|
(546) Geld is Macht! Macht is Recht! Nederlandse rechtspraak met smerige streken! 030806-270509 DOORLOOPTIJD BIJNA DRIE JAAR procedure bezwaarschrift tegen Plan van Aanpak als representatief voorbeeld van die geweldige onpartijdige rechtspraak in Nederland als burgers tegen jeugdzorg procederen! Lachwekkend! Kinderbescherming zit niet meer bij rechter aan tafel. (1) (12) Lachwekkend! Nu bellen de vertegenwoordigers van de Staat met de kinderrechter buiten de hoorzitting om nog voordat een verzoek wordt ingediend! (101) (124) (180) Lachwekkend! UN heeft nog steeds niet op klacht van Hop tegen Nederland beslist als representatief voorbeeld van "corruptie van coalities" tussen UN en Nederland (95) (710) |
558 Hoge Raad der Nederlanden: Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk in zijn vervolging van de verdachte ter zake van het primair telastegelegde bewezenverklaard in die zin dat is aangenomen dat de verdachte, als hoofd van de afdeling nieuwe werken van de gemeente Boarnsterhim feitelijke leiding heeft gegeven aan de verboden gedraging van die gemeente. De verdachte is ter zake van "overtreding van een voorschrift, gesteld krachtens artikel 1, derde lid van de Wet verontreiniging oppervlaktewateren, opzettelijk begaan door een rechtspersoon, terwijl hij feitelijke leiding heeft gegeven aan de verboden gedraging" veroordeeld tot een geldboete van f 1.500,-, subsidiair 15 dagen hechtenis.
LJN: AA9342, Hoge Raad , 106160 E
Datum uitspraak: 06-01-1998
Rechtsgebied: Straf Soort procedure: Cassatie
Uitspraak 6
januari 1998 Overheid & werknemer, ziekteverzuim, re-integratieprojecten, ontslag, concurrentiebeding en rechtspraak
Strafkamer
nr. 106160 E
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof te
Leeuwarden,
Economische Kamer, van 12 november 1996 in de strafzaak tegen:
[verdachte], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1939, wonende
te [woonplaats].
1. De bestreden uitspraak
1.1. Na verwijzing van de zaak door de Hoge Raad bij arrest van 23 april
1996, heeft het Hof in hoger beroep - met vernietiging van een vonnis van
de Arrondissementsrechtbank te Leeuwarden, Economische Kamer, van 24
februari 1994 - de verdachte ter zake van "overtreding van een
voorschrift, gesteld krachtens artikel 1, derde lid van de Wet
verontreiniging oppervlaktewateren, opzettelijk begaan door een
rechtspersoon, terwijl hij feitelijke leiding heeft gegeven aan de
verboden gedraging" veroordeeld tot een geldboete van éénduizendvijfhonderd
gulden, subsidiair vijftien dagen hechtenis.
1.2. Het bestreden arrest is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel
uit.
2. Het cassatieberoep
Het beroep is ingesteld door de verdachte.
Namens deze heeft mr R.C.M. Kamsma, advocaat te
Leeuwarden, middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit
arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
3. De conclusie van het Openbaar Ministerie
De Advocaat-Generaal Fokkens heeft geconcludeerd tot vernietiging van de
bestreden uitspraak met verwijzing van de zaak naar een aangrenzend hof
teneinde op het bestaande hoger beroep te worden berecht en afgedaan.
4. Procesgang
4.1. Het gaat in de onderhavige zaak om een verdachte, aan wie is
telastegelegd, kort samengevat, primair dat de gemeente Boarnsterhim al
dan niet samen met de Grontmij N.V. in of omstreeks maart 1993 zonder
vergunning ongeveer 500 kubieke meter verontreinigde baggerspecie in het
Pikmeer heeft gestort, aan welke verboden gedraging de verdachte als hoofd
van de afdeling nieuwe werken van de gemeente
Boarnsterhim al dan niet samen met een of meer anderen feitelijke leiding
heeft gegeven, en subsidiair dat de verdachte zelf samen met een of meer
anderen toen en daar die verontreinigde baggerspecie zonder vergunning in
het Pikmeer heeft gestort.
4.2. De Rechtbank te Leeuwarden heeft bij vonnis van 24 februari 1994 het
primair telastegelegde bewezenverklaard en de verdachte veroordeeld tot
een geldboete van f 1.500,-, subsidiair 15 dagen hechtenis.
4.3.1. De verdachte heeft tegen dit vonnis hoger beroep ingesteld. In
hoger beroep heeft het Hof bij arrest van 6 juni 1995 het door de
Rechtbank gewezen vonnis vernietigd en het primair telastegelegde
bewezenverklaard in die zin dat is aangenomen dat de verdachte, als hoofd
van de afdeling nieuwe werken van de gemeente Boarnsterhim feitelijke
leiding heeft gegeven aan de verboden gedraging van die gemeente. De
verdachte is ter zake van "overtreding van een voorschrift, gesteld
krachtens artikel 1, derde lid van de Wet verontreiniging
oppervlaktewateren, opzettelijk begaan door een rechtspersoon, terwijl hij
feitelijke leiding heeft gegeven aan de verboden gedraging"
veroordeeld tot een geldboete van f 1.500,-, subsidiair 15 dagen
hechtenis.
4.3.2. In het zojuist vermelde hoger beroep is namens de verdachte het
verweer gevoerd dat het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk diende te
worden verklaard in de vervolging ter zake van het aan de verdachte
primair telastegelegde op de grond dat een publiekrechtelijke
rechtspersoon als de gemeente Boarnsterhim ter zake van het primair
telastegelegde niet kan worden vervolgd en derhalve ook niet de verdachte,
als uitvoerder van de door de bevoegde organen van de Gemeente genomen
besluiten.
Het Hof heeft dit verweer verworpen op grond van zijn oordeel dat, indien
de gemeente Boarnsterhim strafrechtelijk niet kan worden vervolgd, dit
niet
wegneemt dat zij strafbare feiten kan plegen en dat degene die feitelijke
leiding heeft gegeven aan de verboden gedragingen daarvoor kan worden
vervolgd.
4.4.1. Op het door de verdachte ingestelde cassatieberoep heeft de Hoge
Raad bij arrest van 23 april 1996, NJ 1996, 513, het in 4.3.1 genoemde
arrest van het Hof vernietigd en de zaak teruggewezen naar de Economische
Kamer van het Hof. De Hoge Raad knoopte aan bij het veronderstellenderwijs
door het Hof aangenomen uitgangspunt dat de Gemeente strafrechtelijk niet
kan worden vervolgd.
Kennelijk, aldus de Hoge Raad, heeft het Hof dit veronderstellenderwijs
aangenomen omdat het ervan is uitgegaan dat de Gemeente de verontreinigde
baggerspecie in het Pikmeer heeft gebracht in haar hoedanigheid van
openbaar lichaam als bedoeld in hoofdstuk 7 Gw en ter behartiging van een
aan haar als zodanig opgedragen bestuurstaak.
4.4.2. Op de voet van die veronderstelling diende
de Hoge Raad vervolgens in cassatie eveneens ervan uit te gaan dat de
Gemeente niet strafrechtelijk kan worden vervolgd voor de gedragingen die
in de primaire telastelegging zijn omschreven, omdat die gedragingen door
de Gemeente zijn verricht in haar hoedanigheid van openbaar lichaam als
bedoeld in hoofdstuk 7 Gw en ter behartiging van een aan haar als zodanig
opgedragen bestuurstaak.
Dit uitgangspunt bracht mee - aldus de Hoge Raad nog steeds in zijn arrest
van 23 april 1996 - dat in dat geval evenmin een strafvervolging wegens
het feitelijke leiding geven aan de verboden gedragingen tegen de
verdachte kan worden ingesteld. Immers: de vervolgbaarheid van een
rechtspersoon en die van degenen die tot het feit opdracht of daaraan
feitelijke leiding hebben gegeven zijn zo nauw met elkaar verbonden dat de
omstandigheid dat de rechtspersoon zelf niet vervolgd kan worden omdat
deze een openbaar lichaam is in de zin van Hoofdstuk 7 Gw en optreedt ter
vervulling van een in de wet opgedragen bestuurstaak, meebrengt dat een
strafvervolging evenmin kan worden ingesteld tegen ambtenaren en
arbeidscontractanten in dienst van het openbaar lichaam voor-zover zij in
die hoedanigheid ter uitvoering van die bestuurstaak opdracht hebben
gegeven tot of feitelijke leiding hebben gegeven aan de verboden gedraging
als bedoeld in art. 51, tweede lid, onder 2e, Sr.
De omstandigheid dat de feitelijke grondslag van het hypothetisch
aangenomen uitgangspunt niet vaststond, had tot gevolg dat het Hof na
terugwijzing - overeenkomstig hetgeen de Hoge Raad onder 7.2 van zijn
arrest had opgemerkt - alsnog diende te onderzoeken of de bedoelde
veronderstelling juist was. Bij een bevestigende beantwoording van die
vraag zou de verdachte ter zake van het subsidiair telastegelegde uit
hoofde van eigen daderschap kunnen worden vervolgd en veroordeeld, indien
overigens aan de voorwaarden daarvan zou zijn voldaan.
4.5. Na terugwijzing heeft het Hof bij het bestreden arrest wederom
beslist, zoals in 4.3.1 hiervoor is vermeld op gronden welke als volgt
kunnen worden samengevat.
4.5.1. Het wederom namens de verdachte gevoerde verweer dat het Openbaar
Ministerie niet-ontvankelijk is in zijn vervolging, omdat de verdachte
handelde als ambtenaar in dienst van de gemeente Boarnsterhim, die te
dezen strafrechtelijke immuniteit geniet, heeft het Hof verworpen. Het Hof
heeft daarentegen geoordeeld dat de Gemeente strafrechtelijk kan worden
vervolgd. Het heeft daartoe twee vragen onder ogen gezien.
De eerste vraag is of in het algemeen kan worden gezegd dat de Gemeente
bij het telastegelegde handelen is opgetreden ter behartiging van een haar
bij de wet opgedragen bestuurstaak.
De tweede is of de Gemeente ook in dit geval ter behartiging van een
zodanige bestuurstaak heeft gehandeld.
4.5.2. Het Hof heeft de beantwoording van de in 4.5.1 vermelde eerste
vraag niet willen beperken tot het telastegelegde brengen van vervuild
slib of baggerspecie in het Pikmeer, maar het heeft de beantwoording
geplaatst "in een ruimer kader van feitelijk handelen waarbinnen de
verweten gedraging heeft plaatsgevonden". In dat kader heeft het Hof
vastgesteld dat het in het Pikmeer gebrachte slib is vrijgekomen bij
baggerwerkzaamheden in een openbaar vaarwater, de Groundaem, teneinde dit
vaarwater op voor de scheepvaart aanvaardbare diepte te brengen.
Het Hof heeft vervolgens geoordeeld dat het afvoeren van het bij de
baggerwerkzaamheden vrijgekomen slib zozeer als een gevolg van die
baggerwerkzaamheden moet worden beschouwd dat het "in zijn
algemeenheid mogelijk is dat met het uitbaggeren van een gemeentewater en
het afvoeren van het daarbij vrijgekomen slib is gehandeld ter behartiging
van een aan de gemeente opgedragen bestuurstaak", aangezien de zorg
voor de instandhouding en de bruikbaarheid van de publieke wateren en
vaarten ingevolge artikel 209, aanhef en onder h, gemeentewet (oud) tot de
aan burgemeester en wethouders opgedragen taak behoort.
4.5.3. De in 4.5.1 vermelde tweede vraag, te weten of - in de bewoordingen
van het Hof - "de verdachte, en via hem de gemeente, ook in dit geval
ter behartiging van de haar als openbaar lichaam opgedragen taak heeft
gehandeld", heeft het Hof in rechtsoverweging 6.2.3 van het bestreden
arrest echter ontkennend beantwoord.
In dit verband heeft het Hof allereerst vastgesteld dat van het
uitbaggeren van de Groundaem door de Gemeente
"na ampele overweging bewust werd afgezien, juist vanwege het feit
dat het slib in de Groundaem met polycyclische aromatische
koolwaterstoffen (PAK's) was vervuild en voor de afvoer van het bij het
uitbaggeren vrijkomende slib geen financieel verantwoorde oplossing kon
worden gevonden".
Vervolgens heeft het Hof geoordeeld dat, indien wordt bewezen dat de
verdachte, en via hem de Gemeente, ondanks het ontbreken van een besluit
daartoe opdracht heeft gegeven in de Groundaem te baggeren en het
vrijgekomen slib in het Pikmeer te storten, die werkzaamheden niet zijn
verricht ter behartiging van de aan de Gemeente opgedragen taak, zodat de
Gemeente alsdan geen beroep op strafrechtelijke immuniteit toekomt dat
haar wel zou toekomen als tot de telastegelegde handelingen zou zijn
besloten of als de Gemeente achteraf daarvoor bestuurlijke
verantwoordelijkheid zou hebben aanvaard.
Op grond hiervan is het Hof tot de slotsom gekomen dat het Openbaar
Ministerie ontvankelijk is in zijn vervolging van de verdachte.
4.5.4. Hierna heeft het Hof na bewijsvoering het primair telastegelegde
bewezenverklaard, zoals is weergegeven in rechtsoverweging 8 van het
bestreden arrest. Daarbij heeft het Hof in een nadere bewijsoverweging 9.1
met betrekking tot het daderschap van de Gemeente overwogen dat de
verboden gedragingen van de verdachte aan de Gemeente moeten worden
toegerekend, omdat deze gedragingen in het maatschappelijk verkeer hebben
te gelden als gedragingen van de Gemeente. Voorts heeft het Hof in een
nadere bewijsoverweging 9.2 overwogen dat de verdachte, die als hoofd van
de afdeling nieuwe werken van de Gemeente ervan op de hoogte was dat in
strijd met de vergunning vervuild slib in het Pikmeer werd gestort, aan
die gedragingen feitelijke leiding heeft gegeven.
4.6. In cassatie zijn namens de verdachte drie middelen opgeworpen.
Het eerste middel richt zich tegen de rechtsoverwegingen 6.2.3 en 9.1 met
de klacht dat het Hof twee verschillende begrippen daderschap heeft
gehanteerd ten gevolge waarvan 's Hofs overwegingen innerlijk
tegenstrijdig zijn.
Het tweede middel komt op tegen de verwerping door het Hof van het
verweer, dat het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk moet worden
verklaard in zijn vervolging aangezien de Gemeente heeft gehandeld ter
behartiging van een haar opgedragen bestuurstaak.
Het derde middel klaagt over 's Hofs bewijsvoering en bewezenverklaring.
4.7. De Hoge Raad zal eerst het tweede middel behandelen, waarin de vraag
dient te worden beantwoord of de Gemeente zelf kan worden vervolgd, doch
laat daaraan voorafgaan een algemene beschouwing over strafrechtelijke
aansprakelijkheid van decentrale overheden.
5. Aan de beoordeling van het tweede middel voorafgaande beschouwingen
omtrent de strafrechtelijke aansprakelijkheid van decentrale overheden
5.1. Vooropstaat dat de overheid, zowel de Staat als decentrale overheden,
zoals provincies, gemeenten en waterschappen, zich als iedere burger dient
te houden aan de wet.
5.2. De vraag of en in hoeverre een decentrale overheid, zoals de
Gemeente, naast het bestaan van bestuurlijke en politieke controle,
strafrechtelijk kan worden aangesproken indien wordt gehandeld ter
behartiging van een bij de wet aan die overheid opgedragen bestuurstaak,
is in de wetsgeschiedenis welke ten grondslag ligt aan de totstandkoming
van art. 51 Sr ter sprake gekomen.
De Memorie van Toelichting bij het wetsvoorstel dat heeft geleid tot
invoering van art. 51 Sr houdt namelijk onder meer in:
"Bij een figuur die in zo uiteenlopende verschijningsvormen en
functies aan het maatschappelijk verkeer deelneemt als de
publiekrechtelijke rechtspersoon is de vraag of strafbaarheid in beginsel
dient te worden uitgesloten of aanvaard in het algemeen niet te
beantwoorden. Een zinvolle benadering lijkt alleen mogelijk, indien
onderscheid wordt gemaakt tussen verschillende casusposities. De meest
voor de hand liggende differentiatie is dan wel die waarbij onderscheid
wordt gemaakt al naar gelang het strafbare feit is te plaatsen in het
verband van de algemene of specifieke bestuurstaak waarmee het
publiekrechtelijk lichaam is belast dan wel is gepleegd binnen het kader
van een ondernemingsactiviteit die ook door particulieren wordt of kan
worden verricht. (...) In het tweede geval, wanneer de publiekrechtelijke
rechtspersoon als ondernemer heeft gehandeld, bestaat er geen voldoende
grond haar anders te bejegenen dan privaatrechtelijke rechtspersonen die
dezelfde of vergelijkbare ondernemingsactiviteiten verrichten.(...) Daarom
kan een bijzondere wettelijke voorziening beter achterwege blijven. Het
gaat hier om een weerbarstige materie die moeilijk in wetsbepalingen is te
vatten" (Kamerstukken II, 1975-1976, 13 655, nr. 3, blz. 21).
5.3. Aldus is er ruimte aan de rechter overgelaten om nadere vereisten
vast te stellen waaraan moet zijn voldaan, wil een publiekrechtelijke
rechtspersoon met toepassing van art. 51 Sr ter zake van een strafbaar
feit kunnen worden vervolgd.
Uit de rechtspraak blijkt reeds dat niet iedere gedraging van een lagere
overheid aan strafrechtelijke controle is onttrokken; vgl. HR 19 maart
1991, NJ 1992,122, HR 9 juni 1992, NJ 1992,794, HR 8 juli 1992, NJ
1993,12. De Hoge Raad heeft echter de strafrechtelijke immuniteit van
openbare lichamen in de zin van hoofdstuk 7 Gw erkend, indien deze een
gedraging verrichten ter behartiging van een bij de wet aan dergelijke
openbare lichamen opgedragen specifieke bestuurstaak (HR 27 okt. 1981, NJ
1982, 474; HR 10 nov. 1987, NJ 1988, 303). Aan het arrest van de Hoge Raad
van 23 april 1996 ligt deze regel mede ten grondslag. Nadere eisen zijn
aan het toekennen van die immuniteit tot heden niet gesteld.
5.4. De toepassing van laatstvermelde regel strookt met de bedoeling van
de wetgever, zoals deze uit de hiervoor geciteerde passages uit de
wetsgeschiedenis volgt; deze regel brengt tot uitdrukking dat bij de
uitvoering door een decentrale overheid van een specifiek aan haar
opgedragen bestuurstaak de rechtvaardiging van haar gedraging reeds
tevoren is gegeven, zodat zij niet behoort te worden vervolgd. Toepassing
van deze regel roept evenwel vragen op, omdat veelal niet scherp is
omlijnd in welke gevallen aan het hier besproken vereiste is voldaan; het
is immers doorgaans niet anders dan dat in de wet een bestuurstaak in min
of meer algemene termen wordt omschreven.
In een concreet geval zal de rechter derhalve moeten beoordelen of een
verweten gedraging in redelijkheid heeft te gelden als uitvoering van een
bij de wet opgedragen bestuurstaak. Daar komt bij dat toepassing van de
tot vervolgingsuitsluiting leidende regel niet in alle gevallen tot een
aanvaardbare oplossing leidt, met name niet in die gevallen waarin een
decentrale overheid bij de uitvoering van een bestuurstaak in ernstige
mate een met straf bedreigde norm overtreedt. De rechter komt immers niet
toe aan een concrete beoordeling van de vraag of en in hoeverre de
uitvoering van de overheidstaak in het geval in kwestie nog
gerechtvaardigd is in het licht van een afweging van de betrokken belangen
en met inachtneming van beginselen van proportionaliteit en
subsidiariteit.
5.5. De Hoge Raad heeft daarom de vraag onder ogen gezien of de onder 5.4
bedoelde regel, gelet op de rechtsontwikkeling, thans precisering behoeft.
Die vraag dringt zich op tegen de achtergrond van de navolgende
ontwikkelingen die zich sedert de invoering van art. 51 Sr op het gebied
van de taakomschrijving en de taakuitoefening van decentrale overheden
hebben voorgedaan:
- Belangrijke nieuwe wetten omschrijven de aan de decentrale overheid
opgedragen taken minder specifiek dan voorheen veelal het geval was. Zo
kent de huidige Gemeentewet niet een opsomming van taken als voorkwam in
art. 209 gemeentewet. Ook art. 2 van de Waterschapswet bevat een meer
globale taakomschrijving dan de Waterstaatswet 1900 of de Bevoegdhedenwet
waterschappen inhield.
- In de bestuurlijke praktijk hebben zich ten aanzien van de in Hoofdstuk
7 Gw bedoelde openbare lichamen vormen van taakuitoefening ontwikkeld die
meebrachten dat taken waarvoor de zorg aan een publiekrechtelijke
rechtspersoon is opgedragen, niet door deze zelf worden verricht maar door
privaatrechtelijke rechtspersonen, waarin de overheid in meer of mindere
mate zeggenschap heeft, of door middel van andere vormen van privatisering
of publiek-private samenwerking. Hierbij kan bijvoorbeeld worden gedacht
aan het ophalen van afvalstoffen, de monumentenzorg of aan het onderhoud
aan wegen en waterwegen.
- Vele taken waarvoor de zorg aan een openbaar
lichaam is opgedragen of die een openbaar lichaam zich heeft aangetrokken,
worden ook door privaatrechtelijke rechtspersonen verricht, zoals
bijvoorbeeld het geval is bij bodemsanering, het bouwrijp maken van
gronden, het gelegenheid bieden tot parkeren.
- De gewijzigde opvatting met betrekking tot de strafbaarheid van lagere
overheden, in die zin dat er meer ruimte aanwezig moet zijn dan tot
dusverre in de jurisprudentie wordt aangenomen, om tot strafvervolging te
kunnen overgaan, wordt blijkens verscheidene publicaties in brede
maatschappelijke kringen gedragen en blijkt uit de doctrine.
- Ook in de Tweede Kamer der Staten-Generaal is het duidelijke gevoelen
naar voren gekomen dat de mogelijkheden die de hiervoor onder 5.3 bedoelde
jurisprudentiële regel biedt tot strafrechtelijke handhaving jegens
lagere overheden te beperkt zijn. Verwezen wordt naar het naar aanleiding
van de regeringsnota "Strafrechtelijke aansprakelijkheid van
overheidsorganen" (Kamerstukken II, 1996-1997, 25 294, nr. 2) met de
Vaste Kamercommissie voor Justitie gevoerde overleg (t.a.p., 25 294, nr.
5). In het bijzonder verdient in dit verband de aandacht dat de Tweede
Kamer der Staten Generaal de motie Rehwinkel c.s. (t.a.p., 25 294, nr. 3)
vrijwel met algemene stemmen heeft aangenomen. In deze motie wordt
vooropgesteld dat ook overheden in beginsel strafrechtelijk vervolgbaar
dienen te zijn en dat de huidige jurisprudentie ertoe leidt dat feitelijk
de mogelijkheden tot strafrechtelijke handhaving jegens overheden zeer
beperkt zijn.
5.6. In de motie Rehwinkel c.s. wordt de regering verzocht om
voorbereidingen tot wetswijziging in gang te zetten, waardoor de
mogelijkheden tot strafrechtelijke vervolging van overheden worden
verruimd. Deze bewoordingen alsmede de interpretatie die de Minister van
Justitie daaraan heeft gegeven - te weten als een uitnodiging om de
gedachtevorming over nadere regelgeving te stimuleren (t.a.p., 25 294, nr.
6) - wijzen er op dat er thans niet zodanig omlijnde voorbereidingen tot
wetgeving worden getroffen dat deze de Hoge Raad tot terughoudendheid
zouden moeten nopen in het ontwikkelen van nieuwe jurisprudentie op het
hier aan de orde zijnde onderwerp.
Uit de in 5.5 omschreven ontwikkelingen en de gewijzigde opvattingen,
zoals deze mede blijken uit de parlementaire discussie en uit de door de
Tweede Kamer aangenomen motie, volgt dat er thans sprake is van een
zodanig algemene opvatting dat lagere overheden in ruimere mate vervolgd
moeten kunnen worden, dat de Hoge Raad aanleiding vindt de in 5.3 bedoelde
regel, die in een aantal gevallen tot uitkomsten leidt die maatschappelijk
als ongewenst worden ervaren, te heroverwegen. Daarbij verdient
aantekening dat de tekst van art. 51 Sr noch de wetsgeschiedenis welke
daaraan ten grondslag ligt, daaraan in de weg staat, teminder waar de
wetsgeschiedenis uitdrukkelijk vermeldt dat het hier gaat om een
weerbarstige materie die moeilijk in wetsbepalingen is te vatten en dus
aan de rechter wordt overgelaten (vgl. Kamerstukken II, 1975-1976, 13 655,
nr. 3, blz. 21).
5.7. Een meer bevredigende, aan de hiervoor genoemde ontwikkelingen
aangepaste uitkomst kan als volgt worden bereikt. Enerzijds dient de
immuniteit van een openbaar lichaam als bedoeld in hoofdstuk 7 Gw slechts
dan te worden aangenomen als de desbetreffende gedragingen naar haar aard
en gelet op het wettelijk systeem rechtens niet anders dan door
bestuursfunctionarissen kunnen worden verricht in het kader van de
uitvoering van de aan het openbaar lichaam opgedragen bestuurstaak, zodat
uitgesloten is dat derden in zoverre op gelijke voet als het openbaar
lichaam aan het maatschappelijk verkeer deelnemen.
In andere gevallen is er wegens de hier te betrachten gelijkheid geen
aanleiding immuniteit aan het openbaar lichaam te verlenen en geldt deze
evenmin voor de in art. 51, tweede lid onder 2E, Sr bedoelde personen.
Anderzijds dient aansluiting te worden gezocht bij het in het strafrecht
ontwikkelde stelsel van rechtvaardigingsgronden.
5.8. Indien tegen een openbaar lichaam dan wel tegen de opdrachtgevers of
leidinggevers een vervolging
wordt ingesteld, kan de rechter met hantering van het stelsel van
rechtvaardigingsgronden beslissen dat de verweten en ter behartiging van
een specifieke bestuurstaak verrichte gedraging, hoewel strijdig met
wettelijke voorschriften, in de omstandigheden van het geval
gerechtvaardigd is en daarom tot straffeloosheid moet leiden.
5.9. In geval de in aanmerking komende belangen de rechter geen reden
hebben gegeven tot het aannemen van straffeloosheid op grond van de
aanwezigheid van een rechtvaardigingsgrond, is het niet uitgesloten dat de
strafrechter, diezelfde belangen opnieuw afwegend, tot een andere
bestraffing komt dan in het geval waarin een privaatrechtelijke
rechtspersoon een vergelijkbare verboden gedraging zou hebben verricht.
5.10. Bij het vorenstaande moet nog het volgende worden aangetekend.
Het vervolgen van decentrale overheden is op zichzelf niet strijdig met
het stelsel van politieke verantwoordelijkheid van ambtsdragers binnen die
lichamen, voorzover daarin wettelijk is voorzien, noch met het stelsel van
op die lichamen uitgeoefend toezicht. Beide stelsels nemen een eigen
plaats in.
Voorts heeft het openbaar ministerie op de voet van de art. 167 en 242 Sv
de bevoegdheid strafvervolging achterwege te laten of af te zien van
verdere strafvervolging in geval een en ander strijdig zou zijn met het
algemeen belang, waarbij ten aanzien van het vervolgingsbeleid ingevolge
art. 5 RO aanwijzingen kunnen worden gegeven door de Minister van
Justitie. Een reden van algemeen belang kan bijvoorbeeld zijn gelegen in
de omstandigheid dat ingrijpen van de strafrechter ontijdig is of de goede
gang van een bestuurlijk proces verstoort.
5.11. Tenslotte moet worden opgemerkt dat de eisen van een behoorlijke
procesorde in verband met het belang van de rechtszekerheid meebrengen dat
in de onderhavige zaak de Hoge Raad blijft uitgaan van de oordelen en
beslissingen waartoe hij in zijn arrest van 23 april 1996, NJ 1996, 513,
is gekomen.
6. Beoordeling van het tweede middel
6.1. Bij zijn arrest van 23 april 1996 heeft de Hoge Raad geoordeeld dat
de omstandigheid dat de rechtspersoon zelf niet kan worden vervolgd omdat
deze een openbaar lichaam is in de zin van Hoofdstuk 7 Gw en optreedt ter
vervulling van een in de wet opgedragen bestuurstaak, meebrengt dat
strafvervolging evenmin kan worden ingesteld tegen ambtenaren en
arbeidscontractanten in dienst van het openbaar lichaam indien deze in die
hoedanigheid ter uitvoering van die bestuurstaak opdracht hebben gegeven
tot of feitelijke leiding hebben gegeven aan de verboden gedraging.
Dientengevolge moet eerst worden beoordeeld of in dit geval de Gemeente
zelf kan worden vervolgd. Indien dit niet het geval is, zal het Openbaar
Ministerie niet ontvankelijk zijn in de vervolging van de verdachte ter
zake van het primair telastegelegde.
Het middel stelt dit punt aan de orde.
6.2. Het primair telastegelegde houdt als gedraging van de gemeente
Boarnsterhim in hetgeen in 4.1 kort samengevat is weergegeven.
Het Hof heeft blijkens de bestreden uitspraak vastgesteld:
(i) dat het in die telastelegging bedoelde slib was vrijgekomen bij
baggerwerkzaamheden in de Groundaem en dat die baggerwerkzaamheden ertoe
strekten om dat - in de gemeente Boarnsterhim gelegen - publieke vaarwater
op voor de scheepvaart vereiste diepte te brengen;
(ii) dat het storten van de verontreinigde baggerspecie in het Pikmeer
niet van die baggerwerkzaamheden kan worden geïsoleerd.
6.3. Op grond van deze vaststellingen had het Hof, gelet op art. 209,
aanhef en onder h, gemeentewet(oud), reeds aanstonds tot geen ander
oordeel kunnen komen dan dat de in het primair telastegelegde vervatte
gedraging van de Gemeente een haar als zodanig bij de wet opgedragen
overheidstaak betreft.
Uit het voorafgaande volgt, gelet op het onder 5.11 overwogene, dat het
Openbaar Ministerie in de onderhavige zaak niet-ontvankelijk is in zijn
vervolging van de verdachte ter zake van het primair telastegelegde. De in
het middel daarop gerichte klachten zijn derhalve gegrond. De Hoge Raad
kan in zoverre zelf recht doen.
7. Slotsom
Uit het hiervoor onder 6 overwogene volgt dat de bestreden uitspraak niet
in stand kan blijven, het eerste en het derde middel geen bespreking
behoeven en beslist moet worden als volgt.
8. Beslissing
De Hoge Raad:
Vernietigt de bestreden uitspraak, behoudens voorzover daarbij het vonnis
van de Rechtbank is vernietigd;
Verklaart het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk in zijn vervolging van
de verdachte ter zake van het primair telastegelegde;
Verwijst de zaak naar de Economische Kamer van het Gerechtshof te Arnhem
teneinde op het bestaande beroep te worden berecht en afgedaan ter zake
van het aan de verdachte subsidiair telastegelegde.
Dit arrest is gewezen door de vice-president Haak als voorzitter, en de
raadsheren Davids, Koster, Corstens en Aaftink, in bijzijn van de griffier
Bogaert, en uitgesproken op 6 januari 1998.
AvR
Verzoekschrift om lidstaat Nederland te gelasten de werking van de Nederlandse Grondwet direct te schorsen
111
Waar de overheid enkeling niet beschermt in zijn vrijheid tegen de meerderheid zien we onderdrukking en dictatuur
109
Voor iedere topcrimineel is het van 't grootste belang dat hij in de publiciteit niet in zijn ware gedaante wordt geportretteerd"
134
Verzonnen verhalen over ouders kenmerk jeugdzorg en RvdK voor meer subsidie en kinderbeschermingsmaatregelen
Wat is het verschil tussen 107.000+ kindermishandelingen in "jeugdzorg PR-campagnes"
en het daadwerkelijke aantal veroordelingen van ouders wegens het plegen van kindermishandeling ieder jaar opnieuw?
334
Kritiek op rechtspraak via politiek kanaliseren dus infiltratie rechterlijke macht in het Ministerie van Justitie
468
Wat doet een informatiebewerker bij het Ministerie van Binnenlandse Zaken?
414
Wet Bijzondere Opsporingsbevoegdheden geeft inzicht in werkwijze OM en politie en opslaan gegevens over burgers
688
STASI NEDERLAND! De Staat wil burgers nog beter dan in de DDR in de gaten houden door invoering van kilometerheffing
623
Van alle electronische akten burgerlijke stand kan direct een dubbel worden gestuurd naar Justitiële Informatiedienst (JustID) Almelo
300
Liegen en bedriegen norm voor overheid/rechtspraak om burgers te demoniseren, kritiek op overheid zelf te onderdrukken
745
Burgers kansloos tegen RvdK en jeugdzorg omdat kinderrechters weigeren aan neutrale waarheidsvinding te doen
003
Zolang ouders zich alleen richten op procedures "zonder samenwerking met gezinsvoogd" is er geen vooruitgang mogelijk
OMR
Omroep Gelderland 180608 Alles uit de kast, informatieve TV uitzending over het wraken van de kinderrechter
125
ONBEVOEGD UITSCHRIJVEN KIND UIT GEMEENTE DOOR "JEUGDZORG"! Bezwaar- en beroep GEGROND verklaard
419
Hoe bont moet je het maken voordat je als RECHTER wordt ontslagen? Voorbeeld 1!
555
Hoe bont moet je het maken voordat je als RECHTER wordt ontslagen? Voorbeeld 2!
470
Ongelijke doorlooptijden procedures ouders tegen RvdK/jeugdzorg representatief voor Nederlandse rechtspraak
557
Politiek gekonkel, handjeklap rechtersleger met gemeente! Pikmeer I, OM niet-ontvankelijk bij vervolging gemeente als verdachte
558
Politiek gekonkel, handjeklap rechtersleger met gemeente! Pikmeer II, OM niet-ontvankelijk bij vervolging gemeente als verdachte
655
Reactie rancuneuze jeugdzorg medewerker die in de bezwaarcommissie zit en zelf in hoger beroep een zaakje verliest
212
Moszkowicz sr: Valse aanklacht tegen vader gegrond maar ook dit kind blijft gevangen in gesubsidieerde voogdij
UWV
Stichting UWV LEED komt op voor burgers die problemen hebben met uitkeringsinstantie UWV
569
Opschorting behandeling lopende procedures startende zelfstandigen tegen UWV
379
Alleen Groep Hop ging NIET AKKOORD met betaling LOSGELD per gekozen raadslid aan de Ermelose CDA-PR commissie
383
Farizeeërs gesignaleerd bij CHRISTELIJK college Groevenbeek, Ermelose ondernemingsvereniging, Stichting Pinel
406
De ontwikkeling van Nederland als informatie samenleving cruciaal voor arbeidsproductiviteit en sociale cohesi
352
Bent u ziek? Verzuimverzekeraar die als arbodienst fungeert rekent op medeplichtigheid werkgever
192
Jaarverslag 2005 Nederlands Instituut van Psychologen, de beroepsvereniging van psychologen
160
Moszkowicz sr. waarschuwt Geen omgang tussen kind en vader omdat er geen sprake is van incest
195
Klacht gegrond met Hop als gemachtigde tegen Mw Drs C. Snijder pedagoog PAR Amsterdam. Maatregel waarschuwing!
322
Klacht gegrond tegen psychiater in de zaak van vader H. met Hop als gemachtigde tegen GGZ Drenthe
285
Bedrijfsleven! Man moest succesvolle DSM loopbaan afbreken! Welk belang had DSM bij opsluiten van zijn vrouw?
389
Openbaar Ministerie" probeert namen, initialen, functies en bijbaantjes van OM-ambtenaren geheim te houden
005
Bedrijfsleven! Procederen tegen het Openbaar Ministerie met K.H. de Werd na problemen met werknemers van de vakbond
283
Overheid! Strijd werknemer tegen Gemeente Amsterdam een waarschuwing voor anderen die tegen gemeente procederen
680
Overheid! Om het systematisch klagen met Hop tegen jeugdzorg te voorkomen werd met spoed klacht wetgeving aangepast
104
Overheid! Ontslag werknemer wegens verstoorde verhoudingen na valsheid in geschrifte gepleegd door directeur
278
Gegevens uit het verleden als norm. Eindrapport Commissie Traa hoofdstuk 1-3
296
Gegevens uit het verleden als norm. Eindrapport Commissie Traa hoofdstuk 4-8
297
Gegevens uit het verleden als norm. Eindrapport Commissie Traa hoofdstuk 9-10
572
Ad Bos verklapte in 2001 het geheim van de bouwfraude en eindigt in camper in de gemeente Bergen Noord-Holland
334
Op patiëntenkaart Defensiemedewerker Fred Spijkers werden stiekem psychiatrische aantekeningen gezet
020
Wat zijn de kansen van de gemiddelde Nederlander die door de overheid wordt gedwarsboomd en getreiterd?
422
Commando's winnen strijd om behoud van de groene baret tegen bevelhebber KL Marcel Urlings en zijn patrol kleurige baret!