociale, psychische of gedragsproblemen van de jeugdige. 4. Aanspraak op verblijf gedurende een deel van het etmaal bestaat slechts indien dit noodzakelijk is voor het tot gelding brengen van een aanspraak op jeugdhulp als bedoeld in artikel 3. In de analysefase (en daaruit voortvloeiend in de fase van vaststellen van de benodigde zorg) zal dus altijd een afweging moeten worden gemaakt tussen de draaglast die de geconstateerde problematiek inhoudt voor het cliŽntsysteem enerzijds en de draagkracht van dat cliŽntsysteem anderzijds. Bovendien zal de analyse erop gericht moeten zijn eventuele psychiatrische aandoeningen te onderkennen en de ernst daarvan vast te (laten) stellen.

E. Godsdienstige overtuiging, levensovertuiging en culturele achtergrond cliŽnt

Het bureau jeugdzorg dient bij de uitvoering van haar taken uit te gaan van de godsdienstige overtuiging, de levensovertuiging en culturele achtergrond cliŽnt (Artikel 15, Wjz). Dit zal in de analysefase aan de orde moeten komen.

5.3. Beoordelen of specialistische diagnose nodig is

Beoordeeld wordt of het nodig is om een specialistische diagnose te laten stellen. Processen bureau jeugdzorg Versie 2 Definitief 18 mei 2005 52 Van een specialistische diagnose is sprake als voor het bepalen van het diagnostisch beeld gebruik wordt gemaakt van een specialistische classificatiesystematiek. Het stellen van een specialistische diagnose is in deze definitie voorbehouden aan een gedragswetenschapper / BIGgeregistreerde.

5.4. Specialistische diagnose nodig?

Bepaald is of er een specialistische diagnose nodig is. • Indien een specialistische diagnose gesteld moet worden, wordt deze activiteit gestart. • Indien gťťn specialistische diagnose gesteld moet worden, wordt het diagnostisch beeld samengesteld.

5.5. Stellen specialistische diagnose

De opdracht voor het stellen van een specialistische diagnose wordt verstrekt. Hierbij wordt expliciet aangegeven dat behalve de conclusie van het onderzoek ook de test- en onderzoeksgegevens opgeleverd moeten worden dan wel beschikbaar gehouden dienen te worden (in verband met de mogelijkheid voor de cliŽnt om een second opinion te laten uitvoeren). Het Uitvoeringsbesluit Wet op de jeugdzorg zegt in hierover het volgende:

Artikel 36, lid 1, Uitvoeringsbesluit Wet op de jeugdzorg

1. De stichting laat op verzoek van de cliŽnt de, bij het opstellen van het indicatiebesluit gebruikte test- en onderzoeksgegevens van gedragsdeskundig of psychiatrisch onderzoek, door een deskundige interpreteren en van een advies voorzien, tenzij het belang van de jeugdige zich daartegen verzet, Deze deskundige heeft geen arbeidsovereenkomst met de stichting en is evenmin bij de behandeling of begeleiding of bij onderzoek van de cliŽnt betrokken geweest. De toelichting:

Artikel 36

Dit artikel geeft de cliŽnt in een beperkt aantal gevallen het recht om een zogenaamde ‘second opinion’ te vragen over test- en onderzoeksgegevens die het bureau jeugdzorg gebruikt heeft bij het opstellen van het indicatiebesluit. Eerste lid. Aan het indicatiebesluit liggen soms testen en onderzoeken ten grondslag. De gegevens die uit deze onderzoeken voortkomen worden geÔnterpreteerd, hetgeen leidt tot conclusies over de benodigde zorg. Het indicatiebesluit heeft verstrekkende gevolgen, omdat Processen bureau jeugdzorg Versie 2 Definitief 18 mei 2005 53 het besluit een voorwaarde is voor een aanspraak op zorg. Bovendien heeft de stichting als enige de taak indicatiebesluit vast te stellen (monopoliepositie). Dit brengt mee dat het voor de cliŽnt belangrijk is dat hij de stichting kan verzoeken om een ‘second opinion’ te vragen aan een onafhankelijk deskundige. Het onderhavige artikel geeft de cliŽnt daartoe het recht. Dit kan tijdens het overleg van de cliŽnt met het bureau jeugdzorg over het voorgenomen indicatiebesluit (artikel 34, Uitvoeringsbesluit Wjz) of op een ander moment. De stichting is verplicht voor te zorgen dat een deskundige wordt ingeschakeld en vergoed hiervoor ook de kosten. Het onafhankelijk advies kan slechts gevraagd worden over de interpretatie van testen onderzoeksgegevens van een gedragsdeskundig of psychiatrisch onderzoek dat is uitgevoerd. Het moet worden onderscheiden van een verzoek om aanvullend onderzoek of een verzoek om tegenonderzoek dan wel contra-expertise. Voor deze onderzoeken wordt geen recht neergelegd. Het recht op een ‘second opinion’ is niet ongeclausuleerd. Het kan alleen gevraagd worden voor de interpretatie van test- en onderzoeksgegevens van een onderzoek dat is uitgevoerd en het gaat alleen om test- en onderzoeksgegevens die zijn gebruikt bij het opstellen van het indicatiebesluit. Daarnaast is voorwaarde dat het belang van de jeugdige zich daartegen niet mag verzetten. Daarbij kan gedacht worden aan situaties waarin hulp dringend nodig is, welke hulp hem onthouden zou worden als er eerst een ‘second opinion’ moet worden uitgevoerd. De beslissing van het bureau jeugdzorg om een verzoek van de cliŽnt tot een ‘second opinion’ af te wijzen, is een beslissing inzake de procedure ter voorbereiding van het indicatiebesluit (artikel 6:3 Awb). Tegen deze beslissing kan derhalve geen afzonderlijk bezwaar of beroep worden ingesteld, tenzij de beslissing de cliŽnt los van het indicatiebesluit rechtstreeks in zijn belang treft. In een bezwaar of beroepsprocedure tegen het indicatiebesluit kan de beslissing van de stichting tot het niet laten verrichten van een ‘second opinion’ wel een rol spelen. Het indicatiebesluit kan bijvoorbeeld vernietigd worden op grond van een onvoldoende voorbereiding van het indicatiebesluit.

5.6. Samenstellen diagnostisch beeld

Het diagnostisch beeld wordt samengesteld. Processen bureau jeugdzorg Versie 2 Definitief 18 mei 2005 54

6. Vaststellen benodigde zorg

A. Algemeen

Aan de hand van het diagnostisch beeld wordt bepaald wat voor zorg nodig is. Vaak zal al hierover al tijdens de fase van analyse en diagnostisch beeld een idee zijn ontstaan. De keuze is in dit model evenwel apart weergegeven, en wel als eerste stap van het proces, met als "input" het diagnostisch beeld uit de vorige fase. De verdere stappen in dit model worden genomen naar aanleiding van deze keuze. Er zijn in de optiek van het referentiewerkmodel zes mogelijke "uitkomsten" van het keuzeproces: • er is geen verdere zorg nodig in de zin van art 5, lid 1 van de wet: er wordt eventueel doorverwezen naar andersoortige hulp of zorg; • er is geÔndiceerde zorg nodig: er wordt een indicatiebesluit opgesteld; • er is andere dan geÔndiceerde zorg nodig, en er wordt verwezen met schriftelijk advies; • er is andere dan geÔndiceerde zorg nodig, en er wordt doorverwezen zonder schriftelijk advies; • er is zowel geÔndiceerde als andere dan geÔndiceerde zorg nodig: er wordt een indicatiebesluit opgesteld (voor de geÔndiceerde zorg) en er wordt verwezen met schriftelijk advies; • er wordt ambulante hulpverlening bij het bureau jeugdzorg aangeboden (nadat is vastgesteld dat de cliŽnt geen aanspraak heeft op geÔndiceerde zorg). N.B. De relevante wetsartikelen zijn opgenomen in de begeleidende teksten bij het proces Analyse en opstellen diagnostisch beeld, met name onder Analyseren situatie.

B. Zorgaanbieders en aanbieders van zorg

De wet maakt onderscheid tussen zorgaanbieders en aanbieders van zorg:

Artikel 1, sub g en h, WJz

In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: g. zorgaanbieder: de natuurlijke persoon of de rechtspersoon die jeugdzorg verleent, waarop ingevolge deze wet aanspraak bestaat; h. aanbieder van zorg: de natuurlijke persoon of de rechtspersoon, die andere zorg verleent dan die, waarop ingevolge deze wet aanspraak bestaat;

C. CoŲrdinatie van de zorg, gezinscoach

Wanneer de cliŽnt is aangewezen op meerdere vormen van zorg (en daarmee op meerdere hulpverleners), schrijft de wet voor dat de coŲrdinatie tussen deze zorgaanbieders/aanbieders van zorg wordt geregeld. In verband hiermee wordt ook de gezinscoach genoemd. In de derde nota van wijziging wordt uitgebreid op dit onderwerp ingegaan: Processen bureau jeugdzorg Versie 2 Definitief 18 mei 2005 55

5. Gezinscoach als directe ondersteuner van gezinnen met meervoudige problematiek

Gezinscoaching kan gezinnen met meervoudige problematiek en waarbij meerdere hulpverleningsinstanties betrokken zijn, ondersteunen. De gezinscoach heeft als taak te bevorderen dat de hulpverlening in samenhang wordt aangeboden. Gezien de behoefte aan samenhangende zorg voor cliŽnten, hebben wij dit als taak van het bureau jeugdzorg opgenomen dat het bureau bij zijn besluitvorming altijd overweegt of coŲrdinatie van zorg noodzakelijk is (artikelen 6, tweede lid, en 8, tweede lid). De gezinscoach dient te worden onderscheiden van de ‘casemanager’. De casemanagementtaken van het bureau jeugdzorg zijn omschreven in artikel 10, eerste lid, onder f, g, h, i en j. Dit houdt onder meer in dat het bureau jeugdzorg zich tot het uiterste inspant dat de cliŽnten ook daadwerkelijk een beroep doen op de noodzakelijke zorg en dat deze zorg wordt geboden. De gezinscoach ondersteunt gezinnen wanneer zij in verband met meervoudige problematiek met veel verschillende hulpverleners cq. instanties te maken hebben. Gezinscoaching is in beginsel geen functie van het bureau jeugdzorg, maar een functie die kan worden uitgeoefend door een zorgaanbieder of een lokale voorziening. Als regel geldt dat de rol van gezinscoach het beste kan worden vervuld door een persoon die het vertrouwen van het gezin heeft. Wanneer er verschillende hulpverleners bij een gezin zijn betrokken dan moet de afspraak worden gemaakt dat ťťn van hen de rol van gezinscoach vervult. Het proces om te komen tot een besluit op welke zorg de cliŽnt is aangewezen, vindt plaats samen met de cliŽnt. Daarbij komt ook aan de orde of er behoefte bestaat aan gezinscoaching en zo ja wie die taak het beste op zich kan nemen. De cliŽnt kan daarbij aangeven, wie hij als gezinscoach zou willen hebben. Gezinscoaching kan worden opgepakt door een lokale voorziening, maar kan ook gelegd worden bij een zorgaanbieder. In het uiterste geval kan het bureau jeugdzorg als gezinscoach optreden, als er geen gerede persoon in dat kader kan worden gevonden. De vaststelling door het bureau jeugdzorg dat gezinscoaching nodig is en wie deze functie het beste kan uitvoeren, bindt lokale voorzieningen niet. Het is een advies aan de cliŽnt. Ook hier geldt dat het bureau jeugdzorg met de vaststelling niet treedt in de verantwoordelijkheid van de voorliggende voorzieningen. Als de gezinscoaching in de aansprakensfeer nodig wordt geacht, dan valt deze onder de acceptatieplicht.

D. Godsdienstige overtuiging, levensovertuiging en culturele achtergrond cliŽnt

Het bureau jeugdzorg dient bij de uitvoering van haar taken uit te gaan van de godsdienstige overtuiging, de levensovertuiging en culturele achtergrond cliŽnt (Artikel 15, Wjz). Dit zal dan ook een rol moeten spelen bij het vaststellen van de benodigde zorg. Processen bureau jeugdzorg Versie 2 Definitief 18 mei 2005 56 Bepalen of en zo ja welke zorg nodig is Is er sprake van (gezins)voogdij of jeugdreclassering? Opstellen plan Is de conclusie dat verwijzing of zorg BJz wenselijk is? Registreren gegevens na conclusie geen verdere verwijzing of zorg BJz nodig Afsluiten proces vaststellen benodigde zorg na conclusie geen zorg nodig Is besloten tot geÔndiceerde zorg? Is er sprake van (gezins)voogdij of jeugdreclassering? Is besloten tot opstellen schriftelijk advies voor andere dan geÔnd. zorg? Vaststellen of een aanvraag van de cliŽnt haalbaar is Wil de cliŽnt een aanvraag indienen? Vaststellen of aanvraag aanwezig is Aanvraag aanwezig? Opstellen indicatiebesluit Registreren gegevens na opstellen indicatiebesluit Is naast geÔndiceerde zorg ook andere dan geÔndiceerde zorg nodig? Ervoor zorgdragen dat cliŽnt een aanvraag kan indienen Afsluiten proces vaststellen benodigde zorg na opstellen indicatiebesluit Verwijzen naar andere dan geÔnd. zorg met schriftelijk advies Is besloten tot verwijzing zonder schriftelijk advies naar andere dan geÔndiceerde zorg? Verwijzen naar andere dan geÔnd. zorg (zonder schriftelijk advies) Verlenen ambulante jeugdzorg door BJz Uitvoeren casemanagement andere dan geÔndiceerde zorg nee ja nee ja ja ja nee ja nee ja nee nee ja nee ja nee ja Heeft cliŽnt een aanvraag ingediend? Opstellen indicatiebesluit geen geÔndiceerde zorg nodig nee nee ja Processen bureau jeugdzorg Versie 2 Definitief 18 mei 2005 57

6.1. Bepalen of en zo ja welke zorg nodig is

A. Algemeen

Aan de hand van het diagnostisch beeld wordt bepaald wat voor zorg nodig is. Leidend hierin art 5, lid 1, WJz:

Artikel 5, eerste lid, WJz

1. De stichting heeft tot taak te bezien of een cliŽnt zorg nodig heeft in verband met opgroei-, opvoedings- of psychiatrische problemen, dan wel in verband met problemen van een cliŽnt, niet zijnde een jeugdige, die het onbedreigd opgroeien van een jeugdige belemmeren.

B. Zo-zo-zo beleid

Een belangrijk uitgangspunt bij het vaststellen van benodigde zorg is het zo-zo-zo-beleid om de hulpverlening zo kort mogelijk, zo licht mogelijk en zo nabij mogelijk te laten zijn. Dit uitgangspunt is neergelegd in artikel 5, vierde lid van de wet:

Artikel 5, vierde lid, WJz

4. Uitgangspunt bij het uitoefenen van de taak, bedoeld in het eerste lid, is dat zorg het belang van een onbedreigde ontwikkeling van een jeugdige dient. Deze zorg is in verband hiermee niet ingrijpender dan noodzakelijk en wordt geboden zo dicht mogelijk bij de plaats waar de cliŽnt duurzaam verblijft en gedurende een zo kort mogelijke periode. In de memorie van toelichting wordt hierover gesteld: (Het vierde lid – red.) bevat een instructienorm die bij de uitoefening van de indicatietaak in acht moet worden genomen. Het eerste uitgangspunt is uiteraard dat de cliŽnt de jeugdzorg moet krijgen die hij nodig heeft. Omdat in het algemeen de minst ingrijpende vorm van jeugdzorg, die zo dicht mogelijk bij huis en zo kort mogelijk wordt geboden, het meest doelmatig en het meest doeltreffend is, is dit in dit artikellid als uitgangspunt voor de indicatiestelling geformuleerd. Wij wijzen er overigens nadrukkelijk op dat het de problemen van de cliŽnt zijn en niet het aanwezige aanbod, die de uitkomst van het indicatieproces bepalen.

C. GeÔndiceerde zorg en andere dan geÔndiceerde zorg

Waar het gaat om zorg die wordt geboden buiten het bureau jeugdzorg, zijn er ruwweg twee 'soorten' zorg te onderscheiden: • zorg zoals omschreven in artikel 5, lid 2 • andere zorg dan daar omschreven. Processen bureau jeugdzorg Versie 2 Definitief 18 mei 2005 58 In het dagelijks taalgebruik – en ook in dit model – worden deze vormen van zorg benoemd als resp. geÔndiceerde zorg en andere dan geÔndiceerde zorg.

6.2. Is er sprake van (gezins)voogdij of jeugdreclassering?

Wanneer het bureau jeugdzorg ten aanzien van de jeugdige een taak heeft in het kader van (gezins)voogdij of jeugdreclassering, gelden bijzondere regels. Zo moet er een plan worden opgesteld op basis waarvan de taak wordt uitgevoerd (art. 13, derde lid, Wjz). Voor verdere informatie, zie bij Opstellen plan. • Wanneer er ten aanzien van de jeugdige sprake is van een taak in het kader van (gezins)voogdij of jeugdreclassering, gaat het proces verder bij Opstellen plan. • Wanneer er ten aanzien van de jeugdige geen sprake is van een dergelijke taak, gaat het proces verder bij de afvraging Is de conclusie dat verwijzing of BJz wenselijk is?

6.3. Opstellen plan

A. Algemeen

Wanneer er ten aanzien van de jeugdige een taak is in het kader van (gezins)voogdij of jeugdreclassering, dient aan de uitvoering van die taak een plan ten grondslag te liggen. Dit plan dient te zijn afgestemd op de behoeften van de cliŽnt en dient in overleg met de cliŽnt te worden opgesteld.

Artikel 10, lid 3, WJz

3. Tot een verantwoorde uitvoering van de taken, genoemd in artikel 10, eerste lid, onder a, b, c en d, behoort in ieder geval dat de taken worden uitgevoerd op basis van een plan dat is afgestemd op de behoeften van de cliŽnt. Het plan wordt niet vastgesteld dan na overleg met de cliŽnt. Het Uitvoeringsbesluit Wet op de jeugdzorg gaat nader in op dit plan, en beschrijft voor elk van de genoemde taken aan welke eisen het plan dient te voldoen.

B. Gezinsvoogdij

De eisen die voor de gezinsvoogdijtaak worden gesteld, staan in artikel 18 van het besluit:

Artikel 43 Uitvoeringsbesluit Wet op de jeugdzorg

1. De stichting stelt uiterlijk zes weken nadat de minderjarige onder haar toezicht is gesteld en zij hiervan in kennis is gesteld, een plan vast als bedoeld in artikel 13, derde lid, van de wet. 2. Het plan bevat in ieder geval: a. een beschrijving van de doelen die met de ondertoezichtstelling worden nagestreefd, zo nodig uitgesplitst in doelen op korte en lange termijn, Processen bureau jeugdzorg Versie 2 Definitief 18 mei 2005 59 b. de wijze waarop deze doelen worden nagestreefd, c. een beschrijving van de voorgenomen activiteiten met betrekking tot de minderjarige en de met het gezag belaste ouder of voogd, d. een vermelding van de wijze waarop de ouders of anderen die de minderjarige als behorend tot hun gezin verzorgen en opvoeden, alsmede zijn sociale omgeving zullen worden betrokken bij de werkzaamheden, dan wel een vermelding van de redenen waarom dit niet zal gebeuren en e. een vermelding van de momenten waarop de ondertoezichtstelling geŽvalueerd wordt. 3. In het plan wordt tevens vermeld welke zorg voor de minderjarige, voor de met het gezag belaste ouder, voogd of voor anderen die de minderjarige als behorend tot hun gezin verzorgen en opvoeden nodig is, onder vermelding van de wijze waarop de doelen die met de ondertoezichtstelling worden nagestreefd, samenhangen met de doelen van de zorg. 4. Indien een minderjarige ten minste achttien maanden buiten het ouderlijke gezin is verzorgd en opgevoed, bevat het plan een beschrijving van de doelen van de ondertoezichtstelling op langere termijn waarbij aandacht wordt besteed aan de continuÔteit van de verblijfplaats van de minderjarige. 5. Het plan komt niet tot stand en wordt niet gewijzigd dan nadat daarover in ieder geval overleg is gepleegd met: a. de minderjarige, overeenkomstig zijn leeftijds- en ontwikkelingsniveau en b. de met het gezag belaste ouder, voogd of anderen die de minderjarige als behorend tot hun gezin verzorgen en opvoeden, tenzij dit overleg kennelijk schade zou toebrengen aan de minderjarige. 6. Van het overleg en de resultaten daarvan wordt melding gemaakt in het plan. Indien geen overleg mogelijk is, wordt hiervan met opgave van redenen melding gemaakt. 7. Zo vaak als noodzakelijk, doch ten minste ťťn maal per jaar wordt bezien in hoeverre het plan bijstelling behoeft.

C. Voogdij

De eisen die voor de voogdijtaak worden gesteld, staan in artikel 40 van het Uitvoeringsbesluit: Artikel 40 Uitvoeringsbesluit Wet op de jeugdzorg 1. De stichting stelt uiterlijk zes weken nadat de voogdij aan haar is opgedragen en zij hiervan in kennis is gesteld, een plan vast als bedoeld in artikel 13, derde lid, van de wet. 2. Het plan bevat in ieder geval: a. een beschrijving van de doelen die met de voogdij worden nagestreefd, zo nodig uitgesplitst in doelen op korte en lange termijn, b. de wijze waarop deze doelen worden nagestreefd, c. een beschrijving van de voorgenomen activiteiten met betrekking tot de minderjarige, d. een vermelding van de wijze waarop de ouders of anderen die de minderjarige als behorend tot hun gezin verzorgen en opvoeden, alsmede zijn sociale omgeving zullen worden betrokken bij de werkzaamheden, dan wel een vermelding van de redenen waarom dit niet zal Processen bureau jeugdzorg Versie 2 Definitief 18 mei 2005 60 gebeuren en e. een vermelding van de momenten waarop de voogdij geŽvalueerd wordt. 3. In het plan wordt tevens vermeld welke zorg voor de minderjarige dan wel anderen die de minderjarige als behorend tot hun gezin verzorgen en opvoeden nodig is, onder vermelding van de wijze waarop de doelen die met de voogdij worden nagestreefd, samenhangen met de doelen van de zorg. 4. Het plan komt niet tot stand en wordt niet gewijzigd dan nadat daarover in ieder geval overleg is gepleegd met: a. de minderjarige, overeenkomstig zijn leeftijds- en ontwikkelingsniveau, b. de ouders of anderen die de minderjarige als behorend tot hun gezin verzorgen en opvoeden, tenzij dit overleg kennelijk schade zal toebrengen aan de minderjarige. 5. Van het overleg en de resultaten daarvan wordt melding gemaakt in het plan. Indien geen overleg mogelijk is, wordt hiervan met opgave van redenen melding gemaakt. 6. Zo vaak als noodzakelijk, doch ten minste ťťn maal per jaar wordt bezien in hoeverre het plan bijstelling behoeft.

D. Jeugdreclassering

De eisen die voor de jeugdreclasseringstaak worden gesteld, staan in artikel 46 van het Uitvoeringsbesluit:

Artikel 46 Uivoeringsbesluit Wet op de jeugdzorg

1. De stichting stelt uiterlijk zes weken nadat zij een taak, bedoeld in artikel 10, eerste lid, onder c of d, van de wet heeft gekregen en zij hiervan in kennis is gesteld, een plan vast als bedoeld in artikel 13, derde lid, van de wet. 2. Het plan bevat in ieder geval: a. een beschrijving van de doelen die met de jeugdreclassering nagestreefd worden, zo nodig uitgesplitst in doelen op korte en lange termijn, b. de wijze waarop deze doelen worden nagestreefd, c. een beschrijving van de voorgenomen activiteiten met betrekking tot de jeugdige, d. een vermelding van de wijze waarop de ouders, voogd of een anderen die de jeugdige als behorend tot hun gezin verzorgen en opvoeden, alsmede zijn sociale omgeving zal worden betrokken bij de werkzaamheden, dan wel een vermelding van de redenen waarom dit niet zal gebeuren en e. een vermelding van de momenten waarop de wijze waarop de jeugdreclassering wordt uitgevoerd, geŽvalueerd wordt. 3. In het plan wordt tevens vermeld welke zorg voor de minderjarige, voor de met het gezag belaste ouder, voogd of voor een anderen die de minderjarige als behorend tot hun gezin verzorgen en opvoeden nodig is, onder vermelding van de wijze waarop de doelen die met de jeugdreclassering worden nagestreefd, samenhangen met de doelen van de zorg. 3. In het plan wordt tevens vermeld welke jeugdzorg of andere zorg voor de jeugdige noodzakelijk is. Processen bureau jeugdzorg Versie 2 Definitief 18 mei 2005 61 4. Het plan komt niet tot stand en wordt niet gewijzigd dan nadat daarover in ieder geval overleg is gepleegd met: a. de jeugdige; b. de ouders, voogd of anderen die de jeugdige als behorend tot hun gezin verzorgen en opvoeden, tenzij dit overleg kennelijk schade zal toebrengen aan de jeugdige. 5. Van het overleg en de resultaten daarvan wordt melding gemaakt in het plan. Indien geen overleg mogelijk is, wordt hiervan met opgave van redenen melding gemaakt. 6. Zo vaak als noodzakelijk, doch ten minste ťťn maal per jaar wordt bezien in hoeverre het plan bijstelling behoeft.

E. Algemene toelichting voor plan i.h.k.v. (gezins)voogdij

Onderstaande toelichting is genomen uit de algemene toelichting bij het – toentertijd zogeheten – Besluit kwaliteit en werkwijze bureau jeugdzorg. De regels hebben (...) betrekking op het plan van aanpak dat dient te worden opgesteld (artikel 13, derde lid, van de wet). In dit plan moeten de doelen die met de ondertoezichtstelling (ots) of voogdij moeten worden bereikt worden aangegeven. Uit onderzoeken naar de uitvoering van de ondertoezichtstelling is gebleken dat het aanbeveling verdient meer doel- en kindgericht te werken om de effectiviteit van de ots te verhogen. In het onderhavige besluit wordt benadrukt dat het daarbij gaat om concrete doelen op korte en lange termijn binnen het kader van de uitvoering van een maatregel. Hoe in de praktijk daadwerkelijk vormgegeven moet worden aan het doel- en kindgericht werken is een van de onderwerpen van het verbetertraject uitvoering gezinsvoogdij waarin wordt gewerkt aan de ontwikkeling van een werkwijze en benodigde instrumenten om de effectiviteit van de ots te verhogen. Het uitgangspunt van de Wet op de jeugdzorg dat er vraaggericht gewerkt moet worden, geldt ook bij de uitvoering van de civiele maatregelen. Ook gedwongen hulpverlening moet zoveel mogelijk vanuit de vragen en problemen van ouders en jeugdigen plaatsvinden. Dit betekent dat het plan van aanpak in principe niet zonder overleg met de cliŽnt tot stand mag komen. Er is ťťn belangrijke uitzondering namelijk dat geen overleg behoeft plaats te vinden als dat kennelijk schadelijk zal zijn voor de jeugdige. Is overleg niet mogelijk zal dit gemotiveerd in het plan moeten worden vermeld.

F. Algemene toelichting voor plan i.h.k.v. jeugdreclassering

Onderstaande toelichting is genomen uit de algemene toelichting bij het – toentertijd zogeheten – Besluit kwaliteit en werkwijze bureau jeugdzorg. In het onderhavige besluit worden nadere regels gesteld over de uitvoering van de jeugdreclassering, bedoeld in artikel 10, eerste lid, onder c en d, van de wet. Het gaat hier Processen bureau jeugdzorg Versie 2 Definitief 18 mei 2005 62 vooral om het plan van aanpak dat moet worden opgesteld op grond van artikel 13, derde lid, van de wet en de voorlichting aan justitiŽle autoriteiten. Belangrijk onderdeel van het plan van aanpak zijn de doelen die moeten worden bereikt met de jeugdreclasseringsbegeleiding. Deze doelen worden in overleg met de jeugdige vastgesteld. Ook wordt vastgelegd wat er nodig is om deze doelen te bereiken. Een dergelijke aanpak maakt het werk helder en toetsbaar en maakt ook een expliciete evaluatie mogelijk.

G. Artikelsgewijze toelichting

Artikel 43

Ingevolge artikel 13, derde lid, van de wet moet de stichting voor uitoefening van de voogdij over en ondertoezichtstelling van een minderjarige of van de uitvoering van de jeugdreclassering voor elke jeugdige een plan opstellen. Dit artikel stelt eisen aan het plan voor de minderjarige die onder toezicht is gesteld. Hulp en steun bij de ondertoezichtstelling is erop gericht de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding zoveel mogelijk bij de met het gezag belaste ouder te doen behouden (artikel 1:257, lid 2 BW). Dit zal tot uitdrukking dienen te komen in het plan. Het plan wordt door de stichting zo spoedig mogelijk opgesteld, doch binnen zes weken nadat de stichting ervan in kennis is gesteld dat de uitoefening van de ondertoezichtstelling aan haar is opgedragen. De in kennisstelling is vormvrij. Een formele beschikking van de rechter behoeft dus niet te zijn ontvangen door de stichting, maar de stichting moet wel aantoonbaar op enige wijze in kennis zijn gesteld. Door deze werkwijze is het helder wanneer de termijn van zes weken voor het vaststellen van een plan begint te lopen, maar is het niet afhankelijk gemaakt van de administratieve afhandeling bij een rechtbank. Het tweede lid geeft aan wat het plan in ieder geval moet bevatten. Het betreft dus een nietlimitatieve opsomming. In het plan dienen onder andere doelen van de ondertoezichtstelling te worden opgenomen en de wijze waarop deze doelen nagestreefd worden. Uit het onderzoek van Slot, Theunissen, Esmeijer en Duivenvoorden (Vrije Universiteit, januari 2002) is gebleken dat het belangrijk is om concrete doelen te stellen, die gerelateerd zijn aan het kind. De gezinsvoogd zal, indien dit noodzakelijk is, jeugdzorg of zorg inschakelen en zal dit tevens in het plan opnemen (derde lid). Voor deze zorg zal in het algemeen een indicatiebesluit nodig zijn dat ingevolge artikel 7, zesde lid, onder a, van de wet in dit geval zonder aanvraag kan worden genomen. In het tweede lid, onder c, wordt gesproken over de met gezag belaste ouder en onder d over ouders. De OTS is een maatregel die is gericht op de minderjarige en de met het gezag belaste ouder. Zo kan de gezinsvoogd alleen een schriftelijke aanwijzing geven aan de minderjarige en de met het gezag belaste ouder (artikel 1:258 BW). Ook de hulp en steun is op hen gericht (art 1:257 lid 3 BW laat nog een uitzondering toe). De in het plan vastgelegde activiteiten richten zich dus op de minderjarige die onder toezicht is gesteld en de ouder die met het gezag is belast. Dit neemt niet weg dat het belangrijk is dat de ouder die niet met het gezag is belast, wordt betrokken bij de werkzaamheden van de gezinsvoogd. Het tweede lid Processen bureau jeugdzorg Versie 2 Definitief 18 mei 2005 63 onder d. strekt onder meer hiertoe. Indien het niet gewenst is dat de ouder die niet met het gezag is belast, wordt betrokken bij de uitvoering van de OTS wordt dit in het plan aangegeven. Het plan is belangrijk voor de cliŽnt, omdat hierin op heldere wijze wordt vastgelegd wat de cliŽnt van het bureau jeugdzorg bij de uitoefening van de OTS mag verwachten. Het plan vormt in feite het spoorboekje van het traject dat de cliŽnt en het bureau jeugdzorg met elkaar ingaan. Ook voor de Inspectie jeugdzorg en de raad voor de kinderbescherming is het plan van belang om hun taken goed te kunnen uitvoeren. Het plan biedt een belangrijk instrument om de kwaliteit van de uitvoering van een maatregel (Inspectie jeugdzorg) of een individuele beŽindiging van een ondertoezichtstelling of uithuisplaatsing (raad voor de kinderbescherming) te toetsen. Uitgangspunt is, dat het plan zowel met de minderjarige als met het gezag belaste ouder of anderen die de minderjarige als behorend tot hun gezin verzorgen en opvoeden, wordt besproken, alvorens het zijn definitieve vorm krijgt. Dit geldt zowel voor de eerste keer dat het plan tot stand komt als bij wijzigingen (vijfde lid). Het zal uiteraard van de leeftijd van de jeugdige afhangen in hoeverre een overleg met hem over het plan mogelijk is. Er is geen leeftijdsgrens opgenomen, maar als maatstaf kan worden gehanteerd dat het plan in ieder geval met jeugdigen ouder dan twaalf jaren besproken moet worden. Het is wenselijk om het plan ook met jeugdigen, die jonger zijn dan twaalf te bespreken al is het maar om uitleg te geven over wat hen te wachten staat. Het vierde lid is opgenomen, omdat het bij langdurige uithuisplaatsing (langer dan 18 maanden) belangrijk is dat een lange termijn planning wordt opgesteld waarbij tevens de doelstelling van de ondertoezichtstelling op langere termijn centraal staat. In het project Trillium waarin onder meer een visie op pleegzorg is ontwikkeld (Trillium-Visiedocument, VOG-Trillium, november 1998) en in het onderzoek van Adviesbureau Van Montfoort naar transgenerationele overdracht van kinderbeschermingsmaatregelen (B.O. Vogelvang & N. Boesveldt, Maatregel…Regelmaat, reconstructie van (het doorbreken van) transgenerationele overdracht van kinderbeschermingsmaatregelen, november 2001) is het belang van een lange termijn planning voor minderjarigen, die voor een langere periode in een pleeggezin of onder de hoede van een instelling voor jeugdzorg zijn geplaatst, naar voren gebracht. De periode van anderhalf jaar is gekozen, omdat het dan mogelijk is dat de raad voor de kinderbescherming of het openbaar ministerie een gedwongen ontheffing verzoekt (artikel 1:268, lid 2, onder a, BW). Indien een gedwongen ontheffing aangewezen lijkt, zal de stichting de raad voor de kinderbescherming hiervan in kennis moeten stellen. Een verzoek tot ontheffing kan immers niet door het bureau jeugdzorg zelf worden gedaan. Artikel 45 van dit besluit strekt hiertoe. Een ondertoezichtstelling kan voor een periode van maximaal ťťn jaar worden uitgesproken en het stellen van doelen die de periode van de OTS overstijgen, lijkt op het eerste gezicht wellicht tegenstrijdig. Het bureau jeugdzorg zal iedere keer wanneer een OTS of machtiging tot uithuisplaatsing (MUHP) afloopt moeten beslissen of een verzoek tot verlenging van de Processen bureau jeugdzorg Versie 2 Definitief 18 mei 2005 64 OTS en verlenging van de MUHP aangewezen is. De kinderrechter zal op verzoek van de stichting de OTS en MUHP al dan niet verlengen. Het feit dat de OTS en MUHP iedere keer verlengd moeten worden, betekent niet dat het bureau jeugdzorg geen doelen op langere termijn kan stellen. Het belang van het kind vraagt een langere termijn planning ook al is het niet zeker dat de OTS en MUHP verlengd zal worden. Door wijziging in omstandigheden kan het plan altijd aangepast worden. In het zevende lid wordt bovendien bepaald dat ten minste ťťn maal per jaar wordt bezien in hoeverre het plan bijstelling behoeft. Hierdoor wordt altijd een plan op maat voor de cliŽnt gerealiseerd.

Artikel 40

Ingevolge artikel 13, derde lid, van de wet moet de stichting voor uitoefening van de voogdij over en ondertoezichtstelling van een minderjarige of van de uitvoering van de jeugdreclassering voor elke jeugdige een plan opstellen. Dit artikel stelt eisen aan het plan voor de minderjarige die onder voogdij van de stichting staat. Het plan voor de uitoefening van de voogdij komt in grote lijnen overeen met het plan van de ondertoezichtstelling en jeugdreclassering (artikelen 43 en 46).

Artikel 46

Ingevolge artikel 9, derde lid, van de wet moet de stichting voor uitoefening van de voogdij en ondertoezichtstelling of van de uitvoering van de jeugdreclassering voor elke minderjarige een plan opstellen. Dit artikel stelt eisen aan het plan voor de jeugdreclassering. Het plan voor de jeugdreclassering komt in grote lijnen overeen met het plan van de ondertoezichtstelling en de voogdij (artikelen 43 en 40).

6.4. Is de conclusie dat verwijzing of zorg BJz wenselijk is?

Aan de hand van het diagnostisch beeld is bepaald of en zo ja wat voor zorg nodig is. In deze stap gaat het om de vraag of verdere zorg nodig is in de zin van art. 5, lid 1 van de wet. Het kan zo zijn dat na analyse het diagnostisch beeld geen aanleiding geeft tot dergelijke zorg. Er kan bijvoorbeeld sprake zijn van somatische problematiek of er is reeds in de analysefase een oplossing gevonden. In dat geval eindigt het proces. Wel kan de cliŽnt een advies krijgen over waar hij verder terecht kan. • Blijkt dat er zorg nodig is in de zin van art. 5, lid 1, Wjz, dan gaat het proces verder bij de volgende afvraging: Is besloten tot het opstellen van een indicatiebesluit? • Blijkt dat er geen zorg nodig is in de zin van art. 5, lid 1, Wjz, dan wordt het proces afgesloten na registratie van gegevens. Om een indruk te geven van anderssoortige zorg waarnaar verwezen kan worden, geven wij hieronder artikel 29 weer uit het Uitvoeringsbesluit Wet op de jeugdzorg. Dit artikel geeft weer Processen bureau jeugdzorg Versie 2 Definitief 18 mei 2005 65 over welke deskundigheden het bureau jeugdzorg dient te beschikken. Een aantal van die deskundigheden wijst in de richting van andere problematiek dan die waarvoor het bureau jeugdzorg zorg kan bieden. Dergelijke problematiek moet wel herkend kunnen worden.

Artikel 29 Uitvoeringsbesluit Wet op de jeugdzorg

1. Ten behoeve van een verantwoorde uitvoering door de stichting van de aan haar bij de wet opgedragen taken, beschikt de stichting over deskundigheid met betrekking tot: a. de beoordeling en aanpak van psychosociale, psychische of gedragsproblemen, dan wel een psychiatrische aandoening van jeugdigen; b. de beoordeling en aanpak van opvoedingssituaties die het onbedreigd opgroeien van jeugdigen kunnen belemmeren; c. de herkenning van taal- en leerproblemen; d. de herkenning van somatische aandoeningen; e. de herkenning van lichamelijke of verstandelijke handicaps; f. de beoordeling en aanpak van kindermishandeling; g. de aanpak van jeugdige delinquenten; h. de juridische aspecten van de haar opgedragen taken. 2. De stichting is op de hoogte van het aanbod van zorg. 3. Bij regeling van Onze Ministers kunnen regels worden gesteld over de opleidings- of deskundigheidseisen van medewerkers van de stichting, van beroepskrachten werkzaam bij de stichting alsmede van de deskundigen, bedoeld in artikel 35. In de toelichting bij het besluit wordt hierop nader ingegaan: Een aantal specifieke problemen van de jeugdigen die geen opgroei- of opvoedingsproblemen zijn, maar die wel tot opvoedingsproblemen kunnen leiden, wordt met zoveel woorden genoemd. Deze problemen zullen om die reden wel aangepakt moeten worden, maar zij eisen een specifieke aanpak buiten de jeugdzorg. Genoemd worden allereerst de taal- en leerproblemen. Hetzelfde geldt voor somatische aandoeningen en lichamelijke en verstandelijke handicaps. Deze problemen behoeft het bureau slechts te kunnen herkennen. Het zal daarom over de deskundigheid moeten beschikken, om een beargumenteerd vermoeden op dit punt uit te spreken. Niet nodig is dat zij deze problemen kunnen beoordelen en voorzien van een daarop passend hulpaanbod. Dat is een taak van het onderwijs, de somatische zorg en de zorg voor verstandelijk gehandicapten.

6.5. Registreren gegevens na conclusie geen verdere verwijzing of zorg BJz nodig

Na analyse is gebleken dat geen verdere zorg nodig is. Het proces wordt afgesloten. Er moet echter wel een aantal gegevens worden geregistreerd, om te kunnen voldoen aan de informatiebehoefte zoals neergelegd in artikel 2 van het Besluit beleidsinformatie jeugdzorg, met name de informatiebehoefte onder a. Processen bureau jeugdzorg Versie 2 Definitief 18 mei 2005 66

Artikel 2, sub a, Besluit beleidsinformatie jeugdzorg; Algemene gegevens

Voor de verwerking van de gegevens, bedoeld in artikel 42 van de wet, registreren de stichtingen de volgende algemene gegevens: a. gegevens over de aanmelding van een cliŽnt bij de stichting met het doel inzicht te verkrijgen in het aantal aanmeldingen en het daaraan getalsmatig in categorieŽn uitgedrukte vervolg;

6.6. Afsluiten proces vaststellen benodigde zorg na conclusie geen zorg nodig

Het proces wordt afgesloten.

6.7. Is besloten tot geÔndiceerde zorg?

Aan de hand van het diagnostisch beeld is bepaald dat er zorg nodig is, en dat voor deze zorg moet worden verwezen naar een zorgaanbieder of een aanbieder van zorg. In deze afvraging gaat het erom of besloten is dat geÔndiceerde zorg nodig is. • Is dat het geval, dan gaat het proces verder bij de activiteit: Vaststellen of een aanvraag aanwezig is. • Is niet besloten dat geÔndiceerde zorg nodig is, dan zijn er twee mogelijkheden: er is besloten dat andere dan geÔndiceerde zorg nodig is die geboden kan worden door een aanbieder van zorg, of er is besloten dat ambulante zorg geboden wordt door het bureau jeugdzorg zelf. Het proces gaat verder bij de afvraging Is besloten tot opstellen schriftelijk advies voor andere

dan geÔndiceerde zorg.

6.8. Is er sprake van (gezins)voogdij of jeugdreclassering?

Wanneer het bureau jeugdzorg ten aanzien van de jeugdige een taak heeft in het kader van (gezins)voogdij of jeugdreclassering, gelden bijzondere regels. Zo is het niet verplicht dat aan het indicatiebesluit een aanvraag ten grondslag ligt. Er kan echter wel naar gestreefd worden de cliŽnt ertoe te bewegen een aanvraag in te dienen. Voor verdere informatie, zie bij Vaststellen of een aanvraag van de cliŽnt haalbaar is. • Wanneer er ten aanzien van de jeugdige sprake is van een taak in het kader van (gezins)voogdij of jeugdreclassering, gaat het proces verder bij Vaststellen of een aanvraag

van de cliŽnt haalbaar is.

• Wanneer er ten aanzien van de jeugdige geen sprake is van een dergelijke taak, gaat het proces verder bij Vaststellen of een aanvraag aanwezig is. Processen bureau jeugdzorg Versie 2 Definitief 18 mei 2005 67

6.9. Vaststellen of een aanvraag van de cliŽnt haalbaar is

Deze activiteit is alleen aan de orde indien er sprake is van een te nemen indicatiebesluit in het kader van gezinsvoogdij, voogdij of jeugdreclassering. Getracht kan worden de cliŽnt ertoe te bewegen een aanvraag in te dienen voor geÔndiceerde zorg. Deze aanvraag is echter in bovengenoemde situaties niet verplicht. Door de cliŽnt ertoe te bewegen om toch een aanvraag in te dienen, kan diens motivatie tot het aanvaarden van zorg worden gestimuleerd of onderstreept. Besluit de cliŽnt echter om geen aanvraag in te dienen, dan kan toch gewoon een indicatiebesluit worden opgesteld. In beginsel moet aan ieder indicatiebesluit een aanvraag ten grondslag liggen. Zie hiervoor art. 7 Wjz. In lid 6 wordt evenwel aan aantal uitzonderingen op deze regel genoemd:

Artikel 7, lid 6, Wjz

6. In afwijking van het eerste lid kan de stichting een besluit nemen zonder een aanvraag daartoe, indien: a. verlening van zorg noodzakelijk is ter uitvoering van de taken, bedoeld in artikel 10, eerste lid, onder a tot en met d; b. het besluit strekt tot een uithuisplaatsing in het kader van een ondertoezichtstelling als bedoeld in artikel 261 van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek op verzoek van het openbaar ministerie of de raad voor de kinderbescherming. De taken, bedoeld in artikel 10, eerste lid, onder a tot en met d zijn: • uitoefenen van de voogdij en de voorlopige voogdij (art. 10, lid 1, sub a; • uitoefenen gezinsvoogdij (OTS) en voorlopige gezinsvoogdij (VOTS) (art. 10, lid 1, sub b); • jeugdreclassering (art. 10, lid 1, sub c-d).

Artikel 10, lid 1, Wjz

1. De stichting heeft bovendien tot taak: a. het, met uitsluiting van andere rechtspersonen en onverminderd artikel 302, tweede lid, van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek uitoefenen van de voogdij en de voorlopige voogdij op grond van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek of de voorlopige voogdij op grond van andere wetten; b. het, met uitsluiting van anderen, uitoefenen van de taak, genoemd in artikel 257 van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek; c. het geven van de in artikel 77f , eerste lid, onder a, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde aanwijzingen, dan wel het uitvoeren van de taken, bedoeld in artikel 77j, vierde en vijfde lid, 77o, eerste lid, 77s, achtste lid, 77aa, tweede en derde lid, van het Wetboek van Strafrecht of in artikel 493, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering, en de daarop Processen bureau jeugdzorg Versie 2 Definitief 18 mei 2005 68 aansluitende nazorg, alsmede het geven van begeleiding als bedoeld in artikel 77hh, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht; d. het, met uitsluiting van anderen, begeleiden van en toezicht houden op jeugdigen die deel nemen aan een scholings– en trainingsprogramma als bedoeld in artikel 3 van de Beginselenwet justitiŽle jeugdinrichtingen, of aan wie proefverlof als bedoeld in artikel 31 van die wet is verleend, alsmede de overige taken die bij of krachtens die wet aan de stichting zijn opgedragen.

6.10. Wil de cliŽnt een aanvraag indienen?

Er is sprake van een indicatiebesluit in het kader van (gezins)voogdij of jeugdreclassering. De cliŽnt is gevraagd of hij voor dit indicatiebesluit een aanvraag wil indienen. Deze aanvraag is voor het nemen van het indicatiebesluit door het BJz evenwel niet verplicht. • Als de cliŽnt ervoor kiest om inderdaad een aanvraag in te dienen, gaat het proces verder bij de activiteit Ervoor zorgdragen dat cliŽnt een aanvraag kan indienen. • Als de cliŽnt geen aanvraag wil indienen, kan toch een indicatiebesluit genomen worden; het proces gaat verder bij Opstellen indicatiebesluit.

6.11. Vaststellen of aanvraag aanwezig is

Vastgesteld wordt of er een aanvraag aanwezig is. De Wet op de jeugdzorg bepaalt dat aan het besluit of een cliŽnt is aangewezen op zorg in beginsel een aanvraag van de cliŽnt ten grondslag ligt (art. 7, eerste lid). Geen aanvraag is nodig (art. 7, zesde lid Wjz): • indien verlening van zorg noodzakelijk is ter uitvoering van een van de genoemde justitiŽle taken; • indien het besluit strekt tot uithuisplaatsing in het kader van ondertoezichtstelling op verzoek van het Openbaar Ministerie of de raad voor de kinderbescherming (art. 7, zesde lid, sub b). Op enig moment vůůr het totstandkomen van een indicatiebesluit moet gecheckt worden of er een aanvraag aanwezig is. In het proces kan deze check eigenlijk op elk moment gedaan worden. Ook de aanvraag kan op elk moment in het proces (vanaf het ogenblik dat hetzij de cliŽnt, hetzij het BJz de overtuiging heeft dat geÔndiceerde hulp nodig is) gedaan worden. Dit moment in het proces is het laatste moment waarop de aanvraag nog ingevuld kan worden. Anders kan er geen indicatiebesluit worden genomen (behoudens in crisissituaties). De letterlijke wetstekst luidt:

Artikel 7, eerste en zesde lid

Processen bureau jeugdzorg Versie 2 Definitief 18 mei 2005 69 1. Aan een besluit waarbij wordt vastgesteld of een cliŽnt is aangewezen op zorg als bedoeld in artikel 5, tweede lid, ligt een aanvraag van een cliŽnt ten grondslag. (...) 6. In afwijking van het eerste lid kan de stichting een besluit nemen zonder een aanvraag daartoe, indien: a. verlening van zorg noodzakelijk is ter uitvoering van de taken, bedoeld in artikel 10, eerste lid, onder a tot en met d; b. het besluit strekt tot een uithuisplaatsing in het kader van een ondertoezichtstelling als bedoeld in artikel 261 van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek op verzoek van het openbaar ministerie of de raad voor de kinderbescherming. Lid 6 stelt dat het bureau jeugdzorg in de omschreven gevallen een indicatiebesluit kan nemen zonder een aanvraag daartoe. Dat laat de mogelijkheid open om in dergelijke gevallen de cliŽnt er toch toe te bewegen een aanvraag in te dienen, met het oogmerk diens motivatie tot het aanvaarden van hulp te versterken dan wel te onderstrepen.

6.12. Aanvraag aanwezig?

Vastgesteld is of er een aanvraag aanwezig is. • Indien er een aanvraag aanwezig is, dan wordt het indicatiebesluit opgesteld. • Indien er gťťn aanvraag aanwezig is, dan wordt ervoor gezorgd dat de cliŽnt een aanvraag kan indienen.

6.13. Ervoor zorgdragen dat cliŽnt een aanvraag kan indienen

Het bureau jeugdzorg stelt de cliŽnt in de gelegenheid een aanvraag in te dienen. In de wet is een regeling opgenomen omtrent de aanvraag van een indicatiebesluit, en wel in artikel 7. Bij de activiteit Vaststellen of aanvraag aanwezig is zijn lid 1 en 6 van dit artikel al aan de orde geweest. Voor de volledigheid wordt hieronder het volledige artikel weergegeven, vergezeld van een toelichting uit de derde nota van wijziging.

Artikel 7 Wjz

1. Aan een besluit waarbij wordt vastgesteld of een cliŽnt is aangewezen op zorg als bedoeld in artikel 7, tweede lid, ligt een aanvraag van een cliŽnt ten grondslag. 2. Indien de zorg betrekking heeft op een ander dan de aanvrager, behoeft de aanvraag de instemming van de cliŽnt waarop de aanvraag betrekking heeft. 3. Indien de aanvraag betrekking heeft op een minderjarige die jonger is dan twaalf jaren of ouder dan twaalf jaren en niet in staat is tot een redelijke waardering van zijn belangen ter zake, is niet de instemming van de minderjarige vereist, maar van diens wettelijke vertegenwoordiger. Processen bureau jeugdzorg Versie 2 Definitief 18 mei 2005 70 4. Indien de aanvraag betrekking heeft op een minderjarige die de leeftijd van twaalf maar nog niet die van zestien jaren heeft bereikt, behoeft de aanvraag de instemming van de minderjarige en diens wettelijke vertegenwoordiger. Indien de wettelijk vertegenwoordiger weigert in te stemmen met de aanvraag, kan de stichting in afwijking van de eerste volzin, een besluit nemen indien de zorg voor de minderjarige noodzakelijk is en de minderjarige de zorg weloverwogen blijft wensen. 5. In afwijking van het tweede lid kan de stichting op een aanvraag van de wettelijk vertegenwoordiger van een minderjarige, die ouder is dan twaalf jaren, maar nog niet de leeftijd van zestien jaren heeft bereikt, en die weigert in te stemmen met de aanvraag, een besluit nemen, indien de zorg voor de minderjarige noodzakelijk is. 6. In afwijking van het eerste lid kan de stichting een besluit nemen zonder een aanvraag daartoe, indien: a. verlening van zorg noodzakelijk is ter uitvoering van de taken, bedoeld in artikel 10, eerste lid, onder a tot en met d; b. het besluit strekt tot een uithuisplaatsing in het kader van een ondertoezichtstelling als bedoeld in artikel 261 van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek op verzoek van het openbaar ministerie of de raad voor de kinderbescherming. De derde nota van wijziging gaat nader in op de regels rond de aanvraag en het waarom daarvan.Onderstaand een citaat.

6. Noodzaak van meer drang in de vrijwillige hulpverlening

Zoals aangegeven zetten veel jeugdigen en hun ouders zelf de stap naar de hulpverlening als zij ondersteuning nodig hebben bij oplossen of het leren omgaan met hun problemen. Het komt echter voor dat zij hun eigen problemen niet (h)erkennen of deze negeren. Het bureau jeugdzorg krijgt in dergelijke gevallen de taak om actief op te treden en contact te zoeken met de cliŽnt. Voor zorg waarop aanspraak bestaat is een daartoe strekkend indicatiebesluit van het bureau jeugdzorg een vereiste. Zorg is het meest effectief als cliŽnten de noodzaak daarvan inzien en zien wat de hulp aan de oplossing van de problemen kan bijdragen. Het is echter niet altijd mogelijk cliŽnten dit inzicht bij te brengen. Ook dan kan echter hulp nog wel hard nodig zijn. In verband hiermee is bij onderhavige nota van wijziging een regeling in het wetsvoorstel opgenomen omtrent de aanvrage van een indicatiebesluit. Hoofdregel is dat aan een indicatiebesluit een aanvraag van een cliŽnt ten grondslag moet liggen (artikel 7, eerste lid). Om ook hulp op gang te kunnen brengen waarom een cliŽnt niet nadrukkelijk vraagt is aan het bureau jeugdzorg de bevoegdheid gegeven om in een aantal met name in het wetsvoorstel genoemde gevallen zonder een (volledige) aanvraag daartoe een indicatiebesluit te nemen (artikel 7, vierde en vijfde lid). Een aanvraag kan worden gedaan door iedere cliŽnt. Dit brengt mee dat een ouder of een pleegouder een aanvraag kan doen voor zorg die hem zelf betreft en ook voor zorg voor zijn kind of pleegkind. Anderzijds, maar dat is vooral theoretisch, kan een jeugdige ook een aanvraag doen voor hulp aan zijn ouders of pleegouders. Als de aanvraag wordt gedaan door een ander dan degene die de zorg betreft, behoeft de aanvraag de instemming van betrokkene, tenzij deze nog geen twaalf jaar is. Als betrokkene ouder is dan twaalf jaar maar niet in staat tot een redelijke waardering van zijn belangen terzake, is zijn Processen bureau jeugdzorg Versie 2 Definitief 18 mei 2005 71 instemming evenmin vereist. Instemming van de vertegenwoordiger van de minderjarige is niet vereist als de aanvraag wordt gedaan door een minderjarige, die ouder is dan twaalf jaren en de minderjarige de zorg weloverwogen blijft wensen. Te denken valt aan weggelopen minderjarigen waarbij de ouders weigeren in te stemmen met de aanvraag, maar ook aan situaties waarbij tussen de minderjarige en zijn ouder of verzorger verschil van inzicht blijft bestaan over zorg die noodzakelijk is. Als de aanvraag wordt gedaan door de ouders voor een kind, dat ouder is dan twaalf jaren, maar het kind, ook al is het in staat tot een redelijke waardering van zijn belangen terzake, weigert in te stemmen met de aanvraag, kan de aanvraag toch worden toegewezen als het kind de zorg nodig heeft. Voorts kan de stichting ambtshalve een indicatiebesluit nemen ter uitvoering van de voogdij, gezinsvoogdij of jeugdreclassering of op verzoek van de raad voor de kinderbescherming of het openbaar ministerie. (...)

6.14. Opstellen indicatiebesluit

A. Algemeen

Het indicatiebesluit wordt opgesteld. Onder een indicatiebesluit verstaan wij een besluit dat aangeeft of een cliŽnt is aangewezen op zorg als bedoeld in artikel 5, tweede lid, Wjz. Een indicatiebesluit kan zowel opgesteld worden om de cliŽnt een aanspraak op geÔndiceerde zorg te verkrijgen als om een aanspraak op geÔndiceerde zorg te beŽindigen. Ook kan het indicatiebesluit ertoe strekken dat naar het oordeel van het bureau jeugdzorg de cliŽnt niet is aangewezen op zorg als bedoeld in artikel 5, tweede lid, Wjz. Bij dit proces is het van belang dat gedurende de gehele procesgang waar nodig/mogelijk overleg met de cliŽnt/aanvrager wordt gevoerd. In deze begeleidende tekst worden allereerst de algemene eisen aan het opstellen van het indicatiebesluit behandeld, voorts komt een aantal eisen aan de orde die aan het besluit zelf gesteld worden. Aparte aandacht wordt vervolgens besteed aan een aantal beperkingen in de aanspraak op jeugdzorg, zoals die zijn geformuleerd in het het Uitvoeringsbesluit Wet op de jeugdzorg (artikelen 1 t/m 6).

B. Eisen bij het opstellen van het indicatiebesluit

Aan het proces van het opstellen van het indicatiebesluit worden de volgende eisen gesteld: • aan een indicatiebesluit moet een aanvraag van de cliŽnt ten grondslag liggen (art. 7, lid 1 Wjz), behoudens uitzonderingen (art. 7, 4de, 5de en 6de lid Wjz), • altijd overleg met de cliŽnt op wie de zorg betrekking heeft, behoudens uitzonderingen (art. 34 lid 3 Uitvoeringsbesluit Wet op de jeugdzorg), Processen bureau jeugdzorg Versie 2 Definitief 18 mei 2005 72 • altijd raadpleging van een daartoe gekwalificeerde gedragswetenschapper (art. 35 Uitvoeringsbesluit Wet op de jeugdzorg), • indien het om een verzoek om uithuisplaatsing in het kader van ondertoezichtstelling gaat altijd overleg met Openbaar Ministerie of de raad voor de kinderbescherming (art. 34 lid 2 Uitvoeringsbesluit Wet op de jeugdzorg), • mogelijkheid van second opinion: op verzoek van cliŽnt laat de stichting de bij het opstellen van het indicatiebesluit gebruikte test- en onderzoeksgegevens van gedragsdeskundig of psychiatrisch onderzoek door een onafhankelijke deskundige interpreteren en voorzien van een advies, tenzij het belang van de jeugdige zich daartegen verzet (art. 36 Uitvoeringsbesluit Wet op de jeugdzorg).

C. Eisen die gesteld worden aan het indicatiebesluit

De Wet op de Jeugdzorg spreekt niet over een indicatiebesluit, maar over een aantal specifieke besluiten. Afhankelijk van de strekking van het besluit worden verschillende eisen gesteld. In de lagere regelgeving wordt de (verzamel)term indicatiebesluit wel gebruikt, waarbij vervolgens wel weer specifieke indicatiebesluiten worden onderscheiden. Afhankelijk van het soort besluit dat aan de orde is gelden verschillende eisen die hieronder aan de orde komen. Voor zowel een indicatiebesluit als een besluit dat andere dan geÔndiceerde zorg noodzakelijk is, geldt dat de huisarts van de cliŽnt schriftelijk moet worden geÔnformeerd door de stichting; dit mag echter alleen als de cliŽnt daarvoor toestemming geeft. (art. 28 Uitvoeringsbesluit Wet op de jeugdzorg).

C.1 Besluit geÔndiceerde zorg noodzakelijk

Indien een besluit wordt genomen dat geÔndiceerde zorg nodig is, gelden de vereisten zoals die zijn omschreven in artikel 6 van de wet.

Art 6 WJz

1. Indien de stichting een besluit neemt, waarbij wordt vastgesteld dat een cliŽnt is aangewezen op zorg als bedoeld in artikel 5, tweede lid, geeft zij daarbij in ieder geval: a. een beschrijving van de problemen of dreigende problemen van de cliŽnt, de ernst en de mogelijke oorzaken daarvan; b. een beschrijving van de in verband daarmee benodigde zorg en het met die zorg beoogde doel; c. de termijn gedurende welke de aanspraak geldt nadat de in het besluit voorziene zorg is aangevangen; d. de termijn waarbinnen de aanspraak tot gelding moet zijn gebracht; e. een advies wie de zorg kan of kunnen verlenen. 2. In het besluit geeft de stichting aan of coŲrdinatie van de zorg noodzakelijk is en zo ja, wie deze coŲrdinatie het beste kan uitvoeren. 3. Door het verstrijken van de termijn, bedoeld in het eerste lid, onder c, of indien een Processen bureau jeugdzorg Versie 2 Definitief 18 mei 2005 73 aanspraak niet binnen de termijn, bedoeld in het eerste lid, onder d, tot gelding is gebracht, vervalt de aanspraak. 4. De aanspraak vervalt voorts indien de stichting een besluit neemt, waarbij wordt vastgesteld dat een cliŽnt niet langer is aangewezen op zorg als bedoeld in artikel 5, tweede lid. 5. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden nadere regels gesteld omtrent de inhoud van het besluit, bedoeld in het eerste lid, en kunnen regels worden gesteld omtrent de wijze van totstandkoming daarvan, alsmede omtrent het vierde lid. N.B. Wellicht ten overvloede benadrukken we dat de eisen die zijn genoemd in lid 1 van dit artikel alleen gelden wanneer de stichting een besluit neemt dat de cliŽnt is aangewezen op geÔndiceerde zorg. Wanneer de stichting vindt dat de cliŽnt niet is aangewezen op deze zorg, en dit wordt neergelegd in een indicatiebesluit (en dat moet als de cliŽnt een aanvraag heeft ingediend), dan gelden de eisen in lid 1 dus niet. Het Besluit indicatie jeugdzorg stelt nog een aantal aanvullende eisen:

Artikel 15 Uitvoeringsbesluit Wet op de jeugdzorg

Indien de stichting voorziet dat de zorg waarop een cliŽnt is aangewezen niet tijdig beschikbaar is, kan zij vervangende zorg aanduiden, waarop de cliŽnt alsdan is aangewezen. Een cliŽnt is slechts op de vervangende zorg aangewezen tot het moment waarop de eerst aangewezen zorg beschikbaar is of tot de termijn, gedurende welke de aanspraak op de zorg waarop de cliŽnt is aangewezen, is verstreken.

Artikel 6 Besluit indicatie jeugdzorg

Indien ten behoeve van ťťn jeugdige meer dan ťťn cliŽnt op zorg is aangewezen geven de indicatiebesluiten de samenhang met de andere besluiten aan. Over artikel 15 heeft het Ministerie van VWS in antwoord op vragen vanuit de Bureaus jeugdzorg enige uitleg gegeven over de duur van de aanspraak op vervangende zorg. Dit antwoord wordt hieronder weergegeven. Er is zorg geÔndiceerd die niet meteen beschikbaar is. In verband daarmee wordt vervangende zorg aangegeven. De cliŽnt kan er voor kiezen de "echt" geÔndiceerde zorg op te eisen of genoegen te nemen met vervangende zorg. Dat opeisen zal in beide gevallen binnen 13 weken moeten gebeuren omdat er dan geen geÔndiceerde zorg en dus ook geen vervangende zorg meer is. Nu het geval dat de aanspraak op vervangende zorg tot gelding wordt gebracht, bijvoorbeeld na drie weken. Die zorg vangt aan, maar de aanspraak op de "echte" zorg kan nog tot gelding worden gebracht tot de dertien weken die daar voor staan zijn verstreken. In het voorbeeld Processen bureau jeugdzorg Versie 2 Definitief 18 mei 2005 74 heeft de cliŽnt dus nog 10 weken over om te bekijken of de vervangende zorg wel of niet bevalt. Bevalt de vervangende zorg niet dan kan hij zijn aanspraak op de "echte"zorg gewoon binnen de dertien weken die hij heeft tot gelding brengen. Bevalt die zorg wel dan kan de cliŽnt die vervangende zorg blijven genieten tot de geldigheidsduur die aan de indicatie verbonden is door het bureau jeugdzorg (maximaal een jaar) is verstreken.

C.2 Aanvullende regels inhoud indicatiebesluit

Afhankelijk van het soort zorg dat nodig wordt geacht, gelden nog aanvullende regels voor de inhoud en de wijze van totstandkoming van het indicatiebesluit (Uitvoeringsbesluit Wet op de jeugdzorg art 18 t/m 20):

Artikel 18 Uitvoeringsbesluit Wet op de jeugdzorg

1. Indien de stichting vaststelt dat een cliŽnt is aangewezen op jeugdhulp, geeft zij in het indicatiebesluit aan of een cliŽnt is aangewezen op jeugdhulp: a. in de thuissituatie of in een accommodatie van een zorgaanbieder; b. individueel of in groepsverband; 2. Het indicatiebesluit vermeldt de omvang van de benodigde jeugdhulp, uitgedrukt in het benodigde aantal contacturen.

Artikel 19 Uitvoeringsbesluit Wet op de jeugdzorg

1. Indien de stichting vaststelt dat een jeugdige is aangewezen op verblijf, geeft zij in het indicatiebesluit aan of de jeugdige is aangewezen op verblijf bij een pleegouder, dan wel op verblijf in een accommodatie van een zorgaanbieder. 2. Het indicatiebesluit vermeldt de omvang van het benodigde verblijf, uitgedrukt in het benodigde aantal uren per etmaal en het aantal dagen waarover de uren worden gespreid. 3. Het aantal dagen waarover de uren worden gespreid wordt uitgedrukt in een minimum en maximum aantal dagen, waarbij de marge twintig procent ten opzichte van het gemiddelde van het minimum en het maximum bedraagt

Artikel 20 Uitvoeringsbesluit Wet op de jeugdzorg

1. Indien de stichting vaststelt dat een jeugdige is aangewezen op observatiediagnostiek, geeft zij in het indicatiebesluit aan welke vragen met de observatiediagnostiek beantwoord moeten worden. 2. Het indicatiebesluit vermeldt de omvang van de benodigde observatiediagnostiek, uitgedrukt in het benodigde aantal uren per etmaal en het aantal dagen per week waarover deze uren worden gespreid.

D. Indicatiebesluit is beschikking (AWB)

Dit type indicatiebesluit kan worden aangemerkt als een beschikking in de zin van de Algemene Processen bureau jeugdzorg Versie 2 Definitief 18 mei 2005 75 Wet Bestuursrecht. Dit betekent dat bezwaar kan worden gemaakt bij het bureau jeugdzorg en dat vervolgens beroep bij de rechter kan worden ingesteld. De kinderrechter is in de Wet op de Jeugdzorg als bevoegde rechter aangewezen (art. 5, vijfde lid Wjz).

E. Beslissingen die zijn gelijkgesteld aan indicatiebesluit

Er zijn drie beslissingen die in art. 3, derde lid Wjz gelijk gesteld worden met het indicatiebesluit: • de rechter kan in het kader van het strafrecht beslissen dat jeugdzorg nodig is; het dient hierbij te gaan om een uitspraak in het kader van artikel 77s, eerste lid van het Wetboek van Strafrecht; • de selectie functionaris van DJI kan beslissen over scholings en trainingsprogramma’s (STP); • de directeur JJI kan beslissen dat jeugdzorg nodig is in het kader van proefverlof.

F. Beperkingen aanspraak

In de begeleidende tekst van de activiteit Analyseren situatie van de fase Analyse en opstellen diagnostisch beeld is al gerefereerd naar een aantal beperkingen die in de onderliggende regelgeving van de wet zijn gesteld op de aanspraak op jeugdzorg. Dat is daar gedaan, omdat de criteria die in de desbetreffende artikelen worden genoemd, meegenomen moeten worden in die fase. Het Uitvoeringsbesluit Wet op de jeugdzorg houdt echter ook eisen in die aan het indicatiebesluit gesteld worden, of preciezer: het benoemt criteria ten aanzien van de vraag wanneer voor welke vorm van jeugdzorg geÔndiceerd kan worden door middel van een indicatiebesluit en wanneer dat niet kan. Er wordt daarbij onderscheid gemaakt tussen: 10. jeugdhulp (artikel 3) 11. verblijf (artikel 4) en 12. observatiediagnostiek (artikel 5)

Artikel 3 Uitvoeringsbesluit Wet op de jeugdzorg

1. Jeugdhulp omvat behandeling of begeleiding van een: a. jeugdige, gericht op het oplossen, verminderen of voorkomen van verergering dan wel het omgaan met de gevolgen van zijn psychosociale, psychische of gedragsproblemen; b. cliŽnt, niet zijnde een jeugdige, gericht op het verkrijgen van zodanige vaardigheden dat hij aan de onder a bedoelde psychosociale, psychische of gedragsproblemen in het gezin het hoofd kan bieden. 2. Geen aanspraak bestaat op jeugdhulp voor zover: a. de jeugdige of zijn ouders, stiefouder of anderen die hem als behorende tot hun gezin verzorgen en opvoeden de psychosociale, psychische of gedragsproblemen van die jeugdige het hoofd kunnen bieden, al dan niet met behulp van personen uit hun directe omgeving of met behulp van andere voorzieningen die hulp bieden dan zorgaanbieders of b. de psychosociale, psychische of gedragsproblemen hun oorzaak vinden of mede vinden in Processen bureau jeugdzorg Versie 2 Definitief 18 mei 2005 76 een psychiatrische aandoening van een jeugdige die zodanig van aard is dat een psychiatrische aanpak van de problemen noodzakelijk is.

Artikel 4 Uitvoeringsbesluit Wet op de jeugdzorg

1. Verblijf omvat het aan een jeugdige gedurende het etmaal of een deel daarvan bieden van verblijf met een passend pedagogisch klimaat bij een pleegouder of in een accommodatie van een zorgaanbieder. 2. Geen aanspraak bestaat op verblijf voor zover: a. de jeugdige geen psychosociale, psychische of gedragsproblemen heeft, dan wel de jeugdige of zijn ouders, stiefouder of anderen die hem als behorende tot hun gezin verzorgen en opvoeden, de psychosociale, psychische of gedragsproblemen van die jeugdige het hoofd kunnen bieden, al dan niet met jeugdhulp als bedoeld in artikel 3, met behulp van personen uit hun directe omgeving of met behulp van andere voorzieningen die hulp bieden dan zorgaanbieders, b. het verblijf noodzakelijk is voor persoonlijke verzorging, ondersteunende begeleiding, activerende begeleiding of behandeling als bedoeld in artikel 2, eerste lid, van het Besluit zorgaanspraken AWBZ in verband met een verstandelijke, lichamelijke of zintuiglijke handicap, dan wel een psychiatrische of somatische aandoening of beperking of c. het verblijf in een justitiŽle jeugdinrichting als bedoeld in artikel 1, onder b, van de Beginselenwet justitiŽle jeugdinrichtingen betreft. 3. In afwijking van het tweede lid, onder a, bestaat aanspraak op verblijf: a. indien het een minderjarige betreft die onder voogdij van een stichting staat; b. als door verblijf bij een pleegouder het hoofd kan worden geboden aan de psychosociale, psychische of gedragsproblemen van de jeugdige. 4. Aanspraak op verblijf gedurende een deel van het etmaal bestaat slechts indien dit noodzakelijk is voor het tot gelding brengen van een aanspraak op jeugdhulp als bedoeld in artikel 3.

Artikel 5 Uitvoeringsbesluit Wet op de jeugdzorg

1. Observatiediagnostiek omvat het onderzoeken van een jeugdige gericht op het verkrijgen van gegevens die een stichting nodig heeft voor het nemen van een indicatiebesluit. 2. Geen aanspraak op observatiediagnostiek bestaat als aannemelijk is dat een jeugdige is aangewezen op zorg als bedoeld in artikel 5, tweede lid, onder b, van de wet. 3. Aanspraak op observatiediagnostiek bestaat slechts indien voor het verkrijgen van de gegevens, bedoeld in het eerste lid, observatie tijdens verblijf gedurende het etmaal of een deel daarvan noodzakelijk is. 4. Aanspraak op observatiediagnostiek bestaat voor een termijn van ten hoogste zes weken. De aanspraak kan eenmaal met ten hoogste zes weken worden verlengd. In artikel 4 van het Uitvoeringsbesluit Wet op de jeugdzorg wordt verwezen naar artikel 2, eerste Processen bureau jeugdzorg Versie 2 Definitief 18 mei 2005 77 lid, van het Besluit zorgaanspraken AWBZ. Dit artikel wordt hieronder volledigheidshalve weergegeven: Artikel 2 Besluit zorgaanspraken AWBZ Artikel 2 1. De verzekerde heeft, behoudens voor zover het zorg betreft die kan worden bekostigd op grond van een andere wettelijke regeling, aanspraak op: a. huishoudelijke verzorging als omschreven in artikel 3; b. persoonlijke verzorging als omschreven in artikel 4; c. verpleging als omschreven in artikel 5; d. ondersteunende begeleiding als omschreven in artikel 6; e. activerende begeleiding als omschreven in artikel 7; f. behandeling als omschreven in artikel 8; g. verblijf als omschreven in artikel 9; h. vervoer als omschreven in artikel 10; i. het gebruik van een verpleegartikel als omschreven in artikel 11; j. dieetadvisering als omschreven in artikel 12; k. ziekenhuiszorg als omschreven in artikel 13; l. revalidatiezorg als omschreven in artikel 14; m. zorg als omschreven in artikel 15; n. prenatale zorg als omschreven in artikel 16; o. onderzoek naar aangeboren stofwisselingsziekten als omschreven in artikel 17; p. vaccinaties als omschreven in artikel 18. 2. Op de zorg, omschreven bij dit besluit, bestaat geen aanspraak voor zover deze objectief voorzienbaar samenhangt met een onderzoek in een ziekenhuis dat of een behandeling in een ziekenhuis die niet behoort tot de in artikel 13, eerste lid, omschreven zorg. 3. De aanspraak op zorg bestaat slechts voor zover de verzekerde, gelet op zijn behoefte en uit een oogpunt van doelmatige zorgverlening, redelijkerwijs daarop is aangewezen. 4. Bij ministeriŽle regeling kan de aanspraak op de zorg, bedoeld in het eerste lid, nader worden geregeld en afhankelijk worden gesteld van daarbij te stellen voorwaarden. Zie ook het algemene hoofdstuk over de Wet op de jeugdzorg, onder het kopje De Wet op de

jeugdzorg en de AWBZ.

G. Registratie-eisen

Registratie-eisen ten aanzien van het indicatiebesluit zijn opgenomen in het Besluit beleidsinformatie jeugdzorg.

Artikel 3 Besluit beleidsinformatie jeugdzorg

1. Voor de verwerking van de gegevens, bedoeld in artikel 42 van de wet, registeert de Processen bureau jeugdzorg Versie 2 Definitief 18 mei 2005 78 stichting de volgende gegevens per cliŽnt over de taak, bedoeld in artikel 5, eerste lid, van de wet: a. de datum van de aanvraag voor een indicatiebesluit; b. de datum van het indicatiebesluit; c. of de cliŽnt volgens een indicatiebesluit is aangewezen op zorg als bedoeld in artikel 5, tweede lid, van de wet; d. of het indicatiebesluit is genomen in verband met het verstrijken van de termijn, bedoeld in artikel 6, eerste lid, onder c, van de wet; e. of het indicatiebesluit is genomen in verband met het verstrijken van de termijn, bedoeld in artikel 6, eerste lid, onder d, van de wet met een aanduiding van de reden waarom de cliŽnt niet binnen de gestelde termijn de aanspraak tot gelding heeft gebracht; f. of het indicatiebesluit is genomen op grond van artikel 6, vierde lid, van de wet met een aanduiding van de reden; g. de datum van de beslissing, bedoeld in artikel 3, derde lid, tweede volzin, van de wet met een aanduiding van degene die de beslissing neemt; h. de datum dat de huisarts of de behandelaar toepassing geeft aan artikel 5 van het Besluit verwijzing jeugd-ggz met een aanduiding van de hoedanigheid van de verwijzer; i. of de stichting een indicatiebesluit heeft genomen in een geval, bedoeld in artikel 3 van het Besluit indicatie jeugdzorg, nadat de zorg is aangevangen; j. de datum van het beŽindigen van de medewerking van de cliŽnt aan de taak van de stichting, bedoeld in artikel 5, eerste lid, van de wet; k. de datum van de schriftelijke vastlegging, bedoeld in artikel 8, eerste lid, van de wet. 2. In de gevallen bedoeld in het eerste lid, onder b, f en g, registeert de stichting per cliŽnt de aard, inhoud en omvang van zorg waarop de cliŽnt aanspraak heeft. Daarbij wordt een onderscheid gemaakt tussen eerst aangewezen zorg en vervangende zorg als bedoeld in artikel 5 van het Besluit indicatie jeugdzorg. 3. In de gevallen bedoeld in het eerste lid, onder b, registreert de stichting per cliŽnt de termijnen, bedoeld in artikel 6, eerste lid, onder c en d, van de wet. Processen bureau jeugdzorg Versie 2 Definitief 18 mei 2005 79 Processen bureau jeugdzorg Versie 2 Definitief 18 mei 2005 80

6.14.1. Formuleren ontwerp indicatiebesluit

Het ontwerp indicatiebesluit wordt geformuleerd.

6.14.2. Beoordelen ontwerp indicatiebesluit

Het ontwerp indicatiebesluit wordt door een gedragswetenschapper ten finale beoordeeld. In het Uitvoeringsbesluit Wet op de jeugdzorg wordt het volgende vermeld:

Artikel 35 Uitvoeringsbesluit Wet op de jeugdzorg

De stichting neemt geen indicatiebesluit dan nadat een ontwerp daarvan ter beoordeling is voorgelegd aan een gekwalificeerde gedragswetenschapper.

6.14.3. Aanpassen ontwerp indicatiebesluit nodig na beoordeling?

Uit de beoordeling van het ontwerp indicatiebesluit door een gedragswetenschapper kan naar voren komen dat het ontwerp indicatiebesluit aangepast moet worden. • Indien het ontwerp indicatiebesluit aangepast moet worden, wordt het ontwerp ge(her)formuleerd. • Indien het ontwerp indicatiebesluit niet aangepast moet worden, wordt overleg gevoerd met de aanvrager/cliŽnt.

6.14.4. Voeren overleg met aanvrager/cliŽnt

Met de aanvrager en/of cliŽnt wordt gedurende het gehele proces overleg gevoerd (in beginsel). Nadat besloten is dat het ontwerp indicatiebesluit geen verdere aanpassing behoeft, wordt expliciet met de aanvrager en/of cliŽnt over het indicatiebesluit overlegd. In het Uitvoeringsbesluit Wet op de jeugdzorg staat in art. 34 hierover het volgende vermeld:

Artikel 34 Uitvoeringsbesluit Wet op de jeugdzorg

1. Het indicatiebesluit komt niet tot stand dan nadat over een ontwerp daarvan in ieder geval overleg is gepleegd met de aanvrager en met degene wiens instemming is vereist op grond van artikel 7, van de wet. 2. In een geval als bedoeld in artikel 7, zesde lid, onder b, van de wet neemt de stichting geen indicatiebesluit dan na overleg met het openbaar ministerie of de raad voor de kinderbescherming.

6.14.5. Aanpassen ontwerp IB nodig na overleg cliŽnt?

Uit het overleg met de cliŽnt over het ontwerp indicatiebesluit door een gedragswetenschapper kan naar voren komen dat het ontwerp indicatiebesluit aangepast moet worden. Processen bureau jeugdzorg Versie 2 Definitief 18 mei 2005 81 • Indien het ontwerp indicatiebesluit aangepast moet worden, wordt het ontwerp ge(her)formuleerd. • Indien het ontwerp indicatiebesluit niet aangepast moet worden, wordt het indicatiebesluit vastgesteld. N.B. Het model geeft hiermee de indruk dat er slechts ťťn moment is waarop overleg met de cliŽnt gevoerd wordt. Vaak zal er meer overleg zijn tijdens het opstellen van het besluit.

6.14.6. Vaststellen indicatiebesluit

Het indicatiebesluit wordt vastgesteld.

6.14.7. Houdt het IB een aanspraak AWBZ in?

Het indicatiebesluit kan een aanspraak op grond van de AWBZ inhouden. • Als het indicatiebesluit een aanspraak op grond van de AWBZ inhoudt, dan dient het in bepaalde gevallen te worden voorgelegd aan het zorgkantoor. • Houdt het indicatiebesluit alleen een aanspraak in op grond van de Wjz, of een aanspraak op grond van de AWBZ waarvoor geen voorlegging aan het zorgkantoor nodig is, dan gaat het proces verder bij Versturen IB naar cliŽnt. De regels hiervoor zijn vastgelegd in een notitie van het Ministerie van VWS (DJB/JZ-2518669). Daarin wordt onderscheid gemaakt in werkwijze in 2005 en in de jaren daarna.

2005

Het indicatiebesluit wordt gestuurd naar het zorgkantoor ("gegevensuitwisseling volgens de AZRsystematiek") voor • intramurale jeugd-GGZ langer dan 1 jaar; • PGB aanvragen • Zorg geboden door aanbieders die vanaf 1 april 2003 een nieuwe toelating hebben ontvangen van het CVZ. Voor alle overige vormen van jeugd-GGZ verstrekt het bureau jeugdzorg het indicatiebesluit van de cliŽnt aan de jeugd-GGZ zorgaanbieder (behalve wanneer er sprake is van een rechtstreekse verwijzing door de huisarts). De jeugd-GGZ zorgaanbieder maakt hiervan melding bij het zorgkantoor. Processen bureau jeugdzorg Versie 2 Definitief 18 mei 2005 82

2006 en verder

De situatie in 2006 blijft voor de intramurale jeugd-GGZ na een jaar hetzelfde als in 2005: de gegevensuitwisseling vindt plaats tussen de bureaus jeugdzorg en de zorgkantoren volgens de AZR systematiek. Voor alle overige vormen van jeugd-GGZ geven de bureaus jeugdzorg per 1 januari 2006 een indicatiebesluit af waarvan zij melding maken aan de zorgverzekeraars, conform de eisen van de zorgverzekeraars.

6.14.8. Voorleggen IB aan zorgkantoor

Het indicatiebesluit voor zorg zoals omschreven onder 6.14.7wordt voorgelegd aan het zorgkantoor. Het zorgkantoor toetst het indicatiebesluit van bureau jeugdzorg op formele eisen volgens de AWBZ en niet op inhoudelijke gronden. Voorts heeft het zorgkantoor de taak om te registreren welke zorg de cliŽnten (moeten) ontvangen.

6.14.9. Versturen IB naar cliŽnt

De cliŽnt wordt schriftelijk in kennis gesteld van het besluit. Daarbij wordt informatie over de mogelijkheid van bezwaar en beroep opgenomen (artikel 3:40 en 3:41 Awb). Ook wordt vermeld door wie, binnen welke termijn en bij welk orgaan bezwaar kan worden gemaakt of beroep kan worden ingesteld (artikel 3:45 Awb).

6.14.10. Versturen afschrift indicatiebesluit aan huisarts

Als de cliŽnt daarvoor toestemming geeft, wordt aan de huisarts van de cliŽnt een afschrift van het indicatiebesluit gestuurd. In het Uitvoeringsbesluit Wet op de jeugdzorg wordt dit als volgt verwoord:

Artikel 28 Uitvoeringsbesluit Wet op de jeugdzorg

De stichting stuurt, onverminderd artikel 51 van de wet, aan de huisarts van de cliŽnt een afschrift van het indicatiebesluit (...). Uit artikel 51 van de wet volgt, dat voor het versturen van het indicatiebesluit in beginsel de toestemming van de cliŽnt vereist is:

Artikel 51 Wjz

1. Onverminderd het bij of krachtens de wet bepaalde, verstrekken de stichting en de zorgaanbieder aan anderen dan de cliŽnt geen inlichtingen over de cliŽnt, dan wel inzage in of afschrift van de bescheiden dan met toestemming van de cliŽnt. Processen bureau jeugdzorg Versie 2 Definitief 18 mei 2005 83 2. Indien de cliŽnt minderjarig is, is in plaats van diens toestemming de toestemming van zijn wettelijke vertegenwoordiger vereist, indien hij: a. jonger is dan twaalf jaren, of b. de leeftijd van twaalf jaren heeft bereikt en niet in staat kan worden geacht tot een redelijke waardering van zijn belangen terzake. 3. Onder anderen dan de cliŽnt zijn niet begrepen degenen van wie beroepshalve de medewerking bij de toegang tot en de uitvoering van de jeugdzorg noodzakelijk is, alsmede degenen die zijn betrokken bij de voorbereiding of uitvoering van de taken, bedoeld in artikel 10, eerste lid, onder a tot en met d, doch slechts voor zover dit voor de medewerking bij de toegang, de uitvoering van de jeugdzorg of de voorbereiding of uitvoering van een maatregel noodzakelijk is.

6.14.11. Houdt het besluit in dat de cliŽnt geÔndiceerde zorg nodig heeft?

Als de cliŽnt een aanvraag heeft ingediend, dan moet het bureau jeugdzorg altijd een indicatiebesluit opstellen. Een indicatiebesluit kan daarom negatief zijn. Er is dan expliciet besloten dat de cliŽnt niet (langer) is aangewezen op geÔndiceerde zorg.. • Indien het indicatiebesluit stelt dat geÔndiceerde zorg nodig is, dan gaat het proces verder bij Uitvoeren casemanagement geÔndiceerde zorg. • Indien het indicatiebesluit stelt dat de cliŽnt niet (langer) is aangewezen op zorg, dan wordt het proces hier afgesloten.

6.14.12. Uitvoeren Casemanagement

Het Casemanagement wordt uitgevoerd. Zie verder bij het proces Casemanagement geÔndiceerde zorg.

6.14.13. Afsluiten na negatief indicatiebesluit

Gegevens worden geregistreerd (zie inleidende tekst bij Opstellen indicatiebesluit, onder kopje G)

6.15. Registreren gegevens na opstellen indicatiebesluit

Gegevens worden geregistreerd. Zie begeleidende tekst bij Opstellen indicatiebesluit onder kopje G. N.B.: Niet alle gegevens die voortvloeien uit de opsomming in dit artikel zullen op dit moment van het proces al bekend zijn. Aangezien dit echter de plek in het referentiewerkmodel is waarop de geÔndiceerde zorg aanvangt, is het registratiemoment hier opgenomen. Processen bureau jeugdzorg Versie 2 Definitief 18 mei 2005 84

6.16. Is naast geÔndiceerde zorg ook andere dan geÔndiceerde zorg nodig?

Het kan zijn dat voor een cliŽntsysteem naast geÔndiceerde zorg ook andere dan geÔndiceerde zorg nodig is. Is dat inderdaad het geval, dan is de aanname in dit model dat de verwijzing voor de andere dan geÔndiceerde zorg altijd geschiedt door middel van een schriftelijke verwijzing. De voornaamste reden hiervoor is de coŲrdinatie die moet worden aangegeven in zowel het schriftelijk advies als in het indicatiebesluit. • Wanneer naast geÔndiceerde zorg ook andere dan geÔndiceerde zorg nodig is, dan gaat het proces verder bij Verwijzen naar andere dan geÔndiceerde zorg met schriftelijk advies. • Is dit niet het geval, dan wordt het proces afgesloten.

6.17. Afsluiten proces vaststellen benodigde zorg na opstellen indicatiebesluit

Gegevens worden geregistreerd. Zie begeleidende tekst bij Opstellen indicatiebesluit onder kopje G.

6.18. Heeft cliŽnt een aanvraag ingediend?

Besloten is dat de cliŽnt niet is aangewezen op geÔndiceerde zorg. Als de cliŽnt evenwel een aanvraag heeft ingediend, dan moet er een indicatiebesluit worden genomen, in dit geval een waarin staat dat de cliŽnt niet is aangewezen op geÔndiceerde zorg. De cliŽnt moet op de mogelijkheid gewezen worden dat hij een aanvraag kan indienen. • Als de cliŽnt een aanvraag heeft ingediend, gaat het proces verder met de stap opstellen

indicatiebesluit geen geÔndiceerde zorg nodig

• Heeft de cliŽnt geen aanvraag ingediend – en te kennen gegeven dat ook niet te willen doen – dan gaat het proces verder bij de vraag: Is besloten tot opstellen schriftelijk advies voor

andere dan geÔndiceerde zorg?

6.19. Opstellen indicatiebesluit geen geÔndiceerde zorg nodig

Er wordt een indicatiebesluit opgesteld waarin staat dat de cliŽnt niet is aangewezen op geÔndiceerde zorg. Zie de procesbeschrijving Opstellen indicatiebesluit. Daarna gaat het proces

verder bij de afvraging: Is besloten tot opstellen schriftelijk advies voor andere dan

geÔndiceerde zorg?

6.20. Is besloten tot opstellen schriftelijk advies voor andere dan geÔndiceerde zorg?

Besloten is dat de cliŽnt geen aanspraak heeft op geÔndiceerde zorg. De vraag die hier aan de orde is, betreft andere dan geÔndiceerde zorg, die geboden wordt door een aanbieder van zorg. Dit kan op twee manieren gebeuren, namelijk met en zonder schriftelijk advies. Bij een verwijzing Processen bureau jeugdzorg Versie 2 Definitief 18 mei 2005 85 met schriftelijk advies hoort ook een vorm van casemanagement. Zie de begeleidende tekst bij het proces Verwijzen naar andere dan geÔndiceerde zorg met schriftelijk advies • Als is besloten te verwijzen met schriftelijk advies, gaat het proces verder bij Verwijzen naar

andere dan geÔndiceerde zorg met schriftelijk advies

• Als besloten is te verwijzen zonder schriftelijk advies, gaat het proces verder bij de afvraging:

Is besloten tot verwijzen zonder schriftelijk advies naar andere dan geÔndiceerde zorg?

In de derde nota van wijziging wordt nadere uitleg gegeven op de verwijzing met schriftelijk advies, onder het kopje 4, Bijstaan van een cliŽnt bij het verkrijgen van zorg waarop geen aanspraak bestaat en het volgen van die zorg. In deze tekst wordt duidelijk wat het belangrijkste criterium is bij de keuze om al dan niet met een schriftelijk advies te verwijzen. Het gaat erom of met de zorg waarnaar wordt verwezen een bedreigende situatie voor een jeugdige kan worden voorkomen. Is dat het geval, dan dient te worden met een schriftelijk advies.

Uit derde nota van wijziging

(...) Het bureau (kan – red.) menen dat dergelijke ("geÔndiceerde" – red.) zorg niet nodig is, maar wel zorg die gegeven kan worden door lokale voorzieningen (artikel 8). Het hoeft daarbij geen jeugdzorg te betreffen, maar het kan ook om zorg gaan als hulp bij budgetteren of verslavingszorg. Als de problemen opgelost kunnen worden met behulp van de aanbieders van deze vormen van zorg zal het bureau hen daarnaar moeten verwijzen. Als de zorg nodig is om een bedreigende situatie voor een jeugdige te voorkomen, achten wij een enkele verwijzing onvoldoende. (...). Het wetsvoorstel verplicht het bureau jeugdzorg een verwijzing naar andere voorzieningen schriftelijk vast te leggen (artikel 8). Dit schept geen verplichtingen voor die voorzieningen, maar maakt zowel voor de cliŽnt als voor de voorzieningen helder welke zorg de cliŽnt nodig heeft. (...) Overigens is de verplichting tot schriftelijke vastlegging beperkt tot zorg die noodzakelijk is om een bedreigende situatie voor een minderjarige te voorkomen. De andere voorzieningen hebben, zoals hiervoor al gesteld, geen acceptatieplicht zoals die wel geldt voor zorgaanbieders (artikel 19). Wel zal de cliŽnt goed gefundeerd een beroep kunnen doen op die voorzieningen. Zijn problemen en behoefte aan zorg zijn immers al in kaart gebracht.

6.21. Is besloten tot verwijzing zonder schriftelijk advies naar andere dan

geÔndiceerde zorg?

Besloten is dat de cliŽnt zorg nodig heeft, maar geen aanspraak heeft op geÔndiceerde zorg. Besloten is bovendien dat een verwijzing met een schriftelijk advies naar andere dan geÔndiceerde zorg niet noodzakelijk is. Er zijn nu nog twee mogelijkheden, namelijk een Processen bureau jeugdzorg Versie 2 Definitief 18 mei 2005 86 verwijzing zonder schriftelijk advies, of het aanbieden van ambulante hulpverlening door het bureau jeugdzorg zelf. In dit model is deze keuze weergegeven met de vraag of tot een verwijzing zonder schriftelijk advies besloten is. • Is dit het geval, dan gaat het proces verder bij Verwijzen naar andere dan geÔndiceerde zorg

(zonder schriftelijk advies).

• Is dit niet het geval, dan gaat het proces verder bij Verlenen ambulante jeugdzorg (BJz), onder Bijzondere situaties.

6.22. Verlenen ambulante jeugdzorg door BJz

Zie proces Verlenen ambulante jeugdzorg (BJz) onder Bijzondere situaties

6.23. Verwijzen naar andere dan geÔnd. zorg (zonder schriftelijk advies)

De cliŽnt wordt verwezen naar een aanbieder van zorg, zonder een schriftelijk advies.

6.24. Verwijzen naar andere dan geÔnd. zorg met schriftelijk advies

In artikel 8 van de wet worden eisen gesteld waaraan het schriftelijk advies moet voldoen:

Artikel 8 Wjz

1. Indien de stichting van oordeel is dat zorg, niet zijnde zorg als bedoeld in artikel 5, tweede lid, noodzakelijk is om een voor een jeugdige bedreigende situatie te voorkomen, legt de stichting ten behoeve van de cliŽnt schriftelijk vast welke zorg zij noodzakelijk acht. Zij geeft daarbij in ieder geval: a. een beschrijving van de problemen of dreigende problemen van de cliŽnt en de mogelijke oorzaken daarvan; b. de mate waarin deze een bedreigende situatie voor de jeugdige kunnen veroorzaken; c. een beschrijving van de in verband daarmee benodigde zorg; d. een advies wie de benodigde zorg kan verlenen. 2. Bij de vastlegging geeft de stichting aan of coŲrdinatie van de zorg noodzakelijk is en zo ja, wie deze coŲrdinatie het beste kan uitvoeren. De artikelsgewijze toelichting in de derde nota van wijziging stelt daarbij: Bij het vaststellen of een cliŽnt zorg nodig heeft, kan de stichting tot het oordeel komen dat zorg noodzakelijk is, die geen zorg is waarop aanspraak bestaat ingevolgde deze wet of andere zorg, bedoeld in artikel 5, tweede lid. Indien andere zorg noodzakelijk is om een voor een minderjarige bedreigende situatie te voorkomen, legt de stichting dit oordeel schriftelijk vast ten behoeve van de cliŽnt. De cliŽnt kan hiermee naar instellingen gaan om de zorg te krijgen, die hij nodig heeft. De cliŽnt heeft echter geen aanspraak op deze zorg. (...) Processen bureau jeugdzorg Versie 2 Definitief 18 mei 2005 87 De vastlegging geeft de cliŽnt en de uitvoeders van de wenselijk geachte zorg inzicht in de problematiek en de achtergronden daarvan. De uitvoerders kunnen daardoor snel inspelen op de problemen. Het bureau jeugdzorg behoeft niet in alle gevallen zijn oordeel schriftelijk vast te leggen. Deze verplichting bestaat slechts als de zorg noodzakelijk is om een voor een minderjarige bedreigende situatie te voorkomen. Een eenvoudige verwijzing behoeft derhalve niet (in een schriftelijk advies – red.) te worden vastgelegd.

6.24.1. Opstellen schriftelijk advies

Het advies wordt opgesteld, waarbij de aspecten zoals die zijn genoemd in artikel 8 van de wet aan de orde komen.

6.24.2. Versturen schriftuur aan huisarts

Als de cliŽnt daarmee instemt, wordt aan de huisarts van de cliŽnt een schriftuur verstuurd waarin de zorg, bedoeld in art. 8 Wjz is vastgelegd. In het Uitvoeringsbesluit Wet op de jeugdzorg wordt dit als volgt verwoord:

Artikel 28 Uitvoeringsbesluit Wet op de jeugdzorg

De stichting stuurt, onverminderd artikel 51 van de wet, aan de huisarts van de cliŽnt een afschrift van (...) het schriftuur waarin de zorg, bedoeld in artikel 8, van de wet, is vastgelegd. Uit artikel 51 van de wet volgt, dat voor het versturen van het bedoelde schriftuur in beginsel de toestemming van de cliŽnt vereist is:

Artikel 51 Wjz

1. Onverminderd het bij of krachtens de wet bepaalde, verstrekken de stichting en de zorgaanbieder aan anderen dan de cliŽnt geen inlichtingen over de cliŽnt, dan wel inzage in of afschrift van de bescheiden dan met toestemming van de cliŽnt. 2. Indien de cliŽnt minderjarig is, is in plaats van diens toestemming de toestemming van zijn wettelijke vertegenwoordiger vereist, indien hij: a. jonger is dan twaalf jaren, of b. de leeftijd van twaalf jaren heeft bereikt en niet in staat kan worden geacht tot een redelijke waardering van zijn belangen terzake. 3. Onder anderen dan de cliŽnt zijn niet begrepen degenen van wie beroepshalve de medewerking bij de toegang tot en de uitvoering van de jeugdzorg noodzakelijk is, alsmede degenen die zijn betrokken bij de voorbereiding of uitvoering van de taken, bedoeld in artikel 10, eerste lid, onder a tot en met d, doch slechts voor zover dit voor de medewerking bij de toegang, de uitvoering van de jeugdzorg of de voorbereiding of uitvoering van een maatregel Processen bureau jeugdzorg Versie 2 Definitief 18 mei 2005 88 noodzakelijk is.

6.25. Uitvoeren casemanagement andere dan geÔndiceerde zorg

Zie Uitvoeren casemanagement andere dan geÔndiceerde zorg Processen bureau jeugdzorg Versie 2 Definitief 18 mei 2005 89

7. Uitvoeren casemanagement geÔndiceerde zorg

A. Algemeen

Het begrip casemanagement komt in de wetstekst als zodanig niet voor. De wet noemt wel een aantal taken die tezamen als casemanagement verstaan kunnen worden.

art. 10, eerste lid, sub f t/m i, Wjz

f. het actief bijstaan van een cliŽnt en het zo nodig motiveren van een cliŽnt tot het tot gelding brengen van zijn aanspraak op zorg als bedoeld in artikel 5, tweede lid; g. het, met uitsluiting van anderen, bevorderen dat degenen bij wie een aanspraak op zorg als bedoeld in artikel 5, tweede lid, tot gelding wordt gebracht, een samenhangend hulpverleningsplan tot stand brengen dat is afgeleid van het besluit, bedoeld in artikel 6, eerste lid; h. het volgen van de verleende zorg als bedoeld in artikel 5, tweede lid, en het bijstaan van de cliŽnt bij vragen omtrent de inhoud van deze zorg, alsmede de evaluatie van deze zorg; i. het adviseren van de cliŽnt omtrent zorg die na beŽindiging van de zorg, bedoeld in artikel 5, tweede lid, nodig is en het bijstaan van de cliŽnt bij het verkrijgen van deze zorg; In de Memorie van Toelichting wordt gesteld:

Paragraaf 3.4. Wettelijke taken van bureau jeugdzorg na de indicatiestelling

Ten aanzien van het proces na de indicatiestelling onderscheidt het wetsvoorstel voor het bureau jeugdzorg de volgende taken. Allereerst heeft het bureau tot taak een cliŽnt bij te staan bij het verwezenlijken van zijn aanspraak. Uitgangspunt daarbij is, als het gaat om vrijwillige jeugdzorg, dat de cliŽnt zelf uitmaakt of hij zijn aanspraak tot gelding wil brengen en zo ja bij welke zorgaanbieder. Deze taak van het bureau is een ondersteunende. Daarmee is het geen onbelangrijke taak. De cliŽnt zal het bureau zeker nodig hebben om zijn weg te vinden naar de jeugdzorg waarvoor hij is geÔndiceerd. Het is ook mogelijk dat het bureau namens of ten behoeve van de cliŽnt de aanspraak op jeugdzorg tot gelding brengt. Dit kan van belang zijn als de cliŽnt dit zelf niet kan of wil doen. Bovendien zal dit de realisering van de aanspraak wellicht nog beter bevorderen, omdat de zorgaanbieders dan in zeer directe zin met het bureau te maken hebben. Het bureau bevordert voorts dat een hulpverleningsplan tot stand komt. Als hulp van meer dan ťťn zorgaanbieder nodig is, bevordert het bureau de totstandkoming van een samenhangend hulpverleningsplan. Het hulpverleningsplan dient te zijn afgeleid van het indicatiebesluit. Het bureau jeugdzorg volgt de geboden jeugdzorg en staat de cliŽnt bij als hij daaromtrent met vragen zit. Het bureau zal tot slot betrokken zijn bij de evaluatie van de geboden zorg. De hiervoor beschreven taken komen deels overeen met wat de projectgroep Toegang casemanagement en zorgtoewijzing noemt. Voor het uitoefenen van deze taken dient het Processen bureau jeugdzorg Versie 2 Definitief 18 mei 2005 90 bureau jeugdzorg te beschikken over deugdelijke informatie ten aanzien van het zorgaanbod, vertaald in modules en zorgprogramma’s, de kwaliteit en de beschikbaarheid daarvan.

B. Casemanagement in de fasering van het referentiewerkmodel

Bij het opstellen van het model is steeds uitgegaan van een fasering in de hoofdprocessen. De onderscheiden fasen zijn: • Aanmelding en Acceptatie • Analyse en Opstellen diagnostisch beeld • Vaststellen benodigde zorg • Realiseren benodigde zorg • Volgen (monitoren) verleende zorg • Evalueren • Afsluiten De taken uit het bovengenoemde wetsartikel die tezamen opgevat worden als casemanagement, beslaan de fasen 4 t/m 7. Omwille van de overzichtelijkheid zijn deze vier fasen samengenomen in ťťn procesbeschrijving.

C. Samenhang met uitvoering (gezins)voogdij en jeugdreclassering

Wanneer ten behoeve van een jeugdige in het kader van (gezins)voogdij of jeugdreclassering een indicatiebesluit is genomen, is er (veel) minder sprake van vrijwilligheid. De jeugdige zal zoveel mogelijk gemotiveerd worden om zorg te aanvaarden, net als in het vrijwillige traject, maar wanneer hij dit weigert, zijn er voor (gezins)voogdij- en jeugdreclasseringswerkers mogelijkheden tot drang. Deze mogelijkheden zijn opgenomen in de procesbeschrijvingen van het casemanagement. Daarnaast worden in de Wet op de jeugdzorg en met name in het Uitvoeringsbesluit (hoofdstuk Kwaliteit en werkwijze bureaus jeugdzorg) eisen gesteld aan de uitvoering van de (gezins)voogdij en jeugdreclasseringstaken. De eisen zijn vertaald in aparte processen, resp. Uitvoering gezinsvoogdij, Uitvoering voogdij en Uitvoering jeugdreclassering. De processen lijken sterk op elkaar en kennen in grote lijnen de volgende stappen: • Uitvoeren plan; • Evalueren; • Aan de hand van de uitkomsten van de evaluatie bepalen of voortzetting wenselijk is. Wanneer er sprake is van geÔndiceerde zorg, kunnen evaluatiemomenten in het uitvoeringsproces samengaan met evaluatiemomenten uit het casemanagement. In de processchema's is dit niet aangegeven. Het kan immers voorkomen dat een evaluatie plaats moet vinden van het (gezins)voogdij- of jeugdreclasseringsplan op grond van de in dat proces geldende termijnen, terwijl de geÔndiceerde zorg nog loopt en er dus nog geen eindevaluatie kan Processen bureau jeugdzorg Versie 2 Definitief 18 mei 2005 91 plaatsvinden. In de begeleidende tekst zal – waar dat relevant is – wel gewezen worden op mogelijke samenhang tussen de beide processen. Processen bureau jeugdzorg Versie 2 Definitief 18 mei 2005 92 Processen bureau jeugdzorg Versie 2 Definitief 18 mei 2005 93

7.1. Bijstaan/motiveren cliŽnt bij tot gelding brengen aanspraak

A. Vrijwillig kader

De cliŽnt heeft met het indicatiebesluit een aanspraak op geÔndiceerde zorg. Wanneer er sprake is van een vrijwillig traject, is de cliŽnt geheel vrij in de keuze of hij deze aanspraak tot gelding wil brengen of niet (zie de algemene toelichtende tekst bij dit proces: Casemanagement geÔndiceerde zorg). Het bureau jeugdzorg heeft echter wel nadrukkelijk de taak om de cliŽnt ertoe te motiveren deze aanspraak daadwerkelijk tot gelding te brengen en hem daar desgewenst ook in bij te staan. Wanneer de cliŽnt ertoe besluit de aanspraak niet tot gelding te brengen, kan het bureau jeugdzorg op grond van de ernst van de situatie de raad voor de kinderbescherming verzoeken een onderzoek uit te voeren. Wanneer het bureau jeugdzorg evenwel geen redenen ziet voor een dergelijk verzoek tot onderzoek, kan op dat moment niets meer gedaan worden.

B. (Gezins)voogdij en jeugdreclassering

Wanneer er sprake is van gezinsvoogdij of jeugdreclassering ligt de situatie anders, in die zin dat er meer mogelijkheden zijn tot drang. Bij gezinsvoogdij betreft dat de mogelijkheid tot het geven van een aanwijzing door de gezinsvoogd, en de mogelijkheid tot het aanvragen bij de kinderrechter van een machtiging tot uithuisplaatsing. Bij jeugdreclassering moet het bureau jeugdzorg bij niet aanvaarding van de geboden zorg het Openbaar Ministerie of een directeur van de betrokken jeugdinrichting op de hoogte brengen, wanneer deze zorg een verplicht karakter heeft. Het is vervolgens aan deze instanties om te bepalen wat er dan gebeurt. Ook voor plaatsing van een minderjarige bij een pleeggezin of in een tehuis in het kader van voogdij, moet een indicatiebesluit aanwezig zijn.

C. Uithuisplaatsing

Het bureau jeugdzorg kan tot de conclusie komen dat het in het belang van de verzorging en opvoeding van de minderjarige of tot onderzoek van diens geestelijke of lichamelijke gesteldheid noodzakelijk is dat deze gedurende dag en nacht uit huis wordt geplaatst. Deze uithuisplaatsing kan al dan niet verbonden zijn aan geÔndiceerde zorg. Als deze conclusie is getrokken in een situatie van vrijwillige hulpverlening (er is geen sprake van gezinsvoogdij) en de ouders zijn akkoord met de uithuisplaatsing, dan kan deze doorgang vinden. Heeft de plaatsing betrekking op geÔndiceerde zorg, dan moet er natuurlijk wel een indicatiebesluit aanwezig zijn dat een aanspraak inhoudt op 24-uurs verblijf. Gaan de ouders niet akkoord, dan geldt ook hier dat het bureau jeugdzorg kan overwegen een verzoek tot onderzoek te doen bij de raad voor de kinderbescherming (zie onder A. van deze tekst). De gezinsvoogd kan de kinderrechter op grond van artikel 261 van het Burgerlijk Wetboek verzoeken tot een machtiging uithuisplaatsing. Zie daarvoor het de procesbeschrijving Uithuisplaatsing bij gezinsvoogdij onder Uitvoeren gezinsvoogdij. Processen bureau jeugdzorg Versie 2 Definitief 18 mei 2005 94 De regels voor plaatsing van de jeugdige in het kader van de voogdijtaak staan beschreven in de artikelen 305 en 306 van boek 1 van het Burgerlijk Wetboek. Zie hiervoor de procesbeschrijving Plaatsing bij voogdij onder Uitvoeren voogdij. Processen bureau jeugdzorg Versie 2 Definitief 18 mei 2005 95

7.1.1. Bespreken mogelijkheden met cliŽnt

A. Algemeen

Bespreken mogelijkheden met cliŽnt Zijn er redenen om aan te nemen dat de aanspraak tot gelding gebracht zal worden? Faciliteren aanmelding cliŽnt bij zorgaanbieder Is er sprake van gezinsvoogdij? Zijn er redenen tot het geven van een aanwijzing? Is medewerking cliŽnt verplicht i.h.k.v. een jeugdreclasserings traject? Geven aanwijzing voor accepteren zorg Wordt de aanwijzing opgevolgd? Is uithuisplaatsing wenselijk? Afsluiten na conclusie uithuisplaatsing niet wenselijk Melden niet meewerken jeugdige aan het OM Zijn er redenen tot verzoek tot onderzoek RvdK? Afsluiten na niet meewerken cliŽnt en geen reden verzoek tot onderzoek RvdK Bevorderen opstellen hulpverlenings plan door zorgaanbieder Bevorderen opstellen hulpverlenings plan door zorgaanbieder Uithuisplaatsin g (bij gezinsvoogdij) Doen van een verzoek tot onderzoek (dan wel spoedonderzo ek) bij de RvdK ja nee ja nee ja nee ja nee nee nee nee Processen bureau jeugdzorg Versie 2 Definitief 18 mei 2005 96 Voorzover dit al niet is gebeurd, wordt met de cliŽnt overlegd over de mogelijkheden voor invulling van de zorg die in het indicatiebesluit wordt genoemd. Hiertoe dient het bureau jeugdzorg op de hoogte te zijn van het aanbod van zorg (art. 29, lid 2, Uitvoeringsbesluit Wet op de jeugdzorg).

Artikel 29, lid 2, Uitvoeringsbesluit Wet op de jeugdzorg

De stichting heeft kennis van het aanbod van zorg. In de Memorie van Toelichting wordt nader ingegaan op de begeleidende taak van het bureau jeugdzorg in deze: Aangezien de jeugdzorg waartoe een cliŽnt is geÔndiceerd, wordt uitgedrukt in modules en het niet zonder meer duidelijk is welke zorgaanbieder welke modules biedt, is het voor de cliŽnt moeilijk zijn aanspraak zonder hulp te verwezenlijken. Daarom heeft de stichting tot taak de cliŽnt daarbij te begeleiden. De stichting is immers op de hoogte van het aanbod en kan gemakkelijk de nodige contacten leggen. Dat wil zeggen dat de geÔndiceerde cliŽnt wordt geholpen bij het zoeken van een aanbieder die hem de zorg waarop hij is aangewezen kan leveren. Dit kan zover gaan dat de stichting de cliŽnt, als het benodigde aanbod niet voor handen is, op diens verzoek, begeleidt bij het opeisen van het aanbod bij de provincie als het gaat om jeugdzorg waarop ingevolge het wetsvoorstel aanspraak bestaat en bij de zorgverzekeraar als het gaat om aanspraak ingevolge de AWBZ en bij de Minister van Justitie als het gaat om een civielrechtelijke plaatsing in een justitiŽle jeugdinrichting als bedoeld in artikel 11a Bjj.

B. Godsdienstige overtuiging, levensovertuiging en culturele achtergrond cliŽnt

Het bureau jeugdzorg dient bij de uitvoering van haar taken uit te gaan van de godsdienstige overtuiging, de levensovertuiging en culturele achtergrond cliŽnt (Artikel 15, Wjz). Bij het bespreken van de mogelijkheden binnen het zorgaanbod zal dat dus zeker aan de orde moeten komen.

7.1.2. Zijn er redenen om aan te nemen dat de aanspraak tot gelding gebracht zal

worden?

Deze vraag geldt zowel voor het vrijwillige traject als voor situaties van (gezins)voogdij en jeugdreclassering. De jeugdige kan immers altijd besluiten om de geboden geÔndiceerde zorg niet te aanvaarden.

7.1.3. Faciliteren aanmelding cliŽnt bij zorgaanbieder

De cliŽnt wil zijn aanspraak op geÔndiceerde zorg tot gelding brengen. Het bureau jeugdzorg ondersteunt de cliŽnt – desgewenst – bij diens aanmelding bij de zorgaanbieder. Processen bureau jeugdzorg Versie 2 Definitief 18 mei 2005 97 De stichting kan ook op verzoek van de cliŽnt namens deze diens aanspraak op jeugdzorg tot gelding brengen.

7.1.4. Is er sprake van gezinsvoogdij?

De cliŽnt heeft aangegeven de aangeboden zorg niet te aan te nemen (zijn aanspraak niet tot gelding te brengen). Wanneer er sprake is van gezinsvoogdij, beschikt het bureau jeugdzorg in deze situatie over een aantal middelen tot drang of dwang. Zie toelichtende tekst bij Bijstaan/motiveren cliŽnt bij tot gelding brengen aanspraak. • Wanneer er sprake is van gezinsvoogdij, dan gaat het proces verder bij de afvraging Zijn er

redenen tot het geven van een aanwijzing?

• Is er geen sprake van gezinsvoogdij, dan gaat het proces verder bij de afvraging Is

medewerking van cliŽnt verplicht in het kader van een jeugdreclasseringstraject?

7.1.5. Zijn er redenen tot het geven van een aanwijzing?

De cliŽnt heeft aangegeven de aangeboden zorg niet te aan te nemen (zijn aanspraak niet tot gelding te brengen). Er is sprake van gezinsvoogdij. De gezinsvoogd heeft (formeel) de mogelijkheid een aanwijzing te geven die ertoe strekt dat de cliŽnt de hulp aanvaardt – en dus zijn aanspraak tot gelding brengt. Overigens wordt dit maar heel zelden toegepast, aangezien het de communicatie ernstig kan verstoren. Zie toelichtende tekst bij Bijstaan/motiveren cliŽnt bij tot gelding brengen aanspraak. • Wanneer de gezinsvoogd een aanwijzing geeft, dan gaat het proces verder bij Geven

aanwijzing voor accepteren zorg.

• Wanneer de gezinsvoogd geen aanwijzing geeft, gaat het proces verder bij: Is uithuisplaatsing wenselijk?.

7.1.6. Geven aanwijzing voor accepteren zorg

De cliŽnt heeft aangegeven de aangeboden zorg niet te aan te nemen (zijn aanspraak niet tot gelding te brengen). Er is sprake van gezinsvoogdij. De gezinsvoogd heeft besloten een aanwijzing te geven die ertoe strekt dat de geboden zorg (alsnog) geaccepteerd wordt. N.B. Overigens moet hierbij in ogenschouw worden genomen dat een aanwijzing in dit soort situaties maar zelden wordt gebruikt, omdat deze formele gang de vaak broze communicatie ernstig kan verstoren. Processen bureau jeugdzorg Versie 2 Definitief 18 mei 2005 98 Wetgeving rond de aanwijzing is vastgelegd in de artikelen 258 t/m 260 van boek 1 van het Burgerlijk Wetboek.

Artikel 1:258 BW

1. De stichting, bedoeld in artikel 1, onder f, van de Wet op de jeugdzorg kan ter uitvoering van haar taak schriftelijk aanwijzingen geven betreffende de verzorging en opvoeding van de minderjarige. 2. De met het gezag belaste ouder en de minderjarige dienen deze aanwijzingen op te volgen. 3. Plaatsing van de minderjarige gedurende dag en nacht buiten het gezin geschiedt, behoudens in de gevallen dat de met het gezag belaste ouder daartoe zonder bezwaar van de stichting, bedoeld in artikel 1, onder f, van de Wet op de jeugdzorg overgaat, alleen krachtens artikel 261.

Artikel 1:259 BW

1. Op verzoek van de met het gezag belaste ouder of de minderjarige van twaalf jaren of ouder kan de kinderrechter een aanwijzing geheel of gedeeltelijk vervallen verklaren. Het verzoek heeft geen schorsende kracht, tenzij de kinderrechter het tegendeel bepaalt. 2. Bij de indiening van het verzoek wordt de beslissing van de stichting, bedoeld in artikel 1, onder f, van de Wet op de jeugdzorg overgelegd. 3. De termijn voor het indienen van het verzoek bij de kinderrechter bedraagt twee weken en vangt aan met ingang van de dag na die waarop de beslissing is toegezonden of uitgereikt. 4. Ten aanzien van een na afloop van de termijn ingediend verzoek blijft nietontvankelijkverklaring op grond daarvan achterwege indien de verzoeker redelijkerwijs niet geoordeeld kan worden in verzuim te zijn geweest.

Artikel 1:260 BW

1. De met het gezag belaste ouder en de minderjarige van twaalf jaren of ouder kunnen de stichting, bedoeld in artikel 1, onder f, van de Wet op de jeugdzorg verzoeken een aanwijzing wegens gewijzigde omstandigheden geheel of gedeeltelijk in te trekken. 2. De stichting, bedoeld in artikel 1, onder f, van de Wet op de jeugdzorg geeft een schriftelijke beslissing binnen twee weken na ontvangst van het verzoek. 3. Artikel 259 is van overeenkomstige toepassing. 4. Het niet of niet tijdig nemen van een beslissing door de stichting, bedoeld in artikel 1, onder f, van de Wet op de jeugdzorg wordt voor de toepassing van deze bepaling gelijkgesteld met afwijzing van het verzoek. De termijn voor het indienen van het verzoek bij de kinderrechter loopt in dat geval door zolang de stichting, bedoeld in artikel 1, onder f, van de Wet op de jeugdzorg niet heeft beslist en eindigt, indien de stichting, bedoeld in artikel 1, onder f, van de Wet op de jeugdzorg alsnog beslist, twee weken daarna. Processen bureau jeugdzorg Versie 2 Definitief 18 mei 2005 99

7.1.7. Wordt de aanwijzing opgevolgd?

De cliŽnt heeft aangegeven de aangeboden zorg niet te aan te nemen (zijn aanspraak niet tot gelding te brengen). Er is sprake van gezinsvoogdij. De gezinsvoogd heeft een aanwijzing gegeven dat de cliŽnt de zorg moet aanvaarden. Zie toelichtende tekst bij Bijstaan/motiveren cliŽnt bij tot gelding brengen aanspraak. • Als de cliŽnt de aanwijzing opvolgt en de zorg alsnog aanvaardt, gaat het proces verder bij Bevorderen opstellen hulpverleningsplan onder Casemanagement geÔndiceerde zorg. • Als de cliŽnt de aanwijzing niet opvolgt, dan dient overwogen worden of uithuisplaatsing wenselijk is; het proces gaat verder bij de afvraging Is uithuisplaatsing wenselijk?

7.1.8. Is uithuisplaatsing wenselijk?

De cliŽnt heeft aangegeven de aangeboden zorg niet te aan te nemen (zijn aanspraak niet tot gelding te brengen). Er is sprake van gezinsvoogdij. De afvraging is nu of de situatie dermate ernstig is, dat uithuisplaatsing op grond van artikel 1:261 BW noodzakelijk is. • Als uithuisplaatsing wenselijk wordt geacht, dan gaat het proces verder bij het proces Uithuisplaatsing (bij gezinsvoogdij) onder Bijzondere processen. • Als uithuisplaatsing niet wenselijk is, dan wordt het casemanagementproces gestopt.

7.1.9. Afsluiten na conclusie uithuisplaatsing niet wenselijk

Het proces Casemanagement geÔndiceerde zorg wordt afgesloten.

7.1.10. Is medewerking cliŽnt verplicht i.h.k.v. een jeugdreclasseringstraject?

Er is een indicatiebesluit ten behoeve van een cliŽnt genomen, maar deze aanvaardt de aangeboden zorg niet (brengt zijn aanspraak niet tot gelding). Wanneer het indicatiebesluit is genomen in een situatie van jeugdreclassering, en dit indicatiebesluit maakt deel uit van voorwaarden die zijn verbonden aan het jeugdreclasseringsprogramma, gelden er bijzondere regels. • Wanneer er sprake is van een verplichting tot het aanvaarden van de zorg in het kader van een jeugdreclasseringtraject, dan moet het niet meewerken van de jeugdige worden gemeld aan het Openbaar Ministerie. Het proces gaat verder bij Melden niet meewerken jeugdige

aan OM.

• Is er geen sprake van een dergelijke verplichting, dan staat het de cliŽnt vrij om zijn aanspraak op geÔndiceerde zorg niet tot gelding te brengen. Wel kan het bureau jeugdzorg Processen bureau jeugdzorg Versie 2 Definitief 18 mei 2005 100 zich nog de vraag stellen of de situatie van de jeugdige dermate ernstig is dat een verzoek tot onderzoek bij de raad voor de kinderbescherming op zijn plaats is. Het proces gaat verder bij de afvraging Zijn er redenen tot verzoek tot onderzoek bij de RvdK?

7.1.11. Melden niet meewerken jeugdige aan OM

Er is ten aanzien van de cliŽnt een indicatiebesluit genomen, in het kader van de jeugdreclasseringstaak van het bureau jeugdzorg. De geboden zorg maakt deel uit van de voorwaarden die bij het reclasseringstraject gesteld zijn. De jeugdige weigert evenwel de zorg te aanvaarden. Het bureau jeugdzorg heeft bij het uitoefenen van de reclasseringstaak in een dergelijk geval de plicht om dit te melden bij het openbaar ministerie.

Artikel 48, derde lid, Uitvoeringsbesluit Wet op de jeugdzorg

3. Indien de jeugdige een opgelegde voorwaarde niet of niet geheel nakomt, meldt de jeugdreclassering dit onverwijld aan het openbaar ministerie. De raad voor de kinderbescherming dient voorts altijd een afschrift te krijgen. De meldingsplicht vloeit voort uit de toezichthoudende taak die het bureau jeugdzorg heeft bij het bieden van hulp en steun, vrijwillig toezicht en begeleiding na doorverwijzing door de raad voor de kinderbescherming naar aanleiding van een proces-verbaal, tenuitvoerlegging leerstraf sociale vaardigheidstraining, tenuitvoerlegging van scholings- en trainingsprogramma’s onder verantwoordelijkheid van de directeur van een justitiŽle jeugdinrichting en nazorg bij jeugddetentie.

7.1.12. Zijn er redenen tot verzoek tot onderzoek RvdK?

Er is een indicatiebesluit ten behoeve van een cliŽnt genomen, maar deze aanvaardt de aangeboden zorg niet (brengt zijn aanspraak niet tot gelding). Er is ten aanzien van de cliŽnt geen sprake van een taak in het kader van gezinsvoogdij of jeugdreclassering. De vraag is of de situatie van de jeugdige dermate ernstig is dat een verzoek tot onderzoek bij de raad voor de kinderbescherming op zijn plaats is. • Als er redenen zijn voor het doen van een verzoek tot onderzoek, gaat het proces verder bij Doen van verzoek tot onderzoek bij de RvdK onder Bijzondere situaties. • Zijn er geen redenen tot het doen van een dergelijk verzoek, dan wordt het proces afgesloten. Processen bureau jeugdzorg Versie 2 Definitief 18 mei 2005 101

7.1.13. Afsluiten na niet meewerken cliŽnt en geen reden verzoek tot onderzoek RvdK

Het proces wordt afgesloten.

7.2. Bevorderen opstellen hulpverleningsplan door zorgaanbieder

Bij degenen bij wie een aanspraak op geÔndiceerde zorg tot gelding wordt gebracht, wordt bevorderd dat een samenhangend hulpverleningsplan wordt opgesteld, dat is afgeleid van het indicatiebesluit. Dit vloeit voort uit artikel 6, eerste lid onder g, van de Wet op de jeugdzorg.

Artikel 10, eerste lid, sub g, Wjz

1. De stichting heeft bovendien tot taak: (...) g. het, met uitsluiting van anderen, bevorderen dat degenen bij wie een aanspraak op zorg als bedoeld in artikel 5, tweede lid, tot gelding wordt gebracht, een samenhangend hulpverleningsplan tot stand brengen dat is afgeleid van het besluit, bedoeld in artikel 6, eerste lid. Het belang van deze taak is blijkens de Memorie van Toelichting des te groter wanneer er meerdere zorgaanbieders betrokken zijn bij de hulpverlening aan de cliŽnt. Als de benodigde zorg door meer dan ťťn zorgaanbieder geboden moet worden, is het voor de cliŽnt van het grootste belang dat alle zorgaanbieders samenwerken teneinde aan de cliŽnt een samenhangend zorgpakket te bieden. In onderdeel g wordt in verband hiermee aan de stichting de taak opgedragen te bevorderen dat de zorgaanbieders komen tot een samenhangend hulpverleningsplan. De zorgaanbieders zijn verantwoordelijk voor het opstellen en uitvoeren van het hulpverleningsplan, waarbij het van belang is dat het hulpverleningsplan aansluit bij de indicatie. Juist in verband hiermee is het bevorderen van de totstandkoming van het hulpverleningsplan bij de stichting gelegd. Processen bureau jeugdzorg Versie 2 Definitief 18 mei 2005 102

7.2.1. Beoordelen plan zorgaanbieder

De zorgaanbieder heeft een hulpverleningsplan opgesteld. Het bureau jeugdzorg beoordeelt dit plan, en overlegt hierover met de zorgaanbieder en in beginsel ook met de cliŽnt, waarbij wordt bezien of het plan aansluit bij het indicatiebesluit. Artikel 24 van de Wet op de jeugdzorg, met name het tweede en het derde lid, gaat nader in op het plan en de wijze waarop het tot stand komt. Het vierde lid geeft voorts aan dat het plan, wanneer er sprake is van zorg in het kader van de (gezins)voogdij- of jeugdreclasseringstaak, moet aansluiten bij het plan dat aan de uitvoering van die taak ten behoeve van die cliŽnt ten grondslag ligt. Volledigheidshalve staat hieronder het gehele artikel 24 Wjz afgedrukt. Het artikel richt zich echter vooral op de werkwijze van de zorgaanbieder. Het hulpverleningsplan en de wijze waarop dit tot stand komt is immers een verantwoordelijkheid van de desbetreffende zorgaanbieder. De verantwoordelijkheid van het bureau jeugdzorg is om te bewaken dat het plan Processen bureau jeugdzorg Versie 2 Definitief 18 mei 2005 103 in het verlengde ligt van het indicatiebesluit.

Artikel 24 Wjz

1. Een zorgaanbieder, niet zijnde een alleen werkende zorgaanbieder als bedoeld in artikel 18, tweede lid, verleent verantwoorde zorg. Onder verantwoorde zorg wordt verstaan: zorg van goed niveau, die in ieder geval doeltreffend, doelmatig en cliŽntgericht wordt verleend en die is afgestemd op de reŽle behoefte van de cliŽnt. 2. Tot verantwoorde zorg behoort in ieder geval dat de zorg die wordt verleend, is gebaseerd op een hulpverleningsplan dat is afgeleid van het besluit, bedoeld in artikel 6, eerste lid. 3. Een zorgaanbieder en een aanbieder van zorg als bedoeld in artikel 5, tweede lid, onder b, c of d, plegen, in verband met het tweede lid, overleg met de stichting omtrent de inhoud van het hulpverleningsplan. Indien aan een cliŽnt door meer dan ťťn zorgaanbieder of aanbieder van zorg als bedoeld in artikel 5, tweede lid, onder b, c of d, zorg wordt geboden, werken zij zodanig samen dat aan de cliŽnt samenhangende zorg wordt geboden en plegen zij gezamenlijk over het hulpverleningsplan overleg met de stichting. Tijdens het overleg wordt vastgesteld welke zorgaanbieder of aanbieder van zorg als bedoeld in artikel 5 tweede lid, onder b, c of d, belast is met de coŲrdinatie van de totstandkoming van het hulpverleningsplan en de uitvoering daarvan. In het hulpverleningsplan wordt opgenomen welke aanbieder belast is met de coŲrdinatie van de zorg. 4. Voor zover het betreft cliŽnten ten aanzien van wie de stichting een van de taken, bedoeld in artikel 10, eerste lid, onder a, b, c of d, uitoefent, is het overleg er tevens op gericht het hulpverleningsplan en het plan, bedoeld in artikel 13, derde lid, op elkaar te doen aansluiten. 5. Het hulpverleningsplan wordt niet dan na overleg met de cliŽnt vastgesteld. Het behoeft diens instemming, tenzij het zorg betreft waartoe een maatregel van kinderbescherming verplicht. Een zorgaanbieder die pleegzorg biedt, pleegt over het hulpverleningsplan tevens overleg met de betrokken pleegouder. Het hulpverleningsplan wordt vastgesteld vůůr de aanvang van de zorg, doch uiterlijk binnen zes weken na de dag waarop is komen vast te staan welke aanbieder of zorgaanbieders de zorg waarop de cliŽnt is aangewezen, zal verlenen. 6. Indien de cliŽnt minderjarig is, is in plaats van diens instemming, de instemming van zijn wettelijke vertegenwoordiger vereist, indien hij: a. jonger is dan twaalf jaren, of b. de leeftijd van twaalf jaren heeft bereikt en niet in staat kan worden geacht tot een redelijke waardering van zijn belangen terzake. 7. Indien de cliŽnt minderjarig is en de leeftijd van twaalf maar nog niet die van zestien jaren heeft bereikt, is tevens de instemming van de wettelijke vertegenwoordiger vereist.

7.2.2. Ligt het plan in het verlengde van het indicatiebesluit?

Het bureau jeugdzorg heeft het hulpverleningsplan van de zorgaanbieder beoordeeld op de vraag of het inderdaad in het verlengde van het indicatiebesluit ligt. Processen bureau jeugdzorg Versie 2 Definitief 18 mei 2005 104 • Is dit inderdaad het geval dan gaat het proces verder bij de volgende fase van het casemanagement: Volgen verleende zorg. • Ligt het hulpverleningsplan naar het oordeel van het bureau jeugdzorg niet in het verlengde van het indicatiebesluit, en blijft dat ook na aanpassingen het geval, dan stopt deze processtap en moet wellicht een andere zorgaanbieder gevonden worden. In ieder geval ligt het voor de hand dat het bureau jeugdzorg de cliŽnt en de zorgaanbieder op de hoogte stellen van hun bezwaren tegen het hulpverleningsplan. N.B. Als cliŽnt en zorgaanbieder desondanks toch zouden besluiten "met elkaar in zee te gaan", dan wordt die zorg niet gefinancierd door de provincie.

7.2.3. Mededeling niet akkoord aan cliŽnt en zorgaanbieder; uitnodigen tot overleg

CliŽnt en zorgaanbieder wordt meegedeeld dat (en waarom) het bureau jeugdzorg niet akkoord kan gaan met het hulpverleningsplan.

7.3. Volgen verleende zorg

De verleende geÔndiceerde zorg wordt gevolgd. Tijdens dit proces wordt de cliŽnt bijgestaan bij vragen omtrent de inhoud van deze zorg. Het volgen van de verleende zorg wordt in artikel 6, eerste lid onder h, Wjz, als taak benoemd:

Artikel 10, eerste lid onder h, Wjz

1. De stichting heeft bovendien tot taak: (...) h. het volgen van de verleende zorg als bedoeld in artikel 5, tweede lid, en het bijstaan van de cliŽnt bij vragen omtrent de inhoud van deze zorg, alsmede de evaluatie van deze zorg. In de Memorie van Toelichting wordt hierbij gesteld: In vervolg hierop (het bevorderen van de totstandkoming van het hulpverleningsplan – red.) is het volgens onderdeel h de taak van de stichting de geboden jeugdzorg te volgen en te evalueren en de cliŽnt bij te staan tijdens het zorgproces. Dit neemt de verantwoordelijkheid van de zorgaanbieder niet weg, maar draagt er toe bij dat het aanbod blijft aansluiten bij de problemen. Hiermee wordt bewerkstelligd dat herindicatie een natuurlijk gegeven wordt als blijkt dat de hulp waarvoor de cliŽnt is geÔndiceerd niet effectief is of wanneer ook na afloop van de termijn van de indicatie voortzetting nodig is. Hoe dit "volgen" gestalte moet worden gegeven is een zaak die de bureaus jeugdzorg zelf kunnen invullen. In artikel 20 van de Wet op de jeugdzorg worden wel eisen gesteld aan de zorgaanbieder waar het gaat om informatieverstrekking aan het bureau jeugdzorg over de Processen bureau jeugdzorg Versie 2 Definitief 18 mei 2005 105 verleende zorg.

Artikel 20 Wjz

Een zorgaanbieder en een aanbieder van zorg als bedoeld in artikel 5, tweede lid, onder ben c, doen aan de stichting die heeft vastgesteld dat een cliŽnt is aangewezen op die zorg, mededeling van de aanvang en de beŽindiging van de zorg. Zij houden de stichting op de hoogte van de voortgang van de zorg, verschaffen de stichting de gegevens die nodig zijn voor de evaluatie van de zorg en werken mee aan deze evaluatie. Aan het volgen van de zorg is ook een aantal registratieve handelingen verbonden. Het bureau jeugdzorg dient te registreren wanneer de zorgaanbieder aanvangt met het verlenen van de zorg. Als het zorg betreft waarvoor een ouderlijke bijdrage is verschuldigd, dient de aanvang te worden gemeld bij het Landelijk Bureau Inning Onderhoudsbijdragen (LBIO). Processen bureau jeugdzorg Versie 2 Definitief 18 mei 2005 106 Processen bureau jeugdzorg Versie 2 Definitief 18 mei 2005 107

7.3.1. Ontvangen melding zorgaanbieder aanvang zorg

De zorgaanbieder dient het bureau jeugdzorg te melden wanneer de zorg aanvangt en eindigt (art. 20 Wjz).

7.3.2. Registreren datum aanvang zorg en gegevens over soort zorg

Op grond van artikel 4 van het Besluit beleidsinformatie jeugdzorg dient het bureau jeugdzorg een aantal gegevens te verwerken over de verlening van zorg waarop aanspraak bestaat. N.B.: Niet alle gegevens die voortvloeien uit de opsomming in dit artikel zullen op dit moment van het proces al bekend zijn. Aangezien dit echter de plek in het referentiewerkmodel is waarop de geÔndiceerde zorg aanvangt, is het registratiemoment hier opgenomen.

Artikel 4 Besluit beleidsinformatie bureau jeugdzorg

Voor de verwerking van de gegevens, bedoeld in artikel 42 van de wet, registeert de stichting de volgende gegevens per cliŽnt over de verlening van de zorg, bedoeld in artikel 5, tweede lid, van de wet: a. of de eerst aangewezen zorg of de vervangende zorg als bedoeld in artikel 5 van het Besluit indicatie jeugdzorg wordt verleend; b. de aard, inhoud en omvang van zorg die is verleend; c. de datum waarop de verlening van de zorg een aanvang neemt; d. de datum waarop de verlening van de zorg eindigt en de reden waarom; e. de mate waarin de doelen gesteld in het indicatiebesluit zijn gehaald; f. de datum van de schriftelijke mededeling, bedoeld in artikel 12 van de wet, die de stichting doet aan het landelijk bureau inning onderhoudsbijdragen over de aanvang van jeugdzorg waarvoor een ouderbijdrage verschuldigd is.

7.3.3. Betreft het zorg waarvoor een ouderlijke bijdrage verschuldigd is?

Wanneer het zorg betreft waarvoor een ouderlijke bijdrage verschuldigd is, dient het bureau jeugdzorg aan het Landelijk Bureau Inning Onderhoudsbijdragen (LBIO) melding te doen van de aanvang en de beŽindiging van deze zorg.

Artikel 12 Wjz

De stichting heeft verder tot taak aan het landelijk bureau inning onderhoudsbijdragen onverwijld schriftelijk mededeling te doen van de aanvang en beŽindiging van jeugdzorg waarvoor een ouderbijdrage verschuldigd is. Deze mededeling bevat de gegevens die nodig zijn voor de vaststelling van de bijdrage. De mededeling wordt gedaan met gebruikmaking van een door Onze Ministers vastgesteld formulier. Een ouderlijke bijdrage is verschuldigd wanneer geboden jeugdzorg verzorging en verblijf omvat. De regels die hierbij gelden zijn in de Wet op de jeugdzorg verspreid over drie wetsartikelen (art. 69, eerste lid; art. 71, tweede lid en artikel 72). In de Memorie van Toelichting wordt ťťn en ander Processen bureau jeugdzorg Versie 2 Definitief 18 mei 2005 108 echter samengenomen: Artikel 69 regelt de ouderbijdrage. Bijdrageplichtig is de onderhoudsplichtige ouder. Dit zijn de ouders, stiefouders en ook de verwekker van een kind tegen wie een vaderschapsactie is toegewezen (artikel 394 Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek). De onderhoudsplicht blijft bestaan ook als het kind uit huis is geplaatst. Het wordt redelijk geacht dat onderhoudsplichtigen bijdragen in de kosten van verzorging en verblijf, wanner deze voor rekening van de overheid komen. De bijdrageplicht heeft dan ook alleen betrekking op die vormen van jeugdzorg die mede verzorging of verblijf omvatten. Geen ouderbijdrage is derhalve verschuldigd voor ambulante hulpverlening. Anders dan in de Wet op de jeugdhulpverlening is deze beperking van de bijdrageplicht in het wetsvoorstel zelf opgenomen. Een alimentatieplichtige ouder is niet bijdrageplichtig omdat deze reeds met de alimentatie voldoet aan zijn onderhoudsplicht (art. 71, tweede lid – red.). Als ouders gescheiden wonen en er geen alimentatie is bepaald is alleen die ouder bijdrageplichtig die onmiddellijk voorafgaand aan de aanvang van de zorg recht op kinderbijslag heeft (art. 72 – red.). Er zijn uitzonderingen op de hoofdregel dat een ouderlijke bijdrage verschuldigd is wanneer er sprake is van jeugdzorg die verzorging en verblijf omvat. Deze staan omschreven in artikel 71, eerste lid:

Artikel 71, lid 1, Wjz

1. Geen ouderbijdrage is verschuldigd indien: a. de jeugdige met het oog op adoptie niet meer door zijn ouders wordt verzorgd en opgevoed; b. de ouders van het gezag over de jeugdige zijn ontheven of ontzet; c. het verblijf en de verzorging worden geboden in een acute noodsituatie, zulks voor de duur van ten hoogste zes weken; d. aan een minderjarige jeugdige nog jeugdzorg wordt geboden als bedoeld in artikel 69 na schriftelijk aan het landelijk bureau inning onderhoudsbijdragen kenbaar gemaakt bezwaar door degene die het ouderlijk gezag of de voogdij uitoefent, tenzij het een jeugdige betreft ten aanzien van wie een maatregel van kinderbescherming is getroffen die tot verlening van zodanige zorg strekt of die deze noodzakelijk maakt; e. het bij algemene maatregel van bestuur aan te geven inkomen van de jeugdige € 226,89 of meer per maand bedraagt. In de Memorie van Toelichting wordt hierover gesteld: Op het uitgangspunt dat van de onderhoudsplichtige een bijdrage wordt verlangd wordt een aantal uitzonderingen voorgesteld. Zo wordt geen bijdrage verlangd als de jeugdige met het oog op adoptie niet meer door de ouders wordt verzorgd en opgevoed of als de ouders uit de Processen bureau jeugdzorg Versie 2 Definitief 18 mei 2005 109 ouderlijke macht zijn ontzet of ontheven. In deze situaties zijn de banden tussen de ouders en het kind duurzaam verbroken. In crisissituaties zou het vragen van een ouderbijdrage kunnen leiden tot niet meewerken van de ouders. Daarom bestaat er ook in dat geval geen bijdrageplicht voor de ouders. Als ouders zich tegen vrijwillige zorgverlening verzetten, zal deze moeten worden beŽindigd. De zorg zal dan nog zes weken kunnen worden voortgezet. Voor deze zorg zal geen bijdrage zijn verschuldigd. Ten slotte wordt geen ouderbijdrage verlangd als de jeugdige zelf over een structureel inkomen beschikt. Er van wordt uitgegaan dat de ouders dan niet meer financieel in de verzorging en opvoeding bijdragen. • Wanneer een bijdrage verschuldigd is, gaat het proces verder bij Mededeling aanvang zorg

aan LBIO.

• Is geen bijdrage verschuldigd, dan gaat het proces verder bij de stap De verleende zorg wordt gevolgd van dit proces.

7.3.4. Mededeling aanvang zorg aan LBIO

De mededeling aan het LBIO wordt gedaan met gebruikmaking van een standaardformulier, en bevat de gegevens die nodig zijn voor de vaststelling van de bijdrage.

7.3.5. De verleende zorg wordt gevolgd

Het bureau jeugdzorg volgt de zorgverlening door de zorgaanbieder. Zie toelichtende tekst bij Volgen verleende zorg.

7.4. Afhandelen beŽindiging verleende zorg

Wanneer de zorg wordt beŽindigd, meldt de zorgaanbieder dit aan het bureau jeugdzorg. Aangezien het resultaat van een eindevaluatie kan zijn dat er nog een behoefte bestaat aan zorg, geÔndiceerd dan wel anders dan geÔndiceerd, wordt met de eindevaluatie niet per definitie gewacht tot na de beŽindiging van de lopende zorg. Dit om te voorkomen dat een cliŽnt in de periode tussen twee zorgverleningstrajecten 'uit het zicht verdwijnt'. Processen bureau jeugdzorg Versie 2 Definitief 18 mei 2005 110 Processen bureau jeugdzorg Versie 2 Definitief 18 mei 2005 111

7.4.1. Ontvangen melding zorgaanbieder beŽindiging zorg

De zorgaanbieder dient het bureau jeugdzorg te melden wanneer de zorg aanvangt en eindigt (art. 20 Wjz).

7.4.2. Registreren datum beŽindiging zorg

De datum beŽindiging zorg wordt geregistreerd.

7.4.3. Betreft het zorg waarvoor een ouderlijke bijdrage verschuldigd is?

Wanneer het zorg betreft waarvoor een ouderlijke bijdrage verschuldigd is, dient het bureau jeugdzorg aan het Landelijk Bureau Inning Onderhoudsbijdragen (LBIO) melding te doen van de aanvang en de beŽindiging van deze zorg.

Artikel 12 Wjz

De stichting heeft verder tot taak aan het landelijk bureau inning onderhoudsbijdragen onverwijld schriftelijk mededeling te doen van de aanvang en beŽindiging van jeugdzorg waarvoor een ouderbijdrage verschuldigd is. Deze mededeling bevat de gegevens die nodig zijn voor de vaststelling van de bijdrage. De mededeling wordt gedaan met gebruikmaking van een door Onze Ministers vastgesteld formulier.

7.4.4. Mededeling aanvang zorg aan LBIO

De mededeling aan het LBIO wordt gedaan met gebruikmaking van een standaardformulier.

7.4.5. Afsluiten

Het proces wordt afgesloten.

7.5. Uitvoeren eindevaluatie

Aan het einde van de geÔndiceerde periode (maximaal ťťn jaar) wordt de verleende zorg geŽvalueerd. Tussenevaluaties vinden ook plaats, maar die vallen onder het proces Volgen van de verleende zorg. De documentatie van de tussen- en de eindevaluaties vormt eventueel input voor een nieuw op te stellen indicatiebesluit. Tijdens de evaluatie wordt bepaald of er verdere (al dan niet geÔndiceerde hulp) nodig is.

7.6. Lijkt verdere zorg nodig?

Bepaald is of er verdere geÔndiceerde hulp nodig is. Processen bureau jeugdzorg Versie 2 Definitief 18 mei 2005 112 1. Indien er verdere geÔndiceerde hulp nodig is, wordt het benodigde indicatiebesluit opgesteld. 2. Indien er gťťn verdere geÔndiceerde hulp nodig is, is bepaald of er nog een aanspraak bestaat.

7.7. Analyse en opstellen diagnostisch beeld

Zie hoofdstuk Analyse en opstellen diagnostisch beeld

7.8. Bepalen of cliŽnt (na)zorg nodig heeft

Bepaald wordt of de cliŽnt nog zorg nodig heeft nŠ de beŽindiging van de geÔndiceerde zorg. Dit volgt uit artikel 10, eerste lid, onder i, Wjz:

Artikel 10, lid 1, sub i, Wjz

1. De stichting heeft bovendien tot taak: (...) i. het adviseren van de cliŽnt omtrent zorg die na beŽindiging van de zorg, bedoeld in artikel 5, tweede lid, nodig is en het bijstaan van de cliŽnt bij het verkrijgen van deze zorg.

7.9. Heeft cliŽnt nog (na)zorg nodig?

Bepaald is of de cliŽnt nog (na)zorg nodig heeft. 1. Indien de cliŽnt (na)zorg nodig heeft, wordt de cliŽnt geadviseerd over de zorg. 2. Indien de cliŽnt geen (na)zorg nodig heeft, worden de benodigde gegevens geregistreerd.

7.10. Adviseren cliŽnt zorg

De cliŽnt wordt geadviseerd omtrent zorg die na beŽindiging van de verleende geÔndiceerde zorg nodig is.

7.11. Bijstaan cliŽnt verkrijgen zorg

De cliŽnt wordt bijgestaan bij het verkrijgen van de zorg die nodig is na het beŽindigen van de verleende geÔndiceerde zorg. Processen bureau jeugdzorg Versie 2 Definitief 18 mei 2005 113

7.12. Afsluiten

Het proces Uitvoeren casemanagement geÔndiceerde zorg wordt afgesloten. Processen bureau jeugdzorg Versie 2 Definitief 18 mei 2005 114

8. Uitvoeren casemanagement andere dan geÔndiceerde zorg

De Wet op de jeugdzorg schrijft niet alleen voor geÔndiceerde, maar ook voor andere dan geÔndiceerde zorg een vorm van casemanagement voor.

Artikel 10, lid j, Wjz

De stichting heeft bovendien tot taak: (...) j. het in gevallen als bedoeld in artikel 8, eerste lid, bijstaan van een cliŽnt bij het verkrijgen van zorg, zo nodig motiveren van een cliŽnt tot het gebruik maken van zorg, en volgen van deze zorg. Dit casemanagement hoeft echter alleen te worden uitgevoerd als er sprake is van een verwijzing met schriftelijk advies (als bedoeld in artikel 8 van de wet). In de derde nota van wijziging wordt onder het kopje 4. Bijstaan van een cliŽnt bij het verkrijgen van zorg waarop geen aanspraak bestaat en in de artikelsgewijze toelichting nader op de materie ingegaan. Hieronder twee citaten. Het bureau jeugdzorg heeft tot taak om de cliŽnt bij te staan bij het realiseren van die zorg (zie hiervoor ook de wijziging van artikel 6 (nu artikel 10 – red.), eerste lid, onder j). Met name bij minder gemotiveerde cliŽnten zal het bureau jeugdzorg een actieve rol moeten vervullen. Omdat het gaat om zorg, die noodzakelijk is om een voor een minderjarige een bedreigende situatie te voorkomen, is het van groot belang dat het bureau jeugdzorg de cliŽnt stimuleert om de zorg in te roepen. Het volgen van de zorg maakt het bureau jeugdzorg noch verantwoordelijk voor het verlenen van die zorg, noch voor de kwaliteit daarvan. Dat is en blijft de verantwoordelijkheid van die hulpverlener. Het bureau jeugdzorg zal wel op gezette tijden informeren hoe het gaat. Als blijkt dat de ouders of de jeugdige afhaken of als de hulpverleners aangeven dat het ondanks de verleende zorg niet goed gaat in het gezin, dan zal het bureau moeten bezien of andere zorg nodig is. Een en ander betekent dat het bureau jeugdzorg niet treedt in de verantwoordelijkheid van de voorliggende voorzieningen. Het spreekt voor zich dat in situaties waarin jeugdbeschermingsmaatregelen aan de orde zijn, middelen tot drang kunnen worden ingezet, zoals dat ook mogelijk is bij case management voor geÔndiceerde zorg. Er zijn geen specifieke registratie-eisen ten aanzien van dit proces, maar wel geldt, dat registratie plaats dient te vinden conform artikel 2, onder a, van het Besluit beleidsinformatie jeugdzorg:

Besluit beleidsinformatie jeugdzorg, artikel 2, onder a

Processen bureau jeugdzorg Versie 2 Definitief 18 mei 2005 115

Artikel 2 Algemene gegevens

Voor de verwerking van de gegevens, bedoeld in artikel 42 van de wet, registreren de stichtingen de volgende algemene gegevens: a. gegevens over de aanmelding van een cliŽnt bij de stichting met het doel inzicht te verkrijgen in het aantal aanmeldingen en het daaraan getalsmatig in categorieŽn uitgedrukte vervolg; Gedoeld wordt hier met name op het in het artikel genoemde "in categorieŽn uitgedrukte gevolg". Processen bureau jeugdzorg Versie 2 Definitief 18 mei 2005 116

9. Processen gezinsvoogdij

A. Algemeen

In artikel 10, lid 1, onder b, is vastgelegd dat het bureau jeugdzorg de gezinsvoogdijtaak dient uit te voeren zoals die wordt genoemd in artikel 257 van boek 1 van het Burgerlijk Wetboek:

Artikel 1:257 BW

1. De stichting, bedoeld in artikel 1, onder f, van de Wet op de jeugdzorg houdt toezicht op de minderjarige en zorgt dat aan de minderjarige en de met het gezag belaste ouder hulp en steun worden geboden teneinde de bedreiging van de zedelijke of geestelijke belangen of de gezondheid van de minderjarige af te wenden. 2. Deze hulp en steun zijn erop gericht de met het gezag belaste ouder de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding zoveel mogelijk te doen behouden. Bij algemene maatregel van bestuur, op voordracht van Onze Ministers van Justitie en van Volksgezondheid, Welzijn en Sport, kunnen regels worden gesteld omtrent de aard en de omvang van de hulp en steun. 3. Indien het leeftijds- en ontwikkelingsniveau van de minderjarige en diens bekwaamheid en behoefte zelfstandig te handelen en zijn leven naar eigen inzicht in te richten daartoe noodzaken, zijn de hulp en steun, meer dan op het vergroten van de mogelijkheden van de ouders om hun kind te verzorgen en op te voeden, gericht op het vergroten van de zelfstandigheid van de minderjarige. 4. De stichting, bedoeld in artikel 1, onder f, van de Wet op de jeugdzorg bevordert de gezinsband tussen de met het gezag belaste ouder en de minderjarige. Het bureau krijgt deze taak opgelegd door de kinderrechter. Deze kan een minderjarige op grond van art. 1:254 van het Burgerlijk Wetboek onder bepaalde omstandigheden onder toezicht stellen. In dringende gevallen kan er ook sprake zijn van voorlopige ondertoezichtstelling (art. 1:255 BW). Evenals de overige werkprocessen van het bureau jeugdzorg kent de gezinsvoogdijtaak de fasen Aanmelding en Acceptatie, Analyse en Opstellen diagnostisch beeld en Vaststellen benodigde zorg. Het proces Aanmelding en Acceptatie is sterk afwijkend van dat in het vrijwillige kader en is daarom apart opgenomen in het model. De overige hier genoemde fasen zijn binnen de gezinsvoogdijtaak nagenoeg gelijk aan die van het vrijwillige kader. Waar voor de gezinsvoogdij bijzondere omstandigheden of regels gelden, is dit in de beschrijving van deze processen opgenomen. Wanneer ten aanzien van een cliŽnt die onder toezicht wordt gesteld zorg wordt verleend door een zorgaanbieder (geÔndiceerd) of een aanbieder van zorg (anders dan geÔndiceerd), dient deze zorg te worden gevolgd (casemanagement). Ook hiervoor geldt dat deze processen grosso modo gelijk zijn aan die welke gelden in het vrijwillige kader. Uitzonderingen zijn ook hier zichtbaar in de Processen bureau jeugdzorg Versie 2 Definitief 18 mei 2005 117 procesbeschrijvingen. In dit geval doet zich een situatie voor waarin het bureau jeugdzorg ten aanzien van de desbetreffende cliŽnt twee processen tegelijk uitvoert, namelijk het genoemde casemanagement en de uitvoeringstaken rond de gezinsvoogdij. Hoewel de Wet hier geen uitspraken over doet, ligt het voor de hand dat de gezinsvoogd tevens de taak van het genoemde casemanagement op zich neemt en dat de evaluatiemomenten van het casemanagement zoveel mogelijk samenlopen met die uit het uitvoeringsproces gezinsvoogdij. Het staat de bureaus jeugdzorg echter vrij ťťn en ander op een andere wijze te organiseren. Aan de uitvoering van de gezinsvoogdijtaak ten aanzien van de betrokken minderjarige dient altijd een plan ten grondslag te liggen (artikel 9, lid 3, Wjz). In dit referentiewerkmodel is deze activiteit terug te vinden in het proces Vaststellen benodigde zorg (waarin de mogelijkheid is opgenomen dat de hulp en steun gťťn jeugdzorg omvat zoals die wordt aangeboden door zorgaanbieders of aanbieders van zorg).

B. Nadere bepalingen ten aanzien van de gezinsvoogdijtaak

Aanwijzing

In het kader van de hulp en steun als bedoeld in artikel 1:257 BW kan het BJz een schriftelijke aanwijzing geven met betrekking tot de verzorging en opvoeding (art. 1:258).

Uithuisplaatsing

Voorts kan de rechter het BJz op verzoek van het BJz, de raad voor de kinderbescherming of het Openbaar Ministerie machtigen tot uithuisplaatsing van het kind (art. 1:261). Aan deze plaatsing ligt in beginsel een indicatiebesluit ten grondslag.

Bepalingen in Uitvoeringsbesluit Wet op de jeugdzorg

In artt. 37 tm/ 39 van Uitvoeringsbesluit Wet op de jeugdzorg staan algemene bepalingen vermeld voor het uitoefenen van zowel de voogdij-, de gezinsvoogdij- als de jeugdreclasseringstaak.

Artikel 37 Uitvoeringsbesluit Wet op de jeugdzorg

Indien de stichting ten aanzien van een jeugdige meer dan ťťn taak als bedoeld in artikel 10, eerste lid, onder a, b, c en d, van de wet uitoefent, bevat het plan, bedoeld in artikel 13, derde lid, van de wet, een beschrijving van de wijze waarop de uitvoering van de verschillende taken op elkaar worden afgestemd.

Artikel 38 Uitvoeringsbesluit Wet op de jeugdzorg jeugdzorg

Onverminderd artikel 10, eerste lid, onder i, van de wet stelt de stichting bij beŽindiging van de taak, bedoeld in artikel 10, eerste lid, onder a, b, c en d, van de wet ten aanzien van de jeugdige een rapport op waarin beschreven wordt op welke wijze zij haar taak heeft verricht. In het rapport wordt aangegeven of de jeugdige naar het oordeel van de stichting, behoefte heeft Processen bureau jeugdzorg Versie 2 Definitief 18 mei 2005 118 aan nazorg en op welke wijze hierin kan worden voorzien.

Artikel 39 Uitvoeringsbesluit Wet op de jeugdzorg jeugdzorg

Bij regeling van Onze Ministers kunnen nadere regels worden gesteld over het verrichten of doen verrichten van een gedragsdeskundig of psychiatrisch diagnostisch onderzoek ter voorbereiding van een besluit in het kader van de uitvoering van de taken, bedoeld in artikel 10, eerste lid, onder a, b, c en d, van de wet, dat een rechterlijke beslissing vereist.

Ontheffing van de ouders overwegen

In art. 45 van het Uitvoeringsbesluit Wet op de jeugdzorg staat het volgende vermeld over eventuele ontheffing van de ouders:

Artikel 45 Uitvoeringsbesluit Wet op de jeugdzorg

De stichting beziet bij de uitoefening van de ondertoezichtstelling regelmatig of een ontheffing van de ouders als bedoeld in artikel 268 van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek overwogen moet worden. Zodra de stichting tot het oordeel komt dat een ontheffing overwogen moet worden, stelt zij de raad voor de kinderbescherming hiervan in kennis.

C. Registratie-eisen

Registratie-eisen rond het proces gezinsvoogdij staan vermeld in het Besluit beleidsinformatie jeugdzorg.

Artikel 6 Besluit beleidsinformatie jeugdzorg

Voor de verwerking van de gegevens, bedoeld in artikel 42 van de wet, registeert de stichting per minderjarige de volgende gegevens over hun taken, bedoeld in artikel 10, eerste lid, onder a en b, van de wet: a. de datum waarop de stichting de op schrift vastgelegde beslissing heeft ontvangen waaruit blijkt dat een taak een aanvang heeft genomen met een aanduiding van de hoedanigheid van degene die de beslissing heeft genomen; b. de datum waarop de taak, bedoeld in artikel 10, eerste lid, onder b, van de wet aanvangt of wordt verlengd; c. de datum waarop een taak als bedoeld in artikel 10, eerste lid, onder b, van de wet eindigt met een aanduiding van de reden daarvan. d. de datum waarop een taak als bedoeld in artikel 10, eerste lid, onder a, van de wet aanvangt en eindigt met een aanduiding van de soort voogdij en de reden van beŽindiging; e. de datum waarop de rechter een machtiging tot uithuisplaatsing heeft gegeven met een aanduiding van de soort machtiging uithuisplaatsing en de duur van de machtiging; f. de datum waarop de stichting aan de jeugdige, zijn ouders of degene die hem als behorende tot hun gezin verzorgen en opvoeden mededeelt dat een taak is aangevangen; g. de datum waarop een medewerker van de stichting over een taak een eerste contact heeft met de cliŽnt; Processen bureau jeugdzorg Versie 2 Definitief 18 mei 2005 119 h. de datum waarop de stichting het plan, bedoeld in artikel 13, derde lid, van de wet vaststelt.

9.1. Aanmelding en Acceptatie gezinsvoogdij

Het aanmeldings- en acceptatieproces voor gezinsvoogdij wijkt sterk af van de situatie van aanmelding in het vrijwillige kader. Het bureau jeugdzorg heeft ten aanzien van deze taak immers een acceptatieplicht. Het proces kent drie stappen: • Aanwijzen gezinsvoogdijwerker • Plannen eerste contact • Versturen mededeling Vervolgens gaat het proces verder bij Analyse en opstellen diagnostisch beeld. In dat proces wordt het plan opgesteld zoals bedoeld in artikel 13, lid 3, van de Wet op de jeugdzorg. Eventueel wordt dan ook een indicatiebesluit opgesteld (voor geÔndiceerde zorg), of een schriftelijk advies (voor andere dan geÔndiceerde zorg). Processen bureau jeugdzorg Versie 2 Definitief 18 mei 2005 120

9.1.1. Aanwijzen gezinsvoogd

A. Algemeen

Het bureau jeugdzorg krijgt er kennis van dat zij de gezinsvoogdijtaak over een minderjarige heeft gekregen en zij wijst als eerste een gezinsvoogd aan. Daarbij houdt het bureau rekening met de godsdienstige gezindheid, de levensovertuiging en culturele achtergrond van de cliŽnt (art. 15, Processen bureau jeugdzorg Versie 2 Definitief 18 mei 2005 121 Wjz). Verdere regelgeving rond het aanwijzen van de gezinsvoogd is vastgelegd in artikel 44 van het Uitvoeringsbesluit Wet op de jeugdzorg.

Artikel 44 Uitvoeringsbesluit Wet op de jeugdzorg

1. De stichting wijst binnen vijf dagen nadat de minderjarige onder haar toezicht is gesteld en zij hiervan in kennis is gesteld, een gezinsvoogdijwerker aan, en doet hiervan mededeling aan de minderjarige en de met het gezag belaste ouder of voogd. 2. In deze mededeling worden tevens opgenomen: a. de datum van het eerste contact van de gezinsvoogdijwerker met de minderjarige en de met het gezag belaste ouder of voogd, b. de medewerker van de stichting die de gezinsvoogdijwerker bij diens afwezigheid vervangt, c. informatie over de bevoegdheden van de stichting bij de uitoefening van de ondertoezichtstelling en d. de wijze waarop een verzoek als bedoeld in artikel 259, eerste lid, artikel 260, eerste lid, en artikel 263, tweede lid, van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek moet worden gedaan. 3. De stichting kan, al dan niet op verzoek van de minderjarige, de met het gezag belaste ouder of voogd, een andere medewerker als gezinsvoogdijwerker aanwijzen.. Onderstaand de toelichting op dit artikel:

Artikel 19

Dit artikel bepaalt in het eerste lid dat de stichting binnen vijf dagen nadat de minderjarige onder haar toezicht is gesteld een gezinsvoogdijwerker aanwijst en hiervan mededeling doet aan de minderjarige en de met het gezag belaste ouder. Deze hebben er immers belang bij dat zij zo snel mogelijk te weten wie er invulling gaat geven aan de ondertoezichtstelling. In het tweede lid is een niet-limitatieve opsomming opgenomen van onderwerpen die daarnaast in de mededeling opgenomen dienen te worden. Het gestelde onder b en c is van belang voor de versterking van de positie van de cliŽnt; de cliŽnt dient kennis te hebben van bijvoorbeeld het feit dat het bureau jeugdzorg een schriftelijke aanwijzing kan geven en de wijze waarop hiertegen in verzet kan worden gekomen.

B. Informeren cliŽnt - contactpersoon

In het Uitvoeringsbesluit Wet op de jeugdzorg wordt gesteld dat het bureau de cliŽnt informatie dient te verstrekken (artikel 27 Uitvoeringsbesluit). In de Wet op de jeugdzorg wordt voorts aangegeven dat ten aanzien van de cliŽnt een contactpersoon dient te worden aangewezen (artikel 13, lid 8, Wjz). In het referentiewerkmodel wordt ervan uitgegaan dat de contactpersoon waarvan in het besluit sprake is, de gezinsvoogdijwerker is. Voor de gezinsvoogdijtaak is deze combinatie verplicht.

Artikel 27 Uitvoeringsbesluit Wet op de jeugdzorg

Processen bureau jeugdzorg Versie 2 Definitief 18 mei 2005 122 1. De stichting informeert de cliŽnt over de taken en werkwijze van het bureau jeugdzorg en over zijn rechten. De informatie wordt in begrijpelijke vorm verschaft. 2. De stichting maakt de cliŽnt duidelijk welke taak het bureau jeugdzorg ten aanzien van hem uitoefent.

Artikel 13, lid 8, Wjz

De stichting wijst ten aanzien van een cliŽnt een contactpersoon aan. De contactpersoon is aanspreekpunt voor de cliŽnt gedurende de gehele periode waarin de stichting een van haar wettelijke taken ten aanzien van de cliŽnt uitoefent. De contactpersoon bevordert de continuÔteit in de taakuitvoering van het bureau jeugdzorg ten aanzien van de cliŽnt en is de persoon die de cliŽnt in voorkomende gevallen jeugdzorg als bedoeld in artikel 10, derde lid, onder b, verleent. Zo mogelijk wijst de stichting bij de taakuitvoering ten aanzien van de cliŽnt in volgende gevallen dezelfde contactpersoon aan. De toelichting bij het voormalige Besluit Kwaliteit en Werkwijze (dat nu is opgenomen in het Uitvoeringsbesluit) stelt hierover (onder kopje 3. Algemene eisen): Het bureau jeugdzorg is verplicht de cliŽnt informatie te verstrekken over de taken en werkwijze van het bureau jeugdzorg en over zijn rechten. Deze informatie moet in begrijpelijke vorm worden verschaft. Het is immers van belang dat de cliŽnt weet wat het bureau jeugdzorg voor hem wel en niet kan doen en ook welke bevoegdheden het bureau in zijn algemeenheid heeft. Daar hoort het niet bij te blijven, de cliŽnt zal moeten weten in welke hoedanigheid hij met het bureau te maken heeft en welke bevoegdheden het bureau jegens hem heeft. Dit laatste is vooral van belang als het gaat om de justitiŽle taken, waarbij de relatie cliŽnt bureau alles behalve vrijblijvend is. In verband hiermee is bovendien geregeld dat een cliŽnt binnen het bureau jeugdzorg een contactpersoon toegewezen zal moeten krijgen. De contactpersoon fungeert als aanspreekpunt voor de cliŽnt, opdat de cliŽnt snel en eenvoudig antwoord kan krijgen op vragen over bijvoorbeeld de voortgang van het indicatietraject of over het waarom van onderzoeken die het bureau nodig acht. De contactpersoon hoeft niet een medewerker te zijn die uitsluitend deze taak ten opzichte van de cliŽnt heeft. Een combinatie van functies ligt voor de hand. Artikelsgewijs stelt de toelichting voorts:

Artikel 27 Uitvoeringsbesluit Wet op de jeugdzorg

Een goede informatieverstrekking door het bureau jeugdzorg is voor de cliŽnt van groot belang. Deze bepaling strekt daartoe. In het eerste lid is een algemene informatieplicht voor de stichting geformuleerd. Deze informatieplicht omvat zowel informatie over de taken als over de werkwijze van het bureau jeugdzorg. Voorts kan gedacht worden aan informatie over bijvoorbeeld het aanvragen van een indicatiebesluit, de contactpersoon, de vertrouwenspersoon, het verwerken van gegevens en de regeling voor de behandeling van klachten. In het tweede lid is een specifieke informatieplicht opgenomen. Te allen tijde dient Processen bureau jeugdzorg Versie 2 Definitief 18 mei 2005 123 het de cliŽnt duidelijk te zijn welke taak het bureau jeugdzorg ten aanzien van hem uitoefent. Het is voor een cliŽnt namelijk een essentieel verschil of de medewerker van het bureau jeugdzorg bijvoorbeeld een gesprek met de cliŽnt voert in het kader van een ondertoezichtstelling (artikel 10, eerste lid, onder b van de wet) of een gesprek in het kader van de taak vaststellen op welke zorg de cliŽnt is aangewezen (artikel 5, eerste lid van de wet). Naar de cliŽnt toe moet het altijd duidelijk zijn welke taak die het bureau ten aanzien van hem uitvoert.De verschillende taken brengen immers verschillende bevoegdheden mee.

Artikel 13, lid 8, Wjz

Dit artikel regelt dat de stichting een contactpersoon ten aanzien van de cliŽnt aanwijst. De cliŽnt kan bij hem terecht met alle vragen (aanspreekpunt) die hij heeft over bijvoorbeeld procedures binnen het bureau jeugdzorg zoals de aanvraag van een indicatiebesluit of een verwijzing naar voorliggende voorzieningen. Er worden geen nadere regels gesteld over de taakomschrijving, deskundigheid etc. van deze contactpersoon. Het bureau jeugdzorg zal hieraan zelf invulling moeten geven. Wel zal het bureau jeugdzorg in de beschrijving van zijn werkwijze moeten verantwoorden op welke wijze invulling wordt gegeven aan deze verplichting (artikel 13, eerste lid, van de wet). De contactpersoon is geen specifieke functionaris. De contactpersoon kan degene zijn, die reeds contact heeft met de cliŽnt, maar dit hoeft niet. Het is mogelijk om bij de uitvoering van verschillende taken met betrekking tot ťťn en dezelfde cliŽnt of cliŽntsysteem een andere medewerker als contactpersoon aan te wijzen al dan niet op verzoek van de cliŽnt zelf. Zo kan de gezinsvoogd tevens als contactpersoon voor de jeugdige en zijn ouders optreden, terwijl ze in een voortraject mogelijk al een andere contactpersoon hadden. Een vergelijkbare situatie kan zich voordoen bij het verlenen van steun bij het tot gelding brengen van een aanspraak. N.B. Wanneer een cliŽnt ambulante zorg krijgt van het Bureau Jeugdzorg ("jeugdzorg als bedoeld in artikel 10, derde lid, onder b"), moet degene die de hulp verleent ook de contactpersoon zijn.

9.1.2. Plannen eerste contact

De datum voor het eerste contact, zoals vermeld in artikel 44, lid 2, sub a, Uitvoeringsbesluit Wet op de jeugdzorg, wordt gepland.

9.1.3. Versturen mededeling minderjarige en ouder(s) of voogd

Aan de minderjarige en de met gezag belaste ouder(s) of voogd wordt een mededeling verstuurd, zoals omschreven in art. 44 van het Uitvoeringsbesluit Wet op de jeugdzorg (zie begeleidende tekst bij Aanwijzen gezinsvoogd.).

9.2. Uitvoeren gezinsvoogdij

Bij deze procesbeschrijving gaat het om de gezinsvoogdijtaak 'sec', dus de taak zoals Processen bureau jeugdzorg Versie 2 Definitief 18 mei 2005 124 omschreven in artikel 1:257 BW, op grond van het plan waarvan in artikel 13, lid 3 van de Wet op de jeugdzorg sprake is. Deze taak kan samengaan met casemanagement wanneer ten behoeve van de jeugdige zorg wordt verleend door een zorgaanbieder (geÔndiceerde zorg) of een aanbieder van zorg (niet geÔndiceerde zorg). Zie hierover verder de begeleidende tekst bij Processen gezinsvoogdij, onder A. Algemeen. Processen bureau jeugdzorg Versie 2 Definitief 18 mei 2005 125 Processen bureau jeugdzorg Versie 2 Definitief 18 mei 2005 126

9.2.1. Uitvoeren plan

Het plan, bedoeld in artikel 13, derde lid, Wjz, wordt uitgevoerd.

9.2.2. Evalueren

Het plan wordt geŽvalueerd, conform art. 43, lid 7 van het Uitvoeringsbesluit Wet op de jeugdzorg:

Artikel 43, lid 7, Uitvoeringsbesluit Wet op de jeugdzorg

7. Zo vaak als noodzakelijk, doch ten minste ťťn maal per jaar wordt bezien in hoeverre het plan bijstelling behoeft. Bepaald wordt in ieder geval of • de maatregel van gezinsvoogdij eindigt of dat verlenging van de gezinsvoogdij noodzakelijk is; • tussentijdse beŽindiging mogelijk is; • in geval van voortzetting van de maatregel bijstelling van het plan noodzakelijk is. Op grond van artikel 1:256 BW kan de kinderrechter de duur van de ondertoezichtstelling bepalen op ten hoogste ťťn jaar. De duur kan door hem telkens met ťťn jaar verlengd worden. Hij kan dit doen op verzoek van het bureau jeugdzorg, een ouder, een ander die de minderjarige als behorend tot zijn gezin verzorgt en opvoedt, de raad voor de kinderbescherming, of het openbaar ministerie. De maatregel van gezinsvoogdij eindigt wanneer: • de termijn verstreken is en geen verlenging is verkregen; • tussentijdse beŽindiging is verkregen; • besloten is een verderstrekkende maatregel te vragen en deze is verkregen; • de jeugdige de meerderjarige leeftijd heeft bereikt • de jeugdige komt te overlijden.

9.2.3. Voortzetting maatregel wenselijk?

Bepaald is of voortzetting van de maatregel wenselijk is. • Als dit zo is, dan wordt verlenging van de maatregel aangevraagd bij de kinderrechter. • Is dit niet het geval, dan wordt van het besluit om geen verlenging van de maatregel aan te vragen melding gedaan aan de raad voor de kinderbescherming. Processen bureau jeugdzorg Versie 2 Definitief 18 mei 2005 127

9.2.4. Aanvragen verlenging

Bij de kinderrechter wordt verlenging van de maatregel aangevraagd. Een afschrift van de aanvraag wordt naar de raad voor de kinderbescherming gestuurd: de Raad heeft in deze een toetsende taak. Bovendien dient een afschrift van de aanvraag naar de belanghebbenden te worden verstuurd. Wordt de verlenging verkregen, dan wordt bezien of bijstelling van het plan nodig is.

9.2.5. Bijstelling nodig?

In de evaluatie van het plan is bezien of bijstelling van het plan nodig is. • Is dit het geval, dan wordt het plan bijgesteld, in overleg met de cliŽnt. • Is dit niet het geval, dan wordt het bestaande plan verder uitgevoerd.

9.2.6. Bijstellen plan

Het plan wordt in overleg met de cliŽnt bijgesteld.

9.2.7. BeŽindigen

De gezinsvoogdij wordt beŽindigd. Dit kan op de volgende manieren gestalte krijgen: 1. de instelling besluit om geen verzoekschrift verlenging in te dienen; 2. de instelling vraagt een verderstrekkende maatregel aan; 3. de instelling besluit om een tussentijdse beŽindiging aan te vragen; 4 de maatregel loopt van rechtswege af in het geval van meerderjarigheid. De raad voor de kinderbescherming wordt van het besluit tot niet voortzetten van de maatregel op de hoogte gebracht, op grond van artikel 1:256, lid 3, Burgerlijk Wetboek:

Artikel 1:256, lid 3, BW

Indien de gezinsvoogdij-instelling niet overgaat tot een verzoek tot verlenging doet zij hiervan zo spoedig mogelijk en onder overlegging van een verslag van het verloop van de ondertoezichtstelling mededeling aan de raad voor de kinderbescherming.

9.2.8. Mededelen beŽindiging aan RvdK

Aan de raad voor de kinderbescherming wordt gemeld dat de gezinsvoogdij voor betreffende jeugdige beŽindigd is. De Raad heeft hierbij een toetsende taak. Als de Raad niet akkoord is, zal zij zich zelf tot de kinderrechter wenden met het verzoek de maatregel te verlengen of opnieuw Processen bureau jeugdzorg Versie 2 Definitief 18 mei 2005 128 een maatregel te nemen.

9.3. Uithuisplaatsing (bij gezinsvoogdij)

A. Algemeen

Het bureau jeugdzorg kan tot de conclusie komen dat het in het belang van de verzorging en opvoeding van de minderjarige of tot onderzoek van diens geestelijke of lichamelijke gesteldheid noodzakelijk is dat deze gedurende dag en nacht uit huis wordt geplaatst. Deze uithuisplaatsing kan al dan niet verbonden zijn aan geÔndiceerde zorg. Het bureau jeugdzorg kan de kinderrechter in het kader van de gezinsvoogdijtaak op grond van artikel 261 van het Burgerlijk Wetboek verzoeken tot een machtiging uithuisplaatsing. Wanneer deze uithuisplaatsing in het kader staat van geÔndiceerde zorg, moet het bureau jeugdzorg het indicatiebesluit daartoe aan de kinderrechter doen toekomen. Is de uithuisplaatsing niet verbonden aan geÔndiceerde zorg, dan moet het bureau jeugdzorg bij zijn verzoek aan de kinderrechter melden voor welke verblijfplaats de machtiging wordt gevraagd. De regels voor uithuisplaatsing in het kader van gezinsvoogdij zijn neergelegd in artikel 261 van boek 1 van het Burgerlijk Wetboek. Dit artikel is in het kader van de Wet op de jeugdzorg aangepast (zie artikel 77, sub H, Wjz). Onder uithuisplaatsing in het kader van geÔndiceerde zorg valt ook plaatsing in een justitiŽle jeugdinrichting als bedoeld in artikel 1, onder b, van de Beginselenwet justitiŽle jeugdinrichtingen. Hiervoor is uitdrukkelijk een daartoe strekkende machtiging van de kinderrechter vereist.

B. Relevante wetsartikelen rond uithuisplaatsing

Artikel 3, vierde lid, Wjz

Indien het besluit van de stichting strekt tot uithuisplaatsing in het kader van een ondertoezichtstelling als bedoeld in artikel 261 van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek, treedt het niet in werking dan nadat de in dat artikel bedoelde machtiging van de kinderrechter is verkregen. Indien de machtiging niet wordt verleend, vervalt het besluit. Indien de duur van de machtiging korter is dan de termijn, bedoeld in artikel 6, eerste lid, onder c, wordt die termijn gelijk aan de duur van de machtiging.

Artikel 1:261 BW

1. Indien dit noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding van de minderjarige of tot onderzoek van diens geestelijke of lichamelijke gesteldheid, kan de kinderrechter de Processen bureau jeugdzorg Versie 2 Definitief 18 mei 2005 129 stichting, bedoeld in artikel 1, onder f, van de Wet op de jeugdzorg op haar verzoek machtigen de minderjarige gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen. De machtiging kan eveneens worden verleend op verzoek van de raad voor de kinderbescherming of van het openbaar ministerie. 2. Indien de uithuisplaatsing betrekking heeft op zorg als bedoeld in artikel 5, tweede lid, van de Wet op de jeugdzorg, is het verzoek gericht op effectuering van het besluit, bedoeld in artikel 6, eerste lid, van die wet. Dit besluit wordt bij het verzoek overgelegd. Indien de uithuisplaatsing geen betrekking heeft op zorg als bedoeld in artikel 5, tweede lid, van de Wet op de jeugdzorg, wordt bij het verzoek vermeld voor welke verblijfplaats de machtiging wordt gevraagd. 3. In afwijking van de eerste volzin van het tweede lid kan in de gevallen, omschreven in de regels, gesteld krachtens artikel 3, vijfde lid, van de Wet op de jeugdzorg, van artikel 11a, eerste lid, van de Beginselenwet justitiŽle jeugdinrichtingen en van artikel 9b, tweede lid, van de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten een machtiging tot uithuisplaatsing worden verleend zonder een daartoe strekkend besluit. De machtiging tot uithuisplaatsing geldt in dat geval totdat een besluit als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van de Wet op de jeugdzorg is genomen. De kinderrechter kan bepalen dat de machtiging tot uithuisplaatsing van kracht blijft indien het besluit, bedoeld in artikel 6, eerste lid, van de Wet op de jeugdzorg strekt tot uithuisplaatsing. 4. De kinderrechter kan eveneens een machtiging tot uithuisplaatsing verlenen zonder dat daarbij een besluit als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van de Wet op de jeugdzorg wordt overgelegd, indien het verzoek daartoe wordt gedaan door de raad voor de kinderbescherming en de stichting, bedoeld in artikel 1, onder f, van die wet geen besluit strekkend tot uithuisplaatsing neemt. In deze gevallen wordt bij het verzoek vermeld voor welke verblijfplaats de machtiging wordt gevraagd. Indien de kinderrechter de machtiging verleent, is de stichting gehouden deze ten uitvoer te leggen, tenzij de raad met niettenuitvoerlegging instemt. 5. Voor plaatsing in een justitiŽle jeugdinrichting als bedoeld in artikel 1, onder b, van de Beginselenwet justitiŽle jeugdinrichtingen is een uitdrukkelijk daartoe strekkende machtiging van de kinderrechter vereist. Deze machtiging wordt slechts verleend, indien zij vereist is wegens ernstige gedragsproblemen van de minderjarige. Zodra een verzoek tot zulk een machtiging of tot verlenging daarvan bij de kinderrechter is ingediend, geeft deze aan het bureau rechtsbijstandvoorziening ambtshalve last een raadsman aan de minderjarige toe te voegen.

Artikel 11a Beginselenwet justitiŽle jeugdinrichtingen

1. De jeugdige ten aanzien van wie met toepassing van artikel 261, derde en vijfde lid, dan wel artikel 305, derde lid, Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek is bepaald dat hij in een inrichting wordt geplaatst, heeft aanspraak op die plaatsing. Een jeugdige heeft slechts aanspraak op deze plaatsing als de stichting, bedoeld in artikel 1, onder f, van de Wet op de jeugdzorg, die werkzaam is in de provincie waarin de jeugdige duurzaam verblijft, een besluit heeft genomen Processen bureau jeugdzorg Versie 2 Definitief 18 mei 2005 130 waaruit blijkt dat hij op die plaatsing is aangewezen. Bij algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld voor gevallen waarin het besluit bedoeld in de tweede volzin niet afgewacht kan worden. Daarbij kan worden afgeweken van de tweede volzin. 2. De jeugdige, bedoeld in het eerste lid, kan worden overgeplaatst naar een beperkt beveiligde inrichting als bedoeld in artikel 14, eerste lid, onder a. 3. Indien de jeugdige, bedoeld in het eerste lid, in het kader van een acute crisis moet worden geplaatst, geschiedt de plaatsing binnen een week. Indien de plaatsing niet binnen een week mogelijk is, kan de selectiefunctionaris deze termijn telkens met een week verlengen. Met een beslissing tot verlenging wordt gelijk gesteld de weigering om binnen de termijn te beslissen. Processen bureau jeugdzorg Versie 2 Definitief 18 mei 2005 131 Processen bureau jeugdzorg Versie 2 Definitief 18 mei 2005 132

9.3.1. Bepalen "soort" uithuisplaatsing

Artikel 1:261 BW maakt een onderscheid tussen uithuisplaatsing die betrekking heeft op geÔndiceerde zorg en uithuisplaatsing die daarop geen betrekking heeft (lid 2). Voor beide "soorten" uithuisplaatsing is een machtiging van de kinderrechter vereist. Wordt de machtiging aangevraagd in het kader van geÔndiceerde zorg, dan dient het indicatiebesluit bij de aanvraag overlegd te worden. Voor uithuisplaatsing niet in het kader van geÔndiceerde zorg dient bij de aanvraag tot machtiging te worden vermeld voor welke verblijfplaats de machtiging wordt gevraagd.

9.3.2. Heeft de uithuisplaatsing betrekking op geÔndiceerde zorg?

Afvraging is of de uithuisplaatsing al dan niet betrekking heeft op geÔndiceerde zorg. • Is dit het geval, dan gaat het proces verder bij de afvraging of er een indicatiebesluit is dat een aanspraak op 24-uurs verblijf inhoudt • Is dit niet het geval, dan gaat het proces verder bij Aanvragen machtiging UHP – niet i.h.k.v.

geÔndiceerde zorg

9.3.3. Is er een indicatiebesluit dat aanspraak op 24-uurs verblijf inhoudt?

Besloten is tot uithuisplaatsing die betrekking heeft op geÔndiceerde zorg. Afvraging is of er een indicatiebesluit is dat een aanspraak op 24-uurs verblijf inhoudt. • Is dit het geval, dan gaat wordt de machtiging aangevraagd (i.h.k.v. geÔndiceerde zorg) • Is dit niet het geval, dan dient eerst een indicatiebesluit met die strekking opgesteld te worden.

9.3.4. Aanvragen machtiging UHP i.h.k.v. geÔndiceerde zorg

Er wordt een machtiging uithuisplaatsing aangevraagd bij de kinderrechter. Het gaat om uithuisplaatsing in het kader van geÔndiceerde zorg. Het desbetreffende indicatiebesluit wordt bij het verzoek overlegd (art. 1:261 BW, lid 2, eerste en tweede volzin).

9.3.5. Machtiging UHP verkregen (i.h.k.v. geÔndiceerde zorg)?

Er is een machtiging uithuisplaatsing aangevraagd bij de kinderrechter. Het gaat om uithuisplaatsing in het kader van geÔndiceerde zorg. Afvraging is of de verzochte machtiging verkregen is. • Is de machtiging verkregen, dan wordt plaatsing van de minderjarige in samenspraak met de Processen bureau jeugdzorg Versie 2 Definitief 18 mei 2005 133 zorgaanbieder geregeld. Het proces gaat verder bij Bevorderen opstellen hulpverleningsplan door zorgaanbieder onder Uitvoeren casemanagement geÔndiceerde zorg. • Is de machtiging niet verkregen, dan wordt het proces uithuisplaatsing afgesloten. Is een machtiging verkregen, dienen hier bovendien gegevens over te worden geregistreerd, op grond van artikel 6, onder c, Besluit beleidsinformatie jeugdzorg.

Artikel 6, sub c, Besluit beleidsinformatie jeugdzorg

Gegevens over ondertoezichtstelling en voogdij

Voor de verwerking van de gegevens, bedoeld in artikel 42 van de wet, registreren de stichtingen de volgende gegevens over hun taken als bedoeld in artikel 6, eerste lid, onder a en b, van de wet: (...) c. gegevens over uithuisplaatsing van een minderjarige met het doel inzicht te verkrijgen in het aantal uithuisplaatsingen al dan niet onderscheiden naar met of zonder machtiging; Op grond van artikel 1:262, lid 3, BW dient de uithuisplaatsing binnen drie maanden ten uitvoer te zijn gelegd. Als de uithuisplaatsing na die termijn nog niet ten uitvoer is gelegd, vervalt de machtiging.

9.3.6. Afsluiten na niet verkrijgen machtiging UHP

Het proces wordt afgesloten. Het Besluit beleidsinformatie jeugdzorg vraagt gťťn gegevens ten aanzien van niet verkregen machtigingen.

9.3.7. Aanvragen machtiging UHP - niet i.h.k.v. geÔndiceerde zorg

Er wordt een machtiging uithuisplaatsing aangevraagd bij de kinderrechter. Het gaat niet om uithuisplaatsing in het kader van geÔndiceerde zorg. Bij het verzoek wordt vermeld voor welke verblijfplaats de machtiging wordt gevraagd (art. 1:261 BW, lid 2, derde volzin).

9.3.8. Machtiging UHP verkregen (niet i.h.k.v. geÔndiceerde zorg)?

Er is een machtiging uithuisplaatsing aangevraagd bij de kinderrechter. Het gaat niet om uithuisplaatsing in het kader van geÔndiceerde zorg. Afvraging is of de verzochte machtiging verkregen is. • Is de machtiging verkregen, dan wordt de minderjarige geplaatst. • Is de machtiging niet verkregen, dan wordt het proces uithuisplaatsing afgesloten. Is een machtiging verkregen, dienen hier bovendien gegevens over te worden geregistreerd, op Processen bureau jeugdzorg Versie 2 Definitief 18 mei 2005 134 grond van artikel 6, onder c, Besluit beleidsinformatie jeugdzorg.

Artikel 6, sub c, Besluit beleidsinformatie jeugdzorg

Gegevens over ondertoezichtstelling en voogdij

Voor de verwerking van de gegevens, bedoeld in artikel 42 van de wet, registreren de stichtingen de volgende gegevens over hun taken als bedoeld in artikel 6, eerste lid, onder a en b, van de wet: (...) c. gegevens over uithuisplaatsing van een minderjarige met het doel inzicht te verkrijgen in het aantal uithuisplaatsingen al dan niet onderscheiden naar met of zonder machtiging;

9.3.9. Regelen uithuisplaatsing niet i.h.k.v. geÔndiceerde zorg

De uithuisplaatsing, niet in het kader van geÔndiceerde zorg, wordt geregeld. Op grond van artikel 1:262, lid 3, BW dient de uithuisplaatsing binnen drie maanden ten uitvoer te zijn gelegd. Als de uithuisplaatsing na die termijn nog niet ten uitvoer is gelegd, vervalt de machtiging.

9.3.10. Afsluiten na niet verkrijgen machtiging UHP

Het proces wordt afgesloten. Het Besluit beleidsinformatie jeugdzorg vraagt gťťn gegevens ten aanzien van niet verkregen machtigingen. Processen bureau jeugdzorg Versie 2 Definitief 18 mei 2005 135

10. Processen voogdij

A. Algemeen

In artikel 10, lid 1, onder a, is vastgelegd dat het bureau jeugdzorg de voogdijtaak dient uit te voeren zoals die wordt genoemd boek 1 van het Burgerlijk Wetboek. Op grond van het Burgerlijk Wetboek kan de rechter in gevallen waarin niet in het gezag over een kind is voorzien op verzoek van de raad voor de kinderbescherming in het gezag over een kind voorzien door het BJz met de voorlopige voogdij te lasten (art. 1:241). Op grond van het Burgerlijk Wetboek kunnen ouders op verzoek van de raad voor de kinderbescherming of het Openbaar Ministerie door de rechter van het gezag over hun kind worden ontheven (art. 1:266 en 267) of ontzet (art. 1:269 en 270). Hangende het onderzoek naar ontheffing of ontzetting kan de rechter het gezag van ťťn of beide ouders over ťťn of meer kinderen schorsen en het BJz belasten met de voorlopige voogdij over het kind (art. 1:271). Op grond van het Burgerlijk Wetboek kan het BJz indien niet in het gezag over een kind is voorzien (bijvoorbeeld beide ouders overleden) ook met de voogdij (verzorging en opvoeding) worden belast. In dit geval wordt de jeugdige ter verzorging en opvoeding in een pleeggezin of in een instelling geplaatst. Aan deze plaatsing ligt een indicatiebesluit ten grondslag. De voogdijtaak ten aanzien van een minderjarige wordt aan het bureau opgelegd door de rechter. Evenals de overige werkprocessen van het bureau jeugdzorg kent de voogdijtaak de fasen Aanmelding en Acceptatie, Analyse en Opstellen diagnostisch beeld en Vaststellen benodigde zorg. Hierbij zal het in eerste instantie ook gaan om de uithuisplaatsing van de minderjarige, waaraan immers een indicatiebesluit ten grondslag moet liggen. Het proces Aanmelding en Acceptatie is sterk afwijkend van dat in het vrijwillige kader en is daarom apart opgenomen in het model. De overige hier genoemde fasen zijn binnen de voogdijtaak nagenoeg gelijk aan die van het vrijwillige kader. Waar voor de voogdij bijzondere omstandigheden of regels gelden, is dit in de beschrijving van deze processen opgenomen. Wanneer ten aanzien van een cliŽnt in het kader van voogdij zorg wordt verleend door een zorgaanbieder (geÔndiceerd) of een aanbieder van zorg (anders dan geÔndiceerd), dient deze zorg te worden gevolgd (casemanagement). Ook hiervoor geldt dat deze processen grosso modo gelijk zijn aan die welke gelden in het vrijwillige kader. Uitzonderingen zijn ook hier zichtbaar in de procesbeschrijvingen. In dit geval doet zich een situatie voor waarin het bureau jeugdzorg ten aanzien van de desbetreffende cliŽnt twee processen tegelijk uitvoert, namelijk het genoemde casemanagement en de uitvoeringstaken rond de voogdij. Hoewel de Wet hier geen uitspraken over doet, ligt het voor de hand dat de voogd tevens de taak van het genoemde casemanagement op zich neemt en dat de evaluatiemomenten van het casemanagement zoveel mogelijk samenlopen met die uit het uitvoeringsproces voogdij. Het staat de bureaus jeugdzorg echter vrij ťťn en ander op een andere wijze te organiseren. Processen bureau jeugdzorg Versie 2 Definitief 18 mei 2005 136 Aan de uitvoering van de voogdijtaak ten aanzien van de betrokken minderjarige dient altijd een plan ten grondslag te liggen (Artikel 13, lid 3, Wjz). In dit referentiewerkmodel is deze activiteit terug te vinden in het proces Vaststellen benodigde zorg (waarin de mogelijkheid is opgenomen dat de voogdijtaak ten aanzien van de desbetreffende cliŽnt gťťn jeugdzorg omvat zoals die wordt aangeboden door zorgaanbieders of aanbieders van zorg).

B. Nadere bepalingen ten aanzien van de voogdijtaak

In artt. 37 tm/ 39 en 42 van het Uitvoeringsbesluit Wet op de jeugdzorg staan algemene bepalingen vermeld voor het uitoefen van zowel de voogdij-, de gezinsvoogdij- als wel de jeugdreclasseringstaak.

Artikel 37 Uitvoeringsbesluit Wet op de jeugdzorg

Indien de stichting ten aanzien van een jeugdige meer dan ťťn taak als bedoeld in artikel 10, eerste lid, onder a, b, c en d, van de wet uitoefent, bevat het plan, bedoeld in artikel 13, derde lid, van de wet, een beschrijving van de wijze waarop de uitvoering van de verschillende taken op elkaar worden afgestemd.

Artikel 38 Uitvoeringsbesluit Wet op de jeugdzorg

Onverminderd artikel 10, eerste lid, onder i, van de wet stelt de stichting bij beŽindiging van de taak, bedoeld in artikel 10, eerste lid, onder a, b, c en d, van de wet ten aanzien van de jeugdige een rapport op waarin beschreven wordt op welke wijze zij haar taak heeft verricht. In het rapport wordt aangegeven of de jeugdige naar het oordeel van de stichting, behoefte heeft aan nazorg en op welke wijze hierin kan worden voorzien.

Artikel 39 Uitvoeringsbesluit Wet op de jeugdzorg

Bij regeling van Onze Ministers kunnen regels worden gesteld over het verrichten of doen verrichten van een gedragsdeskundig of psychiatrisch diagnostisch onderzoek ter voorbereiding van een besluit in het kader van de uitvoering van de taken, bedoeld in artikel 10, eerste lid, onder a, b, c en d, van de wet, dat een rechterlijke beslissing vereist.

Artikel 42 Uitvoeringsbesluit Wet op de jeugdzorg

1. De stichting houdt zich op de hoogte van de ontwikkeling van de minderjarige die onder haar voogdij staat, de aan hem bestede zorg en diens vermogen. 2. Het contact tussen de minderjarige en zijn oorspronkelijk milieu wordt bevorderd, tenzij dit contact kennelijk schade zal toebrengen aan de minderjarige. 3. De stichting bevordert dat de minderjarige persoonlijk contact heeft met een persoon buiten de stichting en dat dit contact gecontinueerd wordt. 4. De stichting houdt rekening met het belang dat voor de minderjarige kan zijn gelegen in een overgang van het gezag naar de ouders dan wel, indien het belang van de minderjarige dit eist, naar een pleegouder of een ander die in nauwe persoonlijke betrekking staat tot de Processen bureau jeugdzorg Versie 2 Definitief 18 mei 2005 137 minderjarige.

C. Registratie-eisen

Registratie-eisen rond het proces voogdij staan vermeld in het Besluit beleidsinformatie jeugdzorg.

Artikel 6 Besluit beleidsinformatie jeugdzorg

Voor de verwerking van de gegevens, bedoeld in artikel 42 van de wet, registeert de stichting per minderjarige de volgende gegevens over hun taken, bedoeld in artikel 10, eerste lid, onder a en b, van de wet: a. de datum waarop de stichting de op schrift vastgelegde beslissing heeft ontvangen waaruit blijkt dat een taak een aanvang heeft genomen met een aanduiding van de hoedanigheid van degene die de beslissing heeft genomen; b. de datum waarop de taak, bedoeld in artikel 10, eerste lid, onder b, van de wet aanvangt of wordt verlengd; c. de datum waarop een taak als bedoeld in artikel 10, eerste lid, onder b, van de wet eindigt met een aanduiding van de reden daarvan. d. de datum waarop een taak als bedoeld in artikel 10, eerste lid, onder a, van de wet aanvangt en eindigt met een aanduiding van de soort voogdij en de reden van beŽindiging; e. de datum waarop de rechter een machtiging tot uithuisplaatsing heeft gegeven met een aanduiding van de soort machtiging uithuisplaatsing en de duur van de machtiging; f. de datum waarop de stichting aan de jeugdige, zijn ouders of degene die hem als behorende tot hun gezin verzorgen en opvoeden mededeelt dat een taak is aangevangen; g. de datum waarop een medewerker van de stichting over een taak een eerste contact heeft met de cliŽnt; h. de datum waarop de stichting het plan, bedoeld in artikel 13, derde lid, van de wet vaststelt.

10.1. Aanmelding en Acceptatie voogdij

Het aanmeldings- en acceptatieproces voor voogdij wijkt sterk af van de situatie van aanmelding in het vrijwillige kader. Het bureau jeugdzorg heeft ten aanzien van deze taak immers een acceptatieplicht. Het proces kent drie stappen: • Aanwijzen voogdijwerker • Plannen eerste contact • Versturen mededeling Vervolgens gaat het proces verder bij Analyse en opstellen diagnostisch beeld. In dat proces wordt het plan opgesteld zoals bedoeld in artikel 13, lid 3, van de Wet op de jeugdzorg. Eventueel wordt dan ook een indicatiebesluit opgesteld (voor geÔndiceerde zorg – in ieder geval voor de plaatsing in een pleeggezin of een tehuis), of een schriftelijk advies (voor andere dan geÔndiceerde zorg). Processen bureau jeugdzorg Versie 2 Definitief 18 mei 2005 138 Processen bureau jeugdzorg Versie 2 Definitief 18 mei 2005 139

10.1.1. Aanwijzen voogdijwerker

A. Algemeen

Het bureau jeugdzorg krijgt er kennis van dat zij de voogdijtaak over een minderjarige heeft gekregen en zij wijst als eerste een voogd aan. Daarbij houdt het bureau rekening met de godsdienstige gezindheid, de levensovertuiging en culturele achtergrond van de cliŽnt (art. 15, Wjz). Verdere regelgeving rond het aanwijzen van de gezinsvoogd is vastgelegd in artikel 41 van het Uitvoeringsbesluit Wet op de jeugdzorg.

Artikel 41 Uitvoeringsbesluit Wet op de jeugdzorg

1. De stichting wijst binnen vijf dagen nadat de voogdij aan haar is opgedragen en zij hiervan in kennis is gesteld, een voogdijwerker aan, en doet hiervan mededeling aan de minderjarige en zijn ouders of anderen die de minderjarige als behorend tot hun gezin verzorgen en opvoeden. 2. In deze mededeling worden tevens opgenomen: a. de datum van het eerste contact van de minderjarige met de voogdijwerker en b. de medewerker van de stichting die de voogdijwerker bij afwezigheid vervangt. Onderstaand de toelichting op dit artikel, zoals die wordt gegeven in het voormalige Besluit Kwaliteit en Werkwijze, dat is opgenomen in het Uitvoeringsbesluit:

Artikel 41

Als de stichting de voogdij over een minderjarige heeft, draagt zij er zorg voor dat de minderjarige overeenkomstig diens vermogen wordt verzorgd en opgevoed (artikel 1:336 juncto 1:303, eerste lid BW). Om aan deze verplichting van de stichting invulling te geven, bepaalt dit artikel dat stichting binnen vijf dagen na de inkennisgeving een voogdijwerker aanstelt en hiervan mededeling doet aan de minderjarige en zijn ouders of verzorgers om aan haar taak invulling te gaan geven.

B. Informeren cliŽnt - contactpersoon

In het Uitvoeringsbesluit Wet op de jeugdzorg wordt gesteld dat het bureau de cliŽnt informatie dient te verstrekken (artikel 27 Uitvoeringsbesluit). In de Wet op de jeugdzorg wordt voorts aangegeven dat ten aanzien van de cliŽnt een contactpersoon dient te worden aangewezen (artikel 13, lid 8, Wjz). In het referentiewerkmodel wordt ervan uitgegaan dat de contactpersoon waarvan in het besluit sprake is, de voogdijwerker is. Deze combinatie van taken is evenwel niet verplicht.

Artikel 27 Uitvoeringsbesluit Wet op de jeugdzorg

1. De stichting informeert de cliŽnt over de taken en werkwijze van het bureau jeugdzorg en over zijn rechten. De informatie wordt in begrijpelijke vorm verschaft. Processen bureau jeugdzorg Versie 2 Definitief 18 mei 2005 140 2. De stichting maakt de cliŽnt duidelijk welke taak het bureau jeugdzorg ten aanzien van hem uitoefent.

Artikel 13, lid 8, Wjz

De stichting wijst ten aanzien van een cliŽnt een contactpersoon aan. De contactpersoon is aanspreekpunt voor de cliŽnt gedurende de gehele periode waarin de stichting een van haar wettelijke taken ten aanzien van de cliŽnt uitoefent. De contactpersoon bevordert de continuÔteit in de taakuitvoering van het bureau jeugdzorg ten aanzien van de cliŽnt en is de persoon die de cliŽnt in voorkomende gevallen jeugdzorg als bedoeld in artikel 10, derde lid, onder b, verleent. Zo mogelijk wijst de stichting bij de taakuitvoering ten aanzien van de cliŽnt in volgende gevallen dezelfde contactpersoon aan. De toelichting bij het voormalige Besluit Kwaliteit en Werkwijze (dat nu is opgenomen in het Uitvoeringsbesluit) stelt hierover (onder kopje 3. Algemene eisen): Het bureau jeugdzorg is verplicht de cliŽnt informatie te verstrekken over de taken en werkwijze van het bureau jeugdzorg en over zijn rechten. Deze informatie moet in begrijpelijke vorm worden verschaft. Het is immers van belang dat de cliŽnt weet wat het bureau jeugdzorg voor hem wel en niet kan doen en ook welke bevoegdheden het bureau in zijn algemeenheid heeft. Daar hoort het niet bij te blijven, de cliŽnt zal moeten weten in welke hoedanigheid hij met het bureau te maken heeft en welke bevoegdheden het bureau jegens hem heeft. Dit laatste is vooral van belang als het gaat om de justitiŽle taken, waarbij de relatie cliŽnt bureau alles behalve vrijblijvend is. In verband hiermee is bovendien geregeld dat een cliŽnt binnen het bureau jeugdzorg een contactpersoon toegewezen zal moeten krijgen. De contactpersoon fungeert als aanspreekpunt voor de cliŽnt, opdat de cliŽnt snel en eenvoudig antwoord kan krijgen op vragen over bijvoorbeeld de voortgang van het indicatietraject of over het waarom van onderzoeken die het bureau nodig acht. De contactpersoon hoeft niet een medewerker te zijn die uitsluitend deze taak ten opzichte van de cliŽnt heeft. Een combinatie van functies ligt voor de hand. Artikelsgewijs stelt de toelichting voorts:

Artikel 27 Uitvoeringsbesluit Wet op de jeugdzorg

Een goede informatieverstrekking door het bureau jeugdzorg is voor de cliŽnt van groot belang. Deze bepaling strekt daartoe. In het eerste lid is een algemene informatieplicht voor de stichting geformuleerd. Deze informatieplicht omvat zowel informatie over de taken als over de werkwijze van het bureau jeugdzorg. Voorts kan gedacht worden aan informatie over bijvoorbeeld het aanvragen van een indicatiebesluit, de contactpersoon, de vertrouwenspersoon, het verwerken van gegevens en de regeling voor de behandeling van klachten. In het tweede lid is een specifieke informatieplicht opgenomen. Te allen tijde dient het de cliŽnt duidelijk te zijn welke taak het bureau jeugdzorg ten aanzien van hem uitoefent. Het is voor een cliŽnt namelijk een essentieel verschil of de medewerker van het bureau Processen bureau jeugdzorg Versie 2 Definitief 18 mei 2005 141 jeugdzorg bijvoorbeeld een gesprek met de cliŽnt voert in het kader van een ondertoezichtstelling (artikel 10, eerste lid, onder b van de wet) of een gesprek in het kader van de taak vaststellen op welke zorg de cliŽnt is aangewezen (artikel 5, eerste lid van de wet). Naar de cliŽnt toe moet het altijd duidelijk zijn welke taak die het bureau ten aanzien van hem uitvoert.De verschillende taken brengen immers verschillende bevoegdheden mee.

Artikel 13, lid 8, Wjz

Dit artikel regelt dat de stichting een contactpersoon ten aanzien van de cliŽnt aanwijst. De cliŽnt kan bij hem terecht met alle vragen (aanspreekpunt) die hij heeft over bijvoorbeeld procedures binnen het bureau jeugdzorg zoals de aanvraag van een indicatiebesluit of een verwijzing naar voorliggende voorzieningen. Er worden geen nadere regels gesteld over de taakomschrijving, deskundigheid etc. van deze contactpersoon. Het bureau jeugdzorg zal hieraan zelf invulling moeten geven. Wel zal het bureau jeugdzorg in de beschrijving van zijn werkwijze moeten verantwoorden op welke wijze invulling wordt gegeven aan deze verplichting (artikel 13, eerste lid, van de wet). De contactpersoon is geen specifieke functionaris. De contactpersoon kan degene zijn, die reeds contact heeft met de cliŽnt, maar dit hoeft niet. Het is mogelijk om bij de uitvoering van verschillende taken met betrekking tot ťťn en dezelfde cliŽnt of cliŽntsysteem een andere medewerker als contactpersoon aan te wijzen al dan niet op verzoek van de cliŽnt zelf. Zo kan de gezinsvoogd tevens als contactpersoon voor de jeugdige en zijn ouders optreden, terwijl ze in een voortraject mogelijk al een andere contactpersoon hadden. Een vergelijkbare situatie kan zich voordoen bij het verlenen van steun bij het tot gelding brengen van een aanspraak. N.B. Wanneer een cliŽnt ambulante zorg krijgt van het Bureau Jeugdzorg ("jeugdzorg als bedoeld in artikel 10, derde lid, onder b"), moet degene die de hulp verleent ook de contactpersoon zijn.

10.1.2. Plannen eerste contact

Het eerste contact met de jeugdige wordt gepland (art. 41 Uitvoeringsbesluit Wet op de jeugdzorg).

10.1.3. Versturen mededeling minderjarige en ouder(s) of verzorger(s)

Aan de minderjarige en de ouder(s) of verzorger(s) wordt een mededeling verstuurd.

10.2. Uitvoeren voogdij

Bij deze procesbeschrijving gaat het om de voogdijtaak 'sec', op grond van het plan waarvan in artikel 13, lid 3 van de Wet op de jeugdzorg sprake is. Deze taak kan samengaan met casemanagement wanneer ten behoeve van de jeugdige zorg wordt verleend door een zorgaanbieder (geÔndiceerde zorg) of een aanbieder van zorg (niet geÔndiceerde zorg). Zie hierover verder de begeleidende tekst bij Processen voogdij, onder A. Algemeen. Processen bureau jeugdzorg Versie 2 Definitief 18 mei 2005 142 Processen bureau jeugdzorg Versie 2 Definitief 18 mei 2005 143 Processen bureau jeugdzorg Versie 2 Definitief 18 mei 2005 144

10.2.1. Uitvoeren plan

Het plan, bedoeld in artikel 13, derde lid, Wjz, wordt uitgevoerd.

10.2.2. Evalueren

Het plan wordt geŽvalueerd, conform art. 40, lid 6 van het Uitvoeringsbesluit Wet op de jeugdzorg:

Artikel 40, lid 6, Uitvoeringsbesluit Wet op de jeugdzorg

6. Zo vaak als noodzakelijk, doch ten minste ťťn maal per jaar wordt bezien in hoeverre het plan bijstelling behoeft. Bepaald wordt in ieder geval of • beŽindiging aan de orde is; • bijstelling van het plan noodzakelijk is. De maatregel van voogdij eindigt wanneer: • de voogdij wordt overgedragen naar een natuurlijke persoon; • de jeugdige de meerderjarige leeftijd heeft bereikt; • de jeugdige komt te overlijden.

10.2.3. Is beŽindiging voogdij aan de orde?

Bepaald is of beŽindiging van de voogdij aan de orde is. • Indien de voogdij wordt voortgezet, gaat het proces verder bij de afvraging of bijstelling van het plan noodzakelijk is. • Indien de voogdij wordt beŽindigd, wordt het proces Uitvoeren voogdij afgesloten.

10.2.4. Bijstelling plan nodig?

Bepaald is of bijstelling van het plan noodzakelijk is. 1. Indien bijstelling van het plan noodzakelijk is, wordt het plan bijgesteld. 2. Indien bijstelling van het plan niet noodzakelijk is, wordt de lopende uitvoering van het plan voortgezet.

10.2.5. Bijstellen plan

Het plan wordt in overleg met de cliŽnt bijgesteld. Processen bureau jeugdzorg Versie 2 Definitief 18 mei 2005 145

10.2.6. BeŽindigen voogdij

Het voogdijproces wordt afgesloten. Gegevens worden bijgewerkt. Voor registratie-eisen zie begeleidende tekst bij Processen voogdij.

10.3. Plaatsing bij voogdij

A. Algemeen

De regels voor plaatsing van de jeugdige in het kader van de voogdijtaak staan beschreven in de artikelen 305 en 306 van boek 1 van het Burgerlijk Wetboek. Onder uithuisplaatsing in het kader van geÔndiceerde zorg valt ook plaatsing in een justitiŽle jeugdinrichting als bedoeld in artikel 1, onder b, van de Beginselenwet justitiŽle jeugdinrichtingen. Hiervoor is uitdrukkelijk een daartoe strekkende machtiging van de kinderrechter vereist. Wanneer het bureau jeugdzorg een minderjarige uit huis heeft geplaatst, dient de raad voor de kinderbescherming schriftelijk op de hoogte te worden gebracht van hun verblijfplaats.

B. Wetsartikelen

Artikel 1:305 BW

1. De stichting, bedoeld in artikel 1, onder f, van de Wet op de jeugdzorg, die hem toevertrouwde minderjarigen uit huis plaatst, houdt de raad voor de kinderbescherming schriftelijk op de hoogte van de plaatsen waar zij zich bevinden. 2. De plaatsen, waar de stichting, bedoeld in artikel 1, onder f, van de Wet op de jeugdzorg, minderjarigen heeft geplaatst, worden door de raad voor de kinderbescherming bezocht, zo vaak hij dit ter beoordeling van de toestand der minderjarigen dienstig acht. 3. De artikelen 261, vijfde lid, 262, eerste en derde lid, 263, eerste lid, eerste volzin, en vierde lid, eerste volzin, en 265, eerste lid, zijn van overeenkomstige toepassing. Artikel 3, vierde lid, van de Wet op de jeugdzorg is eveneens van overeenkomstige toepassing.

Artikel 1:306 BW

1. Zonder toestemming van de kantonrechter mag een rechtspersoon een hem toevertrouwde minderjarige niet buiten Nederland plaatsen. 2. De kantonrechter verleent deze toestemming slechts, indien hij de plaatsing voor de minderjarige wenselijk acht.

Artikel 11a Beginselenwet justitiŽle jeugdinrichtingen

1. De jeugdige ten aanzien van wie met toepassing van artikel 261, derde en vijfde lid, dan wel artikel 305, derde lid, Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek is bepaald dat hij in een inrichting wordt geplaatst, heeft aanspraak op die plaatsing. Een jeugdige heeft slechts aanspraak op deze plaatsing als de stichting, bedoeld in artikel 1, onder f, van de Wet op de jeugdzorg, die Processen bureau jeugdzorg Versie 2 Definitief 18 mei 2005 146 werkzaam is in de provincie waarin de jeugdige duurzaam verblijft, een besluit heeft genomen waaruit blijkt dat hij op die plaatsing is aangewezen. Bij algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld voor gevallen waarin het besluit bedoeld in de tweede volzin niet afgewacht kan worden. Daarbij kan worden afgeweken van de tweede volzin. 2. De jeugdige, bedoeld in het eerste lid, kan worden overgeplaatst naar een beperkt beveiligde inrichting als bedoeld in artikel 14, eerste lid, onder a. 3. Indien de jeugdige, bedoeld in het eerste lid, in het kader van een acute crisis moet worden geplaatst, geschiedt de plaatsing binnen een week. Indien de plaatsing niet binnen een week mogelijk is, kan de selectiefunctionaris deze termijn telkens met een week verlengen. Met een beslissing tot verlenging wordt gelijk gesteld de weigering om binnen de termijn te beslissen. Processen bureau jeugdzorg Versie 2 Definitief 18 mei 2005 147

11. Processen jeugdreclassering

A. Algemeen

De jeugdreclasseringstaak maakt krachtens art. 10, eerste lid, sub c en d, Wjz, deel uit van de taken van het bureau jeugdzorg.

Artikel 10 Wjz, lid 1, sub c en d

1. De stichting heeft bovendien tot taak: (...) c. het geven van de in artikel 77f , eerste lid, onder a, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde aanwijzingen, dan wel het uitvoeren van de taken, bedoeld in artikel 77j, vierde en vijfde lid, 77o, eerste lid, 77s, achtste lid, 77aa, tweede en derde lid, van het Wetboek van Strafrecht of in artikel 493, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering, en de daarop aansluitende nazorg, alsmede het geven van begeleiding als bedoeld in artikel 77hh, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht;d. het, met uitsluiting van anderen, begeleiden van en toezicht houden op jeugdigen die deel nemen aan een scholings- en trainingsprogramma als bedoeld in artikel 3 van de Beginselenwet justitiŽle jeugdinrichtingen, of aan wie proefverlof als bedoeld in artikel 31 van die wet is verleend, alsmede de overige taken die bij of krachtens die wet aan de stichting zijn opgedragen. Doel van de jeugdreclassering is vanuit een pedagogische invalshoek de resocialisatie van de jeugdige die met het strafrecht in aanraking is gekomen, te bevorderen. Het verlenen van hulp en steun wordt aan de stichting opgedragen door een justitiŽle beslissing in de vorm van een zgn. aanwijzing. Zo'n aanwijzing is mogelijk in het kader van: • een transactie van de Officier van Justitie; • voorwaardelijke veroordeling; • schorsing voorlopige hechtenis; • vervroegde beŽindiging van de maatregel van plaatsing in een inrichting voor jeugdigen. Het bureau jeugdzorg kan ook door de raad voor de kinderbescherming worden ingeschakeld voor de begeleiding van een verdachte. Bij de uitvoering van de in art. 10 eerste lid onder c genoemde taken dient het BJz aanwijzingen van de raad voor de kinderbescherming in acht te nemen (art. 10 lid 2 Wjz). Jeugdreclassering behelst ook het begeleiden van en toezicht houden op jeugdigen die deelnemen aan een zgn. scholingsprogramma (STP) of aan wie proefverlof (op grond van art. 31 of 43 Beginselenwet JustitiŽle Jeugdinrichtingen) is verleend. De beslissing de jeugdige te laten deelnemen aan een STP dan wel proefverlof te verlenen wordt genomen door de selectiefunctionaris van Justitie resp. de directeur van de jeugdinrichting waar de jeugdige verblijft. Dit gebeurt in samenwerking met het bureau jeugdzorg (art. 10, lid 2 Wjz.). N.B. het Reglement JustitiŽle Jeugdinrichtingen bevat ook nog een aantal taken die aan het Processen bureau jeugdzorg Versie 2 Definitief 18 mei 2005 148 bureau jeugdzorg zijn opgedragen, bijvoorbeeld voordrachten voor deelname aan een STP- of proefverlof. Evenals de overige werkprocessen van het bureau jeugdzorg kent de jeugdreclasseringstaak de fasen Aanmelding en Acceptatie, Analyse en Opstellen diagnostisch beeld en Vaststellen benodigde zorg. Het proces Aanmelding en Acceptatie is sterk afwijkend van dat in het vrijwillige kader en is daarom apart opgenomen in het model. De overige hier genoemde fasen zijn binnen de jeugdreclasseringstaak goed vergelijkbaar met die van het vrijwillige kader. Waar voor de jeugdreclassering bijzondere omstandigheden of regels gelden, is dit in de beschrijving van deze processen opgenomen. Wanneer ten aanzien van een cliŽnt in het kader van jeugdreclassering zorg wordt verleend door een zorgaanbieder (geÔndiceerd) of een aanbieder van zorg (anders dan geÔndiceerd), dient deze zorg te worden gevolgd door het bureau jeugdzorg (casemanagement). Ook hiervoor geldt dat deze processen grosso modo gelijk zijn aan die welke gelden in het vrijwillige kader. Uitzonderingen zijn ook hier zichtbaar in de procesbeschrijvingen. In dit geval doet zich een situatie voor waarin het bureau jeugdzorg ten aanzien van de desbetreffende cliŽnt twee processen tegelijk uitvoert, namelijk het genoemde casemanagement en de uitvoeringstaken rond de jeugdreclassering. Hoewel de Wet hier geen uitspraken over doet, ligt het voor de hand dat de reclasseringswerker tevens de taak van het genoemde casemanagement op zich neemt en dat de evaluatiemomenten van het casemanagement zoveel mogelijk samenlopen met die uit het uitvoeringsproces jeugdreclassering. Het staat de bureaus jeugdzorg echter vrij ťťn en ander op een andere wijze te organiseren. Aan de uitvoering van de jeugdreclasseringstaak ten aanzien van de betrokken jeugdige dient altijd een plan ten grondslag te liggen (Artikel 13, lid 3, Wjz). In dit referentiewerkmodel is deze activiteit terug te vinden in het proces Vaststellen benodigde zorg (waarin de mogelijkheid is opgenomen dat de jeugdreclasseringstaak ten aanzien van de desbetreffende cliŽnt gťťn jeugdzorg omvat zoals die wordt aangeboden door zorgaanbieders of aanbieders van zorg).

B. Algemene bepalingen bij uitoefenen jeugdreclassering

In artt. 37 tm/ 39 van het Uitvoeringsbesluit Wet op de jeugdzorg staan algemene bepalingen vermeld voor het uitoefen van zowel de voogdij-, de gezinsvoogdij- als wel de jeugdreclasseringstaak.

Artikel 37 Uitvoeringsbesluit Wet op de jeugdzorg

Indien de stichting ten aanzien van een jeugdige meer dan ťťn taak als bedoeld in artikel 10, eerste lid, onder a, b, c en d, van de wet uitoefent, bevat het plan, bedoeld in artikel 13, derde lid, van de wet, een beschrijving van de wijze waarop de uitvoering van de verschillende taken op elkaar worden afgestemd. Processen bureau jeugdzorg Versie 2 Definitief 18 mei 2005 149

Artikel 38 Uitvoeringsbesluit Wet op de jeugdzorg

Onverminderd artikel 10, eerste lid, onder i, van de wet stelt de stichting bij beŽindiging van de taak, bedoeld in artikel 10, eerste lid, onder a, b, c en d, van de wet ten aanzien van de jeugdige een rapport op waarin beschreven wordt op welke wijze zij haar taak heeft verricht. In het rapport wordt aangegeven of de jeugdige naar het oordeel van de stichting, behoefte heeft aan nazorg en op welke wijze hierin kan worden voorzien.

Artikel 39 Uitvoeringsbesluit Wet op de jeugdzorg

Bij regeling van Onze Ministers kunnen regels worden gesteld over het verrichten of doen verrichten van een gedragsdeskundig of psychiatrisch diagnostisch onderzoek ter voorbereiding van een besluit in het kader van de uitvoering van de taken, bedoeld in artikel 10, eerste lid, onder a, b, c en d, van de wet, dat een rechterlijke beslissing vereist.C. Samenwerken met

andere instanties

In art. 49 van het Uitvoeringsbesluit Wet op de jeugdzorg wordt ingegaan op de samenwerking met andere instanties:

Artikel 49 Uitvoeringsbesluit Wet op de jeugdzorg

1. Onverminderd artikel 60, vierde lid, legt de stichting de wijze van samenwerking van de jeugdreclassering met de politie, de rechter, het openbaar ministerie, de volwassenenreclassering, inrichtingen en de raad voor de kinderbescherming vast in een protocol. 2. In het protocol wordt in ieder geval vastgelegd: a. een vermelding van welke functionaris het aanspreekpunt is van de jeugdreclassering voor vragen die casuÔstiek overstijgen; b. een beschrijving van de wijze waarop taken van de jeugdreclassering en die van de in het eerste lid bedoelde instanties worden uitgeoefend voor zover deze samenhangen of gelijktijdig plaatsvinden; c. de wijze waarop en de termijn waarbinnen de instanties, bedoeld in het eerste lid, over individuele zaken worden geÔnformeerd.

D. Informeren autoriteiten

In het Uitvoeringsbesluit is voorts vastgelegd dat het bureau jeugdzorg de justitiŽle autoriteiten dient te informeren in het kader van de jeugdreclasseringstaak. Het kan daarbij gaan om advies en om verslaglegging ten aanzien van jeugdigen. Bovendien dient het bureau jeugdzorg de autoriteiten onverwijld te informeren indien een jeugdige de opgelegde voorwaarden niet of niet geheel nakomt.

Artikel 48 Uitvoeringsbesluit Wet op de jeugdzorg

1. Onverminderd de aan de raad voor de kinderbescherming toekomende taken en bevoegdheden, voldoet de jeugdreclassering aan verzoeken van de rechter en het openbaar Processen bureau jeugdzorg Versie 2 Definitief 18 mei 2005 150 ministerie om advies omtrent een jeugdige die wordt verdacht van een strafbaar feit of die op grond daarvan is veroordeeld. 2. De jeugdreclassering brengt geregeld verslag uit aan de rechter of het openbaar ministerie dat is belast met het toezicht op de naleving van de voorwaarden, over de wijze waarop de jeugdige zich houdt aan de voorwaarden door de rechter of het openbaar ministerie opgelegd. 3. Indien de jeugdige een opgelegde voorwaarde niet of niet geheel nakomt, meldt de jeugdreclassering dit onverwijld aan de autoriteit die de voorwaarde heeft opgelegd. 4. De jeugdreclassering zendt de raad voor de kinderbescherming een afschrift van het verslag, bedoeld in het tweede lid en de melding, bedoeld in het derde lid.

E. Registratie-eisen bij proces Uitvoeren jeugdreclassering

Ten aanzien van de jeugdreclasseringstaak wordt een aantal specifieke eisen gesteld aan de verwerking van gegevens door het bureau jeugdzorg.

Artikel 7 Besluit beleidsinformatie bureau jeugdzorg

Voor de verwerking van de gegevens, bedoeld in artikel 42 van de wet, registeert de stichting per jeugdige de volgende gegevens over de taken, bedoeld in artikel 10, eerste lid, onder c en d, van de wet: a. de datum waarop de stichting de op schrift vastgelegde beslissing heeft ontvangen waaruit blijkt dat een taak een aanvang heeft genomen met een aanduiding van de hoedanigheid van degene die de beslissing heeft genomen; b. de datum waarop een taak aanvangt met een omschrijving van de aard; c. de datum waarop een taak eindigt met een aanduiding van de reden daarvan; d. de datum waarop de stichting aan de jeugdige, zijn ouders of degene die hem als behorende tot hun gezin verzorgen en opvoeden mededeelt dat een taak is aangevangen; e. de datum waarop een medewerker van de stichting over een taak een eerste contact heeft met de jeugdige; f. de datum waarop de stichting het plan, bedoeld in artikel 13, derde lid, van de wet vaststelt.

11.1. Aanmelding en Acceptatie jeugdreclassering

Het aanmeldings- en acceptatieproces voor jeugdreclassering wijkt sterk af van de situatie van aanmelding in het vrijwillige kader. Het bureau jeugdzorg heeft ten aanzien van deze taak in beginsel immers een acceptatieplicht. Het proces kent drie stappen: • Aanwijzen reclasseringswerker • Plannen eerste contact • Versturen mededeling Vervolgens gaat het proces verder bij Analyse en opstellen diagnostisch beeld. In dat proces wordt het plan opgesteld zoals bedoeld in artikel 13, lid 3, van de Wet op de jeugdzorg. Eventueel wordt dan ook een indicatiebesluit opgesteld (voor geÔndiceerde zorg), of een schriftelijk advies Processen bureau jeugdzorg Versie 2 Definitief 18 mei 2005 151 (voor andere dan geÔndiceerde zorg).

11.1.1. Aanwijzen reclasseringswerker

A. Algemeen

Het bureau jeugdzorg krijgt er kennis van dat zij een jeugdreclasseringstaak over een minderjarige heeft gekregen en zij wijst als eerste een reclasseringswerker aan. Belangrijk hierbij Processen bureau jeugdzorg Versie 2 Definitief 18 mei 2005 152 is, dat het eerste ("face to face") contact met de jeugdige binnen een termijn van 5 dagen moet plaatsvinden na het moment waarop het bureau jeugdzorg er kennis van heeft gekregen ten aanzien van deze jeugdige een reclasseringstaak te hebben gekregen. Regelgeving hieromtrent is vastgelegd in artikel 47 van het Uitvoeringsbesluit Wet op de jeugdzorg.

Artikel 47 Uitvoeringsbesluit Wet op de jeugdzorg

1. De stichting wijst binnen vijf dagen nadat zij er kennis van heeft gekregen dat zij voor een minderjarige de taak, bedoeld in artikel 10, eerste lid, onder c of d van de wet heeft gekregen en zij daarvan op de hoogte is gesteld, een reclasseringswerker aan, en doet hiervan mededeling aan de minderjarige en de met het gezag belaste ouder of voogd. 2. In deze mededeling wordt tevens opgenomen: a. de datum van het eerste contact van de jeugdige met de jeugdreclasseringswerker dat uiterlijk vijf dagen nadat de stichting de taak als bedoeld in eerste lid heeft gekregen, plaats vindt en b. de medewerker die de jeugdreclasseringswerker bij afwezigheid vervangt. Onderstaand de toelichting op dit artikel (toen nog artikel 27 Besluit kwaliteit en werkwijze bureau jeugdzorg): Dit artikel bepaalt in het eerste lid dat de stichting zo spoedig mogelijk nadat zij jeugdreclassering voor een jeugdige tot taak heeft gekregen, een jeugdreclasseringswerker aanwijst en hiervan mededeling doet aan de jeugdige en zijn ouders of verzorgers. De effectiviteit van het jeugdstrafrecht is gebaat bij snel optreden. Het belang van snel optreden wordt ook in het tweede en derde lid tot uitdrukking gebracht: binnen 5 dagen nadat de stichting de jeugdreclassering voor een bepaalde jeugdige tot taak heeft gekregen, zal een gesprek met de jeugdige moeten plaatsvinden.

B. Aanwijzen contactpersoon - informeren cliŽnt

In het Uitvoeringsbesluit wordt gesteld dat het bureau de cliŽnt informatie dient te verstrekken en in de Wet op de jeugdzorg wordt bovendien gesteld dat ten aanzien van de cliŽnt een contactpersoon dient te worden aangewezen. In het referentiewerkmodel wordt ervan uitgegaan dat de contactpersoon waarvan in het besluit sprake is, de jeugdreclasseringswerker is. Deze combinatie van taken is evenwel niet verplicht.

Artikel 27 Uitvoeringsbesluit Wet op de jeugdzorg

1. De stichting informeert de cliŽnt over de taken en werkwijze van het bureau jeugdzorg en over zijn rechten. De informatie wordt in begrijpelijke vorm verschaft. 2. De stichting maakt de cliŽnt duidelijk welke taak het bureau jeugdzorg ten aanzien van hem Processen bureau jeugdzorg Versie 2 Definitief 18 mei 2005 153 uitoefent.

Artikel 13, lid 8, Wet op de jeugdzorg

De stichting wijst ten aanzien van de cliŽnt een contactpersoon aan. De contactpersoon is aanspreekpunt voor de cliŽnt en bevordert de continuÔteit in de taakuitvoering van het bureau jeugdzorg ten aanzien van de cliŽnt. De toelichting stelt hierover (onder kopje 3. Algemene eisen): Het bureau jeugdzorg is verplicht de cliŽnt informatie te verstrekken over de taken en werkwijze van het bureau jeugdzorg en over zijn rechten. Deze informatie moet in begrijpelijke vorm worden verschaft. Het is immers van belang dat de cliŽnt weet wat het bureau jeugdzorg voor hem wel en niet kan doen en ook welke bevoegdheden het bureau in zijn algemeenheid heeft. Daar hoort het niet bij te blijven, de cliŽnt zal moeten weten in welke hoedanigheid hij met het bureau te maken heeft en welke bevoegdheden het bureau jegens hem heeft. Dit laatste is vooral van belang als het gaat om de justitiŽle taken, waarbij de relatie cliŽnt bureau alles behalve vrijblijvend is. In verband hiermee is bovendien geregeld dat een cliŽnt binnen het bureau jeugdzorg een contactpersoon toegewezen zal moeten krijgen. De contactpersoon fungeert als aanspreekpunt voor de cliŽnt, opdat de cliŽnt snel en eenvoudig antwoord kan krijgen op vragen over bijvoorbeeld de voortgang van het indicatietraject of over het waarom van onderzoeken die het bureau nodig acht. De contactpersoon hoeft niet een medewerker te zijn die uitsluitend deze taak ten opzichte van de cliŽnt heeft. Een combinatie van functies ligt voor de hand. Artikelsgewijs stelt de toelichting voorts: Artikelsgewijs stelt de toelichting voorts:

Artikel 27 Uitvoeringsbesluit Wjz

Een goede informatieverstrekking door het bureau jeugdzorg is voor de cliŽnt van groot belang. Deze bepaling strekt daartoe. In het eerste lid is een algemene informatieplicht voor de stichting geformuleerd. Deze informatieplicht omvat zowel informatie over de taken als over de werkwijze van het bureau jeugdzorg. Voorts kan gedacht worden aan informatie over bijvoorbeeld het aanvragen van een indicatiebesluit, de contactpersoon, de vertrouwenspersoon, het verwerken van gegevens en de regeling voor de behandeling van klachten. In het tweede lid is een specifieke informatieplicht opgenomen. Te allen tijde dient het de cliŽnt duidelijk te zijn welke taak het bureau jeugdzorg ten aanzien van hem uitoefent. Het is voor een cliŽnt namelijk een essentieel verschil of de medewerker van het bureau jeugdzorg bijvoorbeeld een gesprek met de cliŽnt voert in het kader van een ondertoezichtstelling (artikel 10, eerste lid, onder b van de wet) of een gesprek in het kader van de taak vaststellen op welke zorg de cliŽnt is aangewezen (artikel 5, eerste lid van de Processen bureau jeugdzorg Versie 2 Definitief 18 mei 2005 154 wet). Naar de cliŽnt toe moet het altijd duidelijk zijn welke taak die het bureau ten aanzien van hem uitvoert.De verschillende taken brengen immers verschillende bevoegdheden mee.

Artikel 13, lid 8, Wjz

Dit artikel regelt dat de stichting een contactpersoon ten aanzien van de cliŽnt aanwijst. De cliŽnt kan bij hem terecht met alle vragen (aanspreekpunt) die hij heeft over bijvoorbeeld procedures binnen het bureau jeugdzorg zoals de aanvraag van een indicatiebesluit of een verwijzing naar voorliggende voorzieningen. Er worden geen nadere regels gesteld over de taakomschrijving, deskundigheid etc. van deze contactpersoon. Het bureau jeugdzorg zal hieraan zelf invulling moeten geven. Wel zal het bureau jeugdzorg in de beschrijving van zijn werkwijze moeten verantwoorden op welke wijze invulling wordt gegeven aan deze verplichting (artikel 13, eerste lid, van de wet). De contactpersoon is geen specifieke functionaris. De contactpersoon kan degene zijn, die reeds contact heeft met de cliŽnt, maar dit hoeft niet. Het is mogelijk om bij de uitvoering van verschillende taken met betrekking tot ťťn en dezelfde cliŽnt of cliŽntsysteem een andere medewerker als contactpersoon aan te wijzen al dan niet op verzoek van de cliŽnt zelf. Zo kan de gezinsvoogd tevens als contactpersoon voor de jeugdige en zijn ouders optreden, terwijl ze in een voortraject mogelijk al een andere contactpersoon hadden. Een vergelijkbare situatie kan zich voordoen bij het verlenen van steun bij het tot gelding brengen van een aanspraak.

11.1.2. Plannen eerste contact

Het eerste contact met de jeugdige wordt gepland. Dit contact moet plaatsvinden binnen een termijn van 5 dagen na het moment waarop het bureau jeugdzorg er kennis van heeft gekregen ten aanzien van deze jeugdige een reclasseringstaak te hebben gekregen.

11.1.3. Versturen mededeling minderjarige en ouder(s) of verzorger(s)

Aan de minderjarige en de met gezag belaste ouder(s) of verzorger(s) wordt de mededeling verstuurd zoals bedoeld in artikel 47 Uitvoeringsbesluit Wet op de jeugdzorg.

11.2. Uitvoeren jeugdreclassering

Bij deze procesbeschrijving gaat het om de jeugdreclasseringstaak 'sec', op grond van het plan waarvan in artikel 13, lid 3 van de Wet op de jeugdzorg sprake is. Deze taak kan samengaan met casemanagement wanneer ten behoeve van de jeugdige zorg wordt verleend door een zorgaanbieder (geÔndiceerde zorg) of een aanbieder van zorg (niet geÔndiceerde zorg). Zie hierover verder de begeleidende tekst bij Processen jeugdreclassering, onder A. Algemeen. Processen bureau jeugdzorg Versie 2 Definitief 18 mei 2005 155 Processen bureau jeugdzorg Versie 2 Definitief 18 mei 2005 156

11.2.1. Uitvoeren plan

Het plan, bedoeld in artikel 13, derde lid, Wjz, wordt uitgevoerd.

11.2.2. Evalueren

In het plan dient aangegeven te worden wanneer geŽvalueerd wordt (artikel 46, lid 2, sub e, Uitvoeringsbesluit Wet op de jeugdzorg).

Artikel 46, lid 2, sub e, Uitvoeringsbesluit

Wet op de jeugdzorg

2. Het plan bevat in ieder geval: (...) e. een vermelding van de momenten waarop de wijze waarop de jeugdreclassering wordt uitgevoerd, geŽvalueerd wordt. Bepaald wordt in ieder geval of • de jeugdreclasseringstaak ten aanzien van de jeugdige beŽindigd wordt; • in geval van voortzetting bijstelling van het plan noodzakelijk is. De jeugdreclasseringstaak ten aanzien van een jeugdige eindigt: • door uitspraak van de rechter; • door beslissing Officier van Justitie; • door beslissing van de raad voor de kinderbescherming; • door aflopen van de termijn (wanneer sprake is van verplichting tot deelname); • bij recidive tot het moment van nieuwe uitspraak rechter; • door het bereiken van de meerderjarigheid door de jeugdige (hierop zijn uitzonderingen mogelijk); • wanneer de jeugdige de gestelde voorwaarden niet of niet geheel nakomt en op grond daarvan wordt besloten tot beŽindiging (door OM, Directeur justitiŽle jeugdinriching of selectiefunctionaris).

11.2.3. Is beŽindiging aan de orde?

Bepaald is of beŽindiging aan de orde is. • Als dit zo is, gaat het proces verder bij de afvraging of bijstelling van het plan nodig is. • Is voortzetting niet wenselijk, dan gaat het proces verder bij de afvraging of ten aanzien van de jeugdige nog wel een verplichting loopt tot het meewerken aan jeugdreclassering. Processen bureau jeugdzorg Versie 2 Definitief 18 mei 2005 157

11.2.4. Bijstelling plan nodig?

In de evaluatie van het plan is bezien of bijstelling van het plan nodig is. • Is dit het geval, dan wordt het plan bijgesteld, in overleg met de cliŽnt. • Is dit niet het geval, dan wordt het bestaande plan verder uitgevoerd.

11.2.5. Bijstellen plan

Het plan wordt - zo mogelijk in overleg met de jeugdige - bijgesteld.

11.2.6. Melden bij de RvdK

Aan de raad voor de kinderbescherming wordt gemeld het traject wordt beŽindigd.

11.2.7. Betreft af te sluiten traject een verplichte voorwaarde?

Het jeugdreclasseringstraject wordt beŽindigd. Mogelijke beŽindigingsgronden zijn genoemd in de begeleidende tekst bij Evalueren. Afvraging hier is of het af te sluiten traject een verplichte voorwaarde betrof. • Is dit het geval, dan wordt, afhankelijk van de modaliteit, het OM, dan wel de Directeur van de justitiŽle jeugdinrichting, dan wel de selectiefunctionaris van de beŽindiging op de hoogte gebracht. • Is dit niet het geval (betrof het bijvoorbeeld toezicht en begeleiding), dan wordt het proces afgesloten.

11.2.8. BeŽindigen

De jeugdreclassering wordt beŽindigd. De stichting stelt bij beŽindiging van zijn justitiŽle taak ten aanzien van de jeugdige een rapport op waarin wordt beschreven op welke wijze de stichting zijn taak heeft verricht. Ook moet worden aangegeven of de jeugdige behoefte heeft aan nazorg en op welke wijze hierin kan worden voorzien.

11.2.9. (evt.) Uitvoeren vrijwillige nazorg

De eventueel gewenste vrijwillige nazorgtraject wordt gestart. Processen bureau jeugdzorg Versie 2 Definitief 18 mei 2005 158

11.2.10. Melden bij OM/Directeur justitiŽle jeugdinrichting/selectiefunctionaris

Afhankelijk van de modaliteit, wordt het OM, dan wel de Directeur van de justitiŽle jeugdinrichting, dan wel de selectiefunctionaris van de beŽindiging op de hoogte gebracht. Processen bureau jeugdzorg Versie 2 Definitief 18 mei 2005 159

12. Fungeren als AMK

A. Algemeen

Op grond van artikel 10, lid 1, onder e van de Wet op de jeugdzorg, heeft het bureau jeugdzorg de taak om te fungeren als Advies- en Meldpunt Kindermishandeling (AMK). Deze taak wordt meer gedetailleerd beschreven in artikel 11:

Artikel 11 Wjz

1. Het fungeren als een advies- en meldpunt kindermishandeling houdt, onverminderd de taken van de raad voor de kinderbescherming, de uitoefening van de volgende taken in: a. het naar aanleiding van een melding van kindermishandeling of een vermoeden daarvan, onderzoeken of sprake is van kindermishandeling; b. het beoordelen van de vraag of en zo ja tot welke stappen de melding van kindermishandeling of een vermoeden daarvan aanleiding geeft; c. het binnen het bureau jeugdzorg overdragen van een zaak ten behoeve van de uitvoering van de in artikel 5, eerste lid, bedoelde taak; d. het in kennis stellen van andere justitiŽle autoriteiten van kindermishandeling of een vermoeden daarvan, indien het belang van de minderjarige dan wel de ernst van de situatie waarop de melding betrekking heeft, daartoe aanleiding geeft; e. het op de hoogte stellen van degene die een melding heeft gedaan, van de stappen die naar aanleiding van de melding zijn ondernomen. 2. Het fungeren als advies- en meldpunt kindermishandeling houdt bovendien in het verstrekken van advies aan een persoon die een vermoeden van kindermishandeling heeft over de stappen die door hem in verband hiermee kunnen worden ondernomen en het zonodig ondersteunen daarbij. De wijze waarop het bureau jeugdzorg die taak dient in te vullen is op hoofdlijnen uitgewerkt in het Uitvoeringsbesluit Wet op de jeugdzorg.

B. Registratie

Het Besluit beleidsinformatie jeugdzorg omschrijft welke gegevens dienen te worden geregistreerd in het AMK-proces. De meeste gegevens zullen tijdens het proces zelf worden geregistreerd. Een precies moment is dan niet aan te geven. Sommige gegevens kunnen pas bij afsluiting van het proces worden geregistreerd. Die momenten zijn wel in het procesmodel opgenomen. De registratie-eisen voor het AMK-proces zijn beschreven in artikel 8.

Artikel 8 Besluit beleidsinformatie jeugdzorg

Voor de verwerking van de gegevens, bedoeld in artikel 42 van de wet, registeert de stichting de volgende gegevens over de taak, bedoeld in artikel 10, eerste lid, onder e, van de wet: Processen bureau jeugdzorg Versie 2 Definitief 18 mei 2005 160 a. de datum van de melding van kindermishandeling of een vermoeden daarvan; b. de hoedanigheid van de melder; c. de datum waarop de stichting het advies, bedoeld in artikel 11, tweede lid, van de wet afgeeft waarbij een onderscheid wordt gemaakt tussen een eenmalig advies en andere adviezen; d. de datum waarop het onderzoek, bedoeld in artikel artikel 11, eerste lid, onder a, van de wet aanvangt en eindigt; e. het vervolg dat aan het onderzoek wordt gegeven; f. of het onderzoek heeft geleid tot de vaststelling van kindermishandeling. Processen bureau jeugdzorg Versie 2 Definitief 18 mei 2005 161 Processen bureau jeugdzorg Versie 2 Definitief 18 mei 2005 162

12.1. Beoordelen contact

A. Algemeen

Het AMK-proces begint zodra iemand contact opneemt met het AMK en aangeeft een vermoeden te hebben van kindermishandeling. De aard van de mededelingen en de herkomst ervan worden door het AMK beoordeeld, waarbij in ieder geval vier vragen aan de orde zijn: • is de persoon (of zijn de personen) om wie het in de mededeling gaat reeds bekend bij het BJz? • is er sprake van een crisissituatie? • geven de mededelingen aanleiding voor het AMK om in actie te komen, en zo ja, • kan worden volstaan met het geven van een advies? De handelingen die uit de antwoorden op deze vragen voortvloeien, worden in de volgende stappen van het proces beschreven. Van belang is hier voorts hetgeen voorgeschreven wordt in artikel 53 van het Uitvoeringsbesluit Wet op de jeugdzorg:

Artikel 53 Uitvoeringsbesluit Wet op de jeugdzorg

Onverminderd artikel 27, draagt de stichting er zorg voor dat aan iedere betrokkene bij een advies, melding of onderzoek naar aanleiding van een melding bij het eerste contact informatie wordt verschaft over de procedure met betrekking tot een advies, melding of onderzoek, de verwerking van persoonsgegevens, met inachtneming van de artikelen 43, 53 en 54 van de wet, het recht op inzage in of afschrift van de hem betreffende bescheiden alsmede de wijze van behandeling van klachten. Als betrokkenen worden aangemerkt degene die advies vraagt, degene die een melding doet, degene op wie een melding betrekking heeft en degene die om informatie in het kader van een onderzoek naar aanleiding van een melding wordt verzocht.

B. Eisen aan wijze besluitvorming AMK, termijnen.

Aan de beslissing over de stappen die genomen moeten worden naar aanleiding van de melding is een aantal termijnen vastgelegd in het Uitvoeringsbesluit.

Artikel 54 Uitvoeringsbesluit Wet op de jeugdzorg

1. Een advies- en meldpunt kindermishandeling stelt binnen vijf dagen na ontvangst van een melding vast of de melding in onderzoek wordt genomen. 2. Een advies- en meldpunt kindermishandeling oordeelt binnen dertien weken na de vaststelling, bedoeld in het eerste lid, of en zo ja tot welke stappen de melding aanleiding geeft. 3. Onverminderd artikel 32 vindt besluitvorming omtrent een melding plaats door ten minste Processen bureau jeugdzorg Versie 2 Definitief 18 mei 2005 163 twee bij de stichting werkzame personen die taken uitvoeren van een advies- en meldpunt kindermishandeling.

12.2. Is/zijn betrokkenen bekend bij BJz?

Nagegaan is of de persoon of de personen over wie de mededeling van een vermoeden van kindermishandeling reeds bekend zijn bij het bureau jeugdzorg. • Is de persoon – of zijn de personen – om wie het gaat al bekend bij het bureau jeugdzorg, dan wordt binnen het bureau jeugdzorg informatie over hen opgevraagd. • Is dit niet het geval, dan gaat het proces verder bij de afvraging of er sprake is van crisis.

12.3. Opvragen informatie

Iemand heeft het bureau jeugdzorg medegedeeld een vermoeden te hebben van kindermishandeling. Gebleken is dat de betrokken(en) bekend is (zijn) bij het BJz. Er wordt binnen het bureau jeugdzorg informatie opgevraagd over deze persoon/personen (bijvoorbeeld door het dossier op te vragen).

12.4. Is er sprake van een crisissituatie?

Beoordeeld is of er sprake is van een crisissituatie. • Is er sprake van een crisissituatie, dan neemt het AMK contact op met de betrokkenen en wordt gehandeld zoals omschreven in het proces Behandelen crisissituaties. Bovendien wordt de melder ervan op de hoogte gebracht dat het AMK op grond van zijn mededeling tot handelen is overgegaan. • Is er geen sprake van een crisissituatie, dan gaat het proces verder bij de afvraging of de mededelingen van de melder aanleiding geven tot handelen.

12.5. Informeren melder crisissituatie

De melder wordt ervan op de hoogte gebracht van de stappen die het bureau jeugdzorg naar aanleiding van zijn melding heeft ondernomen (artikel 11, lid 1, sub e, Wjz).

12.6. Aanleiding tot actie AMK?

Beoordeeld is of de melding aanleiding geeft tot handelen (onderzoek, dan wel advies/consult) of niet. • Geeft de melding aanleiding tot handelen, dan gaat het proces verder bij de afvraging of Processen bureau jeugdzorg Versie 2 Definitief 18 mei 2005 164 volstaan kan worden met een advies. • Geeft de melding gťťn aanleiding tot handelen, dan wordt de melder hiervan op de hoogte gebracht en wordt het proces afgesloten. N.B. Het kan natuurlijk zo zijn dat de vraag die bij het AMK terechtkomt aanleiding geeft de melder in contact te brengen met het BJz (doorverbinden, doorverwijzen).

12.7. Informeren melder dat AMK geen actie onderneemt

De melder wordt ervan op de hoogte gebracht dat het bureau jeugdzorg naar aanleiding van zijn melding geen actie heeft ondernomen. (Artikel 11, lid 1, sub e, Wjz).

12.8. Afsluiten na conclusie geen aanleiding tot handelen

Het proces wordt afgesloten. Het Besluit beleidsinformatie bureau jeugdzorg noemt geen gegevens die voor deze situatie verwerkt hoeven te worden.

12.9. Kan worden volstaan met een advies?

Beoordeeld is of naar aanleiding van de melding kan worden volstaan met het geven van een advies aan de melder. • Kan worden volstaan met een advies, dan wordt de melder een advies gegeven over hoe verder te handelen. • Geeft de situatie aanleiding tot de conclusie dat het geven van een advies in dit geval ontoereikend is, dan wordt een onderzoek gestart.

12.10. Geven advies aan melder

De melder krijgt een advies over hoe te handelen (art. 11, tweede lid, Wjz). Hierbij kan blijken dat ťťn advies niet voldoende is. In dat geval wordt een consulttraject ingegaan (dit is een korte reeks adviesgesprekken).

12.11. Is ťťn advies voldoende?

Aan de melder is een advies gegeven. Daarbij is duidelijk geworden of dit voldoende was, of dat er redenen zijn een consulttraject in te gaan. • Is het advies niet voldoende geweest, dan gaat het proces verder bij Starten consult. • Is het advies wel voldoende geweest, dan wordt het proces afgesloten. Processen bureau jeugdzorg Versie 2 Definitief 18 mei 2005 165

12.12. Registreren en afsluiten na geven advies of consult

Het proces wordt afgesloten. Op grond van artikel 8, sub c, Besluit beleidsinformatie jeugdzorg, worden gegevens geregistreerd, te weten: "de datum waarop de stichting het advies, bedoeld in artikel 11, tweede lid, van de wet afgeeft waarbij een onderscheid wordt gemaakt tussen een eenmalig advies en andere adviezen" Verlenen consult aan melder Er wordt een consulttraject gestart. Dit houdt in een korte reeks van adviesgesprekken met de melder. Als blijkt dat ondanks het consult de situatie zorgelijk blijft, wordt een onderzoek gestart.

12.13. Is consult voldoende?

Het consulttraject is afgerond. De vraag is nu of dit voldoende was om de zorgen weg te nemen. • Is dit niet het geval, dan start het AMK een onderzoek • Is dit wel het geval, dan worden gegevens geregistreerd en wordt het proces afgesloten.

12.14. Controleren of betrokkenen bekend zijn bij de RvdK

Het AMK heeft het voornemen een onderzoek te starten. Er wordt contact opgenomen met de raad voor de kinderbescherming om te bezien of de betrokkenen bekend zijn bij de raad. Als dit het geval is, neemt een inhoudelijk medewerker van het AMK contact op met de raad. Besproken wordt het hoe en waarom van het bekend zijn van betrokkenen bij de raad. Voorts worden afspraken gemaakt over hoe verder te handelen. Er zijn drie mogelijkheden: • Het AMK draagt het onderzoek over aan de raad; dit gebeurt met name als reeds een onderzoek loopt bij de raad. • Het AMK vervolgt het eigen onderzoek. • Het AMK en de raad doen het onderzoek samen. Eťn en ander vloeit niet rechtstreeks voort uit wet- en regelgeving, doch uit operationele afspraken tussen de raad voor de kinderbescherming en het AMK.

12.15. Redenen tot overdracht aan de RvdK?

Betrokkenen blijken bekend te zijn bij de raad voor de kinderbescherming. Er is overleg gepleegd Processen bureau jeugdzorg Versie 2 Definitief 18 mei 2005 166 met de raad. Vraag hier is of in dat overleg besloten is het onderzoek over te dragen aan de raad. • Als die redenen er zijn, wordt het onderzoek overgedragen • Zijn er geen redenen tot overdracht, dan wordt het onderzoek gestart.

12.16. Overdragen aan raad voor de kinderbescherming

Het onderzoek wordt overgedragen aan de raad voor de kinderbescherming.

12.17. Starten onderzoek

Er wordt een onderzoek gestart om te bezien of er sprake is van kindermishandeling. Bij dit onderzoek is er veelal sprake van verwerking van persoonsgegevens. Hierover stelt de Wet op de jeugdzorg een aantal regels.

Artikel 53 Wjz

1. De stichting kan, onverminderd de Wet bescherming persoonsgegevens, in de gevallen, bedoeld in artikel 7, zesde lid, of indien dit voor de uitoefening van de taken genoemd in artikel 11, eerste lid, noodzakelijk is te achten, zonder toestemming van degene die het betreft persoonsgegevens verwerken. 2. De stichting kan zonder toestemming van degene die het betreft slechts bijzondere gegevens als bedoeld in artikel 16 van de Wet bescherming persoonsgegevens verwerken indien uit een melding redelijkerwijs een vermoeden van kindermishandeling kan worden afgeleid dan wel sprake is van een geval als bedoeld in artikel 7, zesde lid. 3. Degene die op grond van een wettelijk voorschrift of op grond van zijn ambt of beroep tot geheimhouding is verplicht kan, zonder toestemming van degene die het betreft, aan een stichting inlichtingen verstrekken, indien dit noodzakelijk kan worden geacht om een situatie van kindermishandeling te beŽindigen of een redelijk vermoeden van kindermishandeling te onderzoeken. 4. Het college van burgemeester en wethouders verstrekt een stichting terstond de algemene gegevens, bedoeld in artikel 34, eerste lid, onder a, onderdelen 1 tot en met 6 van de Wet gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens, die noodzakelijk zijn in verband met de uitvoering van de taak, genoemd in artikel 11, eerste lid. 5. In afwijking van artikel 103, eerste en tweede lid, van de Wet gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens doet het college van burgemeester en wethouders geen mededeling aan de betrokkene of degene die namens deze daarom verzoekt, over de verstrekking van hem betreffende gegevens uit de gemeentelijke basisadministratie aan de stichting, voor zover dit noodzakelijk kan worden geacht om een situatie van kindermishandeling te beŽindigen of een redelijk vermoeden van kindermishandeling te onderzoeken. Voor wat betreft de toepassing van artikel 110 van de Wet gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens heeft het achterwege blijven van een mededeling als hier bedoeld dezelfde gevolgen als het achterwege blijven van een mededeling ingevolge Processen bureau jeugdzorg Versie 2 Definitief 18 mei 2005 167 artikel 103, derde lid, van de Wet gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens.

Artikel 54 Wjz

1. Indien door de stichting bij de uitoefening van de taken, genoemd in artikel 11, eerste lid, persoonsgegevens worden verkregen bij anderen dan degene die het betreft, brengt zij de betrokkene hiervan zo spoedig mogelijk, doch in ieder geval binnen vier weken na het moment van vastlegging van de hem betreffende gegevens, op de hoogte. 2. De in het eerste lid genoemde termijn kan telkens met ten hoogste twee weken worden verlengd, voor zover dit noodzakelijk is voor de uitoefening van de taken, genoemd in artikel 11, eerste lid, en dit noodzakelijk kan worden geacht om een situatie van kindermishandeling te beŽindigen of een redelijk vermoeden van kindermishandeling te onderzoeken. 3. In afwijking van artikel 35 van de Wet bescherming persoonsgegevens kan een stichting de mededeling aan degene die het betreft dat ten aanzien van hem persoonsgegevens worden verwerkt achterwege laten voor zover dit noodzakelijk kan worden geacht om een situatie van kindermishandeling te beŽindigen of een redelijk vermoeden van kindermishandeling te onderzoeken. In de Memorie van Toelichting wordt hierover gesteld: Deze artikelen bieden de bureaus jeugdzorg een grondslag voor het verwerken van persoonsgegevens zonder toestemming van betrokkene in de gevallen waarin het bureau fungeert als advies- en meldpunt kindermishandeling. (...) Voor een snel en gedegen onderzoek in dat geval is het vaak nodig dat betrokkenen gedurende een korte periode onwetend blijven. Bovendien kan het onderzoek niet afhankelijk worden gemaakt van toestemming. Het onderzoek naar een melding zou door een weigering kunnen stagneren. Ook zou de agressie van een vermoedelijke dader kunnen toenemen als hij weet krijgt van bemoeienis van het bureau. In artikel 53, eerste lid, is in verband daarmee bepaald dat het bureau, als het fungeert als advies- en meldpunt kindermishandeling, persoonsgegevens mag verwerken als dit voor de uitoefening van die taak noodzakelijk is te achten. Hierbij kan worden gedacht aan strafrechtelijke gegevens en gezondheidsgegevens. Het verwerken van bijzondere gegevens zonder toestemming is alleen toegestaan als uit de melding redelijkerwijs een vermoeden van kindermishandeling kan worden afgeleid. Met andere woorden alvorens tot verwerking van bijzondere gegevens kan worden overgegaan zal getoetst moeten worden of de melding aanleiding vormt voor de veronderstelling dat sprake is van kindermishandeling.

12.18. Kunnen betrokkenen geÔnformeerd worden?

Bij het onderzoek dat het AMK uitvoert om te bezien of er sprake is van kindermishandeling, Processen bureau jeugdzorg Versie 2 Definitief 18 mei 2005 168 worden persoonsgegevens verwerkt van de betrokkenen. Deze moeten hierover in beginsel worden geÔnformeerd. Dat kan soms echter niet wenselijk zijn. In de begeleidende tekst bij Starten onderzoek is aangegeven dat de Wet op de jeugdzorg de mogelijkheid biedt de betrokkenen nog enige tijd onwetend te laten over het onderzoek (art. 53 en 54, Wjz). Afgewogen is of de betrokkenen geÔnformeerd kunnen worden. • Is dat het geval, dan worden zij geÔnformeerd (dit moet in principe 4 weken na de eerste verwerking van de persoonsgegevens gebeuren) • Kunnen betrokkenen niet geÔnformeerd worden, dan gaat het proces verder bij de afvraging of er redenen zijn om andere justitiŽle autoriteiten te informeren.

12.19. Informeren betrokkenen

De betrokkenen worden geÔnformeerd dat het AMK ten aanzien van hen een onderzoek naar kindermishandeling heeft gestart.

12.20. Zijn er redenen tot informeren andere justitiŽle autoriteiten?

Er loopt een onderzoek naar mogelijke kindermishandeling. Daarbij kan aan het licht komen dat er mogelijk strafbare feiten zijn gepleegd (bijvoorbeeld zedendelicten). Ook kunnen er zaken aan het licht komen die het noodzakelijk maken de raad voor de kinderbescherming in te schakelen. In dergelijke gevallen moet het bureau jeugdzorg andere justitiŽle autoriteiten hierover informeren (artikel 11, lid 1, sub d, Wjz). • Als er redenen zijn de bedoelde justitiŽle autoriteiten te informeren, dan wordt dit gedaan. Daarmee is het proces dan afgesloten. • Zijn dergelijke redenen er niet, dan gaat het proces verder bij de afvraging of de conclusie van het onderzoek is, dat er inderdaad sprake is van kindermishandeling.

12.21. Informeren andere justitiŽle autoriteiten

De desbetreffende justitiŽle autoriteit(en) wordt/worden geÔnformeerd. Gegevens worden geregistreerd die samenhangen met lid e. van artikel 8 Besluit beleidsinformatie jeugdzorg: betreffende "het vervolg dat aan het onderzoek wordt gegeven".

12.22. Sprake van kindermishandeling?

De afvraging betreft de conclusie van het onderzoek: • Wanneer geconcludeerd is dat er sprake is van kindermishandeling, dan wordt dit aan de Processen bureau jeugdzorg Versie 2 Definitief 18 mei 2005 169 ouders gemeld, waarbij ook hulp wordt aangeboden. • Als de conclusie luidt dat er gťťn sprake is van kindermishandeling, worden de ouders geÔnformeerd, en wordt overwogen of de situatie aanleiding geeft om hulp aan te bieden.

12.23. Informeren ouders en aanbieden hulp

De ouders worden op de hoogte gebracht dat het AMK tot de conclusie is gekomen dat er sprake is van kindermishandeling. Daarbij wordt gewezen op de mogelijkheid van jeugdzorg.

12.24. Werken de ouders mee?

Aan de ouders is aangegeven dat naar het oordeel van het AMK hulp nodig is, gegeven de geconstateerde situatie. Vraag is of de ouders hieraan meewerken. • Wanneer de ouders meewerken vindt overdracht binnen BJz plaats. Het AMK registreert gegevens over het af te sluiten proces (art. 8 Besluit beleidsinformatie jeugdzorg – zie algemene begeleidende tekst Fungeren als AMK). Het proces gaat verder bij Analyse en diagnostisch beeld. • Als de ouders niet meewerken, overweegt het AMK of er redenen zijn een verzoek tot onderzoek te doen bij de raad voor de kinderbescherming.

12.25. Zijn er redenen tot het doen van een verzoek tot onderzoek bij de RvdK?

Aan de ouders is aangegeven dat naar het oordeel van het AMK hulp nodig is, gegeven de geconstateerde situatie. De ouders willen echter niet meewerken. Vraag is nu of er redenen zijn om de raad voor de kinderbescherming te vragen om te onderzoeken of een maatregel in het gezag op zijn plaats is. • Wanneer er redenen zijn om de raad in te schakelen, wordt een verzoek tot onderzoek gedaan bij de raad. Het AMK registreert gegevens over het af te sluiten proces (art. 8 Besluit beleidsinformatie jeugdzorg – zie algemene begeleidende tekst Fungeren als AMK) • Zijn deze redenen er niet, dan wordt het proces afgesloten.

12.26. Registreren en afsluiten na conclusie kindermishandeling

Het AMK registreert gegevens over het af te sluiten proces (art. 8 Besluit beleidsinformatie jeugdzorg – zie algemene begeleidende tekst Fungeren als AMK). Het proces wordt afgesloten. Processen bureau jeugdzorg Versie 2 Definitief 18 mei 2005 170

12.27. Informeren ouders conclusie geen kindermishandeling

De ouders worden op de hoogte gebracht dat het AMK tot de conclusie is gekomen dat het gemelde vermoeden van kindermishandeling ongegrond is gebleken. Verder overweegt het AMK of de situatie aanleiding geeft tot jeugdzorg.

12.28. Informeren melder dat onderzoek is afgerond

De melder wordt ervan op de hoogte gebracht van de stappen die het bureau jeugdzorg naar aanleiding van zijn melding heeft ondernomen (artikel 11, lid 1, sub e, Wjz).

12.29. Lijkt verdere zorg nodig en werken ouders mee?

De ouders zijn op de hoogte gebracht dat het AMK tot de conclusie is gekomen dat het gemelde vermoeden van kindermishandeling ongegrond is gebleken. Het AMK heeft overwogen of de situatie aanleiding geeft tot jeugdzorg (in een vrijwillig kader). • Als dit zo is – en als de mogelijke cliŽnt hiermee instemt – vindt overdracht plaats binnen het BJz en gaat het proces verder bij Analyse en diagnostisch beeld. • Is dit niet zo, dan wordt het proces afgesloten.

12.30. Registreren en afsluiten na conclusie geen kindermishandeling

Het proces wordt afgesloten. Gegevens worden geregistreerd. Het gaat hier in ieder geval om gegevens die samenhangen met lid e. en f. van artikel 8 Besluit beleidsinformatie jeugdzorg: te weten gegevens over het vervolg dat aan het onderzoek wordt gegeven en gegevens over de vraag of het onderzoek heeft geleid tot de vaststelling van kindermishandeling. Processen bureau jeugdzorg Versie 2 Definitief 18 mei 2005 171

13. Verlenen ambulante jeugdzorg (BJz)

A. Algemeen

In art. 10, derde lid, onder b Wjz wordt als taak voor het bureau jeugdzorg omschreven dat het bureau binnen de door de provincie bij de subsidiŽring gestelde grenzen ambulante jeugdzorg kan verlenen anders dan jeugdzorg als bedoeld in artikel 5, tweede lid. Dit kan alleen nadat is

vastgesteld dat de cliŽnt niet is aangewezen op geÔndiceerde zorg.

Artikel 10, lid 3, sub b, Wjz

3. De stichting heeft binnen de door de provincie bij de subsidiŽring gestelde grenzen voorts tot taak: (...) b. het verlenen van ambulante jeugdzorg anders dan jeugdzorg als bedoeld in artikel 5, tweede lid, nadat de stichting heeft vastgesteld dat de cliŽnt niet is aangewezen op zorg als bedoeld in artikel 5, tweede lid.

B. Registratie-eisen bij proces Verlenen ambulante jeugdzorg (BJz)

Registratie-eisen bij dit proces zijn omschreven in artikel 5 van het Besluit beleidsinformatie jeugdzorg:

Artikel 5 Besluit beleidsinformatie jeugdzorg

Voor de verwerking van de gegevens, bedoeld in artikel 42 van de wet, registeert de stichting de volgende gegevens per cliŽnt over het verlenen van ambulante jeugdzorg, bedoeld in artikel 10, derde lid, onder b, van de wet: a. de datum waarop de stichting beslist tot het verlenen van de zorg; b. de datum waarop het verlenen van de zorg aanvangt; c. de datum waarop het verlenen van de zorg eindigt; d. de reden van het beŽindigen van de zorg. Processen bureau jeugdzorg Versie 2 Definitief 18 mei 2005 172

14. Bijzondere situaties

Onder de noemer Bijzondere situaties zijn de volgende processen beschreven: • Behandelen crisissituaties • BeŽindiging hulp door cliŽnt • Uithuisplaatsing bij crisis • Doen van een verzoek tot onderzoek bij de raad voor de kinderbescherming Deze situaties zijn bijzonder, omdat ze zich in principe op elk moment kunnen voordoen. Niettemin wordt in een aantal van de meer 'standaard' werkprocessen naar deze situaties verwezen. Dat is gedaan omdat juist op die plaatsen in de processen de hier bedoelde bijzondere situaties 'herkend' worden.

14.1. Behandelen crisissituaties

De wet biedt mogelijkheden voor situaties waarin geÔndiceerde zorg nodig is, maar niet gewacht kan worden op een indicatiebesluit. Dit wordt aangekondigd in artikel 3, lid 5, van de wet en uitgewerkt in het Uitvoeringsbesluit.

Artikel 3 Besluit indicatie jeugdzorg

1. Een cliŽnt heeft, in afwijking van artikel 3, derde lid, van de wet, in situaties waarin naar het oordeel van de stichting die werkzaam is in de provincie waarin de jeugdige duurzaam verblijft, onmiddellijke verlening van jeugdzorg als bedoeld in artikel 5, tweede lid, onder a, respectievelijk d van de wet, geboden is, aanspraak op deze jeugdzorg zonder dat die stichting een indicatiebesluit heeft genomen. 2. Een aanspraak als bedoeld in het eerste lid vervalt zodra met betrekking tot de cliŽnt een indicatiebesluit is genomen, doch in ieder geval na vier weken.

Artikel 14 Uitvoeringsbesluit Wet op de jeugdzorg

1. Een cliŽnt heeft, in afwijking van artikel 3, derde lid, van de wet, in situaties waarin naar het oordeel van de stichting die werkzaam is in de provincie waarin de jeugdige duurzaam verblijft, onmiddellijke verlening van jeugdzorg als bedoeld in artikel 5, tweede lid, onder a, respectievelijk d, van de wet, geboden is, aanspraak op deze jeugdzorg zonder dat die stichting een indicatiebesluit heeft genomen. 2. Een aanspraak als bedoeld in het eerste lid vervalt zodra met betrekking tot de cliŽnt een indicatiebesluit is genomen, doch in ieder geval na vier weken. 3. Het eerste en tweede lid zijn van overeenkomstige toepassing bij plaatsing van een jeugdige in een inrichting. In de nota van toelichting bij het besluit wordt hierop nader ingegaan in het algemene gedeelte. Processen bureau jeugdzorg Versie 2 Definitief 18 mei 2005 173

3. Aanspraak op jeugdzorg ingevolge de wet in spoedeisende situaties

Het besluit stelt voorts de regels voor de gevallen waarin een indicatiebesluit niet kan worden afgewacht. De regeling houdt in dat geen indicatiebesluit nodig is als onmiddellijke verlening van zorg geboden. De regeling geldt op grond van artikel 3, vijfde lid, van de wet voor jeugdzorg waarop aanspraak ingevolge de wet bestaat, en ook voor die zorg waarop ingevolge de AWBZ aanspraak bestaat waarvoor het bureau jeugdzorg de indicatietaak heeft (zie artikel 9b, vierde lid, laatste volzin, van de AWBZ, waarin de regeling die geldt voor de aanspraken op grond van de wet van toepassing is verklaard. Het besluit heeft nog geen betrekking op crisisplaatsingen in een justitiŽle jeugdinrichting. Op plaatsing in een dergelijke inrichting bestaat tot 1 januari 2006 nog geen aanspraak. Ingevolge de overgangsbepaling van artikel 112, derde lid, van de wet is voor plaatsing wel een indicatiebesluit nodig. Deze regeling bevat ook een regeling voor crisisplaatsingen in de justitiŽle jeugdinrichtingen die gelijk is aan die opgenomen in het onderhavige besluit. De artikelsgewijze toelichting bij dit artikel wordt hieronder weergegeven: Dit artikel geeft uitvoering aan artikel 3, vijfde lid, van de wet, welk artikel bepaalt dat regels kunnen worden gesteld voor de gevallen waarin een indicatiebesluit niet kan worden afgewacht. De regeling houdt in dat er in dergelijke situaties wordt afgeweken van de wettelijke regeling die inhoudt dat aanspraak ingevolge de wet slechts bestaat op die jeugdzorg waarvan het desbetreffende bureau jeugdzorg heeft vastgesteld dat de cliŽnt daarop is aangewezen. In afwijking van deze regeling bestaat er aanspraak op jeugdzorg zonder dat daaraan een indicatiebesluit ten grondslag ligt in situaties waarin onmiddellijke zorgverlening nodig wordt geacht. Het bureau beoordeelt of van een dergelijke situatie sprake is en welke zorg in dat geval nodig is. De aanspraak in spoedeisende gevallen vervalt zodra het bureau jeugdzorg een indicatiebesluit heeft genomen, doch in ieder geval na twee weken. Binnen de termijn van vier weken moet het bureau in staat worden geacht op basis van een onderzoek aan te geven op welke zorg een cliŽnt is aangewezen. Bij cliŽnten met ingewikkelde problemen kan dat wellicht nog geen definitieve beslissing zijn. Wij achten het echter van belang en mogelijk dat het bureau toch op die termijn tot een min of meer afgewogen oordeel komt. Als het nog geen definitief oordeel kan zijn, zal het bureau in het indicatiebesluit de termijn gedurende welke de aanspraak geldt moeten stellen op de periode die nodig is om tot een definitief oordeel te komen. Processen bureau jeugdzorg Versie 2 Definitief 18 mei 2005 174 Processen bureau jeugdzorg Versie 2 Definitief 18 mei 2005 175

14.1.1. Beoordelen spoedeisendheid situatie

Een cliŽnt komt met een acute hulpvraag bij het bureau jeugdzorg, of het bureau jeugdzorg heeft zelf contact opgenomen met de cliŽnt op grond van een signaal van een derde. Beoordeeld wordt of de situatie aanleiding geeft tot het aanbieden van jeugdzorg - wat meestal het geval zal zijn - en zo ja of onmiddellijke verlening van deze jeugdzorg noodzakelijk is. Het kan hier gaan om zowel geÔndiceerde zorg als om andere dan geÔndiceerde zorg.

14.1.2. Lijkt jeugdzorg nodig?

Beoordeeld is of de cliŽnt hulpverlening nodig heeft, al dan niet met spoed. • Is verlening van jeugdzorg wenselijk, dan wordt vastgesteld of deze hulp onmiddellijk dient te worden geboden, of dat het 'normale' traject doorlopen kan worden. • Is verlening van jeugdzorg niet noodzakelijk (de cliŽnt is 'aan het verkeerde adres'), dan wordt het proces afgesloten.

14.1.3. Afsluiten

Het proces wordt afgesloten. Er zijn geen gegevens die op grond van het Besluit beleidsinformatie jeugdzorg zouden moeten worden geregistreerd.

14.1.4. Is onmiddellijke verlening jeugdzorg noodzakelijk?

Beoordeeld is of de cliŽnt onmiddellijke hulpverlening nodig heeft, zodanig dat een indicatiebesluit niet afgewacht kan worden. • Is onmiddellijke verlening van jeugdzorg noodzakelijk, dan wordt vastgesteld om wat voor zorg dat moet gaan. • Is verlening van jeugdzorg wel wenselijk, maar niet op heel korte termijn, dan gaat het proces verder op de 'normale' manier, bij Analyse en opstellen diagnostisch beeld.

14.1.5. Vaststellen te verlenen zorg

Vastgesteld wordt – in overleg met de cliŽnt – wat voor zorg aan de cliŽnt geboden zou moeten worden. Het kan hier zowel gaan om geÔndiceerde zorg als om andere dan geÔndiceerde zorg.

14.1.6. GeÔndiceerde zorg nodig?

Vastgesteld wat voor zorg aan de cliŽnt geboden zou moeten worden. De vraag is hier of het Processen bureau jeugdzorg Versie 2 Definitief 18 mei 2005 176 daarbij gaat om geÔndiceerde zorg of om andere dan geÔndiceerde zorg. • Als het gaat om geÔndiceerde zorg, dan gaat het proces verder bij de afvraging of uithuisplaatsing wenselijk is. • Is andere dan geÔndiceerde zorg wenselijk, dan wordt deze – met het oog op cliŽntvriendelijkheid – door het bureau jeugdzorg zelf verleend.

14.1.7. Uithuisplaatsing wenselijk?

De vraag is of uithuisplaatsing wenselijk is. • Wanneer uithuisplaatsing wenselijk is, gaat het proces verder Uithuisplaatsing bij crisis. • Wanneer uithuisplaatsing niet wenselijk is, gaat het proces verder bij Realiseren geÔndiceerde

zorg bij crisis.

14.1.8. Realiseren geÔndiceerde zorg bij crisis

Er wordt voor gezorgd dat de cliŽnt met spoed bij een zorgaanbieder terecht kan. De cliŽnt heeft hiermee een aanspraak op deze zorg. Deze aanspraak eindigt wanneer ten aanzien van hem een indicatiebesluit genomen is, doch in ieder geval na vier weken.

14.1.9. Verlenen ambulante jeugdzorg (BJz)

Het bureau verleent ambulante jeugdzorg, zoals bedoeld in artikel 10, lid 3, sub b, Wjz.

14.1.10. Bepalen of cliŽnt verdere zorg nodig heeft

In overleg met de cliŽnt wordt bezien of deze na de crisishulpverlening nog verdere zorg nodig heeft.

14.1.11. Nog verdere zorg nodig?

In overleg met de cliŽnt is bezien of deze nog verdere zorg nodig heeft. • Is dit het geval, dan gaat het proces verder bij Analyse en opstellen diagnostisch beeld (teneinde een indicatiebesluit te kunnen opstellen). • Lijkt de cliŽnt met de crisishulp voldoende geholpen te zijn, dan wordt het proces afgesloten. Processen bureau jeugdzorg Versie 2 Definitief 18 mei 2005 177

14.1.12. Afsluiten

Het proces wordt afgesloten. Er worden gegevens geregistreerd conform artikel 2 Besluit beleidsinformatie jeugdzorg.

Artikel 2 Besluit beleidsinformatie jeugdzorg

1. Voor de verwerking van de gegevens, bedoeld in artikel 42 van de wet, registeert de stichting bij de aanvang van de eerste van een van de taken, bedoeld in artikel 5, eerste lid, of artikel 10, eerste lid, onder e tot en met j, of derde lid, onder b, van de wet de volgende gegevens: a. de datum van aanmelding van de cliŽnt; b. het vervolg dat de stichting geeft aan de aanmelding; c. in voorkomende gevallen het beroep van de beroepsmatig met de cliŽnt werkzame persoon of de instantie die de cliŽnt heeft aangemeld of de cliŽnt ertoe heeft bewogen zich aan te melden. 2. Onverminderd het eerste lid registreert de stichting per jeugdige bij de aanvang van de eerste van een van de taken, bedoeld in artikel 5, eerste lid, of artikel 10, eerste lid of derde lid, onder b, van de wet de volgende gegevens: a. de geboortedatum; b. het geslacht; c. het geboorteland of de geboortestreek, alsmede het geboorteland of de geboortestreek van zijn ouders; d. de dagbesteding; e. de leefsituatie; f. de gemeente van inschrijving in het bevolkingsregister; g. het adres in de gemeente van inschrijving in het bevolkingsregister; h. de verblijfplaats indien deze afwijkt van het adres, bedoeld onder f i. de al dan niet rechtmatigheid van het verblijf in Nederland, indien de jeugdige een vreemdeling als bedoeld in de Vreemdelingenwet 2000 is. 3. Voor zover taken bedoeld in artikel 10, eerste lid, onder a tot en met d, van de wet pas aanvangen nadat voor een cliŽnt toepassing is gegeven aan het eerste of het tweede lid voor een van de taken, bedoeld in artikel 10, eerste lid, onder e tot en met j, of het derde lid, onder b, van de wet, registreert de stichting voorts op het moment dat die taken aanvangen over de jeugdige: a. de dagbesteding; b. de leefsituatie; c. de gemeente van inschrijving in het bevolkingsregister; d. het adres in de gemeente van inschrijving in het bevolkingsregister;

14.2. e. de verblijfplaats indien deze afwijkt van het adres, bedoeld onder

d.BeŽindiging hulp door cliŽnt

Als de cliŽnt besluit te stoppen dan wordt dat in elk geval geregistreerd, op grond van eisen die Processen bureau jeugdzorg Versie 2 Definitief 18 mei 2005 178 worden gesteld in het concept besluit beleidsinformatie. Daarnaast kan beŽindiging van het proces door de cliŽnt aanleiding zijn de raad voor de kinderbescherming in te schakelen. Of er kan aanleiding zijn om zelf het initiatief te nemen contact op te nemen (outreachende hulpverlening).

14.3. Uithuisplaatsing bij crisis

Het kan nodig zijn dat een minderjarige vanwege een crisissituatie uithuisgeplaatst moet worden en dat een indicatiebesluit met die strekking niet afgewacht kan worden. De cliŽnt krijgt hiermee een aanspraak op deze geÔndiceerde zorg zonder dat een indicatiebesluit is genomen. Deze aanspraak vervalt zodra met betrekking tot de cliŽnt een indicatiebesluit is genomen, doch in ieder geval na vier weken (Uitvoeringsbesluit, art. 14, lid 2). Processen bureau jeugdzorg Versie 2 Definitief 18 mei 2005 179 Processen bureau jeugdzorg Versie 2 Definitief 18 mei 2005 180

14.3.1. Informeren ouders

De ouders worden geÔnformeerd over het standpunt van het BJz dat uithuisplaatsing jeugdige wenselijk is.

14.3.2. Vaststellen of ouders/jeugdige akkoord gaan

Vastgesteld wordt of de ouders en de jeugdige akkoord gaan met de uithuisplaatsing. Een vrijwillige uithuisplaatsing kan namelijk alleen gedaan worden als alle betrokkenen akkoord zijn. Dit betekent dat een jeugdige tegen zijn eigen wil in ter bescherming tegen zichzelf uithuisgeplaatst kan worden.

14.3.3. Ouders en jeugdige akkoord?

Vastgesteld is of de ouders en de jeugdige akkoord gaan met de uithuisplaatsing. • Indien de ouders en de jeugdige akkoord gaan met de uithuisplaatsing, wordt de jeugdige geplaatst. • Indien de ouders en/of de jeugdige niet akkoord gaan met de uithuisplaatsing, wordt bepaald of er reden is een verzoek tot onderzoek in te dienen bij de raad voor de kinderbescherming N.B. Ook als de ouders structureel onbereikbaar zijn (bijvoorbeeld als de jeugdige is achtergelaten door de ouders), wordt bepaald of er reden is een verzoek tot onderzoek in te dienen bij de raad voor de kinderbescherming. Die vraag zal dan automatisch met 'ja' beantwoord worden, evenals de vraag die daar in dit model op volgt: is er reden tot spoed. Dit leidt dan tot een verzoek tot spoedonderzoek bij de raad voor de kinderbescherming.

14.3.4. Bepalen of verzoek tot onderzoek aan Raad nodig is

Bepaald wordt of er redenen zijn een verzoek tot onderzoek te doen bij de raad voor de kinderbescherming.

14.3.5. Redenen verzoek tot onderzoek RvdK?

Bepaald is of er redenen zijn een verzoek tot onderzoek in te dienen bij de raad voor de kinderbescherming. • Indien hier redenen voor zijn, wordt bepaald of er redenen zijn tot spoed. • Indien er gťťn redenen zijn voor een verzoek tot onderzoek, wordt de raad voor de kinderbescherming geÔnformeerd over de verblijfplaats van de jeugdige. N.B. Wanneer de jeugdige wel, maar de ouders niet akkoord gaan (zoals wanneer een kind van Processen bureau jeugdzorg Versie 2 Definitief 18 mei 2005 181 huis is weggelopen en niet meer terug wil), dan wordt het kind geplaatst en wordt de raad voor de kinderbescherming geÔnformeerd over de verblijfplaats van de jeugdige.

14.3.6. Bepalen of spoed nodig is

Bepaald wordt of de ouders zich actief verzetten tegen de uithuisplaatsing van de jeugdige.

14.3.7. Reden tot spoed?

Bepaald is redenen zijn voor een spoedonderzoek door de raad voor de kinderbescherming. • Indien dit het geval is, wordt bij de raad voor de kinderbescherming verzocht om een spoedonderzoek. • Is dit niet het geval, wordt de raad voor de kinderbescherming verzocht om een onderzoek.

14.3.8. Verzoeken tot spoedonderzoek bij Raad

De raad voor de kinderbescherming wordt verzocht om een spoedonderzoek.

14.3.9. Verzoeken tot onderzoek bij Raad

De raad voor de kinderbescherming wordt verzocht om een onderzoek.

14.3.10. Informeren Raad verblijfplaats jeugdige

De raad voor de kinderbescherming wordt geÔnformeerd over de verblijfplaats van de jeugdige.

14.3.11. Plaatsen jeugdige

De jeugdige wordt geplaatst.

14.3.12. Registreren

De benodigde gegevens worden geregistreerd.

14.3.13. Afsluiten

Het proces Uithuisplaatsing bij Realiseren zorg in crisissituaties wordt afgesloten. Processen bureau jeugdzorg Versie 2 Definitief 18 mei 2005 182

14.4. Doen van een verzoek tot onderzoek (dan wel spoedonderzoek) bij de RvdK

Als er sprake is van een bedreiging van de ontwikkeling van het kind ťn de vrijwillige hulpverlening is onvoldoende, loopt vast of is niet meer mogelijk, kan het BJz de raad voor de kinderbescherming inschakelen. Dit gebeurt door middel van een verzoek tot onderzoek, al dan niet met spoed. Bij spoed is het doel in de regel het verkrijgen van een Voorlopige OTS of een Voorlopige Voogdij.

14.4.1. Informeren ouders over verzoek aan de RvdK

De ouders van de jeugdige worden geÔnformeerd over het feit dat het BJz een verzoek tot onderzoek (of spoedonderzoek) bij de raad voor de kinderbescherming wil indienen. Processen bureau jeugdzorg Versie 2 Definitief 18 mei 2005 183

14.4.2. Betreft het een verzoek tot spoedonderzoek?

Afvraging is hier of er redenen zijn om een verzoek tot spoedonderzoek in te dienen. De raad hanteert de volgende criteria om een melding aan te merken als spoedeisend: 1. Er moet sprake zijn van een acute en ernstige bedreiging van de jeugdige, 2. Waarbij de jeugdige onmiddellijke hulp (of zorg) moet worden geboden, 3. Waarbij de ouders (of wettelijke vertegenwoordigers) de hulp (of zorg) niet geven. • Als er redenen zijn tot spoed, hoeft de reactie van de ouders niet te worden afgewacht en wordt het verzoek tot spoedonderzoek vastgesteld en ingediend bij de raad voor de kinderbescherming. • Is er geen reden tot spoed, dan wordt de reactie van de ouders afgewacht.

14.4.3. Afwachten reactie van ouders

De reactie van de ouders over het voornemen van het BJz om een verzoek tot onderzoek bij de raad voor de kinderbescherming in te gaan dienen wordt afgewacht. Zolang de reactie niet binnen is, kan het verzoek tot onderzoek niet worden verzonden, tenzij er sprake is van spoed (met als doel het verkrijgen van een Voorlopige OTS of een Voorlopige Voogdij). Overigens zal bij het afwachten van de reactie van de ouders een redelijke termijn in acht kunnen worden genomen en kan, ook als er geen reactie is gekomen, toch een verzoek tot onderzoek ingediend worden.

14.4.4. Vaststellen verzoek tot onderzoek

Het verzoek tot onderzoek aan de raad voor de kinderbescherming wordt schriftelijk vastgesteld, inclusief de reactie van de ouders.

14.4.5. Indienen verzoek tot onderzoek bij de RvdK

Het verzoek tot onderzoek wordt bij de raad voor de kinderbescherming ingediend.

14.4.6. Versturen afschrift aan de jeugdige en zijn ouders

Een afschrift van het verzoek tot onderzoek aan de raad voor de kinderbescherming wordt gestuurd naar de jeugdige en de ouders. Processen bureau jeugdzorg Versie 2 Definitief 18 mei 2005 184

14.4.7. Ontvangen terugkoppeling van de RvdK

De terugkoppeling van de raad voor de kinderbescherming wordt ontvangen. Hierbij zijn de volgende opties mogelijk: • teruggeven aan het BJz omdat vrijwillige hulp wťl mogelijk wordt geacht; • voorlopige ondertoezichtstelling (met of zonder machtiging uithuisplaatsing); • ondertoezichtstelling (met of zonder machtiging uithuisplaatsing); • voorlopige voogdij; • voogdij (waaronder ontheffing/ontheffing ouderlijke macht); • probleem opgelost: niets (meer) aan de hand. Processen bureau jeugdzorg Versie 2 Definitief 18 mei 2005 185

15. Uitvoeren Bezwaar en beroep

Indien het besluit wordt genomen dat geÔndiceerde zorg noodzakelijk is, kan dit besluit worden aangemerkt als een beschikking in de zin van de algemene wet bestuursrecht. Ook een schriftelijke weigering een besluit te nemen en het niet tijdig (niet binnen 8 weken) nemen van een besluit wordt volgens de Awb met een besluit gelijk gesteld (artikel 6:2 Awb). Dit betekent dat bezwaar kan worden gemaakt bij het BJz en dat vervolgens beroep bij de rechter kan worden ingesteld. In artikel 5, vijfde lid van de Wjz is de kinderrechter als bevoegde rechter aangewezen.. Indien wordt besloten dat andere dan geÔndiceerde zorg noodzakelijk is, kan hiertegen gťťn bezwaar en beroep worden aangetekend, daar een dergelijk besluit geen beschikking is in de zin van de Awb. Dit besluit heeft immers geen rechtsgevolg, daar het niet leidt tot een aanspraak zoals bij geÔndiceerde zorg of het weigeren daarvan. Indien het besluit wordt genomen dat geÔndiceerde zorg noodzakelijk is, kan de belanghebbende waar het besluit betrekking op heeft een bezwaar- en beroepsprocedure starten wanneer hij/zij het niet eens is met het voorgenomen besluit. Deze procedure is vastgelegd in de Algemene wet bestuursrecht, Awb.

N.B. Van alle – formele – brieven en documenten die in dit proces worden verstuurd en

ontvangen, dient een kopie te worden gemaakt, die wordt ingevoegd in het dossier van de

belanghebbende.

Onder belanghebbende dient hier te worden verstaan: Degene wiens belang rechtstreeks bij een besluit is betrokken (art. 1:2 Awb).

N.B.: het bezwaar of beroep schorst niet de werking van het besluit waartegen het is gericht,

tenzij bij of krachtens wettelijk voorschrift anders is bepaald (artikel 6:16 Awb).

Processen bureau jeugdzorg Versie 2 Definitief 18 mei 2005 186 Processen bureau jeugdzorg Versie 2 Definitief 18 mei 2005 187

15.1. Voorbereiding bezwaarprocedure

In het voorbereidingsproces wordt het bezwaarschrift beoordeeld op ontvankelijkheid en op formele eisen waaraan het moet voldoen. Processen bureau jeugdzorg Versie 2 Definitief 18 mei 2005 188 Processen bureau jeugdzorg Versie 2 Definitief 18 mei 2005 189

15.1.1. Registreren bezwaarschrift

De datum van binnenkomst van het bezwaarschrift wordt geregistreerd. Binnen drie weken dient een ontvangstbevestiging te worden verzonden naar de indiener. Het kan hierbij gaan om een 'gewone' ontvangstbevestiging, een mededeling dat het bezwaar niet ontvankelijk is, of een mededeling dat niet aan de formele vereisten is voldaan. In dat laatste geval krijgt de indiener de mogelijkheid het verzuim te herstellen.

15.1.2. Beoordelen ontvankelijkheid

Nadat registratie heeft plaatsgevonden, wordt beoordeeld of het bezwaarschrift ontvankelijk is. Een bezwaar is niet ontvankelijk wanneer: • het niet binnen zes weken (plus ťťn dag) na het tijdstip waarop het besluit bekend is gemaakt is ingediend, tenzij de termijnoverschrijding verschoonbaar is (artikelen 6:10 t/m 6:12 Awb); • het geen betrekking heeft op een besluit in de zin van artikel 1:3 Awb; • de indiener geen belanghebbende is in de zin van artikel 1:12 Awb.

15.1.3. Is bezwaarschrift ontvankelijk?

Beoordeeld is of het bezwaarschrift ontvankelijk is. • Als het bezwaarschrift ontvankelijk is, dan wordt het vervolgens getoetst op formele vereisten. • Is het bezwaarschrift niet ontvankelijk, dan wordt dit binnen drie weken na ontvangst van het bezwaarschrift schriftelijk aan de indiener medegedeeld. De behandeling van het bezwaarschrift wordt dan stopgezet. In dit geval eindigt hier het proces.

15.1.4. Voldoet het bezwaarschrift aan de formele vereisten

Het bezwaarschrift is ontvankelijk en is getoetst aan de formele vereisten. • Als het bezwaarschrift voldoet aan de formele vereisten, wordt een ontvangstbevestiging naar de indiener gestuurd en wordt de hoorzitting voorbereid. • Als het bezwaarschrift niet ontvankelijk is, wordt een ontvangstbevestiging gestuurd waarbij wordt aangegeven welke van de formele vereisten ontbreekt. De indiener krijgt dan de mogelijkheid zijn verzuim te herstellen.

15.1.5. Versturen ontvangstbevestiging bij niet voldoen formele vereisten

Indien blijkt dat het bezwaarschrift ontvankelijk is wordt aan de indiener binnen drie weken na ontvangst van het bezwaarschrift een ontvangstbevestiging gezonden. In deze brief is de vraag Processen bureau jeugdzorg Versie 2 Definitief 18 mei 2005 190 opgenomen of de indiener van het bezwaar gebruik wil maken van de mogelijkheid om te worden gehoord (artikel 7:2 Awb). Bovendien wordt de indiener van het bezwaarschrift in de ontvangstbevestiging in de gelegenheid gesteld het verzuim te herstellen binnen een hem daartoe gestelde termijn (artikel 6:6 Awb).

15.1.6. Wordt het verzuim hersteld?

Het bureau jeugdzorg wacht af of de indiener het verzuim in zijn bezwaarschrift herstelt. • Indien het verzuim binnen de gestelde termijn wordt hersteld, wordt de hoorzitting voorbereid. • Indien het verzuim niet binnen de gestelde termijn wordt hersteld, kan het bezwaar alsnog niet ontvankelijk worden verklaard. In dat geval eindigt hier het proces.

15.1.7. Versturen ontvangstbevestiging

Indien blijkt dat het bezwaarschrift ontvankelijk is wordt aan de indiener binnen drie weken na ontvangst van het bezwaarschrift een ontvangstbevestiging gezonden. In deze brief is de vraag opgenomen of de indiener van het bezwaar gebruik wil maken van de mogelijkheid om te worden gehoord (artikel 7:2 Awb).

15.1.8. Versturen mededeling niet-ontvankelijk

Het bureau jeugdzorg wacht af of de indiener het verzuim in zijn bezwaarschrift herstelt. • Indien het verzuim binnen de gestelde termijn wordt hersteld, wordt de hoorzitting voorbereid. • Indien het verzuim niet binnen de gestelde termijn wordt hersteld, kan het bezwaar alsnog niet ontvankelijk worden verklaard. In dat geval eindigt hier het proces.

15.1.9. Toetsen formele vereisten

Het bezwaarschrift wordt eveneens getoetst aan de formele vereisten. Het bezwaar- of beroepschrift moet worden ondertekend en tenminste de volgende gegevens bevatten: • de naam en het adres van de indiener • de dagtekening • een omschrijving van het besluit waartegen het bezwaar of beroep is gericht • de gronden van het bezwaar of beroep Processen bureau jeugdzorg Versie 2 Definitief 18 mei 2005 191

15.2. Voorbereiden hoorzitting

Op grond van artikel 7:2 Awb stelt het bestuursorgaan, alvorens op het bezwaarschrift te beslissen, de belanghebbenden in de gelegenheid te worden gehoord. Het bestuursorgaan stelt daarvan in ieder geval de indiener van het bezwaarschrift op de hoogte, als ook de belanghebbenden die bij de voorbereiding van het besluit hun zienswijze naar voren hebben gebracht. Van het horen van belanghebbenden kan op grond van artikel 7:3 Awb worden afgezien indien: • het bezwaar kennelijk niet ontvankelijk is (zie processtap Voorbereiden); • het bezwaar kennelijk ongegrond is; • de belanghebbenden hebben verklaard geen gebruik te willen maken van het recht te worden gehoord of • aan het bezwaar volledig tegemoet wordt gekomen en andere belanghebbenden daardoor niet in hun belangen kunnen worden geschaad.

15.3. Hoorzitting

M.b.t. het houden van de hoorzitting geeft de Awb 3 mogelijkheden. De hoorzitting wordt gehouden door: • het bestuursorgaan zelf, dan wel de voorzitter of een lid daarvan; • een persoon die niet bij de voorbereiding van het omstreden besluit betrokken is geweest; • meer dan ťťn persoon van wie de meerderheid, onder wie degene die het horen leidt, niet bij d e voorbereiding van het besluit betrokken is geweest. Indien t.b.v. de beslissing op het bezwaar een adviescommissie is ingesteld, geschiedt het horen door een commissie (artikel 7:13 Awb). De Awb geeft geen nadere aanwijzingen voor de criteria o.p grond waarvan wordt overgegaan tot de instelling van een adviescommissie. Het bestuursorgaan dat de beslissing heeft genomen mag zelf beslissen of er al dan niet een adviescommissie wordt ingesteld. Voor zover niet bij wettelijk voorschrift anders is bepaald, besluit het bestuursorgaan of het horen in het openbaar plaatsvindt. Belanghebbenden worden in elkaars aanwezigheid gehoord (artikel 7:6 Awb). Ambtshalve of op verzoek kunnen belanghebbenden ook afzonderlijk worden gehoord, indien aannemelijk is dat gezamenlijk horen een zorgvuldige behandeling zal belemmeren of dat tijdens het horen feiten of omstandigheden bekend zullen worden waarvan geheimhouding om gewichtige redenen is geboden. Op verzoek van de belanghebbenden kunnen door hem meegebrachte getuigen en deskundigen Processen bureau jeugdzorg Versie 2 Definitief 18 mei 2005 192 worden gehoord (artikel 7:8 Awb). Van het horen wordt een verslag gemaakt (artikel 7:7 Awb). Blijken na het horen nieuwe, voor de beslissing belangrijke feiten of omstandigheden, dan worden belanghebbenden opnieuw in de gelegenheid gesteld te worden gehoord (artikel 7:9 Awb).

15.4. Beslissing op bezwaar

Het bestuursorgaan beslist binnen zes weken na ontvangst van het bezwaarschrift. Indien een adviescommissie als bedoeld in artikel 7:13 is ingesteld bedraagt de termijn waarbinnen moet worden besloten tien weken (artikel 7:10). De termijn wordt opgeschort met de termijn die gemoeid is met het aanvullen van de vereiste formele gegevens in het bezwaarschrift (zie onder punt 5). Het bestuursorgaan kan de beslissing voor ten hoogste vier weken verdagen. Van de verdaging wordt schriftelijk mededeling gedaan. Verder uitstel is mogelijk voor zover de indiener van het bezwaarschrift daarmee instemt en andere belanghebbenden daardoor niet in hun belangen kunnen worden geschaad of ermee instemmen. Op grond van de aangevoerde bezwaren vindt een heroverweging van het bestreden besluit plaats (artikel 7:11 Awb). Voor zover de heroverweging daartoe aanleiding geeft, herroept het bestuursorgaan het bestreden besluit en neemt voor zover nodig in de plaats daarvan een nieuw besluit. Indien het primaire besluit krachtens mandaat is genomen, moet de beslissing op het besluit door een ander orgaan worden genomen dan het orgaan dat de besluit krachtens mandaat heeft genomen (artikel 10.3 lid 3 Awb).

15.5. In kennis stellen beslissing op bezwaar

De beslissing wordt bekend gemaakt door toezending of uitreiking aan degenen tot wie zij is gericht. Zo spoedig mogelijk na de bekendmaking van de beslissing wordt hiervan mededeling gedaan aan de belanghebbenden die hun zienswijze bij het bezwaar of bij de voorbereiding van het besluit naar voren hebben gebracht. De beslissing op het bezwaar vermeldt hoe en binnen welke termijn beroep kan worden ingesteld.

Beroep

Wanneer de belanghebbende in beroep gaat tegen de beslissing, zal de rechtbank het bestuursorgaan dat de beslissing heeft genomen informeren over de ontvangst van het Processen bureau jeugdzorg Versie 2 Definitief 18 mei 2005 193 beroepsschrift, stukken opvragen en een termijn stellen voor verweer. De directeur wijst een functionaris aan die de verdere gang van zaken met de rechtbank coŲrdineert. NB1: Zowel bij bezwaar als bij beroep kan een voorlopige voorziening worden gevraagd bij de President van de rechtbank. NB2: In de fase vůůr het beroep bestaat de mogelijkheid dat, indien een bestuursorgaan een besluit moet intrekken door een aan zichzelf te wijten onrechtmatigheid, een vergoeding kan worden gevraagd voor bepaalde gemaakte kosten (m.n. rechtsbijstand), mits dit vůůr het nemen van de beslissing op het bezwaar is gevraagde. Processen bureau jeugdzorg Versie 2 Definitief 18 mei 2005 194

16. Klachtrecht

In de Wet op de jeugdzorg is het klachtrecht geregeld in de artikelen 67 en 68. De regeling van het klachtrecht is onverkort overgenomen uit de Wet op de jeugdhulpverlening (artikelen 46 tot en met 52). De bureaus jeugdzorg en de zorgaanbieders dienen een regeling te treffen voor de behandeling van klachten (artikel 68, lid 1). De wet geeft aan aan welke voorwaarden die regeling moet voldoen. Deze voorwaarden 'sec' kunnen niet in een procesbeschrijving kunnen worden vertaald. Dat kan pas als zij door de bureaus jeugdzorg en de zorgaanbieders zijn uitgewerkt in een regeling. De desbetreffende artikelen en hun toelichting zijn hieronder opgenomen.

Hoofdstuk XII. Klachtrecht

Artikel 67

1. In dit hoofdstuk wordt verstaan onder:

a. klager: degene die als zodanig is aangewezen in de regeling, bedoeld in artikel 68

doch in ieder geval een cliŽnt;

b. gedraging: enig handelen of nalaten alsmede het nemen van een besluit dat

gevolgen heeft voor een onder a, bedoelde persoon.

2. Hoofdstuk 9 van de Algemene wet bestuursrecht is niet van toepassing op klachten

als bedoeld in artikel 68, eerste lid.

Artikel 68

1. De stichtingen en de zorgaanbieders treffen een regeling voor de behandeling van

klachten over gedragingen van hen of van voor hen werkzame personen jegens

jeugdigen of jegens hun ouders, voogden, stiefouders, anderen die een jeugdige als

behorende tot hun gezin verzorgen en opvoeden of degenen die anders dan als ouder

samen met de ouder het gezag over de jeugdige uitoefenen. Zij brengen de regeling op

passende wijze onder de aandacht van in ieder geval degenen die als klager zijn

aangewezen.

2. De in het eerste lid bedoelde regeling:

a. voorziet erin dat de klachten worden behandeld door een uit ten minste drie leden

bestaande klachtencommissie, welke personen niet werkzaam zijn voor of bij de

stichting of de zorgaanbieder;

b. waarborgt dat de klachtencommissie binnen zes weken na ontvangst van de klacht

de klager, degene over wie is geklaagd en, indien dit niet dezelfde persoon is, de

stichting of de zorgaanbieder, schriftelijk en met redenen omkleed in kennis stelt van

haar oordeel over de gegrondheid van de klacht, al dan niet vergezeld van

aanbevelingen;

Processen bureau jeugdzorg Versie 2 Definitief 18 mei 2005 195

c. waarborgt dat bij afwijking van de onder b bedoelde termijn de klachtencommissie

daarvan met redenen omkleed mededeling doet aan de klager, degene over wie is

geklaagd en, indien dit niet dezelfde persoon is, de stichting of de zorgaanbieder, onder

vermelding van de termijn waarbinnen de klachtencommissie haar oordeel over de

klacht zal uitbrengen;

d. waarborgt dat de klager en degene over wie is geklaagd, door de klachtencommissie

in de gelegenheid worden gesteld mondeling of schriftelijk een toelichting te geven op

de gedraging waarover is geklaagd;

e. waarborgt dat de klager en degene over wie is geklaagd, zich bij de behandeling van

de klacht kunnen laten bijstaan.

3. De stichtingen en de zorgaanbieders zien erop toe dat de klachtencommissie,

bedoeld in het tweede lid, onder a, haar werkzaamheden verricht volgens een door deze

commissie op te stellen reglement.

4. Door of namens een klager kan bij de klachtencommissie, bedoeld in het tweede lid,

onder a, een klacht tegen een stichting of zorgaanbieder worden ingediend over een

gedraging van hen of van voor hen werkzame personen jegens de klager.

5. De stichting of de zorgaanbieder deelt de klager en de klachtencommissie, bedoeld

in het tweede lid, onder a, binnen vier weken na ontvangst van het in het tweede lid,

onder b, bedoelde oordeel van de klachtencommissie schriftelijk mede of hij het

oordeel van de commissie over de gegrondheid van de klacht deelt en of hij naar

aanleiding van dat oordeel maatregelen zal nemen en zo ja welke. Bij afwijking van de

in de eerste volzin bedoelde termijn, doet de stichting of de zorgaanbieder daarvan met

redenen omkleed mededeling aan de klager en de klachtencommissie onder vermelding

van de termijn waarbinnen de stichting of de zorgaanbieder zijn standpunt aan hen

kenbaar zal maken, met dien verstande dat dit uitstel ten hoogste vier weken is.

6. In afwijking van het vierde lid, kan bij de klachtencommissie, bedoeld in het tweede

lid, onder a, eveneens een klacht tegen een stichting of een zorgaanbieder worden

ingediend over een gedraging van hen of van voor hen werkzame personen, jegens een

persoon, als bedoeld in artikel 67, eerste lid, onder a, die inmiddels is overleden.

7. De stichting en de zorgaanbieder dragen er zorg voor dat over elk kalenderjaar een

openbaar verslag wordt opgesteld waarin worden aangegeven:

a. een beknopte beschrijving van de regeling, bedoeld in het eerste lid;

b. de wijze waarop de stichting en de zorgaanbieder die regeling onder de aandacht van

hun cliŽnten hebben gebracht;

c. de samenstelling van de klachtencommissie, bedoeld in het tweede lid, onder a;

d. in welke mate die klachtencommissie haar werkzaamheden heeft kunnen verrichten

met inachtneming van de waarborgen, bedoeld in het tweede lid;

e. het aantal en de aard van de door die klachtencommissie behandelde klachten;

f. de strekking van de oordelen en aanbevelingen van die klachtencommissie;

g. de aard van de maatregelen, bedoeld in het vijfde lid.

Processen bureau jeugdzorg Versie 2 Definitief 18 mei 2005 196

8. Bij regeling van Onze Ministers kunnen nadere regels worden gesteld met betrekking

tot het verslag.

9. De stichting en de zorgaanbieder zenden het verslag voor 1 juni van het

daaropvolgende kalenderjaar aan gedeputeerde staten, aan de inspectie en aan de

betrokken cliŽntenorganisaties.

Memorie van toelichting

Deze artikelen regelen het klachtrecht. De regeling van het klachtrecht is onverkort overgenomen uit de Wet op de jeugdhulpverlening (artikelen 46 tot en met 52). Ook dat klachtrecht wordt thans geŽvalueerd. Ook hiervoor geldt dat de resultaten van de evaluatie worden afgewacht alvorens wijzigingen in de regeling zullen worden voorgesteld. Daarbij zullen uiteraard, zoals dat ook voor de medezeggenschap het geval zal zijn, de naar aanleiding van het wetsvoorstel uitgebrachte adviezen op dit punt, worden betrokken. De klachtregeling houdt het volgende in. De stichtingen en zorgaanbieders worden verplicht een regeling te treffen voor de behandeling van klachten. Het gaat daarbij om klachten over gedragingen van een stichting of een zorgaanbieder, of van voor hen werkzame personen. Geklaagd kan worden over al hetgeen de klager in de behandeling of bejegening niet aanstaat. Dit impliceert niet dat de klager nagenoeg altijd ontvankelijk zal zijn in zijn klacht en het betekent uiteraard niet dat nagenoeg elke klacht gegrond zal zijn. Klager is degene die in de klachtregeling van de stichting of zorgaanbieder als zodanig is aangewezen. In ieder geval zullen degenen die in het wetsvoorstel cliŽnt zijn ook klager zijn. Hoofdstuk 9 van de Awb bevat een regeling voor de behandeling van klachten door bestuursorganen. Het terrein dat wordt bestreken door de Wet op de jeugdhulpverlening is vooralsnog uitgezonderd van de inwerkingtreding van hoofdstuk 9 van de Awb (zie KB van 7 juni 1999, Stb. 241). Het specifieke klachtrecht van de Wet op de jeugdhulpverlening is wel voor een groot deel geŽnt op hoofdstuk 9 van de Awb. De klachtregeling in het wetsvoorstel komt overeen met die van de Wet op de jeugdhulpverlening en wordt met het wetsvoorstel ook van toepassing op de bureaus jeugdzorg, die we in de Wet op de jeugdhulpverlening niet kennen. Voor de (gezins)voogdij-instellingen, die in de bureaus jeugdzorg zullen opgaan, geldt het klachtrecht van de Wet op de jeugdhulpverlening overigens nu al. We beogen geen wijziging in de klachtregeling aan te brengen. In het verlengde van het inwerkingtredingsregime van hoofdstuk 9 Awb ten aanzien van de Wet op de jeugdhulpverlening wordt in artikel 62, tweede lid, uitdrukkelijk bepaald dat hoofdstuk 9 van de Awb tot een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip niet van toepassing is op klachten over bureaus jeugdzorg en zorgaanbieders. De voorgestelde wettelijke bepalingen waarborgen een klachtenregeling die voorziet in een Processen bureau jeugdzorg Versie 2 Definitief 18 mei 2005 197 zorgvuldige klachtenbehandeling. Deze waarborgen zijn: onpartijdige oordeelsvorming door een klachtencommissie en termijnen waarbinnen de procedure dient te zijn afgerond. De zorgvuldigheid van de klachtenbehandeling wordt bovendien gewaarborgd door het principe van hoor en wederhoor en de mogelijkheid voor de klagers zich te laten bijstaan bij de behandeling van hun klacht. Ten slotte is in dit opzicht van belang de aan de stichtingen en zorgaanbieders opgelegde verplichting tot het op de hoogte stellen van de betrokkenen van het oordeel van de klachtencommissie en, in de laatste fase, van de maatregelen die de stichting of zorgaanbieder neemt naar aanleiding van de klacht. Voorgeschreven wordt dat er jaarlijks openbare verslagen over de klachtenbehandeling moeten worden opgesteld en aan de inspectie moeten worden verzonden. Dit hoeven geen afzonderlijke verslagen te zijn. Het ligt voor de hand dat zij onderdeel zullen vormen van het kwaliteitsjaarverslag, waarin vanuit de invalshoek van de kwaliteit, moet worden aangegeven welk gevolg is gegeven aan klachten. Ten slotte opent het wetsvoorstel voor iedere klager de mogelijkheid de kantonrechter te verzoeken de stichting of zorgaanbieder, die terzake in gebreke is gebleven te verplichten tot naleving van de wettelijke plicht te voorzien in een regeling voor de behandeling van klachten. Dezelfde bevoegdheid wordt toegekend aan de cliŽntenraad. Alvorens men zich tot de kantonrechter kan wenden moet men zich tot de stichting of zorgaanbieder wenden met een verzoek tot het doen naleven van de wettelijke verplichtingen.

 

 

 

Tot uw dienst. De frontale opsporingsactie jeugdzorg tegen ouders en het opzetten van kinderen door school en jeugdzorg tegen hun ouders


De jeugdzorg werkt NIET transparant, zal u altijd proberen te naaien met voor u geheime werkaantekeningen en voor u geheime "succesvolle tegenwerking" en voor u "geheime onderonsjes met kinderrechters buiten de hoorzittingen om". Het is essentieel om steeds systematisch en procedureel te werken om de "geheime werkaantekeningen" en de geheime "succesvolle tegenwerking" en voor u geheime "onderonsjes met kinderrechters buiten de hoorzittingen om" in uw zaak duidelijk zichtbaar te maken.
574 Kinderrechter pleegt zelfmoord en springt voor de trein in Utrecht
780 De Zaanse Verhoormethode in de jeugdzorg
80   Succesvolle tegenwerking van ouders door "jeugdzorg" bij kinderbeschermingsmaatregelen
6     Risicofactoren jeugdzorg, de weerzinwekkende partijdigheid van het rechtersleger voor jeugdzorg en RvdK
1000 U kruist steeds aan met welke kenmerken van organisatiecriminaliteit u te maken heeft
Werkwijze jeugdzorg Gelderland en politie: http://www.geenstijl.nl/mt/archieven/2012/03/video_jeugdzorg_en_politie_hou.html
177 En hoe ging het eigenlijk verder na het weghalen van die kinderen door "jeugdzorg"
547 Frontale opsporingsactie jeugdzorg tegen ouders, omschrijving complot
123 Geschiedenis! Hop deelt duizenden uitnodigingen uit voor ingang rechtbank Den Bosch
132 Zicht op exploitatie van uw kinderen door jeugdzorg. Volg de enorme geldstromen!
689 Zicht op exploitatie kinderen. Bij gelijke geschiktheid een allochtoon. Interculturele jeugdzorg, door Max Wattimena Stichting Bureau Jeugdzorg Agglomeratie Amsterdam (Omdat het werkgelegenheidsaspect bij deze projecten voorop staat, bestaat de kans dat de instromers niet al te veel affiniteit hebben met de jeugdzorg. Of dat men bij de werving voor het project nauwelijks eisen stelt aan het opleidingsniveau van de werkzoekenden, zoals in Amsterdam is gebeurd.)
s41052011 Zicht op exploitatie kinderen. Jeugdzorg in Nederland is niet kindgericht maar gericht op SCHAALVERGROTING!
189 Zicht op exploitatie kinderen. Salarissen overheidspersoneel
174 Geld en arbeidsproductiviteit. Geef jeugdzorg de controle over valuta en het maakt ze niet meer uit wie wetten maakt
217 Geld en arbeidsproductiviteit. Voorkom problemen, weg met de jeugdzorg maak geen schulden en leen geen geld
219 Media. Als je de gesubsidieerde leugens van de leugens maar vaak genoeg herhaald gaan mensen dat geloven
429 Media. Iedere Nederlander behoort de geschiedenis van de Omroepbijdrage te kennen
246 Media -
CDA - mentaliteit in Nederland RAMP voor kinderen/ouders die met "jeugdzorg"te maken krijgen
721 De gevaren van de rechtspraak in Nederland, door J. Hop
79 President rechtbank Maastricht: "Wie de zaken verdeeld kan de uitspraak beÔnvloeden"
7 U begint met systematisch werken, probeert jeugdzorgpersoneel uit te horen tijdens ieder gesprek
Inzicht in denk- en werkwijze "jeugdzorg" 72 73 97 122 339 388 436 437 445 481 545 549 600 602 617
108Handleiding voor ieder gesprek tussen ouder en gezinsvoogd
134 Zorg dat u de omschrijving van een verdachte goed kent en ook steeds opnieuw toepast!
101 Modelklacht tegen gezinsvoogd, geen vermelding beroepsmogelijkheden onder BESLUIT
3 De zes wetten van Hop, uitgangspunt in iedere procedure
145 Gemeente Ermelo (
CDA bestuur) praktijk voorbeeld zinloos klagen over onjuiste/geen ontvangstbevestiging
664 Model klacht geen ontvangstbevestiging binnen 14 dagen Info: (653)(470)
123 Organisatiecriminaliteit. Hop: Kinderbeschermingsmaatregelen na verzonnen verhalen is fraude!
550 Model informatieverzoek justitieel informatieregister Info: (OM)
355 Model informatieverzoek politie
173 14-daags informatieverzoek school bij kinderbeschermingsmaatregelen
464 Model informatieverzoek school m.b.t. welzijn en ontwikkeling minderjarige
465 Model informatieverzoek school m.b.t. afschrift complete dossiers
173 Iedere 14 dagen een informatieverzoek naar school bij kinderbeschermingsmaatregelen
403 Geld, school, Dienst Uitvoering Onderwijs (DUO), geld en de geheime onderonsjes COMPLOT TEGEN OUDERS!
102 Model informatieverzoek bureau jeugdzorg Info: (20)(815)
226 Model informatieverzoek bureau jeugdzorg, incl. verzoek OR, beŽindiging UHP
575 Model informatieverzoek Voorziening voor Pleegzorg Info: (505)
110 Model informatieverzoek gemeente. Info: (623)
509 Model bezwaarschrift gemeente tegen uitschrijving kind van uw woonadres
311 Jeugdzorg en Raad voor de Kinderbescherming werken samen TEGEN OUDERS!
664 Model klacht geen ontvangstbevestiging binnen 14 dagen Info: (653)(470)
81 Klacht 81 ouder(s) tegen BESLUIT jeugdzorg=STICHTING om RvdK te verzoeken onderzoek te doen naar de opvoedingssituatie
385 Model klacht tegen BESLUIT RvdK om onderzoek te doen naar de opvoedingssituatie
497 U maakt bezwaar tegen het benaderen van informanten door de RvdK
339 Landelijke afspraak tussen jeugdzorg en kinderrechters: Verzoekschriften geen ’inhoudelijke’ informatie meer hoeven te bevatten!
227 Faxverzoek aan de kinderrechter direct faxen na ontvangst van een oproep hoorzitting
756 Faxverzoek aan de kantonrechter/politierechter direct faxen na ontvangst van een oproep hoorzitting
360 Model verweerschrift tegen verzoekschrift RvdK om OTS van uw kind
361 Model verweerschrift tegen verzoekschrift RvdK om machtiging uithuisplaatsing van uw kind
663 Verzoekschrift omgangsregeling bij KIR na BESLUIT jeugdzorg
636 Model verzoek om compleet afschrift contactjournaal jeugdzorg
255 Model klacht tegen BESLUIT weigering compleet contactjournaal jeugdzorg
637 Model verzoek om compleet afschrift contactjournaal RvdK
170 Model klacht tegen BESLUIT weigering compleet afschrift contactjournaal RvdK
639 Modelklacht tegen indicatiebesluit
642 Modelverzoek KIR om ieder onderdeel indicatiebesluit te toetsen
640 Modelklacht tegen Plan van Aanpak
366 Modelverzoek KIR om ieder onderdeel Plan van Aanpak te toetsen
641 Modelklacht tegen HVP Zorgverlener
499 Modelverzoek KIR om ieder onderdeel HVP Zorgverlener te toetsen
443 Modelklacht tegen gezinsvoogd PvA/indicatiebesluit naar KIR zonder inzichten
657 Verzoek KIR retour sturen PvA/indicatiebesluit zonder inzichten ouder
679 Modelverzoek wraking rechter meenemen naar iedere hoorzitting rechter en toetsen met info 457
658 Checklist ouder voor procederen bij de kinderrechter
263 Na (afloop) hoorzitting rechter levert u verzoek afschrift PV in bij de informatiebalie
384 Modelklacht tegen weigering afgifte proces-verbaal van de hoorzitting
124 Wraking Kamer van Toezicht Notarissen Zwolle met Hop GEGROND!
VOORVRAAG handelt de notaris in het belang van de burger of in belang van de belastingdienst?
Belasting vrijstelling voor een kind is ruim 48000 euro.
Belasting vrijstelling voor een pleegkind minder dan 5 jaar in het gezin is 2000 euro.
Waarom wordt in de praktijksituatie een pleegkind langer dan 5 jaar niet als kind aangemerkt?
Hoe wordt de juridische situatie van UHP kinderen met criteria en welke termijnen aangemerkt?
Hoe wordt de juridische situatie van kinderen aangemerkt als ouders uit het gezag zijn gezet?
Hebben kinderen recht op (kinds)deel erfenis als hun ouders uit het gezag zijn gezet?
Waarom zitten er vertegenwoordigers van de belastingdienst in de Kamers van Toezicht notarissen?
418 Vervang parkeerbedrijf door jeugdzorg en/of RvdK mbt de bewijslast
Rechtbanktraining waarheidsvinding: Kloppen de nevenfuncties bestuurders, gemeentesecretaris en griffier van uw gemeente?
Info Hop:A-B-C-D-E-F-G-H-I-J-K-L-M-N-O-P&Q-R-S-T-U-V-W-X-Y-Z
Welke kandidaten/bestuurders in uw gemeente hadden/hebben niet opgegeven baantjes in de stembureaus tijdens verkiezingen gemeenteraad om de uitslag te beÔnvloeden door zelf stemmen te tellen, stemmen van andere partijen op het stapeltje van de eigen partij te leggen en/of stemmen van andere partijen ongeldig te maken en/of nog even een praatje te maken in het stembureau om de kiezer vlak voor dat deze gaat stemmen te kunnen beÔnvloeden?
Tenslotte heeft u een kopie ontvangen van het contract dat is afgesloten tussen jeugdzorg en gemeente met daaronder welke namen en handtekeningen om de jeugdzorg over te dragen naar de gemeente en is dit contract in uw gemeente wel of niet in de gemeenteraad besproken? Indien neen, waarom niet?
Correcties, verbeteringen, aanvullingen internet informatie, procedureel weerwerk tegen de jeugdzorgindustrie
Contact J. Hop.

 

top
Groep Hop ©
Startpagina procedureel weerwerk tegen jeugdzorg, RvdK en bij de kinderrechter ©
De website www.groephop.nl is het eigendom van verzetsstrijder, politicus, schrijver, journalist Dhr. J. Hop, Joubertstraat 24, 3851 DM Ermelo.
Plaats uitgave: Ermelo. Uitgever: Hop Ermelo. Disclaimer 2014 en vrijwaring. Op alle websites van Groep Hop is een 2014 disclaimer van toepassing. Procedures inzake publicatie van nieuwsfeiten, vrijheid van drukpers, belemmering vrijheid van meningsuiting, belemmering politieke activiteiten, gerechtvaardigde verdediging van Hop tegen improductieve bureaucratie en/of voor de overheid vrijwel altijd partijdige rechtspraak tegen politicus, schrijver, journalist Hop uitsluitend via de rechtbank Gelderland met gelijktijdig verzoek om beeld- en geluidsopnames te mogen maken van de complete hoorzitting t.b.v. publicatie op bovengenoemde websites. Door mijn website te raadplegen accepteert u mijn vrijwaring. Hop streeft ernaar, op een integere wijze, dat alle informatie op de websites correct is. Hop verleent ten aanzien van die informatie echter geen enkele garantie, noch kan Hop worden geacht een dergelijke garantie stilzwijgend te hebben verleend. Hop zal in geen geval aansprakelijk zijn voor schade van welke aard dan ook, waaronder directe, indirecte of gevolgschade, voortvloeiend uit of in verband met het gebruik of betreden van deze website.