| Citaat: "De heer Hop was als voortrekker bezig het systeem lam te leggen. In eerste instantie werd in dit kader gebruik gemaakt van hinderlijke, maar wel legale middelen als het systematisch klagen en het systematisch om informatie vragen" Bron Regel 21, 22 en 23 Pleitnotities advocaat X overheid op de hoorzitting van het Hof van Discipline 150304. |
Project kinderbescherming niet meer bij rechter aan tafel
Project bijbanen rechterlijke macht op internet
Project strijd om afgifte contactjournaal gezinsvoogd
Project bijbanen bestuurders Nederlandse gemeenten op internet
Project bezwaar en beroep tegen besluiten jeugdzorg bij kinderbeschermingsmaatregelen
Project bijbanen raadsgriffier op internet
Project bijbanen gemeentesecretaris op internet
Project namen en nevenfuncties commissie bezwaarschriften op internet
Innovatief en toekomstgericht: Project 31
Project beveiliging redacteur tegen overheid en rechtersleger
Catshuisbrand. Ing. P.B. (Peter) Reijman: "Het was de landsadvocaat die te kennen gaf dat het concept niet tot een definitieve versie moest worden verheven" De onzekerheidsmarge van het rapport volgt uit de keuze om geen aanvullend onderzoek te laten plaatsvinden dat stelliger uitspraken verantwoord zou kunnen maken.
DEN HAAG (ANP) - Een gevoelig TNO-rapport uit 2004 over de brand in het Catshuis was zo goed als afgerond toen het in de lade belandde. Premier Jan Peter Balkenende sprak eerder deze maand van een ,,onvoldragen rapport met gebreken''. De brandexpert die het onderzoek voor TNO uitvoerde, bestrijdt dat. Volgens hem was zijn onderzoek ,,alleen formeel onvoldragen''. Dat schrijft de onderzoeker, Peter Reijman, maandag in een open brief aan NRC Handelsblad. Reijman stelt dat de landsadvocaat heeft besloten dat er geen definitieve versie van het TNO-rapport zou komen. De brandexpert kreeg vervolgens te horen dat hij een geheimhoudingsplicht had. Reijman concludeerde na onderzoek in het Catshuis dat de brand in de ambtswoning van de premier waarschijnlijk niet uitsluitend is veroorzaakt door gebruik van het verboden oplosmiddel thinner. Ook zeer brandbare wandbekleding heeft mogelijk bijgedragen aan een korte felle brand, waarbij een schilder om het leven kwam. Reijman, die het rapport schreef, werkt inmiddels niet meer voor TNO.
Brandonderzoek naar aanleiding van een brand op het Catshuis op 15 mei 2004, door Peter Reijman
In de media wordt onder andere na de publicatie van vertrouwelijke stukken door RTL nieuws veel aandacht besteed aan het TNO rapport. De uitlatingen in de media zijn daarbij gebaseerd op hetgeen in de gepubliceerde stukken wordt gemeld. Het beeld dat hierdoor over het TNO rapport ontstaat behoeft echter nuancering. In het vervolg van dit stuk wordt deze nuancering aangebracht door de onderzoeker. Omdat de onderzoeker inmiddels niet meer in dienst is van TNO kan deze verklaring niet worden beschouwd als afkomstig van, of als weergave van de mening van TNO.
Op 16 juni 2004 kreeg Peter Reijman een telefonisch verzoek van een expertisebureau om
een onderzoek uit te voeren naar de brand van 15 mei 2004 in het Catshuis.
Het betrof een niet nader omschreven onderzoeksopdracht dan “de brand onderzoeken” op
verzoek van de Rijksgebouwendienst.
Op 17 juni 2004 begaf Reijman zich naar het Catshuis en meldde zich in het naast het
Catshuis gelegen Koetshuis, waar hij ontvangen werd door een intendant van het Catshuis.
Die bracht hem naar de betreffende Herenkamer waar de noodlottige brand had
plaatsgevonden.
Daar werd hij alleen gelaten om in alle rust zijn brandonderzoek uit te voeren.
Een brandonderzoek bestaat in aanvang uit het verzamelen van informatie over het pand of
de betreffende ruimte waar de brand heeft plaatsgevonden. De informatie bestaat in de regel
uit het opnemen of doornemen van verklaringen van getuigen over de situatie die in de
brandruimte heerste op het moment dat de brand ontstond.
Een tweede deel van het onderzoek bestaat uit het technisch sporenonderzoek waarbij de
brandsporen in de brandruimte worden beoordeeld. De aantasting van materialen en
constructies geeft een beeld van de intensiteit van de brand, de tijdsduur waarin de brand
heeft gewoed en –soms- hoe de brand zich door de ruimte heeft verplaatst. Door het
brandbeeld te “lezen” kan vaak worden bepaald waar in de ruimte de brand is aangevangen,
en kan vervolgens op die plaats de oorzaak van de brand worden gezocht. De bepaling van
het brandverloop wordt daarmee een wezenlijk onderdeel van de zoektocht naar de oorzaak
van de brand. Brandoorzaak en brandverloop zijn daarmee in het onderzoek onlosmakelijk
met elkaar verbonden.
De informatie die vooraf namens de opdrachtgever ter beschikking is gesteld betrof de
afgelegde verklaringen van het schildersbedrijf en van de schilder die de brand heeft
overleefd (verder te noemen : schilder A). Deze was in de Herenkamer aanwezig op het
moment dat de ontsteking plaatsvond. Hij kon echter vluchten en bleef gelukkig ongedeerd.
De andere in de ruimte aanwezige schilder (schilder B) moest het gebeuren met de dood
bekopen.
Gewapend met, met name de verklaring van schilder A werd het sporenonderzoek gestart.
Beperkte inbrandingsdiepten werden aangetroffen in houten constructiedelen. Plaatselijk
werden zwaardere inbrandingen gezien. Hieruit kon worden opgemaakt dat er sprake is
geweest van een korte, felle brand waarbij enkele houten delen langer zijn blijven branden
De brandstof die in de korte tijd kon worden ontstoken was blijkbaar slechts voldoende voor
een kortdurende brand.
Ook in de houten parketvloer werden wisselende inbrandingsporen waargenomen: delen van
het oppervlak vertoonden geen inbrandingen, andere vertoonden enige inbranding.
Inbrandingen tot op vloerniveau duiden op een explosieve verbranding. Bij een dergelijke
verbranding zal de gehelde ruimte zich van het ene op het ander moment vullen met vuur. Bij
voldoende brandstof in de vorm van brandbaar materiaal zal de brand blijven voortduren en
mogelijk overslaan naar aangrenzende ruimten. Daarvoor is echter ook zuurstof nodig. Juist
bij een zeer snelle of zelfs explosieve verbranding kan de aanwezige zuurstof in één keer
opgebruikt worden. De brand dooft dan. Als vervolgens via openingen zoals open deuren of
ramen lucht de ruimte instroomt kan de brand weer oplaaien als die lang genoeg heeft
geduurd om materialen tot boven de zelfontbrandingstemperatuur te verhitten. Zoniet, dan
blijft het bij die explosieve verbranding.
Uit de verklaring van schilder A blijkt dat ca. 12 liter thinner was uitgegoten over de vloer
toen hij ter hoogte van een in de ruimte aanwezige open haard een blauwe vlam zich over
het thinneroppervlak zag verspreiden. Hierover verklaart hij: “Ik zag ineens vuur op de vloer
ter hoogte van de rechtervoorzijde van de haard. Het waren blauwe vlammetjes. Heel snel
greep het vuur om zich heen. De vloer en de wandbekleding vatten razendsnel vlam, het
gebeurde in een fractie van een seconde”. De verklaring leek te duiden op een ontsteking
vanuit de open haard. De open haard werd daarop onderzocht als mogelijke ontstekingsbron.
Toen de stand van de schakelaars werd beoordeeld, bleken deze in de hoogste stand te
staan. Een op vol vermogen brandende open haard was zeer onwaarschijnlijk omdat de
schilders dat hadden moeten zien. Dat was niet het geval geweest, Reijman kan op dat
moment niet anders concluderen dan dat de gaskraan naar de openhaard moet hebben
dichtgestaan en dat schakelaars in de hoogste stand zijn blijven staan na het laatste gebruik
van de open haard ruim vóór de brand.
De waarneming van schilder A van de eerste vlam hoeft niet per te duiden op ontsteking in
de open haard. De waarneming is een momentopname en niet uitgesloten kan worden dat
bijvoorbeeld achter hem een ontsteking had plaatsgevonden en hij een fractie van seconden
later de vlammen nabij de open haard zag. Daardoor blijft een tweetal andere mogelijke
ontstekingsbronnen over. Zo kan thinner door in de parketvloer aanwezige luikjes zijn
gestroomd, waardoor in de stopcontacten onder deze luikjes een vonk is veroorzaakt die de
thinner heeft ontstoken. Daarnaast was schilder B in de ruimte bezig een schuurmachine te
preparen voor gebruik nadat de waslaag van de vloer met de thinner zou zijn verwijderd. Het
is theoretisch mogelijk dat schilder B ter controle de schuurmachine heeft aangezet waarbij
een (schakel)vonk is ontstaan die de thinner heeft ontstoken. Deze twee mogelijke
ontstekingsbronnen kunnen op basis van aangetroffen brandsporen worden bevestigd noch
uitgesloten.
Brandbare vloeistoffen branden zelf niet. Feitelijk is het de damp van een vloeistof die in een
mengsel met lucht brandt. De damp van thinner is zwaarder dan lucht, en blijft daarom
boven het vloeistofoppervlak hangen. Het is daardoor niet mogelijk dat thinnerdampen zich
boven in de ruimte hebben verzameld om vervolgens vertraagd te worden ontstoken. Als
schilder A de eerste vlammen op het oppervlak ziet, zal binnen enkele seconden het
thinneroppervlak tot ontbranding zijn gekomen. Als dit in de explosieve verbranding zou zijn
geëindigd, dan zouden beide schilders de brand niet hebben overleefd. Schilder A heeft de
tijd gehad om de deur van de ruimte te bereiken. Als hij in de gang is hoort hij hoe door de
overdruk van de explosieve verbranding een deur dichtslaat, en voelt hij een vuurgolf achter
zich, komende vanuit de Herenkamer. Dit duidt op een vertraging tussen het ontbranden van
thinnerdamp en de grote explosieve verbranding. Dit wordt verklaard door de dan ontstoken
wandbekleding.
Zelfs als de totale hoeveelheid aanwezig thinner in één keer over het vloeroppervlak wordt
verdeeld ontstaat een gemiddelde vloeistofdikte van niet meer dan 0,36 mm. Thinner brandt
net zoals veel andere brandbare vloeistoffen af met een snelheid van rond 5 mm per minuut.
De genoemde vloeistofdikte leidt tot een theoretische brandduur van ca. 4 seconden. De
brandende thinner alleen lijkt dan ook onvoldoende om de aanzienlijke brandschade in de
omgeving van de herenkamer, zoals die is aangetroffen tijdens het sporenonderzoek te
verklaren. Ook kan de brandende thinner alleen niet verklaren waarom schilder B niet de
gelegenheid heeft gehad de ruimte te ontvluchten zoals dat zijn collega wel lukte. Alles duidt
erop dat een andere factor nodig is om de explosieve verbranding te verklaren. Hierop richt
het onderzoek zich op de wanden van de ruimte waardop alleen horizontale houten latten
aanwezige zijn. Ook deze latten zijn beperkt ingebrand. Grenzend aan de Herenkamer is een
kantoorruimte die wordt aangeduid als de Catskamer. De toegangsdeur van deze ruimte
draait in de richting van de Herenkamer en staat in geopende stand tegen de wand van de
Herenkamer. Achter deze geopende deur wordt boven de houten plint een smalle strook
stoffen wandbekleding aangetroffen (afmetingen 20 cm x 80 cm). De strook wordt
veiliggesteld voor laboratoriumonderzoek naar het brandgedrag van de stof. De hoeveelheid
is beperkt maar voldoende voor een oriënterend onderzoek. Dit onderzoek wijst uit dat de
stof als dusdanig brandbaar moet worden aangemerkt dat dit mogelijk een rol van betekenis
heeft gespeeld in het uiteindelijke schadebeeld en in de aard van de (dodelijke)
verwondingen van de in de schilder. Omdat de stof op de houten latten was gespannen is
een zeer snelle branduitbreiding erlangs mogelijk.
Het onderzoek ter plaatse heeft geen aanwijzingen voor andere mogelijke bronnen van de
explosieve verbranding opgeleverd.
Zoals te doen gebruikelijk wordt hierop een conceptrapportage opgesteld waarin de
bevindingen van het onderzoek zijn beschreven.
Het onderzoek heeft vervolgens geruime tijd stil gelegen vanwege het wachten op een
rapportage van onderzoekers van verzekeraar. Deze rapportage bood echter geen informatie
op basis waarop de conceptrapportage zou moeten worden aangepast. Op 24 juni 2005 werd
Reijman uitgenodigd voor voortgangsoverleg ten kantore van de landsadvocaat te Den Haag.
Diverse ambtenaren waren bij het overleg aanwezig. Toen Reijman aangaf de
conceptrapportage gereed te hebben werd deze onder de aanwezige verspreid. De
aanwezigen lazen de rapportage kort door waarna Reijman een toelichting gaf op de inhoud.
De aanwezigen waren zichtbaar geschokt over de analyse en vroegen door over de mate van
zekerheid van de bevindingen. Reijman gaf aan dat de test op de strook stof een oriënterend
karakter had maar dat de resultaten helder waren. Een formele (genormaliseerde) bepaling
van het brandgedrag van alle bekledingsstoffen is mogelijk, maar daarvoor is per stof een
grotere hoeveelheid nodig. De aanwezigen zullen nagaan of de stoffen met spoed kunnen
worden besteld om te worden getest. Tijdens het gesprek stelde Reijman dat de brand in veel
opzichten vergelijkbaar is met de Nieuwjaarbrand te Volendam.
In het gesprek werden ook de bevindingen m.b.t. de open haard besproken. Reijman werd
medegedeeld dat de openhaard in de herenkamer in de dagelijks praktijk werd bediend met
een afstandbediening. De open haard kon dus wel op de waakvlam hebben gestaan met de
regelknop van de haard zelf in de hoogste stand. Op basis van deze nieuwe informatie zegde
Reijman toe dit deel van het rapport in de definitieve versie aan te passen. De haard wordt
daarmee ook een potentiële ontstekingsbron.
Eén of enkele dagen later werden op het laboratorium van TNO een twintigtal lapjes stof
afgeleverd met zeer beperkte afmetingen (ca. 10 cm x 10 cm). Deze afmetingen zijn
onvoldoende om brandbaarheidstests op uit te voeren. Benodigd zijn drie stukken stof van
ca. 30 cm x 100 cm van ieder stoftype. Een lijst met de samenstelling van alle in de
Herenkamer aanwezige stoffen werd voorgelegd aan de verantwoordelijke laborant. Die stelt
dat op basis van de samenstelling van de overige stoffen mag worden aangenomen dat deze
minstens zo brandbaar zijn als de onderzochte strook stof.
Hierop is op 29 juni 2005 een tweede vergadering belegd ten kantore van de landsadvocaat.
Ook nu waren ambtenaren bij het gesprek aanwezig. Bij deze gelegenheid legde Reijman uit
dat de kleine lapjes stof onvoldoende waren voor een onderzoek, maar dat de lijst met de
samenstelling van de overige stoffen niets te raden laat m.b.t. het brandgedrag. Men blijft
ongelukkig met de analyse. De bijeenkomst wordt besloten met de mededeling dat verdere
activiteiten m.b.t. het brandonderzoek dienden te worden gestaakt en dat hierover
binnenkort een bericht zou volgen. Ook werd Reijman gewezen op zijn geheimhoudingsplicht.
Hierop werd de vergadering gesloten.
Enkele dagen later werd van de landsadvocaat een e-mail ontvangen waarin bevestigd werd
dat het conceptrapport niet tot een definitief rapport moest worden verwerkt, dat het dossier
met conceptrapport diende te worden gesloten en dat de factuur kon worden ingediend.
Reijman vond de beslissing uiterst onbevredigend maar gaf gehoor aan de wens van de
opdrachtgever en sloot het dossier.
De kennis van het dossier bleef hem echter bezighouden en hij ging er aanvankelijk van uit
dat het dossier op enig moment wel in de openbaarheid zou komen. Dit gebeurde echter niet.
Met enige regelmaat kwam de Cathuisbrand in de media ter sprake maar de discussie betrof
dan altijd het gebruik van thinner. Het geweten van Reijman werd ernstig op de proef gesteld
toen hij zich realiseerde dat buiten de beperkte groep betrokkenen niemand weet heeft van
de brandbare wandbekleding, en dat de mogelijkheid bestaat dat die tot een explosief
verlopen brand kan leiden. Het doembeeld dat hij hier voor ogen heeft is dat zich in deze
periode een brand voordoet waarbij vergelijkbare wandbekleding tot een brand met
slachtoffers leidt. Toen de weduwe van de overleden schilder in de pers een dramatische
oproep deed om naar voren te treden met informatie en een dergelijke oproep op een later
tijdstip ook door de minister-president werd gedaan, schreef hij op persoonlijke titel een brief
naar de minister-president en dezelfde brief ook aan de Rijksrecherche. In de brief meldde hij
dat hij beschikt over informatie over de Catshuisbrand die blijkens de mediaberichten niet
bekend is bij de minister-president en de leden van de Tweede Kamer. Hierop is Reijman bij
twee gelegenheden gehoord door de Rijksrecherche, waarvan verklaringen zijn opgemaakt.
Deze maken deel uit van het huidige rapport Rijksrecherche Catshuisbrand.
De analyse en conclusies van het conceptrapport van Reijman zijn door de rijksrecherche
voorgelegd aan Belgische wetenschappers op het gebied van brandonderzoek van
Warrintonfiregent een samenwerkingsverband van het gerenommeerde engelse
brandlaboratorium Warrington fire en het brand laboratorium van de universiteit van Gent.
(laatst genoemd laboratorium heeft ook onderzoek gedaan voor de onderzoeksraad voor de
veiligheid naar de toedracht van de schipholbrand) Deze heeft de bevindingen in het
conceptrapport met betrekking tot de rol van wandbekleding op de brand bevestigd. Dit
rapport is op 11 juni 2009 aan de tweede kamer ter beschikking gesteld (bijlage bij een brief
van de Minister van Justitie, stuk 31700 VI, nr. 132).
De conclusie van dit rapport luidt: ‘Het TNO rapport is relevant voor het trekken van
definitieve conclusies omtrent de ontwikkeling van de brand, in zoverre dat zij de
wandbekleding een betekenisvolle rol geeft in deze ontwikkeling’
Als het Rijksrechercherapport voor kamerleden (vertrouwelijk) beschikbaar komt, wordt er
vanuit het kabinet gereageerd. Premier Balkenende noemt het rapport onvoldragen,
onvolwaardig of woorden van gelijke strekking. En dat dit feit maakte dat het rapport niet
aan het OM is overgedragen.
Het TNO-rapport betrof echter een conceptrapportage die alleen formeel onvoldragen was. Ook als het onderzoek moest worden gestopt kon het rapport vrijwel ongewijzigd worden afgerond tot een definitieve versie, en zo worden voldragen. In dat geval zou de conclusie m.b.t. de rol van de wandbekleding, net als in de conceptrapportage, beperkt moeten blijven tot ‘..mogelijk een rol van betekenis gespeeld in branduitbreiding en brandverloop en is daardoor mogelijk in significante mate verantwoordelijk …’. Alleen aanvullend onderzoek zou meer zekerheid kunnen geven over de rol van de wandbekleding. Daaronder ook de vraag of met alleen de thinner dodelijke omstandigheden konden ontstaan. Het was de landsadvocaat die te kennen gaf dat het concept niet ‘tot een definitieve versie moest worden verheven’ De onzekerheidsmarge van het rapport volgt uit de keuze om geen aanvullend onderzoek te laten plaatsvinden dat stelliger uitspraken verantwoord zou kunnen maken. In een memorandum van de landsadvocaat wordt gesteld dat de conclusie m.b.t. de wandbekleding door Reijman zou worden afgezwakt in de definitieve versie. Deze bewering is onwaar, althans Reijman heeft een dergelijke afspraak niet gemaakt. Hij zou een verdere afzwakking ook nu niet reëel vinden.
Zoetermeer, 21 juni 2009
Ing. P.B. Reijman
| Werkwijze overheid en rechtersleger bij rampen in Nederland! Burgers en bedrijven worden (financieel) kapot gemaakt! | |
| 124 | Stockholmsyndroom en UHP kinderen. Brief ouders aan kinderrechter wij komen NIET naar hoorzitting om proceseconomische redenen! |
| 306 | Informant Hop in 1998: "Is er een complot Openbaar Ministerie en Rechterlijke Macht tegen democratische rechtsstaat?" |
| 557 | Pikmeerarresten! Rechtersleger zal altijd proberen de overheid te beschermen, onafhankelijke burgers/bedrijven kapot te maken! |
| 306 | Informant Hop in 1998: "Is er een complot Openbaar Ministerie en Rechterlijke Macht tegen democratische rechtsstaat?" |
| 008 | Informant Hop: "RvdK zat voor, tijdens schorsing en na de hoorzitting bij de kinderrechter AAN DEZELFDE TAFEL!" |
| 710 | Rb Zutphen tegen Hop: "Wraking Hop 3 rechters die zelf een zaak behandelen waarin zij zelf belanghebbende waren ONGEGROND!" |
| 288 | Informant Professor Daud: "De regentenstand speelt elkaar baantjes toe, parlement oefent nauwelijks controle uit" |
| 267 | Informant CDA Minister Donner: "Iedere kritiek afzonderlijk is NIET gevaarlijk"! |
| 282 | Informant Henk Westbroek: "Een kleine druppel voel je niet" |
| 020 | Informant Diekmans/Oltmans: Macht is recht! Wie meer macht heeft, heeft meer rechten, eigent zich ongestraft meer rechten toe |
| 002 | Awb procedures: Familie Logtenberg tegen Stichting Gereformeerde Jeugdbescherming/Stichting Bureaus Jeugdzorg Gelderland |
| 003 | Awb procedures: Familie Nienhuis/Leenders tegen Stichting Bureaus Jeugdzorg Gelderland/Stichting Lindenhout |
| 004 | Awb procedures: Familie Struyk tegen Stichting Gereformeerde Jeugdbescherming/Stichting Bureaus Jeugdzorg Gelderland |
| 005 | K.H. de Werd: "Hoe een onafhankelijk ondernemer door vakbonden, OM en rechtersleger kapot wordt gemaakt |
| 421 | Novacap tulpenfraude Novacap Floralis Termijnfonds 2004 cv, Novacap Termijnfonds Beheer B.V., Novacap Agricola B.V. |
| 572 | Ad Bos verklapte in 2001 het geheim van de bouwfraude en eindigt in camper in de gemeente Bergen Noord-Holland |
| 334 | Misbruik bevoegdheden! Op patiëntenkaart Defensiemedewerker Fred Spijkers werden stiekem psychiatrische aantekeningen gezet |
| 285 | Misbruik bevoegdheden! Man moest succesvolle DSM loopbaan afbreken! Welk belang had DSM bij opsluiten van zijn vrouw? |
| 104 | Overheid! Ontslag werknemer wegens verstoorde verhoudingen na valsheid in geschrifte gepleegd door directeur |
| 278 | Openbaar Ministerie! De IRT-affaire leert dat "klokkenluiders" bij het Openbaar Ministerie hun baan zullen kwijtraken |
| 015 | Bijlmerramp! De laatste gesprekken cockpit/verkeerstoren. |
| 351 | Bijlmerramp! CDA-rechter Rein-Jan Hoekstra die Bijlmerramp onderzoekt kan vrachtbrieven en mannen in witte pakken niet vinden |
| 099 | Schipholbrand, welke CDA-er was hier weer verantwoordelijk en hoe komen hij/zijn familie eigenlijk aan al hun baantjes? |
| 309 | Vuurwerkramp Enschede rechercheurs voeren jarenlang Wob-procedures tegen Staat om Rijksrechercherapport |
| 417 | Brand Volendam! Gemeente vrijuit na falende controle! Welke bijbaantjes had de burgemeester tijdens de Brand Volendam? |
| 573 | Catshuisbrand. Ing. P.B. (Peter) Reijman: "Landsadvocaat wilde concept rapport niet tot definitieve versie verheven" |
| 283 | Strijd werknemer tegen Gemeente Amsterdam waarschuwing voor andere werknemers die tegen werkgever/gemeente procederen |
| 178 | Moord op Pim Fortuyn! Onderzoek dierenactivisten stopgezet! CDA-rechter die moord op Fortuyn onderzoekt kan weer niets vinden! |
| 047 | Tegen Ad van Rooij werd vertrouwensarts ingezet! Strijd tegen impregneren van hout met gif en gevolgen voor mens en milieu |
| 300 | Tegen Hop werd rechtersleger en een advocaat met baantjes bij kerk en school ingezet in strijd om contactjournaal gezinsvoogd |
| 680 | "Jeugdzorg" verzoekt Parlement/Minister net ingevoerde KLANTEN klachtwetgeving aan te passen in strijd tegen lastige Hop |
| 346 | CDA duldt geen kritiek in eigen blad, wil hoofdredacteur Christen Democratische Verkenningen de laan uitsturen |
| 200 | Het Seveso arrest, overheid moet aan burgers een schadevergoeding betaling indien burgers verkeerde informatie krijgen |
| 408 | Wet collectieve afhandeling massaschade! Identieke of verwante processen bij één gerecht of één rechterscombinatie bundelen |
| STEMWIJZER! Stem NIET op CDA, PVDA, VVD en GroenLinks bij verkiezingen gemeenteraad en landelijke verkiezingen 2010! | |