| Het doel van de website is kennis in gratis informatie en gratis informatie in kennis om te zetten. |
Stockholmsyndroom: Spoed! PLAN VAN AANPAK GEZINSVOOGDIJ dat niet deugt!
Bezwaarschrift 639 tegen Indicatiebesluit bij (V)OTS en/of UHP
Bezwaarschrift 640 tegen PLAN VAN AANPAK GEZINSVOOGDIJ
Bezwaarschrift 641 tegen HULPVERLENINGSPLAN ZORGVERLENER
U dient verzoek 110 in om afschrift van een compleet dossier en noteert de datum.
U dient aan het begin van iedere maand verzoek 100 inzake afschrift informatie over de voorgaande maand noteer de datum.
Inzage dossier
LJN: BA3529, Hoge Raad , R06/163HR
Datum uitspraak: 29-06-2007
Rechtsgebied: Civiel overig Soort procedure: Cassatie
Inhoudsindicatie: Bescherming persoonsgegevens. Vordering op de voet van art. 46 lid 1 Wbp tot bevel aan bank inzage te verlenen in en afschriften te verstrekken van alle op een voormalige cliënt betrekking hebbende persoonsgegevens en volledige informatie te verstrekken over hun herkomst en het doel van de verwerking van deze gegevens door de bank. Ruime uitleg art. 35 Wbp, verplichting bank kopieën bescheiden en transcripties van telefoongesprekken te verstrekken; misbruik van bevoegdheid?; doorkruising van art. 843a Rv.?; richtlijnconforme interpretatie.
Eerste Kamer
Rek.nr. R06/163HR
RM/MK
Hoge Raad der Nederlanden
Beschikking
in de zaak van:
Hollandsche Bank-Unie N.V.,
gevestigd te Amsterdam, kantoorhoudende te Rotterdam,
VERZOEKSTER tot cassatie,
advocaten: mr. C.J.J.C. van Nispen en mr. V. Rörsch,
t e g e n
1. [Verweerder 1],
wonende te [woonplaats],
2. [Verweerder 2],
wonende te [woonplaats],
3. [Verweerder 3],
wonende te [woonplaats],
4. [Verweerder 4],
wonende te [woonplaats],
5. [Verweerder 5],
wonende te [woonplaats],
6. [Verweerder 6],
wonende te [woonplaats],
7. [Verweerster 7],
wonende te [woonplaats],
8. [Verweerster 8],
wonende te [woonplaats],
9. [Verweerster 9],
wonende te [woonplaats],
10. [Verweerder 10],
wonende te [woonplaats],
11. [Verweerder 11],
wonende te [woonplaats],
12. [Verweerder 12],
wonende te [woonplaats],
13. [Verweerder 13],
wonende te [woonplaats],
14. [Verweerder 14],
wonende te [woonplaats],
VERWEERDERS in cassatie,
niet verschenen.
Partijen zullen hierna ook worden aangeduid als HBU en [verweerder] c.s.
1. Het geding in feitelijke instanties
Met een op 11 april 2005 ter griffie van de rechtbank Rotterdam
ingediend verzoekschrift hebben [verweerder] c.s. zich gewend tot die
rechtbank en op de voet van art. 46 lid 1 Wbp verzocht, kort gezegd,
HBU bij beschikking, uitvoerbaar bij voorraad en op straffe van een
dwangsom, te bevelen een overzicht te verschaffen van de
persoonsgegevens die zij van [verweerder] c.s. heeft verwerkt,
waaronder in elk geval begrepen:
i. het schriftelijke cliëntenprofiel van [verweerder] c.s., waarin de
gegevens met betrekking tot de financiële positie, beleggerservaring
en beleggingsdoelstellingen van [verweerder] c.s. zijn opgenomen;
ii. een schriftelijke inventarisatie van de kredietwaardigheid van
[verweerder] c.s.;
iii. de schriftelijke stukken die betrekking hebben op de interne
fiattering van de door HBU aan [verweerder] c.s. verleende kredieten
door de kredietcommissie en/of andere personen binnen HBU en/of haar
moedermaatschappij ABN AMRO Bank N.V.;
iv. de bandopnames van de gesprekken die HBU heeft gevoerd met
betrekking tot de kredietverstrekking aan [verweerder] c.s.;
v. een schriftelijke uitwerking van de mondelinge (intake)gesprekken
en telefoongesprekken die door (medewerkers van) HBU met [verweerder]
c.s. zijn gevoerd;
vi. alle overige persoonsgegevens die HBU van [verweerder] c.s. heeft
verwerkt.
HBU heeft het verzoek bestreden.
De rechtbank heeft bij beschikking van 7 oktober 2005 HBU bevolen
binnen vier weken nadat de beschikking onherroepelijk is geworden, een
schriftelijk overzicht als bedoeld in art. 35 lid 2 Wbp aan
[verweerder] c.s. te verstrekken - maar niet (afschriften van) de
stukken zelf - met inachtneming van hetgeen in die beschikking onder
rov. 5.6 tot en met 5.11 is overwogen, zulks op straffe van een
dwangsom. Het meer of anders gevorderde heeft de rechtbank afgewezen.
Tegen deze beschikking heeft HBU hoger beroep ingesteld bij het
gerechtshof te 's-Gravenhage. [Verweerder] c.s. hebben incidenteel
appel ingesteld.
Bij beschikking van 22 augustus 2006 heeft het hof de beschikking van
de rechtbank vernietigd en, opnieuw rechtdoende, het door [verweerder]
c.s. in hoger beroep verzochte grotendeels toegewezen. Het meer of
anders verzochte heeft het hof afgewezen.
De beschikking van het hof is aan deze beschikking gehecht.
2. Het geding in cassatie
Tegen de beschikking van het hof heeft HBU beroep in cassatie
ingesteld. Het cassatierekest is aan deze beschikking gehecht en maakt
daarvan deel uit.
[Verweerder] c.s. hebben geen verweerschrift ingediend.
De conclusie van de Advocaat-Generaal D.W.F. Verkade strekt tot
verwerping van het beroep.
De advocaat van HBU heeft bij brief van 4 mei 2007 op de conclusie
gereageerd.
3. Beoordeling van het middel
3.1 In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.
(i) [Verweerder] c.s. participeren sinds juni 2003 in het
beleggingsfonds NovaCap Floralis Termijnfonds 2004 C.V. (hierna: 'het
Fonds'). Voor de financiering van de participaties heeft HBU kredieten
aan [verweerder] c.s. verstrekt tot een bedrag van in totaal €
10.353.000. [Verweerder] c.s. hebben hun participaties in het Fonds
aan HBU verpand.
(ii) [Verweerder] c.s. (aanvankelijk verzoekers 1 tot en met 9 en
later ook de andere verzoekers) hebben in door hen bij de rechtbank
Amsterdam aanhangig gemaakte procedures gevorderd dat HBU wordt
veroordeeld tot schadevergoeding wegens toerekenbare tekortkoming in
de nakoming van haar zorgplicht dan wel onrechtmatig handelen.
[verweerder] c.s. hebben aan hun vorderingen onder meer ten grondslag
gelegd dat sprake is geweest van onzorgvuldige kredietverlening door
HBU en dat HBU in strijd heeft gehandeld met haar bijzondere
zorgplicht als bank en met het zogenaamde 'ken-uw-cliënt-beginsel'.
(iii) In het kader van de onder (ii) genoemde procedures hebben
[verweerder] c.s. tevens op grond van art. 843a Rv. gevorderd dat HBU
afschrift verschaft van een aantal gespecificeerde bescheiden uit de
desbetreffende kredietdossiers over de periode mei 2003 tot medio juni
2003. Zij vorderden - kort gezegd - afschrift van:
- het cliëntenprofiel;
- de inventarisatie van hun kredietwaardigheid;
- interne fiatteringsstukken;
- de schriftelijke uitwerking door HBU van met [verweerder] c.s.
gevoerde (telefoon)gesprekken.
HBU heeft geweigerd deze bescheiden te verstrekken. Bij incidentele
vonnissen van 15 juni 2005 en 19 oktober 2005 heeft de rechtbank deze
art. 843a Rv.-vorderingen afgewezen.
(iv) Bij brieven van 1 en 14 februari 2005 hebben de advocaten van
[verweerder] c.s. HBU op grond van art. 35 Wet bescherming
persoonsgegevens (hierna: Wbp) verzocht binnen vier weken te berichten
of zij persoonsgegevens van [verweerder] c.s. had verwerkt en
voorzover dit het geval is een volledig overzicht daarvan te
verstrekken dat in ieder geval dient te bevatten:
- het schriftelijke cliëntenprofiel van [verweerder] c.s., waarin de
gegevens met betrekking tot de financiële positie, beleggerservaring
en beleggingsdoelstellingen van [verweerder] c.s. zijn opgenomen;
- een schriftelijke inventarisatie van de kredietwaardigheid van
[verweerder] c.s.;
- de schriftelijke stukken die betrekking hebben op de interne
fiattering van de door HBU aan [verweerder] c.s. verleende kredieten
door de kredietcommissie en/of andere personen binnen HBU en/of ABN
AMRO Bank NV;
- de bandopnames van de gesprekken die HBU heeft gevoerd met
[verweerder] c.s.;
- een schriftelijke uitwerking van de mondelinge (intake)gesprekken en
telefoongesprekken die door (medewerkers van) HBU met [verweerder] c.s.
zijn gevoerd;
- alle overige persoonsgegevens die HBU van [verweerder] c.s. heeft
verwerkt.
(v) Bij brieven van 24 februari 2005 en 10 maart 2005 is namens HBU
meegedeeld dat zij weigert aan het verzoek tot inzage in de door HBU
verwerkte persoonsgegevens te voldoen met een beroep op art. 43, onder
e, Wbp, nu het verzoek tot inzage volgens HBU een 'fishing expedition'
is waarmee op oneigenlijke wijze wordt geprobeerd de procespositie van
[verweerder] c.s. in de bij de rechtbank Amsterdam aanhangige
procedures te versterken. Volgens HBU strekt het inzageverzoek van
[verweerder] c.s. ertoe de aan de toewijzing van de vordering
ingevolge art. 843a Rv. verbonden voorwaarden en procesrechtelijke
waarborgen te omzeilen, waardoor de procespositie van HBU onevenredig
wordt benadeeld. Voorts is de weigering van HBU gebaseerd op het
argument dat [verweerder] c.s. misbruik maken van hun bevoegdheid
ingevolge art. 35 Wbp, aangezien zij hun inzagerecht gebruiken voor
een ander doel dan waarvoor het is verleend.
3.2 In dit geding hebben [verweerder] c.s. de rechtbank op de voet van
art. 46 lid 1 Wbp verzocht HBU te bevelen een overzicht te verschaffen
van de persoonsgegevens die zij van [verweerder] c.s. heeft verwerkt,
waaronder de hiervoor in 3.1 onder (iv) genoemde
stukken/gegevensdragers, op straffe van de verbeurte van een dwangsom
van € 5.000,-- per dag. De rechtbank heeft HBU bevolen een
schriftelijk overzicht als bedoeld in art. 35 lid 2 Wpb - maar niet de
(afschriften van) de stukken zelf - te verschaffen van de nader in
haar beschikking vermelde persoonsgegevens. In het daartegen door HBU
ingestelde principale appel heeft het hof de grieven verworpen en in
het incidentele appel heeft het hof de grieven van [verweerder] c.s.
grotendeels gegrond verklaard en HBU bevolen (i) binnen vier weken een
aantal afschriften te verstrekken van de in de beschikking vermelde
bescheiden en (ii) binnen acht weken aan [verweerder] c.s.
schriftelijk mee te delen of er bandopnames en/of schriftelijke
uitwerkingen zijn gemaakt van telefoongesprekken met betrekking tot
door HBU aan [verweerder] c.s. verleende kredieten.
3.3 De overwegingen die het hof tot deze beslissing hebben geleid,
kunnen als volgt worden samengevat.
(a) Het hof gaat ervan uit dat HBU persoonsgegevens van [verweerder]
c.s. heeft verwerkt op een wijze die valt onder de Wbp (rov. 6 tot en
met 11).
(b) Een verzoek op grond van art. 35 Wbp behoeft niet gespecificeerd
te zijn (rov. 12).
(c) HBU heeft ten onrechte een beroep gedaan op de weigeringsgrond van
art. 43, onder e, Wbp. Zij wordt niet geschaad in haar door art. 843a
Rv. beschermde rechten of vrijheden en bij toewijzing van het verzoek
op basis van art. 35 Wbp wordt niet het beginsel van fair trial
geschonden. Art. 35 Wbp vormt niet een doorkruising van art. 843a
omdat deze regelingen naar aard en strekking verschillend zijn (rov.
13 tot en met 18).
(d) [Verweerder] c.s. gebruiken hun inzagerecht van art. 35 Wbp niet
voor een ander doel dan waarvoor het is gegeven en zij maken ook geen
misbruik van recht (rov. 20 tot en met 24).
(e) HBU verzet zich wel tegen verstrekking van afschriften, doch zij
betwist niet dat een aantal stukken bestaat en dat zij die onder zich
heeft.
(f) Het hof is het met HBU eens dat de betrokkene niet zonder meer
recht heeft op een afschrift en dat niet noodzakelijkerwijs altijd een
afschrift behoeft te worden gegeven. Art. 35 Wbp bepaalt dat een
volledig overzicht in begrijpelijke vorm van de verwerkte
persoonsgegevens moet worden verstrekt, en niet méér. Dit neemt niet
weg dat een afschrift in ieder geval zo'n volledig overzicht geeft en
dat het daarom in beginsel voor de hand ligt om een afschrift te
verstrekken. Met name een afschrift zal geschikt zijn om na te kunnen
gaan of de verwerkte gegevens feitelijk onjuist zijn, of het doel
waarvoor zij verwerkt worden niet ongeoorloofd is, of zij voor het
doel of doeleinden van de verwerking onvolledig, niet adequaat of niet
ter zake dienend zijn, en of zij anderszins in strijd met een
wettelijk voorschrift worden verwerkt. Dat de wetgever ook, of zelfs
in het bijzonder, aan afschriften heeft gedacht blijkt uit art. 3 van
het Besluit kostenvergoeding rechten betrokkene Wbp van 13 juni 2001 (Stb.
305), waarin is voorzien in een kostenvergoeding aan de
verantwoordelijke voor door hem gemaakte afschriften. Een
verantwoordelijke weet bij uitstek, of moet bij uitstek weten, welke
persoonsgegevens zij verwerkt, of laat verwerken, en hoe daarvan een
volledig overzicht is te geven. Gelet verder op het
transparantiebeginsel zal de verantwoordelijke, die zich op een andere
wijze dan door het verstrekken van afschriften van zijn verplichting
tot het geven van een volledig overzicht wil kwijten derhalve, indien
hierover discussie ontstaat, duidelijk moeten maken dat ook op die
andere wijze daadwerkelijk een volledig overzicht wordt verschaft. HBU
heeft in het geheel niet uiteengezet hoe zij het vereiste volledige
overzicht in begrijpelijke vorm wil verschaffen zonder verstrekking
van afschriften. Dit betekent dat ervan moet worden uitgegaan dat in
dit geval alleen door middel van afschriften een volledig overzicht
kan worden verkregen (rov. 27).
(g) [Verweerder] c.s. komen op tegen de afwijzing door de rechtbank
van hun verzoek tot verstrekking van de bandopnames en de
schriftelijke uitwerkingen daarvan die HBU volgens [verweerder] c.s.
heeft gemaakt van telefoongesprekken met betrekking tot de
kredietverlening aan hen. De rechtbank is tot deze afwijzing gekomen
op grond van de overweging dat deze gesprekken geen gestructureerd
geheel vormen en niet zijn ontsloten op een wijze die deze onder het
bestandbegrip van de Wbp brengt. Hierbij heeft de rechtbank
uitdrukkelijk in het midden gelaten of geloof verdient de betwisting
door HBU dat bandopnames van die gesprekken zijn gemaakt (rov. 28).
(h) HBU heeft volhard in deze betwisting, waarmee zij tevens betwist
dat er schriftelijke uitwerkingen van bandopnames bestaan.
[Verweerder] c.s. stellen dat er wel bandopnames van de
telefoongesprekken en schriftelijke uitwerkingen daarvan zijn gemaakt.
Wie op dit punt gelijk heeft, valt op dit moment niet te beoordelen (rov.
29).
(i) In hun verzoek hebben [verweerder] c.s. HBU verzocht mede te delen
of zij persoonsgegevens verwerkte en, zo ja, daarvan een volledig
overzicht te geven. Nu daarbij specifiek is verzocht om bandopnames
van telefoongesprekken en/of schriftelijke uitwerkingen daarvan, lag
in het eerste verzoek, naar HBU heeft moeten begrijpen, besloten het
verzoek om mede te delen of persoonsgegevens van [verweerder] c.s. in
zulke gegevensdragers waren opgenomen/verwerkt. Het hof constateert
dat HBU in haar brieven van 24 februari en 10 maart 2005 beide
verzoeken niet heeft ingewilligd. Zij heeft in die brieven niet
vermeld dat zij geen bandopnames van de telefoongesprekken of
schriftelijke uitwerkingen daarvan heeft gemaakt. Dit heeft HBU alleen
in deze procedure aangevoerd (rov. 30).
(j) Het verzoek van [verweerder] c.s. om inzage in de bandopnames of
schriftelijke uitwerkingen daarvan, impliceert dat in hun visie deze
gegevensdragers bestaan. Dat weten zij echter niet zeker en HBU heeft
hierover geen mededeling in de zin van art. 35 Wbp gedaan. Volgens
[verweerder] c.s. heeft HBU op dit punt een verzwaarde stelplicht,
hetgeen strookt met de regel van art. 35 lid 1 Wbp dat de
verantwoordelijke de betrokkene op diens verzoek mededeelt of hem
betreffende persoonsgegevens worden verwerkt én, met de regel van
art. 12, aanhef en onder a, eerste gedachtestreepje, van de Richtlijn,
dat de verantwoordelijke de betrokkene zelfs "uitsluitsel"
moet geven omtrent het "al dan niet" bestaan van
verwerkingen van hem betreffende persoonsgegevens, welke, aan het
transparantiebeginsel uitdrukking gevende, regel bepalend is voor de
uitleg van art. 35 lid 1 Wbp. Verder voorzien de leden 1 en 2 van art.
35 Wbp welbeschouwd slechts in één verzoek, namelijk in het verzoek
van lid 1. Ingevolge lid 2 is de verantwoordelijke verplicht om,
indien hij heeft medegedeeld dat persoonsgegevens worden verwerkt,
daarvan een volledig overzicht te geven, zonder dat daarvoor een
afzonderlijk verzoek is vereist. Gelet op dit alles, in onderling
verband en samenhang bezien, moeten de stellingen en verzoeken van
[verweerder] c.s. in deze procedure (tevens) worden opgevat als
strekkende tot het alsnog verkrijgen, op de voet van art. 35 lid 1 Wbp,
van informatie van HBU over het bestaan van bandopnames en/of
schriftelijke uitwerkingen, over het vóórkomen daarop van
persoonsgegevens betreffende [verweerder] c.s. en over de feitelijke
wijze waarop deze gegevens zijn gestructureerd en toegankelijk zijn
gemaakt. Nu HBU uitsluitsel dient te geven omtrent het al dan niet
bestaan van verwerkingen van [verweerder] c.s. betreffende
persoonsgegevens en HBU tot dusverre niet genoegzaam heeft aangetoond
dat geen bandopnames zijn gemaakt of nog bestaan, zal HBU een bevel
hiertoe worden gegeven (rov. 31).
(k) Beoordeeld dient nu nog te worden of, indien op bandopnames en/of
schriftelijke uitwerkingen van telefoongesprekken onder de Wbp
vallende persoonsgegevens worden verwerkt, HBU die banden en/of
schriftelijke uitwerkingen dan aan [verweerder] c.s. dient te
verstrekken. HBU meent dat zij hiertoe niet gehouden is omdat niet
valt in te zien hoe een betrokkene een bandopname, die een historisch
gegeven is, zou kunnen verbeteren of aanvullen zonder dat daarmee
geweld wordt gedaan aan de oorspronkelijk inhoud daarvan. Zij wijst in
dit verband op art. 36 Wbp. Hiermee verliest HBU echter uit het oog
dat ingevolge dit artikel de betrokkene ook kan verzoeken om
verwijdering of afscherming van (de persoonsgegevens op) de
bandopnames en dat haar argumentatie in het geheel niet opgaat voor
schriftelijke uitwerkingen van bandopnames. De stelling van HBU dat de
betrokkene voldoende moet hebben aan de mededeling dat van de door hem
met de verwerker gevoerde telefoongesprekken notities/bandopnames zijn
gemaakt, wordt door het hof evenmin onderschreven. In een
telefoongesprek over kredietverlening komen doorgaans meer
persoonsgegevens ter sprake - zoals gegevens over het vermogen van de
cliënt, zijn gezinssituatie en zijn inkomen - en louter met de
mededeling dat een bepaald telefoongesprek is vastgelegd, verkrijgt de
betrokkene dus geen volledig overzicht over de daarmee verwerkte
persoonsgegevens. Nu HBU niet heeft aangegeven hoe anders dan door
verstrekking van de bandopnames en/of schriftelijke uitwerkingen
daarvan, een volledig overzicht van de daarin verwerkte
persoonsgegevens kan worden verschaft, zal zij deze gegevensdragers
dienen te verstrekken, tenminste wanneer deze bestaan en daarop
persoonsgegevens worden verwerkt in de zin van de Wbp (rov. 32).
3.4 Het middel keert zich met rechts- en motiveringsklachten onder A
tegen rov. 27 (hiervoor weergegeven in 3.3 onder f) en onder B tegen
rov. 32 (weergeven in 3.3 onder k). Onderdeel A bestrijdt in de kern
dat HBU op grond van art. 35 lid 2 Wbp verplicht is afschriften te
verstrekken. Onderdeel B bestrijdt het oordeel van het hof dat
[verweerder] c.s. recht hebben op bandopnames en/of schriftelijke
uitwerkingen daarvan. HBU is tegen de overige oordelen van het hof in
cassatie niet opgekomen.
3.5 Bij de beoordeling van het middel moet worden vooropgesteld dat de
Wbp strekt ter uitvoering van Richtlijn 95/46/EG betreffende de
bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van
persoonsgegevens en betreffende het vrij verkeer van die gegevens van
24 oktober 1995, Pb. EG L 281 (TK 1997-1998, 25892, nr. 3, p. 157-158)
en conform deze richtlijn moet worden uitgelegd. Op grond van hetgeen
is vermeld in de conclusie van de Advocaat-Generaal onder 4.18a tot en
met 4.18j, moet worden aangenomen dat de lidstaten een zekere ruimte
hadden om aan de in de Richtlijn beoogde bescherming een eigen
uitwerking te geven en dat de Nederlandse wetgever daarvan wat art. 35
Wbp betreft ook gebruik heeft gemaakt.
3.6 Uit nr. 41 van de considerans en - het in art. 35 Wbp geïmplementeerde
- art. 12 van de Richtlijn volgt dat de betrokkene recht heeft op
toegang tot de gegevens die het voorwerp van een verwerking vormen en
hemzelf betreffen, zodat hij zich van de juistheid en de
rechtmatigheid van de over hem opgeslagen informatie kan vergewissen.
Hieruit vloeit voort dat de verantwoordelijke (in de zin van de Wbp)
specifieke informatie behoort te verstrekken aan de betrokkene
waardoor deze in staat wordt gesteld behoorlijk kennis te nemen van
zijn gegevens en van de wijze waarop deze zijn verwerkt. De betrokkene
kan bij het vragen van deze informatie volstaan met een verwijzing
naar art. 35 Wbp en behoeft geen nadere redenen op te geven. Hij mag
verwachten dat de vervolgens aan te reiken informatie transparant en
volledig zal zijn. Verder zal de verantwoordelijke bij de voldoening
aan de door art. 35 lid 2 Wbp op haar gelegde verplichting om aan de
betrokkene een volledig overzicht van de verwerkte persoonsgegevens te
verschaffen niet mogen volstaan met de verstrekking van globale
informatie, doch zal zij alle relevante informatie over de betrokkene
moeten verschaffen, hetgeen, afhankelijk van de omstandigheden, vaak
zal kunnen - en zo nodig op aanwijzing van de rechter zal moeten -
gebeuren door het verstrekken van afschriften, kopieën of
uittreksels. Dit valt ook af te leiden uit de parlementaire
geschiedenis van art. 29 Wet Persoonsregistraties (TK 1986-1987,
19095, nr. 6, p. 57-58), de voorganger van art. 35 Wbp waarbij
laatstgenoemde bepaling aansluit (MvT, TK 1997-1998, 25892, nr. 3, p.
157-158). Het in art. 35 gebruikte begrip "volledig
overzicht" moet veeleer als een ruime aanduiding van de
verplichting tot het verschaffen van de gegevens en niet als een
beperking worden beschouwd. Wel kan de verantwoordelijke bij het
verschaffen van de gegevens rekening houden met de belangen van
derden, zij het dat dit op proportionele wijze dient te geschieden. Zo
kunnen bij de verstrekking van kopieën van bescheiden bijvoorbeeld
daarin aanwezige passages die betrekking hebben op derden worden
afgeschermd, indien de belangen van die derden zulks vergen.
3.7 Voorts valt in aanmerking te nemen dat de Wbp een overkoepelende
regeling voor uiteenlopende situaties geeft, die in een aantal
sectoren nadere concretisering behoeft (TK 1997-1998, 25892, nr. 3, p.
11-12). In de financiële sector heeft deze concretisering
plaatsgevonden in de Gedragscode Verwerking Persoonsgegevens Financiële
Instellingen (Staatscourant 3 februari 2003, nr. 23, p. 16) die is
opgesteld door de Nederlandse Vereniging van Banken en het Verbond van
Verzekeraars en een nadere invulling geeft aan de bepalingen van de
Wbp. Het CBP heeft op de voet van art. 25 Wbp op 27 januari 2003
verklaard dat deze Gedragscode, gelet op de bijzondere kenmerken van
de financiële sector, een juiste uitwerking vormt van de Wbp en
andere wettelijke bepalingen betreffende de verwerking van
persoonsgegevens (Staatscourant 3 februari 2003, nr. 23, p. 16). De
omvang en de invulling van het recht van de betrokkene om van de
verantwoordelijke een overzicht te ontvangen van de door de
verantwoordelijke van hem verwerkte persoonsgegevens als bedoeld in
art. 35 lid 2 hangen derhalve mede af van hetgeen hierover is bepaald
in de Gedragscode en daarnaast van de omstandigheden van het geval. In
art. 7.1.1 van de Gedragscode wordt bepaald, dat een betrokkene
gerechtigd is een financiële instelling schriftelijk een overzicht te
vragen van de hem of haar betreffende persoonsgegevens die door die
financiële instelling worden verwerkt en dat de financiële
instelling, behoudens in de Wbp genoemde uitzonderingsgevallen, de
betrokkene binnen vier weken na de datum van het verzoek een overzicht
van de persoonsgegevens doet toekomen. In de na de Gedragscode
gepubliceerde toelichting wordt opgemerkt, dat het recht om kennis te
nemen van de eigen gegevens een algemeen erkend recht is dat slechts
in uitzonderingssituaties vervalt. Art. 8.5.5 Gedragscode verleent aan
de betrokkene-cliënt het recht bij interpretatieverschillen of
onenigheden met betrekking tot de inhoud van opgenomen
telefoongesprekken om het opgenomen telefoongesprek te beluisteren
en/of een transcriptie van het opgenomen telefoongesprek te
verkrijgen. Slechts indien de verantwoordelijke overeenkomstig art.
43, onder e, Wbp aannemelijk maakt dat door het verstrekken van kopieën
of transcripties van telefoongesprekken de administratieve lasten
zodanig disproportioneel zijn, dat hij in een van zijn rechten en
vrijheden wordt aangetast of dreigt te worden aangetast (TK 1997-1998,
25892, nr. 3, p. 171), kan de verantwoordelijke in een geval als het
onderhavige weigeren om de verzochte kopieën en transcripties te
verstrekken.
3.8 Uit de parlementaire geschiedenis (MvT, TK 1997-1998, 25892, nr.
3, p. 71) blijkt dat de Wbp ook van toepassing is op geluidsopnamen
die min of meer toegankelijk zijn voor latere raadpleging. Ten slotte
geldt dat een financiële instelling als HBU, zoals blijkt uit het
onder 4.18 van die conclusie weergegeven art. 8.5.3 Gedragscode,
verplicht is technische en organisatorische voorzieningen te treffen
om opgenomen telefoongesprekken en andere persoonsgegevens betreffende
de opgenomen telefoongesprekken zonodig te kunnen traceren en
reconstrueren.
3.9 Voorzover de onderdelen A.1 en B.1 ervan uitgaan dat het hof heeft
geoordeeld dat [verweerder] c.s. recht hebben op een afschrift van
alle gegevensdragers, mist het feitelijke grondslag, omdat het hof
juist vooropgesteld heeft dat dit recht niet zonder meer of
noodzakelijkerwijs altijd bestaat. Het hof heeft vervolgens, zonder
dat het met dit uitgangspunt in tegenspraak is gekomen, als zijn
oordeel doen volgen dat een afschrift, bandopname of schriftelijke
uitwerking daarvan in ieder geval een volledig overzicht geeft en dat
het daarom in beginsel voor de hand ligt de persoonsgegevens in deze
vorm te verstrekken. Dit oordeel is juist op grond van hetgeen de Hoge
Raad hiervoor in 3.4 tot en met 3.8 heeft overwogen. Het hof heeft
voorts terecht geoordeeld dat HBU duidelijk moet maken op welke andere
wijze dan door het verstrekken van afschriften dan wel
bandopnamen/schriftelijke uitwerking een volledig overzicht kan worden
verschaft. HBU is immers de verantwoordelijke die de in de Wbp
neergelegde verplichtingen behoort na te komen, en zij beschikt zowel
over de gegevens als over de gegevensdragers aan de hand waarvan zij
in eerste instantie als enige kan beoordelen welke persoonsgegevens
zij verwerkt of laat verwerken en op welke wijze zij aan de eis van
een volledige opgave hiervan kan voldoen. Op dit een en ander stuiten
alle rechtsklachten van de onderdelen A en B af.
3.10 De oordelen van het hof zijn in het licht van het door partijen
gevoerde debat ook niet onbegrijpelijk, met name niet omdat HBU
volgens de feitelijke en in cassatie niet bestreden vaststelling van
het hof heeft nagelaten duidelijk te maken op welke andere wijze zij
aan haar verplichting een volledig overzicht te verschaffen zou kunnen
voldoen, waar dit immers op haar weg lag en waar [verweerder] c.s. dit
ook van haar mochten verwachten. Als, zoals HBU meent, zich zeer wel
laat denken dat het vereiste volledige overzicht in begrijpelijke vorm
wordt verschaft zonder verstrekking van afschriften, bandopnames en/of
schriftelijke uitwerkingen daarvan, had HBU haar standpunt aan de hand
van concrete voorbeelden aannemelijk moeten maken, hetgeen zij evenwel
heeft nagelaten. Het hof heeft hieraan begrijpelijkerwijs de slotsom
verbonden dat HBU geen bezwaren tegen het verschaffen van de gevraagde
bescheiden en opnamen heeft aangevoerd die stand kunnen houden,
terwijl HBU, naar het hof kennelijk en niet onbegrijpelijk heeft
geoordeeld, ook geen andere steekhoudende redenen heeft aangevoerd die
aan toewijzing van de vorderingen in de weg staan.
3.11 Het middel faalt, zodat het beroep moet worden verworpen.
4. Beslissing
De Hoge Raad:
verwerpt het beroep;
veroordeelt HBU in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze
uitspraak aan de zijde van [verweerder] c.s. begroot op nihil.
Deze beschikking is gegeven door de vice-president D.H. Beukenhorst
als voorzitter en de raadsheren E.J. Numann, A. Hammerstein, J.C. van
Oven en W.D.H. Asser, en in het openbaar uitgesproken door de
raadsheer E.J. Numann op 29 juni 2007.
Conclusie Rekestnr. R06/163HR
Mr. D.W.F. Verkade
Parket 20 april 2007
Conclusie inzake:
Hollandsche Bank-Unie NV
(hierna: HBU)
tegen
1. [Verweerder 1]
2. [Verweerder 2]
3. [Verweerder 3]
4. [Verweerder 4]
5. [Verweerder 5]
6. [Verweerder 6]
7. [Verweerster 7]
8. [Verweerster 8]
9. [Verweerster 9]
10. [Verweerder 10]
11. [Verweerder 11]
12. [Verweerder 12]
13. [Verweerder 13]
14. [Verweerder 14]
(hierna: [verweerder] c.s.)
(in cassatie niet verschenen)
Inhoudsopgave
1. Inleiding (nrs. 1.1-1.7)
2. Feiten (nrs. 2.1-2.5)
3. Procesverloop (nrs. 3.1-3.10)
4. Inleidende beschouwingen
A. Wet bescherming persoonsgegevens (nrs. 4.2-4.6)
B. Inzageverzoek ex art. 35 Wbp (nrs. 4.7-4.11.3)
C. Gedragscode verwerking persoonsgegevens financiële instellingen (nrs.
4.12-4.18)
C.a. Communautair kader (nrs. 4.18a-4.18k)
D. Buitenlandse wetgeving (nrs. 4.19-4.24)
E. De weigeringsgrond in art. 43 sub e Wbp (nrs. 4.25-4.26)
F. (Oordeel) College Bescherming Persoonsgegevens (nr. 4.27)
G. Rechtspraak inzake inzageverzoeken (nrs. 4.28-4.36)
H. Literatuur inzake inzageverzoeken (nrs. 4.37-4.39b)
5. Bespreking van het cassatiemiddel
Algemeen (nrs. 5.1-5.2)
Onjuiste lezing van 's hofs beschikking (nrs. 5.3-5.17)
Geen onjuiste rechtsopvatting (nrs. 5.18-5.29)
6. Conclusie
1. Inleiding
1.1. Op 30 november 2006 heb ik geconcludeerd in de zaken met
rekestnummers R06/045 en R06/046, waarin eveneens verzoeken van
particulieren op basis van art. 35 Wet bescherming persoonsgegevens (Wbp)
om kopieën van documenten met hun persoonsgegevens aan de orde waren.
De zaken hebben de achtergrond van onfortuinlijke
beleggingsactiviteiten, waarbij de particulieren zich met name door
onvoldoende voorlichting zijdens de bank gedupeerd achtten. In plaats
van een winstuitkering te ontvangen, bleek een hoge schuld bij de bank
te zijn opgebouwd. Veel van deze gedupeerden meenden dat de bank meer
en betere informatie daarover had moeten geven, en legden claims neer
bij de bank.
Nu het blijkens de publiekspers en de vakpers als een feit van
algemene bekendheid kan gelden dat in dit soort zaken Dexia Bank een
niet gezochte, doch onmiskenbare hoofdrol speelt, meen ik dat ik haar
naam in deze (HBU-)conclusie niet behoef te anonimiseren.
1.2. De onderhavige zaak speelt zich af tegen een m.i. vergelijkbare
achtergrond. [verweerder] c.s. hebben kredieten opgenomen bij de bank
(HBU). Met de opbrengsten van dat krediet zijn participaties in een
beleggingsfonds gekocht. Ook hier vielen de beleggingsresultaten tegen
en besloten de beleggers om HBU aan te spreken wegens onzorgvuldige
kredietverlening. Daarnaast hebben zij HBU verzocht hen een overzicht
van hun persoonsgegevens in de zin van art. 35 Wbp te verschaffen. De
onderhavige procedure is een uitvloeisel van dit verzoek.
1.3. Evenals in de zaken met rekestnummers R06/045 en R06/046 is in
cassatie aan de orde de reikwijdte van het begrip 'volledig overzicht
in begrijpelijke vorm' als bedoeld in art. 35 Wbp. Meer in het
bijzonder gaat het om de vraag (i) of [verweerder] c.s. op grond van
die bepaling recht hebben op kopieën/afschriften van de hen
betreffende persoonsgegevens en (ii) of zij recht hebben op
bandopnamen van de door hen met de bank gevoerde telefoongesprekken of
schriftelijke uitwerkingen daarvan.
1.4. Het lijkt dienstig vooreerst aan te geven welke onderwerpen de
onderhavige zaak R06/163HR en de eerder genoemde zaken R06/045HR en
R06/046HR min of meer gemeen hebben. Dat zijn:
- recht op kopieën/afschriften versus (slechts) het 'volledig
overzicht' van art. 35 lid 2 Wbp;
- recht op transcripties van opgenomen telefoongesprekken.
1.5. Er zijn in cassatie ook - aanmerkelijke - verschillen.
Terwijl in alle drie bij de Hoge Raad aanhangige zaken de banken zich
hebben beroepen op
- een uitleg van het begrip 'bestand' als bedoeld in art. 2 lid 1 en
art. 1 onder c Wbp, medebrengend dat daaronder niet zouden vallen
bandopnamen of bepaalde notities van persoonsgegevens(1)
- de weigeringsgrond van art. 43 sub e Wbp(2)
- misbruik van recht aan de zijde van de verzoekers(3), al dan niet in
samenhang met
- doorkruising van artikel 843a Rv., resp. gebruikmaking van art. 35
Wbp voor een niet te honoreren 'fishing expedition'(4),(5)
heeft HBU in de onderhavige zaak tegen de desbetreffende
andersluidende oordelen van het hof geen cassatieklachten gericht.
Klachten over overschrijding van de rechtsstrijd of miskenning van de
devolutieve werking van het appel zijn in deze zaak R06/163HR evenmin
aan de orde.
1.6. De in nr. 1.4 aangegeven gemeenschappelijkheid van de daar
bedoelde twee onderwerpen, laat open de mogelijkheid van potentiële
verschillen in cassatie ten aanzien van ook die onderwerpen, voor
zover het om motiveringsklachten gaat.
1.7. Nog een verschil tussen enerzijds de zaken R06/045HR en R06/046HR
en anderzijds de onderhavige zaak R06/163HR is dat HBU zich in
cassatie nadrukkelijk erop beroepen heeft dat de toepassing die het
hof aan art. 35 Wbp gegeven heeft in strijd zou zijn met art. 12 sub a
(tweede streepje) van Richtlijn 95/46/EG. Volgens HBU is in de
Richtlijn ten deze sprake van maximumharmonisatie.
Deze - naar mijn mening niet juiste - stellingname geeft mij
aanleiding om mijn eerdere opmerkingen over de wetsgeschiedenis van
art. 35 Wbp - in samenhang met de Richtlijn - aan te vullen. Dat zal
gebeuren in nrs. 4.18a-4.18k van deze conclusie.
2. Feiten(6)
2.1. [Verweerder] c.s. hebben sinds juni 2003 in het beleggingsfonds
NovaCap Floralis Termijnfonds 2004 CV (hierna: 'het Fonds')
geparticipeerd. Voor de financiering van die participaties heeft HBU
kredieten aan [verweerder] c.s. verstrekt tot een totaalbedrag van €
10.353.000. [verweerder] c.s. hebben hun participaties in het Fonds
aan HBU verpand.
2.2. HBU is in november 2004 door de in de aanhef sub 1 t/m 9 genoemde
wederpartijen, en later door de in de aanhef sub 10 t/m 14 genoemde
wederpartijen gedagvaard voor de Rechtbank Amsterdam. [Verweerder] c.s.
hebben in die procedures aan hun vorderingen onder meer ten grondslag
gelegd dat er sprake is geweest van onzorgvuldige kredietverlening
door HBU en dat HBU in strijd heeft gehandeld met haar bijzondere
zorgplicht als bank en met het zogenaamde 'ken-uw-klant-beginsel'.
[Verweerder] c.s. hebben zich in die procedures voorts op het
standpunt gesteld dat HBU toerekenbaar tekort is geschoten in de
nakoming van haar zorgplicht, dan wel dat zij onrechtmatig heeft
gehandeld en dat HBU aansprakelijk is voor de door hen geleden en nog
te lijden schade.
2.3. In het kader van de onder 2.2 genoemde procedures hebben
[verweerder] c.s. tevens incidentele vorderingen op grond van art.
843a Rv ingesteld en gevorderd dat HBU afschrift verschaft van een
aantal gespecificeerde bescheiden uit de betreffende kredietdossiers
over de periode mei 2003 tot medio juni 2003. Zij vorderden - kort
gezegd - afschrift van:
- het cliëntenprofiel;
- de inventarisatie van hun kredietwaardigheid;
- interne fiatteringsstukken;
- de schriftelijke uitwerking door HBU van met [verweerder] c.s.
gevoerde (telefoon)gesprekken.
HBU heeft geweigerd de gevorderde bescheiden te verstrekken.
Bij incidentele vonnissen van respectievelijk 15 juni 2005 en 19
oktober 2005 heeft de rechtbank deze art. 843a Rv-vorderingen
afgewezen.(7)
2.4. In februari 2005 hebben [verweerder] c.s. HBU verzocht hen op
grond van art. 35 Wet bescherming persoonsgegevens (Wbp) schriftelijk
te berichten of zij persoonsgegevens van [verweerder] c.s. had
verwerkt en zo ja, om binnen vier weken een volledig overzicht daarvan
te verstrekken dat in ieder geval dient te bevatten:
(i) het schriftelijke cliëntenprofiel van [verweerder] c.s., waarin
de gegevens met betrekking tot de financiële positie,
beleggerservaring en beleggingsdoelstellingen van [verweerder] c.s.
zijn opgenomen;
(ii) een schriftelijke inventarisatie van de kredietwaardigheid van
[verweerder] c.s.;
(iii) de schriftelijke stukken die betrekking hebben op de interne
fiattering van de door HBU aan [verweerder] c.s. verleende kredieten
door de kredietcommissie en/of andere personen binnen HBU en/of haar
moedermaatschappij ABN AMRO Bank NV;
(iv) de bandopnames van de gesprekken die HBU heeft gevoerd met
betrekking tot de kredietverstrekking aan [verweerder] c.s.;
(v) een schriftelijke uitwerking van de mondelinge (intake)gesprekken
en telefoongesprekken die door (medewerkers van) HBU met [verweerder]
c.s. zijn gevoerd;
(vi) alle overige persoonsgegevens die HBU van [verweerder] c.s. heeft
verwerkt.
2.5. Bij brieven van 24 februari 2005 en 10 maart 2005 is namens HBU
geweigerd om aan het verzoek tot inzage in de door HBU verwerkte
persoonsgegevens te voldoen met een beroep op art. 43 sub e Wbp, nu
het verzoek tot inzage volgens HBU een 'fishing expedition' is waarmee
op oneigenlijke wijze wordt geprobeerd de procespositie van
[verweerder] c.s. in de bij de rechtbank Amsterdam aanhangige
procedures te versterken. Volgens HBU strekt het inzageverzoek van
[verweerder] c.s. er toe de aan toewijzing van de vordering ex art.
843a Rv verbonden voorwaarden en procesrechtelijke waarborgen te
omzeilen, waardoor de procespositie van HBU onevenredig wordt
benadeeld. Voorts is de weigering van HBU gebaseerd op het argument
dat [verweerder] c.s. misbruik maken van hun bevoegdheid ex art. 35
Wbp, aangezien zij hun inzagerecht gebruiken voor een ander doel dan
waarvoor het is verleend.
3. Procesverloop
3.1. Bij inleidend verzoekschrift, ingekomen ter griffie op 11 april
2005(8), hebben [verweerder] c.s. de rechtbank Rotterdam op de voet
van art. 46 lid 1 Wbp verzocht om HBU, uitvoerbaar bij voorraad, te
bevelen om een overzicht te verschaffen van de persoonsgegevens die
zij van [verweerder] c.s. heeft verwerkt, waaronder in elk geval
begrepen de hiervoor onder 2.4 (i) tot en met (vi) genoemde
stukken/gegevensdragers, op straffe van verbeurte van een dwangsom van
€ 5.000 per dag of gedeelte daarvan dat HBU met de naleving hiervan
in gebreke is.
3.2. HBU heeft haar hiervoor, onder 2.5, weergegeven verweren herhaald
en daaraan de nieuwe verweren toegevoegd, voor zover thans nog van
belang inhoudende dat zij alleen een volledig overzicht van de
verwerkte persoonsgegevens zou hoeven te verstrekken, maar geen
afschriften/kopieën van de door [verweerder] c.s. gevraagde
stukken/gegevensdragers en dat [verweerder] c.s. geen recht hebben op
de bandopnamen die mogelijk van telefoongesprekken met hen zijn
gemaakt of op de schriftelijke uitwerkingen (transcripties) daarvan.
Verder heeft HBU verweer gevoerd ten aanzien van de verzochte
uitvoerbaarverklaring bij voorraad en ten aanzien van de hoogte van de
gevraagde dwangsommen.(9)
3.3. Ter zitting van de rechtbank d.d. 12 augustus 2005 hebben
partijen hun standpunten nader toegelicht. Blijkens het proces-verbaal
van deze zitting heeft alleen mr. Van den Bergen, zijdens [verweerder]
c.s., een pleitnota overgelegd.
3.4. Bij beschikking van 7 oktober 2005 heeft de rechtbank de onder
2.5 weergegeven verweren van HBU verworpen. Haar overige verweren
heeft de rechtbank evenwel gehonoreerd. Bij die beschikking heeft de
rechtbank - in de weergave van het hof - HBU bevolen om, binnen vier
weken nadat de beschikking onherroepelijk is geworden, een
schriftelijk overzicht als bedoeld in art. 35 lid 2 Wbp - maar niet
(afschriften van) de stukken zelf(10) - aan [verweerder] c.s. te
verstrekken van:
- de hiervoor, onder 2.4 (i) t/m (iii) bedoelde persoonsgegevens;
- de persoonsgegevens vermeld in tot (een van) [verweerder] c.s.
herleidbare telefoonnotities en gespreksverslagen;
- de overige persoonsgegevens van [verweerder] c.s. voor zover HBU die
heeft verwerkt;
op straffe van verbeurte door HBU van een dwangsom van € 250 aan
ieder van [verweerder] c.s. per dag met een maximum van € 5.000 voor
ieder van [verweerder] c.s.
De rechtbank heeft het verzoek van [verweerder] c.s. tot verstrekking
van (een volledig overzicht van de persoonsgegevens op/in) bandopnamen
van telefoongesprekken of de schriftelijke uitwerkingen daarvan
afgewezen.(11)
3.5. HBU is van deze beschikking in hoger beroep gekomen bij het
gerechtshof te 's-Gravenhage, onder aanvoering van vier grieven.
3.6. [Verweerder] c.s. hebben gemotiveerd verweer gevoerd. Tevens
hebben zij voorwaardelijk incidenteel appel ingesteld, onder
aanvoering van vijf grieven. HBU heeft gemotiveerd verweer gevoerd in
het incidenteel appel.
3.7. Vervolgens hebben [verweerder] c.s. een akte houdende wijziging
van eis genomen, waarin zij hun incidenteel appel een onvoorwaardelijk
karakter hebben gegeven.
3.8. Op 23 mei 2006 heeft de mondelinge behandeling plaatsgevonden.
3.9. In zijn beschikking van 22 augustus 2006 oordeelde het hof dat de
grieven in het principaal appel faalden. De door [verweerder] c.s. in
het incidenteel appel aangevoerde grieven troffen daarentegen wél
grotendeels doel. Voor zover in cassatie van belang, overwoog het hof
daartoe:
'26. Grief 1 van [verweerder] c.s. bestrijdt het oordeel van de
rechtbank, dat HBU niet gehouden is om afschriften van de stukken i)
t/m iii) en v)(12) aan hen af te geven, maar dat het verstrekken van
een volledig overzicht door HBU voldoende is. [Verweerder] c.s.
onderbouwen deze grief met de redenering dat het vereiste van een
volledig overzicht in begrijpelijke vorm met zich kan brengen dat niet
kan worden volstaan met een overzicht van de verwerkte
persoonsgegevens en dat alsdan een afschrift dient te worden verstrekt
van de stukken waarin de persoonsgegevens zijn verwerkt. HBU verzet
zich tegen verstrekking van afschriften. Zij betwist evenwel niet dat
de stukken i) t/m iii) en v) bestaan en dat zij die onder zich heeft.
27. Het hof is het met HBU eens dat de betrokkene niet zonder
meer/altijd recht heeft op een afschrift en dat niet
noodzakelijkerwijs een afschrift hoeft te worden gegeven. Artikel 35
Wbp bepaalt dat een volledig overzicht in begrijpelijke vorm van de
verwerkte persoonsgegevens moet worden verstrekt, en niet méér. Dit
neemt niet weg dat een afschrift in ieder geval zo'n volledig
overzicht geeft en dat het daarom in beginsel voor de hand ligt om een
afschrift te verstrekken. Met name een afschrift zal geschikt zijn om
na te kunnen gaan of de verwerkte gegevens feitelijk onjuist zijn, of
het doel waarvoor zij verwerkt worden niet ongeoorloofd is, of zij
voor het doel of doeleinden van de verwerking onvolledig is, niet
adequaat of niet ter zake dienend zijn of zij anderszins in strijd met
een wettelijk voorschrift worden verwerkt (zie artikel 36 lid 1 Wbp).
Dat de wetgever ook, of zelfs in het bijzonder, aan afschriften heeft
gedacht blijkt uit artikel 3 van het Besluit kostenvergoeding rechten
betrokkene Wbp van 13 juni 2001 (Stb. 305), waarin is voorzien in een
kostenvergoeding aan de verantwoordelijke voor door hem gemaakte
afschriften. Een verantwoordelijke weet bij uitstek, of moet bij
uitstek weten, welke persoonsgegevens zij verwerkt, of laat verwerken,
en hoe daarvan een volledig overzicht is te geven. Gelet verder op het
transparantiebeginsel (zie rov. 14) zal de verantwoordelijke, die zich
op een andere wijze dan door het verstrekken van afschriften van zijn
verplichting tot het geven van een volledig overzicht wil kwijten
derhalve, indien hierover discussie ontstaat, duidelijk moeten maken
dat ook op die andere wijze daadwerkelijk een volledig overzicht wordt
verschaft. Dit heeft HBU niet gedaan. Zij heeft in het geheel niet
uiteengezet hoe zij het vereiste volledige overzicht in begrijpelijke
vorm wil verschaffen zonder verstrekking van afschriften. Dit betekent
dat er van uit moet worden gegaan dat in dit geval alleen door middel
van afschriften een volledig overzicht kan worden verkregen. Grief 1
van [verweerder] c.s. treft dan ook doel.
Grief 2
28. Met hun tweede grief komen [verweerder] c.s. op tegen de afwijzing
door de rechtbank van hun verzoek tot verstrekking van (een volledig
overzicht van de persoonsgegevens op/in) de bandopnames en de
schriftelijke uitwerkingen daarvan die HBU volgens [verweerder] c.s.
heeft gemaakt van telefoongesprekken met betrekking tot de
kredietverlening aan hen. De rechtbank is tot deze afwijzing gekomen
op grond van de overweging dat deze gesprekken geen gestructureerd
geheel vormen en niet zijn ontsloten op een wijze die deze onder het
bestandbegrip van de Wbp brengt. Hierbij heeft de rechtbank
uitdrukkelijk in het midden gelaten of geloof verdient de betwisting
door HBU dat bandopnames van die gesprekken zijn gemaakt.
29. In hoger beroep heeft HBU volhard in deze betwisting, waarmee zij
tevens betwist dat er schriftelijke uitwerkingen van bandopnames
bestaan. [Verweerder] c.s. stellen dat er wel bandopnames van de
telefoongesprekken en schriftelijke uitwerkingen daarvan zijn gemaakt.
Wie op dit feitelijke punt het gelijk aan zijn zijde heeft, is op dit
moment niet te beoordelen.
30. In hun artikel 35 Wbp-verzoek hebben [verweerder] c.s. HBU
verzocht, ten eerste, om hen mede te delen of zij persoonsgegevens
verwerkte (artikel 35 lid 1 Wbp) en zo ja, ten tweede, om daarvan een
volledig overzicht te geven (artikel 35 lid 2 Wbp). Gelet op het feit
dat daarbij specifiek is verzocht om bandopnames van
telefoongesprekken en/of schriftelijke uitwerkingen daarvan, lag in
het eerste verzoek, naar HBU heeft moeten begrijpen, besloten het
verzoek om mede te delen of persoonsgegevens van [verweerder] c.s. in
zulke gegevensdragers waren opgenomen/verwerkt. Het hof constateert
dat HBU in haar brieven van 24 februari en 10 maart 2005 niet alleen
het tweede verzoek niet heeft ingewilligd, maar evenmin het eerste
verzoek. Zij heeft in die brieven niet vermeld dat zij geen
bandopnames van de telefoongesprekken of schriftelijke uitwerkingen
daarvan heeft gemaakt. Dit heeft HBU alleen in deze procedure
aangevoerd.
31. In de onderhavige artikel 46 Wbp-procedure hebben [verweerder] c.s.
hun verzoek weliswaar toegespitst op verkrijging van de bandopnames
althans de schriftelijke uitwerkingen daarvan, maar daaruit kan niet
worden afgeleid dat hun oorspronkelijke verzoek aan HBU, om hen mede
te delen of zij op zulke gegevensdragers persoonsgegevens verwerkt, in
deze procedure niet meer aan de orde is. Het hof licht dit als volgt
toe. Het verzoek van [verweerder] c.s. om inzage in de bandopnames of
schriftelijke uitwerkingen daarvan, impliceert dat in hun visie deze
gegevensdragers bestaan. Dat weten zij echter niet zeker en HBU heeft
hierover geen mededeling in de zin van artikel 35 Wbp gedaan. Volgens
[verweerder] c.s. heeft HBU op dit punt een verzwaarde stelplicht
(verweerschrift in het principaal appel tevens voorwaardelijk
incidenteel appelschrift onder 159), hetgeen strookt met de regel van
artikel 35 lid 1 Wbp, dat de verantwoordelijke de betrokkene op diens
verzoek mededeelt of hem betreffende persoonsgegevens worden verwerkt
én, bovenal, met de regel van artikel 12, aanhef en sub a, eerste
gedachtestreepje, van de Richtlijn, dat de verantwoordelijke de
betrokkene zelfs "uitsluitsel" moet geven omtrent het
"al dan niet" bestaan van verwerkingen van hem betreffende
persoonsgegevens, welke, aan het transparantiebeginsel uitdrukking
gevende, regel bepalend is voor de uitleg van artikel 35 lid 1 Wbp.
Verder voorzien de leden 1 en 2 van artikel 35 Wbp welbeschouwd
slechts in één verzoek, namelijk in het verzoek van lid 1. Ingevolge
lid 2 is de verantwoordelijke verplicht om, indien hij heeft
medegedeeld dat persoonsgegevens worden verwerkt, daarvan een volledig
overzicht te geven, zonder dat daarvoor een afzonderlijk verzoek is
vereist. Gelet op dit alles, in onderling verband en samenhang bezien,
moeten de stellingen en verzoeken van [verweerder] c.s in deze
procedure (tevens) worden opgevat als strekkende tot het alsnog
verkrijgen, op de voet van artikel 35 lid 1 Wbp, van informatie van
HBU over het bestaan van bandopnames en/of schriftelijke uitwerkingen,
over het vóórkomen daarop van persoonsgegevens betreffende
[verweerder] c.s. en over de feitelijke wijze waarop deze gegevens
zijn gestructureerd en toegankelijk zijn gemaakt. In aanmerking
genomen dat, naar zojuist is overwogen, HBU "uitsluitsel"
dient te geven omtrent het "al dan niet" bestaan van
verwerkingen van [verweerder] c.s. betreffende persoonsgegevens en HBU
tot dusverre niet genoegzaam heeft aangetoond dat geen bandopnames
zijn gemaakt of nog bestaan, zal HBU een bevel hiertoe worden gegeven.
32. Beoordeeld dient nu nog te worden of, indien op bandopnames en/of
schriftelijke uitwerkingen van telefoongesprekken onder de Wbp
vallende persoonsgegevens worden verwerkt, HBU die banden en/of
schriftelijke uitwerkingen dan aan [verweerder] c.s. dient te
verstrekken, zoals [verweerder] c.s. verlangen. HBU meent dat zij
hiertoe niet gehouden is omdat niet valt in te zien hoe een betrokkene
een bandopname, die een historisch gegeven is, zou kunnen verbeteren
of aanvullen zonder dat daarmee geweld wordt gedaan aan de
oorspronkelijk inhoud daarvan. Zij wijst in dit verband op artikel 36
Wbp. Hiermee verliest HBU echter uit het oog dat ingevolge dit artikel
de betrokkene ook kan verzoeken om verwijdering of afscherming van (de
persoonsgegevens op) de bandopnames en dat haar argumentatie in het
geheel niet opgaat voor schriftelijke uitwerkingen van bandopnames. De
stelling van HBU dat de betrokkene voldoende moet hebben aan de
mededeling dat van de door hem met de verwerker gevoerde
telefoongesprekken notities/bandopnames zijn gemaakt, wordt door het
hof evenmin onderschreven. In een telefoongesprek over
kredietverlening komen doorgaans meerdere persoonsgegevens ter sprake
- zoals gegevens over het vermogen van de cliënt, zijn gezinssituatie
en zijn inkomen - en louter met de mededeling, dat een bepaald
telefoongesprek is vastgelegd, verkrijgt de betrokkene dus geen
volledig overzicht over de daarmee verwerkte persoonsgegevens. Nu HBU
niet heeft aangegeven hoe anders dan door verstrekking van de
bandopnames en/of schriftelijke uitwerkingen daarvan, een volledig
overzicht van de daarin verwerkte persoonsgegevens kan worden
verschaft, zal zij deze gegevensdragers dienen te verstrekken (zie ook
rov. 27), tenminste wanneer deze bestaan en daarop persoonsgegevens
worden verwerkt in de zin van de Wbp. Ook een hiertoe strekkend bevel
zal aan HBU worden gegeven.'
Het hof heeft de beschikking van de rechtbank vervolgens vernietigd en
- opnieuw rechtdoende - beslist dat:
- HBU, uiterlijk acht weken na betekening van 's hofs beschikking, aan
(de desbetreffende persoon van) [verweerder] c.s. afschriften dient te
verstrekken van:
- de schriftelijke cliëntenprofielen van [verweerder] c.s., waarin de
gegevens met betrekking tot de financiële positie, beleggingservaring
en beleggingsdoelstellingen van [verweerder] c.s. zijn opgenomen,
- de schriftelijke inventarisaties van de kredietwaardigheid van
[verweerder] c.s.,
- de schriftelijke stukken die betrekking hebben op de interne
fiattering van de door HBU aan [verweerder] c.s. verleende kredieten
door de kredietcommissie en/of andere personen binnen HBU en/of haar
moedermaatschappij ABN AMRO Bank NV,
- de notities en verslagen van met [verweerder] c.s. gevoerde (intake-)gesprekken
en telefoongesprekken,
- de stukken met alle overige persoonsgegevens die HBU van
[verweerder] c.s. heeft verwerkt;
zulks onder vermelding van het doel of de doeleinden van de daarin
voorkomende verwerkingen van persoonsgegevens van [verweerder] c.s.,
de ontvangers of categorieën ontvangers van de persoonsgegevens
waarop de verwerkingen betrekking hebben, alsmede de herkomst van die
gegevens.
Voorts heeft het hof HBU bevolen om, uiterlijk acht weken na
betekening van 's hofs beschikking, schriftelijk aan [verweerder] c.s.
mede te delen:
- of er bandopnames en/of schriftelijke uitwerkingen zijn gemaakt van
telefoongesprekken met betrekking tot de door HBU aan [verweerder] c.s.
verleende kredieten,
- zo ja, of deze gegevensdragers persoonsgegevens van [verweerder] c.s.
bevatten,
- zo ja, op welke (feitelijke) wijze deze persoonsgegevens zijn
gestructureerd en toegankelijk zijn gemaakt,
en om, indien bandopnames en/of schriftelijke uitwerkingen van zojuist
bedoelde telefoongesprekken bestaan en daarop persoonsgegevens van
[verweerder] c.s. worden verwerkt in de zin van de Wbp uiterlijk acht
weken na betekening van 's hofs beschikking, kopieën/afschriften van
die bandopnames en de schriftelijke uitwerkingen daarvan aan
[verweerder] c.s. te verstrekken, alles gespecificeerd naar ieder van
[verweerder] c.s. en onder vermelding van het doel of de doeleinden
van de verwerkingen, de ontvangers of categorieën ontvangers van de
persoonsgegevens waarop de verwerkingen betrekking hebben, alsmede de
herkomst van die gegevens.
Het hof heeft HBU ook bevolen om, na acht weken na betekening van zijn
beschikking, aan ieder van [verweerder] c.s. te betalen een dwangsom
van € 1.000 voor elke dag dat HBU ten opzichte van een van
[verweerder] c.s. niet of niet volledig voldoet aan bovengenoemde
bevelen. Het hof heeft het bedrag waarboven, ten opzichte van ieder
van [verweerder] c.s. afzonderlijk, geen dwangsom meer wordt verbeurd
bepaald op € 50.000.
Het hof heeft HBU in de kosten van het hoger beroep veroordeeld en
zijn beschikking ten aanzien van de eerder genoemde bevelen en
veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad verklaard.(13)
3.10. HBU heeft tijdig(14) tegen 's hofs beschikking beroep in
cassatie ingesteld. [verweerder] c.s. zijn, hoewel daartoe behoorlijk
opgeroepen, in cassatie niet verschenen.
4. Inleidende beschouwingen
4.1. De hieronder in nrs. 4.2. t/m 4.39 volgende inleidende
beschouwingen zijn merendeels letterlijk en in ieder geval zakelijk
gelijkluidend aan die in mijn conclusies in de zaken met rekestnummer
R06/045 en R06/046 en hebben dezelfde nummering, behoudens het
volgende. De voor de onderhavige zaak in het geheel niet relevante nrs.
4.4-4.6, 4.32 en 4.33 keren hieronder niet terug, terwijl om dezelfde
reden de nrs. 4.3 en 4.27 zijn ingekort. Daartegenover staat dat de
onderstaande inleidende beschouwingen zijn aangevuld met nieuwe
nummers 4.18a-4.18k, 4.20a, 4.23a, 4.38a en 4.39a-4.39b en een extra
voetnoot aan het slot van nr. 4.24.(15)
Ik zal hierna, onder A, eerst aandacht besteden aan de Wet bescherming
persoonsgegevens (Wbp), respectievelijk de (wetsgeschiedenis van de)
Wbp-bepalingen die in deze zaak van belang zijn. Vervolgens ga ik
onder B t/m H in op de reikwijdte en inhoud van het kennisnemingsrecht,
mede aan de hand van het communautaire kader, de Gedragscode
Verwerking Persoonsgegevens Financiële Instellingen, het oordeel van
het College Bescherming Persoonsgegevens (CBP) over de reactie van de
Dexia Bank op de aan haar gerichte inzage-verzoeken, en op de
rechtspraak en de literatuur.
A. Wet bescherming persoonsgegevens
4.2. De Wbp van 6 juli 2000(16) is de opvolger van de Wet
Persoonsregistraties (WPR), die in 1989 in werking trad. Beide wetten
strekken tot uitvoering van art. 10 lid 2 Grondwet ('De wet stelt
regels ter bescherming van de persoonlijke levenssfeer in verband met
het vastleggen en verstrekken van persoonsgegevens'). De nieuwe Wbp
strekt mede tot uitvoering van de in 1995 totstandgekomen Richtlijn
95/46/EG(17) 'betreffende de bescherming van natuurlijke personen in
verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrij
verkeer van die gegevens'.
4.3. Zoals ook de WPR reeds deed, kent de Wbp aan natuurlijke personen
een aantal in die wet omschreven rechten toe, waaronder een recht van
de aard als [verweerder] c.s. in deze procedure wensen in te roepen.
En zoals ook de WPR reeds deed, heeft de Wbp daartoe een afzonderlijke
rechtsgang geopend, een rechtsgang die [verweerder] c.s. in deze zaak
gebruiken. In de Wbp is die rechtsgang geregeld in art. 45 (voor
uitoefening van die rechten tegen bestuursorganen, onder verwijzing
naar de Awb) en in art. 46. Artikel 46 betreft de rechtsgang tegen
niet-bestuursorganen, zoals in deze zaak aan de orde is.(18)
4.4.-4.6. Vervallen.
B. Inzageverzoek ex art. 35 Wbp
4.7. Aan de onderhavige procedure ging een op art. 35 Wbp gebaseerd
verzoek van [verweerder] c.s. aan HBU vooraf. Op grond van art. 35 lid
1 Wbp heeft een betrokkene (dat is degene op wie een persoonsgegeven
betrekking heeft) het recht zich 'vrijelijk en met redelijke
tussenpozen' tot de verantwoordelijke te wenden met het verzoek hem
mede te delen of er hem betreffende persoonsgegevens worden verwerkt.
Als er persoonsgegevens worden verwerkt, dient de verantwoordelijke
binnen vier weken de volgende gegevens te verstrekken: (i) een
volledig overzicht in begrijpelijke vorm van de betrokkene betreffende
persoonsgegevens; (ii) een omschrijving van het doel of de doeleinden
van de verwerking; (iii) de categorieën van gegevens waarop de
verwerking betrekking heeft en de ontvangers of categorieën van
ontvangers alsmede (iv) de beschikbare informatie over de herkomst van
de gegevens. Dit inzagerecht ligt besloten in lid 2 van art. 35 Wbp.
4.8. Buiten kijf staat dat het inzagerecht is bedoeld om een
betrokkene in staat te stellen na te gaan of hem betreffende gegevens
worden verwerkt, en zo ja welke.
Hoewel begrijpelijkerwijs vaak - ook in de wetsgeschiedenis - een link
gelegd wordt met andere rechten van de betrokkene, met name de in art.
36 Wbp geregelde correctie- en verwijderingsrechten, die een
(voorafgaand) inzagerecht als het ware veronderstellen, meen ik dat
het inzagerecht niet alleen met het oog dáárop geldt. Het - in 1983
in Nederland in art. 10 lid 3 van de Grondwet neergelegde -
inzagerecht diende óók om de betrokken personen tegemoet te komen in
(persoonlijkheidsrechtelijke) gevoelens van onbehagen over datgene wat
anderen (in de Wbp-terminologie thans: 'verantwoordelijken') omtrent
het individu (wel of niet en meer of minder) vastleggen/verwerken.
Niet voor niets spreekt art. 10 lid 3 Grondwet over 'aanspraken van
personen op kennisneming van over hen vastgelegde gegevens en van het
gebruik dat daarvan wordt gemaakt, alsmede op verbetering van die
gegevens', en niét over: 'aanspraken van personen op kennisneming
[...] met het oog op verbetering van die gegevens'.(19) Bij de
totstandkoming van de Wbp - die diende ter implementatie van Richtlijn
95/46/EG - is gewezen op het 'transparantiebeginsel' dat ten grondslag
ligt aan deze wetgeving. Volgens dat uitgangspunt dient duidelijkheid
te bestaan over de verwerking van de gegevens; een ieder dient in de
gelegenheid te zijn om na te gaan waar gegevens over hem zijn
vastgelegd en zijn verwerkt.(20)
Het inzagerecht dient dus ook om te verzekeren dat het individu reeds
inzage moet kunnen krijgen om 'te weten wat anderen over je
registreren', ook lós van eventuele stappen van het individu tegen
die registratie.
Daaraan doet m.i. niet af Richtlijnconsiderans 41, luidende:
'(41) Overwegende dat een ieder over het recht moet kunnen beschikken
toegang te verkrijgen tot de gegevens die het voorwerp van een
verwerking vormen en hemzelf betreffen, zodat hij zich van de
juistheid en de rechtmatigheid van de verwerking ervan kan
vergewissen. (...)'
Het woord 'zodat' is natuurlijk op zijn plaats in die zin dat toegang
(inzage) de controle op de juistheid kan dienen, maar kan m.i. niet
worden opgevat als een voorwaarde in de zin van 'uitsluitend opdat'.
Dat considerans 41 niet in een zo beperkte zin moet worden opgevat,
blijkt ook uit considerans 9, waar overwogen wordt 'dat de Lid-Staten
er daarbij naar dienen te streven de momenteel door hun wetgeving
geboden bescherming te verbeteren'.
4.9. Intussen zal - hoe dan ook - op een dusdanige manier inzage
moeten worden verleend dat de betrokkene in staat is de wijze waarop
zijn gegevens worden verwerkt te herkennen, te begrijpen, te
controleren en - zonodig - aan te vechten.
Dat geeft een belangrijke indicatie voor het antwoord op de vraag wat
onder een 'volledig overzicht in begrijpelijke vorm' (als bedoeld in
art. 35 lid 2 Wbp) moet worden verstaan, en op de vraag of dit de
betrokkene - zoals in de onderhavige zaak door [verweerder] c.s. wordt
betoogd - bijvoorbeeld ook recht geeft op kopieën van documenten
waarin persoonsgegevens zijn opgenomen.
4.10. De voorloper van art. 35 Wbp, art. 29 WPR, luidde (mijn
cursiveringen):(21)
'1. De houder deelt een ieder op diens verzoek schriftelijk binnen
vier weken mede of hem betreffende persoonsgegevens in de registratie
zijn opgenomen.
2. Indien zodanige gegevens in de registratie zijn opgenomen, stelt de
houder de verzoeker desverlangd binnen vier weken na ontvangst van het
verzoek schriftelijk een volledig overzicht daarvan met inlichtingen
over de herkomst ter beschikking.
(...)'
Bij de totstandkoming van dit artikel is de vraag, hoe uitgebreid op
een inzageverzoek dient te worden gereageerd, aan de orde gekomen. De
ministers van Justitie en Binnenlandse Zaken antwoordden op de vraag
of de 'houder' bij een verzoek om kennisneming kan volstaan met
globale informatie:
'Het eerste lid van artikel 29 schrijft slechts voor dat moet worden
meegedeeld of gegevens over de verzoeker zijn opgenomen. Deze vraag
kan worden beantwoord met een eenvoudig ja of nee. Het tweede lid
bepaalt dat desgevraagd een volledig overzicht van de opgenomen
persoonsgegevens ter beschikking moet worden gesteld. De houder kan
dan niet volstaan met het verstrekken van globale informatie. Wel kan
hij ingevolge artikel 36 hiervoor een kostenvergoeding verlangen.
Tevens dient de houder desverlangd inlichtingen over de herkomst te
geven. Omdat hier wordt gesproken over 'inlichtingen' in plaats van
over een 'overzicht' kan in dit opzicht met globale informatie worden
volstaan. De reden hiervan is dat niet van de houder kan worden
verlangd in alle gevallen de herkomst van gegevens vast te
leggen.'(22),(23)
4.11. Uit deze passage blijkt dat een houder van persoonsgegevens (in
de huidige Wbp-terminologie: 'verantwoordelijke') dus niet kan
volstaan met het verschaffen van 'globale informatie' in reactie op
een inzageverzoek.
Naar mijn mening is - het bovenstaande nog iets verder uitwerkend -
beslissend dat het individu/de betrokkene ten aanzien van de over hem
zelf verwerkte persoonsgegevens als regel aanspraak heeft op
wetenschap ten aanzien van 'hetzelfde' als hetgeen de
verantwoordelijke over hem bewaart/verwerkt.(24) Tegen die achtergrond
lijkt het mij dienstig om stil te staan bij de ontwikkeling van
inmiddels meer 'ouderwetse' naar meer 'nieuwerwetse' bewaring en
opslag van persoonsgegevens, en bij het ervaringsfeit dat daarbij - al
lang, en nog heel lang - mengvormen kunnen voorkomen.
4.11.1. Ouderwets. Met (uiteraard) in het achterhoofd een langlopend
contract als het onderhavige, kan ik mij voorstellen dat in de stukken
uit de aanvangsfase, te weten een aanvraagformulier of
intekeningsformulier in duplo van de kant van het individu/de
betrokkene, en het tussen partijen gesloten, in schriftelijke vorm in
duplo opgemaakte contract, sprake is van op klassieke/ouderwetse wijze
opgemaakte documenten, die als zodanig door de verantwoordelijke
worden bewaard, terwijl de verantwoordelijke ervan mag uitgaan dat de
betrokkene die ook bewaart. Hetzelfde geldt voor op ouderwetse wijze
aan de betrokkene per post toegezonden periodieke mutatie-overzichten,
waaronder jaarlijkse, mede voor fiscale doeleinden toegezonden
verstrekte geschriften. Wat dit een en ander betreft, kan het door de
verantwoordelijke te verschaffen 'volledig overzicht' m.i. globaal
zijn, in die zin dat het verwijst naar die stukken.
Maar ook in deze 'ouderwetse' context kan er sprake zijn van verdere
geheel of gedeeltelijk geautomatiseerde verwerking van
persoonsgegevens, alsmede niet geautomatiseerde verwerking van in een
bestand opgenomen of op te nemen persoonsgegevens (vgl. art. 2 lid 1
Wbp). Omdat de betrokkene daaromtrent niet weet en niet geacht kan
worden te weten wat de verantwoordelijke vastlegt/verwerkt, zal het
'volledige overzicht' in die zin zó volledig moeten zijn, dat het
neerkomt op verschaffing van kopieën, of 'uitdraaien', voor zover de
gegevens uitsluitend c.q. 'één op één' digitaal zijn vastgelegd.
Het ontgaat mij overigens waarom, wat deze gegevens betreft, het
verschaffen van die kopieën/uitdraaien voor de verantwoordelijke
bezwaarlijker zou zijn dan het verschaffen van een alternatief
'volledig overzicht': het eenvoudig verschaffen van het eerste
bespaart immers personeelskosten bij een verwerkingsslag naar het
laatste. En de (eenvoudige) kopie/papierkosten mogen ingevolge het
wettelijk stelsel aan de betrokkene in rekening worden gebracht.(25)
4.11.2. Nieuwerwets. In een paperless environment - waarbij in de zin
van de Wbp dus per definitie sprake is van een 'geautomatiseerde
verwerking' - wordt elektronisch aangevraagd en gecontracteerd (of
worden het schriftelijke aanvraagformulier en contract gedigitaliseerd
'ingescand'), en verlopen ook de vervolghandelingen elektronisch.
Zoals in de vorige subparagraaf al bleek, brengt de aanspraak op een
'volledig overzicht' dan m.i. een aanspraak mee op kopieën/uitdraaien:
wat is/wordt er nu geregistreerd/verwerkt? Daar staat, naar reeds
bleek, tegenover dat de verantwoordelijke ter compensatie van de
kosten die hij maakt om aan een inzageverzoek tegemoet te komen een
vergoeding van de betrokkene kan vragen. Dit impliceert ook dat de
wetgever destijds rekening heeft gehouden met het feit dat een reactie
op een inzageverzoek uitgebreid kan zijn (lees: een groot aantal
pagina's kan omvatten).(26) Dat - inmiddels - menige internetgebruiker
elektronisch toegang zal hebben tot (grote delen van) het over hem of
haar door de verantwoordelijke aangehouden dossier, doet aan het
vorenstaande niet af. Het gaat juist om degenen die niet van die
internetfaciliteiten gebruik kunnen of willen maken, of daarop niet
vertrouwen.
4.11.3. Tot de nieuwerwetse gegevensverzameling reken ik ook de
elektronische vast-legging van communicatie per telefoon. Ik kan niet
inzien waarom daarvoor iets anders dan het bovenstaande zou gelden.
Dat geldt uiteraard in gevallen waarin die vastlegging aanstonds via
naam of codering (door een verbinding met) de elektronische file van
de betrokken persoon terugvindbaar is gemaakt.
Geldt het ook in gevallen waarin slechts per tijdseenheid tapes van
telefoongesprekken worden gemaakt, en die tapes slechts per
tijdseenheid, zonder enige nadere ingang op de 'bellers' (of 'gebelden')
worden opgeslagen? Voor zover die casus realiteitsgehalte heeft, moet
die vergeleken worden met bij een bank binnenkomende post (enkele
kilo's per dag?), die door de bank nog wel geopend wordt, maar
vervolgens slechts in volgorde van binnenkomst wordt bewaard. Het
realiteitsgehalte daarvan komt mij niet groot voor.
Indien niettemin daarmee rekening gehouden moet worden, speelt bij de
verantwoordelijke blijkbaar een gedachtegang in de volgende zin: het
is duurder om de post/de telefoongesprekken nu op naam van de
betrokkenen te 'filen' of te indexeren, dan dat het is om, als het er
een keer werkelijk op aankomt, de poststapels resp. gesprekkentapes
alsnog te doorzoeken. Kan de verantwoordelijke de elektronisch, en dus
geautomatiseerd verwerkte telefoongesprekken - die als regel uiteraard
persoonsgegevens zullen bevatten(27) - aldus buiten de werkingssfeer
van de Wbp plaatsen? Ik meen dat uit art. 2 lid 1 in verbinding met
art. 1 sub c Wbp het tegendeel blijkt. Bij de bespreking van het
middel kom ik in nr. 5.26 e.v. hierop terug.
C. Gedragscode Verwerking persoonsgegevens Financiële Instellingen
4.12. Ik wijs vervolgens op de Gedragscode Verwerking Persoonsgegevens
Financiële Instellingen, opgesteld op de voet van art. 25 Wbp.
4.13. Evenals voorheen de WPR, stimuleert de Wbp (nadere)
zelfregulering en/of sanctionering door middel van 'gedragscodes'. Het
systeem van art. 25 Wbp komt erop neer dat (representatieve, zie lid
3) branche-organisaties kunnen overgaan tot nadere invulling van de in
de Wbp neergelegde (relatief vagere) normen en/of in een vorm van
alternatieve geschillenbeslechting. Zo'n (concept-)gedragscode kan ter
beoordeling worden voorgelegd aan het College Bescherming
Persoonsgegevens (CBP), met het verzoek dat dit College - na toetsing
aan in art. 25 aangegeven criteria - verklaart dat de code 'een juiste
uitwerking van de wet of van andere wettelijke bepalingen betreffende
de verwerking van persoonsgegevens vormt', respectievelijk, wat de
geschillenbeslechting betreft, 'voorziet in waarborgen met betrekking
tot de onafhankelijkheid'.
De status van de gedragscode is niet verder wettelijk geregeld, dan
dat een beslissing van het CBP op het verzoek geldt als een besluit in
de zin van de Awb; op de voorbereiding is afd. 3.4 van die wet van
toepassing (art. 25 lid 4 Wbp).
Het is m.i. niet nodig hier diep in te gaan op de - tussen partijen in
cassatie niet aan de orde gestelde, en voor zover ik zie in de
literatuur nog niet of amper belichte vragen - naar de status van een
gedragscode die de in art. 25 Wbp bedoelde verklaring van het CBP
heeft verkregen. Vooralsnog houd ik het erop dat zo'n gedragscode
louter aan de verklaring van het CBP niet de status van 'recht' in de
zin van art. 79 RO ontleent, en ook niet 'formele rechtskracht' jegens
diegenen die in de (summiere) voorbereidingsprocedure op de voet van
art. 3.4 Awb niet van bezwaren hebben doen blijken.
De rechter is m.i. niet gebonden aan hetgeen de betrokken branche qua
interpretatie van de Wbp in de gedragscode heeft neergelegd, ook niet
na de - instemmende - verklaring van het CBP ingevolge art. 25 lid 1
Wbp. Wél levert een beroep daarop allicht een 'gezichtspunt', resp.
een 'essentiële stelling' op, waarover de rechter een oordeel dient
te geven. Bij de interpretatie van de gedragscode ligt de methode van
de zgn. CAO-norm in de rede. (28)
4.14. Wat in deze statusdiagnose verder op te merken valt, is dat een
'verantwoordelijke' die in zijn contractuele betrekking met een cliënt
naar een gedragscode verwijst, daaraan contractueel gehouden kan
worden, ook als zijn verplichtingen daarmee verder zouden gaan dan uit
de Wbp zelf zou voortvloeien. Het omgekeerde stuit m.i. af op het
gegeven dat de bepalingen van de Wbp naar hun aard in die zin dwingend
zijn dat daarvan niet ten nadele van de 'betrokkene' (de
geregistreerde persoon) kan worden afgeweken.(29)
Is er louter sprake van deel uitmaken van de branche, en niet van
directe of indirecte expliciete onderschrijving van de gedragscode,
dan heeft de branchegenoot die de Wbp beperkter interpreteert allicht
de schijn tegen, met name als het gaat om de invulling van de vage
normen daarvan (zoals bijv. 'bezwaarlijkheid' van het voldoen aan de
wettelijke regeling).
4.15. Terzijde merk ik nog op dat het CBP tijdens de periode dat zijn
verklaring ex art. 25 lid 1 Wbp werkzaam is (max. 5 jaar, zie art. 25
lid 5), in het kader van zijn eigen toezichthoudende (art. 51 e.v.)
Wbp en sanctionerende taak (art. 65 e.v. Wbp) niet op de door hem
afgegeven verklaring kan terugkomen, en daaraan in zoverre dus
gebonden is. In zoverre kan tegenover de betrokken branche van een
'comfort letter' gesproken worden.
4.16. Aldus mijn gezichtspunten ten deze.
4.17. De onderhavige Gedragscode Verwerking Persoonsgegevens Financiële
Instellingen (hierna: 'de Gedragscode')(30) is op de voet van art. 25
Wbp opgesteld door de Nederlandse Vereniging van Banken en het Verbond
van Verzekeraars en geeft een nadere invulling aan de bepalingen van
de Wbp.(31) Zo bepaalt art. 7.1.1 van de Gedragscode (mijn
cursivering):
'Een betrokkene is gerechtigd een Financiële instelling schriftelijk
een overzicht te vragen van de hem of haar betreffende
Persoonsgegevens die door die Financiële instelling worden verwerkt.
De Financiële instelling zal, behoudens in de genoemde
uitzonderingsgevallen in de WBP, de Betrokkene binnen vier weken na de
datum van het verzoek een overzicht van de Persoonsgegevens doen
toekomen. (...)'
In de toelichting op deze bepaling wordt opgemerkt:
'Het recht kennis te nemen van de eigen gegevens is een algemeen
erkend recht dat slechts in uitzonderingssituaties vervalt. Naast de
eigen gegevens dient de Betrokkene bij een verzoek ook op de hoogte te
worden gesteld van het doel van de verwerking, de categorieën van
gegevens waarop de verwerking betrekking heeft, de ontvangers of
categorieën van ontvangers en de beschikbare informatie over de
herkomst van de gegevens.'
4.18. Andere voor de beoordeling van de onderhavige zaak van belang
zijnde bepalin-gen in de Gedragscode betreffen de bepalingen die
voorschriften bevatten met betrekking tot het opnemen van
telefoongesprekken. [Verweerder] c.s. vorderden in casu immers ook
(een volledig overzicht van) de bandopnamen van de tussen hen en HBU
gevoerde telefoongesprekken alsmede de schriftelijke uitwerking van
dergelijke telefoongesprekken en mondelinge (intake-)gesprekken.
Ten aanzien van het opnemen van telefoongesprekken bepaalt art. 8.5
van de Gedragscode:
'8.5.1 Behoudens ten behoeve van het gebruik voor trainings-,
coachings- en beoordelingsdoeleinden worden telefoongesprekken slechts
opgenomen:
a. ter verificatie en onderzoek naar of ten bewijze van opdrachten,
transacties en andere (precontractuele) afspraken met de Cliënt;
b. indien dat noodzakelijk is ter bestrijding van frauduleuze of
andere strafbare gedragingen gericht tegen de Financiële instelling,
de Groep waartoe de Financiële instelling behoort dan wel Cliënten
en medewerkers;
c. indien daartoe een voorschrift is gegevens krachtens de wet.
(...)
8.5.3 De opgenomen telefoongesprekken en andere Persoonsgegevens
betreffende de opgenomen telefoongesprekken worden zodanig bewaard en
beveiligd dat deze niet toegankelijk zijn voor onbevoegden. Technische
en organisatorische voorzieningen worden getroffen om manipulatie van
de gegevens te voorkomen en om deze gegevens zonodig te kunnen
traceren en reconstrueren.
8.5.4.De opgenomen telefoongesprekken worden niet langer bewaard dan
noodzakelijk is voor de in artikel 8.5.1 genoemde doeleinden.
8.5.5 Een Cliënt heeft bij interpretatieverschillen of onenigheden
met betrekking tot de inhoud van de opgenomen telefoongesprekken het
recht het opgenomen telefoongesprek te beluisteren en/of een
transcriptie van het opgenomen telefoongesprek te verkrijgen.'
Ik kom op de bepalingen van de Gedragscode hierna in nrs. 4.35 en 5.27
nog terug.
C.a. Communautair kader
4.18a. Zoals onder 1.6 vermeld, heeft HBU zich in cassatie
nadrukkelijk erop beroepen heeft dat de toepassing die het hof aan
art. 35 Wbp gegeven heeft in strijd zou zijn met art. 12 sub a (tweede
streepje) van Richtlijn 95/46/EG. Volgens HBU is in de Richtlijn ten
deze sprake van maximumharmonisatie. Dit geeft mij aanleiding tot een
nadere beschouwing.(32)
4.18b. Aan de steller van het middel kan worden toegegeven dat
Richtlijn 95/46/EG geen pure minimumrichtlijn is. Het
cassatieverzoekschrift wijst in de toelichting onder 4 (p. 11) terecht
op een passage in de considerans sub 8. Ik zal de tekst hieronder
volledig citeren, evenals de considerans sub 9:
'(8) Overwegende dat, teneinde de belemmeringen voor het verkeer van
persoonsgegevens op te heffen, het niveau van de bescherming van de
rechten en vrijheden van personen op het stuk van de verwerking van
deze gegevens in alle Lid-Staten gelijkwaardig moet zijn; dat dit
doel, dat voor de interne markt van fundamenteel belang is, niet kan
worden bereikt door een optreden van de Lid-Staten alleen, gezien met
name de omvang van de bestaande divergenties tussen de geldende
nationale wettelijke regelingen ter zake en de noodzaak om de
wetgevingen van de Lid-Staten op elkaar af te stemmen teneinde voor de
grensoverschrijdende stromen van persoonsgegevens tot een
samenhangende reglementering te komen die in overeenstemming is met de
doelstelling van de interne markt in de zin van artikel 7 A van het
Verdrag; dat een optreden van de Gemeenschap in de vorm van een
onderlinge aanpassing van de wetgevingen derhalve noodzakelijk is;
(9) Overwegende dat de Lid-Staten, wegens de gelijkwaardige
bescherming die voortvloeit uit de onderlinge aanpassing van de
nationale wetgevingen, het vrije verkeer van persoonsgegevens tussen
de Lid-Staten niet langer mogen belemmeren om redenen in verband met
de bescherming van de rechten en vrijheden van natuurlijke personen,
met name het recht op persoonlijke levenssfeer; dat aan de Lid-Staten
een zekere vrijheid wordt gelaten die binnen het kader van de
tenuitvoerlegging van de richtlijn kan worden gebruikt door de
economische en sociale partners; dat zij derhalve in hun nationale
recht kunnen bepalen onder welke algemene voorwaarden de verwerkingen
rechtmatig zijn; dat de Lid-Staten er daarbij naar dienen te streven
de momenteel door hun wetgeving geboden bescherming te verbeteren; dat
zich binnen de grenzen van deze vrijheid, overeenkomstig het
Gemeenschapsrecht, ongelijkheden kunnen voordoen bij de
tenuitvoerlegging van de richtlijn hetgeen gevolgen kan hebben voor
het gegevensverkeer binnen een Lid-Staat en in de Gemeenschap;'.
4.18c. Beide overwegingen maken duidelijk dat - inderdaad - geen
sprake is van pure minimumharmonisatie. Zij maken echter evenzeer
duidelijk dat er ook geen sprake is van een maximumharmonisatie. Ik
wijs in dit verband met name op
- de strofe (sub 8) dat 'het niveau van de bescherming (...) in alle
Lid-Staten gelijkwaardig moet zijn', en ik vestig de aandacht op het
woord 'gelijkwaardig', wat iets anders is dan 'gelijk';
- de herhaling van 'gelijkwaardig' sub 9;
- de strofe (sub 9) 'dat aan de Lid-Staten een zekere vrijheid wordt
gelaten die binnen het kader van de tenuitvoerlegging van de richtlijn
kan worden gebruikt door de economische en sociale partners; dat zij
derhalve in hun nationale recht kunnen bepalen onder welke algemene
voorwaarden de verwerkingen rechtmatig zijn';
- de strofe (sub 9) 'dat de Lid-Staten er daarbij naar dienen te
streven de momenteel door hun wetgeving geboden bescherming te
verbeteren', hetgeen bepaald niet wijst op een verplichting om terug
te gaan naar het minimum van de Richtlijn, daar waar een lidstaat
voorheen al een verdergaande bescherming bood;
- en de slotstrofe (sub 9) 'dat zich binnen de grenzen van deze
vrijheid, overeenkomstig het Gemeenschapsrecht, ongelijkheden kunnen
voordoen bij de tenuitvoerlegging van de richtlijn hetgeen gevolgen
kan hebben voor het gegevensverkeer binnen een Lid-Staat en in de
Gemeenschap', waarmee het blijven vóórkomen van zekere verschillen
in beschermingsniveau tussen de lidstaten dus voor lief genomen wordt.
4.18d. Het voorgaande vindt bevestiging in de MvT bij het
Wbp-wetsvoorstel:
'Het onderhavige voorstel voor een nieuwe Wet bescherming
persoonsgegevens (verder te noemen WBP) strekt tot de implementatie
van de richtlijn. Zoals opgemerkt leidt de richtlijn niet tot een
volledige harmonisatie van de privacywetgeving, maar biedt zij een
zekere bandbreedte: er is een zeker minimum en een maximum dat niet
mag worden overschreden. Binnen dit kader zijn de Lid-Staten vrij hun
wetgeving in te richten.'(33)
Ik verwijs in dit verband tevens naar het commentaar op Richtlijn
95/46/EG van L.F.M. Verhey in NJCM-Bulletin 1997, p. 239 e.v. Op p.
241 lezen wij:
'Voorts is van belang dat de Richtlijn niet strekt tot volledige
harmonisatie van de privacywetgeving. Van meet af aan was duidelijk
dat volledige harmonisatie in dit stadium mogelijk, noch wenselijk is.
Dat betekent dat de Richtlijn een zekere ruimte biedt. In dat verband
kan worden gesproken over een bandbreedte: er is een minimum en een
maximum dat niet door de nationale wetgever mag worden overschreden.
Binnen die bandbreedte zijn de Lidstaten vrij hun wetgeving in te
richten naar eigen goeddunken. Een belangrijke restrictie van deze
vrijheid wordt gevormd door artikel 5 van de Richtlijn. Dit artikel
verplicht de Lidstaten tot precisering van de bepalingen van hoofdstuk
II van de Richtlijn, waarin de belangrijkste voorschriften betreffende
de rechtmatigheid van de gegevensverwerking zijn opgenomen. De
Richtlijn is dus primair een kaderrichtlijn: in belangrijke mate zal
nog nadere invulling op nationaal niveau moeten plaatsvinden.'
4.18e. Al het bovenstaande duidt op een bandbreedte, waarbij de
nationale wetgever enerzijds bepaalde minima ten behoeve van de
bescherming van het individu niet mag veronachtzamen, en waarbij
anderzijds de bescherming van het individu door de nationale wetgever
niet zó ver mag gaan dat daardoor het grensoverschrijdende
gegevensverkeer te zeer zou worden belemmerd.
Dit laatste zou zich met name voordoen indien Staat X voor de vraag of
persoonsgegevens naar andere Staten mogen worden doorgegeven of
daaruit mogen worden 'geïmporteerd', zijn eigen (hoge)
beschermingsniveau als maatstaf zou opleggen aan die andere Staten, of
ten minste een (naar het oordeel van Staat X) 'passend
beschermingsniveau' zou verlangen. Een Staat als Nederland deed iets
dergelijks in art. 47 van de (oude) Wet bescherming persoonsgegevens,
en doet dat nog steeds in art. 76 van de huidige Wbp, maar nu alleen
met betrekking tot landen buiten de Europese Unie. Naar landen bínnen
de Europese Unie kan dit dus niet meer, omdat die geacht worden aan
het door Richtlijn 95/46/EG aangegeven minimum (van met name hst. II,
artikelen 5-21) te voldoen. In zoverre kan men ook spreken van een
(door art. 1 lid 2 van de richtlijn bevestigd) 'country of origin'-principe.
Maar dat verbiedt een EU-lidstaat (Nederland of een ander) dus niet om
op eigen bodem verdergaande bescherming aan individuen te bieden, met
hoogstens een voorbehoud voor het geval daardoor aantoonbaar tóch het
intracommunautaire gegevensverkeer te zeer belemmerd zou worden.
4.18f. M.i. stuiten reeds op het voorgaande af de stellingen van HBU
dat art. 35 Wbp communautairrechtelijk niet een uitleg of toepassing
zou verdragen als die welke het Haagse hof in de bestreden beschikking
daaraan gegeven heeft.
Daar komt nog het volgende bij.
4.18g. Het cassatieverzoekschrift citeert in nrs. 1 en 2 van de
toelichting (op pp. 10-11)
- het kopje van afdeling V van hoofdstuk II van de Richtlijn,
luidende: 'Recht van de betrokkene op toegang tot de gegevens',
alsmede
- de tekst van art. 12 sub a van de Richtlijn, voor zover hier van
belang(34) (achter het tweede streepje) luidende: [recht op]
'verstrekking, in begrijpelijke vorm, van de gegevens die zijn
verwerkt, alsmede de beschikbare informatie over de oorsprong van de
gegevens', alsmede
- de tekst van de considerans sub (41), luidende: 'Overwegende dat een
ieder over het recht moet kunnen beschikken toegang te verkrijgen tot
de gegevens die het voorwerp van een verwerking vormen en hemzelf
betreffen, zodat hij zich van de juistheid en de rechtmatigheid van de
verwerking ervan kan vergewissen (...)'.
Het cassatieverzoekschrift stelt t.a.p. dat uit een en ander
'duidelijk blijkt' dat het toegangsrecht van de betrokkene ziet op
gegevens die hemzelf betreffen, en niet op gegevensdragers. Nergens in
de totstandkomingsgeschiedenis van de Richtlijn zou blijken dat een
ruimere betekenis van art. 12 onder a, tweede streepje voor ogen zou
hebben gestaan.
4.18h. Deze stelling gaat niet op, om verschillende redenen.
In de eerste plaats veronderstellen de woorden 'verstrekking (...) van
de gegevens' in art. 12 onder a, tweede streepje van de Richtlijn,
mede in het licht van het transparantiebeginsel (vgl. 4.8) m.i. dat
per saldo toegang tot een gegevensdrager moet worden gegeven.
Ik signaleer terzijde de vraag of volstaan zou kunnen worden met het
bieden van inzage (ter plaatse, dan wel via een terminal elders) in
plaats van verstrekking van een fysiek document (per post, of via
internet, door middel van een downloadbaar/printbaar document). Die
vraag laat zich onder omstandigheden stellen, maar niét in de
onderhavige zaak, waarin dít aspect in het geheel niet aan de orde
was.
In de tweede plaats wordt miskend dat (ook) art. 35 lid 2 Wbp,
sprekend over een 'mededeling' die 'een volledig overzicht' van de
bewerkte persoonsgegevens 'bevat', klaarblijkelijk het oog heeft op
toegang tot een gegevensdrager. Uit hetgeen ik hiervoor (nrs.
4.18c-4.18e) heb opgemerkt vloeit voort dat, zelfs indien art. 12
onder a, tweede streepje van de Richtlijn niet hiervan zou uitgaan, de
Nederlandse wetgever toch een zodanig voorschrift mag geven.
In de derde plaats valt op dat het middel (overigens terecht, zie
hierboven) niét aan de orde stelt dat de Nederlandse wetgever met de
eis van 'mededeling' die 'een volledig overzicht' van de bewerkte
persoonsgegevens 'bevat', de grenzen van art. 12 onder a, tweede
streepje van de Richtlijn te buiten zou zijn gegaan, met het argument
dat
ie Richtlijnbepaling slechts zou spreken over 'verstrekking, in
begrijpelijke vorm, van de gegevens die zijn verwerkt'.
4.18i. Het argument in nr. 5 (op p. 12) van het
cassatieverzoekschrift, dat in art. 12 sub a, achter het eerste
streepje de term 'ten minste' voorkomt, anders dan achter het tweede
streepje, en dat daarom ervan uitgegaan mag worden dat die bepaling
een maximumharmonisatie inhoudt, gaat ook niet op. Afgezien van
hetgeen hierboven uiteengezet is over de 'bandbreedte' van de
Richtlijn ten aanzien van nadere bepaling van het beschermingsniveau,
verliest dit argument het volgende uit het oog.
In art. 12 onder a, eerste streepje gaat het over 'uitsluitsel omtrent
het al dan niet bestaan van verwerkingen van hem betreffende gegevens,
alsmede ten minste (mijn curs., A-G) informatie over de doeleinden van
deze verwerkingen, de categorieën gegevens waarop deze verwerkingen
betrekking hebben en de ontvangers of categorieën ontvangers aan wie
de gegevens worden verstrekt'. Hetgeen achter ten minste is vermeld,
betreft inhoudelijke informatiecomponenten waarover de
verantwoordelijke uitsluitsel moet geven. Wat dat betreft wordt een
minimum vermeld, met - zo meent ook HBU - de bevoegdheid voor
nationale wetgevers om verder te gaan. Over de vorm waarin die
informatie zou moeten worden verstrekt laat art. 12 onder a, eerste
streepje zich niet uit, en de term 'ten minste' slaat dus dáár in
elk geval niet op. Het middel bepleit - terecht - evenwel niet dat de
nationale wetgever ten aanzien van dit laatste geen nadere
voorschriften zou mogen geven.
In art. 12 onder a, tweede streepje gaat het 'tout court' over
verstrekking, in begrijpelijke vorm, van de gegevens die zijn
verwerkt, alsmede de beschikbare informatie over de oorsprong van de
gegevens. Net zomin als art. 12 onder a, eerste streepje iets zegt
over de vorm waarin die informatie zou moeten worden verstrekt, en net
zomin als die bepaling aan nadere nationale regelgeving ten deze in de
weg staat, geldt dat voor art. 12 onder a, tweede streepje.
4.18j. De stellingen in de toelichting onder nrs. 6 en 7 (op p. 12)
van het verzoekschrift tot cassatie, die erop neerkomen dat niet
blijkt dat de Nederlandse wetgever bij de implementatie van Richtlijn
95/46/EG heeft willen afwijken van art. 12 onder a, tweede streepje,
snijden dus evenmin hout.
In de eerste plaats stond het de Nederlandse wetgever vrij om (in elk
geval binnen zekere, hier niet overschreden grenzen(35)) in art. 35
Wbp nader vorm te geven aan het voorschrift van art. 12 onder a,
tweede streepje.
In de tweede plaats hééft de Nederlandse wetgever dat (in HBU's
impliciete optiek) reeds gedaan, door de eis van 'mededeling' die 'een
volledig overzicht' van de bewerkte persoonsgegevens 'bevat'. De eis
van een 'volledig overzicht' kwam in de voorloper van de Wbp, de WPR
al voor, en is in de Wbp in het kader van de implementatie van
Richtlijn 95/46/EG uitdrukkelijk gehandhaafd(36).
Terecht wordt niet geklaagd dat de Nederlandse wetgever door de eis
van een 'volledig overzicht' de grenzen van art. 12 onder a, tweede
streepje van de Richtlijn te buiten zou zijn gegaan.
Van enige door de Europese Commissie - ten deze of in vergelijkbare
gevallen - ondernomen infractieprocedure wegens onjuiste implementatie
is niets bekend.(37)
4.18k. De hier besproken ruimte voor implementatie van Richtlijn
95/46/EG, en het niet treden buiten die grenzen door de Nederlandse
wetgever respectievelijk door het hof, komen m.i. in aanmerking voor
de kwalificatie 'acte clair'
D. Buitenlandse wetgeving
4.19. Niettegenstaande de hierboven besproken communautaire
'bandbreedte', lijkt het mij dienstig om te bezien hoe art. 12, onder
a, van de Richtlijn in enige andere landen is geïmplementeerd.
4.20. De Belgische 'wet tot bescherming van de persoonlijke
levenssfeer ten opzichte van de verwerking van persoonsgegevens' geeft
de betrokkene in art. 10 sub b recht op 'verstrekking in begrijpelijke
vorm van de gegevens zelf die worden verwerkt, alsmede alle
beschikbare informatie over de oorsprong van die gegevens.'(38)
4.20a. In zijn commentaar op de Belgische wet merkt De Bot op dat het
recht op mededeling in de zin van art. 10 van die wet niet gelijk is
te stellen met een recht op kopie of een recht om mee te kijken op het
computerscherm. Het is volgens hem voldoende om de gegevens aan de
betrokkene - bij voorkeur, maar niet noodzakelijk - in schriftelijke
vorm mee te delen.(39)
4.21. De Britse Data Protection Act 1998 bepaalt in art. 7 sub c dat
individuen het recht hebben 'to have communicated to him in an
intelligible form (i) the information constituting any personal data
of which that individual is the data subject and (ii) any information
available to the data controller as to the source of those data.'(40)
Het Court of Appeal voor Engeland en Wales heeft zich in de zaak
Durant v. Financial Service Authority uitgelaten over het inzagerecht
onder de Data Protection Act.(41) In de rov. 26 en 27 van die
uitspraak gaat het Court of Appeal in op de reikwijdte van het
inzagerecht:
'26. The intention of the Directive, faithfully reproduced in the Act,
is to enable an individual tot obtain a data controller's filing
system, whether computerised of manual, his personal data, that is,
information about himself. It is not an entitlement to be provided
with original or copy documents as such, but, as section 7 (1)(c)(i)
and 8(2) provide, with information constituting personal data in
intelligible and permanent form. This may be in documentary form
prepared for the purpose and/or where it is convenient in the form of
copies of original documents redacted if necessary to remove matters
that do not constitute personal data (and/or to protect the interests
of other individuals under section 7(4) and (5) of the Act).
27. In conformity with the 1981 Convention and the Directive, the
purpose of section 7, in entitling an individual to have access to
information in the form of his 'personal data' is to enable him to
check whether the data controller's processing of it unlawfully
infringes his privacy and, if so, to take such steps as the Act
provides, for example in sections 10 to 14, to protect it. It is not
an automatic key to any information, readily accessible or not, of
matters in which he may be named or involved. Nor is to assist him,
for example, to obtain discovery of documents that may assist him in
litigation or complaints against third parties. As a matter of
practicality and given the focus of the Act on ready accessibility of
the information - whether from a computerised or comparably
sophisticated non-computerised system - it is likely in most cases
that only information that names or directly refers to him will
qualify. In this respect, a narrow interpretation of 'personal data'
goes hand in hand with a narrow meaning of 'a relevant filing system',
and for the same reasons (...). But ready accessibility, though
important, is not the starting point.'
Volgens het Court of Appeal geeft het inzagerecht als zodanig dus geen
recht op originele documenten of kopieën daarvan.
4.22. Het Duitse Bundesdatenschutzgesetz bepaalt in paragraaf 34 onder
(i): 'Der Betroffene kann Auskunft verlangen über( 1) die zu seiner
Person gespeicherten Daten, auch soweit sie sich auf die Herkunft
dieser Daten beziehen, (2) Empfänger oder Kategorien van Empfängern,
an die Daten weitergegeben werden, und (3) den Zweck der Speicherung.'(42)
4.23. In de Franse Loi relative à l'informatique, aux fichiers et aux
libertés(43) geeft art. 39 sub 4 recht op 'La communication, sous une
forme accessible, des données à caractère personnel qui la
concernent ainsi que de toute information disponible quant à
l'origine de celles-ci.' De toelichting op art. 39 vermeldt:(44)
'Une copie des données à caractère personnel est délivrée à
l'interessé à sa demande. Le responsible du traitement peut
subordonner la délivrance de cette copie au paiement d'une somme qui
ne peut excéder le coût de la reproduction.'
Deze toelichting doet vermoeden dat de betrokkene volgens de Franse
wetgever ook recht heeft op kopieën van de gegevensdragers waarin de
persoonsgegevens zijn verwerkt.
4.23a. Volgens de Franse zuster van het College Bescherming
persoonsgegevens, de Commission nationale de l'informatique et des
libertés (CNIL), rust er op de verantwoordelijke echter geen
verplichting om kopieën van documenten te verstrekken. Haar website
vermeldt hierover het volgende:
'What are the implications of rights of access, rectification and
opposition?
(...)
When exercising his or her right of access, the individual should
secure "the confirmation that his or her personal data are or are
not the subject of the processing" and "the disclosure",
in an accessible form, of his or her personal data as well as any
information available as to the source thereof."
Answering to a request for access is done commonly in the form of a
copy of documents on which the relevant personal data are mentioned.
However, the CNIL acknowledges that a request for access is validly
answered to by providing a mere transcript of the data mentioned on
such documents, without necessarily communicating a copy of the
documents themselves."(45)
Uit dit citaat blijkt echter tevens dat er in Frankrijk naar
aanleiding van een inzageverzoek in de regel kopieën worden verschaft
van de gegevensdragers waarin de persoonsgegevens zijn verwerkt.
4.24. De Spaanse wetgever lijkt ervan uit te zijn gegaan dat de
betrokkene een recht heeft op kopieën van de gegevensdragers waarin
de persoonsgegevens zijn verwerkt. Dit leid ik af uit de implementatie
van art. 12 van de Richtlijn in art. 15 van de Spaanse wet; meer in
het bijzonder de vermelding van alternatieve vormen van kennisneming
in lid 2:
'1. El interesado tendrá derecho a solicitar y obtener gratuitamente
información de sus datos de carácter personal sometidos a
tratamiento, el origen de dichos datos, así como las comunicaciones
realizadas o que se prevén hacer de los mismos.
2. La información podrá obtenerse mediante la mera consulta de los
datos por medio de su visualización, o la indicación de los datos
que son objeto de tratamiento mediante escrito, copia, telecopia o
fotocopia, certificado o no, en forma legible e intelegible, sin
utilizar claves o códigos que requieran el uso de dispositivos mecánicos
especificos.
(...)'(46)
Ik geef hier ook de (onofficiële) Engelse vertaling weer:
'1. The data subject shall have the right to request and obtain free
of charge information on his personal data subjected to processing, on
the origin of such data and on their communication or intended
communication.
2. The information may be obtained by simply displaying the data for
consultation or by indicating the data subjected to processing in
writing, or in a copy, fax or photocopy, whether certified a true copy
or not, in legible and intelligible form, and without using keys or
codes which require the use of specific devices.
(...)'
De Spaanse wet spreekt, zoals hierboven blijkt, niet over een optie
voor de verantwoordelijke om de data te verstrekken in de vorm van
kopieën (naast een alternatief als loutere inzage), maar over een
recht van de betrokkene op het verkrijgen ('obtener'; 'obtain') van de
data in de vorm van kopieën, als de betrokkene dat wenst.(47)
E. De weigeringsgrond in art. 43 sub e Wbp
4.25. HBU heeft zich in de onderhavige procedure in eerste instantie
en in hoger beroep - maar in cassatie niet meer - op het standpunt
gesteld dat de kennisnemingsverzoeken van [verweerder] c.s. neerkomen
op een 'fishing expedition', waarmee zij op oneigenlijke wijze
proberen hun procespositie in de bij de rechtbank Amsterdam aanhangige
procedures te versterken. Daarom zou zij op grond van art. 43 sub e
Wbp niet gehouden zijn aan de verzoeken te voldoen. Hoewel in deze
zaak R06/163 niet rechtstreeks aan de orde, merk ik over deze bepaling
toch het volgende op.
Op grond van art. 43 Wbp kan de verantwoordelijke de verstrekking van
een overzicht van de verwerkte persoonsgegevens weigeren voor zover
dit noodzakelijk is in het belang van (a) de veiligheid van de staat;
(b) de voorkoming, opsporing en vervolging van strafbare feiten; (c)
gewichtige economische en financiële belangen van de staat en andere
openbare lichamen; (d) het toezicht op de naleving van wettelijke
voorschriften die zijn gesteld ten behoeve van de belangen, bedoeld
onder (b) en (c); of (e) de bescherming van de betrokkene of van de
rechten en vrijheden van anderen.
4.26. In casu ging het slechts om de laatste weigeringsgrond (e). Uit
de parlementaire geschiedenis blijkt dat voor wat betreft die laatste
weigeringsgrond onder 'anderen' ook de 'verantwoordelijke' (in het
onderhavige geval dus HBU) dient te worden begrepen. Uit de
parlementaire geschiedenis blijkt tevens dat de verantwoordelijke niet
uitsluitend op grond van zijn belang om administratieve lasten te
beperken een verzoek om informatie als bedoeld in art. 35 lid 1 Wbp
zal mogen afwijzen. Hij zal daarentegen aannemelijk moeten maken dat
door inwilliging van een verzoek tot inzage in persoonsgegevens de
administratieve lasten zodanig disproportioneel zijn dat hij in een
van zijn rechten en vrijheden wordt aangetast of dreigt te worden
aangetast.(48)
F. (Oordeel) College Bescherming Persoonsgegevens
4.27. Het College Bescherming Persoonsgegevens (CBP) heeft tot taak
toe te zien op de verwerking van persoonsgegevens overeenkomstig het
bij of krachtens de wet bepaalde.(49) Daarnaast vervult het CBP ook
andere taken. Zo kan het CBP op grond van art. 60 Wbp al dan niet
ambtshalve een onderzoek instellen naar de wijze waarop ten aanzien
van gegevensverwerking toepassing wordt gegeven aan het bij of
krachtens de wet bepaalde.
Naar aanleiding van een aantal klachten van consumenten (effectenlease-contractanten)
over Dexia heeft het CBP een dergelijk onderzoek ingesteld. Onderzocht
is de wijze waarop door Dexia aan het recht op kennisneming als
bedoeld in art. 35 Wbp toepassing wordt gegeven. Het CBP heeft zijn
(definitieve) bevindingen neergelegd in een brief aan Dexia van 3
september 2004.(50) Uit die brief blijkt dat het CBP aan het begrip
'volledig overzicht in begrijpelijke vorm' (in de zin van art. 35 lid
2 Wbp) de volgende uitleg geeft:
'Het overzicht moet de betrokkene in ieder geval in staat stellen zijn
recht om ingevolge artikel 36 WBP te verzoeken om verwijdering of
correctie te effectueren. Om te kunnen overzien of gegevens feitelijk
onjuist zijn voor het doel van de verwerking onvolledig of niet ter
zake dienend zijn dan wel anderszins in strijd met een wettelijk
voorschrift worden verwerkt is het noodzakelijk zicht te hebben op
zoveel mogelijk details van de verwerkte persoonsgegevens.
Hieruit volgt dat in het algemeen niet volstaan kan worden met een
samenvatting van de gegevens. Een belangrijk deel van de
informatiewaarde zal hiermee immers verloren gaan. De precieze context
waarin gegevens worden verwerkt kan cruciaal zijn en het kan de
betrokkene juist gaan om de details van gegevens die over hem verwerkt
worden. Details zullen in veel gevallen van beslissende betekenis zijn
voor de ratio van het recht op kennisneming. Dit geldt zeker ook voor
de daarmee verbonden rechten om te verzoeken om correctie, afscherming
en verwijdering van gegevens alsmede het recht om zich te verzetten
tegen - verdere - verwerking. [...] Het is onvoldoende als de
betrokkene slechts geïnformeerd wordt over de categorieën van
gegevens die op hem betrekking hebben. De gegevens zelf die vallen
onder deze categorieën moeten in beginsel ontsloten worden opdat de
betrokkene inzicht kan krijgen in de verwerking van de op hem
betrekking hebbende gegevens en zonodig zijn rechten kan effectueren.'
Meer specifiek ten aanzien van telefoonnotities en gespreksverslagen
merkt het CBP op:
'Mede aan de hand van notities, gespreksverslagen en telefoonnotities
zal een verantwoordelijke de (financiële) positie van de betrokkene
beoordelen en zonodig maatregelen treffen. Op grond van art. 35,
tweede lid WBP dienen deze overgelegd te worden als de betrokkene
daarom verzoekt, tenzij een van de uitzonderingen op het inzagerecht
van toepassing is. De betrokkene dient, om de rechtmatigheid van deze
verwerking te kunnen controleren kennis te kunnen nemen van deze
stukken. De betrokkene moet bovendien in staat zijn de
verantwoordelijke om wijzigingen en/of correctie te verzoeken (zie
art. 36 WBP).
Dexia verwijst naar een uitspraak van de Afdeling rechtspraak van de
Raad van State van 3 maart 2004 (JB 2004, 156), waarin de rechter zich
uitlaat over de betekenis van het correctierecht: het recht op
verbetering en verwijdering van persoonsgegevens is niet bedoeld om
gegevens, bestaande uit indrukken, meningen en conclusies omtrent de
persoon van de betrokkene waarmee die zich niet kan verenigen, te
corrigeren of te verwijderen. Aan deze overweging ontleent Dexia een
argument om telefoonnotities niet ter inzage te geven. Echter de
Afdeling rechtspraak overweegt ook dat in geval van gegevens,
bestaande uit indrukken, meningen en conclusies, volstaan kan worden
met het toevoegen van het schriftelijk commentaar van de betrokkene
aan het dossier. Inzage in dergelijke gegevens gaat ook in de
zienswijze van de Raad van State hieraan vooraf. De verantwoordelijke
moet derhalve - tenzij één van de uitzonderingen van artikel 43 van
toepassing is - (een afschrift van) de telefoonnotities en
gespreksverslagen overleggen.'
In reactie op het betoog van Dexia dat de opgenomen telefoongesprekken
geen bestand vormen in de zin van art. 1 sub c Wbp, schreef het CBP
dat hij
'het niet goed voorstelbaar acht dat Dexia wel kosten maakt en de
faciliteiten heeft om gesprekken op te nemen, maar niet in staat is
deze gesprekken gestructureerd terug te vinden en uit te luisteren.
Het CBP gaat er dan ook vanuit dat een zoekfunctie aanwezig zal zijn
die de telefoongesprekken ontsluit op een wijze die de verzameling
onder het bestandsbegrip van de Wbp brengt.'(51)
Volgens het CBP dient Dexia bij een verzoek om kennisneming interne
notities ook te overleggen, althans voorzover die interne notities de
betrokkene als onderwerp hebben en Dexia geen beroep toekomt op een
van de weigeringsgronden als bedoeld in art. 43 Wbp.(52) De vraag
wanneer Dexia een beroep op een dergelijke weigeringsgrond toekomt
beantwoordt het CBP als volgt:
'De toepassing van de weigeringsgronden is onderworpen aan het "noodzakelijkheidscriterium".
Een strikte uitleg van dit begrip is aangewezen daar de
uitzonderingsgronden zelf slechts in algemene zin kunnen worden
geformuleerd (MvT, 25 892, nr. 3, pagina 171).
Het antwoord op de vraag of de uitzonderingsgronden van toepassing
zijn vraagt een afweging van de in het geding zijnde belangen. Deze
afweging wordt in eerste instantie door de verantwoordelijke gemaakt.
Bij deze afweging spelen de begrippen proportionaliteit en
subsidiariteit een rol. Met andere woorden, staat de beperking in het
aan de betrokkene toekomende recht door weigering van inzage in
redelijke verhouding tot het te beschermen belang van een ander en is
deze beperking noodzakelijk? De belangenafweging zal steeds gericht
zijn op de omstandigheden van het concrete geval en het is in eerste
instantie aan de verantwoordelijke om in het licht van de uitzondering
een exacte werkwijze te bepalen. Indien de betrokkene echter van
oordeel is dat inzage ten onrechte op grond van artikel 43 WBP wordt
geweigerd kan hij zich wenden tot het CBP (op grond van artikel 47 WBP)
en de rechter (artikel 46 WBP). De verantwoordelijke moet de gemaakte
afweging dan voor dat concrete geval inzichtelijk kunnen maken.
De verantwoordelijke kan niet uitsluitend op grond van zijn belang om
administratieve lasten te beperken een verzoek om kennisneming als
bedoeld in artikel 35 WBP afwijzen. Het CBP wijst erop dat de
keerzijde van het hebben van veel cliënten kan zijn dat in evenredige
mate een beroep op de hen toekomende rechten wordt gedaan. De
verantwoordelijke moet conform artikel 43, onder e, WBP aannemelijk
maken dat door inwilliging van een verzoek om kennisneming de
administratieve lasten zodanig disproportioneel zijn dat weigering
noodzakelijk is, omdat hij anders in een van zijn rechten en vrijheden
wordt aangetast of dreigt te worden aangetast (MvT 25 892, nr. 3,
pagina 171).'
Het CBP sluit niet uit dat daadwerkelijk schade aan de processuele
positie van Dexia tot een gerechtvaardigd beroep op art. 43 sub e Wbp
kan leiden. Daartoe zal volgens het CBP dan wel een afweging moeten
plaatsvinden tussen Dexia's belang en het - processuele - belang van
de betrokkene. Dexia zal dus per betrokkene en per document
aannemelijk moeten maken dat kennisneming tot een dusdanige schade
voor haar leidt dat weigering hiervan noodzakelijk is voor de
bescherming van haar rechten en vrijheden, aldus het CBP.(53), (54)
G. Rechtspraak inzake inzageverzoeken
4.28. Uw Raad heeft zich al eerder gebogen over zaken waarin het ging
om inzage-verzoeken. In HR 2 december 1988, NJ 1989, 752, m.nt. Ma -
waar van de Gemeenschappelijke Medische Dienst kopie werd gevraagd van
medische en niet-medische stukken betreffende verzoeker - heeft uw
Raad, in rov. 3.3, in algemene termen aangenomen dat degene, van wie
een instelling als de GMD een dossier heeft aangelegd, in beginsel
recht heeft op kennisneming van de zich daarin bevindende stukken. Al
vóór de inwerkingtreding van de WPR vond een inzagerecht derhalve
reeds erkenning bij de Hoge Raad.(55) De Hoge Raad oordeelde in rov.
3.2 voorts 'De aard van de stukken in een medisch dossier als waarvan
hier sprake is, zal in de regel meebrengen dat kennisneming door
middel van een aan de betrokkene te verschaffen afschrift kan worden
verlangd.'(56)
4.29. Maar ook over weigeringsmogelijkheden heeft uw Raad zich reeds
uitgelaten. HR 16 juni 2000, NJ 2000, 613, m.nt. DWFV, betrof een
verzoek om inzage op grond van art. 34 in verbinding met art. 29 WPR.
In die zaak had de verzoeker ('N') het GAK om inzage verzocht in het
hem betreffende dossier. Aanleiding tot dat verzoek was dat N ter ore
was gekomen dat een derde aan het GAK informatie had gegeven omtrent
financiële middelen waarover N de beschikking zou hebben; informatie
die van invloed kon zijn op het recht op een uitkering. Het GAK
verschafte N inzage in het hem betreffende dossier, maar weigerde hem
de brieven van de informant ter inzage te geven. Naar aanleiding van
het verzoek van N het GAK te bevelen hem inzage te verlenen in de hem
betreffende dossiers, oordeelde het hof o.m.:
'Het GAK heeft belang bij het verkrijgen van voor zijn werkzaamheden
relevante informatie via derden. Deze derden, en daarmee ook het GAK,
zullen er veelal belang bij hebben dat door hen verstrekte informatie
vertrouwelijk wordt behandeld. Tegenover genoemde belangen van het GAK
en de derden staan de belangen van N.
N. heeft weliswaar geen inzage verkregen in de onderhavige
correspondentie, maar is wel geïnformeerd over de, in het kader van
de uitvoering van de taken van het GAK, door de informant verstrekte
relevante gegevens. Dat brengt het hof tot het oordeel dat genoemde
belangen van het GAK en de derden in de gegeven omstandigheden
zwaarder dienen te wegen dan die van N. Het GAK heeft derhalve, op
grond van het gestelde in art. 30 aanhef en onder e van de Wet
(voorloper van art. 43 sub e Wbp; toevoeging A-G), N. terecht de
kennisneming van bedoelde correspondentie kunnen weigeren.'
Uw Raad liet dit oordeel in stand.(57)
4.30. De Hoge Raad heeft zich nog niet uitgesproken over de in deze
procedure aan de orde gestelde vragen (i) of het recht op kennisneming
als nu neergelegd in art. 35 lid 2 Wbp tevens het recht op kopieën/afschriften
van de verwerkte persoonsgegevens omvat; (ii) of bandopnamen vallen
onder het hiervoor bedoelde kennisnemingsrecht; en (iii) of in een
situatie als de onderhavige een succesvol beroep kan worden gedaan op
de weigeringsgrond als bedoeld in art. 43 sub e Wbp.
4.31. In de lagere (Dexia-)rechtspraak zijn deze vragen al wél
meermaals aan de orde gekomen. Daarbij is gebleken dat rechters (zeer)
verschillend denken over reikwijdte van het recht op kennisneming van
persoonsgegevens.(58)
Zo heeft het hof 's-Hertogenbosch in zijn beschikking van 16 januari
2006(59) de lijn van het CBP gevolgd. Ook het hof te Arnhem volgde in
een beschikking van 28 februari 2006 grotendeels de lijn van het CBP.(60)
In die zaak speelde overigens niet (meer) de vraag of het recht op
inzage als bedoeld in art. 35 lid 2 Wbp tevens het recht op inzage in
opgenomen telefoongesprekken omvat.(61) De rechtbank te Almelo(62) had
hierover in eerste aanleg geoordeeld dat de bandopnamen als zodanig
niet als een gestructureerd bestand konden worden aangemerkt en dat
Dexia daarom niet gehouden was om de betreffende verzoeker te
informeren omtrent de met hem gevoerde telefoongesprekken die op die
banden voorkwamen.(63) Hieraan voegde de rechtbank echter toe dat een
en ander anders zou zijn geweest indien de verzoeker exact had
aangegeven op welke dag en welk tijdstip hij met welke medewerker van
Dexia had gesproken. De rechtbank ging er daarbij vanuit dat de
bewaard gebleven telefoongesprekken op datum en uur waren opgeslagen.
In een zaak waarin wél vaststond op welke dagen en tijdstippen de
verzoekers met Dexia telefoongesprekken hadden gevoerd, oordeelde de
rechtbank te Almelo dat de betreffende bandopnamen deel uitmaakten van
een bestand in de zin van art. 1 sub c Wbp. Volgens de rechtbank zijn
de bandopnamen met die informatie voldoende toegankelijk en vallen
deze onder het bereik van art. 35 Wbp.(64)
De rechtbank te 's-Hertogenbosch - in de zaak waarin onder rolnr.
R06/045HR cassatieberoep aanhang is - veronderstelde dat de
bandopnamen hoe dan ook gestructureerd toegankelijk zijn of kunnen
worden gemaakt, omdat volgens haar anders niet goed valt in te zien
waarom Dexia de banden überhaupt heeft bewaard. De rechtbank overwoog
dat de bank het belang daarvan kennelijk zelf wel inziet en in
voorkomend geval daarvan gebruik zal willen maken. Daaruit maakte de
rechtbank op dat het eigenlijk niet anders kan dan dat een zekere
gestructureerde toegang tot de inhoud van die banden aanwezig is of
zal worden vervaardigd.
4.32 en 4.33. Vervallen.
4.34. Ten aanzien van de vraag of in het recht op informatie als
bedoeld in art. 35 Wbp het recht op kopieën besloten ligt bestaat
(ook) verdeeldheid, al lijkt het erop dat de meeste rechtbanken deze
vraag tot nu toe ontkennend hebben beantwoord.(65) Het door de
Amsterdamse rechtbank in haar beschikking van 19 mei 2005(66)
gehanteerde uitgangspunt lijkt op dat van het Engelse Court of Appeal
in de zaak Durant vs. FSA (zie hiervoor, nr. 4.21): Dexia is naar het
oordeel van de Amsterdamse rechtbank niet, 'althans niet zonder meer,'
verplicht tot afgifte van kopieën van alle bij haar aanwezige, de
verzoeker betreffende gegevens en stukken. De rechtbank voegde hieraan
toe dat Dexia's verplichting tot het verstrekken van een volledig
overzicht in begrijpelijke vorm wel kan impliceren dat tevens kopieën
van gegevens en/of stukken aan hem dienen te worden gegeven.(67)
Volgens beschikkingen van de rechtbanken te Zwolle en te Rotterdam
ligt in het recht op kennisneming als bedoeld in art. 35 Wbp het recht
op kopieën (zonder meer) besloten.(68)
4.35. Ook de Geschillencommissie Bankzaken heeft zich (op 10 februari
2005 in drie Dexia-zaken(69)) uitgesproken over de inhoud en de
reikwijdte van het kennisnemingsrecht als bedoeld in art. 35 Wbp. De
Geschillencommissie conformeerde zich in die uitspraken aan het
(hierboven besproken) oordeel van het CBP: ook ten aanzien van de
vraag of en in welke mate Dexia aan het verzoek van de
effectenlease-contractant om een volledig afschrift van zijn dossier
moet voldoen. Dit betekent dat volgens de Geschillencommissie in
beginsel alle afschriften van alle aanwezige stukken dienen te worden
overgelegd. Naarmate het door de bank te verstrekken overzicht meer
gespecificeerd is, zal minder snel behoefte bestaan aan een volledig
afschrift van alle relevante stukken en zal de bank - ter vermindering
van zijn administratieve lasten - ook eerder met een beperkt aantal
afschriften aan de consument kunnen volstaan, aldus de
Geschillencommissie.
Het verweer van Dexia dat de bandopnamen van de gevoerde
telefoongesprekken een ongestructureerd, niet volgens bepaalde
criteria (of systematisch) toegankelijk geheel zouden vormen, wordt
door de Geschillencommissie verworpen. In dat verband wees de
Geschillencommissie erop dat art. 8.5.3 van de Gedragscode (zie
hiervoor nr. 4.18) financiële instellingen verplicht om technische en
organisatorische maatregelen te treffen om telefoongesprekken die zijn
opgenomen zonodig te kunnen traceren en reconstrueren. Op grond
daarvan dient Dexia de opgenomen telefoongesprekken naar het oordeel
van de Geschillencommissie alsnog te ontsluiten en de betrokkenen
daarvan in kennis te stellen.(70)
4.36. Met het voorgaande heb ik niet gepoogd de lagere (Dexia-)rechtspraak
inzake het kennisnemingsrecht uitputtend te bespreken. Zelfs zonder
die poging te wagen heb ik m.i. wel aangetoond dat er zeer
verschillend wordt gedacht over de reikwijdte van het
kennisnemingsrecht als bedoeld in art. 35 Wbp.(71)
H. Literatuur inzake inzageverzoeken
4.37. Ook in de literatuur lopen de meningen uiteen. Het verbaast niet
dat Rank en Haasjes - advocaten die regelmatig voor banken optreden in
procedures met betrekking tot de Wbp - verdedigen (i) dat het recht op
inzage als bedoeld in art. 35 lid 2 Wbp geen recht geeft op kopieën/afschriften
van de documenten waarin de betreffende persoonsgegevens zijn
opgenomen, en (ii) dat bandopnames van telefoongesprekken (of de
schriftelijke uitwerking van telefoongesprekken) niet onder het
hiervoor bedoelde kennisnemingsrecht vallen.(72) Het verbaast evenmin
dat Van den Bergen, die onder meer in de onderhavige zaak in
feitelijke instanties als advocaat is opgetreden, voor beleggers die
gebruik maken van het kennisnemingsrecht, een tegengestelde mening is
toegedaan.(73)
4.38. Berkvens(74) en Zwenne & Webbink(75) lijken zich aan te
sluiten bij het standpunt van Rank en Haasjes. Ook zij menen dat het
begrip 'volledig overzicht' als bedoeld in art. 35 lid 2 Wbp niet zo
ruim geïnterpreteerd kan worden dat hieronder tevens kopieën van
documenten en transcripties van telefoongesprekken moeten worden
verstaan. Holvast lijkt zich daarentegen aan de zijde van Van den
Bergen te scharen daar waar hij betoogt dat in het recht op informatie
het recht op kopieën besloten ligt. Hij verwijst naar de voorloper
van de Wbp, de WPR. Volgens Holvast werd onder die wet algemeen erkend
dat recht op inzage een recht van kopie kon inhouden. Omdat met de
overgang van de WPR naar de Wbp geen verandering in de positie van de
betrokkene is beoogd, geldt dit ook voor de Wbp, aldus Holvast.
Volgens Holvast is mede daarom in het Besluit kostenvergoeding rechten
betrokkenen Wbp bepaald dat een vergoeding van € 0,23 per pagina kan
worden gevraagd.(76) Holvast meent dat het kennisnemingsrecht zich ook
uitstrekt tot bandopnamen van telefoongesprekken/transcripties van
telefoongesprekken.(77)
4.38a. Volgens Lieverse impliceert de verplichting om een overzicht
van persoonsgegevens te verstrekken niet de verplichting om ook
afschriften te verstrekken van de documenten waarin de
persoonsgegevens zijn opgenomen. Wel kan zij zich vinden in de
gedachte dat digitaal opgenomen telefoongesprekken, maar ook de niet
met geautomatiseerde niet-digitale middelen opgenomen
telefoongesprekken, die conform het bepaalde in art. 8.5.3 van de
Gedragscode traceerbaar zijn, kwalificeren als bestand in de zin van
art. 1, sub c, Wbp. Dat zou betekenen dat gevoerde telefoongesprekken
in het overzicht, bedoeld in art. 35 Wbp, moeten worden opgenomen en
dat de verantwoordelijke moet omschrijven hoe deze gegevens worden
verwerkt, aldus Lieverse.(78)
4.39. Bij lezing van buitenlandse literatuur over het inzagerecht
stuitte ik nog op de volgende passage van de Brit Bainbridge over het
recht op inzage in persoonsgegevens in het Verenigd Koninkrijk vóór
en na de Richtlijn:
'More information must be given to the data subject exercising his or
her right of access than before. Under the Directive, in addition to
being furnished with a copy of the data[voetnoot], information must be
given as to the purposes of processing, the categories of data
concerned and the recipients and categories of recipients to whom the
data are disclosed.'(79)
In de voetnoot wordt verwezen naar het eerder besproken art. 12 sub a
van de Richtlijn, dat vereist 'communication of the data in an
intelligible form together with any available information as to their
source.' Kennelijk leidt Bainbridge uit deze Richtlijnbepaling af dat
het op de Richtlijn gebaseerde kennisnemingsrecht ruimer dan vóór de
Richtlijn is, en dat daarin het recht op kopieën besloten ligt.
4.39a. De toelichting in het cassatieverzoekschrift wijst op een
passage in de Britse losbladige uitgave Encyclopedia of Data
Protection & Privacy(80). In par. 2-274/3 aldaar wordt naar
aanleiding van de eerder besproken uitspraak van de Court of Appeal
voor Engeland en Wales in de zaak Durant vs. FSA (zie nr. 4.21)
opgemerkt:
'it is, therefore, possible for a data controller to send a summary of
the information sought, rather than a copy, and this may be a useful
way of presenting information to a data subject in certain
circumstances'.
4.39b. Uit deze passage kan m.i. echter niet zonder meer de conclusie
worden getrokken dat de auteur van mening is dat een betrokkene geen
recht zou hebben op afschriften van zijn verwerkte persoonsgegevens.
Dit blijkt uit het vervolg van de betreffende passage, waarin een
voorbeeld van die "certain circumstances" wordt gegeven:
'For example, an application is made by a husband and wife to be
jointly employed in the social welfare field. The couple fail their
assessment because the husband is considered not to be suitable. The
wife then makes a subject access request. The data controller finds it
impossible to extricate the wife's information from the husband's in
the assessment reports made on their application and blanking out the
husband's information is not enough to prevent information about him
being disclosed to her. In these circumstances, the preparation of a
summary of the information (excluding information about the husband)
for presentation to the wife is a more appropriate way of dealing with
the wife's subject access request.'
5. Bespreking van het cassatiemiddel
5.1. Het middel, dat twee onderdelen omvat, richt zich met
parallelle(81) rechts- en motiveringsklachten tegen (in onderdeel A:)
rov. 27 en (in onderdeel B:) rov. 32 van de bestreden beschikking.
In rov. 27 heeft het hof - kort gezegd - geoordeeld dat van een
volledig overzicht in begrijpelijke vorm in de zin van art. 35 Wbp in
ieder geval sprake is indien een afschrift van de verwerkte
persoonsgegevens wordt verstrekt en dat het daarom in beginsel voor de
hand ligt om een afschrift te verstrekken; onder de omstandigheden van
het geval acht het hof HBU daartoe gehouden.
In rov. 32 heeft het hof met betrekking tot andere gegevensdragers dan
afschriften, nl. bandopnamen en schriftelijke uitwerkingen daarvan,
eenzelfde standpunt ingenomen als in rov. 27.
Ik zal de beide onderdelen hierna gezamenlijk behandelen. Daarbij zal
ik de verschillende subonderdelen (zowel onderdeel A als onderdeel B
omvatten drie subonderdelen) en hetgeen in de toelichting op p. 10 e.v.
van het cassatieverzoekschrift is vermeld, uiteraard niet onbesproken
laten.
5.2. Op grond van art. 35 Wbp heeft de betrokkene recht op een
mededeling houdende een 'volledig overzicht (...) in begrijpelijke
vorm' van de hem betreffende persoonsgegevens die door de
verantwoordelijke worden verwerkt, 'een omschrijving van het doel of
de doeleinden van de verwerking, de categorieën van gegevens waarop
de verwerking betrekking heeft en de ontvangers of categorieën van
ontvangers, alsmede de beschikbare informatie over de herkomst van de
gegevens.'
Onderdeel A.1 acht onjuist en/of onbegrijpelijk en innerlijk
tegenstrijdig 's hofs overweging dat hoewel art. 35 Wbp bepaalt dat
een volledig overzicht in begrijpelijke vorm van de verwerkte
persoonsgegevens moet worden verstrekt, en niet méér, dit niet
wegneemt dat een afschrift in ieder geval zo'n volledig overzicht
geeft en dat het daarom in beginsel voor de hand ligt om een afschrift
te verstrekken.
Onderdeel B.1 acht onjuist en/of onbegrijpelijk 's hofs overweging
dat, nu HBU niet heeft aangegeven hoe anders dan door verstrekking van
de bandopnames en/of schriftelijke uitwerkingen daarvan, een volledig
overzicht van de daarin verwerkte persoonsgegevens kan worden
verschaft, zij deze gegevensdragers zal dienen te verstrekken.
Volgens beide onderdelen heeft het hof miskend dat art. 35 lid 2 Wbp -
conform artikel 12 onder a, tweede streepje van de Richtlijn - de
betrokkene wel recht geeft op verstrekking van een volledig overzicht
in begrijpelijke vorm van de verwerkte gegevens, maar niet op
afschriften van de/alle gegevensdragers waarin die gegevens voorkomen.
Onderdeel A.1 voegt daar nog aan toe dat het hof met zijn oordeel de
wettelijke verplichting op ontoelaatbare wijze verzwaart.
Het middel meent voor dit standpunt steun te vinden in de tekst van
art. 12 sub a van de Richtlijn; de tekst van art. 35 lid 2 Wbp; in de
parlementaire geschiedenis; in de wijze waarop art. 12 sub a in een
aantal andere landen is geïmplementeerd, in de lagere 'Dexia-rechtspraak'
en in de literatuur. Ik acht het de vraag of de Hoge Raad in deze zaak
aan al deze argumenten behoeft toe te komen.
Onjuiste lezing van 's hofs beschikking
5.3. Ik meen namelijk vooreerst dat onderdeel A.1 en ook onderdeel B.1
op een onjuiste lezing van 's hofs beschikking berusten.
5.4. Het hof heeft (ad onderdeel A.1) immers in rov. 27 niét in het
algemeen geoordeeld dat een betrokkene in het algemeen recht heeft op
een afschrift van alle gegevensdragers, waarin die gegevens voorkomen.
Integendeel heeft het hof in rov. 26 met verwijzing naar grief I van
[verweerder] c.s. vooropgesteld (cursivering toegevoegd): 'dat het
vereiste van een volledig overzicht in begrijpelijke vorm met zich kan
brengen dat niet kan worden volstaan met een overzicht van de
verwerkte persoonsgegevens en dat alsdan een afschrift dient te worden
verstrekt van de stukken waarin de persoonsgegevens zijn verwerkt'. 's
Hofs klaarblijkelijke onderschrijving van dit uitgangspunt, wordt in
cassatie niet bestreden.
Voorts heeft het hof in rov. 27 vooropgesteld: 'Het hof is het met HBU
eens dat de betrokkene niet zonder meer/altijd recht heeft op een
afschrift en dat niet noodzakelijkerwijs een afschrift hoeft te worden
gegeven. Artikel 35 Wbp bepaalt dat een volledig overzicht in
begrijpelijke vorm van de verwerkte persoonsgegevens moet worden
verstrekt, en niet méér.' Ook heeft het hof in rov. 27, in fine,
overwogen (cursivering toegevoegd): 'Dit betekent dat er van uit moet
worden gegaan dat in dit geval alleen door middel van afschriften een
volledig overzicht kan worden verkregen.'
5.5. Dat 's hofs deeloverweging in rov. 27 'Dit neemt niet weg dat een
afschrift in ieder geval zo'n volledig overzicht geeft en dat het
daarom in beginsel voor de hand ligt om een afschrift te verstrekken'
(innerlijk) tegenstrijdig zou zijn met de deeloverweging 'Het hof is
het met HBU eens dat de betrokkene niet zonder meer/altijd recht heeft
op een afschrift en dat niet noodzakelijkerwijs een afschrift hoeft te
worden gegeven. Artikel 35 Wbp bepaalt dat een volledig overzicht in
begrijpelijke vorm van de verwerkte persoonsgegevens moet worden
verstrekt, en niet méér', vermag ik niet in te zien(82).
Het onderdeel onderbouwt deze (deel-)klacht ook niet, behoudens de
stelling dat het blijkens de beschikking van de rechtbank zeer wel
mogelijk is het bevel tot verstrekken van een volledig overzicht tot
de verwerkte persoonsgegevens te beperken. Vooropstellend dat het hof
bij het aan HBU gegeven bevel klaarblijkelijk slechts het oog heeft
gehad op afschriften van gegevensdragers waarin persoonsgegevens van
(elk van) [verweerder] c.s. zijn verwerkt(83), miskent deze stelling
dat het (juist ook in appel) nu juist de vraag was of in casu, het
bevel beperkt dient te blijven tot (slechts) verstrekken van een
volledig overzicht tot de verwerkte persoonsgegevens. De klacht
miskent daarmee de context van 's hofs rov. (26 en) 27 in het licht
van het onderhavige debat tussen partijen, waarover aanstonds nader in
nr. 5.7 e.v., mede aan de hand van middelonderdelen A.2 en A.3 en B.2
en B.3.
Uitgaande van het falen van de klacht, ontvalt ook de bodem aan de
klacht dat het hof met zijn oordeel de wettelijke verplichting op
ontoelaatbare wijze verzwaart.
5.6. Het hof heeft (ad onderdeel B.1) in rov. 32 evenmin in het
algemeen geoordeeld dat een betrokkene in het algemeen recht heeft op
(kopieën van) de daar bedoelde bandopnamen en/of schriftelijke
uitwerkingen van telefoongesprekken. Integendeel heeft het hof in rov.
32 geoordeeld (met een expliciete verwijzing naar rov. 27): 'Nu HBU
niet heeft aangegeven hoe anders dan door verstrekking van de
bandopnames en/of schriftelijke uitwerkingen daarvan, een volledig
overzicht van de daarin verwerkte persoonsgegevens kan worden
verschaft, zal zij deze gegevensdragers dienen te verstrekken (zie ook
rov. 27)'. Daarmee heeft het hof ook hier klaarblijkelijk geoordeeld
dat ervan uit moet worden gegaan dat in dit geval alleen door middel
van (kopieën van) de hier bedoelde bandopnamen en/of schriftelijke
uitwerkingen van telefoongesprekken, een volledig overzicht kan worden
verkregen. Ook deze klacht miskent de context van 's hofs oordeel in
het licht van het onderhavige debat tussen partijen, waarover thans
nader in nr. 5.7 e.v., mede aan de hand van middelonderdelen A.2 en
A.3 en B.2 en B.3.
5.7. Onderdeel A.2, nader toegelicht in nr. 23 op p. 18 van het
cassatieverzoekschrift, keert zich in het bijzonder tegen 's hofs
deeloverweging (in rov. 27) dat de verantwoordelijke, die zich op een
andere wijze dan door het verstrekken van afschriften van zijn
verplichting tot het geven van een volledig overzicht wil kwijten,
indien hierover discussie ontstaat, duidelijk zal moeten maken dat ook
op die andere wijze daadwerkelijk een volledig overzicht wordt
verschaft en dat HBU dit niet gedaan heeft. Volgens het onderdeel is
deze overweging (i) onbegrijpelijk omdat HBU na de beschikking van de
rechtbank nog geen volledig overzicht had verschaft en dus nog geen
discussie kon zijn ontstaan of zij zich van haar verplichting terzake
correct had gekweten; en (ii) rechtens onjuist omdat het oordeel dat
HBU duidelijk zou moeten maken dat op andere wijze dan door het
verstrekken van afschriften een volledig overzicht wordt verschaft
miskent dat HBU in een executiegeschil enkel zou hoeven aantonen dat
zij aan haar verplichting ex. art. 35 lid 2 Wbp heeft voldaan.
5.8. Onderdeel A.3 keert zich tegen 's hofs deeloverweging in rov. 27
dat HBU in het geheel niet heeft uiteengezet hoe zij het vereiste
volledige overzicht in begrijpelijke vorm wil verschaffen zonder
verstrekking van afschriften en dat dit zou betekenen dat ervan
uitgegaan moet worden dat in dit geval alleen door middel van
afschriften een volledig overzicht kan worden verkregen. Volgens het
onderdeel miskent het hof aldus dat op HBU in deze procedure niet de
verplichting rustte te stellen hoe zij het vereiste volledige
overzicht in begrijpelijke vorm wil verschaffen. Reeds daarom zou er -
aldus onderdeel A.3 - niet van mogen worden uitgegaan dat zulks in dit
geval alleen door middel van afschriften kan worden verkregen.
Bovendien zou deze gevolgtrekking onbegrijpelijk zijn, nu het vereiste
volledige overzicht in begrijpelijke vorm - aldus nog steeds onderdeel
A.3 - ook kan worden verschaft zonder verstrekking van afschriften.
5.9. De onderdelen B.2 en B.3 volgen de onderdelen A.2 en A.3, voor
zover het de in het middel aangevochten rov. 32 van het hof
betreft.(84)
5.10. De in de onderdelen A.2, A.3, B.2 en B.3 neergelegde klachten
lenen zich m.i. voor gezamenlijke behandeling.
5.11. De klachten miskennen de context van het partijdebat, waarin het
hof zijn hier aangevochten oordelen heeft gegeven.
Zoals in 's hofs beschikking in rov. 3 in verbinding met rov. 2.b (en
hierboven in nrs. 3.1 in verbinding met 2.4) weergegeven, vorderden
[verweerder] c.s. bij inleidend verzoekschrift een overzicht van de
omtrent hen verwerkte persoonsgegevens, waaronder in elk geval
begrepen de onder 2.4 (i) tot en met (vi) genoemde
stukken/gegevensdragers.
Het was, blijkens 's hofs rov. 3 (zie ook hierboven 3.2) HBU die
(naast allerlei andere, in cassatie niet meer relevante verweren) hier
tegenin bracht dat [verweerder] c.s. alleen een volledig overzicht van
de verwerkte persoonsgegevens behoefde te verstrekken, maar geen
afschriften/kopieën van de door [verweerder] c.s. gevraagde
stukken/gegevensdragers, en dat [verweerder] c.s. geen recht hebben op
de bandopnamen die mogelijk van telefoongesprekken met hen zijn
gemaakt of op de schriftelijke uitwerkingen (transcripties) daarvan.
Dit leidde vervolgens tot verder partijdebat, hetgeen resulteerde in
rov. 5.6 e.v. van de beschikking van de rechtbank. In rov. 5.6, tweede
volzin, overwoog de rechtbank:
'Terecht voert HBU aan dat zij niet gehouden is een volledig afschrift
te geven van de gehele dossiers van verzoekers. Artikel 35 lid 2 Wbp
spreekt immers slechts van "volledig overzicht in begrijpelijke
vorm". De wet spreekt niet over letterlijke kopieën van teksten
of transcripties van gesprekken. Ook de Memorie van Toelichting biedt
geen grond voor een ruimere interpretatie van voornoemde term. Het
verstrekken van een volledig overzicht door HBU is derhalve voldoende.
HBU zal in dit overzicht echter wel gespecificeerd opgave dienen te
doen van de verwerkte gegevens. Immers slechts in dat geval kunnen
verzoekers inzicht krijgen in de wijze waarop de op hen betrekking
hebbende gegevens zijn verwerkt. (...)'
In het dictum beval de rechtbank HBU, voor zover hier van belang, om
een schriftelijk overzicht als bedoeld in art. 35 lid 2 Wbp aan
[verweerder] c.s. te verstrekken 'met inachtneming van hetgeen
hiervoor onder 5.6 [...] is overwogen'.
5.12. Het is vervolgens, gegeven de opstelling van HBU in eerste
aanleg, begrijpelijk dat [verweerder] c.s. meer duidelijkheid wensten
uit te lokken over de inhoud van de (inderdaad nog niet uitvoerbaar
bij voorraad verklaarde) verplichting van HBU om een schriftelijk
overzicht als bedoeld in art. 35 lid 2 Wbp aan [verweerder] c.s. te
verstrekken 'met inachtneming van hetgeen hiervoor onder 5.6 [...] is
overwogen'. [verweerder] c.s. griefden dienovereenkomstig dat zij in
dit geval wél aanspraak hadden op afschriften: aldus grief 1 van
[verweerder] c.s.(85), waarop het hof in rov. 26 en 27 respondeerde.
5.13. In het licht van het voorgaande siert het m.i. het hof, dat hij
inderdaad grotere duidelijkheid heeft willen geven. Daarbij heeft het
hof grief 1 van [verweerder] c.s., voor dit geval zeer expliciet
aanspraak makend op afschriften, niet zonder meer gegrond bevonden.
Dat blijkt uit de al eerder aangehaalde vooropstellingen van het hof
in rov. 26 en rov. 27, eerste en tweede volzin.
Juist in deze context heeft het hof zich de vraag gesteld, wat er nu
eigenlijk vóór en wat er tégen de verstrekking van afschriften is,
in het kader van de voldoening aan het wettelijk voorschrift dat 'een
volledig overzicht' moet worden verstrekt. De door het hof genoemde
pro-argumenten zijn in het voorafgaande aan de orde geweest. Ten
aanzien van de contra-argumenten tegen het verschaffen van afschriften
in plaats van een 'volledig overzicht', heeft het hof gezocht naar
desbetreffende stellingnamen van HBU, maar het hof heeft die niet
gevonden. Ik citeer nog eens uit rov. 27: 'Een verantwoordelijke weet
bij uitstek, of moet bij uitstek weten, welke persoonsgegevens zij
verwerkt, of laat verwerken, en hoe daarvan een volledig overzicht is
te geven. Gelet verder op het transparantiebeginsel (zie rov. 14) zal
de verantwoordelijke, die zich op een andere wijze dan door het
verstrekken van afschriften van zijn verplichting tot het geven van
een volledig overzicht wil kwijten derhalve, indien hierover discussie
ontstaat, duidelijk moeten maken dat ook op die andere wijze
daadwerkelijk een volledig overzicht wordt verschaft. Dit heeft HBU
niet gedaan. Zij heeft in het geheel niet uiteengezet hoe zij het
vereiste volledige overzicht in begrijpelijke vorm wil verschaffen
zonder verstrekking van afschriften. Dit betekent dat er van uit moet
worden gegaan dat in dit geval alleen door middel van afschriften een
volledig overzicht kan worden verkregen.'
Ik wijs met name nog eens op de woorden 'in dit geval' in de laatst
geciteerde volzin.
5.14. Anders dan het onderdeel acht ik deze overweging alleszins
begrijpelijk, zodat de motiveringsklacht niet opgaat.
5.15. Ook de rechtsklacht (in onderdeel A.2) faalt naar mijn mening.
Ik begrijp de klacht aldus dat HBU naar haar mening in een
executiegeschil enkel zou hoeven aantonen dat zij aan haar
verplichting ex. art. 35 lid 2 Wbp heeft voldaan, en dat zij zulks
óók zou kunnen aantonen doordat zij op andere wijze dan door het
verstrekken van afschriften een volledig overzicht zou hebben
verschaft.
De klacht miskent dat de rechter in het eigenlijke geschil (in casu:
een bodemgeschil over het Wbp-inzagerecht), geroepen is om recht te
doen op basis van zijn uitleg van de wet, in het licht van de partijen
verdeeld houdende kwesties. Dat het oordeel van een lagere rechter
eventueel gecorrigeerd kan worden door een hogere rechter, doet
daaraan uiteraard niet af. De in het onderdeel naar voren gebrachte
opvatting dat het hof de onderhavige - partijen verdeeld houdende -
kwestie onbesproken had kunnen, ja moeten laten, omdat die aan de hand
van het vagere dictum van rechtbank in een executiegeschil beoordeeld
had kunnen worden, staat haaks hierop. Het executiegeschil dient
immers (onder meer) voor ten opzichte van partijen minder gelukkige
gevallen waarin de veroordelende rechter niet voldoende duidelijkheid
heeft gegeven(86). De omstandigheid dat de verbiedende of bevelende
rechter volgens vaste rechtspraak van de Hoge Raad niet gehouden is om
af te zien van een in ruime (vage) termen gesteld verbod of bevel
(waarvan de nakoming in een executiegeschil nader beoordeeld kan
worden)(87), betekent niet dat de veroordelende rechter die
duidelijkheid niet mag (en wat mij betreft: bij voorkeur zelfs dient
te) geven.(88)
5.16. Op dit alles stuit onderdeel A.2, evenals onderdeel A.1 voor
zover niet eerder behandeld, af. Van een 'merkwaardige
stelplichtconstructie', laat staan een rechtens onjuiste of
onbegrijpelijke constructie, is geen sprake.
Het behoeft geen nadere toelichting dat de klacht van onderdeel A.3
het lot van onderdeel A.2 en daarmee van onderdeel A.1 deelt. Voor de
'B-klachten' geldt niet anders.
5.17. Het middel faalt m.i. dus in al zijn onderdelen, zonder dat in
deze zaak R06/163 behoeft te worden toegekomen aan vragen van uitleg
van art. 35 Wbp en/of art. 12 van Richtlijn 95/46/EG.
Geen onjuiste rechtsopvatting
5.18. Intussen faalt het middel m.i. óók in al zijn onderdelen
indien de rechtsklachten omtrent art. 35 Wbp en/of art. 12 van
Richtlijn 95/46/EG wél aan de orde zouden komen (of door de Hoge Raad
vooropgesteld worden).
5.19. In het voorafgaande is al gebleken dat het m.i. niet van een
onjuiste rechtsopvatting getuigt om ervan uit te gaan dat, te meer
waar het gaat om elektronische gegevensverwerking, een 'volledig
overzicht' als bedoeld in art. 35 lid 2 Wbp inderdaad (als regel)
afschriften van gegevensdragers met persoonsgegevens van de betrokkene
omvat(89), zulks in weerwil van het middel, waarbij ik mede acht
geslagen heb op de opmerking van HBU in nr. 24 van het
cassatieverzoekschrift over het transparantiebeginsel.
Naar mijn mening laat het begrip 'volledig overzicht' in art. 35 lid 2
Wbp de hierboven aangegeven uitleg toe, en is die uitleg ook het meest
in overeenstemming met de gedachte achter het inzagerecht, ofwel het
transparantiebeginsel.(90) Het recht op inzage heeft tot doel de
burger de mogelijkheid te geven om te weten hoe zijn persoonsgegevens
zijn verwerkt, en tevens te controleren of dat op juiste wijze is
gebeurd zodat - indien dit niet het geval is - de betrokkene zijn
correctierecht (als bedoeld in art. 36 Wbp, dat tevens omvat een
aanspraak op verwijdering indien de gegevens niet ter zake dienend
zijn) zou kunnen uitoefenen: zie hierboven nr. 4.8 e.v. In de
Richtlijnconsiderans (sub 41) is het zelfs zo geformuleerd dat 'een
ieder over het recht moet kunnen beschikken toegang te verkrijgen tot
de gegevens die het voorwerp van een verwerking vormen en hemzelf
betreffen, zodat hij zich van de juistheid en de rechtmatigheid van de
verwerking ervan kan vergewissen.' M.i. kan aan dit doel slechts
tegemoet worden gekomen als de betrokkene tevens inzage krijgt in de
context waarin de hem betreffende persoonsgegevens zijn verwerkt.
Artikel 35 lid 2 laat een zekere vaagheid toe ten aanzien van de
omschrijving van de doeleinden van de verwerking, de categorieën van
gegevens waarop de verwerking betrekking heeft en de (categorieën)
van ontvangers.
De wetsbepaling is evenwel preciezer ten aanzien van de verwerkte
persoonsgegevens als zodanig, waarvan een 'volledig overzicht' moet
worden gegeven. Bovendien moet ten aanzien van de herkomst van de
gegevens inzage worden gegeven in de 'daarover beschikbare
informatie.'
Bij de uitoefening van het inzagerecht komt het aan op de precieze
geregistreerde persoonsgegevens, ook al omdat de uitoefening van het
correctierecht ingevolge art. 12, aanhef en onder b van de Richtlijn
en art. 36 Wbp anders al gauw een slag in de lucht zou kunnen zijn
(wat ook niet in het belang is van de verantwoordelijke). Dat de
Richtlijn en de Wbp uitgaan van precieze gegevens blijkt niet alleen
uit het begrip 'verstrekking, in begrijpelijke vorm, van de gegevens
die zijn verwerkt' in de Richtlijn en het 'volledig overzicht' in art.
35 lid 2 Wbp, maar ook uit art. 36 lid 1, laatste volzin, Wbp waarin
staat dat een correctieverzoek 'de aan te brengen wijzigingen' moet
bevatten, respectievelijk art. 12, aanhef en onder b van de Richtlijn,
sprekend over 'de rectificatie, de uitwissing (...) met name op grond
van het onvolledige of onjuiste karakter van de gegevens'. Aan de
voorwaarden voor de uitoefening van het correctierecht kan de
betrokkene niet voldoen als de verantwoordelijke bij het geven van het
'volledig overzicht' kan volstaan met gemeenplaatsen of een
samenvatting van de verwerkte persoonsgegevens.
Het verstrekken van kopieën of 'uitdraaien' is dus de (meest)
adequate vorm van het verstrekken van een 'volledig overzicht'.
Naar mijn mening kan er dan ook, in de regel, worden gesproken van een
schijntegenstelling tussen het 'volledig overzicht' van de verwerkte
persoonsgegevens enerzijds en kopieën/afschriften van de verwerkte
persoonsgegevens anderzijds.
5.20. Zou de verantwoordelijke willen volstaan met een door hem nieuw
op te maken rapport of opstel, dan bestaat - zeker indien er meerdere
verzoeken worden gedaan - het risico dat in zo'n bewerkingsslag fouten
(c.q. nieuwe fouten) worden gemaakt, waarmee noch de betrokkene, noch
de verantwoordelijke gediend is. Ik teken terzijde nog aan dat zo'n
bewerkingsslag voor de verantwoordelijke allicht duurder is dan de
verstrekking van kopieën (terwijl voor dit laatste een vergoeding van
de betrokkene mag worden gevraagd).
5.21. Het betoog van nr. 5.19 gaat natuurlijk niét zonder meer op als
het zou gaan om afschriften van documenten die zodanig zijn ingericht
dat het afschrift (de fotokopie of een volledige uitdraai)
noodzakelijkerwijs ook gegevens van derden zou inhouden, of bijv.
bedrijfsgeheimen van de verantwoordelijke.(91)
Dat dáár de schoen zou wringen, is door HBU evenwel niet gesteld:
noch in feitelijke instanties, noch in cassatie.
En ook dan lijkt mij in de regel nog steeds sprake van een
schijntegenstelling. Als het gerechtvaardigd én mogelijk is aan de
eis van het verschaffen van een 'volledig overzicht' te voldoen met
weglating van gegevens als bovenbedoeld, is het evenzeer mogelijk om
kopieën te verschaffen waarin die gegevens zijn afgedekt, of
uitdraaien te verschaffen waarin die gegevens zijn weggelaten.
5.22. Zouden er dan tóch nog problemen zijn, dan is daarop
toegesneden de weigeringsgrond van art. 43 sub e Wbp ('de bescherming
van de betrokkene of de rechten en vrijheden van anderen'). (92) Die
weigeringsgrond kan de verantwoordelijke gelijkelijk in stelling
brengen of het nu gaat om een 'volledig overzicht' (als in het middel
bedoeld) dan wel 'een volledig overzicht door middel van afschriften'
(als door het hof bedoeld). En als er toch een (uit te leggen)
verschil is dat het eerste niet, en het laatste wél een onevenredig
zware belasting voor de verantwoordelijke vormt (niettegenstaande de
kostenvergoeding door de betrokkene), dan zal zulks uiteraard op zijn
merites gewogen (moeten) worden.
In casu heeft HBU zich in de feitelijke instanties (niet in cassatie)
op art. 43 sub e Wbp beroepen, maar zij heeft daarbij niet aangevoerd
dat haar weigering te doen zou hebben met bescherming van derden, of
bedrijfsgeheimen, of met een administratief of financieel te zware
belasting.
Hetgeen HBU in het kader van art. 43 sub e wél naar voren heeft
gebracht, is door het hof in rov. 14 verworpen. Daartegen richt zich
in cassatie geen klacht.
5.23. Voor zover het middel klaagt over strijd met art. 12 onder a van
Richtlijn 95/46/EG, stuit dit af op hetgeen hiervoor onder 4.18a t/m
4.18k is uiteengezet.
5.24. In het licht van de daar aangegeven 'bandbreedte' van de
Richtlijn, is de wijze waarop art. 12 sub a in een aantal andere
landen is geïmplementeerd, informatief, maar niet van doorslaggevend
belang. Tegenover door HBU te haren gunste in nrs. 10-19 van het
cassatieverzoekschrift ingeroepen buitenlandse zienswijzen, staan
andere die ten voordele van [verweerder] c.s. pleiten (supra nrs.
4.19-4.24).
Hetzelfde geldt ten aanzien van door HBU in nrs. 8-9 van het
cassatieverzoekschrift ingeroepen literatuurverwijzingen en 'lagere
Dexia-rechtspraak': ook daar staan andere oordelen resp. opinies
tegenover (supra nrs. 4.28-4.39b).
5.25. Volledigheidshalve sta ik nog stil bij de klacht van het middel
in de toelichting onder nr. 22, p. 18. Die klacht gaat over het door
het hof aan het 'Besluit kostenvergoeding rechten betrokkene Wbp'
ontleende argument omtrent een bedoeling van de wetgever ten aanzien
van verstrekking van overzichten in de vorm van afschriften. Geklaagd
wordt dat de bedoeling van de wetgever zich niet laat afleiden uit een
uitvoeringsregeling van een lagere wetgever.
Daargelaten dat het hier, naar het mij voorkomt, niet om een dragend
argument van het hof gaat, miskent deze klacht dat de bedoeling van de
wetgever zich reeds laat afleiden uit de Wbp zelf, en wel art. 39 lid
1, luidende: 'De verantwoordelijke kan voor een bericht als bedoeld in
artikel 35 een bij of krachtens algemene maatregel van bestuur vast te
stellen vergoeding van kosten verlangen die ten hoogste f 10
bedraagt', en lid 3, luidende: 'Het bedrag genoemd in het eerste lid
kan in bijzondere gevallen bij algemene maatregel van bestuur worden
gewijzigd'. Daaruit laat zich allicht de gevolgtrekking afleiden dat
de te bepalen vergoeding gerelateerd kan zijn de hoeveelheid aan het
door de verantwoordelijke te verschaffen (papier-)materiaal. In
aanvulling op nr. 4.11.2 van deze conclusie en de daar geplaatste
voetnoot merk ik hierover nog het volgende op.
Bestudering van de parlementaire geschiedenis leert dat niet alleen de
wettekst, maar ook de Nota naar aanleiding van het verslag een
aanknopingspunt geeft voor de visie van het hof. Naar aanleiding van
een vraag van de PvdA-fractie naar de vergoeding van de kosten in
verband met het uitoefenen van het recht op kennisneming schreven de
ministers aan de Tweede Kamer:
'Het is niet onredelijk dat de verantwoordelijke zijn kosten in
rekening kan brengen. Inderdaad geldt nu nog een regel dat niet meer
dan tien gulden kan worden gevraagd. Het is de bedoeling dit bedrag op
te trekken omdat de werkelijke kosten soms veel hoger zijn, zonder dat
daardoor materieel belemmeringen worden opgeworpen voor de uitoefening
van het recht op kennisneming. Artikel 7:456 BW bevat een bijzondere,
doch vergelijkbare regeling voor de uitoefening van het recht op
kennisneming in het kader van de geneeskundige
behandelingsovereenkomst. De arts mag een
"redelijke"vergoeding in rekening brengen bij het
verstrekken van afschriften uit het medisch dossier. Ook artikel 12
van de Wet openbaarheid van bestuur kent een regeling voor het in
rekening [brengen; toevoeging A-G] van kosten in verband met gevraagde
openbaarheid.'(93)
5.26. Ten aanzien van onderdeel B merk ik, ten overvloede, nog het
volgende op.
Nu m.i. aan het doel van het inzagerecht slechts kan worden tegemoet
gekomen indien de betrokkene tevens inzage krijgt in de manier waarop
zijn persoonsgegevens precies zijn verwerkt, en de context waarin dat
is gebeurd, meen ik dat art. 35 Wbp in beginsel(94) ook recht geeft op
het beluisteren van opgenomen telefoongesprekken en/of een
transcriptie van het opgenomen telefoongesprek.
5.27. In dit verband wijs ik op de desbetreffende Gedragscode, waaruit
blijkt dat een bank als HBU mede technische en organisatorische
voorzieningen moet treffen om de opgenomen telefoongesprekken en
andere persoonsgegevens betreffende de opgenomen telefoongesprekken
zonodig te kunnen traceren en reconstrueren.(95) De mogelijkheid tot
het beluisteren van een opgenomen telefoongesprek en/of het verkrijgen
van een transcriptie van het opgenomen telefoongesprek zou derhalve
moeten bestaan.
5.28. Tegen deze achtergrond meen ik dat een betrokkene op basis van
art. 35 lid 2 Wbp in beginsel inzage zou moeten kunnen verkrijgen in
die bandopnamen; door middel van het beluisteren daarvan of door
middel van het verkrijgen van een schriftelijk uitgewerkt
telefoonverslag. Op deze plaats ga ik uit van de veronderstelling dat
de bandopnamen een bestand vormen in de zin van de Wbp. Deze
(voor)vraag staat in cassatie echter niet ter discussie.
5.29. Ten slotte: 's hofs oordeel strookt m.i. met het toch wel ruime
inzagerecht zoals dat in de rechtspraak - ook die van de Hoge Raad -
i.h.a. wordt aangenomen. Ik verwijs in dit verband naar de
jurisprudentie over het recht op inzage in bijv. processen-verbaal,
afstammingsgegevens en medische, psychologische en psychiatrische
dossiers zoals dat onder art. 29 WPR en ook dáárvoor en daarbuiten
reeds erkenning vond.(96)
6. Conclusie
Mijn conclusie strekt tot verwerping van het beroep.
De procureur-generaal bij de
Hoge Raad der Nederlanden,
A-G
1 Zie voor het beroep hierop door HBU rov. 6-11 van de beschikking van
het hof.
2 Zie voor het beroep hierop door HBU rov. 14 van de beschikking van
het hof.
3 Zie voor het beroep hierop door HBU rov. 23-24 van de beschikking
van het hof.
4 Zie voor het beroep hierop door HBU rov. 14-18 van de beschikking
van het hof.
5 Zie over art. 843a Rv overigens inmiddels de recente monografie van
J.R. Sijmonsma, Art. 843a Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering ont(k)leed,
Nijmegen 2007, met name pp. 57-58. De auteur bespreekt daar
Dexia-rechtspraak; meer in het bijzonder het verweer van Dexia (en HBU)
dat het inzageverzoek op basis van de Wbp het bepaalde in art. 843a Rv
op onaanvaardbare wijze zou doorkruisen. 'Ik heb geen enkele uitspraak
gevonden waarin dit verweer is gehonoreerd. Elk gerecht overweegt
terecht min of meer dat uit niets blijkt dat art. 843a Rv een
speciesbepaling zou zijn die in de weg staat aan de mogelijkheid om
langs andere wegen gegevens te verzamelen. (...) Aldus staat als een
paal boven water dat in elk geval de feitenrechters van oordeel zijn
dat art. 35 Wbp en art. 843a Rv zonder meer naast elkaar kunnen
bestaan waarbij een op het ene artikel gebaseerde vordering niet kan
worden beperkt op gronden ontleend aan het andere artikel.'
6 Ontleend aan rov. 2.1 t/m 2.5 van de beschikking van de rechtbank
Rotterdam van 7 oktober 2005, waarnaar ook het hof in rov. 2 van zijn
beschikking verwijst, alsmede aan rov. 2 onder a t/m d van 's hofs
beschikking.
7 Zie mede rov. 2 sub d van de beschikking van het hof.
8 Deze datum wordt vermeld in rov. 1.1 van de beschikking van de
rechtbank.
9 Vgl. rov. 3 van de beschikking van het hof.
10 Aldus rov. 4, eerste alinea, van de beschikking van het hof. Rov.
5.6, tweede alinea, van de beschikking van de rechtbank luidt m.i.
genuanceerder. Ik kom hierop terug in nr. 5.11.
11 Zie rov. 5.10 van de beschikking van de rechtbank.
12 Zie rov. 2 onder b van de beschikking van het hof, of hiervóór,
nr. 2.4.
13 De beschikking van het hof is gepubliceerd in NJF 2006, 510 en in
JOR 2006, 293 m.nt. C.W.M. Lieverse.
14 Het verzoekschrift tot cassatie, gericht tegen de beschikking van
het hof d.d. 22 augustus 2006, is op 22 november 2006 ter griffie van
de Hoge Raad binnengekomen.
15 De voetnotennummering is niet synchroon; dat was trouwens ook niet
(onderling) het geval in de conclusies in de zaken R06/045HR en
R06/046HR.
16 Stb. 302, zoals nadien gewijzigd, laatstelijk bij de wet van 22
december 2005, Stb. 2006, 24. Ik vermeld hier reeds drie boeken over
de Wbp: J.E.J. Prins & J.M.A. Berkvens (red.), Privacyregulering
in theorie en praktijk, 3e druk 2002; J.M.A. Berkvens & R.J.M. van
der Horst, Wet bescherming persoonsgegevens, Leidraad voor de praktijk
(losbladige uitgave Kluwer), en (recent verschenen) S.M. Huydecoper (red.),Wet
bescherming persoonsgegevens en ICT, 2006, waarin hoofdstuk 2 geheel
gewijd is aan de Wbp.
17 PbEG L281/31.
18 Ingekort ten opzichte van de conclusies in de zaken R06/045HR en
R06/046HR (vgl. 4.1).
19 Vgl. de MvT bij w.v. 13872 ('Verklaring dat er grond bestaat een
voorstel in overweging te nemen tot verandering in de Grondwet van
bepalingen inzake de grondrechten'), TK 1975-1976, p. 42: 'De grote en
niet altijd voorzienbare mogelijkheden van aantasting van de
persoonlijke levenssfeer door het vastleggen van persoonsgegevens
roept de vraag op of moet worden bevorderd dat de burger voor zijn
belangen ter zake kan opkomen, in dier voege dat hij ervan kan kennis
nemen welke gegevens over hem zijn vastgelegd en dat hem de
gelegenheid tot verbetering wordt geboden.'
20 MvT bij w.v. 25 892, TK 1997-1998, nr 3, pp. 9-10, 18-20, 157.
21 Uit de MvT blijkt dat art. 35 Wbp aansluit bij art. 29 WPR (zie TK
1997-1998, 25 892, nr. 3, pp. 157-158).
22 TK 1986-1987, 19 095, nr. 6, pp. 57-58.
23 Rank en Haasjes verwijzen - ter ondersteuning van hun standpunt dat
een betrokkene bij een verzoek om inzage geen recht heeft op
afschriften/kopieën van documenten waarin zijn persoonsgegevens zijn
opgenomen - naar een andere passages uit de WPR-wetsgeschiedenis: het
antwoord van de minister van justitie op een Kamervraag van het Eerste
Kamerlid Wagemakers (W.A.K. Rank en A.J. Haasjes, Misbruik van de Wbp
in civiele procedures tegen financiële instellingen, Tijdschrift voor
financieel recht 2005, p. 372). Deze verwijzing biedt m.i. evenwel
geen steun voor hun opvatting, omdat de betreffende discussie tussen
de minister en Wagemakers duidelijk op een misverstand berustte.
Wagemakers begreep dat de minister betoogde dat indien iemand zich tot
een bank wendt met de vraag welke informatie de bank van hem heeft, de
bank volgens de minister dan niet alleen de actuele informatie zou
moeten geven maar ook alles wat in het archief ter zake voorkomt. Uit
het antwoord van de minister blijkt dat er sprake was van een
communicatiestoring: 'Nee, want de informatie waarover wij spreken, is
niets anders dan het historisch verloop van de rekening-courant,
waarvan iedereen zelf alle gegevens altijd thuisgestuurd gekregen
heeft. Als iemand een kredietdossier heeft laten aanleggen, is dat een
ander verhaal. Maar dit dossier pleegt dan, zolang de desbetreffende
kredietrelatie duurt, in het actuele bestand voorhanden te zijn. Ik
had het gevoel dat de heer Wagemakers informeerde naar de situatie
waarin een cliënt in een simpele, eenvoudige rekeningcourantrelatie
staat tot de bank en de bank beleefdheidshalve dagafschriften naar de
cliënt stuurt, zodat hij weet of hij rood staat of niet. (...) Als de
cliënt vraagt welke gegevens de bank heeft, dan is het antwoord van
de bank: Niet meer dan wat wij u nu al jaar en dag eens per week
toesturen' (EK 1987-1988, 19 095, nr. 14, pp. 589-590).
Van den Bergen meent daarentegen dat de wetsgeschiedenis van de WPR
aanknopingspunten biedt voor het standpunt dat het recht op inzage wél
het recht op kopieën omvat. Daartoe verwijst hij naar de volgende
passage: 'De omstandigheid dat de geregistreerde recht heeft op een
volledig overzicht, staat er verder niet aan in de weg dat hij zijn
verzoek op bepaalde gegevens kan toespitsen. Evenzo is het denkbaar,
dat een onderscheid wordt gemaakt tussen gegevens die zonder meer en
gegevens die, omdat zij moeilijker bereikbaar zijn, alleen op daartoe
strekkend verzoek worden verstrekt. Daarover zal dan wel voldoende
openheid moeten bestaan. Op deze wijze zal in de praktijk een redelijk
evenwicht kunnen worden gevonden, zonder dat aan de rechten van de
geregistreerde afbreuk wordt gedaan.' (A.J.E. van den Bergen, De Wet
bescherming persoonsgegevens in de financiële procespraktijk,
Tijdschrift voor financieel recht 2005, p. 304).
24 Dat dit niet in dezelfde mate geldt voor herkomst van de gegevens,
blijkt al uit art. 35 lid 2 (in fine).
25 Vgl. ook hierna, nr. 5.25.
26 Thans bepaalt art. 39 Wbp dat de verantwoordelijke voor een bericht
als bedoeld in art. 35 Wbp een kostenvergoeding van de betrokkene (die
een inzage verzoek heeft gedaan) kan verlangen. Conform het Besluit
kostenvergoeding rechten betrokkene Wbp (Stb. 2001, 305) bedraagt de
vergoeding € 0,23 per pagina, met een maximum van € 4,50 per
bericht. Dit maximum geldt ook wanneer een bericht op een andere
gegevensdrager dan papier wordt verstrekt. Wanneer het afschrift meer
beslaat dan 100 pagina's of bestaat uit een afschrift van een, vanwege
de aard van de verwerking, moeilijk toegankelijke gegevensverwerking,
mag een maximum bedrag worden gevraagd van € 22,50. Het hof verwijst
in de onderhavige zaak naar voornoemd Besluit in rov. 27 van de
bestreden beschikking.
27 'U spreekt met Verkade', of omgekeerd 'Dag meneer Verkade/spreek ik
met meneer Verkade.'
28 Omdat de CAO-norm bij de uitleg van een schriftelijke overeenkomst
meer in aanmerking komt in het geval niet beide partijen bij de
totstandkoming daarvan betrokken zijn geweest. In HR 20 februari 2004,
NJ 2005, 493, m.nt. C.E. du Perron, heeft de Hoge Raad een nadere
invulling gegeven aan deze uitlegmethode. Zie over de CAO-maatstaf (en
de verhouding tot de zgn. Haviltex-norm) voorts: Asser-Hartkamp 4-II,
2005, nrs. 286a en 286b.
29 Daargelaten dat het onaannemelijk is dat het CBP in zo'n geval de
verklaring ex art. 25 zal geven.
30 De Gedragscode is (o.m.) te raadplegen op de website van het
College Bescherming Persoonsgegevens: www.cpb.nl onder 'wetten en
zelfregulering'; 'Gedragscodes'. Zij is ook opgenomen in Berkvens
& Van der Horst, a.w. (voetnoot 16) onder VI.B.2.
31 Het CBP heeft op 27 januari 2003 verklaard dat deze Gedragscode een
juiste uitwerking vormt van de Wbp en andere wettelijke bepalingen
betreffende de verwerking van persoonsgegevens (zie Stcrt. 2003, 23,
p. 16).
32 Vgl. het summiere nr. 5.1 van de conclusies in de zaken R06/045HR
en R06/046HR.
33 MvT bij w.v. 25 892, TK 1997-1998, nr. 3, p. 5.
34 Ik sluit aan bij de in het middel onderstreepte passage.
35 Zie hierboven nrs. 4.18h-4.18i.
36 Vgl. hierboven nrs. 4.7 e.v. (met name nr. 4.10, terzake van enige
parlementaire discussie).
37 De enige mij bekende infractieprocedure is die van de Commissie
tegen de Staat Luxemburg, wegens te late implementatie: zie HvJ EG 4
oktober 2001, C-450/00, Jur. 2001, p. I-7069.
38 De teksten van de hier genoemde wetten kunnen worden gevonden op de
website van de Europese Commissie: www.ec.europa.eu; interne markt;
protection of rights; data protection; status of implementation of
Directive 95/46/EC.
39 D. de Bot, Verwerking van persoonsgegevens, 2001, p. 233. Volgens
De Bot is het zelfs mogelijk om de mee te delen informatie te
'moduleren' door bepaalde inlichtingen schriftelijk te verstrekken en
de betrokkene er daarbij op te wijzen dat hij van de andere gegevens
mondeling kennis kan krijgen.
40 Ook de tekst van deze wet kan worden geraadpleegd op de website van
de Europese Commissie; zie voetnoot 38.
41 Durant vs. FSA; Case No: B2/2002/2636 van 8 december 2003; zie over
deze uitspraak nader J.M.A. Berkvens, Durant vs. FSA, Privacy &
Informatie, 2004 (3), pp. 110-113.
42 In lid 3 van paragraaf 34 staat dat 'Die Auskunft schriftlich wird
erteilt, soweit nicht wegen der besonderen Umstände eine andere Form
der Auskunfterteilung angemessen ist.'
43 Loi nº 78-17 van 6 januari 1978, als gewijzigd door Loi nº
2004-801 van 6 augustus 2004.
44 Althans onder het laatste lid (5) van art. 39.
45 Zie http://www.cnil.fr/index.php?id=1982. In het verzoekschrift tot
cassatie (nr. 16) wordt zijdens HBU op deze website gewezen. De tekst
in het Frans heb ik niet kunnen vinden.
46 Ley Orgánica 15/1999 de 13 diciembre de Proteccion de Datos de
Caractér Personal.
47 De toelichting in het cassatieverzoekschrift gaat in nrs. 18-19 (p.
17) nog in op de situatie in Italië, waar aanspraak op kopieën
alleen zou bestaan in gevallen waarin het terugvinden van de data 'too
difficult' is. Ik heb geen gelegenheid gehad om zelf Italiaanse
bronnen te bestuderen.
48 TK 1997-1998, 25 892, nr. 3, p. 171.
49 Zie art. 51 Wbp.
50 De brief van 3 september 2004 is tevens op internet te raadplegen:
www.cbpweb.nl. (kenmerk: z2003-1617). Het CBP heeft zijn standpunt ten
aanzien van de wijze waarop Dexia aan de inzageverzoeken ex art. 35
Wbp voldoet nader onderbouwd in een brief (aan Dexia) van 13 oktober
2004 (kenmerk: z2003-1617). Deze brief is eveneens te vinden op
voormelde website. Beide brieven zijn ook door [verweerder] c.s. in
het onderhavige geding gebracht als resp. productie 7 en 8 bij hun
verzoekschrift in eerste aanleg.
51 Zie p. 3 van de brief van het CBP aan Dexia van 13 oktober 2004.
Zie voor de vindplaats van deze brief de vorige voetnoot.
52 Zie p. 12 van de brief van 3 september 2004.
53 Zie p. 2 van de eerder genoemde brief van 13 oktober 2004.
54 Ingekort ten opzichte van de conclusies in de zaken R06/045HR en
R06/046HR (vgl. 4.1).
55 Ik wijs in dit verband ook op EHRM 7 juli 1989, NJ 1991, 649, m.nt.
EJD (Gaskin), waarin - kort samengevat - een inzagerecht in het eigen
kinderbeschermingsdossier op basis van art. 8 EVRM aan de orde was, en
waarbij de toekenning van dat recht niet afhankelijk werd gesteld van
een wens tot eventuele rectificatie.
56 Dat de verzoeker in casu daarop geen aanspraak kon maken, doet aan
bovenstaande vooropstelling niet af.
57 Ik kan terzijde nog wijzen op HR 3 juni 2005 (R04/072; A./Stichting
Sint Jans Gasthuis). Die zaak betrof de vraag of een bepaald dossier,
waarvan inzage was gevraagd, onder de werkingssfeer van de Wbp viel
(des neen).
58 Zie voor in sommige opzichten uitgebreidere besprekingen van de
verschillende gerechtelijke uitspraken in Dexia-zaken de eerder
genoemde artikelen: Van den Bergen, Tijdschrift voor financieel recht
2005, pp. 296-306; Rank/Haasjes, Tijdschrift voor financieel recht
2005, pp. 370-379; Holvast, Computerrecht 2005, pp. 323-327
(annotatie); Zwenne/Webbink, P&I 2006, pp. 2-8; Van Schoonhoven,
Computerrecht 2006, pp. 200-205. Zie ook nr. 4.38a.
59 NJF 2006, 191; dit is de thans in cassatie onder nr. R06/045HR
aanhangige procedure.
60 JOR 2006, 129, m.nt. P.J. van der Korst.
61 Zie rov. 4.4 van die beschikking.
62 Zie rb. Almelo 14 februari 2005, JOR 2005, 75 (rov. 14).
63 In dezelfde zin rb. Utrecht 12 januari 2005, NJF 2005, 93 (rov.
3.8) met de toevoeging dat dit anders is indien de telefoongesprekken
op digitale of schriftelijke wijze zijn vastgelegd en persoonsgegevens
betreffen.
64 Deze uitspraak van de rb. Almelo dateert ook van 14 februari 2005,
LJN AS5909 (zie rov. 5.3).
65 Vgl. de in voetnoot 58 genoemde publicaties.
66 Rechtbank Amsterdam 19 mei 2005, Computerrecht 2005, nr. 49, p.
320, m.nt. J. Holvast.
67 Zie rov. 3.6 van deze uitspraak.
68 Rb. Zwolle 9 maart 2005, LJN AS9407 (rov. 4.8) en Rb. Rotterdam 20
mei 2005, LJN AT8525 (rov. 4.5.2). Uit Rb. 's-Hertogenbosch 31 maart
2005, LJN AT3148 - een zaak die zich buiten de 'Dexia-sfeer' afspeelde
- kan m.i. worden afgeleid dat deze rechtbank dezelfde mening was
toegedaan. In die zaak ging het om een verzoek tot het verstrekken van
een afschrift van een proces-verbaal.
69 De niet gepubliceerde uitspraken hebben de zaaknummers BAN 03-1128;
BAN 03-1072 en BAN 03-1131. [verweerder] c.s. hebben in de onderhavige
procedure ook naar deze drie vrijwel identieke uitspraken van de
Geschillencommissie verwezen; o.m. in nr. 50 van hun verweerschrift in
principaal appel, tevens voorwaardelijk incidenteel appelschrift. De
uitspraak met zaaknummer BAN 03-1131 hebben zij als productie 9 bij
hun verzoekschrift in eerste aanleg in het geding gebracht.
70 De Geschillencommissie voegde hier nog aan toe dat dit slechts
geldt voor zover het Dexia krachtens art. 8.5.1 van de Gedragscode is
toegestaan telefoongesprekken op te nemen en dat buiten deze bepaling
vallende telefoongesprekken moeten worden gewist.
71 Vgl. ook voetnoot 58.
72 Rank/Haasjes, a.w. (noot 23, 2005)), pp. 370-379.
73 Van den Bergen, a.w. (noot 23, 2005), pp. 296-306.
74 J.M.A. Berkvens, WBPerikelen; inzage, inzicht of overzicht?,
Privacy & informatie, 2005 (3), p. 119-121.
75 Zwenne/Webbink, a.w. (noot 58, 2006), pp. 2-8.
76 Zie zijn noot onder Rb. Amsterdam 19 mei 2005 in Computerrecht,
2005, nr. 49, p. 325. Het betoog van Holvast - dat onder de WPR
algemeen werd erkend dat het recht op inzage het recht op kopie(ën)
inhield - grijpt terug op het commentaar van Holvast in de (oude)
losbladige WPR, Verwante regelgeving bij art. 29, Wet
politieregisters, aant. 1.3, waar staat dat 'een belangrijk verschil
met de WPR [is] dat (op basis van de Wet politieregisters; toevoeging
A-G) geen afschrift of kopie van de gegevens kan worden verkregen.'
77 Zie pp. 325-326 van de in de vorige voetnoot genoemde annotatie.
78 C.W.M. Lieverse, De rol van de Wet bescherming persoonsgegevens in
procedures tegen financiële instellingen, in 10 jaar "JOR"Alsnog
geannoteerd, 2006, p. 109 e.v. (114-115).
79 David Bainbridge, EC Data Protection Directive, 1996, p. 162.
80 Boardman, R. et al, Encyclopedia of Data Protection & Privacy,
Sweet & Maxwell, par. 2-274/3.
81 De toelichting bij het middel, nr. 25 op p. 19, bevestigt dit.
82 Vgl. ook supra nr. 4.11 e.v.
83 Vgl. in dit verband het dictum van 's hofs beschikking.
84 De toelichting bij het middel, nr. 25 op p. 19, bevestigt dit.
85 Zie Verweerschrift in principaal appel tevens voorwaardelijk
incidenteel appelschrift, p. 43 e.v., nr. 137 e.v. (De voorwaardelijk
incidentele grieven werden later onvoorwaardelijk gemaakt, zie supra
nr. 3.7).
86 Vgl. H. Oudelaar, Civielrechtelijke executiegeschillen, diss.
Leiden 1992, p. 319.
87 Vgl. na HR 3 januari 1964, NJ 1964, 445 m.nt. GJS (Lexington) bijv.
HR 5 april 2002 (C00/197), NJ 2003, 356 m.nt. Gielen, IER 2002, nr.
37, p. 225 m.nt. HMHS en HR 15 april 2005, (C03/230), NJ 2006, 55 m.nt.
Gielen.
88 Vlg. Oudelaar, a.w., waar hij op p. 318 e.v. de gronden bespreekt
waarop de executierechter in de executie mag ingrijpen. Eén van de
door hem besproken gronden is 'een onduidelijke executoriale titel'.
In dit verband merkt Oudelaar (p. 319) op dat het geen nader betoog
behoeft dat rechters zo veel mogelijk moeten voorkomen dat door hen
gewezen vonnissen voor meer dan een uitleg vatbaar zijn. Oudelaar
verwijst in dit verband tevens (in voetnoot 130) naar H.J. Snijders (Troubles
en doubles in het burgerlijk procesrecht, Inaugurele rede Rotterdam,
1995, p. 24), die er (ook) voor pleit dat rechters in hun vonnissen
aan partijen optimale duidelijkheid - zo nodig ambtshalve -
verstrekken, zodat latere executiegeschillen zo veel mogelijk vermeden
worden.
89 Ik verwijs andermaal naar nr. 4.11 e.v.
90 Vgl. supra nrs. 4.8 en 4.18h, alsmede de argumentatie van het
College Bescherming Persoonsgegevens, aangehaald in nr. 4.27.
91 Vgl. hierbij het citaat in nr. 4.39b.
92 Zie hierboven de nrs. 4.25-4.26.
93 TK 1998-1999, 25 892, nr. 6, p. 47-48.
94 Tenzij een beroep op (een van) de weigeringsgronden als bedoeld in
art. 43 Wbp opgaat.
95 Zie art. 8.5.3 van de Gedragscode, zoals hiervoor onder 4.18
geciteerd.
96 Vgl. nr. 4.28 en vgl. voorts mijn bijdrage in Prins & Berkvens,
Privacyregulering in theorie en praktijk, 3e druk 2002, pp. 69-73,
alsmede de rechtspraak als vermeld in de 'oude' losbladige 'Wet
persoonsregistraties - Leidraad voor de praktijk' bij art. 29 WPR (p.
I.Art.29. Jur - 13 e.v.).