Het doel van de website is kennis in gratis informatie en gratis informatie in kennis om te zetten.

CENSUUR IN NEDERLAND ©

Stockholmsyndroom: Spoed! PLAN VAN AANPAK GEZINSVOOGDIJ dat niet deugt!

Bezwaarschrift 639 tegen Indicatiebesluit bij (V)OTS en/of UHP

Bezwaarschrift 640 tegen PLAN VAN AANPAK GEZINSVOOGDIJ

Bezwaarschrift 641 tegen HULPVERLENINGSPLAN ZORGVERLENER

U dient verzoek 110 in om afschrift van een compleet dossier en noteert de datum.

U dient aan het begin van iedere maand verzoek 100 inzake afschrift informatie over de voorgaande maand noteer de datum.   

 

 

Inzage dossier
LJN: BA3529, Hoge Raad , R06/163HR
Datum uitspraak: 29-06-2007
Rechtsgebied: Civiel overig Soort procedure: Cassatie

Inhoudsindicatie: Bescherming persoonsgegevens. Vordering op de voet van art. 46 lid 1 Wbp tot bevel aan bank inzage te verlenen in en afschriften te verstrekken van alle op een voormalige cliŽnt betrekking hebbende persoonsgegevens en volledige informatie te verstrekken over hun herkomst en het doel van de verwerking van deze gegevens door de bank. Ruime uitleg art. 35 Wbp, verplichting bank kopieŽn bescheiden en transcripties van telefoongesprekken te verstrekken; misbruik van bevoegdheid?; doorkruising van art. 843a Rv.?; richtlijnconforme interpretatie.

Eerste Kamer
Rek.nr. R06/163HR
RM/MK

Hoge Raad der Nederlanden

Beschikking

in de zaak van:

Hollandsche Bank-Unie N.V.,
gevestigd te Amsterdam, kantoorhoudende te Rotterdam,
VERZOEKSTER tot cassatie,
advocaten: mr. C.J.J.C. van Nispen en mr. V. RŲrsch,

t e g e n

1. [Verweerder 1],
wonende te [woonplaats],
2. [Verweerder 2],
wonende te [woonplaats],
3. [Verweerder 3],
wonende te [woonplaats],
4. [Verweerder 4],
wonende te [woonplaats],
5. [Verweerder 5],
wonende te [woonplaats],
6. [Verweerder 6],
wonende te [woonplaats],
7. [Verweerster 7],
wonende te [woonplaats],
8. [Verweerster 8],
wonende te [woonplaats],
9. [Verweerster 9],
wonende te [woonplaats],
10. [Verweerder 10],
wonende te [woonplaats],
11. [Verweerder 11],
wonende te [woonplaats],
12. [Verweerder 12],
wonende te [woonplaats],
13. [Verweerder 13],
wonende te [woonplaats],
14. [Verweerder 14],
wonende te [woonplaats],
VERWEERDERS in cassatie,
niet verschenen.

Partijen zullen hierna ook worden aangeduid als HBU en [verweerder] c.s.

1. Het geding in feitelijke instanties

Met een op 11 april 2005 ter griffie van de rechtbank Rotterdam ingediend verzoekschrift hebben [verweerder] c.s. zich gewend tot die rechtbank en op de voet van art. 46 lid 1 Wbp verzocht, kort gezegd, HBU bij beschikking, uitvoerbaar bij voorraad en op straffe van een dwangsom, te bevelen een overzicht te verschaffen van de persoonsgegevens die zij van [verweerder] c.s. heeft verwerkt, waaronder in elk geval begrepen:
i. het schriftelijke cliŽntenprofiel van [verweerder] c.s., waarin de gegevens met betrekking tot de financiŽle positie, beleggerservaring en beleggingsdoelstellingen van [verweerder] c.s. zijn opgenomen;
ii. een schriftelijke inventarisatie van de kredietwaardigheid van [verweerder] c.s.;
iii. de schriftelijke stukken die betrekking hebben op de interne fiattering van de door HBU aan [verweerder] c.s. verleende kredieten door de kredietcommissie en/of andere personen binnen HBU en/of haar moedermaatschappij ABN AMRO Bank N.V.;
iv. de bandopnames van de gesprekken die HBU heeft gevoerd met betrekking tot de kredietverstrekking aan [verweerder] c.s.;
v. een schriftelijke uitwerking van de mondelinge (intake)gesprekken en telefoongesprekken die door (medewerkers van) HBU met [verweerder] c.s. zijn gevoerd;
vi. alle overige persoonsgegevens die HBU van [verweerder] c.s. heeft verwerkt.

HBU heeft het verzoek bestreden.
De rechtbank heeft bij beschikking van 7 oktober 2005 HBU bevolen binnen vier weken nadat de beschikking onherroepelijk is geworden, een schriftelijk overzicht als bedoeld in art. 35 lid 2 Wbp aan [verweerder] c.s. te verstrekken - maar niet (afschriften van) de stukken zelf - met inachtneming van hetgeen in die beschikking onder rov. 5.6 tot en met 5.11 is overwogen, zulks op straffe van een dwangsom. Het meer of anders gevorderde heeft de rechtbank afgewezen.
Tegen deze beschikking heeft HBU hoger beroep ingesteld bij het gerechtshof te 's-Gravenhage. [Verweerder] c.s. hebben incidenteel appel ingesteld.
Bij beschikking van 22 augustus 2006 heeft het hof de beschikking van de rechtbank vernietigd en, opnieuw rechtdoende, het door [verweerder] c.s. in hoger beroep verzochte grotendeels toegewezen. Het meer of anders verzochte heeft het hof afgewezen.
De beschikking van het hof is aan deze beschikking gehecht.

2. Het geding in cassatie

Tegen de beschikking van het hof heeft HBU beroep in cassatie ingesteld. Het cassatierekest is aan deze beschikking gehecht en maakt daarvan deel uit.
[Verweerder] c.s. hebben geen verweerschrift ingediend.
De conclusie van de Advocaat-Generaal D.W.F. Verkade strekt tot verwerping van het beroep.
De advocaat van HBU heeft bij brief van 4 mei 2007 op de conclusie gereageerd.

3. Beoordeling van het middel

3.1 In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.
(i) [Verweerder] c.s. participeren sinds juni 2003 in het beleggingsfonds NovaCap Floralis Termijnfonds 2004 C.V. (hierna: 'het Fonds'). Voor de financiering van de participaties heeft HBU kredieten aan [verweerder] c.s. verstrekt tot een bedrag van in totaal Ä 10.353.000. [Verweerder] c.s. hebben hun participaties in het Fonds aan HBU verpand.
(ii) [Verweerder] c.s. (aanvankelijk verzoekers 1 tot en met 9 en later ook de andere verzoekers) hebben in door hen bij de rechtbank Amsterdam aanhangig gemaakte procedures gevorderd dat HBU wordt veroordeeld tot schadevergoeding wegens toerekenbare tekortkoming in de nakoming van haar zorgplicht dan wel onrechtmatig handelen. [verweerder] c.s. hebben aan hun vorderingen onder meer ten grondslag gelegd dat sprake is geweest van onzorgvuldige kredietverlening door HBU en dat HBU in strijd heeft gehandeld met haar bijzondere zorgplicht als bank en met het zogenaamde 'ken-uw-cliŽnt-beginsel'.
(iii) In het kader van de onder (ii) genoemde procedures hebben [verweerder] c.s. tevens op grond van art. 843a Rv. gevorderd dat HBU afschrift verschaft van een aantal gespecificeerde bescheiden uit de desbetreffende kredietdossiers over de periode mei 2003 tot medio juni 2003. Zij vorderden - kort gezegd - afschrift van:
- het cliŽntenprofiel;
- de inventarisatie van hun kredietwaardigheid;
- interne fiatteringsstukken;
- de schriftelijke uitwerking door HBU van met [verweerder] c.s. gevoerde (telefoon)gesprekken.
HBU heeft geweigerd deze bescheiden te verstrekken. Bij incidentele vonnissen van 15 juni 2005 en 19 oktober 2005 heeft de rechtbank deze art. 843a Rv.-vorderingen afgewezen.
(iv) Bij brieven van 1 en 14 februari 2005 hebben de advocaten van [verweerder] c.s. HBU op grond van art. 35 Wet bescherming persoonsgegevens (hierna: Wbp) verzocht binnen vier weken te berichten of zij persoonsgegevens van [verweerder] c.s. had verwerkt en voorzover dit het geval is een volledig overzicht daarvan te verstrekken dat in ieder geval dient te bevatten:
- het schriftelijke cliŽntenprofiel van [verweerder] c.s., waarin de gegevens met betrekking tot de financiŽle positie, beleggerservaring en beleggingsdoelstellingen van [verweerder] c.s. zijn opgenomen;
- een schriftelijke inventarisatie van de kredietwaardigheid van [verweerder] c.s.;
- de schriftelijke stukken die betrekking hebben op de interne fiattering van de door HBU aan [verweerder] c.s. verleende kredieten door de kredietcommissie en/of andere personen binnen HBU en/of ABN AMRO Bank NV;
- de bandopnames van de gesprekken die HBU heeft gevoerd met [verweerder] c.s.;
- een schriftelijke uitwerking van de mondelinge (intake)gesprekken en telefoongesprekken die door (medewerkers van) HBU met [verweerder] c.s. zijn gevoerd;
- alle overige persoonsgegevens die HBU van [verweerder] c.s. heeft verwerkt.
(v) Bij brieven van 24 februari 2005 en 10 maart 2005 is namens HBU meegedeeld dat zij weigert aan het verzoek tot inzage in de door HBU verwerkte persoonsgegevens te voldoen met een beroep op art. 43, onder e, Wbp, nu het verzoek tot inzage volgens HBU een 'fishing expedition' is waarmee op oneigenlijke wijze wordt geprobeerd de procespositie van [verweerder] c.s. in de bij de rechtbank Amsterdam aanhangige procedures te versterken. Volgens HBU strekt het inzageverzoek van [verweerder] c.s. ertoe de aan de toewijzing van de vordering ingevolge art. 843a Rv. verbonden voorwaarden en procesrechtelijke waarborgen te omzeilen, waardoor de procespositie van HBU onevenredig wordt benadeeld. Voorts is de weigering van HBU gebaseerd op het argument dat [verweerder] c.s. misbruik maken van hun bevoegdheid ingevolge art. 35 Wbp, aangezien zij hun inzagerecht gebruiken voor een ander doel dan waarvoor het is verleend.

3.2 In dit geding hebben [verweerder] c.s. de rechtbank op de voet van art. 46 lid 1 Wbp verzocht HBU te bevelen een overzicht te verschaffen van de persoonsgegevens die zij van [verweerder] c.s. heeft verwerkt, waaronder de hiervoor in 3.1 onder (iv) genoemde stukken/gegevensdragers, op straffe van de verbeurte van een dwangsom van Ä 5.000,-- per dag. De rechtbank heeft HBU bevolen een schriftelijk overzicht als bedoeld in art. 35 lid 2 Wpb - maar niet de (afschriften van) de stukken zelf - te verschaffen van de nader in haar beschikking vermelde persoonsgegevens. In het daartegen door HBU ingestelde principale appel heeft het hof de grieven verworpen en in het incidentele appel heeft het hof de grieven van [verweerder] c.s. grotendeels gegrond verklaard en HBU bevolen (i) binnen vier weken een aantal afschriften te verstrekken van de in de beschikking vermelde bescheiden en (ii) binnen acht weken aan [verweerder] c.s. schriftelijk mee te delen of er bandopnames en/of schriftelijke uitwerkingen zijn gemaakt van telefoongesprekken met betrekking tot door HBU aan [verweerder] c.s. verleende kredieten.

3.3 De overwegingen die het hof tot deze beslissing hebben geleid, kunnen als volgt worden samengevat.
(a) Het hof gaat ervan uit dat HBU persoonsgegevens van [verweerder] c.s. heeft verwerkt op een wijze die valt onder de Wbp (rov. 6 tot en met 11).
(b) Een verzoek op grond van art. 35 Wbp behoeft niet gespecificeerd te zijn (rov. 12).
(c) HBU heeft ten onrechte een beroep gedaan op de weigeringsgrond van art. 43, onder e, Wbp. Zij wordt niet geschaad in haar door art. 843a Rv. beschermde rechten of vrijheden en bij toewijzing van het verzoek op basis van art. 35 Wbp wordt niet het beginsel van fair trial geschonden. Art. 35 Wbp vormt niet een doorkruising van art. 843a omdat deze regelingen naar aard en strekking verschillend zijn (rov. 13 tot en met 18).
(d) [Verweerder] c.s. gebruiken hun inzagerecht van art. 35 Wbp niet voor een ander doel dan waarvoor het is gegeven en zij maken ook geen misbruik van recht (rov. 20 tot en met 24).
(e) HBU verzet zich wel tegen verstrekking van afschriften, doch zij betwist niet dat een aantal stukken bestaat en dat zij die onder zich heeft.
(f) Het hof is het met HBU eens dat de betrokkene niet zonder meer recht heeft op een afschrift en dat niet noodzakelijkerwijs altijd een afschrift behoeft te worden gegeven. Art. 35 Wbp bepaalt dat een volledig overzicht in begrijpelijke vorm van de verwerkte persoonsgegevens moet worden verstrekt, en niet mťťr. Dit neemt niet weg dat een afschrift in ieder geval zo'n volledig overzicht geeft en dat het daarom in beginsel voor de hand ligt om een afschrift te verstrekken. Met name een afschrift zal geschikt zijn om na te kunnen gaan of de verwerkte gegevens feitelijk onjuist zijn, of het doel waarvoor zij verwerkt worden niet ongeoorloofd is, of zij voor het doel of doeleinden van de verwerking onvolledig, niet adequaat of niet ter zake dienend zijn, en of zij anderszins in strijd met een wettelijk voorschrift worden verwerkt. Dat de wetgever ook, of zelfs in het bijzonder, aan afschriften heeft gedacht blijkt uit art. 3 van het Besluit kostenvergoeding rechten betrokkene Wbp van 13 juni 2001 (Stb. 305), waarin is voorzien in een kostenvergoeding aan de verantwoordelijke voor door hem gemaakte afschriften. Een verantwoordelijke weet bij uitstek, of moet bij uitstek weten, welke persoonsgegevens zij verwerkt, of laat verwerken, en hoe daarvan een volledig overzicht is te geven. Gelet verder op het transparantiebeginsel zal de verantwoordelijke, die zich op een andere wijze dan door het verstrekken van afschriften van zijn verplichting tot het geven van een volledig overzicht wil kwijten derhalve, indien hierover discussie ontstaat, duidelijk moeten maken dat ook op die andere wijze daadwerkelijk een volledig overzicht wordt verschaft. HBU heeft in het geheel niet uiteengezet hoe zij het vereiste volledige overzicht in begrijpelijke vorm wil verschaffen zonder verstrekking van afschriften. Dit betekent dat ervan moet worden uitgegaan dat in dit geval alleen door middel van afschriften een volledig overzicht kan worden verkregen (rov. 27).
(g) [Verweerder] c.s. komen op tegen de afwijzing door de rechtbank van hun verzoek tot verstrekking van de bandopnames en de schriftelijke uitwerkingen daarvan die HBU volgens [verweerder] c.s. heeft gemaakt van telefoongesprekken met betrekking tot de kredietverlening aan hen. De rechtbank is tot deze afwijzing gekomen op grond van de overweging dat deze gesprekken geen gestructureerd geheel vormen en niet zijn ontsloten op een wijze die deze onder het bestandbegrip van de Wbp brengt. Hierbij heeft de rechtbank uitdrukkelijk in het midden gelaten of geloof verdient de betwisting door HBU dat bandopnames van die gesprekken zijn gemaakt (rov. 28).
(h) HBU heeft volhard in deze betwisting, waarmee zij tevens betwist dat er schriftelijke uitwerkingen van bandopnames bestaan. [Verweerder] c.s. stellen dat er wel bandopnames van de telefoongesprekken en schriftelijke uitwerkingen daarvan zijn gemaakt. Wie op dit punt gelijk heeft, valt op dit moment niet te beoordelen (rov. 29).
(i) In hun verzoek hebben [verweerder] c.s. HBU verzocht mede te delen of zij persoonsgegevens verwerkte en, zo ja, daarvan een volledig overzicht te geven. Nu daarbij specifiek is verzocht om bandopnames van telefoongesprekken en/of schriftelijke uitwerkingen daarvan, lag in het eerste verzoek, naar HBU heeft moeten begrijpen, besloten het verzoek om mede te delen of persoonsgegevens van [verweerder] c.s. in zulke gegevensdragers waren opgenomen/verwerkt. Het hof constateert dat HBU in haar brieven van 24 februari en 10 maart 2005 beide verzoeken niet heeft ingewilligd. Zij heeft in die brieven niet vermeld dat zij geen bandopnames van de telefoongesprekken of schriftelijke uitwerkingen daarvan heeft gemaakt. Dit heeft HBU alleen in deze procedure aangevoerd (rov. 30).
(j) Het verzoek van [verweerder] c.s. om inzage in de bandopnames of schriftelijke uitwerkingen daarvan, impliceert dat in hun visie deze gegevensdragers bestaan. Dat weten zij echter niet zeker en HBU heeft hierover geen mededeling in de zin van art. 35 Wbp gedaan. Volgens [verweerder] c.s. heeft HBU op dit punt een verzwaarde stelplicht, hetgeen strookt met de regel van art. 35 lid 1 Wbp dat de verantwoordelijke de betrokkene op diens verzoek mededeelt of hem betreffende persoonsgegevens worden verwerkt ťn, met de regel van art. 12, aanhef en onder a, eerste gedachtestreepje, van de Richtlijn, dat de verantwoordelijke de betrokkene zelfs "uitsluitsel" moet geven omtrent het "al dan niet" bestaan van verwerkingen van hem betreffende persoonsgegevens, welke, aan het transparantiebeginsel uitdrukking gevende, regel bepalend is voor de uitleg van art. 35 lid 1 Wbp. Verder voorzien de leden 1 en 2 van art. 35 Wbp welbeschouwd slechts in ťťn verzoek, namelijk in het verzoek van lid 1. Ingevolge lid 2 is de verantwoordelijke verplicht om, indien hij heeft medegedeeld dat persoonsgegevens worden verwerkt, daarvan een volledig overzicht te geven, zonder dat daarvoor een afzonderlijk verzoek is vereist. Gelet op dit alles, in onderling verband en samenhang bezien, moeten de stellingen en verzoeken van [verweerder] c.s. in deze procedure (tevens) worden opgevat als strekkende tot het alsnog verkrijgen, op de voet van art. 35 lid 1 Wbp, van informatie van HBU over het bestaan van bandopnames en/of schriftelijke uitwerkingen, over het vůůrkomen daarop van persoonsgegevens betreffende [verweerder] c.s. en over de feitelijke wijze waarop deze gegevens zijn gestructureerd en toegankelijk zijn gemaakt. Nu HBU uitsluitsel dient te geven omtrent het al dan niet bestaan van verwerkingen van [verweerder] c.s. betreffende persoonsgegevens en HBU tot dusverre niet genoegzaam heeft aangetoond dat geen bandopnames zijn gemaakt of nog bestaan, zal HBU een bevel hiertoe worden gegeven (rov. 31).
(k) Beoordeeld dient nu nog te worden of, indien op bandopnames en/of schriftelijke uitwerkingen van telefoongesprekken onder de Wbp vallende persoonsgegevens worden verwerkt, HBU die banden en/of schriftelijke uitwerkingen dan aan [verweerder] c.s. dient te verstrekken. HBU meent dat zij hiertoe niet gehouden is omdat niet valt in te zien hoe een betrokkene een bandopname, die een historisch gegeven is, zou kunnen verbeteren of aanvullen zonder dat daarmee geweld wordt gedaan aan de oorspronkelijk inhoud daarvan. Zij wijst in dit verband op art. 36 Wbp. Hiermee verliest HBU echter uit het oog dat ingevolge dit artikel de betrokkene ook kan verzoeken om verwijdering of afscherming van (de persoonsgegevens op) de bandopnames en dat haar argumentatie in het geheel niet opgaat voor schriftelijke uitwerkingen van bandopnames. De stelling van HBU dat de betrokkene voldoende moet hebben aan de mededeling dat van de door hem met de verwerker gevoerde telefoongesprekken notities/bandopnames zijn gemaakt, wordt door het hof evenmin onderschreven. In een telefoongesprek over kredietverlening komen doorgaans meer persoonsgegevens ter sprake - zoals gegevens over het vermogen van de cliŽnt, zijn gezinssituatie en zijn inkomen - en louter met de mededeling dat een bepaald telefoongesprek is vastgelegd, verkrijgt de betrokkene dus geen volledig overzicht over de daarmee verwerkte persoonsgegevens. Nu HBU niet heeft aangegeven hoe anders dan door verstrekking van de bandopnames en/of schriftelijke uitwerkingen daarvan, een volledig overzicht van de daarin verwerkte persoonsgegevens kan worden verschaft, zal zij deze gegevensdragers dienen te verstrekken, tenminste wanneer deze bestaan en daarop persoonsgegevens worden verwerkt in de zin van de Wbp (rov. 32).

3.4 Het middel keert zich met rechts- en motiveringsklachten onder A tegen rov. 27 (hiervoor weergegeven in 3.3 onder f) en onder B tegen rov. 32 (weergeven in 3.3 onder k). Onderdeel A bestrijdt in de kern dat HBU op grond van art. 35 lid 2 Wbp verplicht is afschriften te verstrekken. Onderdeel B bestrijdt het oordeel van het hof dat [verweerder] c.s. recht hebben op bandopnames en/of schriftelijke uitwerkingen daarvan. HBU is tegen de overige oordelen van het hof in cassatie niet opgekomen.

3.5 Bij de beoordeling van het middel moet worden vooropgesteld dat de Wbp strekt ter uitvoering van Richtlijn 95/46/EG betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrij verkeer van die gegevens van 24 oktober 1995, Pb. EG L 281 (TK 1997-1998, 25892, nr. 3, p. 157-158) en conform deze richtlijn moet worden uitgelegd. Op grond van hetgeen is vermeld in de conclusie van de Advocaat-Generaal onder 4.18a tot en met 4.18j, moet worden aangenomen dat de lidstaten een zekere ruimte hadden om aan de in de Richtlijn beoogde bescherming een eigen uitwerking te geven en dat de Nederlandse wetgever daarvan wat art. 35 Wbp betreft ook gebruik heeft gemaakt.

3.6 Uit nr. 41 van de considerans en - het in art. 35 Wbp geÔmplementeerde - art. 12 van de Richtlijn volgt dat de betrokkene recht heeft op toegang tot de gegevens die het voorwerp van een verwerking vormen en hemzelf betreffen, zodat hij zich van de juistheid en de rechtmatigheid van de over hem opgeslagen informatie kan vergewissen. Hieruit vloeit voort dat de verantwoordelijke (in de zin van de Wbp) specifieke informatie behoort te verstrekken aan de betrokkene waardoor deze in staat wordt gesteld behoorlijk kennis te nemen van zijn gegevens en van de wijze waarop deze zijn verwerkt. De betrokkene kan bij het vragen van deze informatie volstaan met een verwijzing naar art. 35 Wbp en behoeft geen nadere redenen op te geven. Hij mag verwachten dat de vervolgens aan te reiken informatie transparant en volledig zal zijn. Verder zal de verantwoordelijke bij de voldoening aan de door art. 35 lid 2 Wbp op haar gelegde verplichting om aan de betrokkene een volledig overzicht van de verwerkte persoonsgegevens te verschaffen niet mogen volstaan met de verstrekking van globale informatie, doch zal zij alle relevante informatie over de betrokkene moeten verschaffen, hetgeen, afhankelijk van de omstandigheden, vaak zal kunnen - en zo nodig op aanwijzing van de rechter zal moeten - gebeuren door het verstrekken van afschriften, kopieŽn of uittreksels. Dit valt ook af te leiden uit de parlementaire geschiedenis van art. 29 Wet Persoonsregistraties (TK 1986-1987, 19095, nr. 6, p. 57-58), de voorganger van art. 35 Wbp waarbij laatstgenoemde bepaling aansluit (MvT, TK 1997-1998, 25892, nr. 3, p. 157-158). Het in art. 35 gebruikte begrip "volledig overzicht" moet veeleer als een ruime aanduiding van de verplichting tot het verschaffen van de gegevens en niet als een beperking worden beschouwd. Wel kan de verantwoordelijke bij het verschaffen van de gegevens rekening houden met de belangen van derden, zij het dat dit op proportionele wijze dient te geschieden. Zo kunnen bij de verstrekking van kopieŽn van bescheiden bijvoorbeeld daarin aanwezige passages die betrekking hebben op derden worden afgeschermd, indien de belangen van die derden zulks vergen.

3.7 Voorts valt in aanmerking te nemen dat de Wbp een overkoepelende regeling voor uiteenlopende situaties geeft, die in een aantal sectoren nadere concretisering behoeft (TK 1997-1998, 25892, nr. 3, p. 11-12). In de financiŽle sector heeft deze concretisering plaatsgevonden in de Gedragscode Verwerking Persoonsgegevens FinanciŽle Instellingen (Staatscourant 3 februari 2003, nr. 23, p. 16) die is opgesteld door de Nederlandse Vereniging van Banken en het Verbond van Verzekeraars en een nadere invulling geeft aan de bepalingen van de Wbp. Het CBP heeft op de voet van art. 25 Wbp op 27 januari 2003 verklaard dat deze Gedragscode, gelet op de bijzondere kenmerken van de financiŽle sector, een juiste uitwerking vormt van de Wbp en andere wettelijke bepalingen betreffende de verwerking van persoonsgegevens (Staatscourant 3 februari 2003, nr. 23, p. 16). De omvang en de invulling van het recht van de betrokkene om van de verantwoordelijke een overzicht te ontvangen van de door de verantwoordelijke van hem verwerkte persoonsgegevens als bedoeld in art. 35 lid 2 hangen derhalve mede af van hetgeen hierover is bepaald in de Gedragscode en daarnaast van de omstandigheden van het geval. In art. 7.1.1 van de Gedragscode wordt bepaald, dat een betrokkene gerechtigd is een financiŽle instelling schriftelijk een overzicht te vragen van de hem of haar betreffende persoonsgegevens die door die financiŽle instelling worden verwerkt en dat de financiŽle instelling, behoudens in de Wbp genoemde uitzonderingsgevallen, de betrokkene binnen vier weken na de datum van het verzoek een overzicht van de persoonsgegevens doet toekomen. In de na de Gedragscode gepubliceerde toelichting wordt opgemerkt, dat het recht om kennis te nemen van de eigen gegevens een algemeen erkend recht is dat slechts in uitzonderingssituaties vervalt. Art. 8.5.5 Gedragscode verleent aan de betrokkene-cliŽnt het recht bij interpretatieverschillen of onenigheden met betrekking tot de inhoud van opgenomen telefoongesprekken om het opgenomen telefoongesprek te beluisteren en/of een transcriptie van het opgenomen telefoongesprek te verkrijgen. Slechts indien de verantwoordelijke overeenkomstig art. 43, onder e, Wbp aannemelijk maakt dat door het verstrekken van kopieŽn of transcripties van telefoongesprekken de administratieve lasten zodanig disproportioneel zijn, dat hij in een van zijn rechten en vrijheden wordt aangetast of dreigt te worden aangetast (TK 1997-1998, 25892, nr. 3, p. 171), kan de verantwoordelijke in een geval als het onderhavige weigeren om de verzochte kopieŽn en transcripties te verstrekken.

3.8 Uit de parlementaire geschiedenis (MvT, TK 1997-1998, 25892, nr. 3, p. 71) blijkt dat de Wbp ook van toepassing is op geluidsopnamen die min of meer toegankelijk zijn voor latere raadpleging. Ten slotte geldt dat een financiŽle instelling als HBU, zoals blijkt uit het onder 4.18 van die conclusie weergegeven art. 8.5.3 Gedragscode, verplicht is technische en organisatorische voorzieningen te treffen om opgenomen telefoongesprekken en andere persoonsgegevens betreffende de opgenomen telefoongesprekken zonodig te kunnen traceren en reconstrueren.

3.9 Voorzover de onderdelen A.1 en B.1 ervan uitgaan dat het hof heeft geoordeeld dat [verweerder] c.s. recht hebben op een afschrift van alle gegevensdragers, mist het feitelijke grondslag, omdat het hof juist vooropgesteld heeft dat dit recht niet zonder meer of noodzakelijkerwijs altijd bestaat. Het hof heeft vervolgens, zonder dat het met dit uitgangspunt in tegenspraak is gekomen, als zijn oordeel doen volgen dat een afschrift, bandopname of schriftelijke uitwerking daarvan in ieder geval een volledig overzicht geeft en dat het daarom in beginsel voor de hand ligt de persoonsgegevens in deze vorm te verstrekken. Dit oordeel is juist op grond van hetgeen de Hoge Raad hiervoor in 3.4 tot en met 3.8 heeft overwogen. Het hof heeft voorts terecht geoordeeld dat HBU duidelijk moet maken op welke andere wijze dan door het verstrekken van afschriften dan wel bandopnamen/schriftelijke uitwerking een volledig overzicht kan worden verschaft. HBU is immers de verantwoordelijke die de in de Wbp neergelegde verplichtingen behoort na te komen, en zij beschikt zowel over de gegevens als over de gegevensdragers aan de hand waarvan zij in eerste instantie als enige kan beoordelen welke persoonsgegevens zij verwerkt of laat verwerken en op welke wijze zij aan de eis van een volledige opgave hiervan kan voldoen. Op dit een en ander stuiten alle rechtsklachten van de onderdelen A en B af.

3.10 De oordelen van het hof zijn in het licht van het door partijen gevoerde debat ook niet onbegrijpelijk, met name niet omdat HBU volgens de feitelijke en in cassatie niet bestreden vaststelling van het hof heeft nagelaten duidelijk te maken op welke andere wijze zij aan haar verplichting een volledig overzicht te verschaffen zou kunnen voldoen, waar dit immers op haar weg lag en waar [verweerder] c.s. dit ook van haar mochten verwachten. Als, zoals HBU meent, zich zeer wel laat denken dat het vereiste volledige overzicht in begrijpelijke vorm wordt verschaft zonder verstrekking van afschriften, bandopnames en/of schriftelijke uitwerkingen daarvan, had HBU haar standpunt aan de hand van concrete voorbeelden aannemelijk moeten maken, hetgeen zij evenwel heeft nagelaten. Het hof heeft hieraan begrijpelijkerwijs de slotsom verbonden dat HBU geen bezwaren tegen het verschaffen van de gevraagde bescheiden en opnamen heeft aangevoerd die stand kunnen houden, terwijl HBU, naar het hof kennelijk en niet onbegrijpelijk heeft geoordeeld, ook geen andere steekhoudende redenen heeft aangevoerd die aan toewijzing van de vorderingen in de weg staan.

3.11 Het middel faalt, zodat het beroep moet worden verworpen.

4. Beslissing

De Hoge Raad:
verwerpt het beroep;
veroordeelt HBU in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van [verweerder] c.s. begroot op nihil.

Deze beschikking is gegeven door de vice-president D.H. Beukenhorst als voorzitter en de raadsheren E.J. Numann, A. Hammerstein, J.C. van Oven en W.D.H. Asser, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer E.J. Numann op 29 juni 2007.

Conclusie Rekestnr. R06/163HR
Mr. D.W.F. Verkade
Parket 20 april 2007

Conclusie inzake:

Hollandsche Bank-Unie NV
(hierna: HBU)

tegen

1. [Verweerder 1]
2. [Verweerder 2]
3. [Verweerder 3]
4. [Verweerder 4]
5. [Verweerder 5]
6. [Verweerder 6]
7. [Verweerster 7]
8. [Verweerster 8]
9. [Verweerster 9]
10. [Verweerder 10]
11. [Verweerder 11]
12. [Verweerder 12]
13. [Verweerder 13]
14. [Verweerder 14]
(hierna: [verweerder] c.s.)
(in cassatie niet verschenen)

Inhoudsopgave

1. Inleiding (nrs. 1.1-1.7)
2. Feiten (nrs. 2.1-2.5)
3. Procesverloop (nrs. 3.1-3.10)
4. Inleidende beschouwingen
A. Wet bescherming persoonsgegevens (nrs. 4.2-4.6)
B. Inzageverzoek ex art. 35 Wbp (nrs. 4.7-4.11.3)
C. Gedragscode verwerking persoonsgegevens financiŽle instellingen (nrs. 4.12-4.18)
C.a. Communautair kader (nrs. 4.18a-4.18k)
D. Buitenlandse wetgeving (nrs. 4.19-4.24)
E. De weigeringsgrond in art. 43 sub e Wbp (nrs. 4.25-4.26)
F. (Oordeel) College Bescherming Persoonsgegevens (nr. 4.27)
G. Rechtspraak inzake inzageverzoeken (nrs. 4.28-4.36)
H. Literatuur inzake inzageverzoeken (nrs. 4.37-4.39b)
5. Bespreking van het cassatiemiddel
Algemeen (nrs. 5.1-5.2)
Onjuiste lezing van 's hofs beschikking (nrs. 5.3-5.17)
Geen onjuiste rechtsopvatting (nrs. 5.18-5.29)
6. Conclusie

1. Inleiding

1.1. Op 30 november 2006 heb ik geconcludeerd in de zaken met rekestnummers R06/045 en R06/046, waarin eveneens verzoeken van particulieren op basis van art. 35 Wet bescherming persoonsgegevens (Wbp) om kopieŽn van documenten met hun persoonsgegevens aan de orde waren.
De zaken hebben de achtergrond van onfortuinlijke beleggingsactiviteiten, waarbij de particulieren zich met name door onvoldoende voorlichting zijdens de bank gedupeerd achtten. In plaats van een winstuitkering te ontvangen, bleek een hoge schuld bij de bank te zijn opgebouwd. Veel van deze gedupeerden meenden dat de bank meer en betere informatie daarover had moeten geven, en legden claims neer bij de bank.
Nu het blijkens de publiekspers en de vakpers als een feit van algemene bekendheid kan gelden dat in dit soort zaken Dexia Bank een niet gezochte, doch onmiskenbare hoofdrol speelt, meen ik dat ik haar naam in deze (HBU-)conclusie niet behoef te anonimiseren.

1.2. De onderhavige zaak speelt zich af tegen een m.i. vergelijkbare achtergrond. [verweerder] c.s. hebben kredieten opgenomen bij de bank (HBU). Met de opbrengsten van dat krediet zijn participaties in een beleggingsfonds gekocht. Ook hier vielen de beleggingsresultaten tegen en besloten de beleggers om HBU aan te spreken wegens onzorgvuldige kredietverlening. Daarnaast hebben zij HBU verzocht hen een overzicht van hun persoonsgegevens in de zin van art. 35 Wbp te verschaffen. De onderhavige procedure is een uitvloeisel van dit verzoek.

1.3. Evenals in de zaken met rekestnummers R06/045 en R06/046 is in cassatie aan de orde de reikwijdte van het begrip 'volledig overzicht in begrijpelijke vorm' als bedoeld in art. 35 Wbp. Meer in het bijzonder gaat het om de vraag (i) of [verweerder] c.s. op grond van die bepaling recht hebben op kopieŽn/afschriften van de hen betreffende persoonsgegevens en (ii) of zij recht hebben op bandopnamen van de door hen met de bank gevoerde telefoongesprekken of schriftelijke uitwerkingen daarvan.

1.4. Het lijkt dienstig vooreerst aan te geven welke onderwerpen de onderhavige zaak R06/163HR en de eerder genoemde zaken R06/045HR en R06/046HR min of meer gemeen hebben. Dat zijn:
- recht op kopieŽn/afschriften versus (slechts) het 'volledig overzicht' van art. 35 lid 2 Wbp;
- recht op transcripties van opgenomen telefoongesprekken.

1.5. Er zijn in cassatie ook - aanmerkelijke - verschillen.
Terwijl in alle drie bij de Hoge Raad aanhangige zaken de banken zich hebben beroepen op
- een uitleg van het begrip 'bestand' als bedoeld in art. 2 lid 1 en art. 1 onder c Wbp, medebrengend dat daaronder niet zouden vallen bandopnamen of bepaalde notities van persoonsgegevens(1)
- de weigeringsgrond van art. 43 sub e Wbp(2)
- misbruik van recht aan de zijde van de verzoekers(3), al dan niet in samenhang met
- doorkruising van artikel 843a Rv., resp. gebruikmaking van art. 35 Wbp voor een niet te honoreren 'fishing expedition'(4),(5)
heeft HBU in de onderhavige zaak tegen de desbetreffende andersluidende oordelen van het hof geen cassatieklachten gericht.
Klachten over overschrijding van de rechtsstrijd of miskenning van de devolutieve werking van het appel zijn in deze zaak R06/163HR evenmin aan de orde.

1.6. De in nr. 1.4 aangegeven gemeenschappelijkheid van de daar bedoelde twee onderwerpen, laat open de mogelijkheid van potentiŽle verschillen in cassatie ten aanzien van ook die onderwerpen, voor zover het om motiveringsklachten gaat.

1.7. Nog een verschil tussen enerzijds de zaken R06/045HR en R06/046HR en anderzijds de onderhavige zaak R06/163HR is dat HBU zich in cassatie nadrukkelijk erop beroepen heeft dat de toepassing die het hof aan art. 35 Wbp gegeven heeft in strijd zou zijn met art. 12 sub a (tweede streepje) van Richtlijn 95/46/EG. Volgens HBU is in de Richtlijn ten deze sprake van maximumharmonisatie.
Deze - naar mijn mening niet juiste - stellingname geeft mij aanleiding om mijn eerdere opmerkingen over de wetsgeschiedenis van art. 35 Wbp - in samenhang met de Richtlijn - aan te vullen. Dat zal gebeuren in nrs. 4.18a-4.18k van deze conclusie.

2. Feiten(6)

2.1. [Verweerder] c.s. hebben sinds juni 2003 in het beleggingsfonds NovaCap Floralis Termijnfonds 2004 CV (hierna: 'het Fonds') geparticipeerd. Voor de financiering van die participaties heeft HBU kredieten aan [verweerder] c.s. verstrekt tot een totaalbedrag van Ä 10.353.000. [verweerder] c.s. hebben hun participaties in het Fonds aan HBU verpand.

2.2. HBU is in november 2004 door de in de aanhef sub 1 t/m 9 genoemde wederpartijen, en later door de in de aanhef sub 10 t/m 14 genoemde wederpartijen gedagvaard voor de Rechtbank Amsterdam. [Verweerder] c.s. hebben in die procedures aan hun vorderingen onder meer ten grondslag gelegd dat er sprake is geweest van onzorgvuldige kredietverlening door HBU en dat HBU in strijd heeft gehandeld met haar bijzondere zorgplicht als bank en met het zogenaamde 'ken-uw-klant-beginsel'. [Verweerder] c.s. hebben zich in die procedures voorts op het standpunt gesteld dat HBU toerekenbaar tekort is geschoten in de nakoming van haar zorgplicht, dan wel dat zij onrechtmatig heeft gehandeld en dat HBU aansprakelijk is voor de door hen geleden en nog te lijden schade.

2.3. In het kader van de onder 2.2 genoemde procedures hebben [verweerder] c.s. tevens incidentele vorderingen op grond van art. 843a Rv ingesteld en gevorderd dat HBU afschrift verschaft van een aantal gespecificeerde bescheiden uit de betreffende kredietdossiers over de periode mei 2003 tot medio juni 2003. Zij vorderden - kort gezegd - afschrift van:
- het cliŽntenprofiel;
- de inventarisatie van hun kredietwaardigheid;
- interne fiatteringsstukken;
- de schriftelijke uitwerking door HBU van met [verweerder] c.s. gevoerde (telefoon)gesprekken.
HBU heeft geweigerd de gevorderde bescheiden te verstrekken.
Bij incidentele vonnissen van respectievelijk 15 juni 2005 en 19 oktober 2005 heeft de rechtbank deze art. 843a Rv-vorderingen afgewezen.(7)

2.4. In februari 2005 hebben [verweerder] c.s. HBU verzocht hen op grond van art. 35 Wet bescherming persoonsgegevens (Wbp) schriftelijk te berichten of zij persoonsgegevens van [verweerder] c.s. had verwerkt en zo ja, om binnen vier weken een volledig overzicht daarvan te verstrekken dat in ieder geval dient te bevatten:
(i) het schriftelijke cliŽntenprofiel van [verweerder] c.s., waarin de gegevens met betrekking tot de financiŽle positie, beleggerservaring en beleggingsdoelstellingen van [verweerder] c.s. zijn opgenomen;
(ii) een schriftelijke inventarisatie van de kredietwaardigheid van [verweerder] c.s.;
(iii) de schriftelijke stukken die betrekking hebben op de interne fiattering van de door HBU aan [verweerder] c.s. verleende kredieten door de kredietcommissie en/of andere personen binnen HBU en/of haar moedermaatschappij ABN AMRO Bank NV;
(iv) de bandopnames van de gesprekken die HBU heeft gevoerd met betrekking tot de kredietverstrekking aan [verweerder] c.s.;
(v) een schriftelijke uitwerking van de mondelinge (intake)gesprekken en telefoongesprekken die door (medewerkers van) HBU met [verweerder] c.s. zijn gevoerd;
(vi) alle overige persoonsgegevens die HBU van [verweerder] c.s. heeft verwerkt.

2.5. Bij brieven van 24 februari 2005 en 10 maart 2005 is namens HBU geweigerd om aan het verzoek tot inzage in de door HBU verwerkte persoonsgegevens te voldoen met een beroep op art. 43 sub e Wbp, nu het verzoek tot inzage volgens HBU een 'fishing expedition' is waarmee op oneigenlijke wijze wordt geprobeerd de procespositie van [verweerder] c.s. in de bij de rechtbank Amsterdam aanhangige procedures te versterken. Volgens HBU strekt het inzageverzoek van [verweerder] c.s. er toe de aan toewijzing van de vordering ex art. 843a Rv verbonden voorwaarden en procesrechtelijke waarborgen te omzeilen, waardoor de procespositie van HBU onevenredig wordt benadeeld. Voorts is de weigering van HBU gebaseerd op het argument dat [verweerder] c.s. misbruik maken van hun bevoegdheid ex art. 35 Wbp, aangezien zij hun inzagerecht gebruiken voor een ander doel dan waarvoor het is verleend.

3. Procesverloop

3.1. Bij inleidend verzoekschrift, ingekomen ter griffie op 11 april 2005(8), hebben [verweerder] c.s. de rechtbank Rotterdam op de voet van art. 46 lid 1 Wbp verzocht om HBU, uitvoerbaar bij voorraad, te bevelen om een overzicht te verschaffen van de persoonsgegevens die zij van [verweerder] c.s. heeft verwerkt, waaronder in elk geval begrepen de hiervoor onder 2.4 (i) tot en met (vi) genoemde stukken/gegevensdragers, op straffe van verbeurte van een dwangsom van Ä 5.000 per dag of gedeelte daarvan dat HBU met de naleving hiervan in gebreke is.

3.2. HBU heeft haar hiervoor, onder 2.5, weergegeven verweren herhaald en daaraan de nieuwe verweren toegevoegd, voor zover thans nog van belang inhoudende dat zij alleen een volledig overzicht van de verwerkte persoonsgegevens zou hoeven te verstrekken, maar geen afschriften/kopieŽn van de door [verweerder] c.s. gevraagde stukken/gegevensdragers en dat [verweerder] c.s. geen recht hebben op de bandopnamen die mogelijk van telefoongesprekken met hen zijn gemaakt of op de schriftelijke uitwerkingen (transcripties) daarvan. Verder heeft HBU verweer gevoerd ten aanzien van de verzochte uitvoerbaarverklaring bij voorraad en ten aanzien van de hoogte van de gevraagde dwangsommen.(9)

3.3. Ter zitting van de rechtbank d.d. 12 augustus 2005 hebben partijen hun standpunten nader toegelicht. Blijkens het proces-verbaal van deze zitting heeft alleen mr. Van den Bergen, zijdens [verweerder] c.s., een pleitnota overgelegd.

3.4. Bij beschikking van 7 oktober 2005 heeft de rechtbank de onder 2.5 weergegeven verweren van HBU verworpen. Haar overige verweren heeft de rechtbank evenwel gehonoreerd. Bij die beschikking heeft de rechtbank - in de weergave van het hof - HBU bevolen om, binnen vier weken nadat de beschikking onherroepelijk is geworden, een schriftelijk overzicht als bedoeld in art. 35 lid 2 Wbp - maar niet (afschriften van) de stukken zelf(10) - aan [verweerder] c.s. te verstrekken van:
- de hiervoor, onder 2.4 (i) t/m (iii) bedoelde persoonsgegevens;
- de persoonsgegevens vermeld in tot (een van) [verweerder] c.s. herleidbare telefoonnotities en gespreksverslagen;
- de overige persoonsgegevens van [verweerder] c.s. voor zover HBU die heeft verwerkt;
op straffe van verbeurte door HBU van een dwangsom van Ä 250 aan ieder van [verweerder] c.s. per dag met een maximum van Ä 5.000 voor ieder van [verweerder] c.s.
De rechtbank heeft het verzoek van [verweerder] c.s. tot verstrekking van (een volledig overzicht van de persoonsgegevens op/in) bandopnamen van telefoongesprekken of de schriftelijke uitwerkingen daarvan afgewezen.(11)

3.5. HBU is van deze beschikking in hoger beroep gekomen bij het gerechtshof te 's-Gravenhage, onder aanvoering van vier grieven.

3.6. [Verweerder] c.s. hebben gemotiveerd verweer gevoerd. Tevens hebben zij voorwaardelijk incidenteel appel ingesteld, onder aanvoering van vijf grieven. HBU heeft gemotiveerd verweer gevoerd in het incidenteel appel.

3.7. Vervolgens hebben [verweerder] c.s. een akte houdende wijziging van eis genomen, waarin zij hun incidenteel appel een onvoorwaardelijk karakter hebben gegeven.

3.8. Op 23 mei 2006 heeft de mondelinge behandeling plaatsgevonden.

3.9. In zijn beschikking van 22 augustus 2006 oordeelde het hof dat de grieven in het principaal appel faalden. De door [verweerder] c.s. in het incidenteel appel aangevoerde grieven troffen daarentegen wťl grotendeels doel. Voor zover in cassatie van belang, overwoog het hof daartoe:

'26. Grief 1 van [verweerder] c.s. bestrijdt het oordeel van de rechtbank, dat HBU niet gehouden is om afschriften van de stukken i) t/m iii) en v)(12) aan hen af te geven, maar dat het verstrekken van een volledig overzicht door HBU voldoende is. [Verweerder] c.s. onderbouwen deze grief met de redenering dat het vereiste van een volledig overzicht in begrijpelijke vorm met zich kan brengen dat niet kan worden volstaan met een overzicht van de verwerkte persoonsgegevens en dat alsdan een afschrift dient te worden verstrekt van de stukken waarin de persoonsgegevens zijn verwerkt. HBU verzet zich tegen verstrekking van afschriften. Zij betwist evenwel niet dat de stukken i) t/m iii) en v) bestaan en dat zij die onder zich heeft.

27. Het hof is het met HBU eens dat de betrokkene niet zonder meer/altijd recht heeft op een afschrift en dat niet noodzakelijkerwijs een afschrift hoeft te worden gegeven. Artikel 35 Wbp bepaalt dat een volledig overzicht in begrijpelijke vorm van de verwerkte persoonsgegevens moet worden verstrekt, en niet mťťr. Dit neemt niet weg dat een afschrift in ieder geval zo'n volledig overzicht geeft en dat het daarom in beginsel voor de hand ligt om een afschrift te verstrekken. Met name een afschrift zal geschikt zijn om na te kunnen gaan of de verwerkte gegevens feitelijk onjuist zijn, of het doel waarvoor zij verwerkt worden niet ongeoorloofd is, of zij voor het doel of doeleinden van de verwerking onvolledig is, niet adequaat of niet ter zake dienend zijn of zij anderszins in strijd met een wettelijk voorschrift worden verwerkt (zie artikel 36 lid 1 Wbp). Dat de wetgever ook, of zelfs in het bijzonder, aan afschriften heeft gedacht blijkt uit artikel 3 van het Besluit kostenvergoeding rechten betrokkene Wbp van 13 juni 2001 (Stb. 305), waarin is voorzien in een kostenvergoeding aan de verantwoordelijke voor door hem gemaakte afschriften. Een verantwoordelijke weet bij uitstek, of moet bij uitstek weten, welke persoonsgegevens zij verwerkt, of laat verwerken, en hoe daarvan een volledig overzicht is te geven. Gelet verder op het transparantiebeginsel (zie rov. 14) zal de verantwoordelijke, die zich op een andere wijze dan door het verstrekken van afschriften van zijn verplichting tot het geven van een volledig overzicht wil kwijten derhalve, indien hierover discussie ontstaat, duidelijk moeten maken dat ook op die andere wijze daadwerkelijk een volledig overzicht wordt verschaft. Dit heeft HBU niet gedaan. Zij heeft in het geheel niet uiteengezet hoe zij het vereiste volledige overzicht in begrijpelijke vorm wil verschaffen zonder verstrekking van afschriften. Dit betekent dat er van uit moet worden gegaan dat in dit geval alleen door middel van afschriften een volledig overzicht kan worden verkregen. Grief 1 van [verweerder] c.s. treft dan ook doel.

Grief 2
28. Met hun tweede grief komen [verweerder] c.s. op tegen de afwijzing door de rechtbank van hun verzoek tot verstrekking van (een volledig overzicht van de persoonsgegevens op/in) de bandopnames en de schriftelijke uitwerkingen daarvan die HBU volgens [verweerder] c.s. heeft gemaakt van telefoongesprekken met betrekking tot de kredietverlening aan hen. De rechtbank is tot deze afwijzing gekomen op grond van de overweging dat deze gesprekken geen gestructureerd geheel vormen en niet zijn ontsloten op een wijze die deze onder het bestandbegrip van de Wbp brengt. Hierbij heeft de rechtbank uitdrukkelijk in het midden gelaten of geloof verdient de betwisting door HBU dat bandopnames van die gesprekken zijn gemaakt.

29. In hoger beroep heeft HBU volhard in deze betwisting, waarmee zij tevens betwist dat er schriftelijke uitwerkingen van bandopnames bestaan. [Verweerder] c.s. stellen dat er wel bandopnames van de telefoongesprekken en schriftelijke uitwerkingen daarvan zijn gemaakt. Wie op dit feitelijke punt het gelijk aan zijn zijde heeft, is op dit moment niet te beoordelen.

30. In hun artikel 35 Wbp-verzoek hebben [verweerder] c.s. HBU verzocht, ten eerste, om hen mede te delen of zij persoonsgegevens verwerkte (artikel 35 lid 1 Wbp) en zo ja, ten tweede, om daarvan een volledig overzicht te geven (artikel 35 lid 2 Wbp). Gelet op het feit dat daarbij specifiek is verzocht om bandopnames van telefoongesprekken en/of schriftelijke uitwerkingen daarvan, lag in het eerste verzoek, naar HBU heeft moeten begrijpen, besloten het verzoek om mede te delen of persoonsgegevens van [verweerder] c.s. in zulke gegevensdragers waren opgenomen/verwerkt. Het hof constateert dat HBU in haar brieven van 24 februari en 10 maart 2005 niet alleen het tweede verzoek niet heeft ingewilligd, maar evenmin het eerste verzoek. Zij heeft in die brieven niet vermeld dat zij geen bandopnames van de telefoongesprekken of schriftelijke uitwerkingen daarvan heeft gemaakt. Dit heeft HBU alleen in deze procedure aangevoerd.

31. In de onderhavige artikel 46 Wbp-procedure hebben [verweerder] c.s. hun verzoek weliswaar toegespitst op verkrijging van de bandopnames althans de schriftelijke uitwerkingen daarvan, maar daaruit kan niet worden afgeleid dat hun oorspronkelijke verzoek aan HBU, om hen mede te delen of zij op zulke gegevensdragers persoonsgegevens verwerkt, in deze procedure niet meer aan de orde is. Het hof licht dit als volgt toe. Het verzoek van [verweerder] c.s. om inzage in de bandopnames of schriftelijke uitwerkingen daarvan, impliceert dat in hun visie deze gegevensdragers bestaan. Dat weten zij echter niet zeker en HBU heeft hierover geen mededeling in de zin van artikel 35 Wbp gedaan. Volgens [verweerder] c.s. heeft HBU op dit punt een verzwaarde stelplicht (verweerschrift in het principaal appel tevens voorwaardelijk incidenteel appelschrift onder 159), hetgeen strookt met de regel van artikel 35 lid 1 Wbp, dat de verantwoordelijke de betrokkene op diens verzoek mededeelt of hem betreffende persoonsgegevens worden verwerkt ťn, bovenal, met de regel van artikel 12, aanhef en sub a, eerste gedachtestreepje, van de Richtlijn, dat de verantwoordelijke de betrokkene zelfs "uitsluitsel" moet geven omtrent het "al dan niet" bestaan van verwerkingen van hem betreffende persoonsgegevens, welke, aan het transparantiebeginsel uitdrukking gevende, regel bepalend is voor de uitleg van artikel 35 lid 1 Wbp. Verder voorzien de leden 1 en 2 van artikel 35 Wbp welbeschouwd slechts in ťťn verzoek, namelijk in het verzoek van lid 1. Ingevolge lid 2 is de verantwoordelijke verplicht om, indien hij heeft medegedeeld dat persoonsgegevens worden verwerkt, daarvan een volledig overzicht te geven, zonder dat daarvoor een afzonderlijk verzoek is vereist. Gelet op dit alles, in onderling verband en samenhang bezien, moeten de stellingen en verzoeken van [verweerder] c.s in deze procedure (tevens) worden opgevat als strekkende tot het alsnog verkrijgen, op de voet van artikel 35 lid 1 Wbp, van informatie van HBU over het bestaan van bandopnames en/of schriftelijke uitwerkingen, over het vůůrkomen daarop van persoonsgegevens betreffende [verweerder] c.s. en over de feitelijke wijze waarop deze gegevens zijn gestructureerd en toegankelijk zijn gemaakt. In aanmerking genomen dat, naar zojuist is overwogen, HBU "uitsluitsel" dient te geven omtrent het "al dan niet" bestaan van verwerkingen van [verweerder] c.s. betreffende persoonsgegevens en HBU tot dusverre niet genoegzaam heeft aangetoond dat geen bandopnames zijn gemaakt of nog bestaan, zal HBU een bevel hiertoe worden gegeven.

32. Beoordeeld dient nu nog te worden of, indien op bandopnames en/of schriftelijke uitwerkingen van telefoongesprekken onder de Wbp vallende persoonsgegevens worden verwerkt, HBU die banden en/of schriftelijke uitwerkingen dan aan [verweerder] c.s. dient te verstrekken, zoals [verweerder] c.s. verlangen. HBU meent dat zij hiertoe niet gehouden is omdat niet valt in te zien hoe een betrokkene een bandopname, die een historisch gegeven is, zou kunnen verbeteren of aanvullen zonder dat daarmee geweld wordt gedaan aan de oorspronkelijk inhoud daarvan. Zij wijst in dit verband op artikel 36 Wbp. Hiermee verliest HBU echter uit het oog dat ingevolge dit artikel de betrokkene ook kan verzoeken om verwijdering of afscherming van (de persoonsgegevens op) de bandopnames en dat haar argumentatie in het geheel niet opgaat voor schriftelijke uitwerkingen van bandopnames. De stelling van HBU dat de betrokkene voldoende moet hebben aan de mededeling dat van de door hem met de verwerker gevoerde telefoongesprekken notities/bandopnames zijn gemaakt, wordt door het hof evenmin onderschreven. In een telefoongesprek over kredietverlening komen doorgaans meerdere persoonsgegevens ter sprake - zoals gegevens over het vermogen van de cliŽnt, zijn gezinssituatie en zijn inkomen - en louter met de mededeling, dat een bepaald telefoongesprek is vastgelegd, verkrijgt de betrokkene dus geen volledig overzicht over de daarmee verwerkte persoonsgegevens. Nu HBU niet heeft aangegeven hoe anders dan door verstrekking van de bandopnames en/of schriftelijke uitwerkingen daarvan, een volledig overzicht van de daarin verwerkte persoonsgegevens kan worden verschaft, zal zij deze gegevensdragers dienen te verstrekken (zie ook rov. 27), tenminste wanneer deze bestaan en daarop persoonsgegevens worden verwerkt in de zin van de Wbp. Ook een hiertoe strekkend bevel zal aan HBU worden gegeven.'

Het hof heeft de beschikking van de rechtbank vervolgens vernietigd en - opnieuw rechtdoende - beslist dat:
- HBU, uiterlijk acht weken na betekening van 's hofs beschikking, aan (de desbetreffende persoon van) [verweerder] c.s. afschriften dient te verstrekken van:
- de schriftelijke cliŽntenprofielen van [verweerder] c.s., waarin de gegevens met betrekking tot de financiŽle positie, beleggingservaring en beleggingsdoelstellingen van [verweerder] c.s. zijn opgenomen,
- de schriftelijke inventarisaties van de kredietwaardigheid van [verweerder] c.s.,
- de schriftelijke stukken die betrekking hebben op de interne fiattering van de door HBU aan [verweerder] c.s. verleende kredieten door de kredietcommissie en/of andere personen binnen HBU en/of haar moedermaatschappij ABN AMRO Bank NV,
- de notities en verslagen van met [verweerder] c.s. gevoerde (intake-)gesprekken en telefoongesprekken,
- de stukken met alle overige persoonsgegevens die HBU van [verweerder] c.s. heeft verwerkt;
zulks onder vermelding van het doel of de doeleinden van de daarin voorkomende verwerkingen van persoonsgegevens van [verweerder] c.s., de ontvangers of categorieŽn ontvangers van de persoonsgegevens waarop de verwerkingen betrekking hebben, alsmede de herkomst van die gegevens.
Voorts heeft het hof HBU bevolen om, uiterlijk acht weken na betekening van 's hofs beschikking, schriftelijk aan [verweerder] c.s. mede te delen:
- of er bandopnames en/of schriftelijke uitwerkingen zijn gemaakt van telefoongesprekken met betrekking tot de door HBU aan [verweerder] c.s. verleende kredieten,
- zo ja, of deze gegevensdragers persoonsgegevens van [verweerder] c.s. bevatten,
- zo ja, op welke (feitelijke) wijze deze persoonsgegevens zijn gestructureerd en toegankelijk zijn gemaakt,
en om, indien bandopnames en/of schriftelijke uitwerkingen van zojuist bedoelde telefoongesprekken bestaan en daarop persoonsgegevens van [verweerder] c.s. worden verwerkt in de zin van de Wbp uiterlijk acht weken na betekening van 's hofs beschikking, kopieŽn/afschriften van die bandopnames en de schriftelijke uitwerkingen daarvan aan [verweerder] c.s. te verstrekken, alles gespecificeerd naar ieder van [verweerder] c.s. en onder vermelding van het doel of de doeleinden van de verwerkingen, de ontvangers of categorieŽn ontvangers van de persoonsgegevens waarop de verwerkingen betrekking hebben, alsmede de herkomst van die gegevens.
Het hof heeft HBU ook bevolen om, na acht weken na betekening van zijn beschikking, aan ieder van [verweerder] c.s. te betalen een dwangsom van Ä 1.000 voor elke dag dat HBU ten opzichte van een van [verweerder] c.s. niet of niet volledig voldoet aan bovengenoemde bevelen. Het hof heeft het bedrag waarboven, ten opzichte van ieder van [verweerder] c.s. afzonderlijk, geen dwangsom meer wordt verbeurd bepaald op Ä 50.000.
Het hof heeft HBU in de kosten van het hoger beroep veroordeeld en zijn beschikking ten aanzien van de eerder genoemde bevelen en veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad verklaard.(13)

3.10. HBU heeft tijdig(14) tegen 's hofs beschikking beroep in cassatie ingesteld. [verweerder] c.s. zijn, hoewel daartoe behoorlijk opgeroepen, in cassatie niet verschenen.

4. Inleidende beschouwingen

4.1. De hieronder in nrs. 4.2. t/m 4.39 volgende inleidende beschouwingen zijn merendeels letterlijk en in ieder geval zakelijk gelijkluidend aan die in mijn conclusies in de zaken met rekestnummer R06/045 en R06/046 en hebben dezelfde nummering, behoudens het volgende. De voor de onderhavige zaak in het geheel niet relevante nrs. 4.4-4.6, 4.32 en 4.33 keren hieronder niet terug, terwijl om dezelfde reden de nrs. 4.3 en 4.27 zijn ingekort. Daartegenover staat dat de onderstaande inleidende beschouwingen zijn aangevuld met nieuwe nummers 4.18a-4.18k, 4.20a, 4.23a, 4.38a en 4.39a-4.39b en een extra voetnoot aan het slot van nr. 4.24.(15)
Ik zal hierna, onder A, eerst aandacht besteden aan de Wet bescherming persoonsgegevens (Wbp), respectievelijk de (wetsgeschiedenis van de) Wbp-bepalingen die in deze zaak van belang zijn. Vervolgens ga ik onder B t/m H in op de reikwijdte en inhoud van het kennisnemingsrecht, mede aan de hand van het communautaire kader, de Gedragscode Verwerking Persoonsgegevens FinanciŽle Instellingen, het oordeel van het College Bescherming Persoonsgegevens (CBP) over de reactie van de Dexia Bank op de aan haar gerichte inzage-verzoeken, en op de rechtspraak en de literatuur.

A. Wet bescherming persoonsgegevens

4.2. De Wbp van 6 juli 2000(16) is de opvolger van de Wet Persoonsregistraties (WPR), die in 1989 in werking trad. Beide wetten strekken tot uitvoering van art. 10 lid 2 Grondwet ('De wet stelt regels ter bescherming van de persoonlijke levenssfeer in verband met het vastleggen en verstrekken van persoonsgegevens'). De nieuwe Wbp strekt mede tot uitvoering van de in 1995 totstandgekomen Richtlijn 95/46/EG(17) 'betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrij verkeer van die gegevens'.

4.3. Zoals ook de WPR reeds deed, kent de Wbp aan natuurlijke personen een aantal in die wet omschreven rechten toe, waaronder een recht van de aard als [verweerder] c.s. in deze procedure wensen in te roepen. En zoals ook de WPR reeds deed, heeft de Wbp daartoe een afzonderlijke rechtsgang geopend, een rechtsgang die [verweerder] c.s. in deze zaak gebruiken. In de Wbp is die rechtsgang geregeld in art. 45 (voor uitoefening van die rechten tegen bestuursorganen, onder verwijzing naar de Awb) en in art. 46. Artikel 46 betreft de rechtsgang tegen niet-bestuursorganen, zoals in deze zaak aan de orde is.(18)

4.4.-4.6. Vervallen.

B. Inzageverzoek ex art. 35 Wbp

4.7. Aan de onderhavige procedure ging een op art. 35 Wbp gebaseerd verzoek van [verweerder] c.s. aan HBU vooraf. Op grond van art. 35 lid 1 Wbp heeft een betrokkene (dat is degene op wie een persoonsgegeven betrekking heeft) het recht zich 'vrijelijk en met redelijke tussenpozen' tot de verantwoordelijke te wenden met het verzoek hem mede te delen of er hem betreffende persoonsgegevens worden verwerkt. Als er persoonsgegevens worden verwerkt, dient de verantwoordelijke binnen vier weken de volgende gegevens te verstrekken: (i) een volledig overzicht in begrijpelijke vorm van de betrokkene betreffende persoonsgegevens; (ii) een omschrijving van het doel of de doeleinden van de verwerking; (iii) de categorieŽn van gegevens waarop de verwerking betrekking heeft en de ontvangers of categorieŽn van ontvangers alsmede (iv) de beschikbare informatie over de herkomst van de gegevens. Dit inzagerecht ligt besloten in lid 2 van art. 35 Wbp.

4.8. Buiten kijf staat dat het inzagerecht is bedoeld om een betrokkene in staat te stellen na te gaan of hem betreffende gegevens worden verwerkt, en zo ja welke.
Hoewel begrijpelijkerwijs vaak - ook in de wetsgeschiedenis - een link gelegd wordt met andere rechten van de betrokkene, met name de in art. 36 Wbp geregelde correctie- en verwijderingsrechten, die een (voorafgaand) inzagerecht als het ware veronderstellen, meen ik dat het inzagerecht niet alleen met het oog dŠŠrop geldt. Het - in 1983 in Nederland in art. 10 lid 3 van de Grondwet neergelegde - inzagerecht diende ůůk om de betrokken personen tegemoet te komen in (persoonlijkheidsrechtelijke) gevoelens van onbehagen over datgene wat anderen (in de Wbp-terminologie thans: 'verantwoordelijken') omtrent het individu (wel of niet en meer of minder) vastleggen/verwerken. Niet voor niets spreekt art. 10 lid 3 Grondwet over 'aanspraken van personen op kennisneming van over hen vastgelegde gegevens en van het gebruik dat daarvan wordt gemaakt, alsmede op verbetering van die gegevens', en niťt over: 'aanspraken van personen op kennisneming [...] met het oog op verbetering van die gegevens'.(19) Bij de totstandkoming van de Wbp - die diende ter implementatie van Richtlijn 95/46/EG - is gewezen op het 'transparantiebeginsel' dat ten grondslag ligt aan deze wetgeving. Volgens dat uitgangspunt dient duidelijkheid te bestaan over de verwerking van de gegevens; een ieder dient in de gelegenheid te zijn om na te gaan waar gegevens over hem zijn vastgelegd en zijn verwerkt.(20)
Het inzagerecht dient dus ook om te verzekeren dat het individu reeds inzage moet kunnen krijgen om 'te weten wat anderen over je registreren', ook lůs van eventuele stappen van het individu tegen die registratie.
Daaraan doet m.i. niet af Richtlijnconsiderans 41, luidende:

'(41) Overwegende dat een ieder over het recht moet kunnen beschikken toegang te verkrijgen tot de gegevens die het voorwerp van een verwerking vormen en hemzelf betreffen, zodat hij zich van de juistheid en de rechtmatigheid van de verwerking ervan kan vergewissen. (...)'

Het woord 'zodat' is natuurlijk op zijn plaats in die zin dat toegang (inzage) de controle op de juistheid kan dienen, maar kan m.i. niet worden opgevat als een voorwaarde in de zin van 'uitsluitend opdat'. Dat considerans 41 niet in een zo beperkte zin moet worden opgevat, blijkt ook uit considerans 9, waar overwogen wordt 'dat de Lid-Staten er daarbij naar dienen te streven de momenteel door hun wetgeving geboden bescherming te verbeteren'.

4.9. Intussen zal - hoe dan ook - op een dusdanige manier inzage moeten worden verleend dat de betrokkene in staat is de wijze waarop zijn gegevens worden verwerkt te herkennen, te begrijpen, te controleren en - zonodig - aan te vechten.
Dat geeft een belangrijke indicatie voor het antwoord op de vraag wat onder een 'volledig overzicht in begrijpelijke vorm' (als bedoeld in art. 35 lid 2 Wbp) moet worden verstaan, en op de vraag of dit de betrokkene - zoals in de onderhavige zaak door [verweerder] c.s. wordt betoogd - bijvoorbeeld ook recht geeft op kopieŽn van documenten waarin persoonsgegevens zijn opgenomen.

4.10. De voorloper van art. 35 Wbp, art. 29 WPR, luidde (mijn cursiveringen):(21)

'1. De houder deelt een ieder op diens verzoek schriftelijk binnen vier weken mede of hem betreffende persoonsgegevens in de registratie zijn opgenomen.
2. Indien zodanige gegevens in de registratie zijn opgenomen, stelt de houder de verzoeker desverlangd binnen vier weken na ontvangst van het verzoek schriftelijk een volledig overzicht daarvan met inlichtingen over de herkomst ter beschikking.
(...)'

Bij de totstandkoming van dit artikel is de vraag, hoe uitgebreid op een inzageverzoek dient te worden gereageerd, aan de orde gekomen. De ministers van Justitie en Binnenlandse Zaken antwoordden op de vraag of de 'houder' bij een verzoek om kennisneming kan volstaan met globale informatie:

'Het eerste lid van artikel 29 schrijft slechts voor dat moet worden meegedeeld of gegevens over de verzoeker zijn opgenomen. Deze vraag kan worden beantwoord met een eenvoudig ja of nee. Het tweede lid bepaalt dat desgevraagd een volledig overzicht van de opgenomen persoonsgegevens ter beschikking moet worden gesteld. De houder kan dan niet volstaan met het verstrekken van globale informatie. Wel kan hij ingevolge artikel 36 hiervoor een kostenvergoeding verlangen. Tevens dient de houder desverlangd inlichtingen over de herkomst te geven. Omdat hier wordt gesproken over 'inlichtingen' in plaats van over een 'overzicht' kan in dit opzicht met globale informatie worden volstaan. De reden hiervan is dat niet van de houder kan worden verlangd in alle gevallen de herkomst van gegevens vast te leggen.'(22),(23)

4.11. Uit deze passage blijkt dat een houder van persoonsgegevens (in de huidige Wbp-terminologie: 'verantwoordelijke') dus niet kan volstaan met het verschaffen van 'globale informatie' in reactie op een inzageverzoek.
Naar mijn mening is - het bovenstaande nog iets verder uitwerkend - beslissend dat het individu/de betrokkene ten aanzien van de over hem zelf verwerkte persoonsgegevens als regel aanspraak heeft op wetenschap ten aanzien van 'hetzelfde' als hetgeen de verantwoordelijke over hem bewaart/verwerkt.(24) Tegen die achtergrond lijkt het mij dienstig om stil te staan bij de ontwikkeling van inmiddels meer 'ouderwetse' naar meer 'nieuwerwetse' bewaring en opslag van persoonsgegevens, en bij het ervaringsfeit dat daarbij - al lang, en nog heel lang - mengvormen kunnen voorkomen.

4.11.1. Ouderwets. Met (uiteraard) in het achterhoofd een langlopend contract als het onderhavige, kan ik mij voorstellen dat in de stukken uit de aanvangsfase, te weten een aanvraagformulier of intekeningsformulier in duplo van de kant van het individu/de betrokkene, en het tussen partijen gesloten, in schriftelijke vorm in duplo opgemaakte contract, sprake is van op klassieke/ouderwetse wijze opgemaakte documenten, die als zodanig door de verantwoordelijke worden bewaard, terwijl de verantwoordelijke ervan mag uitgaan dat de betrokkene die ook bewaart. Hetzelfde geldt voor op ouderwetse wijze aan de betrokkene per post toegezonden periodieke mutatie-overzichten, waaronder jaarlijkse, mede voor fiscale doeleinden toegezonden verstrekte geschriften. Wat dit een en ander betreft, kan het door de verantwoordelijke te verschaffen 'volledig overzicht' m.i. globaal zijn, in die zin dat het verwijst naar die stukken.
Maar ook in deze 'ouderwetse' context kan er sprake zijn van verdere geheel of gedeeltelijk geautomatiseerde verwerking van persoonsgegevens, alsmede niet geautomatiseerde verwerking van in een bestand opgenomen of op te nemen persoonsgegevens (vgl. art. 2 lid 1 Wbp). Omdat de betrokkene daaromtrent niet weet en niet geacht kan worden te weten wat de verantwoordelijke vastlegt/verwerkt, zal het 'volledige overzicht' in die zin zů volledig moeten zijn, dat het neerkomt op verschaffing van kopieŽn, of 'uitdraaien', voor zover de gegevens uitsluitend c.q. 'ťťn op ťťn' digitaal zijn vastgelegd.
Het ontgaat mij overigens waarom, wat deze gegevens betreft, het verschaffen van die kopieŽn/uitdraaien voor de verantwoordelijke bezwaarlijker zou zijn dan het verschaffen van een alternatief 'volledig overzicht': het eenvoudig verschaffen van het eerste bespaart immers personeelskosten bij een verwerkingsslag naar het laatste. En de (eenvoudige) kopie/papierkosten mogen ingevolge het wettelijk stelsel aan de betrokkene in rekening worden gebracht.(25)

4.11.2. Nieuwerwets. In een paperless environment - waarbij in de zin van de Wbp dus per definitie sprake is van een 'geautomatiseerde verwerking' - wordt elektronisch aangevraagd en gecontracteerd (of worden het schriftelijke aanvraagformulier en contract gedigitaliseerd 'ingescand'), en verlopen ook de vervolghandelingen elektronisch.
Zoals in de vorige subparagraaf al bleek, brengt de aanspraak op een 'volledig overzicht' dan m.i. een aanspraak mee op kopieŽn/uitdraaien: wat is/wordt er nu geregistreerd/verwerkt? Daar staat, naar reeds bleek, tegenover dat de verantwoordelijke ter compensatie van de kosten die hij maakt om aan een inzageverzoek tegemoet te komen een vergoeding van de betrokkene kan vragen. Dit impliceert ook dat de wetgever destijds rekening heeft gehouden met het feit dat een reactie op een inzageverzoek uitgebreid kan zijn (lees: een groot aantal pagina's kan omvatten).(26) Dat - inmiddels - menige internetgebruiker elektronisch toegang zal hebben tot (grote delen van) het over hem of haar door de verantwoordelijke aangehouden dossier, doet aan het vorenstaande niet af. Het gaat juist om degenen die niet van die internetfaciliteiten gebruik kunnen of willen maken, of daarop niet vertrouwen.

4.11.3. Tot de nieuwerwetse gegevensverzameling reken ik ook de elektronische vast-legging van communicatie per telefoon. Ik kan niet inzien waarom daarvoor iets anders dan het bovenstaande zou gelden. Dat geldt uiteraard in gevallen waarin die vastlegging aanstonds via naam of codering (door een verbinding met) de elektronische file van de betrokken persoon terugvindbaar is gemaakt.
Geldt het ook in gevallen waarin slechts per tijdseenheid tapes van telefoongesprekken worden gemaakt, en die tapes slechts per tijdseenheid, zonder enige nadere ingang op de 'bellers' (of 'gebelden') worden opgeslagen? Voor zover die casus realiteitsgehalte heeft, moet die vergeleken worden met bij een bank binnenkomende post (enkele kilo's per dag?), die door de bank nog wel geopend wordt, maar vervolgens slechts in volgorde van binnenkomst wordt bewaard. Het realiteitsgehalte daarvan komt mij niet groot voor.
Indien niettemin daarmee rekening gehouden moet worden, speelt bij de verantwoordelijke blijkbaar een gedachtegang in de volgende zin: het is duurder om de post/de telefoongesprekken nu op naam van de betrokkenen te 'filen' of te indexeren, dan dat het is om, als het er een keer werkelijk op aankomt, de poststapels resp. gesprekkentapes alsnog te doorzoeken. Kan de verantwoordelijke de elektronisch, en dus geautomatiseerd verwerkte telefoongesprekken - die als regel uiteraard persoonsgegevens zullen bevatten(27) - aldus buiten de werkingssfeer van de Wbp plaatsen? Ik meen dat uit art. 2 lid 1 in verbinding met art. 1 sub c Wbp het tegendeel blijkt. Bij de bespreking van het middel kom ik in nr. 5.26 e.v. hierop terug.

C. Gedragscode Verwerking persoonsgegevens FinanciŽle Instellingen

4.12. Ik wijs vervolgens op de Gedragscode Verwerking Persoonsgegevens FinanciŽle Instellingen, opgesteld op de voet van art. 25 Wbp.

4.13. Evenals voorheen de WPR, stimuleert de Wbp (nadere) zelfregulering en/of sanctionering door middel van 'gedragscodes'. Het systeem van art. 25 Wbp komt erop neer dat (representatieve, zie lid 3) branche-organisaties kunnen overgaan tot nadere invulling van de in de Wbp neergelegde (relatief vagere) normen en/of in een vorm van alternatieve geschillenbeslechting. Zo'n (concept-)gedragscode kan ter beoordeling worden voorgelegd aan het College Bescherming Persoonsgegevens (CBP), met het verzoek dat dit College - na toetsing aan in art. 25 aangegeven criteria - verklaart dat de code 'een juiste uitwerking van de wet of van andere wettelijke bepalingen betreffende de verwerking van persoonsgegevens vormt', respectievelijk, wat de geschillenbeslechting betreft, 'voorziet in waarborgen met betrekking tot de onafhankelijkheid'.
De status van de gedragscode is niet verder wettelijk geregeld, dan dat een beslissing van het CBP op het verzoek geldt als een besluit in de zin van de Awb; op de voorbereiding is afd. 3.4 van die wet van toepassing (art. 25 lid 4 Wbp).
Het is m.i. niet nodig hier diep in te gaan op de - tussen partijen in cassatie niet aan de orde gestelde, en voor zover ik zie in de literatuur nog niet of amper belichte vragen - naar de status van een gedragscode die de in art. 25 Wbp bedoelde verklaring van het CBP heeft verkregen. Vooralsnog houd ik het erop dat zo'n gedragscode louter aan de verklaring van het CBP niet de status van 'recht' in de zin van art. 79 RO ontleent, en ook niet 'formele rechtskracht' jegens diegenen die in de (summiere) voorbereidingsprocedure op de voet van art. 3.4 Awb niet van bezwaren hebben doen blijken.
De rechter is m.i. niet gebonden aan hetgeen de betrokken branche qua interpretatie van de Wbp in de gedragscode heeft neergelegd, ook niet na de - instemmende - verklaring van het CBP ingevolge art. 25 lid 1 Wbp. Wťl levert een beroep daarop allicht een 'gezichtspunt', resp. een 'essentiŽle stelling' op, waarover de rechter een oordeel dient te geven. Bij de interpretatie van de gedragscode ligt de methode van de zgn. CAO-norm in de rede. (28)

4.14. Wat in deze statusdiagnose verder op te merken valt, is dat een 'verantwoordelijke' die in zijn contractuele betrekking met een cliŽnt naar een gedragscode verwijst, daaraan contractueel gehouden kan worden, ook als zijn verplichtingen daarmee verder zouden gaan dan uit de Wbp zelf zou voortvloeien. Het omgekeerde stuit m.i. af op het gegeven dat de bepalingen van de Wbp naar hun aard in die zin dwingend zijn dat daarvan niet ten nadele van de 'betrokkene' (de geregistreerde persoon) kan worden afgeweken.(29)
Is er louter sprake van deel uitmaken van de branche, en niet van directe of indirecte expliciete onderschrijving van de gedragscode, dan heeft de branchegenoot die de Wbp beperkter interpreteert allicht de schijn tegen, met name als het gaat om de invulling van de vage normen daarvan (zoals bijv. 'bezwaarlijkheid' van het voldoen aan de wettelijke regeling).

4.15. Terzijde merk ik nog op dat het CBP tijdens de periode dat zijn verklaring ex art. 25 lid 1 Wbp werkzaam is (max. 5 jaar, zie art. 25 lid 5), in het kader van zijn eigen toezichthoudende (art. 51 e.v.) Wbp en sanctionerende taak (art. 65 e.v. Wbp) niet op de door hem afgegeven verklaring kan terugkomen, en daaraan in zoverre dus gebonden is. In zoverre kan tegenover de betrokken branche van een 'comfort letter' gesproken worden.

4.16. Aldus mijn gezichtspunten ten deze.

4.17. De onderhavige Gedragscode Verwerking Persoonsgegevens FinanciŽle Instellingen (hierna: 'de Gedragscode')(30) is op de voet van art. 25 Wbp opgesteld door de Nederlandse Vereniging van Banken en het Verbond van Verzekeraars en geeft een nadere invulling aan de bepalingen van de Wbp.(31) Zo bepaalt art. 7.1.1 van de Gedragscode (mijn cursivering):

'Een betrokkene is gerechtigd een FinanciŽle instelling schriftelijk een overzicht te vragen van de hem of haar betreffende Persoonsgegevens die door die FinanciŽle instelling worden verwerkt. De FinanciŽle instelling zal, behoudens in de genoemde uitzonderingsgevallen in de WBP, de Betrokkene binnen vier weken na de datum van het verzoek een overzicht van de Persoonsgegevens doen toekomen. (...)'

In de toelichting op deze bepaling wordt opgemerkt:

'Het recht kennis te nemen van de eigen gegevens is een algemeen erkend recht dat slechts in uitzonderingssituaties vervalt. Naast de eigen gegevens dient de Betrokkene bij een verzoek ook op de hoogte te worden gesteld van het doel van de verwerking, de categorieŽn van gegevens waarop de verwerking betrekking heeft, de ontvangers of categorieŽn van ontvangers en de beschikbare informatie over de herkomst van de gegevens.'

4.18. Andere voor de beoordeling van de onderhavige zaak van belang zijnde bepalin-gen in de Gedragscode betreffen de bepalingen die voorschriften bevatten met betrekking tot het opnemen van telefoongesprekken. [Verweerder] c.s. vorderden in casu immers ook (een volledig overzicht van) de bandopnamen van de tussen hen en HBU gevoerde telefoongesprekken alsmede de schriftelijke uitwerking van dergelijke telefoongesprekken en mondelinge (intake-)gesprekken.
Ten aanzien van het opnemen van telefoongesprekken bepaalt art. 8.5 van de Gedragscode:

'8.5.1 Behoudens ten behoeve van het gebruik voor trainings-, coachings- en beoordelingsdoeleinden worden telefoongesprekken slechts opgenomen:
a. ter verificatie en onderzoek naar of ten bewijze van opdrachten, transacties en andere (precontractuele) afspraken met de CliŽnt;
b. indien dat noodzakelijk is ter bestrijding van frauduleuze of andere strafbare gedragingen gericht tegen de FinanciŽle instelling, de Groep waartoe de FinanciŽle instelling behoort dan wel CliŽnten en medewerkers;
c. indien daartoe een voorschrift is gegevens krachtens de wet.
(...)
8.5.3 De opgenomen telefoongesprekken en andere Persoonsgegevens betreffende de opgenomen telefoongesprekken worden zodanig bewaard en beveiligd dat deze niet toegankelijk zijn voor onbevoegden. Technische en organisatorische voorzieningen worden getroffen om manipulatie van de gegevens te voorkomen en om deze gegevens zonodig te kunnen traceren en reconstrueren.
8.5.4.De opgenomen telefoongesprekken worden niet langer bewaard dan noodzakelijk is voor de in artikel 8.5.1 genoemde doeleinden.
8.5.5 Een CliŽnt heeft bij interpretatieverschillen of onenigheden met betrekking tot de inhoud van de opgenomen telefoongesprekken het recht het opgenomen telefoongesprek te beluisteren en/of een transcriptie van het opgenomen telefoongesprek te verkrijgen.'

Ik kom op de bepalingen van de Gedragscode hierna in nrs. 4.35 en 5.27 nog terug.

C.a. Communautair kader

4.18a. Zoals onder 1.6 vermeld, heeft HBU zich in cassatie nadrukkelijk erop beroepen heeft dat de toepassing die het hof aan art. 35 Wbp gegeven heeft in strijd zou zijn met art. 12 sub a (tweede streepje) van Richtlijn 95/46/EG. Volgens HBU is in de Richtlijn ten deze sprake van maximumharmonisatie. Dit geeft mij aanleiding tot een nadere beschouwing.(32)

4.18b. Aan de steller van het middel kan worden toegegeven dat Richtlijn 95/46/EG geen pure minimumrichtlijn is. Het cassatieverzoekschrift wijst in de toelichting onder 4 (p. 11) terecht op een passage in de considerans sub 8. Ik zal de tekst hieronder volledig citeren, evenals de considerans sub 9:

'(8) Overwegende dat, teneinde de belemmeringen voor het verkeer van persoonsgegevens op te heffen, het niveau van de bescherming van de rechten en vrijheden van personen op het stuk van de verwerking van deze gegevens in alle Lid-Staten gelijkwaardig moet zijn; dat dit doel, dat voor de interne markt van fundamenteel belang is, niet kan worden bereikt door een optreden van de Lid-Staten alleen, gezien met name de omvang van de bestaande divergenties tussen de geldende nationale wettelijke regelingen ter zake en de noodzaak om de wetgevingen van de Lid-Staten op elkaar af te stemmen teneinde voor de grensoverschrijdende stromen van persoonsgegevens tot een samenhangende reglementering te komen die in overeenstemming is met de doelstelling van de interne markt in de zin van artikel 7 A van het Verdrag; dat een optreden van de Gemeenschap in de vorm van een onderlinge aanpassing van de wetgevingen derhalve noodzakelijk is;

(9) Overwegende dat de Lid-Staten, wegens de gelijkwaardige bescherming die voortvloeit uit de onderlinge aanpassing van de nationale wetgevingen, het vrije verkeer van persoonsgegevens tussen de Lid-Staten niet langer mogen belemmeren om redenen in verband met de bescherming van de rechten en vrijheden van natuurlijke personen, met name het recht op persoonlijke levenssfeer; dat aan de Lid-Staten een zekere vrijheid wordt gelaten die binnen het kader van de tenuitvoerlegging van de richtlijn kan worden gebruikt door de economische en sociale partners; dat zij derhalve in hun nationale recht kunnen bepalen onder welke algemene voorwaarden de verwerkingen rechtmatig zijn; dat de Lid-Staten er daarbij naar dienen te streven de momenteel door hun wetgeving geboden bescherming te verbeteren; dat zich binnen de grenzen van deze vrijheid, overeenkomstig het Gemeenschapsrecht, ongelijkheden kunnen voordoen bij de tenuitvoerlegging van de richtlijn hetgeen gevolgen kan hebben voor het gegevensverkeer binnen een Lid-Staat en in de Gemeenschap;'.

4.18c. Beide overwegingen maken duidelijk dat - inderdaad - geen sprake is van pure minimumharmonisatie. Zij maken echter evenzeer duidelijk dat er ook geen sprake is van een maximumharmonisatie. Ik wijs in dit verband met name op
- de strofe (sub 8) dat 'het niveau van de bescherming (...) in alle Lid-Staten gelijkwaardig moet zijn', en ik vestig de aandacht op het woord 'gelijkwaardig', wat iets anders is dan 'gelijk';
- de herhaling van 'gelijkwaardig' sub 9;
- de strofe (sub 9) 'dat aan de Lid-Staten een zekere vrijheid wordt gelaten die binnen het kader van de tenuitvoerlegging van de richtlijn kan worden gebruikt door de economische en sociale partners; dat zij derhalve in hun nationale recht kunnen bepalen onder welke algemene voorwaarden de verwerkingen rechtmatig zijn';
- de strofe (sub 9) 'dat de Lid-Staten er daarbij naar dienen te streven de momenteel door hun wetgeving geboden bescherming te verbeteren', hetgeen bepaald niet wijst op een verplichting om terug te gaan naar het minimum van de Richtlijn, daar waar een lidstaat voorheen al een verdergaande bescherming bood;
- en de slotstrofe (sub 9) 'dat zich binnen de grenzen van deze vrijheid, overeenkomstig het Gemeenschapsrecht, ongelijkheden kunnen voordoen bij de tenuitvoerlegging van de richtlijn hetgeen gevolgen kan hebben voor het gegevensverkeer binnen een Lid-Staat en in de Gemeenschap', waarmee het blijven vůůrkomen van zekere verschillen in beschermingsniveau tussen de lidstaten dus voor lief genomen wordt.

4.18d. Het voorgaande vindt bevestiging in de MvT bij het Wbp-wetsvoorstel:

'Het onderhavige voorstel voor een nieuwe Wet bescherming persoonsgegevens (verder te noemen WBP) strekt tot de implementatie van de richtlijn. Zoals opgemerkt leidt de richtlijn niet tot een volledige harmonisatie van de privacywetgeving, maar biedt zij een zekere bandbreedte: er is een zeker minimum en een maximum dat niet mag worden overschreden. Binnen dit kader zijn de Lid-Staten vrij hun wetgeving in te richten.'(33)

Ik verwijs in dit verband tevens naar het commentaar op Richtlijn 95/46/EG van L.F.M. Verhey in NJCM-Bulletin 1997, p. 239 e.v. Op p. 241 lezen wij:

'Voorts is van belang dat de Richtlijn niet strekt tot volledige harmonisatie van de privacywetgeving. Van meet af aan was duidelijk dat volledige harmonisatie in dit stadium mogelijk, noch wenselijk is. Dat betekent dat de Richtlijn een zekere ruimte biedt. In dat verband kan worden gesproken over een bandbreedte: er is een minimum en een maximum dat niet door de nationale wetgever mag worden overschreden. Binnen die bandbreedte zijn de Lidstaten vrij hun wetgeving in te richten naar eigen goeddunken. Een belangrijke restrictie van deze vrijheid wordt gevormd door artikel 5 van de Richtlijn. Dit artikel verplicht de Lidstaten tot precisering van de bepalingen van hoofdstuk II van de Richtlijn, waarin de belangrijkste voorschriften betreffende de rechtmatigheid van de gegevensverwerking zijn opgenomen. De Richtlijn is dus primair een kaderrichtlijn: in belangrijke mate zal nog nadere invulling op nationaal niveau moeten plaatsvinden.'

4.18e. Al het bovenstaande duidt op een bandbreedte, waarbij de nationale wetgever enerzijds bepaalde minima ten behoeve van de bescherming van het individu niet mag veronachtzamen, en waarbij anderzijds de bescherming van het individu door de nationale wetgever niet zů ver mag gaan dat daardoor het grensoverschrijdende gegevensverkeer te zeer zou worden belemmerd.
Dit laatste zou zich met name voordoen indien Staat X voor de vraag of persoonsgegevens naar andere Staten mogen worden doorgegeven of daaruit mogen worden 'geÔmporteerd', zijn eigen (hoge) beschermingsniveau als maatstaf zou opleggen aan die andere Staten, of ten minste een (naar het oordeel van Staat X) 'passend beschermingsniveau' zou verlangen. Een Staat als Nederland deed iets dergelijks in art. 47 van de (oude) Wet bescherming persoonsgegevens, en doet dat nog steeds in art. 76 van de huidige Wbp, maar nu alleen met betrekking tot landen buiten de Europese Unie. Naar landen bŪnnen de Europese Unie kan dit dus niet meer, omdat die geacht worden aan het door Richtlijn 95/46/EG aangegeven minimum (van met name hst. II, artikelen 5-21) te voldoen. In zoverre kan men ook spreken van een (door art. 1 lid 2 van de richtlijn bevestigd) 'country of origin'-principe.
Maar dat verbiedt een EU-lidstaat (Nederland of een ander) dus niet om op eigen bodem verdergaande bescherming aan individuen te bieden, met hoogstens een voorbehoud voor het geval daardoor aantoonbaar tůch het intracommunautaire gegevensverkeer te zeer belemmerd zou worden.

4.18f. M.i. stuiten reeds op het voorgaande af de stellingen van HBU dat art. 35 Wbp communautairrechtelijk niet een uitleg of toepassing zou verdragen als die welke het Haagse hof in de bestreden beschikking daaraan gegeven heeft.
Daar komt nog het volgende bij.

4.18g. Het cassatieverzoekschrift citeert in nrs. 1 en 2 van de toelichting (op pp. 10-11)
- het kopje van afdeling V van hoofdstuk II van de Richtlijn, luidende: 'Recht van de betrokkene op toegang tot de gegevens', alsmede
- de tekst van art. 12 sub a van de Richtlijn, voor zover hier van belang(34) (achter het tweede streepje) luidende: [recht op] 'verstrekking, in begrijpelijke vorm, van de gegevens die zijn verwerkt, alsmede de beschikbare informatie over de oorsprong van de gegevens', alsmede
- de tekst van de considerans sub (41), luidende: 'Overwegende dat een ieder over het recht moet kunnen beschikken toegang te verkrijgen tot de gegevens die het voorwerp van een verwerking vormen en hemzelf betreffen, zodat hij zich van de juistheid en de rechtmatigheid van de verwerking ervan kan vergewissen (...)'.
Het cassatieverzoekschrift stelt t.a.p. dat uit een en ander 'duidelijk blijkt' dat het toegangsrecht van de betrokkene ziet op gegevens die hemzelf betreffen, en niet op gegevensdragers. Nergens in de totstandkomingsgeschiedenis van de Richtlijn zou blijken dat een ruimere betekenis van art. 12 onder a, tweede streepje voor ogen zou hebben gestaan.

4.18h. Deze stelling gaat niet op, om verschillende redenen.
In de eerste plaats veronderstellen de woorden 'verstrekking (...) van de gegevens' in art. 12 onder a, tweede streepje van de Richtlijn, mede in het licht van het transparantiebeginsel (vgl. 4.8) m.i. dat per saldo toegang tot een gegevensdrager moet worden gegeven.
Ik signaleer terzijde de vraag of volstaan zou kunnen worden met het bieden van inzage (ter plaatse, dan wel via een terminal elders) in plaats van verstrekking van een fysiek document (per post, of via internet, door middel van een downloadbaar/printbaar document). Die vraag laat zich onder omstandigheden stellen, maar niťt in de onderhavige zaak, waarin dŪt aspect in het geheel niet aan de orde was.
In de tweede plaats wordt miskend dat (ook) art. 35 lid 2 Wbp, sprekend over een 'mededeling' die 'een volledig overzicht' van de bewerkte persoonsgegevens 'bevat', klaarblijkelijk het oog heeft op toegang tot een gegevensdrager. Uit hetgeen ik hiervoor (nrs. 4.18c-4.18e) heb opgemerkt vloeit voort dat, zelfs indien art. 12 onder a, tweede streepje van de Richtlijn niet hiervan zou uitgaan, de Nederlandse wetgever toch een zodanig voorschrift mag geven.
In de derde plaats valt op dat het middel (overigens terecht, zie hierboven) niťt aan de orde stelt dat de Nederlandse wetgever met de eis van 'mededeling' die 'een volledig overzicht' van de bewerkte persoonsgegevens 'bevat', de grenzen van art. 12 onder a, tweede streepje van de Richtlijn te buiten zou zijn gegaan, met het argument dat
ie Richtlijnbepaling slechts zou spreken over 'verstrekking, in begrijpelijke vorm, van de gegevens die zijn verwerkt'.

4.18i. Het argument in nr. 5 (op p. 12) van het cassatieverzoekschrift, dat in art. 12 sub a, achter het eerste streepje de term 'ten minste' voorkomt, anders dan achter het tweede streepje, en dat daarom ervan uitgegaan mag worden dat die bepaling een maximumharmonisatie inhoudt, gaat ook niet op. Afgezien van hetgeen hierboven uiteengezet is over de 'bandbreedte' van de Richtlijn ten aanzien van nadere bepaling van het beschermingsniveau, verliest dit argument het volgende uit het oog.
In art. 12 onder a, eerste streepje gaat het over 'uitsluitsel omtrent het al dan niet bestaan van verwerkingen van hem betreffende gegevens, alsmede ten minste (mijn curs., A-G) informatie over de doeleinden van deze verwerkingen, de categorieŽn gegevens waarop deze verwerkingen betrekking hebben en de ontvangers of categorieŽn ontvangers aan wie de gegevens worden verstrekt'. Hetgeen achter ten minste is vermeld, betreft inhoudelijke informatiecomponenten waarover de verantwoordelijke uitsluitsel moet geven. Wat dat betreft wordt een minimum vermeld, met - zo meent ook HBU - de bevoegdheid voor nationale wetgevers om verder te gaan. Over de vorm waarin die informatie zou moeten worden verstrekt laat art. 12 onder a, eerste streepje zich niet uit, en de term 'ten minste' slaat dus dŠŠr in elk geval niet op. Het middel bepleit - terecht - evenwel niet dat de nationale wetgever ten aanzien van dit laatste geen nadere voorschriften zou mogen geven.
In art. 12 onder a, tweede streepje gaat het 'tout court' over verstrekking, in begrijpelijke vorm, van de gegevens die zijn verwerkt, alsmede de beschikbare informatie over de oorsprong van de gegevens. Net zomin als art. 12 onder a, eerste streepje iets zegt over de vorm waarin die informatie zou moeten worden verstrekt, en net zomin als die bepaling aan nadere nationale regelgeving ten deze in de weg staat, geldt dat voor art. 12 onder a, tweede streepje.

4.18j. De stellingen in de toelichting onder nrs. 6 en 7 (op p. 12) van het verzoekschrift tot cassatie, die erop neerkomen dat niet blijkt dat de Nederlandse wetgever bij de implementatie van Richtlijn 95/46/EG heeft willen afwijken van art. 12 onder a, tweede streepje, snijden dus evenmin hout.
In de eerste plaats stond het de Nederlandse wetgever vrij om (in elk geval binnen zekere, hier niet overschreden grenzen(35)) in art. 35 Wbp nader vorm te geven aan het voorschrift van art. 12 onder a, tweede streepje.
In de tweede plaats hťťft de Nederlandse wetgever dat (in HBU's impliciete optiek) reeds gedaan, door de eis van 'mededeling' die 'een volledig overzicht' van de bewerkte persoonsgegevens 'bevat'. De eis van een 'volledig overzicht' kwam in de voorloper van de Wbp, de WPR al voor, en is in de Wbp in het kader van de implementatie van Richtlijn 95/46/EG uitdrukkelijk gehandhaafd(36).
Terecht wordt niet geklaagd dat de Nederlandse wetgever door de eis van een 'volledig overzicht' de grenzen van art. 12 onder a, tweede streepje van de Richtlijn te buiten zou zijn gegaan.
Van enige door de Europese Commissie - ten deze of in vergelijkbare gevallen - ondernomen infractieprocedure wegens onjuiste implementatie is niets bekend.(37)

4.18k. De hier besproken ruimte voor implementatie van Richtlijn 95/46/EG, en het niet treden buiten die grenzen door de Nederlandse wetgever respectievelijk door het hof, komen m.i. in aanmerking voor de kwalificatie 'acte clair'

D. Buitenlandse wetgeving

4.19. Niettegenstaande de hierboven besproken communautaire 'bandbreedte', lijkt het mij dienstig om te bezien hoe art. 12, onder a, van de Richtlijn in enige andere landen is geÔmplementeerd.

4.20. De Belgische 'wet tot bescherming van de persoonlijke levenssfeer ten opzichte van de verwerking van persoonsgegevens' geeft de betrokkene in art. 10 sub b recht op 'verstrekking in begrijpelijke vorm van de gegevens zelf die worden verwerkt, alsmede alle beschikbare informatie over de oorsprong van die gegevens.'(38)

4.20a. In zijn commentaar op de Belgische wet merkt De Bot op dat het recht op mededeling in de zin van art. 10 van die wet niet gelijk is te stellen met een recht op kopie of een recht om mee te kijken op het computerscherm. Het is volgens hem voldoende om de gegevens aan de betrokkene - bij voorkeur, maar niet noodzakelijk - in schriftelijke vorm mee te delen.(39)

4.21. De Britse Data Protection Act 1998 bepaalt in art. 7 sub c dat individuen het recht hebben 'to have communicated to him in an intelligible form (i) the information constituting any personal data of which that individual is the data subject and (ii) any information available to the data controller as to the source of those data.'(40)
Het Court of Appeal voor Engeland en Wales heeft zich in de zaak Durant v. Financial Service Authority uitgelaten over het inzagerecht onder de Data Protection Act.(41) In de rov. 26 en 27 van die uitspraak gaat het Court of Appeal in op de reikwijdte van het inzagerecht:

'26. The intention of the Directive, faithfully reproduced in the Act, is to enable an individual tot obtain a data controller's filing system, whether computerised of manual, his personal data, that is, information about himself. It is not an entitlement to be provided with original or copy documents as such, but, as section 7 (1)(c)(i) and 8(2) provide, with information constituting personal data in intelligible and permanent form. This may be in documentary form prepared for the purpose and/or where it is convenient in the form of copies of original documents redacted if necessary to remove matters that do not constitute personal data (and/or to protect the interests of other individuals under section 7(4) and (5) of the Act).

27. In conformity with the 1981 Convention and the Directive, the purpose of section 7, in entitling an individual to have access to information in the form of his 'personal data' is to enable him to check whether the data controller's processing of it unlawfully infringes his privacy and, if so, to take such steps as the Act provides, for example in sections 10 to 14, to protect it. It is not an automatic key to any information, readily accessible or not, of matters in which he may be named or involved. Nor is to assist him, for example, to obtain discovery of documents that may assist him in litigation or complaints against third parties. As a matter of practicality and given the focus of the Act on ready accessibility of the information - whether from a computerised or comparably sophisticated non-computerised system - it is likely in most cases that only information that names or directly refers to him will qualify. In this respect, a narrow interpretation of 'personal data' goes hand in hand with a narrow meaning of 'a relevant filing system', and for the same reasons (...). But ready accessibility, though important, is not the starting point.'

Volgens het Court of Appeal geeft het inzagerecht als zodanig dus geen recht op originele documenten of kopieŽn daarvan.

4.22. Het Duitse Bundesdatenschutzgesetz bepaalt in paragraaf 34 onder (i): 'Der Betroffene kann Auskunft verlangen Łber( 1) die zu seiner Person gespeicherten Daten, auch soweit sie sich auf die Herkunft dieser Daten beziehen, (2) Empfšnger oder Kategorien van Empfšngern, an die Daten weitergegeben werden, und (3) den Zweck der Speicherung.'(42)

4.23. In de Franse Loi relative ŗ l'informatique, aux fichiers et aux libertťs(43) geeft art. 39 sub 4 recht op 'La communication, sous une forme accessible, des donnťes ŗ caractŤre personnel qui la concernent ainsi que de toute information disponible quant ŗ l'origine de celles-ci.' De toelichting op art. 39 vermeldt:(44)

'Une copie des donnťes ŗ caractŤre personnel est dťlivrťe ŗ l'interessť ŗ sa demande. Le responsible du traitement peut subordonner la dťlivrance de cette copie au paiement d'une somme qui ne peut excťder le coŻt de la reproduction.'

Deze toelichting doet vermoeden dat de betrokkene volgens de Franse wetgever ook recht heeft op kopieŽn van de gegevensdragers waarin de persoonsgegevens zijn verwerkt.

4.23a. Volgens de Franse zuster van het College Bescherming persoonsgegevens, de Commission nationale de l'informatique et des libertťs (CNIL), rust er op de verantwoordelijke echter geen verplichting om kopieŽn van documenten te verstrekken. Haar website vermeldt hierover het volgende:

'What are the implications of rights of access, rectification and opposition?
(...)
When exercising his or her right of access, the individual should secure "the confirmation that his or her personal data are or are not the subject of the processing" and "the disclosure", in an accessible form, of his or her personal data as well as any information available as to the source thereof."

Answering to a request for access is done commonly in the form of a copy of documents on which the relevant personal data are mentioned. However, the CNIL acknowledges that a request for access is validly answered to by providing a mere transcript of the data mentioned on such documents, without necessarily communicating a copy of the documents themselves."(45)

Uit dit citaat blijkt echter tevens dat er in Frankrijk naar aanleiding van een inzageverzoek in de regel kopieŽn worden verschaft van de gegevensdragers waarin de persoonsgegevens zijn verwerkt.

4.24. De Spaanse wetgever lijkt ervan uit te zijn gegaan dat de betrokkene een recht heeft op kopieŽn van de gegevensdragers waarin de persoonsgegevens zijn verwerkt. Dit leid ik af uit de implementatie van art. 12 van de Richtlijn in art. 15 van de Spaanse wet; meer in het bijzonder de vermelding van alternatieve vormen van kennisneming in lid 2:

'1. El interesado tendrŠ derecho a solicitar y obtener gratuitamente informaciůn de sus datos de carŠcter personal sometidos a tratamiento, el origen de dichos datos, asŪ como las comunicaciones realizadas o que se prevťn hacer de los mismos.
2. La informaciůn podrŠ obtenerse mediante la mera consulta de los datos por medio de su visualizaciůn, o la indicaciůn de los datos que son objeto de tratamiento mediante escrito, copia, telecopia o fotocopia, certificado o no, en forma legible e intelegible, sin utilizar claves o cůdigos que requieran el uso de dispositivos mecŠnicos especificos.
(...)'(46)

Ik geef hier ook de (onofficiŽle) Engelse vertaling weer:

'1. The data subject shall have the right to request and obtain free of charge information on his personal data subjected to processing, on the origin of such data and on their communication or intended communication.
2. The information may be obtained by simply displaying the data for consultation or by indicating the data subjected to processing in writing, or in a copy, fax or photocopy, whether certified a true copy or not, in legible and intelligible form, and without using keys or codes which require the use of specific devices.
(...)'

De Spaanse wet spreekt, zoals hierboven blijkt, niet over een optie voor de verantwoordelijke om de data te verstrekken in de vorm van kopieŽn (naast een alternatief als loutere inzage), maar over een recht van de betrokkene op het verkrijgen ('obtener'; 'obtain') van de data in de vorm van kopieŽn, als de betrokkene dat wenst.(47)

E. De weigeringsgrond in art. 43 sub e Wbp

4.25. HBU heeft zich in de onderhavige procedure in eerste instantie en in hoger beroep - maar in cassatie niet meer - op het standpunt gesteld dat de kennisnemingsverzoeken van [verweerder] c.s. neerkomen op een 'fishing expedition', waarmee zij op oneigenlijke wijze proberen hun procespositie in de bij de rechtbank Amsterdam aanhangige procedures te versterken. Daarom zou zij op grond van art. 43 sub e Wbp niet gehouden zijn aan de verzoeken te voldoen. Hoewel in deze zaak R06/163 niet rechtstreeks aan de orde, merk ik over deze bepaling toch het volgende op.
Op grond van art. 43 Wbp kan de verantwoordelijke de verstrekking van een overzicht van de verwerkte persoonsgegevens weigeren voor zover dit noodzakelijk is in het belang van (a) de veiligheid van de staat; (b) de voorkoming, opsporing en vervolging van strafbare feiten; (c) gewichtige economische en financiŽle belangen van de staat en andere openbare lichamen; (d) het toezicht op de naleving van wettelijke voorschriften die zijn gesteld ten behoeve van de belangen, bedoeld onder (b) en (c); of (e) de bescherming van de betrokkene of van de rechten en vrijheden van anderen.

4.26. In casu ging het slechts om de laatste weigeringsgrond (e). Uit de parlementaire geschiedenis blijkt dat voor wat betreft die laatste weigeringsgrond onder 'anderen' ook de 'verantwoordelijke' (in het onderhavige geval dus HBU) dient te worden begrepen. Uit de parlementaire geschiedenis blijkt tevens dat de verantwoordelijke niet uitsluitend op grond van zijn belang om administratieve lasten te beperken een verzoek om informatie als bedoeld in art. 35 lid 1 Wbp zal mogen afwijzen. Hij zal daarentegen aannemelijk moeten maken dat door inwilliging van een verzoek tot inzage in persoonsgegevens de administratieve lasten zodanig disproportioneel zijn dat hij in een van zijn rechten en vrijheden wordt aangetast of dreigt te worden aangetast.(48)

F. (Oordeel) College Bescherming Persoonsgegevens

4.27. Het College Bescherming Persoonsgegevens (CBP) heeft tot taak toe te zien op de verwerking van persoonsgegevens overeenkomstig het bij of krachtens de wet bepaalde.(49) Daarnaast vervult het CBP ook andere taken. Zo kan het CBP op grond van art. 60 Wbp al dan niet ambtshalve een onderzoek instellen naar de wijze waarop ten aanzien van gegevensverwerking toepassing wordt gegeven aan het bij of krachtens de wet bepaalde.
Naar aanleiding van een aantal klachten van consumenten (effectenlease-contractanten) over Dexia heeft het CBP een dergelijk onderzoek ingesteld. Onderzocht is de wijze waarop door Dexia aan het recht op kennisneming als bedoeld in art. 35 Wbp toepassing wordt gegeven. Het CBP heeft zijn (definitieve) bevindingen neergelegd in een brief aan Dexia van 3 september 2004.(50) Uit die brief blijkt dat het CBP aan het begrip 'volledig overzicht in begrijpelijke vorm' (in de zin van art. 35 lid 2 Wbp) de volgende uitleg geeft:

'Het overzicht moet de betrokkene in ieder geval in staat stellen zijn recht om ingevolge artikel 36 WBP te verzoeken om verwijdering of correctie te effectueren. Om te kunnen overzien of gegevens feitelijk onjuist zijn voor het doel van de verwerking onvolledig of niet ter zake dienend zijn dan wel anderszins in strijd met een wettelijk voorschrift worden verwerkt is het noodzakelijk zicht te hebben op zoveel mogelijk details van de verwerkte persoonsgegevens.

Hieruit volgt dat in het algemeen niet volstaan kan worden met een samenvatting van de gegevens. Een belangrijk deel van de informatiewaarde zal hiermee immers verloren gaan. De precieze context waarin gegevens worden verwerkt kan cruciaal zijn en het kan de betrokkene juist gaan om de details van gegevens die over hem verwerkt worden. Details zullen in veel gevallen van beslissende betekenis zijn voor de ratio van het recht op kennisneming. Dit geldt zeker ook voor de daarmee verbonden rechten om te verzoeken om correctie, afscherming en verwijdering van gegevens alsmede het recht om zich te verzetten tegen - verdere - verwerking. [...] Het is onvoldoende als de betrokkene slechts geÔnformeerd wordt over de categorieŽn van gegevens die op hem betrekking hebben. De gegevens zelf die vallen onder deze categorieŽn moeten in beginsel ontsloten worden opdat de betrokkene inzicht kan krijgen in de verwerking van de op hem betrekking hebbende gegevens en zonodig zijn rechten kan effectueren.'

Meer specifiek ten aanzien van telefoonnotities en gespreksverslagen merkt het CBP op:

'Mede aan de hand van notities, gespreksverslagen en telefoonnotities zal een verantwoordelijke de (financiŽle) positie van de betrokkene beoordelen en zonodig maatregelen treffen. Op grond van art. 35, tweede lid WBP dienen deze overgelegd te worden als de betrokkene daarom verzoekt, tenzij een van de uitzonderingen op het inzagerecht van toepassing is. De betrokkene dient, om de rechtmatigheid van deze verwerking te kunnen controleren kennis te kunnen nemen van deze stukken. De betrokkene moet bovendien in staat zijn de verantwoordelijke om wijzigingen en/of correctie te verzoeken (zie art. 36 WBP).

Dexia verwijst naar een uitspraak van de Afdeling rechtspraak van de Raad van State van 3 maart 2004 (JB 2004, 156), waarin de rechter zich uitlaat over de betekenis van het correctierecht: het recht op verbetering en verwijdering van persoonsgegevens is niet bedoeld om gegevens, bestaande uit indrukken, meningen en conclusies omtrent de persoon van de betrokkene waarmee die zich niet kan verenigen, te corrigeren of te verwijderen. Aan deze overweging ontleent Dexia een argument om telefoonnotities niet ter inzage te geven. Echter de Afdeling rechtspraak overweegt ook dat in geval van gegevens, bestaande uit indrukken, meningen en conclusies, volstaan kan worden met het toevoegen van het schriftelijk commentaar van de betrokkene aan het dossier. Inzage in dergelijke gegevens gaat ook in de zienswijze van de Raad van State hieraan vooraf. De verantwoordelijke moet derhalve - tenzij ťťn van de uitzonderingen van artikel 43 van toepassing is - (een afschrift van) de telefoonnotities en gespreksverslagen overleggen.'

In reactie op het betoog van Dexia dat de opgenomen telefoongesprekken geen bestand vormen in de zin van art. 1 sub c Wbp, schreef het CBP dat hij

'het niet goed voorstelbaar acht dat Dexia wel kosten maakt en de faciliteiten heeft om gesprekken op te nemen, maar niet in staat is deze gesprekken gestructureerd terug te vinden en uit te luisteren. Het CBP gaat er dan ook vanuit dat een zoekfunctie aanwezig zal zijn die de telefoongesprekken ontsluit op een wijze die de verzameling onder het bestandsbegrip van de Wbp brengt.'(51)

Volgens het CBP dient Dexia bij een verzoek om kennisneming interne notities ook te overleggen, althans voorzover die interne notities de betrokkene als onderwerp hebben en Dexia geen beroep toekomt op een van de weigeringsgronden als bedoeld in art. 43 Wbp.(52) De vraag wanneer Dexia een beroep op een dergelijke weigeringsgrond toekomt beantwoordt het CBP als volgt:

'De toepassing van de weigeringsgronden is onderworpen aan het "noodzakelijkheidscriterium". Een strikte uitleg van dit begrip is aangewezen daar de uitzonderingsgronden zelf slechts in algemene zin kunnen worden geformuleerd (MvT, 25 892, nr. 3, pagina 171).

Het antwoord op de vraag of de uitzonderingsgronden van toepassing zijn vraagt een afweging van de in het geding zijnde belangen. Deze afweging wordt in eerste instantie door de verantwoordelijke gemaakt. Bij deze afweging spelen de begrippen proportionaliteit en subsidiariteit een rol. Met andere woorden, staat de beperking in het aan de betrokkene toekomende recht door weigering van inzage in redelijke verhouding tot het te beschermen belang van een ander en is deze beperking noodzakelijk? De belangenafweging zal steeds gericht zijn op de omstandigheden van het concrete geval en het is in eerste instantie aan de verantwoordelijke om in het licht van de uitzondering een exacte werkwijze te bepalen. Indien de betrokkene echter van oordeel is dat inzage ten onrechte op grond van artikel 43 WBP wordt geweigerd kan hij zich wenden tot het CBP (op grond van artikel 47 WBP) en de rechter (artikel 46 WBP). De verantwoordelijke moet de gemaakte afweging dan voor dat concrete geval inzichtelijk kunnen maken.

De verantwoordelijke kan niet uitsluitend op grond van zijn belang om administratieve lasten te beperken een verzoek om kennisneming als bedoeld in artikel 35 WBP afwijzen. Het CBP wijst erop dat de keerzijde van het hebben van veel cliŽnten kan zijn dat in evenredige mate een beroep op de hen toekomende rechten wordt gedaan. De verantwoordelijke moet conform artikel 43, onder e, WBP aannemelijk maken dat door inwilliging van een verzoek om kennisneming de administratieve lasten zodanig disproportioneel zijn dat weigering noodzakelijk is, omdat hij anders in een van zijn rechten en vrijheden wordt aangetast of dreigt te worden aangetast (MvT 25 892, nr. 3, pagina 171).'

Het CBP sluit niet uit dat daadwerkelijk schade aan de processuele positie van Dexia tot een gerechtvaardigd beroep op art. 43 sub e Wbp kan leiden. Daartoe zal volgens het CBP dan wel een afweging moeten plaatsvinden tussen Dexia's belang en het - processuele - belang van de betrokkene. Dexia zal dus per betrokkene en per document aannemelijk moeten maken dat kennisneming tot een dusdanige schade voor haar leidt dat weigering hiervan noodzakelijk is voor de bescherming van haar rechten en vrijheden, aldus het CBP.(53), (54)

G. Rechtspraak inzake inzageverzoeken

4.28. Uw Raad heeft zich al eerder gebogen over zaken waarin het ging om inzage-verzoeken. In HR 2 december 1988, NJ 1989, 752, m.nt. Ma - waar van de Gemeenschappelijke Medische Dienst kopie werd gevraagd van medische en niet-medische stukken betreffende verzoeker - heeft uw Raad, in rov. 3.3, in algemene termen aangenomen dat degene, van wie een instelling als de GMD een dossier heeft aangelegd, in beginsel recht heeft op kennisneming van de zich daarin bevindende stukken. Al vůůr de inwerkingtreding van de WPR vond een inzagerecht derhalve reeds erkenning bij de Hoge Raad.(55) De Hoge Raad oordeelde in rov. 3.2 voorts 'De aard van de stukken in een medisch dossier als waarvan hier sprake is, zal in de regel meebrengen dat kennisneming door middel van een aan de betrokkene te verschaffen afschrift kan worden verlangd.'(56)

4.29. Maar ook over weigeringsmogelijkheden heeft uw Raad zich reeds uitgelaten. HR 16 juni 2000, NJ 2000, 613, m.nt. DWFV, betrof een verzoek om inzage op grond van art. 34 in verbinding met art. 29 WPR. In die zaak had de verzoeker ('N') het GAK om inzage verzocht in het hem betreffende dossier. Aanleiding tot dat verzoek was dat N ter ore was gekomen dat een derde aan het GAK informatie had gegeven omtrent financiŽle middelen waarover N de beschikking zou hebben; informatie die van invloed kon zijn op het recht op een uitkering. Het GAK verschafte N inzage in het hem betreffende dossier, maar weigerde hem de brieven van de informant ter inzage te geven. Naar aanleiding van het verzoek van N het GAK te bevelen hem inzage te verlenen in de hem betreffende dossiers, oordeelde het hof o.m.:

'Het GAK heeft belang bij het verkrijgen van voor zijn werkzaamheden relevante informatie via derden. Deze derden, en daarmee ook het GAK, zullen er veelal belang bij hebben dat door hen verstrekte informatie vertrouwelijk wordt behandeld. Tegenover genoemde belangen van het GAK en de derden staan de belangen van N.
N. heeft weliswaar geen inzage verkregen in de onderhavige correspondentie, maar is wel geÔnformeerd over de, in het kader van de uitvoering van de taken van het GAK, door de informant verstrekte relevante gegevens. Dat brengt het hof tot het oordeel dat genoemde belangen van het GAK en de derden in de gegeven omstandigheden zwaarder dienen te wegen dan die van N. Het GAK heeft derhalve, op grond van het gestelde in art. 30 aanhef en onder e van de Wet (voorloper van art. 43 sub e Wbp; toevoeging A-G), N. terecht de kennisneming van bedoelde correspondentie kunnen weigeren.'

Uw Raad liet dit oordeel in stand.(57)

4.30. De Hoge Raad heeft zich nog niet uitgesproken over de in deze procedure aan de orde gestelde vragen (i) of het recht op kennisneming als nu neergelegd in art. 35 lid 2 Wbp tevens het recht op kopieŽn/afschriften van de verwerkte persoonsgegevens omvat; (ii) of bandopnamen vallen onder het hiervoor bedoelde kennisnemingsrecht; en (iii) of in een situatie als de onderhavige een succesvol beroep kan worden gedaan op de weigeringsgrond als bedoeld in art. 43 sub e Wbp.

4.31. In de lagere (Dexia-)rechtspraak zijn deze vragen al wťl meermaals aan de orde gekomen. Daarbij is gebleken dat rechters (zeer) verschillend denken over reikwijdte van het recht op kennisneming van persoonsgegevens.(58)
Zo heeft het hof 's-Hertogenbosch in zijn beschikking van 16 januari 2006(59) de lijn van het CBP gevolgd. Ook het hof te Arnhem volgde in een beschikking van 28 februari 2006 grotendeels de lijn van het CBP.(60) In die zaak speelde overigens niet (meer) de vraag of het recht op inzage als bedoeld in art. 35 lid 2 Wbp tevens het recht op inzage in opgenomen telefoongesprekken omvat.(61) De rechtbank te Almelo(62) had hierover in eerste aanleg geoordeeld dat de bandopnamen als zodanig niet als een gestructureerd bestand konden worden aangemerkt en dat Dexia daarom niet gehouden was om de betreffende verzoeker te informeren omtrent de met hem gevoerde telefoongesprekken die op die banden voorkwamen.(63) Hieraan voegde de rechtbank echter toe dat een en ander anders zou zijn geweest indien de verzoeker exact had aangegeven op welke dag en welk tijdstip hij met welke medewerker van Dexia had gesproken. De rechtbank ging er daarbij vanuit dat de bewaard gebleven telefoongesprekken op datum en uur waren opgeslagen.
In een zaak waarin wťl vaststond op welke dagen en tijdstippen de verzoekers met Dexia telefoongesprekken hadden gevoerd, oordeelde de rechtbank te Almelo dat de betreffende bandopnamen deel uitmaakten van een bestand in de zin van art. 1 sub c Wbp. Volgens de rechtbank zijn de bandopnamen met die informatie voldoende toegankelijk en vallen deze onder het bereik van art. 35 Wbp.(64)
De rechtbank te 's-Hertogenbosch - in de zaak waarin onder rolnr. R06/045HR cassatieberoep aanhang is - veronderstelde dat de bandopnamen hoe dan ook gestructureerd toegankelijk zijn of kunnen worden gemaakt, omdat volgens haar anders niet goed valt in te zien waarom Dexia de banden Łberhaupt heeft bewaard. De rechtbank overwoog dat de bank het belang daarvan kennelijk zelf wel inziet en in voorkomend geval daarvan gebruik zal willen maken. Daaruit maakte de rechtbank op dat het eigenlijk niet anders kan dan dat een zekere gestructureerde toegang tot de inhoud van die banden aanwezig is of zal worden vervaardigd.

4.32 en 4.33. Vervallen.

4.34. Ten aanzien van de vraag of in het recht op informatie als bedoeld in art. 35 Wbp het recht op kopieŽn besloten ligt bestaat (ook) verdeeldheid, al lijkt het erop dat de meeste rechtbanken deze vraag tot nu toe ontkennend hebben beantwoord.(65) Het door de Amsterdamse rechtbank in haar beschikking van 19 mei 2005(66) gehanteerde uitgangspunt lijkt op dat van het Engelse Court of Appeal in de zaak Durant vs. FSA (zie hiervoor, nr. 4.21): Dexia is naar het oordeel van de Amsterdamse rechtbank niet, 'althans niet zonder meer,' verplicht tot afgifte van kopieŽn van alle bij haar aanwezige, de verzoeker betreffende gegevens en stukken. De rechtbank voegde hieraan toe dat Dexia's verplichting tot het verstrekken van een volledig overzicht in begrijpelijke vorm wel kan impliceren dat tevens kopieŽn van gegevens en/of stukken aan hem dienen te worden gegeven.(67)
Volgens beschikkingen van de rechtbanken te Zwolle en te Rotterdam ligt in het recht op kennisneming als bedoeld in art. 35 Wbp het recht op kopieŽn (zonder meer) besloten.(68)

4.35. Ook de Geschillencommissie Bankzaken heeft zich (op 10 februari 2005 in drie Dexia-zaken(69)) uitgesproken over de inhoud en de reikwijdte van het kennisnemingsrecht als bedoeld in art. 35 Wbp. De Geschillencommissie conformeerde zich in die uitspraken aan het (hierboven besproken) oordeel van het CBP: ook ten aanzien van de vraag of en in welke mate Dexia aan het verzoek van de effectenlease-contractant om een volledig afschrift van zijn dossier moet voldoen. Dit betekent dat volgens de Geschillencommissie in beginsel alle afschriften van alle aanwezige stukken dienen te worden overgelegd. Naarmate het door de bank te verstrekken overzicht meer gespecificeerd is, zal minder snel behoefte bestaan aan een volledig afschrift van alle relevante stukken en zal de bank - ter vermindering van zijn administratieve lasten - ook eerder met een beperkt aantal afschriften aan de consument kunnen volstaan, aldus de Geschillencommissie.
Het verweer van Dexia dat de bandopnamen van de gevoerde telefoongesprekken een ongestructureerd, niet volgens bepaalde criteria (of systematisch) toegankelijk geheel zouden vormen, wordt door de Geschillencommissie verworpen. In dat verband wees de Geschillencommissie erop dat art. 8.5.3 van de Gedragscode (zie hiervoor nr. 4.18) financiŽle instellingen verplicht om technische en organisatorische maatregelen te treffen om telefoongesprekken die zijn opgenomen zonodig te kunnen traceren en reconstrueren. Op grond daarvan dient Dexia de opgenomen telefoongesprekken naar het oordeel van de Geschillencommissie alsnog te ontsluiten en de betrokkenen daarvan in kennis te stellen.(70)

4.36. Met het voorgaande heb ik niet gepoogd de lagere (Dexia-)rechtspraak inzake het kennisnemingsrecht uitputtend te bespreken. Zelfs zonder die poging te wagen heb ik m.i. wel aangetoond dat er zeer verschillend wordt gedacht over de reikwijdte van het kennisnemingsrecht als bedoeld in art. 35 Wbp.(71)

H. Literatuur inzake inzageverzoeken

4.37. Ook in de literatuur lopen de meningen uiteen. Het verbaast niet dat Rank en Haasjes - advocaten die regelmatig voor banken optreden in procedures met betrekking tot de Wbp - verdedigen (i) dat het recht op inzage als bedoeld in art. 35 lid 2 Wbp geen recht geeft op kopieŽn/afschriften van de documenten waarin de betreffende persoonsgegevens zijn opgenomen, en (ii) dat bandopnames van telefoongesprekken (of de schriftelijke uitwerking van telefoongesprekken) niet onder het hiervoor bedoelde kennisnemingsrecht vallen.(72) Het verbaast evenmin dat Van den Bergen, die onder meer in de onderhavige zaak in feitelijke instanties als advocaat is opgetreden, voor beleggers die gebruik maken van het kennisnemingsrecht, een tegengestelde mening is toegedaan.(73)

4.38. Berkvens(74) en Zwenne & Webbink(75) lijken zich aan te sluiten bij het standpunt van Rank en Haasjes. Ook zij menen dat het begrip 'volledig overzicht' als bedoeld in art. 35 lid 2 Wbp niet zo ruim geÔnterpreteerd kan worden dat hieronder tevens kopieŽn van documenten en transcripties van telefoongesprekken moeten worden verstaan. Holvast lijkt zich daarentegen aan de zijde van Van den Bergen te scharen daar waar hij betoogt dat in het recht op informatie het recht op kopieŽn besloten ligt. Hij verwijst naar de voorloper van de Wbp, de WPR. Volgens Holvast werd onder die wet algemeen erkend dat recht op inzage een recht van kopie kon inhouden. Omdat met de overgang van de WPR naar de Wbp geen verandering in de positie van de betrokkene is beoogd, geldt dit ook voor de Wbp, aldus Holvast. Volgens Holvast is mede daarom in het Besluit kostenvergoeding rechten betrokkenen Wbp bepaald dat een vergoeding van Ä 0,23 per pagina kan worden gevraagd.(76) Holvast meent dat het kennisnemingsrecht zich ook uitstrekt tot bandopnamen van telefoongesprekken/transcripties van telefoongesprekken.(77)

4.38a. Volgens Lieverse impliceert de verplichting om een overzicht van persoonsgegevens te verstrekken niet de verplichting om ook afschriften te verstrekken van de documenten waarin de persoonsgegevens zijn opgenomen. Wel kan zij zich vinden in de gedachte dat digitaal opgenomen telefoongesprekken, maar ook de niet met geautomatiseerde niet-digitale middelen opgenomen telefoongesprekken, die conform het bepaalde in art. 8.5.3 van de Gedragscode traceerbaar zijn, kwalificeren als bestand in de zin van art. 1, sub c, Wbp. Dat zou betekenen dat gevoerde telefoongesprekken in het overzicht, bedoeld in art. 35 Wbp, moeten worden opgenomen en dat de verantwoordelijke moet omschrijven hoe deze gegevens worden verwerkt, aldus Lieverse.(78)

4.39. Bij lezing van buitenlandse literatuur over het inzagerecht stuitte ik nog op de volgende passage van de Brit Bainbridge over het recht op inzage in persoonsgegevens in het Verenigd Koninkrijk vůůr en na de Richtlijn:

'More information must be given to the data subject exercising his or her right of access than before. Under the Directive, in addition to being furnished with a copy of the data[voetnoot], information must be given as to the purposes of processing, the categories of data concerned and the recipients and categories of recipients to whom the data are disclosed.'(79)

In de voetnoot wordt verwezen naar het eerder besproken art. 12 sub a van de Richtlijn, dat vereist 'communication of the data in an intelligible form together with any available information as to their source.' Kennelijk leidt Bainbridge uit deze Richtlijnbepaling af dat het op de Richtlijn gebaseerde kennisnemingsrecht ruimer dan vůůr de Richtlijn is, en dat daarin het recht op kopieŽn besloten ligt.

4.39a. De toelichting in het cassatieverzoekschrift wijst op een passage in de Britse losbladige uitgave Encyclopedia of Data Protection & Privacy(80). In par. 2-274/3 aldaar wordt naar aanleiding van de eerder besproken uitspraak van de Court of Appeal voor Engeland en Wales in de zaak Durant vs. FSA (zie nr. 4.21) opgemerkt:

'it is, therefore, possible for a data controller to send a summary of the information sought, rather than a copy, and this may be a useful way of presenting information to a data subject in certain circumstances'.

4.39b. Uit deze passage kan m.i. echter niet zonder meer de conclusie worden getrokken dat de auteur van mening is dat een betrokkene geen recht zou hebben op afschriften van zijn verwerkte persoonsgegevens. Dit blijkt uit het vervolg van de betreffende passage, waarin een voorbeeld van die "certain circumstances" wordt gegeven:

'For example, an application is made by a husband and wife to be jointly employed in the social welfare field. The couple fail their assessment because the husband is considered not to be suitable. The wife then makes a subject access request. The data controller finds it impossible to extricate the wife's information from the husband's in the assessment reports made on their application and blanking out the husband's information is not enough to prevent information about him being disclosed to her. In these circumstances, the preparation of a summary of the information (excluding information about the husband) for presentation to the wife is a more appropriate way of dealing with the wife's subject access request.'

5. Bespreking van het cassatiemiddel

5.1. Het middel, dat twee onderdelen omvat, richt zich met parallelle(81) rechts- en motiveringsklachten tegen (in onderdeel A:) rov. 27 en (in onderdeel B:) rov. 32 van de bestreden beschikking.
In rov. 27 heeft het hof - kort gezegd - geoordeeld dat van een volledig overzicht in begrijpelijke vorm in de zin van art. 35 Wbp in ieder geval sprake is indien een afschrift van de verwerkte persoonsgegevens wordt verstrekt en dat het daarom in beginsel voor de hand ligt om een afschrift te verstrekken; onder de omstandigheden van het geval acht het hof HBU daartoe gehouden.
In rov. 32 heeft het hof met betrekking tot andere gegevensdragers dan afschriften, nl. bandopnamen en schriftelijke uitwerkingen daarvan, eenzelfde standpunt ingenomen als in rov. 27.
Ik zal de beide onderdelen hierna gezamenlijk behandelen. Daarbij zal ik de verschillende subonderdelen (zowel onderdeel A als onderdeel B omvatten drie subonderdelen) en hetgeen in de toelichting op p. 10 e.v. van het cassatieverzoekschrift is vermeld, uiteraard niet onbesproken laten.

5.2. Op grond van art. 35 Wbp heeft de betrokkene recht op een mededeling houdende een 'volledig overzicht (...) in begrijpelijke vorm' van de hem betreffende persoonsgegevens die door de verantwoordelijke worden verwerkt, 'een omschrijving van het doel of de doeleinden van de verwerking, de categorieŽn van gegevens waarop de verwerking betrekking heeft en de ontvangers of categorieŽn van ontvangers, alsmede de beschikbare informatie over de herkomst van de gegevens.'
Onderdeel A.1 acht onjuist en/of onbegrijpelijk en innerlijk tegenstrijdig 's hofs overweging dat hoewel art. 35 Wbp bepaalt dat een volledig overzicht in begrijpelijke vorm van de verwerkte persoonsgegevens moet worden verstrekt, en niet mťťr, dit niet wegneemt dat een afschrift in ieder geval zo'n volledig overzicht geeft en dat het daarom in beginsel voor de hand ligt om een afschrift te verstrekken.
Onderdeel B.1 acht onjuist en/of onbegrijpelijk 's hofs overweging dat, nu HBU niet heeft aangegeven hoe anders dan door verstrekking van de bandopnames en/of schriftelijke uitwerkingen daarvan, een volledig overzicht van de daarin verwerkte persoonsgegevens kan worden verschaft, zij deze gegevensdragers zal dienen te verstrekken.
Volgens beide onderdelen heeft het hof miskend dat art. 35 lid 2 Wbp - conform artikel 12 onder a, tweede streepje van de Richtlijn - de betrokkene wel recht geeft op verstrekking van een volledig overzicht in begrijpelijke vorm van de verwerkte gegevens, maar niet op afschriften van de/alle gegevensdragers waarin die gegevens voorkomen. Onderdeel A.1 voegt daar nog aan toe dat het hof met zijn oordeel de wettelijke verplichting op ontoelaatbare wijze verzwaart.
Het middel meent voor dit standpunt steun te vinden in de tekst van art. 12 sub a van de Richtlijn; de tekst van art. 35 lid 2 Wbp; in de parlementaire geschiedenis; in de wijze waarop art. 12 sub a in een aantal andere landen is geÔmplementeerd, in de lagere 'Dexia-rechtspraak' en in de literatuur. Ik acht het de vraag of de Hoge Raad in deze zaak aan al deze argumenten behoeft toe te komen.

Onjuiste lezing van 's hofs beschikking

5.3. Ik meen namelijk vooreerst dat onderdeel A.1 en ook onderdeel B.1 op een onjuiste lezing van 's hofs beschikking berusten.

5.4. Het hof heeft (ad onderdeel A.1) immers in rov. 27 niťt in het algemeen geoordeeld dat een betrokkene in het algemeen recht heeft op een afschrift van alle gegevensdragers, waarin die gegevens voorkomen. Integendeel heeft het hof in rov. 26 met verwijzing naar grief I van [verweerder] c.s. vooropgesteld (cursivering toegevoegd): 'dat het vereiste van een volledig overzicht in begrijpelijke vorm met zich kan brengen dat niet kan worden volstaan met een overzicht van de verwerkte persoonsgegevens en dat alsdan een afschrift dient te worden verstrekt van de stukken waarin de persoonsgegevens zijn verwerkt'. 's Hofs klaarblijkelijke onderschrijving van dit uitgangspunt, wordt in cassatie niet bestreden.
Voorts heeft het hof in rov. 27 vooropgesteld: 'Het hof is het met HBU eens dat de betrokkene niet zonder meer/altijd recht heeft op een afschrift en dat niet noodzakelijkerwijs een afschrift hoeft te worden gegeven. Artikel 35 Wbp bepaalt dat een volledig overzicht in begrijpelijke vorm van de verwerkte persoonsgegevens moet worden verstrekt, en niet mťťr.' Ook heeft het hof in rov. 27, in fine, overwogen (cursivering toegevoegd): 'Dit betekent dat er van uit moet worden gegaan dat in dit geval alleen door middel van afschriften een volledig overzicht kan worden verkregen.'

5.5. Dat 's hofs deeloverweging in rov. 27 'Dit neemt niet weg dat een afschrift in ieder geval zo'n volledig overzicht geeft en dat het daarom in beginsel voor de hand ligt om een afschrift te verstrekken' (innerlijk) tegenstrijdig zou zijn met de deeloverweging 'Het hof is het met HBU eens dat de betrokkene niet zonder meer/altijd recht heeft op een afschrift en dat niet noodzakelijkerwijs een afschrift hoeft te worden gegeven. Artikel 35 Wbp bepaalt dat een volledig overzicht in begrijpelijke vorm van de verwerkte persoonsgegevens moet worden verstrekt, en niet mťťr', vermag ik niet in te zien(82).
Het onderdeel onderbouwt deze (deel-)klacht ook niet, behoudens de stelling dat het blijkens de beschikking van de rechtbank zeer wel mogelijk is het bevel tot verstrekken van een volledig overzicht tot de verwerkte persoonsgegevens te beperken. Vooropstellend dat het hof bij het aan HBU gegeven bevel klaarblijkelijk slechts het oog heeft gehad op afschriften van gegevensdragers waarin persoonsgegevens van (elk van) [verweerder] c.s. zijn verwerkt(83), miskent deze stelling dat het (juist ook in appel) nu juist de vraag was of in casu, het bevel beperkt dient te blijven tot (slechts) verstrekken van een volledig overzicht tot de verwerkte persoonsgegevens. De klacht miskent daarmee de context van 's hofs rov. (26 en) 27 in het licht van het onderhavige debat tussen partijen, waarover aanstonds nader in nr. 5.7 e.v., mede aan de hand van middelonderdelen A.2 en A.3 en B.2 en B.3.
Uitgaande van het falen van de klacht, ontvalt ook de bodem aan de klacht dat het hof met zijn oordeel de wettelijke verplichting op ontoelaatbare wijze verzwaart.

5.6. Het hof heeft (ad onderdeel B.1) in rov. 32 evenmin in het algemeen geoordeeld dat een betrokkene in het algemeen recht heeft op (kopieŽn van) de daar bedoelde bandopnamen en/of schriftelijke uitwerkingen van telefoongesprekken. Integendeel heeft het hof in rov. 32 geoordeeld (met een expliciete verwijzing naar rov. 27): 'Nu HBU niet heeft aangegeven hoe anders dan door verstrekking van de bandopnames en/of schriftelijke uitwerkingen daarvan, een volledig overzicht van de daarin verwerkte persoonsgegevens kan worden verschaft, zal zij deze gegevensdragers dienen te verstrekken (zie ook rov. 27)'. Daarmee heeft het hof ook hier klaarblijkelijk geoordeeld dat ervan uit moet worden gegaan dat in dit geval alleen door middel van (kopieŽn van) de hier bedoelde bandopnamen en/of schriftelijke uitwerkingen van telefoongesprekken, een volledig overzicht kan worden verkregen. Ook deze klacht miskent de context van 's hofs oordeel in het licht van het onderhavige debat tussen partijen, waarover thans nader in nr. 5.7 e.v., mede aan de hand van middelonderdelen A.2 en A.3 en B.2 en B.3.

5.7. Onderdeel A.2, nader toegelicht in nr. 23 op p. 18 van het cassatieverzoekschrift, keert zich in het bijzonder tegen 's hofs deeloverweging (in rov. 27) dat de verantwoordelijke, die zich op een andere wijze dan door het verstrekken van afschriften van zijn verplichting tot het geven van een volledig overzicht wil kwijten, indien hierover discussie ontstaat, duidelijk zal moeten maken dat ook op die andere wijze daadwerkelijk een volledig overzicht wordt verschaft en dat HBU dit niet gedaan heeft. Volgens het onderdeel is deze overweging (i) onbegrijpelijk omdat HBU na de beschikking van de rechtbank nog geen volledig overzicht had verschaft en dus nog geen discussie kon zijn ontstaan of zij zich van haar verplichting terzake correct had gekweten; en (ii) rechtens onjuist omdat het oordeel dat HBU duidelijk zou moeten maken dat op andere wijze dan door het verstrekken van afschriften een volledig overzicht wordt verschaft miskent dat HBU in een executiegeschil enkel zou hoeven aantonen dat zij aan haar verplichting ex. art. 35 lid 2 Wbp heeft voldaan.

5.8. Onderdeel A.3 keert zich tegen 's hofs deeloverweging in rov. 27 dat HBU in het geheel niet heeft uiteengezet hoe zij het vereiste volledige overzicht in begrijpelijke vorm wil verschaffen zonder verstrekking van afschriften en dat dit zou betekenen dat ervan uitgegaan moet worden dat in dit geval alleen door middel van afschriften een volledig overzicht kan worden verkregen. Volgens het onderdeel miskent het hof aldus dat op HBU in deze procedure niet de verplichting rustte te stellen hoe zij het vereiste volledige overzicht in begrijpelijke vorm wil verschaffen. Reeds daarom zou er - aldus onderdeel A.3 - niet van mogen worden uitgegaan dat zulks in dit geval alleen door middel van afschriften kan worden verkregen. Bovendien zou deze gevolgtrekking onbegrijpelijk zijn, nu het vereiste volledige overzicht in begrijpelijke vorm - aldus nog steeds onderdeel A.3 - ook kan worden verschaft zonder verstrekking van afschriften.

5.9. De onderdelen B.2 en B.3 volgen de onderdelen A.2 en A.3, voor zover het de in het middel aangevochten rov. 32 van het hof betreft.(84)

5.10. De in de onderdelen A.2, A.3, B.2 en B.3 neergelegde klachten lenen zich m.i. voor gezamenlijke behandeling.

5.11. De klachten miskennen de context van het partijdebat, waarin het hof zijn hier aangevochten oordelen heeft gegeven.
Zoals in 's hofs beschikking in rov. 3 in verbinding met rov. 2.b (en hierboven in nrs. 3.1 in verbinding met 2.4) weergegeven, vorderden [verweerder] c.s. bij inleidend verzoekschrift een overzicht van de omtrent hen verwerkte persoonsgegevens, waaronder in elk geval begrepen de onder 2.4 (i) tot en met (vi) genoemde stukken/gegevensdragers.
Het was, blijkens 's hofs rov. 3 (zie ook hierboven 3.2) HBU die (naast allerlei andere, in cassatie niet meer relevante verweren) hier tegenin bracht dat [verweerder] c.s. alleen een volledig overzicht van de verwerkte persoonsgegevens behoefde te verstrekken, maar geen afschriften/kopieŽn van de door [verweerder] c.s. gevraagde stukken/gegevensdragers, en dat [verweerder] c.s. geen recht hebben op de bandopnamen die mogelijk van telefoongesprekken met hen zijn gemaakt of op de schriftelijke uitwerkingen (transcripties) daarvan.
Dit leidde vervolgens tot verder partijdebat, hetgeen resulteerde in rov. 5.6 e.v. van de beschikking van de rechtbank. In rov. 5.6, tweede volzin, overwoog de rechtbank:

'Terecht voert HBU aan dat zij niet gehouden is een volledig afschrift te geven van de gehele dossiers van verzoekers. Artikel 35 lid 2 Wbp spreekt immers slechts van "volledig overzicht in begrijpelijke vorm". De wet spreekt niet over letterlijke kopieŽn van teksten of transcripties van gesprekken. Ook de Memorie van Toelichting biedt geen grond voor een ruimere interpretatie van voornoemde term. Het verstrekken van een volledig overzicht door HBU is derhalve voldoende. HBU zal in dit overzicht echter wel gespecificeerd opgave dienen te doen van de verwerkte gegevens. Immers slechts in dat geval kunnen verzoekers inzicht krijgen in de wijze waarop de op hen betrekking hebbende gegevens zijn verwerkt. (...)'

In het dictum beval de rechtbank HBU, voor zover hier van belang, om een schriftelijk overzicht als bedoeld in art. 35 lid 2 Wbp aan [verweerder] c.s. te verstrekken 'met inachtneming van hetgeen hiervoor onder 5.6 [...] is overwogen'.

5.12. Het is vervolgens, gegeven de opstelling van HBU in eerste aanleg, begrijpelijk dat [verweerder] c.s. meer duidelijkheid wensten uit te lokken over de inhoud van de (inderdaad nog niet uitvoerbaar bij voorraad verklaarde) verplichting van HBU om een schriftelijk overzicht als bedoeld in art. 35 lid 2 Wbp aan [verweerder] c.s. te verstrekken 'met inachtneming van hetgeen hiervoor onder 5.6 [...] is overwogen'. [verweerder] c.s. griefden dienovereenkomstig dat zij in dit geval wťl aanspraak hadden op afschriften: aldus grief 1 van [verweerder] c.s.(85), waarop het hof in rov. 26 en 27 respondeerde.

5.13. In het licht van het voorgaande siert het m.i. het hof, dat hij inderdaad grotere duidelijkheid heeft willen geven. Daarbij heeft het hof grief 1 van [verweerder] c.s., voor dit geval zeer expliciet aanspraak makend op afschriften, niet zonder meer gegrond bevonden. Dat blijkt uit de al eerder aangehaalde vooropstellingen van het hof in rov. 26 en rov. 27, eerste en tweede volzin.
Juist in deze context heeft het hof zich de vraag gesteld, wat er nu eigenlijk vůůr en wat er tťgen de verstrekking van afschriften is, in het kader van de voldoening aan het wettelijk voorschrift dat 'een volledig overzicht' moet worden verstrekt. De door het hof genoemde pro-argumenten zijn in het voorafgaande aan de orde geweest. Ten aanzien van de contra-argumenten tegen het verschaffen van afschriften in plaats van een 'volledig overzicht', heeft het hof gezocht naar desbetreffende stellingnamen van HBU, maar het hof heeft die niet gevonden. Ik citeer nog eens uit rov. 27: 'Een verantwoordelijke weet bij uitstek, of moet bij uitstek weten, welke persoonsgegevens zij verwerkt, of laat verwerken, en hoe daarvan een volledig overzicht is te geven. Gelet verder op het transparantiebeginsel (zie rov. 14) zal de verantwoordelijke, die zich op een andere wijze dan door het verstrekken van afschriften van zijn verplichting tot het geven van een volledig overzicht wil kwijten derhalve, indien hierover discussie ontstaat, duidelijk moeten maken dat ook op die andere wijze daadwerkelijk een volledig overzicht wordt verschaft. Dit heeft HBU niet gedaan. Zij heeft in het geheel niet uiteengezet hoe zij het vereiste volledige overzicht in begrijpelijke vorm wil verschaffen zonder verstrekking van afschriften. Dit betekent dat er van uit moet worden gegaan dat in dit geval alleen door middel van afschriften een volledig overzicht kan worden verkregen.'
Ik wijs met name nog eens op de woorden 'in dit geval' in de laatst geciteerde volzin.

5.14. Anders dan het onderdeel acht ik deze overweging alleszins begrijpelijk, zodat de motiveringsklacht niet opgaat.

5.15. Ook de rechtsklacht (in onderdeel A.2) faalt naar mijn mening. Ik begrijp de klacht aldus dat HBU naar haar mening in een executiegeschil enkel zou hoeven aantonen dat zij aan haar verplichting ex. art. 35 lid 2 Wbp heeft voldaan, en dat zij zulks ůůk zou kunnen aantonen doordat zij op andere wijze dan door het verstrekken van afschriften een volledig overzicht zou hebben verschaft.
De klacht miskent dat de rechter in het eigenlijke geschil (in casu: een bodemgeschil over het Wbp-inzagerecht), geroepen is om recht te doen op basis van zijn uitleg van de wet, in het licht van de partijen verdeeld houdende kwesties. Dat het oordeel van een lagere rechter eventueel gecorrigeerd kan worden door een hogere rechter, doet daaraan uiteraard niet af. De in het onderdeel naar voren gebrachte opvatting dat het hof de onderhavige - partijen verdeeld houdende - kwestie onbesproken had kunnen, ja moeten laten, omdat die aan de hand van het vagere dictum van rechtbank in een executiegeschil beoordeeld had kunnen worden, staat haaks hierop. Het executiegeschil dient immers (onder meer) voor ten opzichte van partijen minder gelukkige gevallen waarin de veroordelende rechter niet voldoende duidelijkheid heeft gegeven(86). De omstandigheid dat de verbiedende of bevelende rechter volgens vaste rechtspraak van de Hoge Raad niet gehouden is om af te zien van een in ruime (vage) termen gesteld verbod of bevel (waarvan de nakoming in een executiegeschil nader beoordeeld kan worden)(87), betekent niet dat de veroordelende rechter die duidelijkheid niet mag (en wat mij betreft: bij voorkeur zelfs dient te) geven.(88)

5.16. Op dit alles stuit onderdeel A.2, evenals onderdeel A.1 voor zover niet eerder behandeld, af. Van een 'merkwaardige stelplichtconstructie', laat staan een rechtens onjuiste of onbegrijpelijke constructie, is geen sprake.
Het behoeft geen nadere toelichting dat de klacht van onderdeel A.3 het lot van onderdeel A.2 en daarmee van onderdeel A.1 deelt. Voor de 'B-klachten' geldt niet anders.

5.17. Het middel faalt m.i. dus in al zijn onderdelen, zonder dat in deze zaak R06/163 behoeft te worden toegekomen aan vragen van uitleg van art. 35 Wbp en/of art. 12 van Richtlijn 95/46/EG.

Geen onjuiste rechtsopvatting

5.18. Intussen faalt het middel m.i. ůůk in al zijn onderdelen indien de rechtsklachten omtrent art. 35 Wbp en/of art. 12 van Richtlijn 95/46/EG wťl aan de orde zouden komen (of door de Hoge Raad vooropgesteld worden).

5.19. In het voorafgaande is al gebleken dat het m.i. niet van een onjuiste rechtsopvatting getuigt om ervan uit te gaan dat, te meer waar het gaat om elektronische gegevensverwerking, een 'volledig overzicht' als bedoeld in art. 35 lid 2 Wbp inderdaad (als regel) afschriften van gegevensdragers met persoonsgegevens van de betrokkene omvat(89), zulks in weerwil van het middel, waarbij ik mede acht geslagen heb op de opmerking van HBU in nr. 24 van het cassatieverzoekschrift over het transparantiebeginsel.
Naar mijn mening laat het begrip 'volledig overzicht' in art. 35 lid 2 Wbp de hierboven aangegeven uitleg toe, en is die uitleg ook het meest in overeenstemming met de gedachte achter het inzagerecht, ofwel het transparantiebeginsel.(90) Het recht op inzage heeft tot doel de burger de mogelijkheid te geven om te weten hoe zijn persoonsgegevens zijn verwerkt, en tevens te controleren of dat op juiste wijze is gebeurd zodat - indien dit niet het geval is - de betrokkene zijn correctierecht (als bedoeld in art. 36 Wbp, dat tevens omvat een aanspraak op verwijdering indien de gegevens niet ter zake dienend zijn) zou kunnen uitoefenen: zie hierboven nr. 4.8 e.v. In de Richtlijnconsiderans (sub 41) is het zelfs zo geformuleerd dat 'een ieder over het recht moet kunnen beschikken toegang te verkrijgen tot de gegevens die het voorwerp van een verwerking vormen en hemzelf betreffen, zodat hij zich van de juistheid en de rechtmatigheid van de verwerking ervan kan vergewissen.' M.i. kan aan dit doel slechts tegemoet worden gekomen als de betrokkene tevens inzage krijgt in de context waarin de hem betreffende persoonsgegevens zijn verwerkt.
Artikel 35 lid 2 laat een zekere vaagheid toe ten aanzien van de omschrijving van de doeleinden van de verwerking, de categorieŽn van gegevens waarop de verwerking betrekking heeft en de (categorieŽn) van ontvangers.
De wetsbepaling is evenwel preciezer ten aanzien van de verwerkte persoonsgegevens als zodanig, waarvan een 'volledig overzicht' moet worden gegeven. Bovendien moet ten aanzien van de herkomst van de gegevens inzage worden gegeven in de 'daarover beschikbare informatie.'
Bij de uitoefening van het inzagerecht komt het aan op de precieze geregistreerde persoonsgegevens, ook al omdat de uitoefening van het correctierecht ingevolge art. 12, aanhef en onder b van de Richtlijn en art. 36 Wbp anders al gauw een slag in de lucht zou kunnen zijn (wat ook niet in het belang is van de verantwoordelijke). Dat de Richtlijn en de Wbp uitgaan van precieze gegevens blijkt niet alleen uit het begrip 'verstrekking, in begrijpelijke vorm, van de gegevens die zijn verwerkt' in de Richtlijn en het 'volledig overzicht' in art. 35 lid 2 Wbp, maar ook uit art. 36 lid 1, laatste volzin, Wbp waarin staat dat een correctieverzoek 'de aan te brengen wijzigingen' moet bevatten, respectievelijk art. 12, aanhef en onder b van de Richtlijn, sprekend over 'de rectificatie, de uitwissing (...) met name op grond van het onvolledige of onjuiste karakter van de gegevens'. Aan de voorwaarden voor de uitoefening van het correctierecht kan de betrokkene niet voldoen als de verantwoordelijke bij het geven van het 'volledig overzicht' kan volstaan met gemeenplaatsen of een samenvatting van de verwerkte persoonsgegevens.
Het verstrekken van kopieŽn of 'uitdraaien' is dus de (meest) adequate vorm van het verstrekken van een 'volledig overzicht'.
Naar mijn mening kan er dan ook, in de regel, worden gesproken van een schijntegenstelling tussen het 'volledig overzicht' van de verwerkte persoonsgegevens enerzijds en kopieŽn/afschriften van de verwerkte persoonsgegevens anderzijds.

5.20. Zou de verantwoordelijke willen volstaan met een door hem nieuw op te maken rapport of opstel, dan bestaat - zeker indien er meerdere verzoeken worden gedaan - het risico dat in zo'n bewerkingsslag fouten (c.q. nieuwe fouten) worden gemaakt, waarmee noch de betrokkene, noch de verantwoordelijke gediend is. Ik teken terzijde nog aan dat zo'n bewerkingsslag voor de verantwoordelijke allicht duurder is dan de verstrekking van kopieŽn (terwijl voor dit laatste een vergoeding van de betrokkene mag worden gevraagd).

5.21. Het betoog van nr. 5.19 gaat natuurlijk niťt zonder meer op als het zou gaan om afschriften van documenten die zodanig zijn ingericht dat het afschrift (de fotokopie of een volledige uitdraai) noodzakelijkerwijs ook gegevens van derden zou inhouden, of bijv. bedrijfsgeheimen van de verantwoordelijke.(91)
Dat dŠŠr de schoen zou wringen, is door HBU evenwel niet gesteld: noch in feitelijke instanties, noch in cassatie.
En ook dan lijkt mij in de regel nog steeds sprake van een schijntegenstelling. Als het gerechtvaardigd ťn mogelijk is aan de eis van het verschaffen van een 'volledig overzicht' te voldoen met weglating van gegevens als bovenbedoeld, is het evenzeer mogelijk om kopieŽn te verschaffen waarin die gegevens zijn afgedekt, of uitdraaien te verschaffen waarin die gegevens zijn weggelaten.

5.22. Zouden er dan tůch nog problemen zijn, dan is daarop toegesneden de weigeringsgrond van art. 43 sub e Wbp ('de bescherming van de betrokkene of de rechten en vrijheden van anderen'). (92) Die weigeringsgrond kan de verantwoordelijke gelijkelijk in stelling brengen of het nu gaat om een 'volledig overzicht' (als in het middel bedoeld) dan wel 'een volledig overzicht door middel van afschriften' (als door het hof bedoeld). En als er toch een (uit te leggen) verschil is dat het eerste niet, en het laatste wťl een onevenredig zware belasting voor de verantwoordelijke vormt (niettegenstaande de kostenvergoeding door de betrokkene), dan zal zulks uiteraard op zijn merites gewogen (moeten) worden.
In casu heeft HBU zich in de feitelijke instanties (niet in cassatie) op art. 43 sub e Wbp beroepen, maar zij heeft daarbij niet aangevoerd dat haar weigering te doen zou hebben met bescherming van derden, of bedrijfsgeheimen, of met een administratief of financieel te zware belasting.
Hetgeen HBU in het kader van art. 43 sub e wťl naar voren heeft gebracht, is door het hof in rov. 14 verworpen. Daartegen richt zich in cassatie geen klacht.

5.23. Voor zover het middel klaagt over strijd met art. 12 onder a van Richtlijn 95/46/EG, stuit dit af op hetgeen hiervoor onder 4.18a t/m 4.18k is uiteengezet.

5.24. In het licht van de daar aangegeven 'bandbreedte' van de Richtlijn, is de wijze waarop art. 12 sub a in een aantal andere landen is geÔmplementeerd, informatief, maar niet van doorslaggevend belang. Tegenover door HBU te haren gunste in nrs. 10-19 van het cassatieverzoekschrift ingeroepen buitenlandse zienswijzen, staan andere die ten voordele van [verweerder] c.s. pleiten (supra nrs. 4.19-4.24).
Hetzelfde geldt ten aanzien van door HBU in nrs. 8-9 van het cassatieverzoekschrift ingeroepen literatuurverwijzingen en 'lagere Dexia-rechtspraak': ook daar staan andere oordelen resp. opinies tegenover (supra nrs. 4.28-4.39b).

5.25. Volledigheidshalve sta ik nog stil bij de klacht van het middel in de toelichting onder nr. 22, p. 18. Die klacht gaat over het door het hof aan het 'Besluit kostenvergoeding rechten betrokkene Wbp' ontleende argument omtrent een bedoeling van de wetgever ten aanzien van verstrekking van overzichten in de vorm van afschriften. Geklaagd wordt dat de bedoeling van de wetgever zich niet laat afleiden uit een uitvoeringsregeling van een lagere wetgever.
Daargelaten dat het hier, naar het mij voorkomt, niet om een dragend argument van het hof gaat, miskent deze klacht dat de bedoeling van de wetgever zich reeds laat afleiden uit de Wbp zelf, en wel art. 39 lid 1, luidende: 'De verantwoordelijke kan voor een bericht als bedoeld in artikel 35 een bij of krachtens algemene maatregel van bestuur vast te stellen vergoeding van kosten verlangen die ten hoogste f 10 bedraagt', en lid 3, luidende: 'Het bedrag genoemd in het eerste lid kan in bijzondere gevallen bij algemene maatregel van bestuur worden gewijzigd'. Daaruit laat zich allicht de gevolgtrekking afleiden dat de te bepalen vergoeding gerelateerd kan zijn de hoeveelheid aan het door de verantwoordelijke te verschaffen (papier-)materiaal. In aanvulling op nr. 4.11.2 van deze conclusie en de daar geplaatste voetnoot merk ik hierover nog het volgende op.
Bestudering van de parlementaire geschiedenis leert dat niet alleen de wettekst, maar ook de Nota naar aanleiding van het verslag een aanknopingspunt geeft voor de visie van het hof. Naar aanleiding van een vraag van de PvdA-fractie naar de vergoeding van de kosten in verband met het uitoefenen van het recht op kennisneming schreven de ministers aan de Tweede Kamer:

'Het is niet onredelijk dat de verantwoordelijke zijn kosten in rekening kan brengen. Inderdaad geldt nu nog een regel dat niet meer dan tien gulden kan worden gevraagd. Het is de bedoeling dit bedrag op te trekken omdat de werkelijke kosten soms veel hoger zijn, zonder dat daardoor materieel belemmeringen worden opgeworpen voor de uitoefening van het recht op kennisneming. Artikel 7:456 BW bevat een bijzondere, doch vergelijkbare regeling voor de uitoefening van het recht op kennisneming in het kader van de geneeskundige behandelingsovereenkomst. De arts mag een "redelijke"vergoeding in rekening brengen bij het verstrekken van afschriften uit het medisch dossier. Ook artikel 12 van de Wet openbaarheid van bestuur kent een regeling voor het in rekening [brengen; toevoeging A-G] van kosten in verband met gevraagde openbaarheid.'(93)

5.26. Ten aanzien van onderdeel B merk ik, ten overvloede, nog het volgende op.
Nu m.i. aan het doel van het inzagerecht slechts kan worden tegemoet gekomen indien de betrokkene tevens inzage krijgt in de manier waarop zijn persoonsgegevens precies zijn verwerkt, en de context waarin dat is gebeurd, meen ik dat art. 35 Wbp in beginsel(94) ook recht geeft op het beluisteren van opgenomen telefoongesprekken en/of een transcriptie van het opgenomen telefoongesprek.

5.27. In dit verband wijs ik op de desbetreffende Gedragscode, waaruit blijkt dat een bank als HBU mede technische en organisatorische voorzieningen moet treffen om de opgenomen telefoongesprekken en andere persoonsgegevens betreffende de opgenomen telefoongesprekken zonodig te kunnen traceren en reconstrueren.(95) De mogelijkheid tot het beluisteren van een opgenomen telefoongesprek en/of het verkrijgen van een transcriptie van het opgenomen telefoongesprek zou derhalve moeten bestaan.

5.28. Tegen deze achtergrond meen ik dat een betrokkene op basis van art. 35 lid 2 Wbp in beginsel inzage zou moeten kunnen verkrijgen in die bandopnamen; door middel van het beluisteren daarvan of door middel van het verkrijgen van een schriftelijk uitgewerkt telefoonverslag. Op deze plaats ga ik uit van de veronderstelling dat de bandopnamen een bestand vormen in de zin van de Wbp. Deze (voor)vraag staat in cassatie echter niet ter discussie.

5.29. Ten slotte: 's hofs oordeel strookt m.i. met het toch wel ruime inzagerecht zoals dat in de rechtspraak - ook die van de Hoge Raad - i.h.a. wordt aangenomen. Ik verwijs in dit verband naar de jurisprudentie over het recht op inzage in bijv. processen-verbaal, afstammingsgegevens en medische, psychologische en psychiatrische dossiers zoals dat onder art. 29 WPR en ook dŠŠrvoor en daarbuiten reeds erkenning vond.(96)

6. Conclusie

Mijn conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

De procureur-generaal bij de
Hoge Raad der Nederlanden,

A-G

1 Zie voor het beroep hierop door HBU rov. 6-11 van de beschikking van het hof.
2 Zie voor het beroep hierop door HBU rov. 14 van de beschikking van het hof.
3 Zie voor het beroep hierop door HBU rov. 23-24 van de beschikking van het hof.
4 Zie voor het beroep hierop door HBU rov. 14-18 van de beschikking van het hof.
5 Zie over art. 843a Rv overigens inmiddels de recente monografie van J.R. Sijmonsma, Art. 843a Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering ont(k)leed, Nijmegen 2007, met name pp. 57-58. De auteur bespreekt daar Dexia-rechtspraak; meer in het bijzonder het verweer van Dexia (en HBU) dat het inzageverzoek op basis van de Wbp het bepaalde in art. 843a Rv op onaanvaardbare wijze zou doorkruisen. 'Ik heb geen enkele uitspraak gevonden waarin dit verweer is gehonoreerd. Elk gerecht overweegt terecht min of meer dat uit niets blijkt dat art. 843a Rv een speciesbepaling zou zijn die in de weg staat aan de mogelijkheid om langs andere wegen gegevens te verzamelen. (...) Aldus staat als een paal boven water dat in elk geval de feitenrechters van oordeel zijn dat art. 35 Wbp en art. 843a Rv zonder meer naast elkaar kunnen bestaan waarbij een op het ene artikel gebaseerde vordering niet kan worden beperkt op gronden ontleend aan het andere artikel.'
6 Ontleend aan rov. 2.1 t/m 2.5 van de beschikking van de rechtbank Rotterdam van 7 oktober 2005, waarnaar ook het hof in rov. 2 van zijn beschikking verwijst, alsmede aan rov. 2 onder a t/m d van 's hofs beschikking.
7 Zie mede rov. 2 sub d van de beschikking van het hof.
8 Deze datum wordt vermeld in rov. 1.1 van de beschikking van de rechtbank.
9 Vgl. rov. 3 van de beschikking van het hof.
10 Aldus rov. 4, eerste alinea, van de beschikking van het hof. Rov. 5.6, tweede alinea, van de beschikking van de rechtbank luidt m.i. genuanceerder. Ik kom hierop terug in nr. 5.11.
11 Zie rov. 5.10 van de beschikking van de rechtbank.
12 Zie rov. 2 onder b van de beschikking van het hof, of hiervůůr, nr. 2.4.
13 De beschikking van het hof is gepubliceerd in NJF 2006, 510 en in JOR 2006, 293 m.nt. C.W.M. Lieverse.
14 Het verzoekschrift tot cassatie, gericht tegen de beschikking van het hof d.d. 22 augustus 2006, is op 22 november 2006 ter griffie van de Hoge Raad binnengekomen.
15 De voetnotennummering is niet synchroon; dat was trouwens ook niet (onderling) het geval in de conclusies in de zaken R06/045HR en R06/046HR.
16 Stb. 302, zoals nadien gewijzigd, laatstelijk bij de wet van 22 december 2005, Stb. 2006, 24. Ik vermeld hier reeds drie boeken over de Wbp: J.E.J. Prins & J.M.A. Berkvens (red.), Privacyregulering in theorie en praktijk, 3e druk 2002; J.M.A. Berkvens & R.J.M. van der Horst, Wet bescherming persoonsgegevens, Leidraad voor de praktijk (losbladige uitgave Kluwer), en (recent verschenen) S.M. Huydecoper (red.),Wet bescherming persoonsgegevens en ICT, 2006, waarin hoofdstuk 2 geheel gewijd is aan de Wbp.
17 PbEG L281/31.
18 Ingekort ten opzichte van de conclusies in de zaken R06/045HR en R06/046HR (vgl. 4.1).
19 Vgl. de MvT bij w.v. 13872 ('Verklaring dat er grond bestaat een voorstel in overweging te nemen tot verandering in de Grondwet van bepalingen inzake de grondrechten'), TK 1975-1976, p. 42: 'De grote en niet altijd voorzienbare mogelijkheden van aantasting van de persoonlijke levenssfeer door het vastleggen van persoonsgegevens roept de vraag op of moet worden bevorderd dat de burger voor zijn belangen ter zake kan opkomen, in dier voege dat hij ervan kan kennis nemen welke gegevens over hem zijn vastgelegd en dat hem de gelegenheid tot verbetering wordt geboden.'
20 MvT bij w.v. 25 892, TK 1997-1998, nr 3, pp. 9-10, 18-20, 157.
21 Uit de MvT blijkt dat art. 35 Wbp aansluit bij art. 29 WPR (zie TK 1997-1998, 25 892, nr. 3, pp. 157-158).
22 TK 1986-1987, 19 095, nr. 6, pp. 57-58.
23 Rank en Haasjes verwijzen - ter ondersteuning van hun standpunt dat een betrokkene bij een verzoek om inzage geen recht heeft op afschriften/kopieŽn van documenten waarin zijn persoonsgegevens zijn opgenomen - naar een andere passages uit de WPR-wetsgeschiedenis: het antwoord van de minister van justitie op een Kamervraag van het Eerste Kamerlid Wagemakers (W.A.K. Rank en A.J. Haasjes, Misbruik van de Wbp in civiele procedures tegen financiŽle instellingen, Tijdschrift voor financieel recht 2005, p. 372). Deze verwijzing biedt m.i. evenwel geen steun voor hun opvatting, omdat de betreffende discussie tussen de minister en Wagemakers duidelijk op een misverstand berustte. Wagemakers begreep dat de minister betoogde dat indien iemand zich tot een bank wendt met de vraag welke informatie de bank van hem heeft, de bank volgens de minister dan niet alleen de actuele informatie zou moeten geven maar ook alles wat in het archief ter zake voorkomt. Uit het antwoord van de minister blijkt dat er sprake was van een communicatiestoring: 'Nee, want de informatie waarover wij spreken, is niets anders dan het historisch verloop van de rekening-courant, waarvan iedereen zelf alle gegevens altijd thuisgestuurd gekregen heeft. Als iemand een kredietdossier heeft laten aanleggen, is dat een ander verhaal. Maar dit dossier pleegt dan, zolang de desbetreffende kredietrelatie duurt, in het actuele bestand voorhanden te zijn. Ik had het gevoel dat de heer Wagemakers informeerde naar de situatie waarin een cliŽnt in een simpele, eenvoudige rekeningcourantrelatie staat tot de bank en de bank beleefdheidshalve dagafschriften naar de cliŽnt stuurt, zodat hij weet of hij rood staat of niet. (...) Als de cliŽnt vraagt welke gegevens de bank heeft, dan is het antwoord van de bank: Niet meer dan wat wij u nu al jaar en dag eens per week toesturen' (EK 1987-1988, 19 095, nr. 14, pp. 589-590).
Van den Bergen meent daarentegen dat de wetsgeschiedenis van de WPR aanknopingspunten biedt voor het standpunt dat het recht op inzage wťl het recht op kopieŽn omvat. Daartoe verwijst hij naar de volgende passage: 'De omstandigheid dat de geregistreerde recht heeft op een volledig overzicht, staat er verder niet aan in de weg dat hij zijn verzoek op bepaalde gegevens kan toespitsen. Evenzo is het denkbaar, dat een onderscheid wordt gemaakt tussen gegevens die zonder meer en gegevens die, omdat zij moeilijker bereikbaar zijn, alleen op daartoe strekkend verzoek worden verstrekt. Daarover zal dan wel voldoende openheid moeten bestaan. Op deze wijze zal in de praktijk een redelijk evenwicht kunnen worden gevonden, zonder dat aan de rechten van de geregistreerde afbreuk wordt gedaan.' (A.J.E. van den Bergen, De Wet bescherming persoonsgegevens in de financiŽle procespraktijk, Tijdschrift voor financieel recht 2005, p. 304).
24 Dat dit niet in dezelfde mate geldt voor herkomst van de gegevens, blijkt al uit art. 35 lid 2 (in fine).
25 Vgl. ook hierna, nr. 5.25.
26 Thans bepaalt art. 39 Wbp dat de verantwoordelijke voor een bericht als bedoeld in art. 35 Wbp een kostenvergoeding van de betrokkene (die een inzage verzoek heeft gedaan) kan verlangen. Conform het Besluit kostenvergoeding rechten betrokkene Wbp (Stb. 2001, 305) bedraagt de vergoeding Ä 0,23 per pagina, met een maximum van Ä 4,50 per bericht. Dit maximum geldt ook wanneer een bericht op een andere gegevensdrager dan papier wordt verstrekt. Wanneer het afschrift meer beslaat dan 100 pagina's of bestaat uit een afschrift van een, vanwege de aard van de verwerking, moeilijk toegankelijke gegevensverwerking, mag een maximum bedrag worden gevraagd van Ä 22,50. Het hof verwijst in de onderhavige zaak naar voornoemd Besluit in rov. 27 van de bestreden beschikking.
27 'U spreekt met Verkade', of omgekeerd 'Dag meneer Verkade/spreek ik met meneer Verkade.'
28 Omdat de CAO-norm bij de uitleg van een schriftelijke overeenkomst meer in aanmerking komt in het geval niet beide partijen bij de totstandkoming daarvan betrokken zijn geweest. In HR 20 februari 2004, NJ 2005, 493, m.nt. C.E. du Perron, heeft de Hoge Raad een nadere invulling gegeven aan deze uitlegmethode. Zie over de CAO-maatstaf (en de verhouding tot de zgn. Haviltex-norm) voorts: Asser-Hartkamp 4-II, 2005, nrs. 286a en 286b.
29 Daargelaten dat het onaannemelijk is dat het CBP in zo'n geval de verklaring ex art. 25 zal geven.
30 De Gedragscode is (o.m.) te raadplegen op de website van het College Bescherming Persoonsgegevens: www.cpb.nl onder 'wetten en zelfregulering'; 'Gedragscodes'. Zij is ook opgenomen in Berkvens & Van der Horst, a.w. (voetnoot 16) onder VI.B.2.
31 Het CBP heeft op 27 januari 2003 verklaard dat deze Gedragscode een juiste uitwerking vormt van de Wbp en andere wettelijke bepalingen betreffende de verwerking van persoonsgegevens (zie Stcrt. 2003, 23, p. 16).
32 Vgl. het summiere nr. 5.1 van de conclusies in de zaken R06/045HR en R06/046HR.
33 MvT bij w.v. 25 892, TK 1997-1998, nr. 3, p. 5.
34 Ik sluit aan bij de in het middel onderstreepte passage.
35 Zie hierboven nrs. 4.18h-4.18i.
36 Vgl. hierboven nrs. 4.7 e.v. (met name nr. 4.10, terzake van enige parlementaire discussie).
37 De enige mij bekende infractieprocedure is die van de Commissie tegen de Staat Luxemburg, wegens te late implementatie: zie HvJ EG 4 oktober 2001, C-450/00, Jur. 2001, p. I-7069.
38 De teksten van de hier genoemde wetten kunnen worden gevonden op de website van de Europese Commissie: www.ec.europa.eu; interne markt; protection of rights; data protection; status of implementation of Directive 95/46/EC.
39 D. de Bot, Verwerking van persoonsgegevens, 2001, p. 233. Volgens De Bot is het zelfs mogelijk om de mee te delen informatie te 'moduleren' door bepaalde inlichtingen schriftelijk te verstrekken en de betrokkene er daarbij op te wijzen dat hij van de andere gegevens mondeling kennis kan krijgen.
40 Ook de tekst van deze wet kan worden geraadpleegd op de website van de Europese Commissie; zie voetnoot 38.
41 Durant vs. FSA; Case No: B2/2002/2636 van 8 december 2003; zie over deze uitspraak nader J.M.A. Berkvens, Durant vs. FSA, Privacy & Informatie, 2004 (3), pp. 110-113.
42 In lid 3 van paragraaf 34 staat dat 'Die Auskunft schriftlich wird erteilt, soweit nicht wegen der besonderen Umstšnde eine andere Form der Auskunfterteilung angemessen ist.'
43 Loi nļ 78-17 van 6 januari 1978, als gewijzigd door Loi nļ 2004-801 van 6 augustus 2004.
44 Althans onder het laatste lid (5) van art. 39.
45 Zie http://www.cnil.fr/index.php?id=1982. In het verzoekschrift tot cassatie (nr. 16) wordt zijdens HBU op deze website gewezen. De tekst in het Frans heb ik niet kunnen vinden.
46 Ley OrgŠnica 15/1999 de 13 diciembre de Proteccion de Datos de Caractťr Personal.
47 De toelichting in het cassatieverzoekschrift gaat in nrs. 18-19 (p. 17) nog in op de situatie in ItaliŽ, waar aanspraak op kopieŽn alleen zou bestaan in gevallen waarin het terugvinden van de data 'too difficult' is. Ik heb geen gelegenheid gehad om zelf Italiaanse bronnen te bestuderen.
48 TK 1997-1998, 25 892, nr. 3, p. 171.
49 Zie art. 51 Wbp.
50 De brief van 3 september 2004 is tevens op internet te raadplegen: www.cbpweb.nl. (kenmerk: z2003-1617). Het CBP heeft zijn standpunt ten aanzien van de wijze waarop Dexia aan de inzageverzoeken ex art. 35 Wbp voldoet nader onderbouwd in een brief (aan Dexia) van 13 oktober 2004 (kenmerk: z2003-1617). Deze brief is eveneens te vinden op voormelde website. Beide brieven zijn ook door [verweerder] c.s. in het onderhavige geding gebracht als resp. productie 7 en 8 bij hun verzoekschrift in eerste aanleg.
51 Zie p. 3 van de brief van het CBP aan Dexia van 13 oktober 2004. Zie voor de vindplaats van deze brief de vorige voetnoot.
52 Zie p. 12 van de brief van 3 september 2004.
53 Zie p. 2 van de eerder genoemde brief van 13 oktober 2004.
54 Ingekort ten opzichte van de conclusies in de zaken R06/045HR en R06/046HR (vgl. 4.1).
55 Ik wijs in dit verband ook op EHRM 7 juli 1989, NJ 1991, 649, m.nt. EJD (Gaskin), waarin - kort samengevat - een inzagerecht in het eigen kinderbeschermingsdossier op basis van art. 8 EVRM aan de orde was, en waarbij de toekenning van dat recht niet afhankelijk werd gesteld van een wens tot eventuele rectificatie.
56 Dat de verzoeker in casu daarop geen aanspraak kon maken, doet aan bovenstaande vooropstelling niet af.
57 Ik kan terzijde nog wijzen op HR 3 juni 2005 (R04/072; A./Stichting Sint Jans Gasthuis). Die zaak betrof de vraag of een bepaald dossier, waarvan inzage was gevraagd, onder de werkingssfeer van de Wbp viel (des neen).
58 Zie voor in sommige opzichten uitgebreidere besprekingen van de verschillende gerechtelijke uitspraken in Dexia-zaken de eerder genoemde artikelen: Van den Bergen, Tijdschrift voor financieel recht 2005, pp. 296-306; Rank/Haasjes, Tijdschrift voor financieel recht 2005, pp. 370-379; Holvast, Computerrecht 2005, pp. 323-327 (annotatie); Zwenne/Webbink, P&I 2006, pp. 2-8; Van Schoonhoven, Computerrecht 2006, pp. 200-205. Zie ook nr. 4.38a.
59 NJF 2006, 191; dit is de thans in cassatie onder nr. R06/045HR aanhangige procedure.
60 JOR 2006, 129, m.nt. P.J. van der Korst.
61 Zie rov. 4.4 van die beschikking.
62 Zie rb. Almelo 14 februari 2005, JOR 2005, 75 (rov. 14).
63 In dezelfde zin rb. Utrecht 12 januari 2005, NJF 2005, 93 (rov. 3.8) met de toevoeging dat dit anders is indien de telefoongesprekken op digitale of schriftelijke wijze zijn vastgelegd en persoonsgegevens betreffen.
64 Deze uitspraak van de rb. Almelo dateert ook van 14 februari 2005, LJN AS5909 (zie rov. 5.3).
65 Vgl. de in voetnoot 58 genoemde publicaties.
66 Rechtbank Amsterdam 19 mei 2005, Computerrecht 2005, nr. 49, p. 320, m.nt. J. Holvast.
67 Zie rov. 3.6 van deze uitspraak.
68 Rb. Zwolle 9 maart 2005, LJN AS9407 (rov. 4.8) en Rb. Rotterdam 20 mei 2005, LJN AT8525 (rov. 4.5.2). Uit Rb. 's-Hertogenbosch 31 maart 2005, LJN AT3148 - een zaak die zich buiten de 'Dexia-sfeer' afspeelde - kan m.i. worden afgeleid dat deze rechtbank dezelfde mening was toegedaan. In die zaak ging het om een verzoek tot het verstrekken van een afschrift van een proces-verbaal.
69 De niet gepubliceerde uitspraken hebben de zaaknummers BAN 03-1128; BAN 03-1072 en BAN 03-1131. [verweerder] c.s. hebben in de onderhavige procedure ook naar deze drie vrijwel identieke uitspraken van de Geschillencommissie verwezen; o.m. in nr. 50 van hun verweerschrift in principaal appel, tevens voorwaardelijk incidenteel appelschrift. De uitspraak met zaaknummer BAN 03-1131 hebben zij als productie 9 bij hun verzoekschrift in eerste aanleg in het geding gebracht.
70 De Geschillencommissie voegde hier nog aan toe dat dit slechts geldt voor zover het Dexia krachtens art. 8.5.1 van de Gedragscode is toegestaan telefoongesprekken op te nemen en dat buiten deze bepaling vallende telefoongesprekken moeten worden gewist.
71 Vgl. ook voetnoot 58.
72 Rank/Haasjes, a.w. (noot 23, 2005)), pp. 370-379.
73 Van den Bergen, a.w. (noot 23, 2005), pp. 296-306.
74 J.M.A. Berkvens, WBPerikelen; inzage, inzicht of overzicht?, Privacy & informatie, 2005 (3), p. 119-121.
75 Zwenne/Webbink, a.w. (noot 58, 2006), pp. 2-8.
76 Zie zijn noot onder Rb. Amsterdam 19 mei 2005 in Computerrecht, 2005, nr. 49, p. 325. Het betoog van Holvast - dat onder de WPR algemeen werd erkend dat het recht op inzage het recht op kopie(Žn) inhield - grijpt terug op het commentaar van Holvast in de (oude) losbladige WPR, Verwante regelgeving bij art. 29, Wet politieregisters, aant. 1.3, waar staat dat 'een belangrijk verschil met de WPR [is] dat (op basis van de Wet politieregisters; toevoeging A-G) geen afschrift of kopie van de gegevens kan worden verkregen.'
77 Zie pp. 325-326 van de in de vorige voetnoot genoemde annotatie.
78 C.W.M. Lieverse, De rol van de Wet bescherming persoonsgegevens in procedures tegen financiŽle instellingen, in 10 jaar "JOR"Alsnog geannoteerd, 2006, p. 109 e.v. (114-115).
79 David Bainbridge, EC Data Protection Directive, 1996, p. 162.
80 Boardman, R. et al, Encyclopedia of Data Protection & Privacy, Sweet & Maxwell, par. 2-274/3.
81 De toelichting bij het middel, nr. 25 op p. 19, bevestigt dit.
82 Vgl. ook supra nr. 4.11 e.v.
83 Vgl. in dit verband het dictum van 's hofs beschikking.
84 De toelichting bij het middel, nr. 25 op p. 19, bevestigt dit.
85 Zie Verweerschrift in principaal appel tevens voorwaardelijk incidenteel appelschrift, p. 43 e.v., nr. 137 e.v. (De voorwaardelijk incidentele grieven werden later onvoorwaardelijk gemaakt, zie supra nr. 3.7).
86 Vgl. H. Oudelaar, Civielrechtelijke executiegeschillen, diss. Leiden 1992, p. 319.
87 Vgl. na HR 3 januari 1964, NJ 1964, 445 m.nt. GJS (Lexington) bijv. HR 5 april 2002 (C00/197), NJ 2003, 356 m.nt. Gielen, IER 2002, nr. 37, p. 225 m.nt. HMHS en HR 15 april 2005, (C03/230), NJ 2006, 55 m.nt. Gielen.
88 Vlg. Oudelaar, a.w., waar hij op p. 318 e.v. de gronden bespreekt waarop de executierechter in de executie mag ingrijpen. Eťn van de door hem besproken gronden is 'een onduidelijke executoriale titel'. In dit verband merkt Oudelaar (p. 319) op dat het geen nader betoog behoeft dat rechters zo veel mogelijk moeten voorkomen dat door hen gewezen vonnissen voor meer dan een uitleg vatbaar zijn. Oudelaar verwijst in dit verband tevens (in voetnoot 130) naar H.J. Snijders (Troubles en doubles in het burgerlijk procesrecht, Inaugurele rede Rotterdam, 1995, p. 24), die er (ook) voor pleit dat rechters in hun vonnissen aan partijen optimale duidelijkheid - zo nodig ambtshalve - verstrekken, zodat latere executiegeschillen zo veel mogelijk vermeden worden.
89 Ik verwijs andermaal naar nr. 4.11 e.v.
90 Vgl. supra nrs. 4.8 en 4.18h, alsmede de argumentatie van het College Bescherming Persoonsgegevens, aangehaald in nr. 4.27.
91 Vgl. hierbij het citaat in nr. 4.39b.
92 Zie hierboven de nrs. 4.25-4.26.
93 TK 1998-1999, 25 892, nr. 6, p. 47-48.
94 Tenzij een beroep op (een van) de weigeringsgronden als bedoeld in art. 43 Wbp opgaat.
95 Zie art. 8.5.3 van de Gedragscode, zoals hiervoor onder 4.18 geciteerd.
96 Vgl. nr. 4.28 en vgl. voorts mijn bijdrage in Prins & Berkvens, Privacyregulering in theorie en praktijk, 3e druk 2002, pp. 69-73, alsmede de rechtspraak als vermeld in de 'oude' losbladige 'Wet persoonsregistraties - Leidraad voor de praktijk' bij art. 29 WPR (p. I.Art.29. Jur - 13 e.v.).