(546) Geld is Macht! Macht is Recht! Nederlandse rechtspraak met smerige streken! 030806-270509 DOORLOOPTIJD BIJNA DRIE JAAR procedure bezwaarschrift tegen Plan van Aanpak als representatief voorbeeld van die geweldige onpartijdige rechtspraak in Nederland als burgers tegen jeugdzorg procederen!

Lachwekkend! Kinderbescherming zit niet meer bij rechter aan tafel. (1) (12) Lachwekkend! Nu bellen de vertegenwoordigers van de Staat met de kinderrechter buiten de hoorzitting om nog voordat een verzoek wordt ingediend! (101) (124) (180) Lachwekkend! UN heeft nog steeds niet op klacht van Hop tegen Nederland beslist als representatief voorbeeld van "corruptie van coalities" tussen UN en Nederland (95) (710)

Censuur in Nederland ©

Stockholmsyndroom

To whom it may concern

 

 

557 De Pikmeerarresten voorbeeld van politiek gekonkel en handjeklap rechtersleger met gemeente:
Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk in zijn vervolging van de verdachte ter zake van het primair telastegelegde 
bewezenverklaard in die zin dat is aangenomen dat de verdachte, als hoofd van de afdeling nieuwe werken van
de gemeente Boarnsterhim feitelijke leiding heeft gegeven aan de verboden gedraging van die gemeente.
De verdachte is ter zake van "overtreding van een voorschrift, gesteld krachtens artikel 1, derde lid van de Wet
verontreiniging oppervlaktewateren, opzettelijk begaan door een rechtspersoon, terwijl hij feitelijke leiding heeft
gegeven aan de verboden gedraging" veroordeeld tot een geldboete van f 1.500,-, subsidiair 15 dagen hechtenis.


Provincie Friesland. Een ambtenaar van de gemeente Boarnsterhim liet verontreinigde baggerspecie uit de Groundam
storten in het Pikmeer. Deze illegale lozing gebeurde MET OPZET en de Hoge Raad (557) (558) sprak de ambtenaar van de
gemeente Boansterhim die leiding gaf aan deze illegale activiteiten vrij omdat hij werkte voor de gemeente Boarnsterhim.

Deze Pikmeer arresten van de Hoge Raad zijn BERUCHT GEWORDEN in heel Nederland omdat als een burger een paar kilometer
te hard rijdt de burger achtervolgd wordt door het complete Justitie apparaat om kost wat kost een paar EURO's voor de Staat
te verdienen en in het omgekeerde geval gaat een ambtenaar van een gemeente bij grootschalige illegale lozingen om geld
uit te sparen voor de provincie vrijuit.

Het voordeel van de Pikmeer arresten is wel dat de gewone burgers steeds minder vertrouwen hebben gekregen in het rechtersleger
door politiek gekonkel en handjeklap van het rechtersleger met de gemeente. De Pikmeer arresten blijven dus als een boemerang
op het rechtersleger inslaan zoals dat ook het geval is in de zaak van de ongegrond verklaarde wraking in de zaak Rechtbank Zutphen
tegen J. Hop waarbij onomstotelijk vast kwam te staan dat een kinderrechter NIET ONAFHANKELIJK is maar een RECHTER, AANKLAGER
en belanghebbende is. De ongegrond verklaarde wraking krijgt een vervolg met de klacht van Hop bij de Verenigde Naties.

 
 

HR 23 april 1996, NJ 1996, 513 (Pikmeer I)

HOGE RAAD (Strafkamer) 23 april 1996, nr. 101102 E

(Mrs. Hermans, Davids, Keijzer, Bleichrodt, Schipper; A-G Fokkens; m.nt. 'tH onder HR 23 april

1996, NJ 1996, 513)

Arrest op het beroep in cassatie van de officier van justitie te Alkmaar in de strafzaak tegen Waterschap

Westfriesland, te Hoorn, adv. mr. E.J. Woud te Hoorn.

Telastelegging

Telastegelegd dat zij op of omstreeks 16 februari 1994 te Obdam in de uitoefening van haar beroep of

bedrijf, zonder daartoe verleende vergunning, op of in de nabijheid van de Obdammerdijk,

(plantaardige en/of agrarische) afvalstoffen, te weten (gemaaid) riet, heeft verwerkt en/of vernietigd

en/of door verbranding heeft verwijderd, zulks terwijl zij wist, althans redelijkerwijs had moeten weten

dat door die handeling(en) nadelige gevolgen voor het milieu ontstonden of konden ontstaan;

de terminologie is hier gebezigd in de betekenis van de Wet milieubeheer. (artikel 10.3 lid 2 Wet

Milieubeheer)

(...)

Rechtbank:

De raadsman heeft voorts aangevoerd dat de officier van justitie niet-ontvankelijk behoort te worden

verklaard in zijn vervolging, omdat de verdachte een openbaar lichaam is en de haar verweten

gedragingen onderdeel uitmaken van werkzaamheden die worden verricht ter uitvoering van een aan

haar bij wet opgedragen taak.

De Rechtbank overweegt dienaangaande het volgende. De in vorenvermelde telastelegging verweten

gedragingen betreffen een overheidstaak, te weten de instandhouding van de waterkering ter plaatse.

Daarvoor kan het waterschap niet strafrechtelijk verantwoordelijk worden gesteld. Derhalve behoort de

officier van justitie niet-ontvankelijk te worden verklaard in zijn vervolging.

Cassatiemiddel:

Verzuim van vormen, waarvan de naleving op straffe van nietigheid is omschreven en/of schending

en/of verkeerde toepassing van het recht in het bijzonder van de artikelen:

artikel 113 Grondwet

artikelen 1 + 51 + 91 Wetboek van Strafrecht

artikelen 348 + 349 + 358 + 359 Wetboek van Strafvordering

artikel 13 lid 2 Keur Hoogheemraadschap US Hollands Noorderkwartier

artikelen 1 + 2 Waterschapswet

artikel 10.3 lid 2 Wet Milieubeheer

artikel V - 2 APV Obdam

Toelichting

De rechtbank Alkmaar heeft de officier van justitie niet-ontvankelijk verklaard omdat de aan het

waterschap Westfriesland verweten gedraging - primair handelen in strijd met artikel 10.3 lid 2 Wet

Milieubeheer, subsidiair handelen in strijd met artikel V - 2 APV Obdam - een overheidstaak betreft, te

weten de instandhouding van de waterkering ter plaatse.

Terecht heeft de rechtbank zich niet laten leiden door het Volkelarrest ( NJ 94/598), maar heeft zij bij

haar beslissing kennelijk aansluiting gezocht bij uw arresten de Voorburgse reigers (NJ 91/496) en de

Tilburgse drempels ( NJ 82/474).

De rechtbank ziet in haar oordeel - s.o.r. - over het hoofd dat de casuspositie van het waterschap

Westfriesland van een andere aard is. In tegenstelling tot de twee genoemde arresten heeft het

waterschap Westfriesland bij de uitvoering van een (al dan niet uit de wet voortvloeiende) taak

nagelaten te opteren voor een uitvoering waarbij het plegen van strafbare feiten achterwege had kunnen

blijven. In dit geval had het waterschap Westfriesland - net als iedere andere (rechts)persoon - twee

legale opties. In de eerste plaats was er de mogelijkheid tot het aanvragen van een vergunning of een

ontheffing op grond van de Wet Milieubeheer of de APV.

De tweede mogelijkheid was de verwijdering van rietafval in overeenstemming met de wettelijke

regelingen.

Nu in die situatie het waterschap Westfriesland nagelaten heeft de rechtmatige weg te bewandelen is de

officier van justitie q.q. naar mijn mening ontvankelijk in de strafvervolging.

Immers juist een publiekrechtelijk rechtspersoon als het waterschap Westfriesland dient zich in die

situatie toch te onthouden van het plegen van strafbare feiten!

Subsidiair ben ik van mening dat de instandhouding van de waterkering ter plaatse geen specifieke

overheidstaak is zoals gesteld door de rechtbank. De zorg voor hetzij een waterkering hetzij de

waterhuishouding hetzij beide wordt bij wet (artikel 1 Waterschapswet) opgedragen aan de

waterschappen. In artikel 2 van de Waterschapswet wordt - kortgezegd - de organisatie en de

regelgeving van de waterschappen in handen gelegd van de provinciale staten.

Hoewel in artikel 1 van de Waterschapswet een algemene zorgplicht wordt geformuleerd voor

waterschappen, bestaat er op grond van provinciale besluiten geen specifieke overheidstaak ter plaatse

voor het waterschap Westfriesland.

Het waterschap Westfriesland heeft riet verbrand op een perceel waar de keur van het

hoogheemraadschap van Uitwaterende Sluizen in Hollands Noorderkwartier van toepassing is. Op

grond van privaatrechtelijke verhoudingen is het waterschap Westfriesland gehouden onderhoud te

plegen op de Obdammerdijk in de gemeente Obdam. Deze privaatrechtelijke verplichting is enerzijds

af te leiden uit de bijlage(n) van de Keur, waar naast het waterschap Westfriesland andere eigenaren

(ook niet publiekrechtelijke rechtspersonen) aangewezen zijn voor het onderhoud aan o.a.

waterkeringen. Anderzijds uit artikel 13 lid 2 van de Keur. De Keur kan naar mijn mening niet anders

worden uitgelegd dan dat eigenaren van waterkeringen langs de boezemwateren een

onderhoudsverplichting hebben (verbod tot verondiepen). In ieder geval kan niet één uit de wet

voortvloeiende specifieke overheidstaak ter plaatse voor het waterschap Westfriesland worden afgeleid

uit (artikel 13 lid 2 van) de Keur van het hoogheemraadschap Uitwaterende Sluizen in Hollands

Noorderkwartier.

Samenvattend:

Primair: Indien het waterschap Westfriesland zonder het plegen van strafbare feiten een

(overheids)taak kan uitvoeren is de officier van justitie ontvankelijk in zijn vervolging.

Subsidiair: Het waterschap Westfriesland voldoet niet aan de drie kriteria van Uw arrest Voorburgse

reigers (NJ 91/496) zijnde:

- specifieke bestuurstaak (althans niet ter plaatse; toevoeging door appellant in cassatie)

- optreden ter behartiging van die bestuurstaak

- besluit door bestuur na goedkeuring raad

en om die reden is de officier van justitie ontvankelijk in zijn vervolging.

Hoge Raad:

5. Beoordeling van het middel

(...)

5.2. In aanmerking genomen dat waterschappen openbare lichamen zijn in de zin van Hoofdstuk 7 van

de Grondwet, en dat ingevolge art. 1, tweede lid, Waterschapswet de zorg voor de waterkering aan hen

als zodanig wordt opgedragen, heeft de Rechtbank door aldus te overwegen en te beslissen geen blijk

gegeven van een verkeerde rechtsopvatting.

5.3. De in de toelichting op het middel aangevoerde omstandigheid dat de verdachte heeft "nagelaten te

opteren voor een uitvoering waarbij het plegen van strafbare feiten achterwege had kunnen blijven"

doet aan het evenoverwogene niet af. Evenmin doet daaraan af de in die toelichting eveneens

aangevoerde omstandigheid dat ingevolge de daar bedoelde bepalingen van de keur van het

Hoogheemraadschap van de Uitwaterende Sluizen in Hollands Noorderkwartier enige verplichting

voortvloeit die mede op de verdachte als eigenaar van een perceel grond rust.

5.4. Het middel is derhalve tevergeefs voorgesteld.

6. Slotsom

Nu het middel niet tot cassatie kan leiden moet het beroep worden verworpen.

7. Beslissing

De Hoge raad verwerpt het beroep.

Conclusie A-G mr. Fokkens:

1. Het Waterschap Westfriesland wordt vervolgd wegens het zonder vergunning afbranden van riet.

(...)

3. De officier van justitie heeft tegen deze uitspraak beroep in cassatie aangetekend. Het beroep is

namens verdachte tegengesproken door mr E.J. Woud.

4. Ik bespreek eerst de vraag of dit het juiste rechtsmiddel is. In het primair telastegelegde wordt de

verzoeker verweten het handelen in strijd met art. 10.3 lid 2 Wet Milieubeheer. Deze bepaling luidt als

volgt:

"Het is een ieder verboden in de uitoefening van zijn beroep of bedrijf afvalstoffen in te zamelen of

anderszins in ontvangst te nemen, te bewaren, te bewerken, te verwerken, te vernietigen of op of in de

bodem te brengen dan wel op andere wijze te verwijderen, indien daardoor, naar hij weet of

redelijkerwijs had moeten weten, nadelige gevolgen voor het milieu ontstaan of kunnen ontstaan,

behoudens voor zover dat krachtens een voor hem geldende vergunning uitdrukkelijk is toegestaan."

5. Overtreding van deze bepaling is ingevolge art. 1a, onder 1° WED een economische delict. Art. 2

Wet op de economische delicten (WED) bepaalt dat de economische delicten, bedoeld in onder meer

art. 1a, onder 1°, een misdrijf zijn voor zover zij opzettelijk zijn begaan. Voor zover deze economische

delicten niet opzettelijk zijn begaan, zijn zij overtredingen.

6. Het is de vraag, wanneer sprake is van het opzettelijk begaan van het in art. 10.3 lid 2 Wet

Milieubeheer omschreven delict. Twee interpretaties zijn mogelijk.

7. De eerste houdt in dat de opzettelijke en de niet-opzettelijke variant beide in de tekst van art. 10.2 lid

2 zijn verwoord: wie zonder vergunning in de uitoefening van zijn beroep of bedrijf afvalstoffen

inzamelt etc., terwijl hij weet dat daardoor nadelige gevolgen voor het milieu ontstaan of kunnen

ontstaan, begaat het misdrijf, wie dat doet terwijl hij zulks redelijkerwijs had moeten weten, maakt zich

schuldig aan de overtreding.

8. De tweede uitleg houdt in dat hij die opzettelijk zonder vergunning in de uitoefening van zijn beroep

of bedrijf afvalstoffen inzamelt etc., terwijl hij weet of redelijkerwijs had moeten weten dat daardoor

nadelige gevolgen voor het milieu ontstaan of kunnen ontstaan, zich schuldig maakt aan het misdrijf,

en dat degene aan wie enkel wordt verweten dat hij zonder vergunning in de uitoefening van zijn

beroep of bedrijf afvalstoffen heeft ingezameld etc., terwijl hij wist of redelijkerwijs had kunnen weten

dat daardoor nadelige gevolgen voor het milieu ontstaan of kunnen ontstaan, zich voor de overtreding

moet verantwoorden.

9. Bij de parlementaire behandeling van art. 10.3 en zijn voorgangers is aan deze vraag op geen enkele

wijze aandacht besteed. Evenmin heb ik iets daarover kunnen vinden in de wetsgeschiedenis van

vergelijkbare bepalingen als art. 2 Wet Milieugevaarlijke stoffen, thans ook genoemd in de artt. 1a,

onder 1° en 2 lid 1 WED, eerder op dezelfde wijze als misdrijf dan wel overtreding strafbaar gesteld in

art. 65 Wet Milieugevaarlijke stoffen. Kennelijk was dit voor de ontwerpers van deze bepalingen en de

parlementariërs die deze bespraken, volstrekt duidelijk.

10. In de litteratuur had men er echter meer moeite mee. Buiting besteedt aan deze vraag uitgebreid

aandacht in zijn monografie Strafrecht en milieu. Hij komt ten aanzien van het in dit opzicht

vergelijkbare art. 14 Wet Bodembescherming (ook een economisch delict vermeld in art. 1a, onder 1°

WED) tot de slotsom dat het strafbare feit zich niet in misdrijfvorm kan voordoen, omdat de

combinatie dat de dader weet dat hij redelijkerwijs kan/moet vermoeden dat etc. een onzinnige

combinatie is (p. 86-89). Doorenbos heeft in DD eveneens het probleem van het in de WED gemaakte

onderscheid tussen misdrijven en overtredingen besproken (Schuldkwadratuur. Iets over de betekenis

van art. 1 lid 2 WED, DD 1990, p. 810-819). Het zou het bestek van deze conclusie te buiten gaan om

zijn "oplossing" van deze wijze van strafbaar stellen in alle facetten te bespreken. Het komt erop neer

dat van een misdrijf sprake is, indien het economisch delict in zijn geheel opzettelijk is begaan, en dat

hij meent dat in het door Buiting gewraakte geval geen sprake is van een misdrijf.

11. Voor de beantwoording van de hier voorliggende vraag is mijns inziens een vergelijking met de

tekst van art. 173a Sr van belang. Deze bepaling luidt v.z.v. van belang:

"Hij die opzettelijk en wederrechtelijk een stof op of in de bodem, in de lucht of in het

oppervlaktewater brengt, wordt gestraft:

1°. met gevangenisstraf van ten hoogste twaalf jaren of geldboete van de vijfde categorie, indien de

schuldige weet of ernstige reden heeft om te vermoeden dat daarvan gevaar voor de openbare

gezondheid of levensgevaar voor een ander te duchten is;".

12. In de MvT wordt deze tekst als volgt toegelicht:

"Omdat het begrip "stof" echter zeer ruim is, is als aanvullende vereiste gesteld dat de dader wist,

althans een ernstige reden had om te vermoeden dat het om stoffen ging die gevaarlijk kunnen zijn."

13. Uit het advies van de Raad van State bij het betreffende ontwerp van wet en de reactie daarop in het

nader rapport blijkt dat voor deze redactie is gekozen om de volgende reden. De meeste misdrijven van

Titel VII van het Tweede Boek zijn als volgt geformuleerd: strafbaar wordt gesteld het opzettelijk (ik

laat de culpoze varianten buiten beschouwing) verrichten van bepaalde gedragingen, waarbij als

geobjectiveerd strafbepalend gevolg wordt vermeld "indien daarvan gemeen gevaar voor goederen,

levensgevaar voor een ander te duchten is" (bijv. artt. 168 en 170 Sr). Daarbij gaat het echter steeds om

gedragingen die door hun aard reeds gevaar opleveren. Vanwege de "neutrale" betekenis van het woord

stof is daarom bij de "milieudelicten" uit deze titel ook vereist dat de dader zich in de daarin

omschreven mate bewust was van de aard van de stof.

13. Vergelijking van de tekst van art. 173a Sr met art. 10.3 Wet Milieubeheer levert het volgende

verschil in redactie op. Art. 173a Sr vereist het opzettelijk in de bodem, de lucht of het

oppervlaktewater brengen van een stof, die a) gevaarlijk voor de openbare gezondheid of het leven van

een ander is, terwijl b) de dader weet of ernstige reden heeft om te vermoeden dat de betreffende stof

die eigenschap heeft. In art. 10.3 lid 2 Wet Milieubeheer wordt strafbaar gesteld het inzamelen van

afval etc. indien daardoor, naar de dader weet, nadelige gevolgen voor het milieu (kunnen) ontstaan.

Met andere woorden: art. 10.3 eist hier dat de dader weet dat door zijn handelen gevaar voor het milieu

ontstaat of kan ontstaan. Het weten heeft aldus betrekking op de handeling, waardoor art. 10.3 lid 2 in

zoverre - d.w.z. afgezien van de variant redelijkerwijs kunnen vermoeden - in zijn omschrijving een

opzettelijk delict is.

14. Vervolgens rijst de vraag of van opzettelijk handelen in strijd met art. 10.3 lid 2 pas sprake is,

indien het opzet van de dader ook gericht is op de omstandigheid dat hij zonder of in strijd met de hem

verleende vergunning handelt. Het antwoord op die vraag is afhankelijk van de strafrechtelijke

betekenis van de zinsnede "behoudens voor zover dat krachtens een voor hem geldende vergunning

uitdrukkelijk is toegestaan" in art. 10.3 lid 2 Wet milieubeheer: is dit een bestanddeel van de

delictsomschrijving of een strafuitsluitingsgrond?

15. Het antwoord op die vraag is niet zonder meer duidelijk. Voor de opvatting dat het hier om een

bestanddeel gaat, pleit de omstandigheid dat deze passage is opgenomen in de zin waarin het verbod

staat (vgl. Hazewinkel-Suringa/Remmelink, Inleiding tot de studie van het Nederlandse strafrecht, 14e

druk, blz. 254 e.v.; Remmelink, Visies op telastelegging, in: Bij deze stand van zaken, Melai-bundel,

blz. 432; André de la Porte in: Melai, Wetboek van Strafvordering, aantek. 38 e.v.). Ook is er gelet op

de aard van de omstandigheid - was het handelen uitdrukkelijk toegestaan krachtens vergunning? -

geen bezwaar om deze als een bestanddeel dat telastegelegd en bewezen moet worden, aan te merken,

nu het om een uitzondering gaat waarvan het ontbreken gemakkelijk kan worden geformuleerd en

worden vastgesteld.

16. Er zijn echter ook argumenten te geven voor de opvatting dat het hier om een strafuitsluitende

omstandigheid gaat. Uit de rechtspraak van de Hoge Raad komt immers naar voren dat de redactie van

de bepaling niet beslissend is. Ook de bedoeling van de wetgever is van belang: heeft de handeling

"een naar gangbare begrippen ongeoorloofd karakter, dat echter onder zekere omstandigheden, b.v. bij

vergunning komt te ontbreken, dan is er aanleiding in hare aanwezigheid een rechtvaardigingsgrond te

zien. Is echter hetgeen onder zekere negatief geformuleerde omstandigheden, b.v. het gemis van een

vergunning, verboden is uit zijn aard niet ongeoorloofd, dan moeten die omstandigheden worden

beschouwd als een bestanddeel", aldus Blok-Besier, Het Nederlandsche strafprocesrecht, dl. II, p. 13.

Remmelink formuleert het op p. 256 van zijn bewerking van Hazewinkel-Suringa aldus: "Wij

herkennen hier enigszins het onderscheid, dat men in de administratieve sector wel maakt tussen een

vergunning en een ontheffing. Een vergunning beperkt geoorloofd gedrag, een ontheffing dispenseert

ongeloorloofd gedrag".

17. Hoewel hier de term vergunning wordt gebruikt - wat wijst op een bestanddeel - wijst de strekking

van de bepaling op een verbod van het inzamelen etc. van afvalstoffen, indien daardoor nadelige

gevolgen voor het milieu (kunnen) ontstaan, met andere woorden een dergelijk inzamelen etc. is

ongeoorloofd, op welk algemeen verbod een uitzondering wordt gemaakt voor zover dat handelen

krachtens vergunning uitdrukkelijk is toegestaan. In de woorden "uitdrukkelijk is toegestaan" wordt het

uitzonderingskarakter van het toestaan van dergelijke handelingen nog eens onderstreept. Vgl. bijv. HR

3 november 1959, NJ 1960, 209 en 13 oktober 1994, NJ 1994, 746.

18. Het voorafgaande brengt mij ertoe om, na enige aarzeling, de passage "behoudens voor zover dat

krachtens een voor hem geldende vergunning uitdrukkelijk is toegestaan", te beschouwen als een

strafuitsluitingsgrond. De vergunning heeft zozeer een uitzonderingskarakter, dat deze uitleg mijns

inziens het meest recht doet aan het verbod dat in art. 10.3 is geformuleerd. Ik heb mij nog wel

afgevraagd of de omstandigheid dat slechts het beroeps- of bedrijfsmatig handelen onder deze bepaling

valt, niet strijdig is met deze interpretatie - de redenering zou dan zijn: het is in het algemeen niet

ongeoorloofd afvalstoffen in te zamelen etc. indien daardoor schade voor het milieu ontstaat, alleen

indien dit bedrijfsmatig geschiedt is het zonder vergunning ongeoorloofd - maar meen dat dit niet het

geval is. De bepaling is uitdrukkelijk bedoeld als vangnet om voor het milieu schadelijke nadelige

handelingen met afvalstoffen die niet door een specifieke bepaling worden gereguleerd, te kunnen

aanpakken - m.a.w. in beginsel ongeoorloofd handelen - en het verbod is tot beroeps- of bedrijfsmatig

handelen beperkt met het oog op de strafrechtelijke handhaving van het verbod (vgl. Michiels, De wet

milieubeheer, 2e druk, blz. 99).

19. Indien de betreffende passage wel als een bestanddeel moet worden beschouwd, wordt deze door

het in art. 2 lid 1 WED genoemde opzet beheerst. De systematiek van het strafrecht, dat in beginsel alle

bestanddelen die volgen op het woord opzet daaronder vallen, brengt dit mijns inziens mee.

20. Ik kom op grond van het voorafgaande echter tot de conclusie dat in casu primair een misdrijf is

telastegelegd. Ingevolge het bepaalde in art. 51 tweede lid WED stond hier voor het openbaar

ministerie hoger beroep open tegen de uitspraak van de rechtbank. Nu dit rechtsmiddel niet is

aangewend, moet ik, gelet op het bepaalde in art. 96 lid 1 RO, concluderen dat de officier van justitie

niet-ontvankelijk is in het door hem ingestelde beroep in cassatie (vgl. HR 3 oktober 1995, te

publiceren als DD 96.091).

21. Voor het geval dat Uw Raad daarover anders oordeelt, bespreek ik het voorgestelde middel van

cassatie. Het middel behelst primair de klacht dat de rechtbank heeft miskend dat het Waterschap

Westfriesland haar taak ook langs legale weg had kunnen uitvoeren door een vergunning of ontheffing

op grond van de Wet Milieubeheer of de APV te vragen, dan wel het riet te verwijderen in

overeenstemming met de wettelijke regelingen. Nu het waterschap heeft verzuimd de rechtmatige weg

te bewandelen, zou het openbaar ministerie wel ontvankelijk zijn in zijn vervolging.

18. In de rechtspraak van de Hoge Raad met betrekking tot de strafrechtelijke aansprakelijkheid van

publiekrechtelijke rechtspersonen, is tot nu toe het volgende beslist:

- de Staat zelf kan voor zijn handelingen niet strafrechtelijk aansprakelijk worden gesteld (NJ 1994,

598);

- eventuele strafrechtelijke immuniteit van andere publiekrechtelijke rechtspersonen is beperkt tot

openbare lichamen in de zin van Hfdst. 7 van de Grondwet (NJ 1988, 303 en NJ 1991, 496);

- bedoelde immuniteit geldt slechts voor gedragingen verricht ter behartiging van een (bij of krachtens

de wet) aan het betreffende openbaar lichaam opgedragen overheidstaak (NJ 1982, 474; NJ 1991, 496

en NJ 1992, 794).

19. De in deze rechtspraak neergelegde beperkte strafrechtelijke aansprakelijkheid van

publiekrechtelijke rechtspersonen is van diverse kanten kritisch benaderd. Ik noem, zonder naar

volledigheid te streven: de noot van Corstens onder NJ 1994, 598 en de noot van Buiting onder dit

arrest in MRT 1995, p. 216-219; Roef, Kan de staat in zijn eigen staart bijten?, in: DD 1995, p. 332-

348; De Lange, De dictatuur van de magistratuur, NJB 1995, p. 441-447.

20. De bezwaren die worden aangevoerd, betreffen de rechtsongelijkheid die aldus ontstaat tussen een

deel van de publiekrechtelijke rechtspersonen en de overigen rechtspersonen. In het bijzonder zou dit

zich doen gevoelen op het terrein van het milieurecht. Dat standpunt kent ook binnen het openbaar

ministerie ruime aanhang, zoals bijv. blijkt uit de Leidraad voor de strafrechtelijke handhaving van het

milieurecht (Stafbureau OM, 1994) en Overtredende overheden, vervolgingsbeleid inzake

milieudelicten (WODC, 1995).

21. Bij die kritiek wil ik enkele kanttekeningen plaatsen. Ik stel daarbij voorop dat in deze discussie,

zoals zo dikwijls in het recht, beide standpunten redelijkerwijs te verdedigen zijn. De omstandigheid

dat er mijns inziens geen argumenten zijn die zozeer pleiten voor de opvatting welke thans in de

rechtspraak is neergelegd, dat een ander standpunt niet goed denkbaar is, neemt niet weg dat er goede

redenen voor de tot stand gekomen jurisprudentie zijn aan te voeren. Ik ga hier niet de diverse

argumenten uit de litteratuur herhalen (ik verwijs daarvoor naar mijn conclusie voor NJ 1994, 598),

maar wil wel wijzen op twee aspecten, die in de kritiek mijns inziens onderbelicht blijven.

22. In de eerste plaats wijs ik op het standpunt van de wetgever in de MvT bij ontwerp 13 655, het

voorstel tot invoering van de strafbaarheid van rechtspersonen in art. 51 Sr. Op p. 21 wordt daarin over

de strafbaarheid van de publiekrechtelijke rechtspersonen het volgende geschreven:

"Bij een figuur die in zo uiteenlopende verschijningsvormen en functies aan het maatschappelijk

verkeer deelneemt als de publiekrechtelijke rechtspersoon is de vraag of strafbaarheid in beginsel dient

te worden uitgesloten of aanvaard niet in het algemeen te beantwoorden. Een zinvolle beantwoording

lijkt alleen mogelijk, indien onderscheid wordt gemaakt tussen verschillende casusposities. De meest

voor de hand liggende differentiatie is dan wel die waarbij onderscheid wordt gemaakt al naar gelang

het strafbare feit is te plaatsen in het verband van de algemene of specifieke bestuurstaak waarmee het

publiekrechtelijk lichaam is belast dan wel is gepleegd binnen het kader van een ondernemingsactiviteit

die ook door particulieren wordt of kan worden verricht.

In het eerste geval, dus wanneer het publiekrechtelijk lichaam als bestuurder heeft gehandeld, zal de

verantwoording behoren te geschieden aan de instellingen en organen die daartoe in het staats- en

administratieve recht in het bijzonder zijn aangewezen. Deze instellingen en organen beschikken

doorgaans over de middelen om een herhaling van het ongewenste optreden te voorkomen. Uiteraard

sluit dit niet uit, dat een bepaalde bestuurder bij wie alle bestanddelen van een bepaald strafbaar feit

aanwezig zijn uit eigen hoofde, dus wegens een door hem gepleegd delict, voor de strafrechter ter

verantwoording wordt geroepen."

23. Ik meen dat aan deze passage in ieder geval sterke argumenten te ontlenen zijn voor de rechtspraak

van de Hoge Raad ten aanzien van andere publiekrechtelijke lichamen dan de Staat. Niet alleen wordt

hier met zoveel woorden het onderscheid gemaakt tussen de bestuurstaak en andere activiteiten van de

overheid, maar ook wordt gesteld dat voor het handelen in het kader van de uitoefening van een

dergelijke taak door het publiekrechtelijk lichaam de verantwoording aan de daartoe in het staats- en

bestuursrecht aangewezen instellingen en organen dient te geschieden, zonder dat dit uitsluit dat het

betreffende handelen onder omstandigheden wel aanleiding kan geven een bepaalde bestuurder

strafrechtelijk te vervolgen. Met name dit laatste, het onderscheid tussen de bestuurder die wel en het

bestuur dat niet strafrechtelijk verantwoordelijk kan/behoort te worden gesteld voor hetgeen in het

kader van de overheidstaak is verricht, acht ik zwaarwegend.

24. In de tweede plaats wordt bij de stelling dat er onaanvaardbare rechtsongelijkheid ontstaat tussen

vergelijkbare overtreders van milieubepalingen, mijns inziens uit het oog verloren dat ten aanzien van

de bedoelde "lagere" overheden op zich voldoende mogelijkheden tot correctie en preventie in het

staats- en bestuursrecht besloten liggen, terwijl ten aanzien van andere organisaties dan deze overheden

buiten de strafrechtelijke handhaving in een aantal gevallen onvoldoende mogelijkheden tot

handhaving aanwezig zijn. Anders gezegd: ten aanzien van overheden ontbreekt in zoverre de

noodzaak van strafrechtelijke handhaving.

25. Dat neemt niet weg dat in gevallen waarin de overheid zich niet of slecht aan zijn eigen

milieuregels houdt en de bovenbedoelde bestuurlijke correctie niet plaats vindt of geen zichtbaar effect

heeft, strafrechtelijke handhaving bij overtreding van die regels door particulieren op gespannen voet

kan komen te staan met het gelijkheidsbeginsel. Dat behoeft echter niet te betekenen dat in dergelijke

gevallen ook de betreffende overheid wordt vervolgd. Ter illustratie ga ik kort op de feiten van deze

zaak in.

26. In zijn requisitoir verwijst de officier van justitie naar dit probleem, als hij opmerkt:

Ik wil u de reaktie van de "gewone burger" niet onthouden. In het proces-verbaal tegen het waterschap

West-Friesland wil ik u het volgende voorhouden:

"Korte tijd later verscheen bij mij (verbalisant) aan het buro te Obdam een bewoner van de

Berkmeerdijk te Obdam. Hij kwam zijn beklag doen over het feit dat het waterschap riet aan het

verbranden was. Hij was zeer kwaad omdat bij hem als veehouder zeer nauwgezet werd toegezien op

de naleving van de milieubepalingen en hij vroeg zich af of dit allemaal maar kon."

27. Uit de dossiers in deze zaak en die tegen de provincie Noord-Holland kan echter worden

opgemaakt dat vervolging van de "overtredende overheid" niet de meest voor de hand liggende

mogelijkheid is om vermoede rechtsongelijkheid op te heffen. Uit die stukken blijkt namelijk het

volgende.

28. Binnen de provincie Noord-Holland werd gediscussieerd over het onderhouden van rietkragen

langs provinciaal water. Een notitie van GS over de inzet van de Dienst Wegen, Verkeer en Vervoer

hierbij was in 1994 in voorbereiding. In een rapport van J. Boelsma werd de gevolgde werkwijze als

volgt verantwoord. Om een optimaal onderhoud te plegen wordt het riet jaarlijks in de winter gemaaid.

Dit gebeurt voor 90% door maaizuigen, waarbij het afkomend gewas versnipperd over een strook

aanliggende waterkering wordt gespoten. Ongeveer 5% van het riet is van dusdanige kwaliteit dat dit

door rietdekkers wordt geoogst. Het restant (5%) wordt in de vorstperiode handmatig gemaaid, waarna

het gemaaide gewas wordt verbrand. De bedoeling van dit laatste is de bodem te schroeien, waardoor

wilgenroos op een milieuvriendelijke wijze wordt bestreden en het verstikkende gemaaide riet wordt

verwijderd. De ervaringen met deze methode zijn positief.

Verder blijkt dat op een mini-symposium over dit onderwerp de meningen over de door de provincie

gevolgde werkwijze duidelijk uiteen liepen.

29. Ik heb dit alles vermeld, omdat de hier plaats vindende gang van zaken mijns inziens duidelijk

illustreert dat de strafrechter hier geen taak heeft. Er is op bestuurlijk niveau nog geen standpunt

bepaald over de vraag of de hier gevolgde werkwijze aanvaardbaar/wenselijk is. Men onderzoekt wat

de beste werkwijze is en hoe deze bestuurlijk en eventueel juridisch vorm dient te krijgen. Zolang nog

geen standpunt is bepaald, zal de taak niettemin moeten worden uitgevoerd. De strafvervolging is

gebaseerd op de gedachte dat het waterschap in afwachting van de uitkomst van die discussie zich aan

het bepaalde in de Wet Milieubeheer moet houden, door hetzij een vergunning aan te vragen, hetzij het

riet af te voeren. De eis dat daarvoor een vergunning wordt aangevraagd is in zoverre weinig zinvol,

dat de instantie die de vergunning moet verlenen (mogelijk GS) op bestuurlijk niveau dezelfde vraag

moet beantwoorden als waarvoor de provincie zich gesteld ziet. De eis dat het riet voorlopig wordt

afgevoerd, betekent dat voor een werkwijze wordt gekozen waarvan de wenselijkheid vanuit het

oogpunt van milieubescherming nu juist ter discussie staat. Bij een dergelijke onzekerheid over wat uit

het oogpunt van milieubescherming gewenst is, ligt aanpassing van het beleid ten aanzien van

particulieren voor de hand, bijv. doordat in afwachting van de uitkomst van voornoemde discussie

voorlopige/tijdelijke vergunningen worden verstrekt voor het verbranden van riet onder

omstandigheden waarin dat als een voor de overheid aanvaardbare werkwijze wordt beschouwd. De

wenselijkheid van strafrechtelijke vervolging zou dan kunnen worden beoordeeld in het licht van de

vraag of voor de overheid en particulieren vergelijkbare maatstaven worden gehanteerd.

30. Het standpunt dat in dergelijke gevallen de overheid via het strafrecht gedwongen moet worden

zich aan zijn eigen regels te houden, zou betekenen dat het strafrecht naast het bestuurlijke toezicht als

een soort "oppertoezicht" op het bestuurlijk handelen zou gaan functioneren, waarmee de

strafrechtspleging zijn doel voorbij zou schieten.

31. Ik meen dan ook dat er geen reden is op de (recent) ten aanzien van de strafrechtelijke

aansprakelijkheid van openbare lichamen in de jurisprudentie ingeslagen weg terug te komen. Dit te

meer niet, nu de beslissing ten aanzien van de Staat de terughoudendheid die uit die rechtspraak

spreekt, eerder versterkt dan afzwakt.

32. Daarmee kom ik bij de vraag die het middel aan de orde stelt. Geldt de aan openbare lichamen

toekomende immuniteit slechts indien geen andere mogelijkheid dan het plegen van het strafbare feit

openstond? Ik meen dat die vraag ontkennend moet worden beantwoord. De rechtspraak van de Hoge

Raad is ten aanzien van de "lagere overheden" een vertaling van de opvatting van de wetgever dat zij

zich voor hun bestuurlijk handelen niet voor de strafrechter, maar voor de daartoe in het staats- en

bestuursrecht aangewezen organen dienen te verantwoorden. Vandaar de niet-vervolgbaarheid van deze

publiekrechtelijke lichamen in dergelijke gevallen, waarin bij uitstek tot uitdrukking wordt gebracht dat

de beoordeling van dat handelen niet aan de strafrechter kan worden voorgelegd.

33. Wat het middel als voorwaarde stelt, impliceert dat de strafrechter zou moeten onderzoeken en

vervolgens beoordelen of het openbaar lichaam in casu geen gebruik had kunnen en behoren te maken

van legale opties. Dat komt neer op het afleggen van verantwoording aan de strafrechter, hetwelk de

wetgever juist heeft willen vermijden.1 Ik kan mij dan ook vinden in de opvattingen die in de

verweerschriften in deze zaak en de samenhangende zaak tegen de Provincie Noord-Holland door de

mrs. Woud en Orie zijn neergelegd. Met hen wijs ik er nog op dat ook in de Voorburgse reigersnesten (

NJ 1991, 496) een legale weg openstond, die niet was gebruikt. Ik acht de primaire klacht niet gegrond.

34. De subsidiaire klacht luidt "dat de instandhouding van de waterkering ter plaatse geen specifieke

overheidstaak is zoals gesteld door de rechtbank". Het waterschap Westfriesland zou in zijn

hoedanigheid van eigenaar van het betreffende perceel grond hebben gehandeld, nu de keur van het

hoogheemraadschap van Uitwaterende Sluizen in Hollands Noorderkwartier de verplichting tot

onderhoud van de waterkeringen legt bij de eigenaren. Er zouden geen provinciale besluiten zijn op

grond waarvan het waterschap ter plaatse een specifieke overheidstaak zou hebben.

35. De vraag of het waterschap uit hoofde van zijn overheidstaak heeft gehandeld is ook aan de orde

geweest ter terechtzitting van de rechtbank.

36. De OvJ heeft in zijn requisitoir gesteld dat de onderhoudsverplichting van de watergangen in

verschillende keuren is neergelegd en dat deze keuren een onderhoudsverplichting toekennen aan de

eigenaar van sloten. Op grond hiervan zou niet gesteld kunnen worden dat het waterschap heeft

gehandeld bij de uitvoering van een wettelijk opgedragen taak.

37. Daartegenover heeft de raadsman van het waterschap aangevoerd dat de zorg voor de waterkering

tot de aan het waterschap opgedragen taken behoort (vgl. art. 1 lid 2 Waterschapswet). Deze taak zou

expliciet in het vanaf 1 jan. 1995 van kracht zijnde reglement worden vermeld, welk reglement op dit

punt een codificatie van een reeds lang bestaande ongeschreven beheersverdeling zou zijn. De

omstandigheid dat het waterschap ook eigenaar is van de betreffende oevergedeelten, neemt volgens de

raadsman niet weg dat hier is gehandeld op grond van de publiekrechtelijke taak van het waterschap.

38. De rechtbank heeft haar oordeel summier gemotiveerd. Kennelijk heeft de rechtbank met de

raadsman geoordeeld dat de zorg voor de waterkeringen ook vóór 1 januari 1995 stilzwijgend (mede)

aan het waterschap was toevertrouwd en dat het waterschap in die hoedanigheid heeft gehandeld. Dat

oordeel geeft geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting en is niet onbegrijpelijk, nu:

- de Waterschapswet 1992, die in 1994 van kracht was, in art. 1 lid 2 de zorg voor de waterkering

uitdrukkelijk als een taak van het waterschap noemt;

- de vaststelling van de taken van het waterschap in de Waterschapswet van 1992 niet een

taakuitbreiding van het waterschap betekende, maar vastlegging van hetgeen reeds lang tot de taak van

het waterschap behoorde (vgl. Van den Berg en Van Hall, Waterstaats- en waterschapsrecht, Zwolle

1995, blz. 71);

- in het tot 1 januari 1995 van kracht zijnde Algemene Waterschapsreglement voor Noordholland in het

geheel geen bepaling voorkwam waarin de taken van het waterschap expliciet werden geformuleerd,2

zodat het ontbreken van een uitdrukkelijke toedeling van de zorg voor de waterkering op zich niet

betekent dat dit geen taak van het waterschap was;

1 Dat oordeel past meer bij de vraag of het handelen in strijd met de delictsomschrijving al dan niet strafbaar is. Dat is ook precies het punt waar De Lange in zijn bijdrage in het NJB uitkomt (1995, p. 446).

2 In artikel 134 lid 1: "Het College van het Dagelijksche Bestuur zorgt, dat alle werken, die ten laste van het waterschap of de ingelanden zijn, behoorlijk worden onderhouden", komt de beheersverantwoordelijkheid van de waterschappen enigermate tot uitdrukking.

- vanwege verzoeker ter terechtzitting is verklaard dat het waterschap de waterkering als autonome reglementaire taak beheert en in dat kader ook waterkeringen onderhoudt die van derden zijn;

- de omstandigheid dat het waterschap als eigenaar van het betreffende land op grond van art. 13 lid 3 van de Keur van het Hoogheemraadschap van de Uitwaterende Sluizen in Kennemerland en Westfriesland ook verplicht was tot onderhoud van de betreffende rietkragen, op zich de publiekrechtelijke beheerstaak ten aanzien van waterkeringen niet wegneemt.

Ook de subsidiaire klacht is niet aannemelijk.

De conclusie strekt primair tot het niet-ontvankelijk verklaren van de officier van justitie in het door

hem ingestelde beroep, subsidiair tot verwerping van het beroep.

Overheid & werknemer, ziekteverzuim, re-integratieprojecten, ontslag, concurrentiebeding en rechtspraak
AvR Verzoekschrift om lidstaat Nederland te gelasten de werking van de Nederlandse Grondwet direct te schorsen
111 Waar de overheid enkeling niet beschermt in zijn vrijheid tegen de meerderheid zien we onderdrukking en dictatuur
109 Voor iedere topcrimineel is het van 't grootste belang dat hij in de publiciteit niet in zijn ware gedaante wordt geportretteerd"
134 Verzonnen verhalen over ouders kenmerk jeugdzorg en RvdK voor meer subsidie en kinderbeschermingsmaatregelen
Wat is het verschil tussen 107.000+ kindermishandelingen in "jeugdzorg PR-campagnes"
en het daadwerkelijke aantal veroordelingen van ouders wegens het plegen van kindermishandeling ieder jaar opnieuw?
334 Kritiek op rechtspraak via politiek kanaliseren dus infiltratie rechterlijke macht in het Ministerie van Justitie
468 Wat doet een informatiebewerker bij het Ministerie van Binnenlandse Zaken?
414 Wet Bijzondere Opsporingsbevoegdheden geeft inzicht in werkwijze OM en politie en opslaan gegevens over burgers
688 STASI NEDERLAND! De Staat wil burgers nog beter dan in de DDR in de gaten houden door invoering van kilometerheffing
623 Van alle electronische akten burgerlijke stand kan direct een dubbel worden gestuurd naar Justitiële Informatiedienst (JustID) Almelo
300 Liegen en bedriegen norm voor overheid/rechtspraak om burgers te demoniseren, kritiek op overheid zelf te onderdrukken
745 Burgers kansloos tegen RvdK en jeugdzorg omdat kinderrechters weigeren aan neutrale waarheidsvinding te doen
003 Zolang ouders zich alleen richten op procedures "zonder samenwerking met gezinsvoogd" is er geen vooruitgang mogelijk
OMR Omroep Gelderland 180608 Alles uit de kast, informatieve TV uitzending over het wraken van de kinderrechter
125 ONBEVOEGD UITSCHRIJVEN KIND UIT GEMEENTE DOOR "JEUGDZORG"! Bezwaar- en beroep GEGROND verklaard
419 Hoe bont moet je het maken voordat je als RECHTER wordt ontslagen? Voorbeeld 1!
555 Hoe bont moet je het maken voordat je als RECHTER wordt ontslagen? Voorbeeld 2!
470 Ongelijke doorlooptijden procedures ouders tegen RvdK/jeugdzorg representatief voor Nederlandse rechtspraak
557 Politiek gekonkel, handjeklap rechtersleger met gemeente! Pikmeer I, OM niet-ontvankelijk bij vervolging gemeente als verdachte
558 Politiek gekonkel, handjeklap rechtersleger met gemeente! Pikmeer II, OM niet-ontvankelijk bij vervolging gemeente als verdachte
655 Reactie rancuneuze jeugdzorg medewerker die in de bezwaarcommissie zit en zelf in hoger beroep een zaakje verliest
212 Moszkowicz sr: Valse aanklacht tegen vader gegrond maar ook dit kind blijft gevangen in gesubsidieerde voogdij
UWV Stichting UWV LEED komt op voor burgers die problemen hebben met uitkeringsinstantie UWV
569 Opschorting behandeling lopende procedures startende zelfstandigen tegen UWV
379 Alleen Groep Hop ging NIET AKKOORD met betaling LOSGELD per gekozen raadslid aan de Ermelose CDA-PR commissie
383 Farizeeërs gesignaleerd bij CHRISTELIJK college Groevenbeek, Ermelose ondernemingsvereniging, Stichting Pinel
406 De ontwikkeling van Nederland als informatie samenleving cruciaal voor arbeidsproductiviteit en sociale cohesi
352 Bent u ziek? Verzuimverzekeraar die als arbodienst fungeert rekent op medeplichtigheid werkgever
192 Jaarverslag 2005 Nederlands Instituut van Psychologen, de beroepsvereniging van psychologen
160 Moszkowicz sr. waarschuwt Geen omgang tussen kind en vader omdat er geen sprake is van incest
195 Klacht gegrond met Hop als gemachtigde tegen Mw Drs C. Snijder pedagoog PAR Amsterdam. Maatregel waarschuwing!
322 Klacht gegrond tegen psychiater in de zaak van vader H. met Hop als gemachtigde tegen GGZ Drenthe
285 Bedrijfsleven! Man moest succesvolle DSM loopbaan afbreken! Welk belang had DSM bij opsluiten van zijn vrouw?
389 Openbaar Ministerie" probeert namen, initialen, functies en bijbaantjes van OM-ambtenaren geheim te houden
005 Bedrijfsleven! Procederen tegen het Openbaar Ministerie met K.H. de Werd na problemen met werknemers van de vakbond
283 Overheid! Strijd werknemer tegen Gemeente Amsterdam een waarschuwing voor anderen die tegen gemeente procederen
680 Overheid! Om het systematisch klagen met Hop tegen jeugdzorg te voorkomen werd met spoed klacht wetgeving aangepast
104 Overheid! Ontslag werknemer wegens verstoorde verhoudingen na valsheid in geschrifte gepleegd door directeur
278 Gegevens uit het verleden als norm. Eindrapport Commissie Traa hoofdstuk 1-3
296 Gegevens uit het verleden als norm. Eindrapport Commissie Traa hoofdstuk 4-8
297 Gegevens uit het verleden als norm. Eindrapport Commissie Traa hoofdstuk 9-10
572 Ad Bos verklapte in 2001 het geheim van de bouwfraude en eindigt in camper in de gemeente Bergen Noord-Holland
334 Op patiëntenkaart Defensiemedewerker Fred Spijkers werden stiekem psychiatrische aantekeningen gezet
020 Wat zijn de kansen van de gemiddelde Nederlander die door de overheid wordt gedwarsboomd en getreiterd?
422 Commando's winnen strijd om behoud van de groene baret tegen bevelhebber KL Marcel Urlings en zijn patrol kleurige baret!

top
Censuur in Nederland ©
Stem Groep Hop in 2014