|
Jan Hop (1) - Ron Nienhuis (3)
- Judith Leenders (685) over wraking rechters: Bekijk de uitzending van Omroep Gelderland en start afspelen uitzending op 09:28 123 Politicus Jan Hop opent discussie 11 september 2011: "Kinderbeschermingsmaatregelen na verzonnen verhalen is fraude! Ontvangen jeugdzorg gelden afkomstig uit dit soort fraude dient als heling te worden aangemerkt!" "In uitnodiging hoorzitting rechtbank MOET VERPLICHT naam behandeld rechter staan t.b.v. onderzoek!" (Eerste reactie Stichting Bureau Jeugdzorg Noord-Brabant en antwoord van Hop binnen paar uur: 745) |
Eerlijk rechtsproces voor Cruijff/Ajax c.s.(563) tegen oneerlijk rechtsproces voor Hop (95) en/of andere burgers die rechters wraken en waarop steeds WEL door rechters van dezelfde rechtbank wordt beslist
Benoeming van Gaal en Sturkenboom geschorst. De Voorzieningenrechter gaat er in dit kort geding vanuit dat het voorgenomen besluit tot de benoemingen van Van Gaal en Sturkenboom tot statutair directeur, rechtsgeldig is genomen. 1.2. In verband met het feit dat de rechtbank Amsterdam sinds begin 2011 bij het ontwerpen van de nieuwe organisatiestructuur in het kader van de herziening gerechtelijke kaart begeleid wordt door een organisatiebureau, waarvan een van de gedaagden deel uitmaakt, is niet wenselijk geacht dat een vast aan de rechtbank Amsterdam verbonden voorzieningenrechter in deze zaak zal optreden en de zitting in de Amsterdamse rechtbank zou worden gehouden. Ingevolge het bepaalde in artikel 6, tweede lid, van het Besluit nevenvestigings- en nevenzittingsplaatsen treedt de rechtbank Haarlem, op verzoek van de rechtbank Amsterdam, op als nevenzittingsplaats van de rechtbank Amsterdam. De raadslieden zijn hierover bij brief van 1 december 2011 van de rechtbank Amsterdam geïnformeerd.
Jan Hop: "Op wrakingen van rechters dient door rechters van een andere rechtbank te worden beslist met als grondslag de zaak HENDRIK JOHANNES CRUIJFF wonende te Barcelona tegen Ajax
"
1
Embargo tot
donderdag 9 december 2010 om 10 uur
Naar hulp, genoegdoening, openbaarheid en transparantie
Een onderzoek naar en advies over het functioneren van de kerkelijke instelling voor hulp
aan en recht voor slachtoffers van seksueel misbruik in de Rooms-Katholieke Kerk in
Nederland
Den Haag, 9 december 2010
Commissie van onderzoek seksueel misbruik in de Rooms-Katholieke Kerk
Postbus 556
2501 CN Den Haag
www.onderzoekrk.nl
reactie@onderzoekrk.nl
2
Inhoudsopgave
Samenvatting 3
Inleiding 7
1. Het functioneren van
Hulp & Recht: 1995-2010 132. Knelpunten in het functioneren van
Hulp & Recht 393. Conclusies en aanbevelingen 53
Bijlagen 63
1. Verantwoording
2. Hulp aan slachtoffers
3. Lotgenotengroepen
4. Lijst van personen waarmee de
Onderzoekscommissie heeft gesproken5. Lijst van personen binnen
Hulp & Recht6. Geraadpleegde literatuur en documentatie
7. Lijst van afkortingen
8. Samenstelling van de
Onderzoekscommissie3
Samenvatting
Dit onderzoek naar en advies over het functioneren van
Hulp & Recht heeft de Commissie vanonderzoek naar seksueel misbruik in de Rooms-Katholieke Kerk
(verder: de Onderzoekscommissie)met voorrang uitgevoerd. De
Onderzoekscommissie staat onder voorzitterschap van drs. W.J.Deetman. De
Onderzoekscommissie richt zich in haar onderzoek op seksueel misbruik vanminderjarigen. Voor haar onderzoeksopdracht verwijst de
Onderzoekscommissie naarwww.onderzoekrk.nl/advies.
De
Onderzoekscommissie heeft besloten op korte termijn advies uit te brengen over Hulp &Recht
, mede gezien de grote druk waaronder deze instelling thans staat. Hulp & Recht heefteen taakstelling die niet alleen minderjarige slachtoffers van seksueel misbruik betreft, maar
ook misbruik van meerderjarigen. Bij de huidige stand van het onderzoek is duidelijk
geworden dat van een effectieve hulpverlening door
Hulp & Recht noch door de Rooms-Katholieke Kerk
kan worden gesproken.Slachtoffers van seksueel misbruik kunnen zich melden bij
Hulp & Recht. Alle meldersontvangen informatie over de klachtenprocedure. Niet alle melders dienen een klacht in.
Hulp & Recht
maakt onderscheid tussen een melding en een klacht. Iemand kan seksueelmisbruik melden en eventueel enkele gesprekken met een vertrouwenspersoon voeren en
daar blijft het dan bij. Een melding kan overgaan naar/in een klacht, waarvoor een
klaagschrift wordt opgesteld, als een melder een onderzoek wil laten instellen naar de
gemelde handelingen.
Hulpverlening
Een groot aantal slachtoffers van seksueel misbruik heeft zich het afgelopen jaar gemeld bij
Hulp & Recht.
Het gaat om bijna 1800 meldingen waarvan 241 een klacht betreffen. Veelmelders en klagers hebben hulp nodig in het leven met en verwerken van de gevolgen van
seksueel misbruik op jonge leeftijd. Vaak krijgen ze al voor hen passende hulp en
ondersteuning. Soms niet, maar noch de
Rooms-Katholieke Kerk noch Hulp & Recht is deslachtoffers tegemoet gekomen met de hulp die ze nodig hebben.
Voor alle hulp bij de verwerking van traumatische ervaringen is de huisarts de sleutelfiguur.
De
Onderzoekscommissie heeft een gespecialiseerd hulpaanbod in kaart gebracht en vierinstellingen benaderd om hulp te bieden aan getraumatiseerde mannen en vrouwen die
slachtoffer zijn van seksueel misbruik in de
Rooms-Katholieke Kerk.De
Onderzoekscommissie doet voorstellen voor de opzet en het functioneren van eenkwaliteitscentrum hulpverlening dat hulpbehoevende slachtoffers kan doorverwijzen naar
de juiste hulp. Dit centrum moet slachtoffergroepen faciliteren en ook hulp aan een vaak
vergeten groep – de familieleden van slachtoffers – bieden.
Openbaarheid en transparantie
Hulp & Recht
, in het bijzonder de Beoordelings- en adviescommissie, behandelt klachten overseksueel misbruik in de
Rooms-Katholieke Kerk.4
Klagers worden bij het opstellen van hun klaagschrift bijgestaan door juridisch adviseurs en
als ze dat willen wordt hen ook een vertrouwenspersoon toegewezen. De
Beoordelings- enadviescommissie (BAC)
vraagt van de aangeklaagden een verweerschrift. Als de aangeklaagdeniet meer leeft, wordt het verweerschrift opgesteld door de verantwoordelijke bisschop of
hogere overste. De BAC hoort klager en aangeklaagde en geeft een advies. Dit advies bevat
een uitspraak over het al dan niet gegrond zijn van een klacht en als de klacht gegrond is
stelt de BAC maatregelen voor. De bisschop of hogere overste beslist over het advies. Wat
met de in het advies voorgestelde maatregelen gebeurt is vaak niet te achterhalen. De
uitspraak en het advies van de BAC zijn niet openbaar. De
Onderzoekscommissie kiest – netzoals dat bij klachtencommissies voor bij voorbeeld het onderwijs het geval is - voor
openbaarheid. De
Onderzoekscommissie stelt voor jaarlijks de uitspraken en adviezen ingeanonimiseerde vorm te publiceren. Ook moet jaarlijks worden nagegaan wat met de
adviezen van de BAC gebeurt. Het zou goed zijn als wordt vastgesteld of en zo ja, wanneer
én waarom bisschoppen en hogere oversten afwijken van adviezen van de BAC.
Hulp & Recht
is in de Rooms-Katholieke Kerk wellicht geen unieke, maar wel een bijzondereorganisatie. Er zijn in het buitenland niet veel voorbeelden bekend van instellingen waar
slachtoffers met hun klachten terecht kunnen die een zekere zelfstandige positie ten opzichte
van de
Rooms-Katholieke Kerkprovincie kennen. De voorzitter en leden van BAC zijn personenmet een grote mate van deskundigheid. Zij verrichten net als de voorzitter en leden van het
bestuur van
Hulp & Recht hun taken met grote toewijding en integriteit. Dat geldt ook voorde voorzitter en leden van de eerdere BAC en voor de vertrouwenspersonen, medewerkers
en oud-medewerkers van
Hulp & Recht en de BAC.Begin dit jaar kreeg
Hulp & Recht te maken met een groot aantal meldingen en klachten diede organisatie volledig hebben overvallen. De administratieve chaos die hiervan het gevolg
was heeft geleid tot kritiek op het functioneren van
Hulp & Recht. Te lang is gewacht met hetprofessioneel opvangen van deze meldingen en klachten. Te lang was de administratie
bepaald niet op orde. Dit vormde een extra voedingsbodem voor het wantrouwen in
Hulp &Recht,
die vooral is ontstaan door onhelderheid over de bevoegdheden van Hulp & Recht. Hetbestuur is verantwoordelijk, was op de hoogte van de ernst van de situatie, reageerde
onvoldoende adequaat en schoot dan ook tekort.
De huidige organisatievorm van
Hulp & Recht staat niet alleen slagvaardig optreden maarook transparantie en verantwoording in de weg. Naast het bestuur functioneert de BAC, de
eigenlijke klachtencommissie met een eigen voorzitter, plaatsvervangend voorzitter en
griffie. De
Onderzoekscommissie doet voorstellen voor een nieuwe organisatie met een beter bijde taken passende benaming. De organisatie bestaat uit een klachtencommissie met een
voorzitter die wordt ondersteund door een ambtelijke algemeen manager. De
klachtencommissie kent een griffie voor een zorgvuldige maar ook doelmatige behandeling
van de klachten. De griffie zorgt voor een heldere en overzichtelijke verantwoording. Naast
de griffie fungeert een meldpunt waar de eerste contacten met melders en klagers
plaatsvinden. Het kwaliteitscentrum zorgt voor een juiste doorverwijzing van melders en
klagers die hulp en ondersteuning nodig hebben. Dit kwaliteitscentrum faciliteert ook
lotgenotengroepen en zorgt voor hulp aan familieleden van slachtoffers.
5
De
Onderzoekscommissie wil de positie van de nieuwe organisatie ten opzichte van de Rooms-Katholieke Kerk
in Nederland transparanter maken. De bisschoppenconferentie en deKonferentie Nederlandse Religieuzen
benoemen de voorzitter en leden van klachtencommissieop voordracht van de klachtencommissie. De
Onderzoekscommissie stelt voor om dedeskundigheid in het bestuur van de nieuwe klachtencommissie te verbreden door behalve
personen met een bestuurlijke en juridische achtergrond ook personen op te nemen met
deskundigheid op het gebied van slachtofferhulp, met deskundigheid van tweede en
derdelijns geestelijke gezondheidszorg en van werkgeschiktheid en reïntegratie. Niet een
rooms-katholieke achtergrond maar deskundigheid hoort het doorslaggevende
selectiecriterium te zijn.
De huidige klachtenprocedure moet worden aangepast. Zo moet bij het vermoeden van een
niet-verjaard strafbaar feit de bisschop en hogere overste contact opnemen met het
OpenbaarMinisterie
. Bij verkrachting bestaat reeds een wettelijke verplichting tot het doen vanaangifte. Voor bisschoppen en hogere oversten moet een plicht gelden voor het melden van
gevallen van seksueel misbruik bij de klachtencommissie.
De
Onderzoekscommissie heeft overwogen om de klachtenprocedure en de hiervoorbenodigde organisatie op afstand te plaatsen en volledig onafhankelijk te maken van de
Rooms-Katholieke Kerkprovincie
. Nadeel hiervan is dat dan voorlopig niets of niet veel kanworden gedaan aan de vele klachten over seksueel misbruik. Een dergelijjk voorstel zou
indruisen tegen de belangen van de slachtoffers zowel bij de gegrondverklaring van hun
klachten als bij de behandeling van eventueel door hen in te dienen schadeclaims.
De
Onderzoekscommissie vraagt de bisschoppenconferentie en de Konferentie NederlandseReligieuzen
om uiterlijk 1 juli 2011 een verslag aan de Onderzoekscommissie aan te bieden.Hierin geven ze aan of en zo ja op welke wijze zij de aanbevelingen van de
Onderzoekscommissie
hebben overgenomen en uitgevoerd. In haar eindrapportage zal deOnderzoekscommissie
aan de hand hiervan nadere voorstellen doen.Genoegdoening
In 2010 (tot 23 november jl) heeft
Hulp & Recht 1799 meldingen over (seksueel) misbruikontvangen. Zo'n 210 melders hebben een klacht ingediend (in totaal 241 klachten). Deze
klachten doorlopen de klachtenprocedure en de BAC/klachtencommissie doet na
behandeling van deze klachten een uitspraak over het al dan niet gegrond zijn van de
klachten. Als klachten gegrond worden verklaard zijn de feiten en omstandigheden
vastgesteld en vormen die geen punt van discussie meer bij de vaststelling van eventuele
schade. De huidige BAC kan in 2011 200 klachten behandelen. Dit betekent dat eind
2011/begin 2012 van de nu ingediende 241 klachten bekend is of ze gegrond dan wel
ongegrond zijn verklaard.
•
VerjaringVermoedelijk betreffen de meeste klachten die nu in behandeling zijn gebeurtenissen die
verjaard zijn.
In geval van een bewezen verklaarde onrechtmatige daad is schadevergoeding een
juridische consequentie.
6
Als een dergelijke civielrechtelijke vordering zal blijken te zijn verjaard, dan zal - zo stelt de
Onderzoekscommissie
voor - een beroep op verjaring niet leidend zijn bij het antwoord van deRooms-Katholieke Kerk
op de vraag of de Kerk overgaat/moet overgaan op betaling vanschadevergoeding en/of compensatie anderszins. Het betalen van een schadevergoeding
en/of compensatie anderszins na verjaring kan juridisch gekwalificeerd worden als het
voldoen aan een natuurlijke verbintenis.
Hiermee staat het -juridische - probleem van verjaring financiële genoegdoening niet meer in
de weg. De
Onderzoekscommissie beveelt bisschoppen en hogere oversten aan omverantwoordelijkheid te nemen voor het door seksueel misbruik veroorzaakte en bij velen
aangedane leed en daarom bij de vraag naar (financiële) compensatie een beroep op
verjaring niet leidend te laten zijn.
•
Commissie-LindenberghDe
Onderzoekscommissie dringt erop aan dat de commissie-Lindenbergh zo spoedig mogelijkvoor alle geledingen binnen de
Rooms-Katholieke Kerk (bisdommen, ordes, congregaties)aanbevelingen doet voor de wijze van afhandeling van schadevergoeding en compensatie.
Voor de
Onderzoekscommissie is het - in het belang van klagers die schadevergoeding encompensatie vragen - denkbaar dat aan deze klagers een collectieve regeling wordt
aangeboden. Binnen een dergelijke collectieve regeling zou naar gelang de ernst van de
gegrond verklaarde klacht kunnen worden gekozen voor een differentiatie, zodat met de
individuele verschillen en belangen rekening kan worden gehouden. In de
klachtenprocedure van
Hulp & Recht zijn onafhankelijke commissies voorzien (artikel 19, lid4) die zouden kunnen vaststellen hoe de klagers op deze wijze zouden kunnen worden
ingedeeld.
1Voor individuele klagers die schadevergoeding en compensatie vragen én die niet akkoord
zijn met wat hen in een collectieve regeling wordt aangeboden staat de mogelijkheid van de
weg naar de rechter open.
•
Niet-verjaarde zakenEr zijn ook niet-verjaarde zaken waarover gemeld is of waarover een klacht is ingediend. De
Onderzoekscommissie
dringt erop aan om zo spoedig mogelijk aangifte te doen. Als dit leidttot een strafrechtelijke vervolging en rechtszaak, kan de uitspraak worden gebruikt voor een
individuele afdoening van schadevergoeding en compensatie.
1
Artikel 19 lid 4 luidt als volgt: Indien klager een verzoek tot schadevergoeding heeft gedaan, wordt het adviesen – voor zover nodig – de daarbij gevoegde bijlagen, nadat daaruit de persoonsgegevens zijn verwijderd, door
de bisschop, militair ordinarius of overste overhandigd aan een onafhankelijke externe commissie ter bepaling
van de hoogte van die vergoeding.” Zo’n commissie bestaat nog niet. Wel bestaat een commissie van
Aegon ende
Rooms-Katholieke Kerk, maar dit betreft zaken van de oude verzekeringspolis en strekt zich uitsluitend uittot de bisdommen.
7
Inleiding
Algemeen
Dit onderzoek naar en advies over het functioneren van
Hulp & Recht heeft de Commissie vanonderzoek naar seksueel misbruik in de Rooms-Katholieke Kerk
(verder: de Onderzoekscommissie)met voorrang uitgevoerd. De
Onderzoekscommissie staat onder voorzitterschap van drs. W.J.Deetman. De
Onderzoekscommissie richt zich in haar onderzoek op seksueel misbruik vanminderjarigen. Voor haar onderzoeksopdracht verwijst de
Onderzoekscommissie naarwww.onderzoekrk.nl/advies.
De
Onderzoekscommissie heeft besloten op korte termijn advies uit te brengen over Hulp &Recht
, mede gezien de grote druk waaronder deze instelling thans staat. Hulp & Recht heefteen taakstelling die niet alleen minderjarige slachtoffers van seksueel misbruik betreft, maar
ook misbruik van meerderjarigen. Bij de huidige stand van het onderzoek is duidelijk
geworden dat van een effectieve hulpverlening door
Hulp & Recht noch door de Rooms-Katholieke Kerk
kan worden gesproken.Slachtoffers van seksueel misbruik kunnen zich melden bij
Hulp & Recht. Alle meldersontvangen informatie over de klachtenprocedure. Niet alle melders dienen een klacht in.
Hulp & Recht
maakt onderscheid tussen een melding en een klacht. Iemand kan seksueelmisbruik melden en eventueel enkele gesprekken met een vertrouwenspersoon voeren en
daar blijft het dan bij. Een melding kan overgaan naar/in een klacht, waarvoor een
klaagschrift wordt opgesteld, als een melder een onderzoek wil laten instellen naar de
gemelde handelingen.
Melders kunnen verschillende motieven hebben om zich te melden. Sommigen willen een of
andere vorm van compensatie. Anderen zoeken hulp. Weer anderen willen uitdrukking
geven aan hun ongenoegen. Over een bepaalde persoon of over de organisatie waarbinnen
deze persoon werkzaam was of is. Dit uiten van het ongenoegen is in veel gevallen een
zelfstandige behoefte die niet noodzakerlijkerwijs hoeft uit te monden in het indienen van
een formele klacht. Melders die niet willen klagen maar wel willen worden gehoord krijgen
het aanbod van een gesprek met een vertrouwenspersoon. Voor veel personen volstaat een
melding. Voor een aantal melders is de melding de eerste stap die zij doen voor het indienen
van een klacht. Elke klacht wordt behandeld volgens de procedure van
Hulp & Recht. Dithoudt in dat allereerst wordt bezien of de klacht ontvankelijk is. Is dat het geval dan wordt
de klacht voorgelegd aan de
Beoordelings- en adviescommissie (BAC) van Hulp & Recht. DeBAC kan de klacht gegrond, deels gegrond of ongegrond verklaren. Is een klacht gegrond of
deels gegrond, dan adviseert de BAC de bisschop of de hogere overste over te nemen
maatregelen. Uiteindelijk beslist de bisschop of de hogere overste over het advies. De klager
behoort vervolgens te worden ingelicht over de reactie van de bisschop of de hogere overste.
Hulp & Recht
Voor slachtoffers én daders van seksueel misbruik bestaat de kerkelijke instelling
Hulp &Recht
. De Nederlandse bisschoppen besloten op dinsdag 4 april 1995 tot de oprichting vanHulp & Recht
. Aan de oprichting lag een initiatief van de Bisschoppelijke ContactcommissieVrouw en Kerk (
verder: Bisschoppelijke Contactcommissie) ten grondslag.8
Dit initiatief was aanvankelijk gericht op seksuele relaties in de pastorale zorg. Het besluit tot
oprichting was het sluitstuk van een discussie binnen de bisschoppenconferentie over de
vraag hoe de
Rooms-Katholieke Kerkprovincie (RKK) zou moeten omgaan met klachten overseksueel misbruik. De Besturenvergadering van de
Konferentie Nederlandse Religieuzen (KNR)sloot zich aan bij het besluit van de bisschoppen. Voor meer informatie over
Hulp & Rechtzoals die door de instelling zelf wordt verstrekt, verwijst de onderzoekscommissie naar
www.hulpenrecht.nl.
Hieronder een schets van de problemen die in en rond deze procedure voorkomen en die de
Onderzoekscommissie
in de loop van haar onderzoek zijn voorgelegd.Problemen in het functioneren van Hulp & Recht
De
Onderzoekscommissie heeft aan de hand van gesprekken vastgesteld dat bij de instellingHulp & Recht
sprake was en is van problemen. Deze problemen zijn organisatorisch van aarden hebben voor een deel hun oorsprong in ‘weeffouten’ bij de opzet en oprichting van deze
kerkelijke instelling. Daarnaast werd de organisatie compleet overvallen door de publiciteit
over seksueel misbruik in de
Rooms-Katholieke Kerk en de hierop volgende toestroom vanmeldingen en klachten.
1. Organisatorische problemen door toename van meldingen en klacht
Hulp & Recht
bestaat ruim vijftien jaar en ziet zich geconfronteerd met verschillendeproblemen. Het eerste probleem is praktisch en organisatorisch van aard. Het aantal
meldingen liep op van zeven in 2007 naar 1799 in 2010 (tot 23 november jl). Het aantal
personen dat seksueel misbruik meldt en daarover een klacht indient, is het afgelopen jaar
explosief gestegen van drie in 2007 naar 241 in 2010 (tot 23 november jl).
2 De organisatie vanHulp & Recht
kon eerder dit jaar deze toevloed niet aan. Het meldpunt raakte overbelast enwas onbereikbaar. Alle meldingen, ook die per E-mail en brief, moesten worden
geregistreerd en reacties op de meldingen en klachten werden met een vertraging verstuurd.
Om alle meldingen te verwerken werd het bureau van
Hulp & Recht versterkt. Om alleklachten te behandelen is de BAC uitgebreid.
3 Maar ook in de tijd vóór de enorme toestroomvan meldingen en klachten voelden klagers zich niet goed geholpen en ervoeren ze
misverstanden, complicaties en andere fouten bij indiening, behandeling en afhandeling van
hun klacht.
2. De organisatie Hulp & Recht kent verschillende gremia
De kerkelijke instelling
Hulp & Recht bestaat uit twee gremia. Het bestuur van Hulp & Rechtin de persoon van de voorzitter is het gezicht naar buiten en fungeert voor de bisschoppen
en hogere oversten als gesprekspartner. Binnen
Hulp & Recht fungeert de Beoordelings- enadviescommissie
(BAC) die de klachten behandelt, uitspraken doet over het al dan nietgegrond zijn van deze klachten en hierover niet-openbare adviezen uitbrengt aan
bisschoppen en hogere oversten. De eerste behandeling van een melding geschiedt door een
door het bestuur benoemde en met een mandaat van de bisschoppen functionerende
vertrouwenspersoon die in vertrouwelijkheid gesprekken met de melder voert.
2
Notitie ‘gegevens uit registratie Hulp & Recht’ van 23 november 2010 (kenmerk \beleid\cijfers-003).3
Jaarverslag van de landelijke instelling Hulp & Recht over het jaar 2009, blz. 1.9
Klagers worden bijgestaan door juridisch adviseurs, in het dagelijks leven advocaten die aan
de beroepscode van de
Orde van Advocaten zijn gebonden.Het bestuur van
Hulp & Recht wordt in de media en door klagers aangesproken op hetfunctioneren van de BAC in zaken waar ze geen weet van heeft en waar ze – ook als het
bestuur dat zou willen – geen toegang toe heeft. De BAC heeft geen zicht op wat
bisschoppen en oversten met haar adviezen doen, terwijl de verantwoording hierover ligt in
contacten van de bisschoppen en hogere oversten met een op dit vlak onwetend bestuur.
3. Hulp & Recht is geen hulporganisatie
Het derde probleem is deels organisatorisch en deels principieel van aard. Dit probleem
betreft de vraag om hulp. Maar een relatief klein deel van de personen die zich bij
Hulp &Recht
dit jaar hebben gemeld, dient een klacht in en doorloopt de klachtprocedure. Onder demelders komen personen voor die niet klagen, maar wel (onmiddellijk) behoefte hebben aan
hulp. Uit eigen onderzoek van
Hulp & Recht blijkt dat 44 procent van de melders behoefteheeft aan hulp.
4 De wijze waarop Hulp & Recht invulling geeft aan het eerste deel van haarnaamgeving is onduidelijk. De mogelijkheden van
Hulp & Recht om slachtoffers hulp tebieden zijn beperkt. De instelling zelf schrijft: “Voor ieder die zich meldt, is er een aanbod
van ondersteuning in de vorm van persoonlijke gesprekken met een vertrouwenspersoon.”
Maar een pastoraal gesprek is niet altijd passend voor de naar hulp en ondersteuning
zoekende slachtoffers. Voor hen die het vertrouwen in de
Rooms-Katholieke Kerk hebbenverloren biedt
Hulp & Recht geen alternatief. Aansluiting op en doorverwijzing naar eenprofessioneel netwerk van hulpverleners is afhankelijk van de kennis en deskundigheid van
vertrouwenspersonen.
4. Hulp & Recht is niet bevoegd zich uit te spreken over schadeclaims
Klagers hebben vaak – al dan niet terecht - hoge verwachtingen over wat met hun gegrond
verklaarde klacht gebeurt. Ze rekenen op passende maatregelen, maar het komt voor dat de
bisschop of hogere overste de maatregelen die in het advies worden genoemd niet of
gedeeltelijk overneemt. Als de bisschop of hogere overste besluit tot maatregelen dan
ontbreekt het aan inzicht in de mate van uitvoering van dergelijke maatregelen. Feedback en
evaluatie vinden niet plaats. Eisen om in financiële zin compensatie en genoegdoening te
krijgen worden vaak maar gedeeltelijk (voor de vergoeding van kosten van therapie) of niet
binnen de klachtenprocedure van
Hulp & Recht in behandeling genomen. Klagers meldenzich met verzoeken tot vergoeding van immateriële schade. Lopende de klachtenprocedure
komen zij er dan achter dat
Hulp & Recht niet bevoegd is zich te buigen over de toekenningvan een schadevergoeding. Waar ze na de gegrondverklaring van hun klacht terecht kunnen
met hun eisen voor een vergoeding van gemaakte kosten en voor immateriële schade is
onduidelijk. In ieder geval niet bij
Hulp & Recht. Artikel 19.4 van de Procedure bij klachtenvan seksueel misbruik stelt: “Indien klager een verzoek tot schadevergoeding heeft gedaan,
wordt het advies en – voor zover nodig – de daarbij gevoegde bijlagen, nadat daaruit de
persoonsgegevens zijn verwijderd, door de bisschop, militair ordinarius of overste
overhandigd aan een onafhankelijke externe commissie ter bepaling van de hoogte van die
vergoeding.” Dergelijke onafhankelijke externe commissies bestaan (nog) niet.
4
Marie-José Jager, Onderzoek melders. 21 oktober 2010 (Kenmerk:\OM\bestuur-001)10
Wel bestaat sinds kort een externe commissie die aan de bisschoppenconferentie en de KNR
opties zal voorleggen voor de wijze waarop schadeclaims zouden kunnen worden
behandeld. De commissie is naar haar voorzitter beter bekend als de commissie-
Lindenbergh.
5. Hulp & Recht is een instelling van de Rooms-Katholieke Kerk
Een probleem dat principieel van aard is.
Hulp & Recht is een kerkelijke instelling metstatuten en procedures die mede zijn ontleend aan het kerkelijk recht. Het kerkelijk of
canoniek recht kent geen scheiding der machten. Dit zorgt voor een verwevenheid van de
bisschop en hogere overste met
Hulp & Recht. De bisschoppenconferentie en het bestuur vande KNR benoemen de voorzitter en leden van bestuur en van de BAC, stellen de statuten en
procedures vast of veranderen deze op voorstel van het bestuur van
Hulp & Recht en tenslotte besluiten de bisschoppen en hogere oversten afzonderlijk (net als de betrokken
oversten) over de adviezen die ze van de BAC krijgen.
De als voorzitter en leden van de BAC te benoemen personen moeten niet alleen deskundig
zijn, maar ook katholiek zijn. De voorzitter en leden van
Hulp & Recht moeten affiniteit metde kerk hebben en bij benoeming van bestuursleden van
Hulp & Recht wordt nagegaan of zenaar de maatstaven van de
Rooms-Katholieke Kerk van onbesproken gedrag zijn. Bij veelmelders en klagers leven twijfels over de onafhankelijkheid van
Hulp & Recht en nemendergelijke twijfels in de loop van de behandeling van hun klacht toe.
6. Hulp & Recht is er voor slachtoffers én plegers
Hulp & Recht
is een instelling die hulp en recht biedt aan het slachtoffer maar ook aan depleger. Weliswaar is het principieel goed verdedigbaar dat een organisatie medewerkers die
over de schreef zijn gegaan helpt. Maar de keerzijde is wel dat het slachtoffer in
Hulp & Rechtweinig vertrouwen heeft bij het indienen van zijn klacht. Het is klagen bij een organisatie die
in de visie van het slachtoffer de zorg voor de pleger even zwaar laat wegen als het belang
van het slachtoffer. Het is – in de beleving van klagers - klagen bij de voor misbruik
verantwoordelijken. Zo luiden in verschillende varianten reacties die de
Onderzoekscommissieheeft ontvangen.
Vraagstelling
Van een organisatie die hulp en recht wil bieden wordt verwacht dat ze professioneel
omgaat met meldingen en klachten, dat ze klagers ‘fair trial’ en ‘fair justice’ biedt met alle
waarborgen van onafhankelijkheid, professionaliteit en integriteit die hieraan verbonden
zijn. Van zo’n organisatie wordt verwacht dat ze hulp kan bieden aan degenen die hulp en
ondersteuning nodig hebben. De hoofdvraag is of
Hulp & Recht aan deze verwachtingenvoldoet. Tevens is het de vraag hoe hulp kan worden geboden en vergoeding van schade kan
worden vastgesteld. De
Onderzoekscommissie stelt deze vragen in de overtuiging dat allen diebij
Hulp & Recht betrokken zijn en betrokken waren zich met grote toewijding en integriteithebben ingespannen en nog steeds inspannen voor melders en klagers.
Hoofdstukindeling
Om deze hoofdvraag te beantwoorden belicht de
Onderzoekscommissie in het eerste hoofdstukde voorgeschiedenis van de oprichting en de wijze waarop
Hulp & Recht van 4 april 1995 totnu [november 2010] heeft gefunctioneerd.
11
In het tweede hoofdstuk komen de knelpunten in het functioneren en de organisatie van
Hulp & Recht
aan de orde. Hierbij staan de volgende vragen [die in de onderzoeksopzet vande
Onderzoekscommissie van 7 mei 2010 worden genoemd] centraal:•
voldoet de klachtenprocedure en waar doen zich knelpunten voor?a. hoe verhoudt zich de juridische procedure van
Hulp & Recht tot anderevergelijkbare procedures (met een tuchtrechtelijk karakter) in Nederland?
b. hoe verhoudt de procedure van
Hulp & Recht zich tot het Nederlandse recht?c. hoe verhoudt zich de procedure van
Hulp & Recht tot het kerkelijk recht?d. hoe functioneert de huidige procedure in de praktijk: wat gaat er goed, wat
gaat er niet goed, waar zijn veranderingen en verbeteringen nodig; worden de
adviezen van
Hulp & Recht opgevolgd?•
welke andere juridische mogelijkheden, zowel naar Nederlands recht alskerkrechtelijk, staan er voor de bisschoppen en leidinggevenden religieuzen open
om seksueel misbruik te voorkomen, de slachtoffers te beschermen en onderzoek
en vervolging te bevorderen bij verdenking van seksueel misbruik door
vertegenwoordigers van de kerk?
•
welke procedures gelden in het algemeen bij de andere instellingen waarslachtoffers zich hebben gemeld? Waar zijn die procedures op gebaseerd en hoe
wordt daar met de belangen van slachtoffers en beschuldigden om gegaan?
5In het laatste hoofdstuk komen de bevindingen en conclusies van de
Onderzoekscommissie aande orde. Hierbij gaat het ook om antwoord op de vraag of de organisatie en het bestuur van
Hulp & Recht
zo zijn ingericht dat deze instelling haar taken naar behoren kan uitvoeren. Enuiteraard komt hier aan bod het antwoord op de vraag of het wenselijk is dat de instelling
Hulp & Recht
binnen de Rooms-Katholieke Kerk kan functioneren op de wijze zoals dat thanshet geval is.
In de eerste bijlage is een verantwoording opgenomen van de aanpak van dit onderzoek en
advies. Tevens is bij dit onderzoeksverslag gevoegd een lijst van personen waarmee de
Onderzoekscommissie
heeft gesproken. Van deze gesprekken is een verslag gemaakt dat aandeze personen ter autorisatie is voorgelegd.
5
Voorstel voor Onderzoek naar Seksueel Misbruik in de Rooms-Katholieke Kerk in de periode van 1945 totheden, blz. 18 en 19.
12
1.
Het functioneren van
Hulp & Recht: 1995-2010De
Onderzoekscommissie heeft ervoor gekozen allereerst na te gaan wat de bedoelingenwaren die aan de oprichting van
Hulp & Recht ten grondslag lagen.Bij de oprichting en in de loop van de tijd is sprake van ‘weeffouten’ die doorwerken in
het latere functioneren van de organisatie. Het hoe en waarom van deze weeffouten moet
worden opgespoord.
1. De oprichting: de nota Geschonden vertrouwen van de Bisschoppelijke Contactcommissie
Vrouw en Kerk
In het begin van de jaren negentig was in de bisdommen en bij de ordes en congregaties
sprake van (grotendeels) parallelle ontwikkelingen rond het probleem van seksueel
misbruik. De aanleiding voor het initiatief was een uitzending van
Kruispunt op 8november 1992. In deze uitzending kwam de rond 1990 opgerichte interkerkelijke
initiatiefgroep tegen seksueel geweld in pastorale relaties naar buiten met bevindingen
over seksueel misbruik in pastorale relaties. De uitzending leidde tot een groot aantal
meldingen. Het aantal reacties werd op 250 geschat, waaronder 160 meldingen over
seksueel misbruik. Het betrof niet alleen vrouwen, maar ook mannen: “mannen die
bijvoorbeeld op seminaries en kostscholen zaten.”
6 De melders werden doorverwezennaar vertrouwenspersonen. Tien van deze melders lieten weten “een procedure te willen
aanspannen”.
7Het was de vraag hoe bisschoppen en hogere oversten moesten handelen als slachtoffers
zich met een klacht bij hen zouden melden. “Procedures waren niet beschikbaar. En met
een pro-slachtofferaanpak hadden bisschoppen en hogere oversten al helemaal geen
ervaring”.
8 Het presidium van de stichting Samenwerking Nederlandse Priester Religieuzen(SNPR), een van de voorlopers van de KNR, boog zich begin 1993 over deze vraag.
Informatie werd opgevraagd bij de Conference of Major Superiors of Men in de
Verenigde Staten waar verschillende ordes en congregaties een officiële
klachtenprocedure bij seksueel misbruik kennen. In de notitie ‘Suggesties voor hogere
oversten bij gevallen van seksueel misbruik, in het bijzonder van minderjarigen’ werden
enkele uitgangspunten voor de verdere aanpak van dit probleem voorgesteld. Het ging
hierbij om de vaststelling dat de hogere overste niet bij uitstek de juiste persoon was om
beschuldigingen van seksueel misbruik te onderzoeken.
6
Marjo Eitjes, theologe werkzaam bij het Katholiek Bureau voor vorming en toerusting omtrent Seksualiteit enRelaties
. In: Twentse Courant, ‘Als de dominee en de pastoor je te na komen.’ 19 februari 1994.7
‘Geschonden vertrouwen. Seksueel Misbruik in Pastorale Relaties’. Nota van de BisschoppelijkeContactcommissie Vrouw en Kerk
oktober 1993, blz. 3 en 4.8
J.Y.H.A. Jacobs, ‘Werken in een dwarsverband. Een portret van de gezamenlijke Nederlandsepriesterreligieuzen 1840-2004.’ Jacobs wijst erop dat in de canones 1311-1399 van de Codex Iuris Canonici
“eigenlijk alleen wordt gesproken over de dader.”
13
De
Bisschoppelijke Contactcommissie Vrouw en Kerk nam het initiatief tot een nota overseksueel misbruik in pastorale relaties. De
Bisschoppelijke Contactcommissie stond ondervoorzitterschap van de bisschop van Breda, mgr. H.C.A. Ernst, en telde leken onder haar
leden, waaronder vrouwelijke theologen.
De nota van de commissie begint met een verwijzing naar het ad liminabezoek van de
Amerikaanse bisschoppen aan Rome.
9 Tijdens dit bezoek stelde de paus de problematiekvan seksueel misbruik door pastores aan de orde. Paus Johannes Paulus II liet de
Amerikaanse bisschoppen op 11 juni 1993 weten dat “I fully share your sorrow and your
concern, especially your concern for the victims so seriously hurt by these misdeeds.”
10Voor de opstellers van de nota was seksueel misbruik geen nieuw fenomeen. In de nota
wordt verwezen naar “het gevaar van seksueel misbruik [dat] altijd aanwezig is daar
waar mensen professioneel met van hen afhankelijke personen werken, of dit nu
onderwijzers, artsen, (psycho-)therapeuten, notarissen, advocaten of pastores zijn.”
11Gezamenlijke aanpak met de protestantse kerken
In Nederland ontstond aan het eind van de jaren tachtig van de vorige eeuw binnen de
Rooms-Katholieke en protestantse kerken een discussie over seksueel misbruik in
pastorale relaties. De aanleiding was de bekendmaking door een gemeentelid in een van
de protestantse kerken dat zij jarenlang een relatie had gehad met haar predikant. Zij
noemde die relatie een vorm van seksueel misbruik: “zij verwachtte dat ze niet alleen
stond in haar ervaringen en wilde dit soort misstanden aan de kaak stellen om
uiteindelijk te voorkomen dat ook anderen dit gebeurde. De schok die haar verhaal
teweegbracht was groot. Pastores stonden veel langer dan andere hulpverleners boven
elke verdenking. Haar verhaal werd genegeerd, ontkend en gebagatelliseerd. Anderen
zeiden dat het hier om overspel ging, dat toch eerder in de privésfeer lag. Weer anderen
zeiden: 'Misschien is het wel waar, maar de betreffende ambtsdrager is zo’n goede
pastor.”
12Met anderen wilde de vrouw een veilige plaats waar vrouwen die op deze wijze klem
waren geraakt hun verhaal konden doen. Deze plaats zou loyaal aan de kerken moeten
zijn, liefst gedragen door kerken. Zo ontstond de interkerkelijke initiatiefgroep tegen
seksueel misbruik in pastorale relaties op initiatief van het
Katholiek Bureau voor vormingen toerusting omtrent seksualiteit en relaties
en de Protestantse Stichting voor voorlichting envorming omtrent seksualiteit en relaties
, die beide een medewerker vrijstelden voor hetopzetten van dit werk, alsmede het
Samenwerkingsorgaan voor het Pastoraat van deNederlandse Hervormde kerk en de Gereformeerde Kerken.
9
Het ‘ad limina’ bezoek van de bisschoppen uit de verschillende kerkprovincies aan Rome vindt in beginsel elkevijf jaar plaats.
10
‘Geschonden vertrouwen. Seksueel Misbruik in Pastorale Relaties’. Nota van de BisschoppelijkeContactcommissie Vrouw en Kerk
oktober 1993, blz 3. Zie ook ‘Origins, Vol. 23, no. 7, p. 102 en ‘Paus neemtseksueel geweld Amerikaanse priesters hoog op’, in: Trouw 23 juni 1993.
11
Idem, blz. 5.12
www.smpr.nl14
De opvang van slachtoffers/misbruikten kreeg prioriteit. In 1991 kwamen er twee
meldpunten, het IKON-pastoraat en het omroeppastoraat van KRO/RKK, vanwege
hun bereikbaarheid, hun relatieve onafhankelijkheid ten opzichte van de kerken en hun
ervaring met anoniem pastoraat. Er werd een aantal pastores en vrouwen met eigen
ervaringen van misbruik binnen het pastoraat getraind. Zij vormden een netwerk van
vertrouwenspersonen met als doel slachtoffers (telefonisch) pastorale begeleiding te
bieden. Het interkerkelijke netwerk ging in 1992 van start.
Maar al spoedig koos de RKK als vervolg op de nota van de
BisschoppelijkeContactcommissie voor Vrouw en Kerk
voor een eigen binnenkerkelijk traject voor hulp enrecht aan misbruikten. In de nota werden nog wel een aantal voordelen van
interkerkelijk samengaan genoemd, maar binnen de RKK ontspon zich een intensieve en
langdurige discussie waardoor de deelname van de RKK aan het interkerkelijke initiatief
op een zijspoor terechtkwam. De bisschoppen lieten de initiatiefnemers weten dat ze de
zorgen van de initiatiefgroep deelden, dat ze deze zorg ook legitiem vonden en “dat ze er
zelf – voor zover aan de orde – iets aan doen.”
13Bij dit laatste werden vragen gesteld, zodat de kwestie op 12 en 13 oktober 1992
wederom in de bisschoppenconferentie aan de orde kwam. Uit een notitie voor deze
bijeenkomst bleek het volgende: “Wat de klachtenprocedure betreft is voor zover mij
bekend in geen enkel bisdom een voorziening in deze. Als iemand zover komt om
seksueel misbruik door een priester naar buiten te brengen, vermoed ik dat de deken,
vicaris of de bisschop zelf personen zijn tot wie men zich wendt al dan niet schriftelijk.
Hoe de zaak verder wordt opgepakt zal afhankelijk zijn van de ernst van het feit en van
het oordeel van degene die benaderd is.”
14 De bisschoppenconferentie nam dit standpuntover: “De behandeling van voorkomende gevallen van seksueel misbruik in pastorale
relaties behoort tot de verantwoordelijkheid van de ordinarii en deze worden ook steeds
met grote pastorale zorg door hen behandeld, volgens de richtlijnen en de procedures,
die in het kerkelijk recht daarvoor zijn gegeven.”
15Feitelijke onderbouwing van de omvang van seksueel misbruik
Volgens de nota van de
Bisschoppelijke Contactcommissie Vrouw en Kerk waren gegevensover de aard en omvang van seksueel misbruik in Nederland nauwelijks voorhanden.
Voor de feitelijke onderbouwing van de aanbevelingen viel de Bisschoppelijke
Contactcommissie terug op onderzoeken naar seksueel misbruik door Amerikaanse
priesters. De in de nota opgenomen cijfers betreffen een percentage van vier procent van
de Amerikaanse priesters die minderjarigen seksueel misbruikt. Dit zou neerkomen op
ruim 1300 Amerikaanse priesters. Een andere in de nota aangehaalde bron noemde een
percentage van zes procent. In een derde bron lag het percentage tussen vijf en tien
procent.
1613
Notulen bisschoppenconferentie 7 september 1992, agendapunt 9.14
Notitie van het secretariaat van het Rooms-Katholieke Kerkgenootschap in Nederland (kenmerk 4/424/92-TK-cvs), 21 september 1992.
15
Notulen bisschoppenconferentie 12 en 13 oktober 1992, agendapunt 12.16
De opstellers van ‘Geschonden vertrouwen’ gebruikten voor de feitelijke onderbouwing gegevens uit eenartikel in ‘Trouw’ van 23 juni 1993 (‘Paus neemt seksueel geweld Amerikaanse priesters hoog op’): “Onlangs zei
de bekende Amerikaanse godsdienstsocioloog Andrew Greeley, zelf priester, dat hij vermoedt dat zo’n vijf tot
15
De nota liet zich niet uit over een voor Nederland vergelijkbaar percentage: “Maar zelfs
al zou het percentage in de Nederlandse Kerkprovincie de helft zijn van wat zich in
Amerika aftekent, dan nog is het een percentage dat vraagt om een beleid inzake deze
zeer ernstige problematiek.”
17De
Bisschappelijke Contactcommissie gebruikte voor de feitelijke onderbouwing van haarvoorstellen ook feitenmateriaal over misbruik van minderjarigen. De
BisschoppelijkeContactcommissie
liet in het midden of ook leken die in het pastoraal werk fungeerdenonder de in de nota voorgestelde aanpak vielen.
Vier uitgangspunten in Geschonden Vertrouwen
De nota kent vier uitgangspunten, die als de vier ‘P’s werden gepresenteerd: positief,
pastoraal, preventie en pro-slachtoffer.
•
Positief, omdat beoogd wordt de stilte en de geheimhouding, zo kenmerkend bijseksueel misbruik, op positieve wijze te doorbreken door open en oprecht te zijn.
Niet zwijgen, maar luisteren. En erkennen dat in het verleden fouten zijn
gemaakt. Hiermee zou de basis kunnen worden gelegd voor de zo noodzakelijke
ondersteuning van het slachtoffer en voor de juiste behandeling van de plegers.
•
Een pastorale houding tot uitdrukking brengen door geen enkel excuus aan tedragen voor seksueel misbruik. Maar wel vertrouwen in het kunnen leren door
plegers van hun misbruik zodat ze hun gedrag kunnen beheersen. Hierbij wordt
niet voorbij gegaan aan de realiteit van de steeds weer naar recidive neigende
pleger.
•
Preventie.•
Pro-slachtoffer: alle energie en inzet moet worden aangewend om de slachtoffersvan seksueel misbruik op de best mogelijke manier te ondersteunen.
18Twee aanbevelingen: vertrouwenspersonen voor slachtoffers, raadslieden voor daders én een
klachtenprocedure
De nota van de
Bisschoppelijke Contactcommissie Vrouw en Kerk mondde uit in tweeaanbevelingen. De eerste aanbeveling had betrekking op de aanstelling van
vertrouwensfunctionarissen. Enerzijds betrof dit vertrouwenspersonen voor de
ondersteuning van mannen en vrouwen die seksueel misbruikt zijn. Anderzijds
raadslieden voor de begeleiding van plegers.
19 Wat de vertrouwenspersonen betreft gingde voorkeur uit naar diocesane vertrouwenspersonen. Dit wil zeggen personen
aangesteld door de desbetreffende bisschop. Hiernaast zou een meldpunt moeten gaan
functioneren voor de eerste telefonische opvang en doorverwijzing naar
vertrouwenspersonen en raadslieden.
tien procent van de 43.000 Amerikaanse priesters zich wel eens aan een minderjarige heeft vergrepen.
Anderen noemen schattingen van tussen twee en vier procent.”
17
‘Geschonden vertrouwen. Seksueel Misbruik in Pastorale Relaties’. Nota van de BisschoppelijkeContactcommissie Vrouw en Kerk
, oktober 1993, blz. 12.18
‘Geschonden vertrouwen. Seksueel Misbruik in Pastorale Relaties’. Nota van de BisschoppelijkeContactcommissie Vrouw en Kerk
, oktober 1993, blz. 16-17.19
Later werd deze benaming gewijzigd in ‘pastorale begeleiding’ om associaties met juridische ondersteuningte vermijden.
16
De tweede aanbeveling betrof de klachtenprocedure. De
Bisschoppelijke ContactcommissieVrouw en Kerk
constateerde in haar nota dat de mogelijkheden die de kerkelijke rechtbankbiedt zozeer onbekend waren bij slachtoffers van seksueel misbruik dat zij de stap naar
deze rechtbank niet durfden te zetten. De rechtbanken bleken ook niet over de
deskundigheid te beschikken om aanklachten in verband met seksueel misbruik te
behandelen.
Voor de klachtenprocedure had de
Bisschoppelijke Contactcommissie het voorbeeld van deAmerikaanse bisschoppen voor ogen. De klachtenprocedure zou zijn bedoeld als “weg
naar mogelijke maatregelen tegen de aangeklaagde”. In dit verband werden de
mogelijkheden van “een eventueel canoniek of civiel proces” genoemd.
20 Voor deklachtenprocedure was de betrokkenheid van deskundigen nodig “zowel op het gebied
van seksueel misbruik als op dat van de juridische implicaties daarvan.” Deze
deskundigen zouden de opdracht krijgen om een (voor)onderzoek uit te voeren,
slachtoffers te begeleiden en de bisschop te adviseren over de te nemen maatregelen. Het
ging dus om:
-
een gedelegeerde-
getrainde vertrouwenspersonen en raadslieden-
een beoordelingscommissieDe benoeming van een gedelegeerde berust op canon 1717 paragraaf 1: “Telkens
wanneer de Ordinaris van een misdrijf kennis krijgt, ten minste met een schijn van
waarheid, dient hij zelf of door een andere geschikte persoon een behoedzaam onderzoek
in te stellen betreffende de feiten en omstandigheden en betreffende de
toerekenbaarheid, tenzij dit onderzoek volstrekt overbodig lijkt.”
21De beoordelingscommissie zou tot taak krijgen het onderzoek van de gedelegeerde te
beoordelen en de bisschop te adviseren.
Aandachtspunten
De nota sloot af met vijf aandachtspunten. Zo vroeg de
Bisschoppelijke Contactcommissiezich af “of de absolutie gegeven mag worden aan een penitent die zich niet inspant zijn
wangedrag te veranderen en geen hulp wil zoeken.” Dit raakt uiteraard het
biechtgeheim.
22 Het tweede aandachtspunt had betrekking op het beleid bij benoemingenin parochies van pastores die pleger zijn geweest. Het zou tot de taak van de vicarisgeneraal
moeten behoren navraag te doen naar eventuele meldingen of aanklachten van
seksueel misbruik: “wanneer een pastor wegens seksueel misbruik in het eigen bisdom
niet meer voor benoeming in aanmerking komt, zou dit verbod ook voor de andere
bisdommen moeten gelden.”
2320
Geschonden vertrouwen. Seksueel Misbruik in Pastorale Relaties’. Nota van de BisschoppelijkeContactcommissie Vrouw en Kerk
, oktober 1993, blz. 29.21
Codex Iuris Canonici. Wetboek van Canoniek Recht. Tweede Herziene Uitgave 1983, blz. 751.22
‘Geschonden vertrouwen. Seksueel Misbruik in Pastorale Relaties’. Nota van de BisschoppelijkeContactcommissie Vrouw en Kerk
, oktober 1993, blz. 36.23
Idem, blz. 36.17
Het derde aandachtspunt had betrekking op de selectie en opleiding van priesters. Een
zorgvuldige screening, informatie over de problematiek, voorlichting over het beleid en
vorming tot seksueel volwassen personen werden genoemd. Aandacht vroeg ook de
voorlichting naar buiten: die zou zorgvuldig en tijdig moeten gebeuren om wilde
geruchten en speculaties te voorkomen. Ten slotte zou jaarlijks het beleid waartoe deze
nota de eerste aanzet was moeten worden geëvalueerd.
De nota werd voorgelegd aan de bisschoppenconferentie. De bepaling van een standpunt
over de inhoud van de nota en de aanbevelingen werd uitvoerig voorbereid. De nota
werd geagendeerd voor de bisschoppenconferentie van 11 en 12 oktober 1993.
2. Reactie van de bisschoppen en de KNR op Geschonden vertrouwen
Het is gebruik dat de onderwerpen op de agenda van de maandelijkse
bisschoppenconferentie worden voorbereid door de zogeheten beleidsadviescommissie,
waarvan onder anderen de vicarissen-generaal van de zeven bisdommen deel uitmaken.
De beleidsadviescommissie plaatste bij de nota “een aantal min of meer belangrijke
kanttekeningen en opmerkingen”.
24De eerste kanttekening plaatste de beleidsadviescommissie bij het slachtoffer: “bij
seksueel misbruik van pastorale relaties is niet alleen degene die pastorale hulp heeft
gevraagd slachtoffer, maar ook de Kerk zelf.” De tweede kanttekening betrof de
voorgestelde aanpak, waarvan de beleidsadviescommissie vond dat die vergelijkbaar is
met het tuchtrecht bij bepaalde beroepsgroepen. De derde kanttekening betrof kritiek op
het gebruikte cijfermateriaal; “het rapport gaat ten onrechte te veel uit van Amerikaanse
en Canadese cijfers” (zie ook noot 15). De vierde kanttekening sluit bij de derde aan:
meer zou naar voren moeten komen dat seksueel misbruik een algemeen
maatschappelijke problematiek is. De vijfde kanttekening betrof het celibaat:
nadrukkelijk werd gesteld dat “geen direct verband bestaat tussen het niet naleven van
de celibaatsverplichting enerzijds en het seksueel misbruik van pastorale relaties
anderzijds.”
Verder adviseerden de adviseurs van de bisschoppenconferentie om de aanpak van het
probleem veel meer in preventie te zoeken. De beleidsadviescommissie keerde zich tegen
het voorstel in de nota om een pastor die vanwege seksueel misbruik geen pastorale
functie meer kon vervullen in het eigen bisdom ook geen pastorale functies meer te laten
vervullen in de andere bisdommen: “voldoende is dat er informatie wordt
ingewonnen/verkregen bij overgang van pastores van het ene naar het andere bisdom.”
De beleidsadviescommmisie adviseerde de bisschoppen ten slotte de nota “mutatis
mutandis” over te nemen. Dat gebeurde niet meteen.
24
Brief van de beleidsadviescommissie aan de bisschoppenconferentie van 6 oktober 1993, kenmerkBBKAdv47/WvZ/YdK.
18
De bisschoppen kozen voor het voorleggen van de nota voor commentaar en reacties aan
de bisdomstaven, de
Samenwerking Nederlandse Priesterreligieuzen [een van de voorlopersvan de
Konferentie Nederlandse Religieuzen] en het ordinariaat voor de Nederlandsestrijdkrachten.
25 Later werden ook de Samenwerking Broedercongregaties Nederland en deSamenwerking Nederlandse Vrouwelijke Religieuzen
[de twee andere voorlopers van deKonferentie Nederlandse Religieuzen
] om een reactie gevraagd. Tussen 11 november 1993 en10 mei 1994 werden deze reacties ontvangen.
In de zomer van 1994 stelde de
Bisschoppelijke Contactcommissie Vrouw en Kerk een adviesvoor de bisschoppenconferentie op.
26 In deze nota zijn de contouren van deklachtenprocedure zoals die in de loop van 1995 zou worden vastgesteld zichtbaar. Dat
geldt ook voor de rol van de gedelegeerde die het (voor)onderzoek zou doen naar de
klacht en het meldpunt bij een ‘Secretariaat Klachtenprocedure’. Een voorstel voor zo’n
procedure werd als bijlage bij de nota opgenomen. In dit voorstel worden ook de taken
van de beoordelingscommissie opgesomd:
“De beoordelingscommissie krijgt als opdracht de rapporten en adviezen van de
gedelegeerde te evalueren en diens advies aan bisschop of hogere overste van een
begeleidend schrijven te voorzien terzake de hulpverlening en ondersteuning van de
betrokkene bij het misbruik. Voorts evalueert de commissie het totale beleid en doet
zij aanbevelingen ter verbetering ervan. Zij stelt een jaarlijkse begroting op.”
27Het voorstel voor de procedure bevatte een bepaling die betrekking had op het handelen
van de bisschop of hogere overste zodra de beoordelingscommissie de klacht gegrond
zou hebben verklaard. Zou de klacht gegrond worden verklaard dan zou de bisschop of
hogere overste besluiten over de toekomst van de betreffende pastor: “deze beslissing
sluit een of meer van de volgende opties in:
•
verwijzing naar een behandelprogramma•
ondertoezichtstelling•
beperking van taken of functie•
het initiatief tot ontslag (bij leken)28•
het initiatief tot een canoniek proces met het doel van wegzending uit het ambt(bij clerici)
•
het verzoek aan de gewijde om vrijwillig ontheffing van het ambt aan tevragen.”
29Zou zeer waarschijnlijk sprake zijn van een delict in de zin van artikel 160 van het
Wetboek van Strafvordering, dan dient de gedelegeerde al tijdens zijn (voor) onderzoek
dit te melden bij de officier van Justitie.
3025
Notulen bisschoppenconferentie 11 en 12 oktober 1993, agendapunt 20.26
Bisschoppelijke Contactcommissie Vrouw en Kerk, ‘Reacties op de nota Geschonden vertrouwen’, [18augustus] 2004.
27
Idem, blz. 14.28
Hier is de Bisschoppelijke Contactcommissie Vrouw en Kerk overgegaan naar een uitbreiding van hetwerkingsbereik van de door haar wenselijk geachte procedure.
29
Bisschoppelijke Contactcommissie Vrouw en Kerk , ‘Reacties op de nota Geschonden vertrouwen’, [18augustus] 2004, blz. 16.
30
Dit artikel luidt als volgt:19
Besluit van de bisschoppenconferentie en KNR van 10 oktober 1994
De nota werd besproken in de bisschoppenconferentie van september 1994. De
bisschoppenconferentie nam de aanbevelingen inzake het meldpunt, de
klachtenprocedure en ondersteunend en flankerend beleid over in haar bijeenkomst van
10 oktober 1994. Op 30 november 1994 volgde de besturenraad (overleg van de besturen
van de Samenwerkingsverbanden en de KNR). In haar bijeenkomst op 12 en 13 december
1994 ging de bisschoppenconferentie akkoord met de namen van leden van de ‘toetsingsen
adviescommissie’, de nieuwe benaming van wat eerder als beoordelingscommissie
was voorgesteld, en met de namen van de
Bisschoppelijk Gedelegeerden Vooronderzoek.313. De kerkelijke instelling Hulp & Recht
Op deze wijze verliepen de voorbereidingen van de oprichting van
Hulp & Recht. Op 4april 1995 besloot de bisschoppenconferentie tot de oprichting van de ‘Landelijke
Instelling
Hulp & Recht na seksueel misbruik in pastorale relaties’.32 De instelling kreegals plaats van vestiging Utrecht. De instelling is een publieke kerkelijke rechtspersoon in
de zin van canon 116 van het Wetboek van Canoniek Recht, zijnde een zelfstandig
onderdeel van het Rooms-Katholieke kerkgenootschap in Nederland en bezit als zodanig
rechtspersoonlijkheid naar Nederlands recht krachtens artikel 2:2 van het Burgerlijk
Wetboek.
33Het bestuur van de instelling bestaat uit een oneven aantal van minimaal vijf en
maximaal zeven leden. Twee van de leden werden op voordracht van de
KonferentieNederlandse Religieuzen
door de bisschoppenconferentie benoemd. Twee leden werden opvoordracht van de
Gemeenschappelijke toetsings- en adviescommissie door debisschoppenconferentie benoemd. Deze toetsings- en adviescommissie bestaat sinds 2002
niet meer. Hiervoor is de
Beoordelings- en adviescommissie in de plaats gekomen. Devoorzitter werd rechtstreeks door de bisschoppenconferentie en het bestuur van de KNR
benoemd.
34 35o
1.Ieder die kennis draagt van een der misdrijven omschreven in de artikelen 92-110 van hetWetboek van Strafrecht, in Titel VII van het Tweede Boek van dat Wetboek, voor zoover
daardoor levensgevaar is veroorzaakt, of in de artikelen 287 tot en met 294 en 296 van dat
wetboek, van menschenroof of van verkrachting, is verplicht daarvan onverwijld aangifte te
doen bij een opsporingsambtenaar.
o
2.De bepaling van het eerste lid is niet van toepassing op hem die door de aangifte gevaarzou doen ontstaan voor eene vervolging van zichzelven of van iemand bij wiens vervolging hij
zich van het afleggen van getuigenis zou kunnen verschoonen.
o
3.Evenzoo is ieder die kennis draagt dat iemand gevangen gehouden wordt op eene plaatsdie niet wettig daarvoor bestemd is, verplicht daarvan onverwijld aangifte te doen bij een
opsporingsambtenaar.
31
Notulen bisschoppenconferentie 12 en 13 december 1994, agendapunt 24.32
Notulen van de bisschoppenconferentie 4 april 1995, agendapunt 18, besluiten 58 tot en met 6333
Artikel 2:2 van het Burgerlijk Wetboek luidt: “1. Kerkgenootschappen alsmede hun zelfstandige onderdelenen lichamen waarin zij zijn verenigd, bezitten rechtspersoonlijkheid. 2. Zij worden geregeerd door hun eigen
statuut, voor zover dit niet in strijd is met de wet. Met uitzondering van artikel 5 gelden de volgende artikelen
van deze titel niet voor hen; overeenkomstige toepassing daarvan is geoorloofd, voor zover deze is te
verenigen met hun statuut en met de aard der onderlinge verhoudingen.”
34
Artikel 4 van het statuut van de landelijke instelling Hulp en Recht na seksueel misbruik in pastorale relaties.Utrecht 4 april 1995.
20
De instelling kreeg het doel “hulp en recht te bieden aan slachtoffers van seksueel
misbruik door personeel die in het pastoraat, katechese of geestelijke verzorging en
begeleiding werkzaam [zijn] met een benoeming of opdracht van een bisschop van de
Rooms-Katholieke Kerkprovincie
in Nederland, alsmede hulp en recht te bieden aan depersonen die vanwege seksueel misbruik in een pastorale relatie worden aangeklaagd
dan wel mensen in een pastorale relatie seksueel hebben misbruikt.”
36 Het valt deOnderzoekscommissie
op dat bij de oprichting aan seksueel misbruik van minderjarigenweliswaar aandacht werd besteed, maar dat bij de uitwerking het zwaartepunt kwam te
liggen op seksueel misbruik in pastorale relaties in het algemeen. Dit betekent niet dat
minderjarigen buiten het bereik van deze procedure terechtkwamen. In de aanloop naar
de oprichting van
Hulp & Recht werd op de positie van minderjarigen nadrukkelijkgewezen: “vanuit de broeders cq fraters wordt opgemerkt dat er inderdaad broeders en
fraters zijn in pastorale functies – en dan gaat het in merendeel om pastorale functies ten
behoeve van minderjarigen – maar dat veel van wat de broeders/fraters in hun werk in
scholen en internaten doen (vrijwel uitsluitend ten behoeve van minderjarigen) niet
onder de term ‘pastorale relatie’ valt, maar dat men deze ‘relaties’ waarin seksueel
misbruik kan voorkomen, toch heel graag ook in het totaal opgenomen zou willen
zien.”
37 Dat op papier de nadruk “vrijwel uitsluitend op seksueel misbruik binnenpastorale relaties ligt” lag, vroeg om een aanscherping: “Het lijkt nodig deze [de tekst
van de procedure] aan te passen, zodat duidelijk naar voren komt dat het gaat om
seksueel misbruik in bredere zin, waardoor ook handelingen van seksueel misbruik door
leden van orden en congregaties, die niet binnen het pastoraat werkzaam zijn, binnen het
bereik van de procedure valt.”
38De instelling kende bij haar oprichting naast een bestuur ook een
Gemeenschappelijketoetsings- en adviescommissie
. Deze commissie bestond uit leden “die door iedere bisschop,ordinaris en hogere overste afzonderlijk werden benoemd.”
39 De commissie kreeg detaak “te toetsen of de procedure door de gedelegeerde zorgvuldig is gevolgd en diens
advies aan bisschop, ordinarius en hogere overste van een begeleidend advies te
voorzien ter zake van hulpverlening aan en ondersteuning van alle betrokkenen bij het
seksueel misbruik.”
40 Met de gedelegeerde werd bedoeld “de persoon die door iederebisschop, ordinarius en hogere overste afzonderlijk benoemd wordt (vergelijk canon
1717, par. 1) en belast met het onderzoek van klachten seksueel misbruik in pastorale
relaties overeenkomstig de regels van deze procedure.”
41 Aanvankelijk – tot aan dewijziging van de procedure in 2002 – werkten gedelegeerde en commissie gescheiden
van elkaar.
35
Artikel 4 van de huidige statuten bepaalt dat de bisschoppenconferentie en de KNR de leden op voordrachtvan het bestuur van
Hulp & Recht benoemt op grond van een door de bisschoppenconferentie en KNRgoedgekeurde profielschets. De profielschets is op 14 juni 2010 goedgekeurd door het bestuur van
Hulp &Recht,
maar nog niet ter goedkeuring voorgelegd aan de bisschoppenconferentie en de KNR.36
Idem, artikel 2.37
Verslag van het Algemeen Bestuur van het Samenwerkingsverband Broedercongregaties Nederland 95-01.38
Verslag van het Algemeen Bestuur van het Samenwerkingsverband Broedercongregaties Nederland van 27 en28 april 1995.
39
Artikel 5, lid 1 van de procedure bij klachten van seksueel misbruik in pastorale relaties. Utrecht 4 april 1995.40
Idem.41
Idem, artikel 4, lid 1.21
Voor het bestuur en de gedelegeerde kende de procedure geen functieprofiel. Dit gold
wel voor de leden van de
Gemeenschappelijke toetsings- en adviescommissie: “De commissiewordt samengesteld uit: deskundigen op het gebied van het canoniek recht en het civiel
recht, uit het pastorale veld en op het gebied van slachtoffer- en plegerhulp. In de
commissie hebben zitting vrouwen en mannen, clerici en leken, en leden van instituten
van gewijd leven en sociëteiten van apostolisch leven.”
42 In de statuten is ten slotte een‘studiecommissie’ opgenomen, die na de oprichting enkele jaren heeft bestaan.
4. Het functioneren van Hulp & Recht tot 2002
De eerste jaren
Na relatief hoge aantallen meldingen in de eerste vier jaar van het bestaan van
Hulp &Recht
, twintig tot dertig per jaar met een uitschieter in het eerste jaar van 45, liep hetaantal meldingen in 1999 terug naar vijf. De verklaring werd gezocht in de publiciteit. Zo
had een uitzending van het actualiteitenprogramma
Twee Vandaag over misbruik inBelgië in 1998 voor een groot aantal meldingen in Nederland gezorgd.
43 In 1999 wasverdere publiciteit uitgebleven.
Ondanks het teruglopende aantal meldingen heerste de opvatting dat
Hulp & Recht haarbestaansrecht had bewezen. Dat gold in de eerste plaats voor de ordes en congregaties.
Op 15 en 16 april 1996 keek ook de bisschoppenconferentie terug op het eerste jaar
waarin
Hulp & Recht had gefunctioneerd. De toenmalige voorzitter van Hulp & Recht, drs.P.P.M. van der Ree, en zuster E. Verrijt, die met het meldpunt was belast, voorzagen de
bisschoppen van informatie over de start van de nieuwe instelling. Het eerste jaar had –
zoals eerder opgemerkt - 45 meldingen en klachten opgeleverd. Deze meldingen en
klachten waren in veel opzichten verschillend van elkaar. Zo variëerde de leeftijd van
melders en klagers. Niet elke melding leidde tot een klacht: veel melders lieten het bij
hun melding. Maar er waren ook melders die lang geleden waren misbruikt en die
desalniettemin nog steeds te kampen hadden met de “dikwijls zeer ernstige” gevolgen.
44Volgens de voorzitter van
Hulp & Recht werkte de procedure naar behoren, maar wasverfijning nodig. Zo kon een klacht alleen in behandeling worden genomen als sprake
was van een pastorale relatie. Dat leidde tot definitieproblemen over wat onder een
pastorale relatie zou moeten worden verstaan. Problematisch was de situatie waarin de
klager zich met een klacht bij
Hulp & Recht meldde en de aangeklaagde inmiddels wasuitgetreden. Een oordeel uitspreken was dan nog wel mogelijk, maar een maatregel
uitvaardigen had geen zin. Een ander probleem waarmee
Hulp & Recht te maken hadbetrof de ‘dwangmatige misbruikers’’. Het was lastig die te herkennen en ‘eruit te
lichten’.
45In het jaarverslag over 1997 schetste het bestuur een beeld van wat in meldingen en
klachten naar boven kwam.
42
Idem, artikel 5, lid 4.43
Jaarverslag 1998-1999-2000, blz. 4.44
Mondelinge informatie van drs. P.P.M. van der Ree en zuster E. Verrijt. Notulen bisschoppenconferentie 15en 16 april 1996, agendapunt 16.
45
Notulen bisschoppenconferentie 15 en 16 april, agendapunt 16.22
Niet alle meldingen leidden tot een klacht. In de regel volgde op elke melding het
aanbod voor pastorale hulp door een van de vertrouwenspersonen die binnen elk
bisdom waren aangesteld. De vertrouwenspersoon kon naast de pastorale hulp de
melder ook helpen met een doorverwijzing naar reguliere hulpverlening. Zodra de
melder had besloten een klacht in te dienen, bleef de vertrouwenspersoon de klager
gedurende de hele procedure begeleiden. Omdat vertrouwenspersonen vertrouwelijk de
hen toegewezen melders en klagers begeleiden, ontbreken in dit jaarverslag (en ook in
latere verslagen en verantwoordingsdocumenten) feitelijke gegevens over het aantal
gesprekken, de duur en aard van de begeleiding en de aantallen en soorten
doorverwijzingen naar de reguliere hulpverlening.
In het jaarverslag kwam naar voren dat ongeveer de helft van de meldingen betrekking
had op misbruik dat al lang geleden was gepleegd. Hoe lang geleden is in de
verslaglegging niet te achterhalen. De meldingen zijn vernietigd. Na een jaar had
Hulp &Recht
dertig van de in totaal 84 klachten afgehandeld. De ervaring die hiermee wasopgedaan leidde tot vragen over definities en over bepaalde onderdelen van de
klachtenprocedure die voor verbetering en verfijning vatbaar bleken. Ook de KNR had
zich in een brief van 13 mei 1998 tot
Hulp & Recht gewend met het verzoek de procedureop een aantal punten bij te stellen.
In het jaarverslag over 1998, 1999 en 2000 wordt aandacht gevraagd voor preventie. Het
bestuur wilde naar wegen zoeken om hiervoor op alle niveaus in de kerk aandacht te
vragen. Zowel in de opleiding als in de voorbereiding op pastoraal werk zou meer tijd en
aandacht moeten worden besteed aan het “eigen psychische, lichamelijke en spirituele
welbevinden.”
Naar een nieuwe procedure
Na de oprichting van
Hulp & Recht was de bemoeienis van de bisschoppenconferentie envan de KNR in beleidsmatige zin beperkt.
Hulp & Recht figureerde enige tijd niet op deagenda van de bisschoppenconferentie en ook de beleidsmatige zorg vanuit de ordes en
congregaties via de KNR was beperkt. Wel was sprake in deze tussenperiode van
informele contacten van
Hulp & Recht over verschillende gevallen van misbruik die Hulp& Recht
in deze periode ter behandeling kreeg voorgelegd. Formeel keerde Hulp & Rechtpas op 13 november 2001 weer terug op de agenda van de bisschoppenconferentie. Het
ging om het verslag over de afgelopen drie jaar en een voorstel voor een aangepaste
procedure.
46De voorzitter van de
Toetsings- en adviescommissie had zich bereid verklaard de proceduretegen het licht te houden en voorstellen voor verbetering aan het bestuur van
Hulp &Recht
voor te leggen. Volgens de toenmalige procedure moet de klager het misbruikaannemelijk maken, “zo mogelijk met bewijzen.” Bij seksueel misbruik is bewijs vaak
moeilijk te leveren. Voor de klager, zo werd geconstateerd, was de procedure mede
hierdoor nogal belastend. Aanpassingen in de procedure werden nodig geacht. Dit betrof
allereerst de definitie van seksueel misbruik.
46
Notulen bisschoppenconferentie 13 november 2001, agendapunt 11.23
Maar ook werd geconstateerd dat “de formulering van de procedure zelf het vellen van
een zo zuiver mogelijk oordeel bemoeilijkt”. In 2000 werd een eerste concept van een
herziene procedure opgesteld door mr.dr. A.P.H. Meijers. Na een canonieke toetsing zou
de tekst van de herziene procedure in 2001 “via de daarvoor geëigende wegen worden
voorgelegd aan de bisschoppen van Nederland en aan de hogere oversten. Zij zijn
uiteraard degenen die de uiteindelijke tekst vaststellen en uitgeven.”
47In het voorstel was een aantal veranderingen opgenomen:
1. was eerder sprake van seksueel misbruik in een pastorale relatie, in het voorstel was
opgenomen seksueel misbruik in een situatie van afhankelijkheid.
2. in de oude procedure deed de gedelegeerde het onderzoek en toetste de
Toetsings- enadviescommissie
het onderzoek. In theorie zouden gedelegeerde en commissie tot eenverschillend oordeel kunnen komen. In de nieuwe procedure werd voorgesteld om
de
Toetsings- en adviescommissie om te zetten in een Beoordelings- en adviescommissiewaarin vier leden zouden worden gemachtigd om als gedelegeerde op te treden. Zo
zou tot een gezamenlijk oordeel én advies kunnen worden gekomen aan bisschop of
hogere overste.
Op 11 december 2001 gingen de bisschoppenconferentie en de KNR akkoord met de
nieuwe procedure.
48Wat gebeurt met de adviezen over maatregelen tegen aangeklaagden?
Het is onduidelijk/niet vast te stellen hoe het toenmalige bestuur oordeelde over de
afdoening van de aan de bisschoppen en hogere oversten voorgelegde adviezen. De in
‘Geschonden vertrouwen’ aangekondigde evaluatie is nooit uitgevoerd.
49 Wel ontplooidehet bestuur activiteiten voor de “aangeklaagden”: in 2000 was hernieuwd contact
opgenomen met De Waag, een instelling waar gespecialiseerde behandeling wordt
geboden aan plegers van seksueel misbruik.
50 Ook met Caper, een instelling voorhulpverlening aan priesters en religieuzen, had het bestuur contact gezocht met het oog
op plegerbegeleiding.
51 Het bestuur kondigde een nader onderzoek aan naar de wijzewaarop met aangeklaagden contact kon worden gelegd: “Want pas als er contact is, kan
ingespeeld worden op de vragen en noden die leven bij hen.”
52 Voor de slachtoffers werdgewerkt aan “een verwijslijst voor mensen die gerichte (psycho)therapeutische hulp
behoeven.”
47
Jaarverslag 1998-1999-2000, blz. 6.48
Notulen bisschoppenconferentie 11 december 2001, agendapunt 12, besluit 175/2001.49
Bisschoppelijke Contactcommissie Vrouw en Kerk , ‘Reacties op de nota Geschonden vertrouwen’, [18augustus] 2004, blz. 14.
50
In de zomer van 1998 had de voorzitter van Hulp & Recht gesproken met het hoofd van de dagbehandelingvan De Waag. Dat leidde op 12 augustus 1998 tot een advies van
Hulp & Recht aan de bisschoppen en hogereoversten om in voorkomend geval contact op te nemen met De Waag. Brief van 12 augustus 1998, kenmerk
98.072/DE/tl/-H&R Bestuur.
51
Caper, Centraal Adviesbureau Priesters en Religieuzen, was de oude benaming van de Stichting PastoraalAdviesbureau.
52
Jaarverslag 1998-1999-2000, blz. 7.24
In het jaarverslag over 2001 werden de herziening van de procedure en de uitwerking
van het preventieproject genoemd als onderwerpen die op de zes bestuursvergaderingen
in dat jaar op de agenda stonden.
535. Na de invoering van de nieuwe procedure van 2002
In 2002 kreeg de herziening van de procedure haar beslag. Op 1 maart 2002
ondertekende kardinaal A.J. Simonis namens de diocesane bisschoppen, de militair
ordinaris en de hogere oversten van de religieuze instituten en van de sociëteiten van
apostolisch leven de nieuwe procedure.
Het jaar 2002 bracht publiciteit als gevolg van berichten over misstanden in de
Amerikaanse Rooms-Katholieke Kerk en over de zogeheten
Aegon-kwestie.54 Het bestuurvan
Hulp & Recht kreeg veel verzoeken om voor de Nederlandse media zijn licht te latenschijnen over seksueel misbruik. De media zochten het bestuur van
Hulp & Recht opomdat zij daar gezaghebbende en deskundige woordvoerders over seksueel misbruik
binnen de
Rooms-Katholieke Kerk veronderstellen.Omdat het jaar 2002 als gevolg van de media-aandacht voor gevallen van seksueel
misbruik in de Amerikaanse
Rooms-Katholieke Kerk en de Aegon-kwestie uitzonderlijk veelklachten telde, stelde het bestuur van
Hulp & Recht een geanonimiseerd overzicht op van47 meldingen. Andere jaren was het aantal meldingen beduidend lager. Van de 47
meldingen hadden 26 meldingen betrekking op de periode tot 1990, waarvan twintig
seksueel misbruik van (op dat moment) minderjarigen betroffen: dertien jongens en
zeven meisjes.
Van de dertien jongens zouden negen op een internaat zijn misbruikt: “En een kleine
helft van de jongens werd door meerdere priesters/religieuzen misbruikt. Bij meisjes is
dat bij geen enkele melding het geval. Bij jongens lijkt het om een ander systeem te
gaan.”
55 De 21 meldingen over misbruik na 1990 betroffen voor ongeveer de helft (elf)misbruik in pastorale relaties. Volgens de bijhorende notitie van
Hulp & Recht had geenvan de meldingen van na 1990 gepleegd misbruik betrekking op minderjarigen.
56In deze notitie sprak
Hulp & Recht ook haar zorg uit over de omgang met seksualiteit inde opleidingen en leefsituatie van priesters, jonge monniken en novicen. Acht meldingen
waaronder een klacht hadden betrekking hierop.
Het geanonimiseerde overzicht werd in de bisschoppenconferentie van 9 september 2003
besproken. De notulen maken geen vermelding van het besprokene.
5753
Jaarverslag 2001 van het bestuur van de landelijke instelling Hulp & Recht, blz. 1.54
Het ging hierbij om de opzegging van de aansprakelijkheidsverzekering door Aegon met ingang van 1november 2001. Op deze kwestie komt de
Onderzoekscommissie terug op blz. 29.55
Bestuur van Hulp & Recht, Enige begeleidende opmerkingen bij de meldingen van seksueel misbruik in 2002bestemd voor de bespreking in de bestuursvergadering van 18 maart 2003. Kenmerk H&R03025/HS/cvs
56
Brief van Hulp & Recht van 28 april 2003, kenmerk H&R03037/PvdR/cvs.57
Notulen bisschoppenconferentie 9 september 2003, agendapunt 8.25
Tussen het moment van aanbieding van het overzicht (28 april 2003) en van bespreking
in de bisschoppenconferentie (9 september 2003) liggen ruim vier maanden.
Het dagelijks bestuur van de KNR besprak het overzicht op 2 juli 2003. Het overzicht
werd voor kennisgeving aangenomen. Om de anonimiteit van de in het overzicht
opgenomen meldingen te waarborgen had de voorzitter van
Hulp & Recht gevraagd omna lezing het overzicht te vernietigen. Het bestuur van de KNR heeft aan dit verzoek
voldaan
58: de Onderzoekscommissie heeft in andere archieven waaronder dat van debisschoppenconferentie en van het bestuur van
Hulp & Recht exemplaren van hetoverzicht aangetroffen.
Personele wisselingen
De voorzitter van de BAC, mr. G.J.M. Corstens, kondigde zijn vertrek aan met ingang
van 1 januari 2004: hij had zijn reguliere periode als lid en voorzitter van de BAC
vervuld. In een brief aan kardinaal Simonis schreef hij:
“In de tweede plaats wil ik niet verhullen dat het ons nogal eens opvalt hoe weinig
zelfinzicht aangeklaagden die wij schuldig hebben bevonden, vertonen. Het lijkt in
veel gevallen of men vooral medelijden met zichzelf heeft. Het inzicht dat men leed,
soms zeer ernstig leed dat de loop van iemands leven in aanzienlijke mate negatief
heeft beïnvloed, aan een ander heeft aangedaan, is helaas vaak afwezig.”
59Op 14 januari 2004 benoemde kardinaal A.J. Simonis mr. Y.A.J.M. van Kuijck tot
voorzitter van de
Beoordelings- en Adviescommissie. Hij was het jaar daarvoor als lid tot deBAC toegetreden.
De voorzitter van
Hulp & Recht, de heer Van der Ree, kondigde twee weken later zijnvertrek aan. Hij was aan het eind van de maximale zittingsperiode gekomen als lid van
het bestuur. Op 13 april 2004 ging de bisschoppenconferentie akkoord met de opvolging
van de heer Van der Ree door mevrouw mr. S.J.E. Horstink-von Meyenfeldt.
60Constateringen van tekortkomingen
Al in 2003 werden knelpunten in de uitvoering van de procedure geconstateerd. Begin
2004 had de toenmalige voorzitter van de BAC al voorstellen voor een herziene
procedure opgesteld. Die hadden onder meer betrekking op de wijze van afdoening van
adviezen door bisschoppen en hogere oversten: “ook al behouden bisschoppen en hogere
oversten hun eigen vrijheid, de adviezen zijn niet vrijblijvend. Het komt voor dat door de
afhandeling van de adviezen de geloofwaardigheid van
Hulp & Recht in het gedingkomt.”
6158
E-mailbericht van de secretaris-generaal van de KNR aan de Onderzoekscommissie van 2 december 2010 om15.48 uur.
59
Notulen bisschoppenconferentie 11 november 2003, agendapunt 4.9.60
Idem, 13 april 2004, agendapunt 4.8.61
Jaarverslag 2003 van het bestuur van de landelijke instelling Hulp & Recht, blz. 2.26
Na haar aantreden als voorzitter van
Hulp & Recht stuitte mevrouw Horstink-vonMeyenfeldt op nog meer problemen.
62 Tussen de BAC en de juridisch medewerker waseen conflict ontstaan. Mevrouw Horstink-von Meyenfeldt vernam van de BAC dat de
juridisch medewerker te veel zijn eigen gang ging. Omdat de BAC ten opzichte van het
bestuur van
Hulp & Recht een onafhankelijke positie innam, wist ze niet precies wat eraan de hand was, maar een van de kritiekpunten was dat de juridisch medewerker
toezeggingen deed die volgens de toen geldende procedure niet mogelijk waren. Het
ging hierbij onder andere om de toezegging aan klagers dat een onderzoek zou worden
gestart naar de beklaagde ook als die reeds was overleden. De toen geldende procedure
voorzag hierin niet.
63 Omdat geen procedure kon worden gestart die betrekking had opaangeklaagden die waren overleden had de juridisch medewerker volgens de BAC
medewerking verleend aan onderzoek buiten de BAC. De juridisch adviseur stelde
samen met klagers klaagschriften op met vorderingen variërend van vergoeding voor
geleden materiële schade en erkenning van een biologisch vaderschap tot een
straatverbod; eisen waaraan de procedure nauwelijks of niet kon voldoen en enkel tot
teleurstelling bij de klagers kon leiden.
64Een tweede probleem was de rol van vertrouwenspersonen. Een aantal
vertrouwenspersonen had volgens de toenmalige voorzitter van
Hulp & Recht, mevrouwHorstink-von Meyenfeldt, een zo diepe en innige band met klagers opgebouwd dat ze als
hulpverleners voor de klagers zouden zijn gaan functioneren en elke vorm van
professionele distantie zouden hebben verloren.
Zowel de juridisch medewerker als de vertrouwenspersonen wisten bij ontstentenis aan
een goede functieomschrijving en bij gebrek aan aansturing zich geen raad hoe te
handelen in zaken waar de procedure geen bevoegdheid kende of waar een klager geen
genoegen nam met de stappen in de procedure.
65. Wat mevrouw Horstink-vonMeyenfeldt ook trof was dat vertrouwenspersonen de hulpverlening erg ver
doorvoerden en slachtoffers zelf behandelden of een hulptraject voor hen uitzetten, ook
in het geval een klacht niet in behandeling was genomen of ongegrond was verklaard.
66Het derde probleem was de verhouding tussen de nieuwe voorzitter en de BAC. Zowel
het bestuur van
Hulp & Recht als de voorzitter en leden van de BAC worden benoemddoor de bisschoppenconferentie.
62
In de bijlagen is een overzicht van de samenstelling van de verschillende gremia van Hulp & Recht in deperiode tussen 1995 en 2010 opgenomen.
63
Gesprek van de commissie met mevrouw mr. S.J.E. Horstink-von Meyenfeldt op 13 september 2010. Gesprekvan de commissie met mevrouw T.A.J.M. Elie op 17 september 2010.
64
Advies van de BBK inzake de statuten en procedure van Hulp & Recht (conceptversie april-mei 2007) van 30mei 2007 (kenmerk 16/2007/gk). De
Onderzoekscommissie constateert dat de verwijten van de BAC in derichting van de juridisch adviseur duiden op tekortkomingen in de procedure, tekortkomingen die niet werden
aangepakt.
65
Notitie van mevrouw mr. S.J.E. Horstink-von Meyenfeldt 11 november 2005.66
Gesprek van de commissie met mevrouw mr. S.J.E. Horstink-von Meyenfeldt op 13 september 201027
De BAC ontleende aan haar benoeming door de bisschoppenconferentie een
onafhankelijkheid ten opzichte van het bestuur, dat in haar ogen louter een facilitaire,
administratieve taak had om het functioneren van de BAC en de vertrouwenspersonen te
ondersteunen. De verschillende organen van
Hulp & Recht werkten los van elkaar: vaneen centrale sturing was geen sprake.
67De nieuwe voorzitter had een andere kijk op de toen geldende procedure. Na enkele
gesprekken met de BAC vroeg ze mr. H.J. Schepen, vice-president van de Utrechtse
rechtbank, de procedure onder de loep te leggen. Zijn oordeel was niet mals, aldus
mevrouw Horstink-von Meyenfeldt in haar gesprek met de
Onderzoekscommissie. Deverhoudingen van de voorzitter van
Hulp & Recht met in ieder geval één van de ledenvan BAC waren toen zo verslechterd dat mevrouw Horstink-von Meyenfeldt met het
voorleggen van het kritische oordeel over de procedure niet nog meer olie op het vuur
wilde gooien.
68 Volgens de voorzitter van de BAC, mr. Y.A.J.M. van Kuijck, moest“achteraf worden vastgesteld, dat de communicatie tussen het bestuur van
Hulp & Rechten de BAC al vanaf het kennismakingsgesprek met de nieuwe voorzitter van
Hulp &Recht
in mei 2004 stroef is verlopen en een behoorlijke inbreng van de BAC in dewijzigingsprocedure [de wijziging van de procedure] in de weg heeft gestaan.”
69Mevrouw Horstink-von Meyenfeldt stelde zich op het standpunt dat bij de bestaande
procedure sprake was van een verwevenheid van het klachtrecht met het canoniek recht:
“het juridisch toetsingskader van klachten [is] een andere dan die van een strafrechtelijke
gedraging en de klachtenprocedure [volgt] een (deels) andere bewijsrechtelijke weg. Het
aannemelijkheidsvereiste voor klachten voldoet niet aan de zware canoniekstrafrechtelijke
vereisten om een persoon tot dader van een strafbaar feit te kwalificeren
met eventueel oplegging van een tuchtrechtelijke maatregel. Met andere woorden, het is
zeer wel mogelijk om een klacht gegrond te verklaren, zonder dat het bewijs voor het
(canonieke) strafbare feit is geleverd.”
70Het was de bedoeling van mevrouw Horstink-von Meyenfeldt, gesteund door de leden
van het bestuur van
Hulp & Recht, om de procedure - zoals zij dat in haar beleidsnotanoemde - “uit te zuiveren” van elementen van canoniek strafprocesrecht. Dit betekende
ook het einde van de gedelegeerde gemachtigden en dus een einde aan het gebrek aan
hoor en wederhoor.
67
Gesprek van de commissie met mr. Y.A.J.M. van Kuijck en professor dr. M.H.F. van Uden op 3 september2010. Gesprek van de commissie met mevrouw mr. S.J.E. Horstink-von Meyenfeldt op 13 september 2010.
68
De commissie beschikt niet over een kopie van de rapportage van mr. Schepen en heeft de rapportage nietaangetroffen in het archief van
Hulp & Recht. Navraag bij mevrouw Horstink en bij mevrouw Stassen leert datmevrouw Horstink de rapportage niet meer in haar bezit heeft en dat de rapportage ook niet meer is terug te
vinden in het archief van
Hulp & Recht. Zie de gesprekken van de commissie met mevrouw mr. S.J.E. HorstinkvonMeyenfeldt op 13 september 2010 en met mevrouw mr. P.M.M. Stassen op 10 september 2010. Mevrouw
Stassen heeft in haar gesprek met de commissie op 10 september 2010 laten weten: ‘Omdat het rapport zo
vernietigend was, is besloten om het niet aan betrokkenen te geven. Het is binnen het bestuur van
Hulp &Recht
gebleven.”69
Brief van mr. Y.A.J.M. van Kuijck aan de bisschoppenconferentie van 31 december 2007.70
Concept-beleidsplan Hulp en Recht dd 15 april 2005, blz. 4. Gesprek van de commissie met mevrouw mr.S.J.E. Horstink-von Meyenfeldt op 13 september 2010.
28
In de visie van mevrouw Horstink-von Meyenfeldt moest de BAC als klachtencommissie
optreden en zich uitsluitend uitspreken over de juistheid van de feiten. Ze constateerde
dat de BAC zich steeds meer als “een rechtbank” opstelde. In dit verband had de
toenmalige voorzitter zich de vraag gesteld hoe het kwam dat maar zo weinig klachten
voortkwamen uit de meldingen die bij
Hulp & Recht binnenkwamen: ‘uit bestudering vande literatuur over het onderwerp maakte ze [mevrouw Horstink-von Meyenfeldt] op dat
een van de belangrijkste wensen van betrokkenen erkenning [was] van het probleem en
de mogelijkheid om daarover te spreken. Ze doen vaak geen aangifte omdat dat leidt tot
een zeer belastende procedure die niet slachtoffergericht maar dadergericht is. Ze was
van mening dat er een goede klachtenregeling moest komen, waarbij de begeleiding van
hulp aan het slachtoffer centraal stond.”
71Daarnaast waren er ook zaken die zo ernstig zijn dat een disciplinaire maatregel op zijn
plaats is. In die gevallen zou dan een kerkelijke rechtbank uitspraken moeten doen mede
op grond van het vooronderzoek van de BAC. Volgens mevrouw Horstink-von
Meyenfeldt bestaat bij afwezigheid van zo’n (tuchtrechtelijke) instantie het risico dat met
de adviezen van de BAC te vrijblijvend wordt omgesprongen.
De toenmalige BAC verschilde van mening met het bestuur van
Hulp & Recht en hieldvast aan een canoniekrechtelijke benadering die hogere eisen stelt aan de bewijsvoering
met als resultaat naar de mening van mevrouw Horstink-von Meyenfeldt dat hierdoor
veel meer klachten ongegrond werden verklaard dan bij een minder rigide
klachtenprocedure het geval zou zijn geweest. Om haar gelijk te staven had zij naar haar
zeggen met toestemming enkele dossiers van de BAC ingezien waarbij ze “de kwaliteit
van het gepleegde onderzoek beneden de maat vond.” Dat leidde tot een nieuw conflict
met de BAC die het inzien van de dossiers beschouwde als een inbreuk op de
onafhankelijkheid van de BAC, die haar vervolgens verweet slecht te communiceren met
de BAC.
72Bij de BAC leefde het idee dat achter de aanpassing van de procedure heel iets anders
zat. In 1997 veroordeelde de rechtbank in Den Haag de pastoor van de parochie in
Rijpwetering en Oud-Ade wegens seksueel misbruik van een twaalfjarig meisje. Hij
kreeg achttien maanden cel waarvan zes maanden voorwaardelijk. De Rotterdamse
bisschop schorste de pastoor. Hij mocht ook niet meer als priester functioneren.
73Vervolgens trof het bisdom Rotterdam een regeling met het slachtoffer en haar wettelijke
vertegenwoordigers. Het ging om langdurig misbruik van een kind. Omdat sprake was
van een regeling waarbij een minderjarige was betrokken was consent nodig van de
kantonrechter. In dit verband werd contact gezocht met
Aegon, de verzekeraar van deKerkprovincie waartoe het bisdom Rotterdam behoort
. Het was van belang om na tegaan hoe de verzekeraar zich zou opstellen. De verzekeraar weigerde aan de regeling
medewerking te verlenen.
71
Gesprek van de commissie met mevrouw mr. S.J.E. Horstink-von Meyenfeldt op 13 september 2010.72
Gesprek van de commissie met mevrouw mr. S.J.E. Horstink-von Meyenfeldt op 13 september 2010 engesprek van de commissie met mr. Y.A.J.M. van Kuijck en professor dr. M.H.F. van Uden op 3 september 2010.
73
Joep Dohmen en Guido de Vries, ‘Priesterlijke ontucht onder de mantel der liefde’. In NRC Handelsblad van11 mei 2002.
29
Een voor beide partijen bevredigende oplossing was uiteindelijk het resultaat, maar om
de regeling te kunnen effectueren stelde
Aegon wel als eis dat aan een verplichting totbetaling een gegrondverklaring van de desbetreffende klacht door
Hulp & Recht tengrondslag moest liggen. In dit verband stelde
Aegon eisen aan de deugdelijkheid van deprocedure bij
Hulp & Recht. Tot dan toe was geen sprake van een deugdelijkeprocesgang: de gedelegeerde sprak met de klager en sprak met de aangeklaagde waarna
de gedelegeerde twee verslagen opstelde waarover de voltallige BAC zich boog buiten
aanwezigheid van klager en aangeklaagde.
74Zo kon bij de BAC het idee postvatten dat niet de belangen van slachtoffers maar de
wens van
Aegon – en in het verlengde daarvan financiële belangen van de kerk - dedoorslag hadden gegeven om op een verandering van de procedure aan te koersen. Of de
kerk financiële belangen had om de procedure om deze redenen aan te passen is een
relevante maar tegelijkertijd niet eenvoudig te beantwoorden vraag. Feit is dat tot op
heden van de in de overeenkomst vastgelegde financiële reservering bij
Aegon geengebruik is gemaakt door de bisschoppen. Zouden de bisschoppen financieel belang
hebben gehad bij een wijziging van de procedure, dan had het voor de hand gelegen dat
tussen 1 november 2001 en nu (eind 2010) aanspraak was gemaakt op deze reservering
bij
Aegon. Dat is niet het geval.75Veranderingen in de nieuwe procedure
De positie van de juridisch adviseurs was in de tussentijd verbeterd. Het conflict tussen
de juridisch medewerker en de BAC was met het vertrek van deze juridische adviseur
geëindigd. Nieuwe juridische adviseurs werden ingehuurd voor het behandelen van de
ingediende klachten. In de begroting voor 2006 werd rekening gehouden met vijf
klachten per jaar.
76Dit relatief kleine aantal klachten stak af tegen het aantal meldingen. Slechts twintig tot
dertig procent van de meldingen leidde tot een klachtafhandeling in de
klachtenprocedure. De klachtenprocedure werd vaak niet gestart: veel meldingen
bereikten het stadium van een klacht niet. Dat hield ongetwijfeld samen met het “gebrek
aan transparantie van het onderzoek voor het slachtoffer en de aangeklaagde persoon”.
77Ook was onduidelijk of een meldings- of doorverwijzingsplicht bestond als indieners van
klachten niet bij het meldpunt van
Hulp & Recht maar bij een bisdom, een orde ofcongregatie terechtkwamen.
78Een van de veranderingen in de procedure betrof de aanstelling van juridisch adviseurs
die de klagers konden bijstaan in de procedure en konden helpen bij het opstellen van
een klaagschrift.
74
Gesprek van de commissie met mevrouw mr. S.J.E. Horstink-von Meyenfeldt op 13 september 2010 engesprek van de commissie met mr. Y.A.J.M. van Kuijck en professor dr. M.H.F. van Uden op 3 september 2010.
75
Gesprek van de commissie met mevrouw mr. S.J.E. Horstink-von Meyenfeldt op 13 september 2010 engesprek van de commissie met mevrouw mr. P.M.M. Stassen op 10 september 2010.
76
Brief van de penningmeester van Hulp & Recht aan de bisschoppenconferentie van 20 januari 2006.77
Jaarverslag van de landelijke instelling Hulp & Recht over het jaar 2007 met uitloop naar 2008 (in verbandmet de overdracht van het voorzitterschap), blz. 3.
78
Zie onder meer de notulen van de bisschoppenconferentie 14 november 2006, besluit 134/2006.30
Verder was het tot 2007 onmogelijk om een klachtprocedure te beginnen als de
aangeklaagde overleden was of niet langer meer - bij voorbeeld door uittreding - onder
het gezag van een bisschop of hogere overste stond. Dat werd in de herziene procedure
veranderd. Tot 2007 was het niet mogelijk om binnen de kerk actieve vrijwilligers
(kosters, dirigenten, etc) die van misbruik werden beschuldigd aan te klagen. Dit werd in
de nieuwe procedure mogelijk gemaakt. De nieuwe procedure voorzag in termijnen. In
de oude procedure ontbraken deze, waardoor de procedure vaak nodeloos lang duurde
door de lange, ongelimiteerde tussenpozen. Belangrijk was ook de mogelijkheid van het
horen van klager en aangeklaagde in de BAC. Verder waren meer mogelijkheden
voorzien voor afhandeling van klachten (informeel, schriftelijk, etc).
De vertrouwenspersonen zouden niet langer door de bisschoppen maar door het bestuur
van
Hulp & Recht worden benoemd. Ook de juridisch adviseurs worden sindsdien doorhet bestuur van
Hulp & Recht benoemd.De kring van aan te klagen personen werd uitgebreid naar een ieder die betaald of
onbetaald werkzaamheden verricht en voor wiens handelen de kerk civielrechtelijk
aansprakelijk kan worden gesteld. In deze schadevergoedingszaken zou dus voortaan
altijd een onderzoeksdossier van de BAC voorhanden zijn. De rol van de BAC werd
nader omschreven: ze is een “onderzoekscommissie die zuiver adviseert aan de
ordinarius en niet als rechter functioneert. Voor de afdoening van de kerkelijk
strafrechtelijke feiten zal een canonieke rechtbank worden ingericht.”
79Een meer omstreden verandering was dat – net als in de gewone rechtbank – klager en
aangeklaagde op eenzelfde moment worden gehoord en gelegenheid krijgen om op
elkaars verhaal te reageren. Omstreden omdat in de procedure voorop stond dat beiden
bij de zitting van de BAC aanwezig zouden zijn, tenzij de klager of de aangeklaagde
verzoeken hiervan af te zien.
Het werd vanaf 1 januari 2008 mogelijk om meer klachten in behandeling te nemen en
minder klachten niet ontvankelijk te verklaren omdat ze tegen personen was gericht die
tot dusver buiten de klachtenprocedure vielen (overleden, uitgetreden of bij voorbeeld
onbezoldigde, in de kerk actieve personen). Ook werd het voor klagers mogelijk om al
dan niet in aanwezigheid van de aangeklaagde met de BAC te spreken. Tot dan was er
geen rechtstreeks contact tussen BAC en klager. Een gedelegeerd gemachtigde sprak met
de klager (en aangeklaagde) en bracht verslag uit aan de BAC. Om deze redenen stelde
het bestuur van
Hulp & Recht voor om niet meer voltallig in de BAC klachten tebehandelen maar in kamers van ten hoogste drie leden. Mevrouw Horstink-von
Meyenfeldt meende - nu de reikwijdte van de klachtenprocedure was verbreed - dat het
aantal in behandeling te nemen klachten zou toenemen.
80Met de BAC werd drie keer bijeengekomen om over de nieuwe procedure te spreken. De
voorzitter van de BAC was nauw bij de opstelling van de nieuwe procedure betrokken
en werkte ook mee aan de formulering van wijzigingsvoorstellen.
79
Idem.80
Gesprek van de commissie met mevrouw mr. S.J.E. Horstink-von Meyenfeldt op 13 september 2010.31
Hierdoor dacht de voorzitter van
Hulp & Recht in de voorzitter van de BAC eenmedestander voor aanpassing van de procedure te hebben gevonden.
81 Uiteindelijk konde voorzitter van de BAC net als de andere leden van de BAC niet instemmen met de
nieuwe procedure.
82Kritiek van de BAC op de veranderingen
De BAC was van mening dat de nieuwe procedure onnodig was. De bestaande
procedure werkte naar tevredenheid: “weliswaar hebben zich in het verleden met
betrekking tot de afdoening van meldingen/klachten knelpunten voorgedaan maar deze
waren niet terug te voeren op de procedure zelf, wel aan een onduidelijke taakstelling
voor de vertrouwenspersonen en juridische adviseurs en de gebrekkige uitvoering die
kerkelijke overheden gewoonlijk geven aan adviezen van de BAC.”
83De nieuwe procedure zou volgens de BAC “onnodig geformaliseerd en gejuridiseerd”
zijn: “Het Instituut van de Kerk en niet langer het slachtoffer staat nu centraal.” Het stak
de toenmalige BAC dat in de preambule de bescherming van de rechten en belangen van
het slachtoffer pas als laatste werd genoemd. In haar ogen stond het belang van de kerk
voorop en was seksueel misbruik iets dat de kerk schade kon berokkenen.
84 De BAC had“de grootste moeite” met de afdoening door een ‘kamer’ van de BAC en het kennelijke
uitgangspunt dat partijen in elkaars aanwezigheid worden gehoord.” De BAC achtte dat
van weinig begrip getuigen “voor de veelal emotionele en moeilijke situatie waarin
klagers zich bevinden.”
85Op het verzoek van de BAC om het aan de bisschoppenconferentie voorgelegde concept
van de nieuwe procedure terug te nemen ging het bestuur van
Hulp & Recht niet in.86De bezwaren van de BAC werden weliswaar in de bisschoppenconferentie besproken,
maar ook daar vond de BAC geen gehoor.
87 De voorzitter van de BAC kreeg het verzoek“aan te geven of u bereid bent om uw voorzitterschap van de BAC voort te zetten en aan
de hand van de nieuwe regeling uw werkzaamheden uit te voeren.” Uiteindelijk leidde
dit tot wat de voorzitter noemde “scheiding der wegen” en trad de hele BAC terug.
De nieuwe procedure in de bisschoppenconferentie
Tussen 9 september 2003 en 9 mei 2006 was met uitzondering van de
Aegon-kwestieslechts incidenteel over
Hulp & Recht in de bisschoppenconferentie gesproken. In dezeincidentele gevallen ging het om de goedkeuring van de jaarlijkse begroting en financiële
verantwoording en de benoeming van leden en medewerkers.
81
Idem.82
Gesprek van de commissie met mevrouw mr. S.J.E. Horstink-von Meyenfeldt op 13 september 2010 engesprek van de commissie met mr. Y.A.J.M. van Kuijck en professor dr. M.H.F. van Uden op 3 september 2010.
83
Brief van de BAC aan het bestuur van Hulp & Recht van 5 september 2007. De toenmalige voorzitter enplaatsvervangend voorzitter van de BAC hebben de
Onderzoekscommissie op twee voorbeelden van zulkegebrekkige uitvoering van adviezen van de BAC gewezen. Gesprek van de commissie met mr. Y.A.J.M. van
Kuijck en professor dr. M.H.F. van Uden op 3 september 2010.
84
Brief van de BAC aan de voorzitter van de bisschoppenconferentie van 16 november 2007.85
Idem.86
Brief van de BAC aan het bestuur van Hulp & Recht van 5 september 2007.87
Brief van Adrianus kardinaal Simonis aan mr. Y.A.J.M. van Kuijck. Utrecht 17 oktober 2007. Notulenbisschoppenconferentie 9 oktober 2007, agendapunt 10.
32
De notulen van de bisschoppenconferentie van 9 mei 2006 bevatten geen verslag van het
toen besprokene.
88 Tussen 9 mei 2006 en 9 oktober 2007 herhaalde zich het patroon vande periode hiervoor. Incidenteel kwam
Hulp & Recht aan de orde: bij benoemingen vanleden van het bestuur en van de BAC en voor de goedkeuring van de begroting. Het
aantal klachten daalde in deze periode tot drie per jaar.
In de notulen van 9 oktober 2007 wordt uitvoerig ingegaan op wat op 9 mei 2006 was
besproken: het bestuur van
Hulp & Recht had op 9 mei 2006 de bisschoppenconferentieingelicht over de zorgen van het bestuur over het functioneren van de BAC en over
vragen over de procedure. De bisschoppenconferentie had toen ingestemd met de door
het bestuur voorgestelde aanpak die inmiddels tot de nieuwe procedure had geleid.
In haar bijeenkomst op 9 oktober 2007 keurden de bisschoppenconferentie en de KNR de
nieuwe procedure en de statutenwijziging van
Hulp & Recht goed. Tevens werd beslotende voorzitter en leden van de BAC het besluit mee te delen en hen te vragen vóór 1
november 2007 te laten weten of zij bereid zouden zijn per 1 januari 2008 onder de
nieuwe regeling te functioneren.
Aanvankelijk leefde het idee om de BAC tevens te belasten met de advisering over
schadevergoeding, maar het bestuur van
Hulp & Recht had hier uiteindelijk vanaf gezien.Wel had de BAC al in de eerdere procedure de mogelijkheid gekregen te adviseren over
vergoeding van kosten voor therapeutische behandeling. Het bestuur wilde voorkomen
dat de klachtenprocedure zou worden vertroebeld door de al of niet financiële gevolgen
van een zaak en de civiele aansprakelijkheden. Het bestuur vreesde ook voor misbruik
van de klachtenprocedure in de aanloop naar civielrechtelijke procedures in verband met
schadevergoedingen.
89 Niettemin werd een procedure op dit gebied wel wenselijk geachtom eenheid te krijgen in de hoogte van uit te keren schadevergoedingen.
Dat laatste was actueel, omdat vlak voorafgaande aan deze bisschoppenconferentie een
uitzending van
Netwerk op 27 september 2007 de nodige beroering had veroorzaakt:“geconstateerd wordt dat de Netwerkuitzending, waar een groot aantal negatieve
kwalificaties over te geven zijn, wel de vinger heeft gelegd op enkele zwakke punten.”
90In deze uitzending kwam de vraag aan de orde hoe de Kerk was omgegaan met
slachtoffers van seksueel misbruik. Een van deze slachtoffers die in de uitzending aan het
woord kwam was Ton Leerschool, die op het jongensinternaat Eymard Ville in
Stevensbeek was misbruikt.
Op 16 november 2007 berichtte de BAC “ernstig teleurgesteld [te zijn] in de procedurele
gang van zaken met betrekking tot de besluitvorming van de bisschoppenconferentie”.
88
Notulen bisschoppenconferentie 9 mei 2006, agendapunt 12.89
Brief van Hulp & Recht van 1 oktober 2007, kenmerk \H&R\BK-003. De Onderzoekscommissie tekent hieroverigens bij aan dat het gebruik van de klachtenprocedure als aanloop voor een civielrechtelijke procedure
voor de toekenning van een schadevergoeding bij ontstentenis van een procedure van het verkrijgen van zo’n
vergoeding binnen de RKK onvermijdelijk lijkt.
90
Notulen bisschoppenconferentie 9 oktober 2007, agendapunt 10.33
De voorzitter en leden, alsmede de ambtelijk secretaris verbonden hieraan consequenties
en lieten weten dat dit hen bracht “tot een scheiding van wegen”.
91 Op 6 mei 2008benoemde de bisschoppenconferentie nieuwe leden van de BAC.
92Naast een volledig nieuwe BAC trad in dat jaar ook een nieuwe voorzitter van
Hulp &Recht
aan, drs. J.B. Waaijer. Hij nam op 15 november 2008 het voorzitterschap over vanmevrouw mr. S.J.E. Horstink-von Meyenfeldt
. Mevrouw Horstink-von Meyenfeldt hadvan een tweede termijn van vier jaar als voorzitter afgezien. Haar voornemen om zelf de
organisatie van
Hulp & Recht op andere terreinen te verbeteren door versterking van deinterne cohesie, communicatie en (zelf)evaluatie liet ze varen. Het hiermee gemoeid
gaande tijdbeslag was haar te veel.
93Overzicht van meldingen en klachten
Om een beeld te geven van de aantallen meldingen en klachten is onderstaande tabel van
belang. Het betreft hier cijfers tot 2010. De meldingen en klachten in 2010 komen
verderop aan bod.
Tabel 1
Overzicht van meldingen en klachten 1995-2009
Jaar meldingen man 16- 16+ vrouw 16- 16+ klachten gegrond ongegrond nietontvankelijk
schikking
1995-
97
10194 34 27 7 48 9 39 84 26 53 5 0
1998 27 18 18 0 9 1 8 7 3 4 0 0
1999 5 2 2 0 3 1 2 3 2 0 1 0
2000 14 8 5 3 6 1 5 4 1 2 1 0
2001 12 ? 1 ? ? 1 ? 4 2 1 1 0
2002 47 ? 9 ? ? 7 ? 12 8 4 0 0
2003 12 7 4 3 5 2 3 3 1 2 1 0
2004 15 5 5 0 6 4 2 2 2 0 0 0
2005 11 3 0 3 8 3 5 4 2 0 2 0
2006 15 4 2 2 11 2 9 3 3 0 0 0
2007 7 3 3 1 4? 1 4 3 3 0 0 0
2008 10 3 1 2 7 2 5 6 3 0 295 1
2009 10 6 3 0 396 0
totaal 286 >87 77 >21 >107 34 >82 141 5997 66 16 0
91
Brief van de BAC aan de voorzitter van de bisschoppenconferentie van 16 november 2007.92
Notulen bisschoppenconferentie 6 mei 2008, agendapunt 5.5.93
Gesprek van de commissie met mevrouw mr. S.J.E. Horstink-von Meyenfeldt op 13 september 2010.94
Dit aantal ligt hoger dan de in mannen en vrouwen uitgesplitste aantallen. Aannemelijk is dat in deze jarenniet alle meldingen gespecificeerd zijn geregistreerd.
95
In het ene geval is de procedure afgebroken, in het andere geval is de klacht niet doorgezet omdat deaangeklaagde niet is gevonden.
96
In twee gevallen is er geen zitting geweest. In het derde geval is de klachtprocedure stopgezet.97
Van zeventien klachten is niet bekend of niet vast te stellen of en zo ja, in welke mate de klacht (on)gegrondis verklaard. De
Onderzoekscommissie heeft na onderzoek van de 59 dossiers vastgesteld dat in ieder geval bij46 klachten sprake is van een grotendeels gegrond verklaring.
34
Bron:
Hulp & Recht. Bijlage bij jaarverslag over 2008. Jaarverslag van de Instelling Hulp & Recht overhet jaar 2009, blz. 3
Het gemiddelde aantal meldingen per jaar (tot en met 2009) is negentien, waarvan iets
minder dan de helft leidt tot een klacht. Maar als we de klachten uit de eerste drie jaar
(‘inhaaleffect’) buiten beschouwing laten is dat zestien. Volgens de eigen berekeningen
van
Hulp & Recht Bijna 42 procent van de klachten (jaarlijks gemiddeld vier) is gegrond,49 procent wordt ongegrond verklaard en negen procent niet-ontvankelijk.
Vrouwen melden iets meer dan mannen (respectievelijk 53 en 47 procent). Veertig procent
van de meldingen (111) heeft betrekking op personen die in de periode waarover de
melding gaat jonger dan zestien jaar waren. Het gaat in ruim zeventig procent van deze
meldingen om mannen die op het moment van misbruik jonger dan zestien jaar waren en
in minder dan dertig procent van de meldingen om vrouwen jonger dan zestien jaar op
het moment van het misbruik. Bijna de helft van de meldingen (133) is binnengekomen in
de eerste vijf jaar van het bestaan van
Hulp & Recht. In de hierop volgende vijf jaar kwam35 procent van de meldingen (100) binnen. De laatste vijf jaren in dit overzicht (2005-2008)
telden 53 meldingen (achttien procent van het totaal).
De
Onderzoekscommissie heeft op 7 september 2010 67 dossiers van door de BACbehandelde klachten ingezien. Het betrof 46 klachten die gegrond zijn verklaard en 21
klachten die niet ontvankelijk zijn verklaard, ongegrond zijn verklaard, zijn afgebroken of
nog lopen. Zestig procent van deze klachten heeft betrekking op klagers die op het
moment van het (eerste) misbruik ouder waren dan zestien jaar. Bijna negentig procent
van de mannelijke klagers was bij het eerste misbruik jonger dan zestien jaar.
98Tabel 2
Gegrond verklaarde klachten naar leeftijd (16+/16-) en naar geslacht (m/v)
Jaar
1995 1996 1997 1998 1999 2000 2001 2002 2003 2004 2005 2006 2007 2008 200916+ 1 3 1 3 1 1 1 7 0 1 3 3 2 1 0 28
16- 2 2 3 1 2 0 1 1 0 1 0 0 1 1 3 18
m 1 3 1 0 2 0 0 3 0 1 0 0 1 0 1 13
v 2 2 3 4 1 1 2 5 0 1 3 3 2 2 2 33
Financiering van Hulp & Recht
Op 8 december 2009 stelde de bisschoppenconferentie de begroting van
Hulp & Rechtvoor 2010 vast. Het ging om een bedrag van 56.350 euro. In 2008 was 49.752 euro
uitgegeven. Het aantal klachten dat in 2008 was behandeld was drie. Dit lokte bij het
Economencollege
de opmerking uit dat niet voorbij kon worden gegaan aan het feit dat hethier per klacht om een aanzienlijk bedrag ging.
9998
In 2001 is de grens van minderjarigheid in het canoniek recht verschoven van 16 jaar naar 18 jaar.(Codex 1983 canon 1395 par 2 gaat over de strafbaarheid van seksueel misbruik van een
minderjarige onder de leeftijd van zestien jaar.)
99
Brief van het Economencollege van het R.K. Kerkgenootschap in Nederland van 30 november 2009 (kenmerkIR-2.618/ H&R begr. ‘10/ 11-2009).
35
Voor de jaren 2004 tot en met 2010 zijn in Tabel 3 de jaarlijkse kosten weergegeven,
waarbij voor 2010 geldt dat het om begrote kosten gaat.
Tabel 3
Kosten van
Hulp & RechtJaar 2004 2005 2006 2007 2008 2009 2010
Kosten in euro 54.909 52.577 56.792 51.694 49.752 47.070 511.350100
6. 2010
Kort na elkaar volgden in februari 2010 publicaties over seksueel misbruik in de
Rooms-Katholieke Kerk
in het buitenland - met name in Ierland en Duitsland – en in Nederland.101Op 9 maart 2010 bespraken de bisschoppen in hun maandelijkse conferentie de
publicitaire ophef en de gevolgen voor
Hulp & Recht. In een paar weken tijd waren 370meldingen bij
Hulp & Recht binnengekomen die betrekking hadden op de jaren vijftig enzestig van de vorige eeuw.
102 Dat aantal lag ruim boven het aantal meldingen dat in haartotaliteit de voorafgaande vijftien jaar was binnengekomen. Het grootste deel van de
meldingen kwam per E-mail en per brief binnen. De voorzitter van
Hulp & Recht steldede bisschoppenconferentie op de hoogte van de problemen waarin
Hulp & Recht doordeze grote hoeveelheid meldingen in korte tijd was terechtgekomen.
Hulp & Recht was“kopje ondergegaan.”
103 Er was geen secretariaat, geen woordvoerder en maar eenhalftijds werkzame medewerker. De organisatie ‘dreef’ op vrijwilligers. Gezien het aantal
meldingen en klachten in de hieraan voorafgaande periode was deze beperkte omvang
van de organisatie niet verwonderlijk.
In de loop van de daaropvolgende week werden de problemen alleen nog maar groter.
Op 14 maart 2010 maakte de bisschop van Groningen-Leeuwarden, dr. G.J.N. de Korte,
in het televisieprogramma
Kruispunt bekend dat slachtoffers zich konden melden bij Hulp& Recht
. Mgr. De Korte is binnen de bisschoppenconferentie referent voor Kerk enSamenleving en in die hoedanigheid woordvoerder namens de bisschoppenconferentie
over dit onderwerp. In de uitzending noemde mgr. De Korte het telefoonnummer van
het meldpunt van
Hulp & Recht (0900-8998411). Daar zouden melders ook uitvoerig tewoord worden gestaan. Zelfs pastorale gesprekken waren mogelijk, aldus de bisschop.
104Om de te verwachten meldingen in goede banen te leiden waren vrijwilligers gevraagd
aan de telefoon de melders te woord te staan.
100
Zoals opgenomen in de begroting. Over de vorige jaren gaat het om gerealiseerde bedragen.101
Gerard van Westerloo, ‘De Pater en het Meisje’, 2010. Robert Chesal, ‘Ook in Nederland seksueel misbruikin de katholieke kerk’, Radio Nederland Wereldomroep http://www.rnw.nl/nl/print/64527 en Joep Dohmen,
‘Nederlandse paters beticht van seksueel misbruik’. In: NRC Handelsblad van 26 februari 2010.
102
Notulen bisschoppenconferentie 9 maart 2010, agendapunt 7.103
Gesprek van de commissie met mevrouw mr. P.M.M. Stassen op 10 september 2010.104
http://www.uitzendinggemist.nl/index.php/aflevering?aflID=10742077&md5=fd6867a61c39d66804f38914816
31c31
36
De vrijwilligers waren slecht voorbereid. Instructies ontbraken of waren zo
gecompliceerd dat de melders geen keuze konden maken in de mogelijkheden die aan de
telefoon werden voorgelegd. De meesten wilden graag in een gesprek hun hart luchten,
maar de organisatie was niet in staat om afspraken voor deze gesprekken te maken. Het
materiaal waarmee gewerkt werd (een mobiele telefoon) was verouderd en als de lijn
bezet was werden bellers geconfronteerd met een achterhaald en fout inspreekbericht.
Van de gesprekken werden
à l’improviste aantekeningen gemaakt. Er was geenstandaardformulier waar systematisch de gegevens van de melders op konden worden
genoteerd. Een van de vrijwilligers nam haar aantekeningen mee naar huis om ze daar
uit te werken. Vragen van media kwamen binnen op dezelfde telefoonlijn als de lijn
waarop de telefoongesprekken met melders van seksueel misbruik werden gevoerd.
105Tijdens de bisschoppenconferentie van 13 april 2010 werd de stand van zaken bij
Hulp &Recht
besproken. Het aantal meldingen was toen opgelopen tot 1100. Knelpunten warenhet doorgeleiden van verzoeken om hulpverlening en gesprekken, het aantrekken van
voldoende juridische adviseurs om de toestroom van klachten in goede banen te leiden
en het kanaliseren van vragen over en verzoeken tot schadevergoeding. Uit de contacten
met melders en klagers bleek dat veel vragen werden gesteld over de (onafhankelijke)
positie van
Hulp & Recht.106 In de afgelopen tijd waren extra betaalde krachten op hetsecretariaat ingezet. Het bestuur had extra juridische adviseurs en een woordvoerder
geworven.
107Deze laatste vraag kwam blijkens de notulen niet aan de orde in de
bisschoppenconferentie. Wel werd besloten voor extra ondersteuning te zorgen: “met
name katholieke juristen ten behoeve van een tweede BAC [hier wordt uitbreiding van
de BAC bedoeld: O
nderzoekscommissie] en secretariële ondersteuning.”108In mei 2010 werd een interim-hoofd voor het secretariaat aangesteld. Het databeheer
werd verbeterd en met behulp van een extra juridisch medewerker konden in de zomer
van 2010 de achterstanden in klachtendossiers worden weggewerkt. In september 2010
werd de BAC uitgebreid met nieuwe leden.
105
Brief van (oud-) medewerker van Hulp & Recht aan de leden van de commissie 7 mei 2010.106
Rapport Hulp en Recht 23 maart 2010 (vertrouwelijk).107
Brief van het bestuur van Hulp & Recht aan de Onderzoekscommissie van 21 november 2010(kenmerk \CD\reactie-002).
108
Notulen bisschoppenconferentie 13 april 2010, agendapunt 8, besluit 93c/2010.37
Uiteindelijk kreeg
Hulp & Recht in 2010 (tot 23 november 2010) 1799 meldingen.Tabel 4
Aantal meldingen en klachten
Hulp & Recht 2010Aard Aantal
Meldingen van slachtoffers van seksueel misbruik, geestelijke en lichamelijke mishandeling 1579
Meldingen van getuigen en/of familieleden over seksueel misbruik, geestelijke en lichamelijke
mishandeling
220
Waarvan in totaal over seksueel misbruik 1643
Waarvan klachten 241 (door 213
klagers)
Totaal 1799
Bron:
Hulp & Recht, gegevens uit registratie Hulp en Recht, 23 november 2010,\beleid\cijfers-003
Van de 1799 meldingen hebben 265 betrekking op een van de zeven Nederlandse
bisdommen (14,7 procent). Van de 241 klachten hebben 54 betrekking op de bisdommen
(22,4 procent). Het is overigens niet altijd bekend tot welke orde, congregatie of bisdom
degene hoorde waarover is gemeld. De hier genoemde percentages kunnen dus nog
fluctueren.
Hulp & Recht
heeft onlangs laten onderzoeken waarom ondanks het grote aantalmeldingen maar een relatief klein aantal melders (13,4 procent) besluit om een klacht in
te dienen.
De melders zijn willekeurig geselecteerd aan de hand van criteria: het moest gaan om
meldingen die op zich tot een klacht zouden kunnen leiden (dus seksueel misbruik en
melding door betrokkene zelf). Het onderzoek is telefonisch uitgevoerd en heeft tot de
onderstaande uitkomsten geleid:
Inzake klachten
:•
32 melders willen alsnog een klacht indienen•
44 melders wilden vooral melden vanwege statistieken•
11 melders zien op tegen de procedure•
4 melders zeiden geen vertrouwen in Hulp & Recht te hebben•
4 melders wisten niet da de juridisch adviseur door Hulp & Recht wordt betaald•
5 melders wilden niet zeggen waarom ze geen klacht willen indienenInzake hulp:
56 melders hebben geen behoefte aan hulp vanuit
Hulp & Recht. 48 omdat ze geenbehoefte hebben, 8 omdat ze een eigen hulpverlener hebben. De 44 anderen willen wel
graag hulp vanuit
Hulp & Recht, in de vorm van een gesprek. Deze wens hangt samenmet de twijfel of ze wel of niet een klacht zullen indienen. Elke melder die dat wilde,
heeft inmiddels een gesprek met een vertrouwenspersoon gehad.
109109
Marie-José Jager, Onderzoek melders. 21 oktober 2010 (Kenmerk:\OM\bestuur-001)38
2.
Knelpunten in het functioneren van
Hulp & Recht2.1. Algemeen
Hulp & Recht
is om een aantal redenen een instelling met een complexe opdracht:- hulp en recht bieden;
- voor klagers én aangeklaagden zorgen;
110- er is sprake van Nederlands en van kerkelijk recht.
De klachtprocedure voorziet ook in klachten tegen uitgetreden en reeds overleden
aangeklaagden die dan door het desbetreffende bisdom, orde of congregatie worden
vertegenwoordigd. De bisschop of de hogere overste staat dan in de beklaagdenbank.
Dezelfde bisschop of hogere overste bepaalt later zelf wat hij met het advies van de
Beoordelings- en adviescommissie
doet. Tegelijkertijd benoemt de bisschop in debisschoppenconferentie (samen met het bestuur van de KNR) de leden van de
Beoordelings- en adviescommissie
en legt het bestuur van Hulp & Recht verantwoording afaan de bisschoppenconferentie en aan het bestuur van de KNR.
Hulp & Recht
is - als instelling van de RKK - principieel geschoeid op kerkrechtelijke leest.Het kerkelijk of canoniek recht is sterk theologisch bepaald. Het canonieke recht kent
geen scheiding van machten en hanteert een eigen domein (in de zin van de oude
societasperfecta
) waarin alles geregeld is of kan worden.In Nederland zijn kerkelijke rechtspersonen erkend naar Nederlands recht (artikel 2:2
BW). In andere Europese landen hebben kerkelijke rechtspersonen deze status niet en
wordt naast de kerk c.q. haar onderdelen als geloofsgemeenschap altijd een vehikel
opgericht dat civielrechtelijk van aard is en goederen, zaken en andere
vermogensrechtelijke rechten en verplichtingen beheert. Dat in Nederland beide
rechtsgebieden tegelijkertijd een rol spelen is historisch verklaarbaar en geldt voor alle
kerkgenootschappen.
111 De Onderzoekscommissie komt hierop in haar eindrapportage nogterug.
2.2. De organisatie en procedure van Hulp & Recht
Hulp & Recht
kent een bestuur dat bestaat uit minimaal vijf en maximaal zeven personendie door de bisschoppenconferentie en het bestuur van de KNR worden benoemd.
Statutair is
Hulp & Recht belast met het in stand houden van een meldpunt voor“personen […] indien zij hulp wensen of een klacht willen indienen vanwege seksueel
misbruik”.
112110
De Onderzoekscommissie heeft geen onderzoek gedaan naar de ervaringen van aangeklaagden cq religieuzeinstituten met de hulpverlening door
Hulp & Recht aan aangeklaagden. In het gesprek met de commissie op 3september 2010 heeft de voorzitter van
Hulp & Recht het volgende opgemerkt: “De facto wordt geen hulpverleend aan echte daders. In de vroegere procedure was er wel in voorzien dat een aparte groep mensen die
echte daders zou begeleiden, maar dat is nooit van de grond gekomen.”
111
drs. L.C. van Drimmelen en professor mr. T.J. van der Ploeg, ‘Kerk en Recht’, 2004.112
Artikel 3 lid 1 van de statuten van Hulp & Recht:http://www.hulpenrecht.nl/Documenten/SitePages/Statuten.aspx
39
Hiernaast is aan de BAC de taak toebedeeld om een gemotiveerd advies aan bisschoppen
en oversten uit te brengen naar aanleiding van concrete klachten. Ten slotte kent
Hulp &Recht
een rol bij het verrichten van onderzoek en studie op het terrein van seksueelmisbruik in het algemeen en in de specifieke context van de RKK in het bijzonder en het
uitbrengen van algemene beleidsadviezen aan bisschoppen en oversten.
De eerste taak, via het meldpunt hulp bieden en een klacht indienen, kent een aantal
knelpunten. Het eerste knelpunt is dat op dit moment telefonische melders een van de
administratieve medewerkers aan de lijn krijgen. Hun instructie luidt om de melders mee
te delen dat ze door een vertrouwenspersoon worden teruggebeld om over hun melding
te spreken. Uit de eigen meldingen bij de
Onderzoekscommissie blijkt dat melders vaak denodige moed moeten verzamelen om hun misbruik te melden. Het is voor de
Onderzoekscommissie
de vraag of het uitstel door het vervolgcontact met devertrouwenspersoon de bereidheid aantast om een klacht in te dienen. De
Onderzoekscommissie
heeft dit niet kunnen vaststellen. Volgens Hulp & Recht komt vaaknaar voren dat de melder wil dat zijn melding “meegenomen wordt in de statistieken”.
113Uit het telefonisch gehouden onderzoek blijkt dat bij een tweede benadering alsnog 32
van de 100 melders besluiten tot het indienen van een klacht. Dit hoge percentage duidt
erop dat in de beleving van melders het verschil tussen melding en klacht diffuus.
114Als melders aangeven hulp nodig te hebben, worden vertrouwenspersonen
ingeschakeld. Deze vertrouwenspersonen werden vroeger door de bisschoppen
benoemd, maar sinds 2008 door het bestuur van
Hulp & Recht. Hun werkterrein ontstijgtdan ook de begrenzing van het bisdom waarbinnen ze woonachtig zijn.
115 Devertrouwenspersonen beschikken over het dossier van de melder waarmee ze een
gesprek gaan voeren. Tijdens hun gesprekken proberen de vertrouwenspersonen te
achterhalen of de melders meer hulp nodig hebben, bij voorbeeld van een jurist of een
psycholoog. Dat wordt ook in het verslag gemeld dat naar
Hulp & Recht wordt gezondenen waarvan de melder een afschrift krijgt. Het verslag wordt pas verstuurd na
goedkeuring door de melder.
De vertrouwenspersoon kan adviseren aan
Hulp & Recht om door te verwijzen naar eenhulpinstantie maar doet dat niet zelf. Van de follow-up van deze doorverwijzing wordt
de vertrouwenspersoon niet op de hoogte gehouden. Het ontbreekt op dit moment
overigens aan richtlijnen voor dit soort situaties. Ook bestaat onduidelijkheid – zowel
binnen het bestuur van
Hulp & Recht als bij de vertrouwenspersonen - over het maximaalaantal gesprekken dat vertrouwenspersonen voeren met aan hen toebedeelde melders.
116In september jl heeft het bestuur van
Hulp & Recht in beginsel ingestemd met een ‘KaderVertrouwenspersonen nieuwe stijl’ waarin in deze lacunes wordt voorzien.
113
Gesprek van de commissie met mr. P.M.M. Stassen op 10 september 2010.114
Marie-José Jager, Onderzoek melders. 21 oktober 2010 (Kenmerk:\OM\bestuur-001).115
Gesprek van de commissie met mevrouw M. van Helvert-Willeme op 17 september 2010.116
Bij een groot aantal gesprekken dreigt het risico dat de vertrouwenspersoon gaat optreden als hulpverlener,waartoe de vertrouwenspersonen niet zijn toegerust. Gesprek van de secretaris met mr. P.M.M. Stassen op 8
november 2010.
40
Sinds kort hebben de KNR en de bisdommen commissies ingesteld om als kring van
vertrouwenspersonen te fungeren en “in gesprek te gaan in het kader van de erkenning
van seksueel misbruik en hen voor verdere ondersteuning door te verwijzen en dit ook te
volgen op een door het slachtoffer gewenste manier.”
117 In het bisdom Roermond is eensoortgelijke commissie
Luisterend Oor in het leven geroepen die iedereen hoort “diegehoord wil worden […] en respect, erkenning en welgemeende excuses [geeft].”
118De gesprekken met slachtoffers zijn vertrouwelijk en de verslagen van de diocesane
commissie van het bisdom Haarlem-Amsterdam worden op het bisdom vertrouwelijk
bewaard of op verzoek van het slachtoffer vernietigd. Twee slachtoffers hebben gevraagd
het verslag van hun gesprek ter kennis te laten brengen van de
Onderzoekscommissie.Als komt vast te staan dat de melder een klacht wil indienen bij
Hulp & Recht wordt eenvan de juridische adviseurs gevraagd om binnen veertien dagen contact op te nemen met
de klager en met hem een klaagschrift op te stellen. De juridische adviseurs zijn
advocaten die voor hun advisering een vergoeding ontvangen en wat hun
werkzaamheden betreft gebonden zijn aan de regels van de
Orde van Advocaten. Deervaringen met de juridische adviseurs zijn nogal wisselend. Aan de ene kant zijn klagers
ingenomen met het feit dat ze zonder hiervoor zelf kosten te maken zij kunnen
beschikken over juridische ondersteuning.
119 Aan de andere kant werden ze met eenprocedure geconfronteerd die ze vaak niet goed kunnen overzien: “de procedurele
informatie zoals je kunt lezen op de website van
Hulp & Recht is onvolledig en daardooronjuist. Er bestaan nog vijftien pagina’s juridische tekst met nogal ingrijpende en zelfs
tegenstrijdige aanvullingen op de procedure. Dit krijg je pas ter plekke bij de juridische
adviseur te lezen. Dat kun je dan (proberen) door te nemen om vervolgens erachter te
komen dat ook de juridische adviseur niet precies kan uitleggen hoe het proces zal gaan
verlopen.”
120 Inmiddels is de tekst op de (vernieuwde) website aangepast. De juridischadviseurs zijn op 17 september jl in aanwezigheid van de voorzitter en leden van de
BAC, de vertrouwenspersonen en het bestuur van
Hulp & Recht geïnformeerd over deprocedure en de wijze waarop zij met klagers het klaagschrift opstellen.
Ook lopen klagers aan tegen het verschil in aanpak tussen de juridische adviseurs. Een
van de klagers werd gevraagd zijn eigen klaagschrift op te stellen: “ondanks dat zijn
klaagschrift een duidelijk en samenhangend verhaal was, werd het in eerste instantie
afgekeurd omdat het aan een bepaalde structuur moest voldoen.”
121 Andere klagers zijnpositiever over dit deel van de procedure: “Het contact met de juridisch adviseur is
vervolgens zeer vlot tot stand gekomen. Wat hij op schrift had gesteld bleek dermate
compleet dat er niet veel aan hoefde te worden veranderd, toegevoegd of geschrapt.”
122Op het klaagschrift volgt het verweerschrift van de aangeklaagde zelf of als hij is
overleden door de desbetreffende bisschop of hogere overste.
117
Brief met bijlagen van drs. E.H.A. Fennis (kanselier bisdom Haarlem-Amsterdam) van 16 september 2010.118
http://www.bisdom-roermond.nl/nieuws/detail.php?ID=1117119
E-mailbericht van slachtoffers Canisiuscollege van 14 september 2010 om 9.42 uur.120
http://www.seksueelmisbruik.info/rkkerk/?p=59121
Gesprek van de commissie met de heer R.C.G. Egging op 17 september 2010.122
Gesprek van de commissie met anoniem op 17 september 2010.41
De manier waarop in de verweerschriften wordt ingegaan op wat de klager is
overkomen loopt uiteen, aldus het huidige hoofd van het secretariaat van
Hulp & Recht:“variërend van ‘betrokkene is dood, ik heb geen archief’ tot hele mooie verweerschriften
waarin een overste zich heeft ingespannen om de situatie in historisch perspectief te
plaatsen met de achtergrond van het tehuis, de aangeklaagde en het misbruik. […] Er
wordt ook verweer gevoerd door nog in leven zijnde aangeklaagden en ook hierin zitten
grote verschillen. Sommigen tonen zich aangedaan en willen graag met het slachtoffer
praten terwijl anderen het gebeurde volledig ontkennen.”
123 De Onderzoekscommissieconstateert in dit verband dat het inlevingsvermogen bij de opstelling van
verweerschriften die namens een overleden aangeklaagde worden ingediend voor
verbetering vatbaar is.
124In de nieuwe procedure is een zitting voorzien waar zowel klager als aangeklaagde
worden gehoord. Hiervan kan worden afgeweken als tevoren hiertegen bezwaar wordt
gemaakt.
125Het sluitstuk van de procedure bestaat uit de uitspraak van de BAC en – als de klacht
gegrond wordt verklaard – een advies aan de bisschop of hogere overste die verplicht is
om te reageren op het advies binnen dertig dagen. Deze reactie wordt schriftelijk
verzonden aan de BAC, de klager en – als betrokkene nog in leven is – aan de
aangeklaagde. Terugkoppeling over het resultaat van de in de reactie opgenomen
maatregelen is voorzien in de huidige regeling (artikel 18), maar niet in alle gevallen
wordt hieraan voldaan. Aan de uitspraak van de BAC wordt geen bekendheid gegeven.
De BAC kan disciplinaire maatregelen adviseren, maar uitsluitend de bisschop of hogere
overste is bevoegd over te gaan tot zulke maatregelen. De BAC is dan ook geen
tuchtcollege, maar een klachtencommissie. In één geval is bekend dat na de uitspraak
van de BAC de desbetreffende bisschop het onderzoek nog eens wilde overdoen.
126 Tweekeer leidde de afdoening van een advies in de BAC tot een kritische reactie van de BAC
(zie voetnoot 83). De vertrouwenspersonen wendden zich eerder tot het bestuur van
Hulp & Recht
. Zij vroegen in een brief aan het bestuur om zich verantwoordelijk te blijvenvoelen voor de “naleving” door de bisschoppen en hogere oversten van de adviezen en
er op toe te zien dat “ [maatregelen] zo spoedig mogelijk na de uitspraak worden
genomen.”
127123
Gesprek van de commissie met mevrouw mr. P.M.M. Stassen op 10 september 2010.124
“Hij heeft de opmerkingen in het verweerschrift over de betrouwbaarheid van zijn eigen waarnemingen alszeer pijnlijk ervaren. Zijn herinneringen daaraan zijn nog erg scherp.” Gesprek van de commissie met anoniem
op 17 september 2010.
125
Voor veel klagers is een confrontatie met de aangeklaagde moeilijk: “eenmaal voor het gerechtsgebouwaangekomen stond daar in de kleine loge van de personeelsingang de dader met secondant pontificaal voor de
ingang en even later werden we een klein vergaderkamertje ingeloodst met een viertal commissieleden en een
tafelschikking van koffiekopjes die er op neer kwam dat de aangeklaagde zo een beetje op mijn schoot kwam te
zitten. Zoiets heeft meteen invloed op de manier waarop je in staat bent jezelf en je zaak te verdedigen.”
http://www.seksueelmisbruik.info/rkkerk/?p=59. Gesprek met drs. A.E.H. Kemmerling op 8 november 2010.
126
Gesprek van de commissie met mevrouw mr. M.A.F. Tan-de Sonnaville op 3 september 2010.127
Brief van mevrouw C. Meyssen-Nagel en mevrouw M. Schulte Kemna van 6 maart 2002. Zie ook het verslagvan de bijeenkomst van het bestuur van
Hulp & Recht van 18 april 2002: “[Mevrouw Meyssen] geeft inzicht inde aard van twee ernstige klachten en de wijze waarop de kerkelijke overheid in deze klachten met sancties om
42
Op 7 november 2003 concludeerde het bestuur dat “ook al behouden bisschoppen en
hogere oversten hun eigen vrijheid, de adviezen zijn niet vrijblijvend. Het komt voor dat
door de afhandeling van de adviezen de geloofwaardigheid van
Hulp & Recht in hetgeding komt.” Deze opvatting van het bestuur werd in een brief aan de
bisschoppenconferentie en het bestuur van de KNR vastgelegd.
128Klagers vragen in hun klaagschriften soms financiële genoegdoening, die kan bestaan uit
een vergoeding van gemaakte (therapeutische) kosten en smartengeld. De BAC, aldus de
voorzitter van de BAC, “oordeelt niet over schadevergoeding, maar kan wel aangeven of
betrokkene professionele begeleiding nodig heeft. Of ook in overweging kan worden
genomen bij te dragen in de kosten daarvan, is binnen de BAC onderwerp van
bespreking.”
129Hulp & Recht
krijgt veel vragen over schadevergoeding bij seksueel misbruik.Schadevergoeding kan betreffen: concrete kosten die men heeft gemaakt (voor artsen,
hulp, therapie etc.), vermogensschade (misgelopen inkomen bijvoorbeeld) of
smartengeld.
In het verleden heeft de BAC een enkele keer iets gezegd over uitsluitend de eerste vorm
van schadevergoeding. Artikel 13.1 (taken van de BAC), sub c 5
e aandachtsstreepje luiddenamelijk als volgt: ‘
het toekennen van een financiële vergoeding aan klagende voor ontvangen ofnog te ontvangen therapeutische hulp, voor zover deze niet voor vergoeding langs de geëigende
wegen daarvoor (op basis van wettelijke voorzieningen) in aanmerking komt en overigens redelijk
voorkomt.’
In de huidige procedure (artikel 17) ontbreekt een dergelijke bepaling.Artikel 19.4 van de huidige procedure is een bepaling van dossierbeheer/geheimhouding
(zie aanhef bij dat artikel).
Hulp & Recht mag dossiers niet afgeven zonder toestemmingvan klager. Artikel 19.4 is dan ook opgenomen om het mogelijk te maken dat, indien en
voor zover er externe commissies zijn die zich buigen over vragen van schadevergoeding
in een concreet geval, deze het dossier mogen inzien. Klagers die de procedure volgen
stemmen daarmee dus op voorhand in. Er is momenteel geen externe commissie die
adviseert over de hoogte van schadevergoeding in concrete gevallen.
De
commissie-Lindenbergh adviseert bisschoppen en oversten over de juridische positievan ordes, congregaties en bisdommen bij seksueel misbruik. Hierbij gelden enkele
uitgangspunten:
•
Hulp & Recht gaat niet over schadevergoeding. De BAC kan tot een beperkt aantalmaatregelen besluiten, zie artikel 17 van de procedure.
•
In het verleden is in een enkel geval door de BAC in overweging gegeven om binnenrandvoorwaarden kosten van therapie te vergoeden.
ging. In het ene geval nam de betreffende abt geen enkele maatregel. De dader bleef in het klooster en bleef
contacten onderhouden met parochianen van de parochie waar hij assisteerde; ook toen het slachtoffer de
media inschakelde. Het slachtoffer schakelde de media onder meer in omdat zij herhaling van het misbruik
vreesde. De dader was een populaire figuur in de parochie en dorp en had veel contacten met kinderen.”
128
Verslag bijeenkomst bestuur van Hulp & Recht van 3 december 2003.129
Gesprek met drs. A.E.H. Kemmerling op 8 november 2010.43
•
Gelet op de huidige stand van zaken, vooral: aantallen, heeft de BAC recent beslotenom in de adviezen
geen enkel advies of overweging meer op te nemen over welkevorm van schadevergoeding dan ook.
•
Een verzoek tot schadevergoeding moest in het verleden en moet ook nu te allen tijdeingediend worden bij de pleger zelf, de bisschop of de overste. Dit is in voorkomende
gevallen daarom een procedure na de procedure bij
Hulp & Recht.•
De taak van de juridisch adviseur bij Hulp & Recht is beperkt. Klagers begeleiden bijeen verzoek tot schadevergoeding valt hier niet onder.
De onduidelijkheid over een instantie waaraan klagers hun financiële eisen kunnen
voorleggen werkt frustratie over de procedure van
Hulp & Recht in de hand.Tussen het bestuur van
Hulp & Recht en de BAC staat een ‘Chinese Muur’. Voor hetbestuur is het in het kader van de onafhankelijkheid van de BAC niet geoorloofd om
kennis te nemen van klaagschriften, verweerschriften, uitspraken en adviezen van de
BAC. Hier staat tegenover dat het bestuur de aangewezen instantie is om in contact te
treden met de bisschoppenconferentie en de KNR. Het vorige bestuur en de vorige BAC
stelden zich ten opzichte van elkaar volstrekt zelfstandig op. Bij het laatste reguliere
overleg tussen het bestuur van
Hulp & Recht met de bisschoppen en de KNR was in dedelegatie van
Hulp & Recht de voorzitter van de BAC opgenomen.130 In het verledenstelde de BAC geanonimiseerde overzichten van de door haar behandelde klachten op en
verstrekte deze aan het bestuur. Aan deze informatieverschaffing is in 2006 een einde
gekomen toen de verhoudingen tussen het bestuur en de BAC op scherp kwamen te
staan.
Inzicht in het functioneren van de vertrouwenspersonen bestaat ook maar amper bij het
bestuur van
Hulp & Recht. Voor vertrouwenspersonen worden met enige regelmaatstudiedagen georganiseerd. Op intervisiebijeenkomsten van onder andere juridisch
adviseurs en vertrouwenspersonen kunnen problemen rond casuïstiek worden
besproken. Voorafgaand aan haar werk als vertrouwenspersoon heeft mevrouw Van
Helvert-Willeme bij
Hulp & Recht een training gevolgd met psychologen en al werkzamevertrouwenspersonen.
131 Van een systematische terugkoppeling naar het bestuur van ditsoort activiteiten is geen sprake.
Wat de derde taak van
Hulp & Recht betreft is het bestuur pas onlangs toegekomen aanhet uitbrengen van haar eerste algemene beleidsadvies aan bisschoppen en oversten. Het
betreft hier een advies over preventie, dat voor de bisschoppenconferentie op 13 oktober
2009 was geagendeerd maar werd doorgeschoven naar de bijeenkomst in november 2009.
In een gesprek met de
Onderzoekscommissie heeft het bestuur van Hulp & Recht bij mondevan de vicaris-generaal van het bisdom Breda erop gewezen dat “in de jaren 2008 en 2009
veel is geïnvesteerd in preventie. Aan alle opleidingen voor theologie is gevraagd
preventie aan de orde te stellen. Tevens is aangeboden om gastcolleges te geven. Bij
vrijwel alle opleidingen bestond hiervoor openheid. Preventie is natuurlijk een
doorlopend verhaal, dat start bij de opleidingen.
130
Notulen bisschoppenconferentie 13 oktober 2009, agendapunt 18.131
Gesprek van de commissie met mevrouw M. van Helvert-Willeme op 17 september 2010.44
Daarnaast zijn dit jaar een paar studiedagen georganiseerd voor de leidinggevenden van
de bisdommen, de personeelsfunctionarissen en mensen van de opleidingen. Daarbij is
vaak gebruik gemaakt van externe expertise, bij voorbeeld van de politie. Verder hebben
alle bisdommen nu gedragsregels, waarvan seksueel misbruik onderdeel uitmaakt. Deze
regels zijn overigens niet door
Hulp & Recht opgesteld. Hij [drs. V.G.P.J.M.Schoenmakers, lid van het bestuur van
Hulp & Recht, vicaris-generaal van het bisdomBreda en secretaris-generaal van de bisschoppenconferentie] betreurt het echter dat er
voor alle bisdommen niet één soort gedragsregel is. [Uiteindelijk] hebben de bisschoppen
en religieuzen ervoor gekozen om bij elke benoeming van een pastorale beroepskracht
‘die van buiten komt’ een verklaring te vragen van vrijwaring van seksueel misbruik.
Dus als een pastoor vanuit Venray in Breda komt werken, wordt deze verklaring
gevraagd. Uiteraard is het de bedoeling dat de preventie ook verdergaat richting de
parochianen, maar helaas is in de afgelopen periode de aandacht voor dat traject wat
afgeleid.”
1322.3. Vergelijkbare procedures
In de voorgaande paragraaf 2.2. constateert de
Onderzoekscommissie dat de BAC eenklachtencommissie is en geen tuchtcollege zoals we zo’n college kennen in Nederland
voor de advocatuur en medisch beroepsbeoefenaren. Wel zijn parallellen te trekken met
klachtenprocedures bij onder andere medische zorgverleners, onderwijsinstellingen en
politiekorpsen.
Wet klachtrecht cliënten zorgsector
Artikel 2 van de Wet klachtrecht cliënten zorgsector (1995) bepaalt dat zorginstellingen
over een klachtenregeling en een klachtencommissie beschikken en stelt hier nadere eisen
aan. Als sprake is van een klacht die duidt op een ernstige situatie met een structureel
karakter dan brengt de klachtencommissie de zorgaanbieder hiervan op de hoogte. Als
de klachtencommissie niet is gebleken dat de zorgaanbieder ter zake maatregelen heeft
getroffen dan stelt de klachtencommissie de inspectie voor de gezondheidszorg hiervan
op de hoogte.
133Ziekenhuizen en andere grote zorgaanbieders (zoals verpleeg- en
verzorgingsinstellingen) hebben in de regel een eigen klachtencommissie die (deels) uit
onafhankelijke leden bestaat en ondersteund wordt door medewerkers van het
ziekenhuis of de instelling. De voorzitter en leden worden door de raad van bestuur
benoemd. Individuele beroepsbeoefenaren of beroepsbeoefenaren die in kleiner verband
werkzaam zijn hebben zich in de regel aangesloten bij regionale of zelfs landelijk
functionerende klachtencommissies.
Bij seksueel misbruik bestaat de verplichting tot melding bij de inspectie voor de
gezondheidszorg. De inspectie onderzoekt deze melding of laat deze melding
onderzoeken.
132
Gesprek van de commissie met het bestuur van Hulp & Recht op 3 september 2010.133
mr. R.J. Hoekstra, ‘Angel en Antenne. Het functioneren van de Inspectie voor de Gezondheidszorg in decasus van de neuroloog van het Medisch Spectrum Twente.’ 2010, blz. 23 en 24.
45
Klagers hebben de mogelijkheid om zich met hun klacht rechtstreeks te wenden tot een
van de regionale tuchtcolleges. Dit gaat vooral om die situaties waarin sprake is van een
uit feiten en omstandigheden voortvloeiend redelijk vermoeden dat één van de in de
Medische Tuchtwet omschreven tuchtnormen is overtreden door een beroepsbeoefenaar
die aan deze tuchtrechtspraak is onderworpen.
Eerder dit jaar heeft het kabinet een wetsvoorstel ingediend om klagers de gelegenheid te
geven in tweede instantie hun klacht voor te leggen aan een landelijke
geschillencommissie. Uit de eerste evaluatie van de wet bleek veel ongenoegen te bestaan
over deze klachtenprocedure: “opmerkelijk is dat tweederde van de klagers niet tevreden
is met de uitkomst, ondanks het feit dat zij voor ongeveer vijftig procent in het gelijk
worden gesteld.”
134 Met de aanvulling van een beroepsinstantie op landelijk niveau wilhet kabinet het klachtenrecht in de gezondheidszorg verbeteren.
Kwaliteitswet onderwijs
Het onderwijs kent al een dergelijk getrapt klachtenrecht. In de oorspronkelijke
Kwaliteitswet voor het onderwijs (1998) is sprake van een klachtenregeling en van een
meldplicht. Aanvankelijk richtte de meldplicht zich alleen op seksueel misbruik en
seksuele intimidatie. In de Wet op het onderwijstoezicht (2002) is het begrip
grensoverschrijdend gedrag uitgebreid en verder uitgewerkt. Wanneer sprake is van
mogelijk strafbare feiten, legt de Vertrouwensinspecteur (van de inspectie voor het
onderwijs) het bevoegd gezag van een onderwijsinstelling de verplichting op om aangifte
of melding bij de politie te doen. Alle medewerkers die werken bij een
onderwijsinstelling hebben een meldplicht wanneer zij het vermoeden of de wetenschap
hebben dat een medewerker of vrijwilliger zich schuldig heeft gemaakt aan
grensoverschrijdend jegens leerlingen. Zij moeten dit onmiddellijk melden bij hun direct
leidinggevende. Die geeft het vermoeden door aan het bevoegd gezag. Het bevoegd
gezag is verplicht de zaak te melden bij de Vertrouwensinspecteur.
Een klacht is een gevoel van ongenoegen waarvan de klager vindt dat het gedrag zich
niet mag herhalen.
135 Elke onderwijsinstelling kent een klachtencommissie of is bij een(regionale) klachtencommissie aangesloten. Elke onderwijsinstelling kent
vertrouwenspersonen die niet verbonden zijn aan de onderwijsinstelling. De wet stelt
geen eisen aan de kwalificatie voor deze functie. Zowel de klager als de aangeklaagde
krijgen tijdens de klachtenprocedure een vertrouwenspersoon toegewezen. De
klachtencommissie brengt advies uit en de mogelijkheid bestaat om bij de landelijke
klachtencommissies in beroep te gaan. Op dit moment functioneren nog landelijke
klachtencommissies voor onderwijs op rooms-katholieke, op protestants-christelijke en
op algemene grondslag. Het is de bedoeling uiteindelijk te komen tot één gezamenlijke
landelijke klachtencommissie.
134
Brief van de minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport aan de Tweede Kamer van 17 februari 2000(GZB/PCZ 2040967) en brief van de staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport aan de Tweede
Kamer van 17 september 2004 (IBE/E-2515372).
135
Gesprek met mr. P. Dijkmans en mr. K. Veraart van de Besturenraad op 5 oktober 2010. Zie ookBesturenraad Thema, ‘Klachtenrecht en meldplicht’. Mei 2009 nummer 75.
46
De uitspraken (en hierbij horende adviezen) van de landelijke commissies worden
geanonimiseerd gepubliceerd.
136 De Landelijke Klachtencommissie voor het ChristelijkOnderwijs is een stichting waarvan de leden worden benoemd door ouderorganisaties
(Ouders & Co) en de Besturenraad.
Politiewet
De klachtenbehandeling bij de politie berust op de Politiewet 1993 en
de Algemene wet bestuursrecht. De verschillende politiekorpsen is de vrijheid gelaten
de klachtenbehandeling op uiteenlopende wijze te organiseren.
De klachtbehandelaar, een medewerker van het desbetreffende politiekorps, probeert in
eerste instantie de klacht informeel – dat wil zeggen door overleg of bemiddeling – naar
tevredenheid van de klager af te handelen. Als dit niet lukt, geeft hij in zijn rapportage de
reden daarvan aan. Hieronder wordt de klachtenprocedure toegelicht aan de hand van
de werkwijze van het Korps landelijke politiediensten (KLPD).
137De Klachtencommissie van het KLPD is een externe, onafhankelijke instantie.
De commissie bestaat uit vijf personen, afkomstig uit de zittende magistratuur,
het Openbaar Ministerie, de politieorganisatie, het openbaar bestuur en
Slachtofferhulp Nederland. De minister benoemt de voorzitter en de leden.
De Klachtencommissie ontvangt een afschrift van elke klacht die volgens de
klachtenregeling behandeld wordt. Als een klacht informeel is afgedaan, ontvangt
de commissie een afschrift van de brief aan de klager, waarin de informele
afhandeling wordt bevestigd. Als het niet gelukt is een klacht informeel af te
ronden, ontvangt de commissie het klachtdossier voor advies. Na ontvangst van
het klachtdossier neemt het secretariaat van de commissie contact op met de
klager en informeert of deze door de commissie gehoord wil worden. Als dat
het geval is, vindt een hoorzitting plaats. De Klachtencommissie nodigt hiervoor
ook de beklaagde uit. Vervolgens adviseert de commissie de korpschef binnen
vier weken over de afhandeling van de klacht.
De afhandeling door de korpschef moet plaatsvinden binnen een termijn van
veertien weken nadat de klacht ontvangen is. De afhandelingsbrief vermeldt ook
het advies van de Klachtencommissie en verwijst naar de mogelijkheid de klacht
voor te leggen aan de
Nationale ombudsman, indien de klager het niet eens ismet de klachtenbehandeling of de afhandeling. Het diensthoofd krijgt een kopie
van de brief en zorgt voor de evaluatie van de klacht met de betrokken politieambtenaar.
Als een klager niet tevreden is over de klachtenbehandeling of de beoordeling
van de klacht, kan hij tot één jaar na afhandeling de
Nationale ombudsmanverzoeken een onderzoek in te stellen. De klager wordt in de afhandelingsbrief
op deze mogelijkheid gewezen.
136
Zie de uitspraken en adviezen van de Klachtencommissie voor Christelijk Onderwijs:http://www.klachtencommissie.org/inhoud/2009
137
Zie het jaarverslag 2008 Klachtenafhandeling KLPD:http://www.politie.nl/KLPD/Images/klpdklachten2008_tcm35-488471.pdf
47
Acht de
Nationale ombudsman het verzoek ontvankelijk, dan vraagt hij de korpsbeheerderom een reactie. De korpschef adviseert dan de korpsbeheerder. De klachtencoördinator,
die rechtstreeks door het bureau van de
Nationale ombudsman wordt geïnformeerd overhet verzoek aan de korpsbeheerder, adviseert op zijn beurt de korpschef.
Bij regionale politiekorpsen, bij voorbeeld Politie Haaglanden, wijkt deze aanpak
nauwelijks af van de opzet van de klachtenprocedure bij de KPLD. In eerste aanleg
wordt een bemiddelingsgesprek gevoerd met de klager. De klachtbehandelaar, een door
de korpschef aangewezen functionaris, voert dit gesprek met klager, die zich bij dit
gesprek kan laten bijstaan. Van het gesprek wordt een verslag gemaakt, waarvan de
klager een afschrift krijgt. De bureauchef beoordeelt de klacht. Als de klager van zo’n
bemiddelingsgesprek afziet of niet tevreden is over het bemiddelingsgesprek wordt de
klacht in tweede aanleg behandeld.
138De Klachtencommissie bestaat uit vijf onafhankelijke leden en een of meer
plaatsvervangende leden die afkomstig zijn uit “relevante maatschappelijke geledingen,
zoals de rechtelijke macht en/of staande magistratuur, de advocatuur, het openbaar
bestuur of andere (neven)functies die relevante maatschappelijke oriëntatie met zich mee
brengen.” Doorgaans maken ook een of twee oud-politiefunctionarissen deel uit van de
commissie.
139 De voorzitter en leden worden op voordracht van de korpsbeheerderbenoemd door het regionaal college.
Binnen een week na registratie van de klacht voert de klachtbehandelaar een gesprek met
klager en met aangeklaagde. De burgemeester en de hoofdofficier van justitie ontvangen
een kopie van de klacht en worden in de gelegenheid gesteld over de klacht advies uit te
brengen aan de klachtencommissie. De klachtbehandelaar stelt een klachtdossier samen
met alle stukken en gegevens die kunnen bijdragen aan het vaststellen van de feiten over
de klacht. Waar nodig hoort de klachtbehandelaar getuigen en andere personen die
kunnen bijdragen aan het vaststellen van de feiten.
De klachtbehandelaar stelt een onderzoeksrapport op van zijn bevindingen. Het
klachtdossier wordt voorgelegd voor advies en oordeel aan de korpschef. Door
tussenkomst van een klachtcoördinator stuurt de korpschef het dossier door naar de
Klachtencommissie. De commissie stelt klager in de gelegenheid te worden gehoord. De
beklaagde wordt gehoord. Als blijkt dat tevens een verzoek tot schadevergoeding is
ingediend, wordt advies gevraagd aan het bureau schade en verzekeringen van Politie
Haaglanden. In eenvoudige gevallen waarbij het schadebedrag niet hoger is dan 500 euro
kan de korpschef een bedrag tot schadevergoeding toekennen.
Nadat de commissie advies heeft uitgebracht, zendt de korpsbeheerder een
afdoeningsbrief met zijn oordeel aan de klager, aan degene op wie de klacht betrekking
heeft en de klachtencommissie.
138
Klachtregeling Politie Haaglanden 2004.139
E-mailbericht van de heer P. Blankwaard aan de Onderzoekscommissie van 9 november 2010 om 9.29 uur.48
De korpsbeheerder wijst bij de verzending van zijn afdoeningsbrief op de mogelijkheid
vervolgens binnen een jaar een klacht in te dienen bij de
Nationale ombudsman.2.4.
Hulp bij seksueel misbruikDe hulp die
Hulp & Recht biedt is grotendeels pastoraal, dat wil zeggen vanuit de eigenopdracht van de Kerk.
140 Voor professionele hulp (psychosociaal) wordt doorverwezen.Er moet wat betreft hulpverlening onderscheid worden gemaakt tussen de periode tot
eind 2007 en de periode daarvoor. In de eerste periode was er een vrijgesteld persoon
(zuster Verrijt) die het meldpunt beheerde. Zij voerde de eerste, vaak ondersteunende
gesprekken met melders. Zij verwees deze personen vervolgens door naar de
vertrouwenspersonen. Vertrouwenspersonen gingen soms zeer uitvoerig en langdurig
met ondersteuning om. Dat was een van de redenen waarom de nieuwe procedure de
hulpverlening meer heeft willen binden aan de totstandkoming van een klaagschrift.
Tot voorjaar 2010 behandelde
Hulp & Recht een overzichtelijk aantal klachten. In dehausse aan meldingen daarna is een aantal aspecten uit de procedure pragmatisch
aangepakt, waardoor niet alleen personen die een klacht willen indienen hulp krijgen
van een vertrouwenspersoon (zoals de procedure bepaalt), maar ook melders die daar
behoefte aan hadden. In de toelichting staat over hulp het volgende: “Niet alleen bij
gelegenheid van de melding of bij het indienen van een klacht kan het van belang zijn
om hulp te verlenen aan klagers. Na afronding van de procedure en bij gelegenheid van
de beslissing van de ordinarius is het verlenen van hulp en pastorale zorg primair de
taak en verantwoordelijkheid van de bisschop of overste.
Hulp & Recht kan hierin welbemiddelen doch speelt zelfstandig in deze geen rol.” Uit een van de gesprekken die de
Onderzoekscommissie
heeft gevoerd kwam naar voren dat veel melders genoeg hebben aaneen of meer pastorale gesprekken. Uit veel gesprekken is de
Onderzoekscommissiegebleken dat behoefte bestaat aan lotgenotencontact en aan gespreksgroepen.
141Ten slotte vraagt de
Onderzoekscommissie aandacht voor familie- en gezinsleden vanslachtoffers: “Als men de moed heeft opgeraapt om over haar of zijn misbruik te praten,
is er vaak gehoor bij deskundigen en hulpverleners, maar vaak blijft de partner van die
persoon onbegrepen achter. Waar moeten zij naar toe? Immers hen is niets aangedaan.
Maar zij zitten er middenin en ondervinden vaak ook de problemen van de misbruikte
partner, zodanig dat bij voorbeeld in het huwelijk blijven geen optie meer is. Het gevolg
is dan vaak dat een gezin uit elkaar valt en de persoon die is misbruikt een extra klap
krijgt.”
142Passende hulp buiten Hulp & Recht
Op 29 september en 1 oktober heeft de
Onderzoekscommissie twee bijeenkomsten metslachtoffers van misbruik gehouden. In dat kader heeft
Onderzoekscommissie instantiesgeinventariseerd die hulp bieden aan slachtoffers van seksueel misbruik.
140
Ongeveer vijftien vertrouwenspersonen hebben een pastorale achtergrond. Daarnaast fungeren een arts,een vertrouwenspersoon bij een sportkoepel en een maatschappelijk werker als vertrouwenspersoon.
141
In bijlage 5 is een overzicht van contactpersonen van verschillende lotgenotengroepen opgenomen. Dezelijst staat ook vermeld op de website www.onderzoekrk.nl.
142
E-mailbericht aan de commissie van 15 augustus 2010 om 16.19 uur.49
Gespecialiseerde hulp voor slachtoffers is in Nederland langzaam op gang gekomen na
onderzoeken naar seksueel misbruik aan het eind van de jaren tachtig van de vorige
eeuw. Veel instellingen voor ambulante en klinische zorg hebben wel ervaring met deze
patiënten die onder tal van diagnosen binnenkomen: middelengebruik,
persoonlijkheidsstoornissen, angststoornissen, depressies, somatisatie-, dissociatieve-,
affectregulatiestoornissen en suïcidaliteit evenals zelfbeschadigend gedrag.
Geen enkele diagnose is specifiek voor deze populatie en dat is ook begrijpelijk omdat de
traumatische ervaringen enorm uiteenlopen en omdat de gezinsachtergrond
(gehechtheid, dan wel affectieve verwaarlozing) ook sterk verschillen. Maar vrij
algemeen zijn er problemen in relaties met anderen (wantrouwen), problemen met
zelfbeeld (negatief), met affectregulatie (woede-uitbarstingen of juist geremde woede) en
met cognitieve problemen (dissociatie, concentratieproblemen).
Gespecialiseerde hulp
In Nederland is voor alle hulp op dit gebied de huisarts de sleutelfiguur. Daar kan men
zich melden met klachten en de huisarts verwijst vervolgens naar een instelling voor
geestelijke gezondheidszorg of een vrijgevestigde psychotherapeut, klinisch psycholoog
of psychiater.
Sinds 2006 is een gespecialiseerd hulpaanbod ontwikkeld in veertien instellingen in
Nederland die zich hebben verenigd in het
Landelijk centrum vroegkinderlijke chronischetraumatisering
(www.lcvt.nl). Deze instellingen zijn Altrecht, Herlaarhof, Parnassia Bavo,GGZ Kinderen en Jeugd Rivierduinen, GGZ Drenthe, GGZ Eindhoven en de Kempen,
GGZ Eindhoven Kinderen en Jeugd, Meerkanten, Kinder- en Jeugd Trauma Centrum
Haarlem, GGZ Friesland, Fier Fryslan, Riagg Rijnmond, Sinaï Centrum en GGZ Westelijk
Noord-Brabant.
Algemene landelijke voorzieningen waar men terecht kan voor informatie en advies over
hulpverleningsmogelijkheden in de eigen regio en ook hulp bij een goede verwijzing
naar een instelling voor hulpverlening of hulp bij praktische problemen zijn de
StichtingKorrelatie
(www.korrelatie.nl) en Sensoor (voorheen SOS Telefonische Hulpdienst)(www.sensoor.nl).
Slachtofferhulp Nederland
staat mensen bij om aangifte te doen en schadevergoeding teeisen (www.slachtofferhulp.nl). Daarnaast is
Slachtofferhulp Nederland er voornabestaanden en getuigen.
Slachtofferhulp Nederland heeft voor melders bij deonderzoekscommissie een speciaal telefoonnummer opengesteld: 0900-9999001 (op
werkdagen tussen 9 en 17 uur). Ook zijn zogeheten ‘casemanagers’ aanwezig die over
specifieke kennis op dit gebied beschikken.
Dan zijn er organisaties van lotgenoten, zoals de
Vereniging tegen seksuelekindermishandeling binnen het gezin, familie en andere vertrouwensrelaties
(VSK), eenlandelijke vereniging voor mensen die in hun jeugd te maken hebben gehad met seksuele
kindermishandeling binnen het gezin, de familie en andere vertrouwensrelaties
(www.vsknederland.nl ).
50
Er zijn verschillende instellingen die zich op het terrein van pastorale zorg bij de
verwerking van seksueel misbruik: de Stichting VPSG biedt advies en ondersteuning bij
vragen rond seksueel geweld, godsdienst en zingeving (
www.vpsg.nl ). Zij bieden eenluisterend oor voor getroffenen (en mensen in hun omgeving) in hun spreekkamers in
Haarlem, via de telefoon of via e-mail.
Alle hier genoemde instellingen zijn benaderd en geïnformeerd door de
Onderzoekscommissie
en hebben zich bereid verklaard om hulp te bieden bij verwijzing ofopvang.
Ten behoeve van de ontwikkeling van een specifiek aanbod voor mensen die als
minderjarige binnen de
Rooms-Katholieke Kerk zijn misbruikt heeft de Onderzoekscommissiecontact gelegd met enkele instellingen voor geestelijke gezondheidszorg verspreid over
Nederland. Aan deze instellingen is de wens voorgelegd dat op minstens vier locaties in
Nederland binnen de reguliere ambulante instellingen voor Geestelijke Gezondheidszorg
steunpunten worden georganiseerd. Op dit verzoek hebben de onderstaande instellingen
positief gereageerd. Hier kan gespecialiseerde hulp op het gebied van seksueel misbruik
(binnen de
Rooms-Katholieke Kerk)worden geboden.De volgende instellingen zijn hiervoor benaderd:
•
RIAGG Maastricht (Limburg)•
GGZ Friesland, Leeuwarden (Friesland, Groningen en Drenthe)•
Parnassia/PsyQ, Den Haag•
GGZ Eindhoven en de KempenDeze instellingen beschikken over de expertise en een aanbod van hulp voor seksueel
getraumatiseerde vrouwen en mannen, waaronder diegenen die als minderjarige binnen
de
Rooms-Katholieke Kerk zijn misbruikt. Dit aanbod komt uitgebreider aan bod in bijlage2.
De
Gezondheidsraad bereidt een advies voor dat in de loop van 2011 aan de minister voorVolksgezondheid, Welzijn en Sport wordt aangeboden. De aanleiding voor dit advies is
gelegen in het Actieplan Aanpak Kindermishandeling ‘Kinderen veilig thuis’ uit 2007:
“inzetten op preventie is nodig en effectief. De signalering en melding van
kindermishandeling zijn de afgelopen tijd verbeterd. Maar het is op dit moment
onvoldoende duidelijk wat de precieze zorgbehoefte is van slachtoffers van
kindermishandeling en of het huidige aanbod volstaat.”
143 Bij kindermishandeling gaathet om emotionele verwaarlozing, psychische mishandeling, lichamelijke mishandeling
en seksueel misbruik.
143
Brief van de minister voor Jeugd en Gezin aan de voorzitter van de Gezondheidsraad van 17 februari 2010(nummer JZ/LJ-2983817)
51
Om inzicht te krijgen in de precieze zorgbehoefte wil de minister weten welke bewezen
effectieve interventies op dit moment beschikbaar zijn en of de benodigde interventies
over het hele land en voor alle slachtoffers (kinderen en volwassenen) beschikbaar en
toegankelijk zijn. Mocht dat niet het geval zijn, dan verwacht de minister aanbevelingen
voor het verbeteren van de beschikbaarheid en toegankelijkheid.
Gelet op het belang van dit advies voor slachtoffers van seksueel misbruik vindt
periodiek overleg plaats tussen enerzijds de
Gezondheidsraad en anderzijds deOnderzoekscommissie
en de commissie-Samson.144144
De commissie-Samson doet onafhankelijk onderzoek naar seksueel misbruik van minderjarigen die onderverantwoordelijkheid van de overheid in instellingen of pleeggezinnen zijn geplaatst (www.onderzoekseksueel-
kindermisbruik.nl) .
52
3.
Conclusies en aanbevelingen
3.1. Algemeen
Hulp & Recht
is een in 1995 opgerichte publieke kerkelijke rechtspersoon van de Rooms-Katholieke Kerk
. Aanvankelijk was de instelling opgericht voor seksueel misbruik inpastorale relaties in algemene zin, hoewel toen ook gevallen van seksueel misbruik van
minderjarigen in het verleden internaten, scholen en seminaries bekend waren.
Hulp &Recht
is in de Rooms-Katholieke Kerk wellicht geen unieke, maar wel een bijzondereorganisatie. Er zijn in het buitenland niet veel voorbeelden bekend van instellingen waar
slachtoffers met hun klachten terecht kunnen die een zekere zelfstandige positie ten
opzichte van de
Rooms-Katholieke Kerkprovincie kennen.De eerste procedure die de instelling hanteerde was geënt op het kerkelijk recht. In dit
recht wordt vooral vanuit het instituut gedacht, richting de pleger. De procedure had
veel kenmerken van een formele strafrechtelijke procedure. Dit betekende dat de eisen
ten aanzien van de bewijslast voor gesteld misbruik hoog lagen en dat de procedure voor
klagers niet erg transparant was.
Eind 2007 vond een herziening van de procedure plaats. De nieuwe procedure is een
vorm van klachtrecht. De groep van personen waartegen men kan klagen is in 2007
uitgebreid, namelijk doordat men ook tegen overledenen kan klagen én tegen ieder die
betaald of onbetaald werkzaamheden verricht in de
Rooms-Katholieke Kerk in Nederland.Daarnaast is in 2007 een nieuwe en ruime definitie van seksueel misbruik
geïntroduceerd.
In 2007 werden ook de statuten van
Hulp & Recht gewijzigd. Op grond van haardoelstelling is de instelling niet alleen een instituut voor hulpverlening en
klachtenafhandeling in concrete gevallen. Ook het verrichten van onderzoek en studie op
het terrein van seksueel misbruik in het algemeen en in de specifieke context van de RK
Kerk in het bijzonder en het uitbrengen van algemene beleidsadviezen aan bisschoppen
en oversten vallen onder de taken van
Hulp & Recht. Op grond van de statuten is Hulp &Recht
een expertisecentrum voor seksueel misbruik in de Rooms-Katholieke Kerk. Deverwachtingen over een dergelijke rol van
Hulp & Recht zijn in de praktijk nietwaargemaakt.
Omdat
Hulp & Recht een instelling van de Rooms-Katholieke Kerk is, kan al snel de indrukontstaan van onvoldoende afstand tussen haar en de Kerk
. Een dergelijke indruk wordtbovendien versterkt als de procedure op een aantal plekken voor verbetering vatbaar is
en de procedure niet in alle gevallen strikt wordt nageleefd en het onderzoek van de
BAC – bij voorbeeld – door een bisschop of hogere overste nog eens wordt overgedaan.
Dit straalt af op en voedt het wantrouwen in de instelling
Hulp & Recht.53
De voorzitter en leden van de
Beoordelings- en adviescommissie (BAC) stellen zichonafhankelijk van de
Rooms-Katholieke Kerk op en verrichten – net als de voorzitter enleden van het bestuur - hun werk met grote inzet en integriteit. Dit geldt in gelijke mate
voor de voorzitter en leden van de vorige BAC, medewerkers en oud-medewerkers.
De BAC bestaat uit personen met een juridisch-rechterlijke achtergrond en personen met
een andere deskundige achtergrond die gewend zijn onafhankelijk te opereren en zich
niet laten beïnvloeden. Het grote aantal meldingen heeft inmiddels geleid tot een
verhoogde inzet van de BAC, die daartoe met een aantal personen is uitgebreid.
Het bestuur van
Hulp & Recht bestaat uit katholieken die door de bisschoppenconferentieen het bestuur van de
Konferentie Nederlandse Religieuzen worden benoemd. De hiervoorgenoemde gremia dienen jaarlijks de begroting goed te keuren. Naast deze formele
realiteit is een inhoudelijke terugkoppeling tussen de
Rooms-Katholieke Kerk en deinstelling van groot belang. In de praktijk is het daar niet voldoende van gekomen.
In de periode tussen 1995 en 2009 kreeg
Hulp & Recht 286 meldingen, gemiddeld twintigper jaar. In dezelfde periode leidden deze meldingen tot 141 klachten: gemiddeld negen
per jaar. Op de enorme toename hiervan begin 2010 was
Hulp & Recht niet berekend. Hetaantal meldingen dit jaar (tot 23 november) bedroeg bijna 1800, het aantal klachten 241.
Het grote aantal meldingen in 2010 heeft de instelling volledig overvallen, het bureau
was er niet voor toegerust. Richtsnoeren en protocollen ontbraken, evenals richtlijnen
voor de registratie en behandeling van reacties, het vervolg daarop en de uitvoering. De
bureaumedewerkers moesten zich maar zien te redden. In mei besloot het bestuur tot het
aanstellen van een hoofd ad interim en is begonnen met het opzetten van een organisatie
en het wegwerken van opgelopen achterstanden. In september was sprake van een
enigszins normale situatie. Te lang is gewacht met het professioneel opvangen van deze
meldingen en klachten. Te lang was de administratie bepaald niet op orde. Dit vormde
een extra voedingsbodem voor het wantrouwen in
Hulp & Recht. Het bestuur isverantwoordelijk, was op de hoogte van de ernst van de situatie, reageerde onvoldoende
adequaat en schoot dan ook tekort.
De benoembaarheid van bestuursleden en leden van de BAC is beperkt tot personen met
een katholieke achtergrond. Het ontbreekt aan openheid en verantwoording over wat er
met de adviezen van de BAC gebeurt.
Wat de hulpverlening betreft is
Hulp & Recht onvoldoende toegekomen aan het goeddoordenken en organiseren van haar taken. Aan de overige taken die
Hulp & Rechtstatutair heeft is de instelling niet of nauwelijks toegekomen. Hierdoor is de focus tot
2010 tamelijk eenzijdig op het afhandelingen van meldingen en klachten komen te liggen.
3.2. Conclusies over het functioneren in het verleden
•
Hulp & Recht is een instelling, waar integer en met hart en ziel wordt gewerkt enwaar men doordrongen is van de ernst van seksueel misbruik.
54
•
Dat seksueel misbruik in afhankelijkheidsrelaties én met minderjarigen strafbaaris en tot aangifte aanleiding hoort te zijn, heeft in onvoldoende mate een plaats in
het bewustzijn van verantwoordelijken binnen de
Rooms-Katholieke Kerk.•
Richtsnoeren en protocollen voor medewerkers van Hulp & Recht overdoorverwijzing naar hulp dan wel naar de klachtenprocedure ontbreken of
schieten tekort. Weliswaar bestaan richtlijnen voor registratie en behandeling van
meldingen, maar de bekendheid met de procedure en met de in de procedure te
verkrijgen voorzieningen (ondersteuning door juridisch adviseur,
vertrouwenspersoon) is beperkt.
3.3.
Conclusies over noodzakelijke verbeteringen3.3.1.
Positie binnen de Rooms-Katholieke KerkDoor haar functioneren als kerkelijke instelling wordt
Hulp & Recht vereenzelvigdmet de
Rooms-Katholieke Kerk. Dit en de wijze de bisschoppen en hogere overstenomgaan met de adviezen van de BAC voeden het wantrouwen in
Hulp & Recht.3.3.2.
Het functioneren van de organisatie en het bestuur van Hulp & RechtDe huidige organisatievorm van
Hulp & Recht staat transparantie enverantwoording, intern maar ook naar buiten, in de weg. In de aanbevelingen
doet de
Onderzoekscommissie voorstellen voor verbetering van het functionerenvan
Hulp & Recht.3.3.3.
Hulp & Recht is geen hulporganisatieIn het kader van de klachtenprocedure moet een kleine, maar professioneel
toegeruste organisatie bestaan die melders en klagers kan ondersteunen en
doorverwijzen naar allerlei vormen van hulp: van praktische hulp tot de meest
gespecialiseerde geestelijke gezondheidszorg via huisarts en tweedelijnszorg.
3.3.4.
Regeling voor financiële genoegdoeningVoor klagers met verzoeken voor een financiële genoegdoening staan twee wegen
open. De eerste weg is civielrechtelijk van aard. De tweede weg is via een
onafhankelijke externe commissie waarvan in artikel 19 lid 4 van de procedure bij
klachten van seksueel misbruik sprake is. Deze commissie (die niet mag worden
verward met de
commissie-Lindenbergh) is nog steeds niet ingesteld.145 Dit vraagtom verbetering.
145
Artikel 19 lid 4 luidt als volgt: Indien klager een verzoek tot schadevergoeding heeft gedaan, wordt hetadvies en – voor zover nodig – de daarbij gevoegde bijlagen, nadat daaruit de persoonsgegevens zijn
verwijderd, door de bisschop, militair ordinarius of overste overhandigd aan een onafhankelijke externe
commissie ter bepaling van de hoogte van die vergoeding.” Een dergelijke commissie bestaat nog niet. Wel
bestaat een commissie van
Aegon en de Rooms-Katholieke Kerk, maar dit betreft zaken van de oudeverzekeringspolis en strekt zich uitsluitend uit tot de bisdommen. Onlangs is de commissie-Lindenbergh
ingesteld om over het juridische raamwerk voor de behandeling en vaststelling van schadeclaims te adviseren.
55
3.4. Aanbevelingen
3.4.1.
Het functioneren van de organisatieOm de organisatie beter te laten functioneren beveelt de
Onderzoekscommissie eeningrijpende verbetering in tal van opzichten aan:
•
een goed functionerende organisatie, die zo snel mogelijk (binnen éénjaar) alle in behandeling zijnde klachten afdoet en voor de toekomst de
klachtenprocedure verbetert en zonder haperingen laat functioneren;
•
strakke protocollering;•
een uitgebreid en passend hulpaanbod waarnaar klagers met eenhulpbehoefte kunnen worden doorverwezen en waarvan de (extra)
kosten voor rekening van de
Rooms-Katholieke Kerk komen;•
een klachtenprocedure die onafhankelijk functioneert en die hetbestaande wantrouwen kan wegnemen;
•
een regeling voor het vaststellen van schade en de schadevergoedingdie de gang naar de gewone rechter niet nodig, maar wel mogelijk
maakt.
Dit alles met als hoeksteen openbaarheid, ook over de wijze waarop
bisschoppen en oversten omgaan met adviezen en uitspraken uit de
klachtenprocedure. De
Onderzoekscommissie stelt de volgendeverbeteringen voor:
1. Een organisatie met twee gremia (met elk een eigen voorzitter en een
eigen ambtelijk apparaat) werkt verlammend en verwarrend. De
organisatie kan bestaan uit een klachtencommissie (thans de BAC), een
meldpunt, een griffie ter ondersteuning van de klachtencommissie en
een professioneel kwaliteitscentrum dat voor klagers met een
hulpbehoefte op deskundige wijze kan doorverwijzen naar de juiste
hulpinstantie.
2. Voorzitter, bestuursleden en medewerkers van de klachtencommissie
worden op voordracht van de klachtencommissie benoemd door de
bisschoppenconferentie en de KNR. Bij de selectie hebben criteria
ontleend aan deskundigheid voorrang boven katholieke
verbondenheid. Ook niet-katholieken kunnen worden benoemd tot
voorzitter en leden van het bestuur, medewerkers en de
klachtencommissie.
3. De klachtencommissie kent naast een onafhankelijk voorzitter leden
met deskundigheid op bestuurlijk en juridisch gebied (zittende en
staande rechtelijke macht), op het terrein van slachtofferhulp, van
tweede en derdelijns geestelijke gezondheidszorg en van
werkgeschiktheid en reïntegratie.
4. De klachtencommissie doet jaarlijks verslag aan de
bisschoppenconferentie en de KNR in een openbaar jaarverslag waarin
de bij de werving en voordracht van leden en medewerkers gebruikte
criteria worden gemeld. Ook bevat het jaarverslag een
geanonimiseerde opgave van meldingen, ontvangen en behandelde
klachten, adviezen en een overzicht van de wijze van afdoening van de
adviezen door bisschoppen en oversten.
56
5. De voorzitter van de klachtencommissie wordt bijgestaan door een
algemeen manager die ambtelijk verantwoordelijk is voor het
functioneren van:
•
het meldpunt, dat elke melder wijst op alle mogelijkheden van debehandeling van een melding (aangifte, klachtprocedure,
informele behandeling van de klacht etc). Het meldpunt zorgt
voor de registratie van meldingen en klachten;
•
de toewijzing van – indien gewenst – vertrouwenspersonen en –bij klachten - juridisch adviseurs;
•
het kwaliteitscentrum voor de doorverwijzing naar de juiste hulpaan klagers met een hulpbehoefte;
•
de griffie die belast is met de voorbereiding van zittingen van deklachtencommissie. De griffie heeft ook als taak de bekendmaking
van geanonimiseerde uitspraken en adviezen, evaluaties en
andere vormen van verantwoording;
6. De instelling wordt in staat gesteld tot het uitvoeren van al haar
statutaire taken. Dit betekent dat hiervoor voldoende financiële
middelen ter beschikking worden gesteld.
3.4.2.
Klachtprocedure1. Adviezen van de klachtencommissie worden geanonimiseerd
openbaar. Bisschoppen en oversten zijn verplicht bij hen bekend
geworden voorvallen van seksueel misbruik te melden bij de
klachtencommissie en gelet op de taak van de klachtencommissie ook
voorvallen van seksueel misbruik van volwassenen. Bij het
vermoeden van een niet-verjaard strafbaar feit (zoals verkrachting)
moet altijd aangifte worden gedaan of wordt (in alle andere gevallen)
contact opgenomen met het
Openbaar Ministerie.2. Uitspraken en adviezen van de klachtencommissie worden
geanonimiseerd opgenomen in het jaarverslag en (ook op internet)
gepubliceerd
. Dat geldt ook voor het besluit van de bisschop ofhogere overste over de wijze waarop hij het advies uitvoert.
Voorzitter en leden
klachtencommissie
Algemeen manager
Griffie
(klachtenprocedure)
Meldpunt (secretariaat)
Kwaliteitscentrum
(doorverwijzing naar
hulp)
Vertrouwenspersonen
57
De bisschop of hogere overste geeft aan klager aan welke middelen
van beroep tegen zijn beslissing open staan. Onderscheid moet
worden gemaakt tussen de klachtenprocedure en vervolgens de
tuchtrechtelijke afdoening: bisschop of overste geven binnen een
bepaalde termijn aan de klachtencommissie en de klager, maar ook
publiekelijk (ook op internet) gemotiveerd aan of en zo ja in welke
mate hij/zij opvolging geeft aan het advies van de klachtencommissie.
3. De klachtprocedure zelf vraagt ook om verbetering of in ieder geval
verduidelijking. Bij het vermoeden van een niet-verjaard strafbaar feit
neemt de voorzitter van de klachtencommissie contact op met het
Openbaar Ministerie
.4. Klagers wordt nadrukkelijk vooraf de keuze voorgelegd of ze al dan
niet in aanwezigheid van de aangeklaagde ter zitting van de
klachtencommissie willen verschijnen. De commissie heeft overigens
niet de indruk dat de klachtencommissie hiermee in het algemeen
onverstandig omgaat, maar de huidige tekst van de procedure kan
aanleiding zijn te veronderstellen dat deze keuze er niet is en een
beroep op een uitzondering moet worden gedaan als men niet in
aanwezigheid van aangeklaagde wil worden gehoord. Dit kan – zo is
gebleken – tot pijnlijke misverstanden leiden.
5. Klagers wordt nadrukkelijker dan thans het geval is gewezen op meer
informele manieren om hun klacht, bij voorbeeld door bemiddeling of
een informele aanpak, tot een voor alle betrokkenen bevredigende
oplossing te brengen.
6. Elk jaar laat de klachtencommissie
zichzelf extern en onafhankelijkevalueren. Voorts wordt in deze evaluatie nadrukkelijk betrokken de
uitvoering van de adviezen door bisschoppen en hogere oversten. De
evaluatie wordt (ook op internet) gepubliceerd. De evaluatie spitst
zich toe op de vraag of en zo ja bij gegrond verklaarde klachten
disciplinaire straffen zijn genomen en hoe dergelijke besluiten zich
verhouden tot de in de adviezen gedane aanbevelingen. De eerste
evaluatie heeft betrekking op het jaar 2010.
7. De klachtencommissie is statutair adviseur van de
bisschoppenconferentie. Elk jaar bespreekt de klachtencommissie met
de bisschoppenconferentie en de KNR:
•
jaarverslag•
ondersteuningsbehoefte•
meta-thema’s uit klachten en adviezen voortvloeiend3.4.3.
Hulpverlening1. Voor de hulpverlening wordt binnen
Hulp & Recht eenKwaliteitscentrum Hulpverlening Seksueel Misbruik in de
Rooms-Katholieke Kerk opgericht. Dit centrum bestaat uit een
aantal professionals, consulenten die goed zijn ingevoerd in
het aanbod van hulpverlening in praktische zin, eerste, tweede
en derdelijns geestelijke gezondheidszorg (zie 2.4. en bijlage
2).
58
Dit centrum faciliteert slachtoffergroepen en maakt
groepsgesprekken voor lotgenoten mogelijk. Ook wijst dit
centrum familieleden van slachtoffers de weg naar
hulpinstanties.
2. Zo nodig kan vanuit dit centrum worden verwezen naar
pastorale zorg. Dit centrum organiseert de inzet van
vertrouwenspersonen en de ondersteuning van slachtoffers in
de afzonderlijke bisdommen. Om van deze hulpverlening
gebruik te kunnen maken moet sprake zijn van een klacht, met
uitzondering in die gevallen dat wordt verwezen naar
pastorale zorg.
3. Het Kwaliteitscentrum sluit zich aan bij platforms en
kenniscentra waar wordt nagedacht over hulp aan slachtoffers
van seksueel misbruik.
3.4.4.
Jaarlijkse evaluatieHet functioneren van vertrouwenspersonen en van juridische adviseurs
wordt geëvalueerd. Voor beide functies worden functieprofielen en
taakomschrijvingen opgesteld.
Voor vertrouwenspersonen en juridische adviseurs geldt dat ze
deskundig zijn en dat hun geloof geen doorslaggevend selectiecriterium
is.
3.4.5. De naam
Hulp & Recht zorgt voor verwarring en misverstanden. Hulp &Recht
is geen hulporganisatie en biedt geen recht. Een betere benamingwordt gekozen.
3.4.6.
Regeling voor financiële genoegdoeningAlgemeen
In 2010 (tot 23 november jl) heeft
Hulp & Recht 1799 meldingen over(seksueel) misbruik ontvangen. Zo'n 210 melders hebben een klacht
ingediend (in totaal 241 klachten).
146 Deze klachten doorlopen deklachtenprocedure en de BAC/klachtencommissie doet na behandeling
van deze klachten een uitspraak over het al dan niet gegrond zijn van de
klachten. Als klachten gegrond worden verklaard zijn de feiten en
omstandigheden vastgesteld en vormen die geen punt van discussie meer
bij de vaststelling van eventuele schade. De huidige BAC kan in 2011 200
klachten behandelen.
146
Hulp & Recht maakt onderscheid tussen een melding en een klacht. Iemand kan seksueel misbruik meldenen eventueel enkele gesprekken met een vertrouwenspersoon voeren en daar blijft het dan bij. Een melding
kan overgaan naar/in een klacht, waarvoor een klaagschrift wordt opgesteld, als een melder een onderzoek wil
laten instellen naar de gemelde handelingen.
59
Dit betekent dat eind 2011/begin 2012 van de nu ingediende 241 klachten
bekend is of ze gegrond dan wel ongegrond zijn verklaard.
Verjaring
Vermoedelijk betreffen de meeste klachten die nu in behandeling zijn
gebeurtenissen die verjaard zijn.
1.
In geval van een bewezen verklaarde onrechtmatige daad isschadevergoeding een juridische consequentie. Als een
dergelijke civielrechtelijke vordering zal blijken te zijn verjaard,
dan zal - zo stelt de
Onderzoekscommissie voor - een beroep opverjaring niet leidend zijn bij het antwoord van de
Rooms-Katholieke Kerk
op de vraag of de Kerk overgaat/moet overgaanop betaling van schadevergoeding en/of compensatie
anderszins. Het betalen van een schadevergoeding en/of
compensatie anderszins na verjaring kan juridisch
gekwalificeerd worden als het voldoen aan een natuurlijke
verbintenis.
2.
Hiermee staat het -juridische - probleem van verjaringfinanciële genoegdoening niet meer in de weg. De
Onderzoekscommissie
beveelt bisschoppen en hogere overstenaan om verantwoordelijkheid te nemen voor het door seksueel
misbruik veroorzaakte en bij velen aangedane leed en daarom
bij de vraag naar (financiële) compensatie een beroep op
verjaring niet leidend te laten zijn.
Commissie-Lindenbergh
De
Onderzoekscommissie dringt erop aan dat de commissie-Lindenbergh zospoedig mogelijk voor alle geledingen binnen de
Rooms-Katholieke Kerk(bisdommen, ordes, congregaties) aanbevelingen doet voor de wijze van
afhandeling van schadevergoeding en compensatie. Voor de
Onderzoekscommissie
is het - in het belang van klagers dieschadevergoeding en compensatie vragen - denkbaar dat aan deze
klagers een collectieve regeling wordt aangeboden. Binnen een dergelijke
collectieve regeling zou naar gelang de ernst van de gegrond verklaarde
klacht kunnen worden gekozen voor een differentiatie, zodat met de
individuele verschillen en belangen rekening kan worden gehouden. In
de klachtenprocedure van
Hulp & Recht zijn onafhankelijke commissiesvoorzien (artikel 19, lid 4) die zouden kunnen vaststellen hoe de klagers
op deze wijze zouden kunnen worden ingedeeld.
Voor individuele klagers die schadevergoeding en compensatie vragen én
die niet akkoord zijn met wat hen in een collectieve regeling wordt
aangeboden staat de mogelijkheid van de weg naar de rechter open.
Niet-verjaarde zaken
Er zijn ook niet-verjaarde zaken waarover gemeld is of waarover een
klacht is ingediend.
60
De
Onderzoekscommissie dringt erop aan om zo spoedig mogelijk aangiftete doen. Als dit leidt tot een strafrechtelijke vervolging en rechtszaak, kan
de uitspraak worden gebruikt voor een individuele afdoening van
schadevergoeding en compensatie.
3.4.7.
Registratie van melden en klachten bij Hulp & RechtDe instelling heeft - met inachtneming van de bepalingen van de Wet
Bescherming Persoonsgegevens - een schat aan informatie verzameld die
niet verloren mag gaan.
3.4.8.
Positie binnen de Rooms-Katholieke KerkDe bisschoppenconferentie en KNR leggen op uiterlijk 1 juli 2011 aan de
Onderzoekscommissie
een verslag voor. Hierin geven ze aan of en zo ja, opwelke wijze zij deze aanbevelingen hebben overgenomen en uitgevoerd.
Aan de hand hiervan zal de
Onderzoekscommissie in haar eindrapportagevoorstellen doen voor de positionering van
Hulp & Recht als kerkelijkeinstelling of als zelfstandige stichting.
3.4.9. De
Onderzoekscommissie dringt er bij bisschoppen en hogere oversten opaan om eensgezind en slagvaardig de over te nemen aanbevelingen uit te
voeren.
61
Bijlagen
1. Verantwoording
2. Hulp aan slachtoffers
3. Lotgenotengroepen
4. Lijst van personen waarmee de
Onderzoekscommissie heeft gesproken5. Lijst van personen binnen
Hulp & Recht6. Geraadpleegde literatuur en documentatie
7. Lijst van afkortingen
8.
Samenstelling van de Onderzoekscommissie62
Bijlage 1
Verantwoording
In het kader van dit onderzoek en advies heeft de secretaris van de
Onderzoekscommissie op 9juli 2010 het secretariaat van
Hulp & Recht bezocht en daar met de directeur ad interimgesproken evenals met de overige medewerkers kennisgemaakt. Op 7 september heeft de
secretaris zestig dossiers over klachten ingezien en bestudeerd. Hierbij ging het vooral om de
vraag of en zo ja hoe de adviezen van de
Beoordelings- en Adviescommissie wordenovergenomen door de verantwoordelijke bisschop of overste.
De
Onderzoekscommissie heeft ter voorbereiding van dit advies informatie gevraagd van Hulp& Recht
en van de bisschoppenconferentie. Twee personen die een klacht bij Hulp & Rechthebben ingediend hebben (het grootste deel van) hun dossier aan de
Onderzoekscommissie terbeschikking gesteld. Van verschillende personen heeft de
Onderzoekscommissie - al dan nietvertrouwelijk - informatie ontvangen.
De
Onderzoekscommissie heeft met zeventien personen gesprekken gevoerd. Met een persoonis gesproken op voorwaarde van anonimiteit. Aan een aantal gesprekken hebben meer
personen deelgenomen. In totaal heeft de
Onderzoekscommissie tien gesprekken gevoerd. Vanalle gesprekken zijn verslagen gemaakt die ter goedkeuring zijn voorgelegd aan degenen
waarmee is gesproken. Alle verslagen zijn goedgekeurd.
Het secretariaat heeft met zeven organisaties gesproken (in totaal dertien personen) die zich
met hulpverlening en met hulp en recht bij seksueel misbruik in het bijzonder bezighouden.
Het feitelijke deel van dit onderzoek is – zonder conclusies en aanbevelingen – voor hoor en
wederhoor voorgelegd aan het bestuur van
Hulp & Recht en aan de contactpersonen van debisschoppenconferentie en van de
Konferentie Nederlandse Religieuzen. Voor de verbeteringenen aanvullingen van feitelijke aard is de
Onderzoekscommissie de betrokkenen dankbaar.Bij de afronding van haar onderzoek en advies heeft de
Onderzoekscommissie een voorcommentaar rijpe versie van deze rapportage aan de leden van een klankbordcommissie
voorgelegd. De klankbordgroep bestaat uit professor mr. Y. Buruma, professor mr. M.S.
Groenhuijsen, professor dr. J.C. Kennedy, mevrouw dr. N.J. Nicolai, mr. dr. C.J.M. Schuijt en
drs. J. Smit. Professor mr. Y. Buruma en drs. J. Smit hebben commentaar geleverd op dit
onderzoek en advies. Hun betrokkenheid bij dit advies had niet het karakter van
draagvlakverwerving. Degenen die als klankbord van de
Onderzoekscommissie hebbengefungeerd hebben zich op geen enkele wijze aan dit onderzoek en aan dit advies, de hierin
opgenomen bevindingen, conclusies en aanbevelingen gecommitteerd. De
Onderzoekscommissie
heeft dankbaar gebruik makend van het commentaar van leden van deklankbordgroep haar eigen conclusies getrokken en heeft het verslag van dit onderzoek en
advies op de van haar gevraagde en verwachte onafhankelijke wijze opgesteld en
vastgesteld.
63
Bijlage 2
Hulp aan slachtoffers
De
Onderzoekscommissie acht het wenselijk dat de hulp wordt uitgebreid engeprofessionaliseerd. Juiste verwijzing naar een landelijk netwerk van bestaande
voorzieningen is een eerste vereiste.
Daarnaast wil de
Onderzoekscommissie wijzen op de specialistische voorzieningen dieaanwezig zijn op minstens vier locaties in Nederland.
Binnen onderstaande reguliere ambulante GGZ instellingen bestaat de bereidheid om
gespecialiseerde hulp op het gebied van seksueel misbruik (binnen de
Rooms-Katholieke Kerk)te bieden. Het betreft de volgende instellingen:
•
RIAGG Maastricht (Limburg)•
GGZ Eindhoven en de Kempen•
GGZ Friesland, Leeuwarden (Friesland, Groningen en Drenthe)•
Parnassia / PsyQ, Den HaagDeze instellingen beschikken over de expertise en een toegesneden aanbod aan hulp voor
seksueel getraumatiseerde mensen. De desbetreffende afdelingen in deze instellingen
bieden‘evidence based’, dus aangetoond werkzame, behandelingen die voldoen aan
internationale kwaliteitseisen. Op alle afdelingen wordt effectiviteits-onderzoek gedaan en
vindt een systematische evaluatie van resultaten plaats.
De centra zijn dus te beschouwen als hoog gekwalificeerd. Alle instellingen hebben een site
met informatie over de instelling en het hulpaanbod.
Zij hebben het volgende beeld geschetst van hun mogelijkheden:
1.
RIAGG MaastrichtHier is een gespecialiseerde groepsbehandeling voor mannen en voor vrouwen met seksueel
geweldervaringen. Zij kunnen zichzelf aanmelden of worden aangemeld door andere
instellingen in Zuid-Limburg. Er vindt altijd een individueel voortraject plaats om toe te
werken naar de groep. Belangrijk daarin is dat men zijn verhaal eerst individueel kan
vertellen en daarna ook kan delen in de groep. Tijdens deelname aan de groep met in totaal
twintig bijeenkomsten is het ook belangrijk dat de men kan terugvallen op de individuele
hulpverlener. De groep draagt bij aan het verwerken van het seksueel misbruik en richt zich
op het leren omgaan met de gevolgen van het seksueel misbruik. Men leert
copingstrategieën veranderen. Het delen van misbruikervaringen in de groep maakt dat het
schuld- en schaamtegevoel vermindert of zelfs verdwijnt. Als er na deelname aan de groep
nog posttraumatische stress-klachten blijven bestaan dan is een individuele
verwerkingsgerichte posttraumatische stress stoornis-behandeling (exposure, exposure met
rescripting of Eye Movement Desensitisation and Reprocessing (EMDR) mogelijk.
Voor partnerrelatieproblemen met betrekking tot seksualiteit en intimiteit kan de cliënt
partnerrelatietherapie krijgen.
64
Mocht er nog persoonlijkheidsproblematiek blijven bestaan na deze behandeling, dan kan
een psychotherapeutische behandeling gericht op persoonlijkheidsverandering ingezet
worden.
Inhoudelijk leidinggevend: drs. P. Wijts, klinisch psycholoog
Contact persoon specialistische groepsbehandelingen: Agnes Nieuweweme
Telefoon: 043-3299656
www.riagg-maastricht.nl
2. GGZ Eindhoven en de Kempen
Volwassenen met klachten die het gevolg zijn van traumatische ervaringen krijgen
behandeling en ondersteuning van GGzE Centrum Psychotrauma. Binnen GGzE Centrum
Psychotrauma is ook het Top Referent Traumacentrum (TRTC) ondergebracht. Dit centrum
richt zich op de specifieke gevolgen van vroegkinderlijke chronische traumatisering. Hier
wordt standaard een individuele behandeling aangeboden gericht op stabiliseren. Daarnaast
wordt er onder andere psychoeducatie in een groep aangeboden of een stabiliserende
groepsbehandeling voor complexe posttraumatische stress stoornis (‘Vroeger en Verder’) of
een groepsbehandeling voor mensen met een ernstige dissociatieve stoornis.
Tot nu toe was het aanbod vooral bedoeld voor vrouwen, maar men werkt aan de
ontwikkeling van een hulpaanbod voor seksueel getraumatiseerde mannen. Het streven is
een wachttijd van drie maanden, maar thans is de wachttijd zes maanden.
Inhoudelijk leidinggevende: drs. T. Horemans, psychiater
Telefoon: 040-2613860
E-mail: info@ggze.nl
www.ggze.nl
3. GGZ Friesland, Leeuwarden
Het Top Referent Trauma Centrum Friesland (TRTC Friesland) is een afdeling van het
Centrum Specialistische Behandelingen van de GGZ-Friesland. Het TRTC Friesland biedt
poliklinische, deeltijd en klinische behandelingen aan mensen uit heel Nederland met
traumagerelateerde problematiek. Hieronder wordt verstaan: de schadelijke psychische,
lichamelijke en sociale gevolgen van traumatische ervaringen in de vroege jeugd die
voortkomen uit emotionele en/of lichamelijke verwaarlozing, seksueel misbruik, fysieke
en/of psychische mishandeling en dergelijke. Voor mensen die als minderjarige binnen de
Rooms-Katholieke Kerk
zijn misbruikt, wordt een hulpaanbod ontwikkeld. Dit zal zowel eengroepsaanbod zijn als individuele behandeling en begeleiding Ook zijn er bij GGZ Friesland
goede ervaringen met pastorale zorg (een theoloog als co-therapeut).
Zeker als er sprake is van (complexe)posttraumatische stressstoornis, borderline
persoonlijkheidsstoornis of dissociatieve stoornis, biedt het TRTC zowel individuele als
groepsbehandelprogramma's. Voor ernstige persoonlijkheidsproblematiek is er binnen de
instelling een specialistisch behandelprogramma.
Ook hier moet men rekening houden met wachtlijsten.
65
Contactpersoon: drs. Chris Koopmans, klinisch psycholoog
Telefoon: 058 25 39 400
E-mail: trtcfriesland@ggzfriesland.nl
www.ggz-Friesland.nl
4. Parnassia / PsyQ, Den Haag – regio West Nederland
Hier is het Top Referent Trauma Centrum ingebed in de Afdeling Psychotrauma van PSYQ.
Er wordt individuele behandeling aangeboden ter stabilisatie, met daarna mogelijkheden om
een op ‘verwerking’ gericht behandeltraject te volgen, met o.a. imaginaire exposure
behandelingen en EMDR. Ook behandelt men ernstiger problematiek, dus waarbij ook
sprake is van persoonlijkheidsstoornissen. Zo kan men hier ook voor Schema-therapie
terecht.Voor Complexe PTSS is er de cursus ‘Vroeger en Verder’. Hiervoor bestaat ook een
mannengroep.
Naast de individuele behandeling kan men ook participeren in een ‘lotgenotengroep’.
Wachttijden zijn kort: een maand.
Inhoudelijk leidinggevende: drs. Paula de Jong, klinisch psycholoog
Telefoon: 0900-2357797
www.psyq.nl
66
Bijlage 3
Lotgenotengroepen
Canisius College Nijmegen
Contactpersoon: Raymond Lelkens
E-mailadres: misbruikcanisiuscollege@gmail.com
Eikenburg
Contactpersoon: Frans Jansen
E-mailadres: misbruikeikenburg@gmail.com
Website: www.misbruikeikenburg.nl
Huize Don Rua ’s Heerenberg
Contactpersoon: : Janne Geraets
E-mailadres: j.geraets@chello.nl
Website: www.jongensvandonrua.nl
Mea Culpa United
Contactpersoon: Annemie Knibbe
E-mailadres: meaculpaunited@gmail.com
Website: www.bertsmeets.nl
67
Bijlage 4
Lijst van personen waarmee de
Onderzoekscommissie heeft gesprokenMet de onderstaande personen heeft de
Onderzoekscommissie gesprekken gevoerd. Tussenhaken (…) staat de datum waarop zij het verslag van het gesprek van de
Onderzoekscommissiemet hen hebben geautoriseerd. Een aantal personen heeft zich tot de
Onderzoekscommissiegewend met informatie, wensen en suggesties. De
Onderzoekscommissie is hen erkentelijk enrespecteert de wens van velen onder deze personen om hun contacten met de
Onderzoekscommissie
als vertrouwelijk te beschouwen.3 september 2010
de heer mr. Y.A.J.M. van Kuijck oud-voorzitter van de Beoordelings- en
adviescommissie
professor dr. M.H.F. van Uden oud-lid van de Beoordelings- en
adviescommissie
(28 oktober 2010)
mevrouw mr. M.A.F. Tan-de Sonnaville voorzitter van de Beoordelings- en
adviescommissie
de heer mr. R.J.M. Smit vice-voorzitter van de Beoordelings- en
adviescommissie
de heer mr. P.R.M. van der Ven lid van de Beoordelings- en
adviescommissie
(19 oktober 2010)
de heer drs. J.B. Waaijer voorzitter van het bestuur van
Hulp &Recht
pater J.M.C. van Duijnhoven o.f.m. lid van het bestuur van
Hulp & Rechtmgr. drs. V.G.P.J.M. Schoenmakers lid van het bestuur van
Hulp & Rechtmevrouw drs. M.H.A. ter Steeg-van Wayenburg secretaris van het bestuur van
Hulp &Recht
(10 november 2010)
10 september 2010
professor mr. S.D. Lindenbergh hoogleraar privaatrecht aan de Erasmus
Universiteit
(15 oktober 2010)
mevrouw mr. P.M.M. Stassen hoofd ad interim van
Hulp & Recht(15 oktober 2010)
68
17 september 2010
de heer R.C.G. Egging de heer Egging heeft in augustus 2009 een
klacht ingediend bij
Hulp & Recht. DeBeoordelings- en adviescommissie heeft
deze klacht op 25 mei 2010 gegrond
verklaard. De aartsbisschop van Utrecht
heeft het advies van de BAC
overgenomen. De heer Eggink is
hiertegen in beroep gegaan bij de
Congregatie voor de Geloofsleer
in Rome,omdat de aartsbisschop niet is ingegaan
op het verzoek van de heer Egging om
schadevergoeding.
Bij het gesprek met de
Onderzoekscommissie
werd de heer Eggingbegeleid door mevrouw M.J.I.H.
Gademann.
(14 oktober 2010)
mevrouw T.A.J.M. Elie oud-ambtelijk secretaris van de
Beoordelings- en adviescommissie.
Mevrouw Elie werd tijdens het gesprek
met de commissie begeleid door mr. dr.
W.E.M. Leclerq, oud-lid van de
Beoordelings- en adviescommisie
(27 oktober 2010)
mevrouw M. van Helvert-Willeme vertrouwenspersoon
(25 oktober 2010)
anoniem
147 (14 oktober 2010)20 september 2010
mevrouw mr. S.J.E. Horstink-von Meijenfeldt oud-voorzitter van het bestuur van
Hulp& Recht
(28 oktober 2010)
29 september 2010
147
Met een persoon die een klacht wegens seksueel misbruik bij Hulp & Recht heeft ingediend heeft decommissie op voorwaarde van anonimiteit gesproken op 17 september 2010.
69
mgr. mr. drs. Th.C.M. Hoogenboom vicaris-generaal en hulpbisschop
aartsbisdom Utrecht
(27 oktober 2010)
Verder heeft de O
nderzoekscommissie gesproken en contact opgenomen met de volgendepersonen:
9 september 2010
de heer drs. V. Jammers waarnemend directeur Slachtofferhulp
Nederland
14 september 2010
mevrouw drs. D.A. Veldman RA directeur Rutgers Nisso Groep
mevrouw drs. W. van Berlo onderzoekscoördinator Rutgers Nisso
Groep
mevrouw M. Meerburg voorzitter SMPR
mevrouw P. Robbers coördinator SMPR
mevrouw ir. S.A. Kortbeek lid van de directie van Movisie
mevrouw drs. S. Janssen manager huiselijk en seksueel geweld
Movisie
mevrouw D. Bierings Vereniging tegen seksuele
kindermishandeling binnen het gezin,
familie en andere vertrouwensrelaties
de heer M. Hovingh Vereniging tegen seksuele
kindermishandeling binnen het gezin,
familie en andere vertrouwensrelaties
mevrouw L. van den Berg directeur Stichting Korrelatie
de heer P. Kemp hulpverlener Stichting Korrelatie
5 oktober 2010
de heer mr. P. Dijkmans juridisch medewerker Besturenraad
de heer mr. K. Verhaart advocaat Besturenraad
70
8 november 2010
de heer drs. A.E.H. Kemmerling De heer Kemmerling heeft in 2008 een
klacht ingediend bij
Hulp & Recht. Dezeklacht heeft de Beoordelings- en
adviescommissie op 4 augustus 2008
gegrond verklaard. De Beoordelings- en
adviescommissie adviseerde de
aartsbisschop in een brief aan klager aan
te geven dat de aartsbisschop het in hoge
mate betreurt dat klager zich als
minderjarige onder toezicht van een
priester tengevolge van diens seksueel
misbruik onvoldoende veilig heeft
gevoeld. Ook werd geadviseerd aan de
aartsbisschop om aangeklaagde een
afschrift van de zojuist genoemde brief te
sturen met daarbij als kanttekening dat de
aartsbisschop teleurgesteld is in het
toenmalig handelen van aangeklaagde.
De aartsbisschop heeft bij brief van 24
oktober 2008 dit advies niet
overgenomen.
Bij dit gesprek was de partner van de heer
Kemmerling, mevrouw. L. Lourier,
aanwezig.
1 december 2010
professor mr. S.D. Lindenbergh hoogleraar privaatrecht aan de Erasmus
Universiteit
71
Bijlage 5
Lijst van personen binnen
Hulp & Rechtde heer mr. G.J.M. Corstens voorzitter Toetsings- en adviescommissie
1995-2004
mevrouw Th.A.J.M. Elie ambtelijk secretaris bestuur
Hulp & Recht,Toetsings- en adviescommissie,
Beoordelings- en adviescommissie 1995-
2007
mevrouw mr. S..E. Horstink-von Meyenfeldt voorzitter bestuur
Hulp & Recht 2004-2008de heer mr. Y.A.J.M. van Kuijck lid en voorzitter Beoordelings- en
adviescommissie (2003-2008)
de heer drs. J.W.H.G. Loyson lid en voorzitter Beoordelings- en
adviescommissie (2002-2005)
de heer drs. P.P.M. van der Ree voorzitter bestuur
Hulp & Recht 1995-2004kardinaal A.J. Simonis bisschop van Rotterdam (1971-1983)
aartsbisschop van Utrecht (1983-2007)
mevrouw mr. P.P.M. Stassen hoofd ad interim
Hulp & Recht 2010-mevrouw mr. M.A.F. Tan-de Sonnaville voorzitter van de Beoordelings- en
adviescommissie 2008-
professor dr. M.H.F. van Uden lid van de Beoordelings- en
adviescommissie (1999-2008)
zuster E. Verrijt meldpuntfunctionaris
Hulp & Recht 1995-2008
de heer drs. J.B. Waaijer voorzitter bestuur
Hulp & Recht 2008-Bron:
Hulp & Recht72
Bijlage 6
Geraadpleegde literatuur en documentatie
Bisschoppenconferentie (1992-2010).
Notulen. SRKK, Utrecht.Codex Iuris Canonici (1983).
Hoekstra, R.J. (2010).
Angel en Antenne. Het functioneren van de Inspectie voor deGezondheidszorg in de casus van de neuroloog van het Medisch Spectrum Twente.
Commissie-Hoekstra, Den Haag.
Hoïng, M., van Engen, A., Ensink, B., Vennix, P., Vanwesenbeeck, I. (2003).
Hulp aanslachtoffers van seksueel geweld: een inventarisatie en kwaliteitsevaluatie van de behandeling van
slachtoffers van seksueel geweld in de GGZ en de vrouwenopvang in Nederland
. Eburon, Delft.Hulp & Recht (1995-2009).
Jaarverslagen. Brochures. Hulp & Recht, Utrecht.Jacobs J.Y.M.A. (2010).
Werken in een dwarsverband. Een portret van de gezamenlijke Nederlandsepriesterreligieuzen 1840-2004.
Valkhof Pers, Nijmegen.Nicolai, N. (red.) (2003),
Handboek Psychotherapie na seksueel misbruik. De Tijdstroom, Utrecht.R.K. Kerkgenootschap Nederland (2007).
Procedure bij klachten van seksueel misbruik. SRKK,Utrecht.
73
Bijlage 7
Lijst van afkortingen
BAC Beoordelings- en adviescommissie
BBK Beleidsadviescommissie Bisschoppenconferentie
BW Burgerlijk wetboek
Caper Centraal Adviesbureau Priesters en Religieuzen
EMDR Eye Movement Desensitisation and Reprocessing
GGZ Geestelijke Gezondheidszorg
KPLD Korps landelijke politiediensten
KNR Konferentie Nederlandse religieuzen
PTSS Posttraumatische Stress Stoornis
RIAGG Regionale Instelling Ambulante Geestelijke Gezondheid
RKK Rooms-Katholieke Kerkprovincie
SNPR Samenwerking Nederlandse Priester Religieuzen
TAC (Gemeenschappelijke) Toetsings- en adviescommissie
TRTC Top Referent Trauma Centrum
VPSG Stichting Vrouwen Pastoraat Seksueel Geweld
VSK Vereniging tegen seksuele kindermishandeling binnen het gezin, familie en
andere vertrouwensrelaties
74
Bijlage 8
Samenstelling van de
OnderzoekscommissieDe commissie onderzoek naar seksueel misbruik in de Rooms-Katholieke Kerk bestaat uit:
drs. W.J. (Wim) Deetman (voorzitter)
dr. P.J. ( Nel) Draijer
mr. P. (Pieter) Kalbfleisch
professor dr. H.L.J.G. (Harald) Merckelbach
professor dr. M.E. (Marit) Monteiro
professor dr. G.H. (Gerard) de Vries
dr. H.P.M. (Bert) Kreemers is secretaris en onderzoeksmanager van de
OnderzoekscommissieAdres van de
Onderzoekscommissie:Postbus 556
2501 CN Den Haag
reactie@onderzoekrk.nl
Website
www.onderzoekrk.nl
75
Groep Hop wordt de snelst groeiende politieke groepering in Nederland!
Stem Groep Hop voor meer koopkracht, minder
belastingen en pensioen vanaf
60 jaar!
Groep Hop Harderwijk berekent gevolgen van
nieuw WMO beleid in Nederland
Jan Hop opent discussie: "Kinderbeschermingsmaatregelen na verzonnen verhalen is
fraude!
Ontvangen jeugdzorg gelden afkomstig uit dit soort fraude dient als
heling te worden aangemerkt"
Jan Hop opent discussie: "Ouders kansloos tegen jeugdzorg en RvdK vanwege het
NIET leveren van kwaliteit rechtspraak!
In uitnodiging hoorzitting dient naam rechter te staan tbv onderzoek!
Jan Hop opent discussie: "Nederland is een
politiestaat! Met onderbouwing
troonredes 1900-2011"
477 Troonrede 2011 Landelijke
politie en koopkracht daalt onder verwijzing naar
uitgangsformule Groep Hop en Censuur In Nederland
660 Troonrede 2010
Koopkracht daalt onder verwijzing uitgangsformule
Groep Hop en Censuur In Nederland
616 Troonrede 2009
Koopkracht daalt onder verwijzing uitgangsformule
Groep Hop en Censuur In Nederland
662 Troonrede 2008
Koopkracht daalt onder verwijzing uitgangsformule
Groep Hop en Censuur In Nederland
Troonrede 2007
Troonrede 2006
Troonrede 2005
Troonrede 2004
Troonrede 2003
Troonrede 2002
Troonrede 2001
Troonrede 2000
Troonrede 1999, 1998, 1997, 1996,
1995, 1994, 1993, 1992, 1991,1990
Troonrede 1989, 1988, 1987, 1986,
1985, 1984, 1983, 1982, 1981, 1980
Troonrede 1979, 1978, 1977, 1976,
1975, 1974, 1973, 1972, 1971, 1970
Troonrede 1969, 1968, 1967, 1966,
1965, 1964, 1963, 1962, 1961, 1960
Troonrede 1959, 1958, 1957, 1956,
1955, 1954, 1953, 1952, 1951, 1950
Troonrede 1949, 1948, 1946, 1945,
geschiedenis omroepbijdrage Gezocht troonrede 1947?
Troonrede 1939, 1938, 1937, 1936,
1935, 1934, 1933, 1932, 1931, 1930
Troonrede 1929, 1928, 1927, 1926,
1925, 1924, 1923, 1922, 1921, 1920
Troonrede 1919, 1918, 1917, 1916,
1915, 1914, 1913, 1912, 1911, 1910
Troonrede 1909, 1908, 1907, 1906,
1905, 1904, 1903, 1902 Gezocht troonrede 1901, 1900
Boycot Raad voor de
Kinderbescherming
Boycot Scouting Nederland
Boycot Basisschool De Vlinder
gemeente Dieren