|
(267) De NORM! Minister van Justitie Donner 6 oktober 2003: "Iedere kritiek afzonderlijk is niet gevaarlijk, maar de druppel holt de steen uit, niet door geweld, maar door gestaag te vallen" HET GEVAAR! Minister van Justitie Donner: "Om hanteerbaar te blijven moet maatschappelijke onvrede over de rechtspraak politiek gekanaliseerd worden" STEMWIJZER! Stem NIET op CDA, PVDA, VVD en GroenLinks bij verkiezingen gemeenteraad en landelijke verkiezingen 2010! |
Lees
eerst de uitgangsformule Beeldvorming,
willekeur & jeugdzorg
Ambulant Meldpunt
Kindermishandeling (AMK)
Raad
voor de Kinderbescherming
Tekst ingebrekestelling
INGEBREKESTELLING, BESLISTERMIJN EN DWANGSOM
BIJ NIET TIJDIG BESLISSEN. Ondergetekende in overweging heeft genomen
hebben, dat het wenselijk is belanghebbenden doeltreffendere rechtsmiddelen te
bieden tegen het niet tijdig nemen van een besluit door een bestuursorgaan stelt
ondergetekende hierbij het betreffende bestuursorgaan in gebreke en zal de
rechter verzoeken een schadevergoeding toe te kennen conform de wet dwangsom bij
niet tijdig beslissen die WEL van kracht is! Toelichting: (615)
Wanneer
een bestuursorgaan de beslissing op een aanvraag (verzoek) of een
bezwaarschrift, die na 1 oktober 2009 zijn ingediend, niet tijdig heeft genomen,
dan is het een dwangsom verschuldigd. Voorwaarde is wel dat de belanghebbende de
overheid schriftelijk in gebreke heeft gesteld.
Nieuwe
aanvragen/bezwaren dus per 2 oktober indienen. Met
ingang van 1 oktober 2009 treden twee nieuwe wetten in werking. De Wet dwangsom
en beroep bij niet tijdig beslissen verplicht de overheid tot het betalen van
een dwangsom wanneer zij niet binnen de wettelijk vastgestelde termijn een
beslissing neemt. Tegelijk treedt per 1 oktober de wet in werking die voorziet
in aanpassing van de beslistermijnen voor bezwaarschriften in de Algemene wet
bestuursrecht (Awb) en voor aanvragen op grond van de Wet openbaarheid van
bestuur (Wob). De overheid houdt zich veelal niet aan de wettelijke
beslistermijnen die in de Awb zijn voorgeschreven. Dit ondermijnt het vertrouwen
van burgers in de overheid. Zo wordt het door de burgers als onrechtvaardig
ervaren dat een termijnoverschrijving voor hen in beginsel fataal is, terwijl
termijnoverschrijdingen voor de overheid tot dusver zonder gevolgen bleven. De
overheid wil naar eigen zeggen een betrouwbare partner zijn en is van plan zich
strikt aan de termijnen te gaan houden. Om de overheid iets meer lucht te geven,
zijn sommige beslistermijnen verruimd. Niet alle beslistermijnen zouden in
praktijk goed haalbaar zijn. Bovendien werd het van belang geacht dat snelheid
niet ten koste van zorgvuldigheid gaat. Daarom is de beslistermijn op een
Wob-verzoek van 2 naar 4 weken verruimd. Verder zijn de beslistermijnen van de
bezwaarprocedure verruimd. Een bestuursorgaan moet in beginsel binnen 6 weken
beslissen en binnen 12 weken (was 10 weken) in geval een adviescommissie is
ingeschakeld. Deze termijnen kunnen ieder door het bestuursorgaan met 6 weken
worden verlengd (was 4 weken). In ieder geval blijft het mogelijk dat overheid
en burger met elkaar kunnen afspreken dat de beslistermijn wordt opgeschort,
bijvoorbeeld als partijen proberen het geschil door middel van mediation op te
lossen. Wanneer een bestuursorgaan de beslissing op een aanvraag (verzoek) of
een bezwaarschrift, die na 1 oktober 2009 zijn ingediend, niet tijdig heeft
genomen, dan is het een dwangsom verschuldigd. Voorwaarde is wel dat de
belanghebbende de overheid schriftelijk in gebreke heeft gesteld. Deze
in gebreke stelling kan pas na het verstrijken van de wettelijke of redelijke
termijn worden ingediend. De dwangsom gaat twee weken na de ingebrekestelling
lopen, heeft een maximale looptijd van 42 dagen en bedraagt € 20 per dag over
de eerste twee weken, € 30 per dag over de volgende twee weken, en € 40 per
dag over de overige dagen. In totaal kan de dwangsom € 1260 bedragen.
Verder
is wettelijk bepaald dat een burger bij een termijnoverschrijding niet alleen
aanspraak heeft op een dwangsom maar ook, twee weken na de ingebrekestelling,
het recht heeft om direct beroep in te stellen bij de rechter. Dit is een extra
pressiemiddel wat, samen met de dwangsom en de wat ruimere beslistermijnen, naar
verwachting tot tijdige besluiten van de overheid zal leiden.
Beveiliging & bescherming burger tegen een NIET-KLANTVRIENDELIJKE overheid
Wet dwangsom en beroep bij niet tijdig beslissen
Om de burgers nog steeds te kunnen NAAIEN met de Wet dwangsom en beroep worden de beslistermijnen waarbinnen de overheid op verzoeken van de burger moet beslissen gigantisch verruimd!
Stemwijzer: Burgers STEM DUS NIET op CDA, PVDA, VVD en Groenlinks tijdens verkiezingen in 2010!
De
termijnen waarbinnen de overheid een beslissing moet nemen in het kader van de
bezwaarprocedure in de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en de Wet openbaarheid
van bestuur (Wob) worden verruimd. De ministerraad is akkoord gegaan met het
wetsvoorstel, dat minister Ter Horst en minister Hirsch Ballin van Justitie
hiertoe hebben ingediend.
De aanpassing van de beslistermijnen houdt verband met de inwerkingtreding van
de Wet dwangsom en beroep bij niet tijdig beslissen. Deze wet, een initiatief
van de toenmalige Tweede Kamerleden Wolfsen en Luchtenveld, verplicht de
overheid tot het betalen van een dwangsom wanneer zij niet binnen de wettelijk
vastgestelde termijn een beslissing neemt. Het kabinet besloot dat dit
initiatiefwetsvoorstel zou worden bekrachtigd nadat de termijnen in de Awb
(bezwaar) en de Wob, die in zeer brede kring als te krap en te uniform werden
ervaren, zouden zijn aangepast. De dwangsomregeling kan op 1 januari 2009 in
werking treden indien het wetsvoorstel tot aanpassing van de wettelijke
beslistermijnen op die datum door de Tweede en de Eerste Kamer is aangenomen.
Anders treedt de dwangsomregeling in ieder geval uiterlijk per 1 januari 2010
in werking.
Het wetsvoorstel tot wijziging van de beslistermijnen is voor advies aan de
Raad van State voorgelegd.
Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties
Aan: De Ministers, de colleges van burgemeester en wethouders van alle gemeenten, de colleges van gedeputeerde staten van alle provincies, de dagelijkse besturen van alle waterschappen
cc: de Vereniging van Nederlandse Gemeenten, het Interprovinciaal Overleg en de Unie van Waterschappen
circulaire
Onderwerp
Doelstelling
Juridische grondslag
Relaties met andere circulaires
Ingangsdatum Geldig tot
Wet dwangsom en beroep bij niet tijdig beslissen
(juridische versie circulaire)
Informeren
Geen
Circulaire Wet dwangsom en beroep bij niet tijdig beslissen voor overheidspersoneel (Kenmerk 2008-
0000548161)
Nog niet bekend. In ieder geval uiterlijk 1 januari 2010.
n.v.t.
Directie Constitutionele Zaken en Wetgeving
Afdeling Wetgeving Staatsinrichting en Grondrechten
Herengracht 17 2511 EG Den Haag Postbus 20011 2500 EA Den Haag www.minbzk.nl
Contactpersoon
Sanne de Lint
T (070) 426 6183 sanne.lint@minbzk.nl
Datum
19 november 2008
Kenmerk
2008-0000548032
Algemeen
Op 20 november 2007 heeft de Eerste Kamer het voorstel
van wet van de Tweede Kamerleden Wolfsen en Luchtenveld tot aanvulling van de
Algemene wet bestuursrecht met doeltreffendere rechtsmiddelen tegen niet
tijdig beslissen door bestuursorganen (Wet dwangsom en beroep bij niet tijdig
beslissen, hierna: Wet dwangsom) aanvaard. De tekst van het voorstel is te
vinden in Kamerstukken I 2005/06,
Op dit moment is de wet nog niet in werking getreden. Het is nog niet precies duidelijk wanneer de wet wel in werking zal treden.
Het kabinet heeft aangegeven dat voordat de Wet dwangsom
In werking treedt, verzekerd moet zijn dat de termijnen voor het beslissen op
Wob-verzoeken en op bezwaren krachtens de Algemene wet bestuursrecht zijn
aangepast. Het wetsvoorstel tot aanpassing van deze termijnen is op 24 oktober
2008 bij de Tweede Kamer ingediend (zie Kamerstukken II 2008/09, 31 751). Wel
is afgesproken dat de wet uiterlijk per 1 januari
In deze circulaire wordt de betekenis van deze wet voor bestuursorganen van zowel het Rijk als de decentrale overheden toegelicht. Daarnaast wordt ingegaan op de keuzes die de wet aan deze bestuursorganen biedt. Aangezien de wet grote gevolgen heeft voor de afhandeling van aanvragen en daarmee voor de interne organisatie van de bestuursorganen, is het van belang dat deze circulaire breed verspreid wordt onder medewerkers binnen het bestuursorgaan. Deze versie is geschikt voor juristen werkzaam bij bestuursorganen. Tegelijk met deze circulaire is een versie van deze circulaire voor al het overheidspersoneel (Kenmerk 2008-0000548161) verstuurd.
De Wet dwangsom bevat een tweetal regelingen voor die gevallen waarin een bestuursorgaan niet binnen de daarvoor geldende termijn beslist:
Pagina 1 van 10
Een regeling op grond waarvan een bestuursorgaan een dwangsom verschuldigd kan zijn voor iedere dag dat de beslissing uitblijft (nieuwe paragraaf 4.1.3.2 Awb);
Een regeling op grond waarvan - met overslaan van de bezwaarfase - direct beroep bij de bestuursrechter kan worden ingesteld tegen niet-tijdig beslissen door het bestuursorgaan (nieuwe afdeling 8.2.4A Awb).
Inhoudsopgave circulaire
Paragraaf 1: Dwangsom bij niet tijdig beslissen
1.1: De dwangsomregeling op hoofdlijnen
1.2: Overgangsrecht
1.3: Eigen dwangsomregelingen decentrale overheden Paragraaf 2: Direct beroep bij niet tijdig beslissen
2.1: De regeling direct beroep op hoofdlijnen
2.2: Samenloop met de dwangsomregeling
2.3: Overgangsrecht Paragraaf 3: Uitbreiding gronden opschorting van de beslistermijn Paragraaf 4: Invoering van de wet binnen de organisatie Paragraaf 5: Voorlichting aan de burgers
Paragraaf 6: Publiekelijk inzichtelijk maken van de betalingen van dwangsommen
Paragraaf 7: Verdere informatie Bijlage: Wanneer is er sprake van niet tijdig beslissen?
1. Dwangsom bij niet tijdig beslissen
Vanaf de inwerkingtreding van de Wet dwangsom is de dwangsomregeling (paragraaf 4.1.3.2. Awb) dwingend van toepassing op het niet tijdig nemen van besluiten.
Voor beschikkingen genomen op grond van de Vreemdelingenwet 2000 of het Soeverein Besluit van 12 december 1813, alsmede beslissingen op bezwaar tegen zodanige beschikkingen, geldt dat de dwangsomregeling (paragraaf 4.1.3.2 Awb) dwingend van toepassing wordt drie jaar na inwerkingtreding van de wet. Tot die tijd geldt voor deze beschikkingen en hun bezwaren de situatie zoals hiervoor is omschreven voor de periode tot inwerkingtreding van de Wet dwangsom.
Daarnaast liggen momenteel bij de Tweede Kamer twee voorstellen om de dwangsomregeling voor een bepaalde termijn uit te zonderen voor beschikkingen ingevolge de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen en beslissingen op bezwaar tegen zodanige beschikkingen en voor aanvragen voor een Verklaring omtrent gedrag op grond van de Wet justitiële en strafvorderlijke gegevens.
1.1. De dwangsomregeling op hoofdlijnen1
Voorwaarde 1: het bestuursorgaan heeft niet tijdig beslist op een aanvraag. Meer over niet tijdig beslissen in de bijlage. Zie tevens paragraaf 3 over verruiming van de mogelijkheden om een beslistermijn op te schorten.
Datum
19 november 2008
Kenmerk
2008-0000548032
1 Wat hier voor aanvragen wordt vermeld, geldt tevens voor bezwaar en administratief beroep.
Pagina 2 van 10
Datum
19 november 2008
Kenmerk
2008-0000548032
Voorwaarde 2: de aanvrager heeft het bestuur in gebreke gesteld.
Dit kan vanaf de eerste dag dat een bestuursorgaan te laat is met beslissen. De
wet stelt de eis dat een ingebrekestelling schriftelijk moet geschieden, verder is
zij vormvrij. Dat betekent dat een ingebrekestelling ook Verpakt' kan zitten in een
bezwaarschrift of klacht die (mede) gericht is op niet tijdig beslissen door het
bestuursorgaan.
Indien twee weken na ontvangst van de ingebrekestelling door het bestuursorgaan nog geen besluit is genomen, verbeurt het per dag dat het besluit uitblijft een dwangsom. De maximale looptijd van de dwangsom is 42 dagen en de dwangsom bedraagt ten hoogste € 1260. De dwangsom bedraagt de eerste veertien dagen € 20 per dag, de daaropvolgende veertien dagen € 30 per dag en de overige dagen € 40 per dag.
Het bestuursorgaan stelt uiterlijk binnen twee weken na de laatste dag waarover de dwangsom verschuldigd was, het totaalbedrag aan verbeurde dwangsommen bij beschikking vast.
Het bestuursorgaan gaat uiterlijk binnen zes weken na de vaststelling over tot betaling aan de aanvrager.
De eerste dag waarover de dwangsom verschuldigd is, is de dag waarop twee weken zijn verstreken na de dag waarop a) de beslistermijn is verstreken en b) het bestuursorgaan een schriftelijke ingebrekestelling van de aanvrager heeft ontvangen. Dat wil zeggen: als de ingebrekestelling op maandag is ontvangen, is de eerste dag waarover dwangsom is verschuldigd de dinsdag twee weken later.
Een ingebrekestelling die wordt ingediend voordat de beslistermijn is geëindigd wordt een premature ingebrekestelling genoemd en is naar zijn aard geen ingebrekestelling. Het is dus niet mogelijk om bij een aanvraag reeds een voorwaardelijke ingebrekestelling te voegen. Anders ligt het bij een ingebrekestelling die per abuis een dag te vroeg is ingediend. Deze zou door het bestuursorgaan wel als geldig moeten worden beschouwd. Tijdens de parlementaire behandeling van de Wet dwangsom is uitgesproken dat in de praktijk de rechter zou kunnen oordelen dat een ingebrekestelling die per abuis een dag te vroeg is ingediend, toch geldt; de dwangsom is dan twee weken en een dag later verschuldigd. Dus: is de ingebrekestelling op maandag ontvangen en had dat eigenlijk pas dinsdag moeten zijn, dan is de dwangsom verschuldigd met ingang van de woensdag twee weken later.
1.2. Overgangsrecht
Op het niet tijdig beslissen op een aanvraag die, of een bezwaar- of (administratief) beroepschrift dat is ingediend vóór de inwerkingtreding van de Wet dwangsom is de dwangsomregeling (paragraaf 4.1.3.2) niet van toepassing.
1.3. Eigen dwangsomregelingen decentrale overheden
Reeds bestaande verordeningen van gemeenten, provincies en waterschappen krachtens welke een financiële tegemoetkoming of een dwangsom verschuldigd is indien een van hun bestuursorganen bepaalde besluiten niet tijdig neemt, blijven
Pagina 3 van 10
hun gelding behouden tot de inwerkingtreding van de wet (tenzij die regelingen eerder worden ingetrokken of gewijzigd).
Na de inwerkingtreding van de Wet dwangsom verliezen verordeningen van gemeenten, provincies en waterschappen krachtens welke een financiële tegemoetkoming of een dwangsom verschuldigd is indien een bestuursorgaan bepaalde besluiten niet tijdig neemt, hun gelding. Dan vervallen deze verordeningen van rechtswege en worden de dwangsomregeling (paragraaf 4.1.3.2 Awb) en de regeling beroep bij niet tijdig beslissen (afdeling 8.2.4a Awb) van toepassing.
2. Direct beroep bij niet tijdig beslissen
Vanaf de inwerkingtreding van de wet is de nieuwe regeling voor beroep bij niet tijdig beslissen (afdeling 8.2.4A Awb) en het daarmee samenhangende overslaan van de bezwaarprocedures (artikel 7:1, eerste lid) van toepassing in alle gevallen waarin beroep wordt ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een besluit.
2.1 De regeling direct beroep op hoofdlijnen2
Artikel 6:12, derde lid, stelt twee voorwaarden voor de toepasselijkheid van 8.2.4a.
Voorwaarde 1: het bestuursorgaan heeft niet tijdig beslist op een aanvraag. Meer over niet tijdig beslissen in de bijlage. Zie tevens paragraaf 3 over verruiming van de mogelijkheden om een beslistermijn op te schorten.
Voorwaarde 2: de aanvrager heeft het bestuur in gebreke gesteld.
Dit kan vanaf de eerste dag dat een bestuursorgaan te laat is met beslissen. De
wet stelt de eis dat een ingebrekestelling schriftelijk moet geschieden, verder is
zij vormvrij. Dat betekent dat een ingebrekestelling ook'verpakt' kan zitten in een
bezwaarschrift of klacht die (mede) gericht is op niet tijdig beslissen door het
bestuursorgaan.
Indien twee weken nadat de aanvrager het bestuursorgaan heeft medegedeeld dat het in gebreke is, door het bestuursorgaan nog geen besluit is genomen, kan de aanvrager beroep tegen niet tijdig beslissen instellen bij de rechtbank. De eerste dag waarop een beroepschrift bij de rechter wegens niet tijdig beslissen kan worden ingediend, is de dag waarop twee weken zijn verstreken na de dag waarop a) de beslistermijn is verstreken en b) de aanvrager een schriftelijke ingebrekestelling heeft verzonden. Dat wil zeggen: als de ingebrekestelling op maandag is verzonden, is de eerste dag waarop een beroepschrift kan worden ingediend de dinsdag twee weken later.
De rechtbank behandelt het beroep in beginsel zonder zitting en binnen acht weken (binnen dertien weken als de rechter een zitting nodig acht). Indien het beroep gegrond is, bepaalt de rechtbank dat het bestuursorgaan binnen twee weken alsnog beslist. Daaraan verbindt de rechter een (nieuwe)
Datum
19 november 2008
Kenmerk
2008-0000548032
2 Wat hier voor aanvragen wordt vermeld, geldt eveneens voor bezwaar en administratief beroep.
Pagina 4 van 10
dwangsom die het bestuursorgaan verbeurt als het niet beslist binnen de door de rechter opgelegde termijn van twee weken.
Een premature ingebrekestelling is naar zijn aard geen ingebrekestelling. Het is dus niet mogelijk om bij een aanvraag reeds een voorwaardelijke ingebrekestelling te voegen. Een ingebrekestelling die te vroeg is verstuurd, is ongeldig.
Anders ligt het bij een ingebrekestelling die per abuis een dag te vroeg is ingediend. Deze zou door het bestuursorgaan wel als geldig moeten worden beschouwd. Tijdens de parlementaire behandeling van de Wet dwangsom is uitgesproken dat in de praktijk de rechter zou kunnen oordelen dat ingebrekestelling die per abuis een dag te vroeg is ingediend, toch geldt; de dwangsom is dan twee weken en een dag later verschuldigd. Dus: is de ingebrekestelling op maandag ontvangen en had dat eigenlijk pas dinsdag moeten zijn, dan is de dwangsom verschuldigd met ingang van de woensdag twee weken later.
2.2. Samenloop met de dwangsomregeling
Nadat het bestuursorgaan een ingebrekestelling heeft ontvangen, gaat de dwangsom 'automatisch' lopen voor iedere dag dat de beslissing uitblijft. Twee weken nadat de aanvrager een ingebrekestelling heeft verzonden, kan een beroepschrift tegen niet tijdig beslissen bij de rechtbank worden ingediend. Of en zo ja, wanneer dat precies gebeurt, bepaalt degene die beroep instelt. De wet bepaalt dat de grens ligt bij het onredelijk laat instellen van beroep. Het is aan de rechter te bepalen wanneer dat het geval is.
2.3. Overgangsrecht
Op het niet tijdig beslissen op een aanvraag die, of een bezwaar- of (administratief) beroepschrift dat is ingediend vóór de inwerkingtreding van de wet blijft het 'oude' recht gelden. Dat wil zeggen dat de aanvrager of bezwaarmaker op grond van artikel 6:2, aanhef en onder b, Awb in beginsel eerst bezwaar moet maken tegen het uitblijven van een besluit (respectievelijk de bezwaarprocedure moet voortzetten), alvorens hij beroep tegen niet tijdig beslissen kan instellen bij de bestuursrechter. De regeling beroep bij niet tijdig beslissen (afdeling 8.2.4a) is op deze aanvragen dan niet van toepassing.
3. Uitbreiding gronden opschorting van de beslistermijn3
Vanaf de inwerkingtreding van de wet, zijn de mogelijkheden voor een bestuursorgaan om de beslistermijn, zowel in de primaire fase als de fase van bezwaar/administratief beroep, op te schorten, uitgebreid (artikel 4:15 Awb).
De beslistermijn wordt opgeschort in de volgende gevallen:
1) de dag nadat het bestuursorgaan de aanvrager heeft uitgenodigd de aanvraag op grond van artikel 4:5 Awb aan te vullen, tot de dag waarop de aanvraag is
Datum
19 november 2008
Kenmerk
2008-0000548032
3 Wat hier voor aanvragen wordt vermeld, geldt eveneens voor bezwaar en administratief beroep.
Pagina 5 van 10
aangevuld of de daarvoor gestelde termijn ongebruikt is verstreken (art. 4:15, eerste lid, onder a) (NB: deze opschortingsgrond bestaat al op grond van het huidige artikel 4:15);
2)
de dag nadat het bestuursorgaan de aanvrager mededeelt dat het wacht op
voor de beslissing noodzakelijke informatie uit het buitenland, tot de dag
waarop
deze informatie is ontvangen of verder uitstel niet meer redelijk is (art.
4:15,
eerste lid, onder b);
Toelichting: Het bestuursorgaan kan een beslissing niet ongelimiteerd uitstellen omdat het wacht op informatie uit het buitenland. De termijn gaat weer lopen als verder uitstel niet meer redelijk is. Wanneer verder uitstel niet meer redelijk is, zal afhangen van het geval.
gedurende de termijn waarvoor de aanvrager schriftelijk met uitstel heeft ingestemd (art. 4:15, tweede lid, onder a) (NB: deze opschortingsgrond bestaat al voor bezwaar en administratief beroep, maar gaat voor alle beschikkingen gelden);
zolang de vertraging in de besluitvorming aan de aanvrager kan worden toegerekend (art. 4:15, tweede lid, onder b);
Toelichting: Hiervan is bijvoorbeeld sprake wanneer het bestuursorgaan niet tijdig kan beslissen, doordat de aanvrager een dag voor afloop van de beslistermijn een dik pak met aanvullende gegevens opstuurt of bij herhaling om uitstel van een hoorzitting of een nader onderzoek vraagt.
5)
zolang het bestuursorgaan door overmacht niet in staat is te beslissen
(art.
4:15, tweede lid, onder c).
Toelichting: Bij overmacht moet het gaan om een onmogelijkheid om te beslissen die veroorzaakt wordt door abnormale en onvoorziene omstandigheden, die vallen buiten de invloeds- en risicosfeer van het bestuursorgaan. Het volledig afbranden of onder water lopen van een gemeentehuis is een voorbeeld van overmacht.
Bij de opschortingsgronden 1, 2 en 3 vindt altijd communicatie plaats en weet de aanvrager dus dat de beslistermijn is opgeschort. In de gevallen 1 en 3 is de aanvrager door de communicatie over de aanvang van de opschorting tevens op de hoogte van het einde van de opschorting. Voor opschortingsgrond 4 is niet geregeld dat het bestuursorgaan de opschorting moet mededelen. In het geval onder 5 (overmacht) moet het bestuursorgaan aan de aanvrager mededelen dat de beslistermijn is opgeschort, en daarbij aangeven binnen welke termijn een besluit wél tegemoet kan worden gezien (artikel 4:15, leden 3 en 4). In de gevallen onder 2, 4 en 5 is aanvullend bepaald dat het bestuursorgaan de aanvrager mededeelt dat de opschorting eindigt, en daarbij vermeldt binnen welke termijn alsnog een besluit moet worden gegeven (de resterende beslistermijn).
NB! In geval een bestuursorgaan met behulp van geautomatiseerde systemen de voortgang van de behandeling bewaakt of (als kwaliteitsinstrument) doorlooptijden meet, zullen deze systemen aan de nieuwe opschortingsgronden van artikel 4:15 Awb moeten worden aangepast. Hetzelfde geldt voor de
Datum
19 november 2008
Kenmerk
2008-0000548032
Pagina 6 van 10
Datum
registratie van ingebrekestellingen, verbeurde dwangsommen en beroepen 19 november 2008
wegens niet tijdig beslissen. Kenmerk
2008-0000548032
4. Invoering van de wet binnen uw organisatie
Het is van belang dat u zorgt voor goede communicatie binnen de eigen organisatie over de Wet dwangsom. De wet kan gevolgen hebben voor de interne organisatie van het bestuursorgaan. Vanaf het moment van de ontvangst van een aanvraag beginnen de termijnen te lopen. De aanvraag moet dan ook zo snel mogelijk worden doorgestuurd naar de verantwoordelijke afdeling of ambtenaar binnen het bestuursorgaan. Wanneer het bestuursorgaan een ingebrekestelling ontvangt, moet deze herkend worden en met prioriteit worden afgehandeld. Het bestuursorgaan heeft dan immers nog twee weken om te beslissen zonder dat een dwangsom wordt opgelegd.
5. Voorlichting aan de burgers
De wet is bedoeld om de betrouwbaarheid van de overheid te vergroten; het is essentieel dat u burgers daarvan op de hoogte stelt. Het is van belang dat zij goede voorlichting krijgen over de wet. U kunt algemene voorlichting geven via uw websites en bijvoorbeeld in de vorm van brochures. Op korte termijn zullen via de website van het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties www.minbzk.nl/wetdwangsom teksten beschikbaar zijn, die u hiervoor kunt gebruiken.
Bestuursorganen, die aanvragen in behandeling nemen, kunnen individuele aanvragers wijzen op de mogelijkheid om - na overschrijding van de beslistermijn - het bestuursorgaan in gebreke te stellen. Dat zou bijvoorbeeld kunnen bij de ontvangstbevestiging. Op die manier profiteert de samenleving optimaal van haar verbeterde relatie met de overheid.
6. Publiekelijk inzichtelijk maken van de betalingen van dwangsommen
Tijdens de behandeling van het wetsvoorstel in de Tweede Kamer is de motie Dittrich inzake het publiek inzichtelijk maken van aan overheidsorganen opgelegd dwangsommen (zie Kamerstukken II, 2005-2006, 29 934, nr.17) aangenomen. Deze motie vraagt overheidsorganen die een dwangsom hebben moeten betalen wegens niet of niet tijdig beslissen op aanvragen deze periodiek publiekelijk inzichtelijk te maken, bijvoorbeeld in het (burger)jaarverslag. Mijn dringende verzoek aan u is om aan deze oproep van de Tweede Kamer tegemoet te komen en daarom te registreren wanneer en hoeveel dwangsom er is betaald. Daarnaast zullen dwangsombedragen uiteraard al moeten worden verantwoord in de financiële jaarverslagen, aangezien bestuursorganen jaarlijks verantwoording afleggen over de gelden die zij ontvangen en uitgeven.
7. Verdere informatie
Mocht u nog vragen hebben over de Wet dwangsom en beroep bij niet tijdig
beslissen, dan kan u als volgt meer informatie krijgen:
• Via de website van het Ministerie van Binnenlandse Zaken en
Koninkrijksrelaties, www.minbzk.nl/wetdwangsom kunt u deze circulaires vinden, antwoorden op een aantal veelgestelde vragen, actuele informatie en teksten voor communicatie naar de burger.
Pagina 7 van 10
Op deze website is ook de link te vinden naar het wetsvoorstel
(Kamerstukken I 2005/06,
934).
Daarnaast kunt u uw vragen mailen naar postbus.dwanqsom@minbzk.nl.
U kunt contact opnemen met het Ministerie van Binnenlandse Zaken en
Koninkrijksrelaties op het telefoonnummer 070-4266183.
Datum
19 november 2008
Kenmerk
2008-0000548032
Om u zo goed mogelijk op de hoogte te houden van de laatste ontwikkelingen met betrekking tot de inwerkingtreding van de Wet dwangsom en u handige informatie te kunnen toesturen, zouden wij graag de naam en contactgegevens van één contactpersoon binnen uw organisatie vernemen. U kunt deze persoon aanmelden via postbus.dwanqsomtaiminbzk.nl.
DE MINISTER VAN BINNENLANDSE ZAKEN EN KONINKRDKSRELATIES,
A
A A A .
Mevrouw dr. G. tér Horst
Pagina 8 van 10
Bijlage Wanneer is er sprake van niet tijdig beslissen?
'Niet tijdig beslissen' wil zeggen dat een bestuursorgaan bij het nemen van een besluit een beslistermijn heeft overschreden.
Hieronder wordt kort ingegaan op de Awb-beslistermijnen voor de primaire fase en de fase van bezwaar en administratief beroep.
Primaire fase
De hoofdregel is dat een bestuursorgaan moet beslissen binnen een wettelijke
termijn of bij ontbreken daarvan binnen een redelijke termijn (art. 4:13, eerste
lid, Awb).
De wettelijke termijn is een vaststaande termijn. Soms heeft de wetgever
voorzien in een verlengings- en/of verdagingsmogelijkheid.
Er zij op gewezen dat op wettelijke beslistermijnen in beginsel de Algemene
termijnenwet van toepassing is. Deze wet is van overeenkomstige toepassing
verklaard op verordeningen van provincies, gemeenten en waterschappen, tenzij
in die verordeningen anders is bepaald. Dat betekent dat in beginsel een
beslistermijn (met uitzondering van een in een ministeriële regeling of in een
regeling van een zelfstandig bestuursorgaan opgenomen termijn) die eindigt in
het weekend of op een erkende feestdag, wordt verlengd tot en met de eerst
volgende werkdag.
Bij gebrek aan een wettelijke termijn, geldt een redelijke termijn.
Wat een redelijke termijn is, is afhankelijk van de soort beslissing en kan enkele weken of maanden zijn, maar in uitzonderlijke gevallen zelfs enkele dagen. De redelijke termijn is in ieder geval na acht weken verstreken, indien het bestuursorgaan in de acht weken na ontvangst van de aanvraag tot het geven een beschikking a) geen beschikking heeft gegeven en b) geen redelijke termijn heeft gesteld waarbinnen de aanvrager de beschikking wél tegemoet mag zien (art. 4:13, tweede lid, Awb).
Wanneer het bestuursorgaan na ontvangst van een aanvraag een redelijke termijn heeft genoemd waarbinnen de beschikking tegemoet kan worden gezien, moet in ieder geval binnen deze termijn worden beslist (Art. 4:14, derde lid, Awb). Déze termijn hoeft geen acht weken te zijn. Met een dergelijke mededeling kan het bestuur de beslistermijn dus verlengen, met dien verstande dat een belanghebbende op grond van artikel 6:2 Awb bezwaar kan maken, indien hij van mening is dat een door het bestuursorgaan medegedeelde termijn niet redelijk is. De aanvrager kan een door het bestuur medegedeelde redelijke termijn niet met een ingebrekestelling aanvechten.
Fase van bezwaar en administratief beroep
De termijnen die gelden voor de fase van bezwaar worden aangepast. Het wetsvoorstel tot aanpassing van deze termijnen is op 24 oktober 2008 ingediend bij de Tweede Kamer (zie Kamerstukken II 2008/09, 31 751). U wordt daarom aangeraden om, wanneer het wetsvoorstel is aangenomen, de termijnen die gelden voor de fase van bezwaar en beroep te bekijken. Ook hier is het mogelijk onder bepaalde voorwaarden de termijn te verdagen of nog verder te verlengen (op te schorten). Voor het administratief beroep bevat de Algemene wet bestuursrecht een soortgelijke regeling.
Datum
19 november 2008
Kenmerk
2008-0000548032
Pagina 9 van 10
Datum
19 november 2008
Voor zowel de primaire fase als de fase van bezwaar en administratief beroep Kenmerk
geldt dat de termijn kan worden opgeschort op grond van artikel 4:15. Zie 2008-oooc
paragraaf 3 voor een bespreking van de verschillende opschortingsgronden.
In sommige gevallen kan sprake zijn van samenloop tussen opschorting en verdaging. Ter illustratie volgt hiervan een voorbeeld. Stel de beslistermijn van beschikking X is zes weken, met de mogelijkheid van verdaging van nog eens twee weken. Als bij de ontvangst van de aanvraag wordt geconstateerd dat een aanvraag onvolledig is (artikel 4:5 Awb), biedt het bestuursorgaan de aanvrager de mogelijkheid de aanvraag binnen vier aan te vullen. Hiervan wordt na 13 dagen gebruik gemaakt.
1 oktober: indiening aanvraag (einde termijn: 1 oktober + 6 weken = 12
november)
4 oktober: bestuursorgaan biedt de gelegenheid aan te vullen.
17 oktober: ontvangst aanvulling
Opschorting beslistermijn: 12 november + 13 dagen = 25 november. Dat
betekent dat het bestuursorgaan tot 25 november de tijd heeft gebruik te maken
de oorspronkelijke beslistermijn te verdagen. Als op 25 november geen
beschikking is genomen en niet is verdaagd, is in dit voorbeeld sprake van niet
tijdig beslissen. Is wel tijdig verdaagd, dan is na 9 december sprake van niet tijdig
beslissen.
Pagina 10 van 10
Verwijzing 92, inzake beslistermijn en dwangsom bij niet tijdig beslissen op modelverzoeken door bestuursorganen
BESLISTERMIJN EN DWANGSOM BIJ NIET TIJDIG BESLISSEN. Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is belanghebbenden doeltreffendere rechtsmiddelen te bieden tegen het niet tijdig nemen van een besluit door een bestuursorgaan;
29 934 Voorstel van wet van de leden Wolfsen en Luchtenveld tot aanvulling van de Algemene wet bestuursrecht met de mogelijkheid van een dwangsom bij niet tijdig beslissen door een bestuursorgaan (Wet dwangsom bij niet tijdig beslissen)
A GEWIJZIGD VOORSTEL VAN WET
7 juli 2006
Wij Beatrix, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van
Oranje-Nassau, enz. enz. enz.
Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten:<
Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is belanghebbenden
doeltreffendere rechtsmiddelen te bieden tegen het niet tijdig nemen van een
besluit door een bestuursorgaan;
Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze:
De Algemene wet bestuursrecht wordt als volgt gewijzigd:
A
Het opschrift van afdeling 4.1.3 komt te luiden:
AFDELING 4.1.3 BESLISTERMIJN EN DWANGSOM BIJ NIET TIJDIG BESLISSEN
B
Na het opschrift van afdeling 4.1.3 wordt ingevoegd:
§ 4.1.3.1 Beslistermijn
Ba
In artikel 4:13, tweede lid, wordt «kennisgeving» vervangen door:
mededeling.
Eerste Kamer der Staten-Generaal 1
Vergaderjaar 2005–2006
KST99440
ISSN 0921 - 7363
Sdu Uitgevers
’s-Gravenhage 2006 Eerste Kamer, vergaderjaar 2005–2006, 29 934, A 1
Bb
Artikel 4:14, derde lid, komt te luiden:
3. Indien, bij het ontbreken van een bij wettelijk voorschrift bepaalde
termijn, een beschikking niet binnen acht weken kan worden gegeven,
deelt het bestuursorgaan dit binnen deze termijn aan de aanvrager mede
en noemt het daarbij een redelijke termijn binnen welke de beschikking
wel tegemoet kan worden gezien.
Bc
Artikel 4:15 komt te luiden:
Artikel 4:15
1. De termijn voor het geven van een beschikking wordt opgeschort
met ingang van de dag na die waarop het bestuursorgaan:
a. de aanvrager krachtens artikel 4:5 uitnodigt de aanvraag aan te
vullen, tot de dag waarop de aanvraag is aangevuld of de daarvoor
gestelde termijn ongebruikt is verstreken, of
b. de aanvrager mededeelt dat voor de beschikking op de aanvraag
redelijkerwijs noodzakelijke informatie aan een buitenlandse instantie is
gevraagd, tot de dag waarop deze informatie is ontvangen of verder
uitstel niet meer redelijk is,
2. De termijn voor het geven van een beschikking wordt voorts
opgeschort:
a. gedurende de termijn waarvoor de aanvrager schriftelijk met uitstel
heeft ingestemd,
b. zolang de vertraging aan de aanvrager kan worden toegerekend, of
c. zolang het bestuursorgaan door overmacht niet in staat is een
beschikking te geven.
3. In geval van overmacht deelt het bestuursorgaan zo spoedig
mogelijk aan de aanvrager mede dat de beslistermijn is opgeschort,
alsmede binnen welke termijn de beschikking wel tegemoet kan worden
gezien.
4. Indien de opschorting eindigt, doet het bestuursorgaan daarvan in de
gevallen, bedoeld in het eerste lid, onderdeel b, of het tweede lid,
onderdelen b en c, zo spoedig mogelijk mededeling aan de aanvrager,
onder vermelding van de termijn binnen welke de beschikking alsnog
moet worden gegeven.
C
Na paragraaf 4.1.3.1 (nieuw) wordt een paragraaf toegevoegd, luidende:
§ 4.1.3.2 Dwangsom bij niet tijdig beslissen
Artikel 4:16
Deze paragraaf is van toepassing indien dit bij wettelijk voorschrift of bij
besluit van het bestuursorgaan is bepaald.
Artikel 4:17
1. Indien een beschikking op aanvraag niet tijdig wordt gegeven,
verbeurt het bestuursorgaan aan de aanvrager een dwangsom voor elke
dag dat het in gebreke is, doch voor ten hoogste 42 dagen. De Algemene
termijnenwet is op laatstgenoemde termijn niet van toepassing.
2. De dwangsom bedraagt de eerste veertien dagen € 20 per dag, de
Eerste Kamer, vergaderjaar 2005–2006, 29 934, A 2
daaropvolgende veertien dagen € 30 per dag en de overige dagen € 40
per dag.
3. De eerste dag waarover de dwangsom verschuldigd is, is de dag
waarop twee weken zijn verstreken na de dag waarop de termijn voor het
geven van de beschikking is verstreken en het bestuursorgaan van de
aanvrager een schriftelijke ingebrekestelling heeft ontvangen.
4. Indien de aanvraag elektronisch kon worden gedaan, is artikel 4:3a
van overeenkomstige toepassing op de ingebrekestelling.
5. Beroep tegen het niet tijdig geven van de beschikking schort de
dwangsom niet op.
6. Geen dwangsom is verschuldigd indien:
a. het bestuursorgaan onredelijk laat in gebreke is gesteld,
b. de aanvrager geen belanghebbende is, of
c. de aanvraag kennelijk niet-ontvankelijk of kennelijk ongegrond is.
7. Indien er meer dan één aanvrager is, is de dwangsom aan ieder van
de aanvragers voor een gelijk deel verschuldigd.
8. De in het tweede lid genoemde bedragen kunnen bij algemene
maatregel van bestuur worden gewijzigd voorzover de consumentenprijsindex
daartoe aanleiding geeft.
Artikel 4:18
1. Het bestuursorgaan stelt de verschuldigdheid en de hoogte van de
dwangsom bij beschikking vast binnen twee weken na de laatste dag
waarover de dwangsom verschuldigd was.
2. De betaling geschiedt binnen zes weken nadat de beschikking op de
voorgeschreven wijze is bekendgemaakt.
Artikel 4:19
1. Het bezwaar, beroep of hoger beroep tegen de beschikking op de
aanvraag heeft mede betrekking op een beschikking tot vaststelling van
de hoogte van de dwangsom, voorzover de belanghebbende deze
beschikking betwist.
2. De administratieve rechter kan de beslissing op het beroep of hoger
beroep inzake de beschikking tot vaststelling van de hoogte van de
dwangsom echter verwijzen naar een ander orgaan, indien behandeling
door dit orgaan gewenst is.
3. In beroep of hoger beroep legt de belanghebbende zo mogelijk een
afschrift over van de beschikking die hij betwist.
4. Het eerste tot en met het derde lid zijn van overeenkomstige
toepassing op een verzoek om voorlopige voorziening.
Artikel 4:20
Het bestuursorgaan kan onverschuldigd betaalde dwangsommen
terugvorderen voor zover na de dag waarop de beschikking, bedoeld in
artikel 4:18, eerste lid, is vastgesteld, nog geen vijf jaren zijn verstreken.
Ca
Artikel 6:12 komt te luiden:
Artikel 6:12
1. Indien het bezwaar of beroep is gericht tegen het niet tijdig nemen
van een besluit, is het niet aan een termijn gebonden.
2. Het bezwaar- of beroepschrift kan worden ingediend zodra het
bestuursorgaan in gebreke is tijdig een besluit te nemen.
3. Indien tegen het niet tijdig nemen van een besluit beroep openstaat
Eerste Kamer, vergaderjaar 2005–2006, 29 934, A 3
met toepassing van afdeling 8.2.4a, kan het beroepschrift worden
ingediend zodra:
a. het bestuursorgaan in gebreke is tijdig een besluit te nemen, en
b. twee weken zijn verstreken na de dag waarop belanghebbende het
bestuursorgaan schriftelijk heeft medegedeeld dat het in gebreke is.
4. Indien redelijkerwijs niet van de belanghebbende kan worden
gevergd dat hij het bestuursorgaan in gebreke stelt, kan het beroepschrift
worden ingediend zodra het bestuursorgaan in gebreke is tijdig een
besluit te nemen.
5. Het bezwaar of beroep is niet-ontvankelijk indien het bezwaar- of
beroepschrift onredelijk laat is ingediend.
Cb
Artikel 6:20 wordt gewijzigd als volgt:
1. In het eerste tot en met zesde lid vervalt telkens «op de aanvraag».
2. In het tweede lid, onderdeel b, wordt «de indiener van de aanvraag»
vervangen door: de belanghebbende.
Cc
Artikel 7:1, eerste lid, komt te luiden:
1. Degene aan wie het recht is toegekend beroep bij een administratieve
rechter in te stellen, dient alvorens beroep in te stellen bezwaar te
maken, tenzij:
a. het besluit in bezwaar of in administratief beroep is genomen,
b. het besluit aan goedkeuring is onderworpen,
c. het besluit een goedkeuring of een weigering daarvan inhoudt,
d. het besluit is voorbereid met toepassing van afdeling 3.4, of
e. tegen het besluit beroep openstaat met toepassing van afdeling
8.2.4a.
D
In de artikelen 7:14 en 7:27 wordt «hoofdstuk 4» telkens vervangen
door: hoofdstuk 4, met uitzondering van artikel 4:14, eerste lid, artikel 4:15
en paragraaf 4.1.3.2, .
E
Na artikel 7:14 wordt een artikel toegevoegd, luidende:
Artikel 7:14a
Indien door een ander dan de aanvrager bezwaar is gemaakt tegen een
besluit op aanvraag, wordt de aanvrager voor de toepassing van
paragraaf 4.1.3.2 gelijkgesteld met de indiener van het bezwaarschrift.
F
Na artikel 7:27 wordt een artikel toegevoegd, luidende:
Artikel 7:27a
Indien het beroep tegen een besluit op aanvraag is ingesteld door een
ander dan de aanvrager, wordt de aanvrager voor de toepassing van
paragraaf 4.1.3.2 gelijkgesteld met degene die het beroep heeft ingesteld.
Eerste Kamer, vergaderjaar 2005–2006, 29 934, A 4
G
Na afdeling 8.2.4 wordt een nieuwe afdeling ingevoegd, luidende:
AFDELING 8.2.4A BEROEP BIJ NIET TIJDIG BESLISSEN
Artikel 8:55a
1. Deze afdeling is van toepassing indien:
a. de wettelijke beslistermijn is overschreden en het bestuursorgaan
geen mededeling heeft gedaan als bedoeld in artikel 4:14, eerste lid;
b. bij het ontbreken van een wettelijke beslistermijn de termijn van acht
weken, bedoeld in artikel 4:13, tweede lid, is overschreden en het
bestuursorgaan geen mededeling heeft gedaan als bedoeld in artikel 4:14,
derde lid; of
c. het bestuursorgaan niet tijdig beslist op bezwaar of in administratief
beroep en geen mededeling heeft gedaan als bedoeld in artikel 4:14,
eerste lid.
2. Deze afdeling is voorts van toepassing indien paragraaf 4.1.3.2 van
toepassing is.
Artikel 8:55b
1. Indien het beroep is gericht tegen het niet tijdig nemen van een
besluit, doet de rechtbank binnen acht weken nadat het beroepschrift is
ontvangen en aan de vereisten van artikel 6:5 is voldaan, uitspraak met
toepassing van artikel 8:54, tenzij de rechtbank een onderzoek ter zitting
nodig acht.
2. Indien de rechtbank een onderzoek ter zitting nodig acht, deelt zij dit
zo spoedig mogelijk aan partijen mede.
3. Indien de rechtbank een onderzoek ter zitting nodig acht, behandelt
zij het beroep zo mogelijk met toepassing van artikel 8:52. In dat geval
doet de rechtbank zo mogelijk binnen dertien weken uitspraak.
Artikel 8:55c
Indien het beroep gegrond is, stelt de rechtbank desgevraagd tevens de
hoogte van de ingevolge artikel 4:17 verbeurde dwangsom vast.
Artikel 8:55d
1. Indien het beroep gegrond is en nog geen besluit is bekendgemaakt,
bepaalt de rechtbank dat het bestuursorgaan binnen twee weken na de
dag waarop de uitspraak wordt verzonden alsnog een besluit bekendmaakt.
2. De rechtbank verbindt aan haar uitspraak een nadere dwangsom
voor iedere dag dat het bestuursorgaan in gebreke blijft de uitspraak na te
leven.
3. In bijzondere gevallen of indien de naleving van andere wettelijke
voorschriften daartoe noopt, kan de rechtbank een andere termijn bepalen
of een andere voorziening treffen.
Artikel 8:55e
1. Indien tegen de met toepassing van artikel 8:54 gedane uitspraak
verzet wordt gedaan, beslist de rechtbank daarover binnen zes weken.
2. Artikel 8:55, tweede lid, is niet van toepassing.
3. Indien het verzet gegrond is, beslist de rechtbank zo spoedig
mogelijk op het beroep.
Eerste Kamer, vergaderjaar 2005–2006, 29 934, A 5
ARTIKEL IA
Artikel 19 van de Beroepswet wordt gewijzigd als volgt:
1. Voor de tekst wordt de aanduiding «1.» geplaatst.
2. Er wordt een lid toegevoegd, luidende:
2. Het eerste lid geldt niet indien de uitspraak een beroep tegen het niet
tijdig nemen van een besluit betreft.
ARTIKEL IB
Aan artikel 27h, vijfde lid, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen
wordt een volzin toegevoegd, luidende: De eerste volzin geldt niet indien
de uitspraak een beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit
betreft.
ARTIKEL II
Op 1 januari 2009 wordt de Algemene wet bestuursrecht gewijzigd als
volgt:
1. De artikelen 4:16 en 8:55a vervallen.
2. In artikel 6:12, eerste lid, wordt «bezwaar of beroep» vervangen door:
beroep.
3. Artikel 6:12, tweede lid, vervalt onder vernummering van het derde
tot en met vijfde lid tot tweede tot en met vierde lid.
4. In artikel 6:12, tweede lid (nieuw), wordt de aanhef vervangen door:
Het beroepschrift kan worden ingediend zodra:.
5. In artikel 6:12, vierde lid (nieuw), wordt «bezwaar of beroep»
vervangen door «beroep» en wordt «bezwaar- of beroepschrift»
vervangen door: beroepschrift.
6. Artikel 6:20 komt te luiden:
Artikel 6:20
1. Indien het beroep zich richt tegen het niet tijdig nemen van een
besluit, blijft het bestuursorgaan verplicht dit besluit te nemen, tenzij de
belanghebbende daarbij als gevolg van de beslissing op het beroep geen
belang meer heeft.
2. Het bestuursorgaan deelt een besluit als bedoeld in het eerste lid
onverwijld mede aan het orgaan waarbij het beroep aanhangig is.
3. Het beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit heeft mede
betrekking op het alsnog genomen besluit, tenzij dit geheel aan het
beroep tegemoet komt.
4. De beslissing op het beroep kan echter worden verwezen naar een
ander orgaan waarbij bezwaar of beroep tegen het alsnog genomen
besluit aanhangig is, dan wel kan of kon worden gemaakt of ingesteld.
5. Het beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit kan alsnog
gegrond worden verklaard, indien de indiener van het beroepschrift
daarbij belang heeft.
7. Artikel 7:1, eerste lid, onderdeel e, komt te luiden:
Eerste Kamer, vergaderjaar 2005–2006, 29 934, A 6
e. het beroep zich richt tegen het niet tijdig nemen van een besluit.
8. Artikel 7:1a, tweede lid, komt te luiden:
2. Het bestuursorgaan wijst het verzoek in ieder geval af, indien tegen
het besluit een ander bezwaarschrift is ingediend waarin eenzelfde
verzoek ontbreekt, tenzij dat andere bezwaarschrift kennelijk
niet-ontvankelijk is.
ARTIKEL IIA
1. Behoudens het bepaalde in het tweede lid, heeft de inwerkingtreding
van deze wet geen gevolgen voor bepalingen van provinciale, gemeentelijke
en waterschapsverordeningen ten aanzien van een financiële
tegemoetkoming of dwangsom bij niet tijdig beslissen, noch voor de
bevoegdheid om dergelijke bepalingen vast te stellen.
2. De bepalingen van provinciale, gemeentelijke en waterschapsverordeningen
ten aanzien van een financiële tegemoetkoming of
dwangsom bij niet tijdig beslissen, die van kracht zijn op het tijdstip
waarop artikel 4:16 van de Algemene wet bestuursrecht vervalt, zijn met
ingang van dat tijdstip van rechtswege vervallen, evenals de bevoegdheid
tot het maken van dergelijke verordeningen ten aanzien van dit
onderwerp.
3. Een bestuursorgaan dat krachtens een provinciale, gemeentelijke of
waterschapsverordening een financiële tegemoetkoming of een
dwangsom verschuldigd is indien het bepaalde besluiten niet tijdig
neemt, kan ten aanzien van die besluiten niet een besluit nemen als
bedoeld in artikel 4:16 van de Algemene wet bestuursrecht.
ARTIKEL IIB
Paragraaf 4.1.3.2 van de Algemene wet bestuursrecht vindt gedurende
drie jaren na de datum waarop artikel 4:16 van die wet vervalt, geen
toepassing ten aanzien van beschikkingen, genomen op grond van de
Vreemdelingenwet 2000 of het Soeverein Besluit van 12 december 1813,
en ten aanzien van beslissingen op bezwaar, gemaakt tegen zodanige
beschikkingen, voor zover bij wettelijk voorschrift of bij besluit van het
bestuursorgaan niet anders is bepaald.
ARTIKEL III
1. Op het niet tijdig beslissen op een aanvraag die of een bezwaar- of
beroepschrift dat is ingediend voor het tijdstip waarop paragraaf 4.1.3.2
van de Algemene wet bestuursrecht van toepassing is geworden, blijft het
recht zoals dit gold voor dat tijdstip van toepassing.
2. Op een bezwaar- of beroepschrift tegen het niet tijdig nemen van een
besluit dat is ingediend voor het tijdstip waarop afdeling 8.2.4a van
toepassing is geworden, blijft het recht zoals dit gold voor dat tijdstip van
toepassing.
ARTIKEL IV
Deze wet treedt in werking met ingang van de dag na de datum van
uitgifte van het Staatsblad waarin zij wordt geplaatst.
Eerste Kamer, vergaderjaar 2005–2006, 29 934, A 7
ARTIKEL V
Deze wet wordt aangehaald als: Wet dwangsom en beroep bij niet tijdig
beslissen.
Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en
dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks
aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.
Gegeven
De Minister voor Bestuurlijke Vernieuwing en Koninkrijksrelaties,
De Minister van Justitie,
De Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties,
Eerste Kamer, vergaderjaar 2005–2006, 29 934, A 8
Waarom rust op het bestuursorgaan, dat zijn verplichting om tijdig te beslissen niet nakomt, niet de verplichting de rechtzoekende op de mogelijkheden te wijzen die daartegen openstaan?
Antwoord: Omdat het rechtersleger, overheid, gevestigde politieke elite en het gigantische ambtenarenapparaat er geen enkel belang bij hebben.
229
ADVIES
inzake
Voorontwerp van Wet Beroep bij niet tijdig beslissen
Inleiding
Bij brief van 11 april 2002 heeft de Minister van Justitie de Nederlandse Vereniging voor Rechtspraak om advies gevraagd over het voorontwerp van de Wet beroep bij niet tijdig beslissen.
Het advies van de wetenschappelijke commissie van de NVvR is voorbereid door leden van de studiekring bestuursrecht.
Voorstel
Het voorontwerp is een uitvloeisel van het regeerakkoord en het kabinetsstandpunt "Juridisering in het openbaar bestuur" (Kamerstukken II 1998/99, 26 360, nr.1) en de daarop volgende notitie "Termijnen voor bestuur en rechter" (‘Kamerstukken II 2000/01, 27 461, nr. 1), waarin geconstateerd wordt dat de effectiviteit en rechtsbescherming bij het beroep tegen het niet tijdig beslissen door het bestuur dient te worden verbeterd. Naar aanleiding van deze notitie heeft de Commissie wetgeving algemene regels van bestuursrecht het onderhavige voorontwerp opgesteld, waarbij aansluiting is gezocht bij de Procesregeling bestuursrecht (Vastgesteld door de vergadering van 19 rechtbanken, Stcrt. 2001, 189) voor de rechtbanken (tekst per 1 oktober 2001).
Wat de procedure betreft bevat het voorontwerp ten opzichte van artikel 11 van de Procesregeling enkele niet onbelangrijke wijzigingen, onder meer met betrekking tot het "ijkpunt" voor de termijn voor het doen van uitspraak. In essentie wijkt de procedure echter niet af van de Procesregeling.
Daarnaast bevat het voorontwerp voorts enkele belangrijke systeemwijzigingen, te weten:
Een afzonderlijke regeling van een zelfstandige procedure bij beroep tegen niet tijdig nemen van een besluit in de nieuwe artikelen 8:55a tot en met 8:55c Awb;
Van de nieuwe procedure maakt de nieuwe figuur van de ingebrekestelling deel uit;
In de nieuwe procedure is voorzien in opheffing van (indien van toepassing) de schorsende werking van verzet en hoger beroep;
Een nieuwe dwangsomprocedure bij de voorzieningenrechter in artikel 8:55d van de Awb;
Het schrappen van de bezwaarschriftprocedure in geval van het niet tijdig nemen van een primair besluit;
Het loslaten van de -mogelijke- koppeling van het beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit op bezwaar en een alsnog afkomend reëel besluit op bezwaar (thans artikel 6:20, vierde lid van de Awb);
Commentaar
Algemeen.
De wetenschappelijke commissie heeft met belangstelling kennis genomen van het voorontwerp waarin een belangrijk onderwerp wordt behandeld en kan zich verenigen met de in de Memorie van Toelichting geformuleerde doelstelling om de burger een adequaat rechtsmiddel ter te hand stellen tegen het niet tijdig nemen van een besluit door een bestuursorgaan. De in het voorontwerp geboden mogelijkheid, met name het onderdeel van het voorstel om de bezwaarschriftfase over te slaan, spreekt de wetenschappelijke commissie aan.
Op de uitwerking heeft de wetenschappelijke commissie echter kritiek, met name daar waar het voorontwerp op een naar het oordeel van de wetenschappelijke commissie te gedetailleerde en onnodige wijze nieuwe procedures creëert, waarbij moet worden betwijfeld of de gewenste versnelling wel wordt bereikt.
Daarnaast heeft de wetenschappelijke commissie kritiek op het feit dat het voorontwerp waar het reageert op een probleem in de bestuurlijke fase slechts een gedeelte van de bestuurs(proces)rechtelijke keten bespoedigt; de onder andere ten gevolge van capaciteitstekort ontstane vertragingen in de rechterlijke procedures worden hier ten onrechte niet besproken, hetgeen de wetenschappelijke commissie, zeker in het licht van artikel 6 EVRM, betreurt (Zie ook Barkhuyzen en Jansen "rechtsmiddelen tegen rechterlijke en bestuurlijke traagheid: het EVRM noopt tot aanpassing van het nederlandse recht" NJB, pagina 841, 2002).
Bezwaarschriftprocedure:
Het onderhavige voorontwerp voorziet in de mogelijkheid om bij de overschrijding van de primaire beslistermijn rechtstreeks de rechter te adiëren. Voorgesteld wordt artikel 7:1 eerste lid Awb in die zin te wijzigen dat de verplichting om de bezwaarschriftprocedure te doorlopen niet van toepassing is indien het een beroep tegen het niet tijdig beslissen betreft. De wetenschappelijke commissie kan zich geheel verenigen met hetgeen hier wordt voorgesteld en ziet hierbij mede het voordeel dat onnodige en complicerende voorlopige voorzieningsprocedures hangende het bezwaar worden voorkomen.
5. De schrapping van artikel 6:20, vierde lid Awb:
Het voorontwerp schrapt de destijds door de wetgever gemaakte keuze voor inkleuring van het beroep tegen het niet tijdig beslissen door de rechter.
Gegeven het feit dat het niet tijdig nemen van een besluit niet materieel dient te worden geduid en uitgaande van het schrappen van het bezwaar bij het niet tijdig nemen van een primair besluit, acht de wetenschappelijke commissie dit voorstel op zich zelf logisch en goed verdedigbaar.
De wetenschappelijke commissie heeft bij de bespreking van de inkleuringproblematiek een eventuele keuzemogelijkheid voor de rechtzoekende overwogen, in die zin dat gekozen zou kunnen worden tussen ofwel de gang naar de rechter voor het beroep tegen het niet tijdig beslissen, ofwel de inhoudelijke inkleuring van het besluit. Met name in het vreemdelingenrecht en het sociale zekerheidsrecht is de inhoudelijke inkleuring in sommige gevallen wenselijk. In dit verband wijst de wetenschappelijke commissie er op dat het inkleuren van het niet tijdig nemen van een besluit tijdwinst kan opleveren en derhalve ook in het belang van de rechtsbescherming kan zijn.
De wetenschappelijke commissie adviseert aansluiting te zoeken bij de Procesregeling. Indien het vierde lid van artikel 6:20 toch wordt geschrapt, adviseert de wetenschappelijke commissie in de Memorie van Toelichting nader in te gaan op het bovenstaande.
6. Nieuwe procedure:
In het voorontwerp wordt een nieuwe procedure voor het beroep tegen het niet tijdig beslissen in de Awb geïntroduceerd, geregeld in de artikelen 8:55a tot en met 8:55d. Daarnaast wordt een aparte dwangsomprocedure geïntroduceerd.
De voorgestelde gedetailleerde procedures zullen naar de mening van de wetenschappelijke commissie meer voor problemen dan voor oplossingen zorgen, met name waar deze procedures nieuwe varianten toevoegen aan de reeds bestaande procedures, hetgeen de druk op de administratieve voorbereiding der zaken doet toenemen en tot vertraging of proces-incidenten kan leiden. Juist na de invoering van deze wet, met toch gedeeltelijk ook een symbolische waarde, zal dit door de rechtszoekende slecht worden begrepen.
Naar het oordeel van de wetenschappelijke commissie behoeft de procedure tegen het niet tijdig beslissen niet zo gedetailleerd geregeld te worden: de rechterlijke macht is tot nu toe uitstekend in staat is gebleken de problematiek op te lossen, getuige onder andere de totstandkoming van de genoemde Procesregeling. De huidige middelen van de rechter op dit gebied zijn dan ook ruimschoots voldoende en eigenlijk veel efficiënter dan de Memorie van Toelichting doet geloven. Een beroep tegen niet tijdig beslissen wordt thans gewoon per artikel 8:54 Awb afgedaan, vaak in minder dan 8 weken. Bij gecompliceerde zaken kan versnelde behandeling ter zitting uitkomst bieden.
De kennelijk aan de voorgestelde artikelen ten grondslag liggende gedachte dat daarmee sneller kan worden geprocedeerd dan onder de Procesregeling, is niet juist. Gelet op de overige termijnregelingen in de Procesregeling en op het ervaringsgegeven dat de bestuursorganen bij deze zaken vrijwel altijd de op de zaak betrekking hebbende stukken (in dit geval alleen de stukken die voor de beoordeling van de gestelde overschrijding van de beslistermijn van belang zijn) snel inzenden, verloopt de procedure juist snel en doelmatig. Overigens bieden de voorgestelde artikelen ook nog zoveel uitzonderingen en streeftermijnen, dat zij zeker niet "harder" zijn dan de in de Procesregeling voorziene wijze van toepassing van de artikelen 8:54 en 8:52 van de Awb.
Daarnaast is het tijdig beslissen door het bestuur een kwestie van organisatie van het werk en niet van wettelijke regels. Het veranderen van de wet zonder de organisatie aan te passen heeft naar het oordeel van de wetenschappelijke commissie weinig zin.
De wetenschappelijke commissie adviseert derhalve de genoemde artikelen te laten vervallen en nader aansluiting te zoeken bij de huidige Procesregeling, die dan ook van toepassing zou moeten zijn voor de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, de Centrale Raad van Beroep en het College van Beroep voor het bedrijfsleven.
Uitgaande van het achterwege blijven van de nieuw voorgestelde artikelen 8:55a tot en met 8:55d van de Awb zou in artikel 8:72, eerste lid, van de Awb kunnen worden opgenomen dat de eerste volzin niet van toepassing is indien het beroep is gericht tegen het niet tijdig nemen van een besluit.
Het opheffen van de schorsende werking is een nuttige verbetering. Opnieuw ervan uitgaande dat de voorgestelde artikelen 8:55a tot en met 8:55d van de Awb achterwege blijven, adviseert de wetenschappelijke commissie aan artikel 8:55, tweede lid, van de Awb toe te voegen:
"De eerste volzin is niet van toepassing indien het beroep is gericht tegen het niet tijdig nemen van een besluit."
De wijziging van artikel 19 van de Beroepswet past hierin.
Geheel subsidiair merkt de wetenschappelijke commissie nog op dat ook uit een oogpunt van wetgevingstechniek de voorgestelde artikelen niet in deze vorm wet zouden mogen worden. Gelet op haar primaire advies ziet zij ervan af de wetstechnische opmerkingen hier op te nemen.
De ingebrekestelling:
De wetenschappelijke commissie is geen voorstander van de door het voorontwerp geïntroduceerde ingebrekestelling.
Allereerst is deze nodeloos ingewikkeld en verwarrend. Daarnaast acht de wetenschappelijke commissie de vergelijking met het klachtenrecht van de ombudsman onduidelijk. Verder worden er door de introductie van de ingebrekestelling twee extra weken in de procedure gevoegd, hetgeen nu juist met het oog op het bespoedigen van de procedures onwenselijk is.
Tenslotte past het vereiste van het verzenden van een ingebrekestelling niet in het systeem van de Awb ( zie met name de artikelen 4:13 en 4:14 Awb) en rijst de vraag hoe een rechtszoekende verneemt dat hij zo’n ingebrekestelling moet versturen. Waarom rust in dat geval op het bestuursorgaan, dat zijn verplichting om tijdig te beslissen niet nakomt, niet de verplichting de rechtzoekende op de mogelijkheden te wijzen die daartegen openstaan?
De wetenschappelijke commissie adviseert derhalve om bovenstaande redenen de ingebrekestelling uit het voorontwerp te schrappen, of anders, bij het handhaven ervan, in ieder geval in de toelichting op artikel 4:14 Awb een duidelijk beslissingsschema op te nemen ter nadere informatie van de rechtzoekende en duidelijk aan te geven dat de ingebrekestelling al voor het eind van de beslistermijn kan worden ingezonden.
Daarnaast acht de wetenschappelijke commissie in dat geval een adequate campagne ter informatie van de burger noodzakelijk.
Schade ten gevolge van het niet tijdig beslissen.
Als de voorgestelde procedure een zelfstandige procedure wordt, ligt het niet voor de
hand artikel 6:20, derde lid (nieuw), van de Awb te handhaven. Artikel 6:20, derde lid, Awb is immers geschreven voor de situatie dat het beroep mede wordt geacht te zijn gericht tegen een ander besluit, hetgeen in het voorliggende geval expliciet niet zo is.
Voorts rijst de vraag of er door de rechtzoekende dient te worden gekozen op welk moment en in het kader van welke procedure hij de schade tengevolge van het niet tijdig beslissen vergoed wil krijgen. Het zou de eenvoud van de voorgestelde procedure bevorderen als het aspect van de vergoeding niet in die procedure aan de orde zou hoeven te komen. Alsdan kan, als is vastgesteld dat in strijd met de wettelijke regels niet tijdig is beslist, ofwel bij het expliciet genomen besluit meteen worden beslist over de te vergoeden schade (wettelijke rente) of naar aanleiding van een daartoe strekkend verzoek (om een zelfstandig schadebesluit). Tot slot zou het nog mogelijk kunnen zijn om bezwaar en beroep in te stellen tegen het expliciete, te laat genomen besluit en in het kader van die procedure om vergoeding van de schade te vragen. Principieel laat zich ook de vraag stellen of in de voorgestelde procedure al wel een veroordeling tot schadevergoeding kan worden uitgesproken, omdat op dat moment misschien nog niet duidelijk is of er schade ontstaat en zeker niet tot hoe lang die zal voortduren omdat het expliciete besluit nog niet is genomen.
Tegen deze achtergrond beveelt de wetenschappelijke commissie aan artikel 6:20, derde lid, van de Awb ten aanzien van deze procedure te schrappen.
Griffierecht
In het voorontwerp is (behalve ten aanzien van de – door de wetenschappelijke commissie hierboven verworpen – afzonderlijke dwangsomprocedure) ten onrechte geen aandacht besteed aan de problematiek van het griffierecht.
Ervan uitgaande dat in deze procedures gewoon griffierecht wordt geheven, moet worden vastgesteld dat met het innen van het griffierecht ten minste zes en in de praktijk veelal ten minste tien weken zijn gemoeid. Ook daarmee verhoudt zich de gewenste uitspraaktermijn van acht weken slecht.
Versnelling van de griffierechtprocedure biedt daarentegen kansen om de afdoening van deze zaken te bespoedigen.
De wetgever zou verschillende opties kunnen onderzoeken: ofwel het achterwege laten van griffierecht, een verkorte termijn (maar dan wel met verplichte aangetekende verzending van het betalingsverzoek) ofwel (de door de wetenschappelijke commissie ook om andere redenen niet onaantrekkelijk geachte) de constructie waarbij – net als in appel – achteraf van het in het ongelijk gestelde bestuursorgaan griffierecht wordt geheven.
10. Meer partijen
Ten onrechte gaat de Memorie van Toelichting niet in op situaties waarin voor het ondernemen van een bepaalde activiteit verschillende overheidsbesluiten nodig zijn of waarbij meerdere partijen betrokken zijn
11.Toepasbaarheid in het belastingrecht
De wetenschappelijke commissie adviseert dat nader wordt bezien of, en zo in hoeverre, de voorgestelde wijzigingen (ook in de door haar voorgestelde vorm) toepasbaar kunnen of moeten zijn in het belastingrecht en welke gevolgen daaraan zouden zijn verbonden.
Conclusie
12. De wetenschappelijke commissie kan zich verenigen met de in de Memorie van Toelichting geformuleerde doelstelling om de burger een adequaat rechtsmiddel ter hand stellen tegen het niet tijdig nemen van een besluit door een bestuursorgaan. De in het voorontwerp geboden mogelijkheden, vooral daar waar wordt voorgesteld de bezwaarschriftfase over te slaan, spreken de wetenschappelijke commissie zeer aan.
Echter, hoewel het voorontwerp in het teken van de bespoediging van de bestuursrechtelijk besluitvorming staat, levert het juist door de introductie van nieuwe procedures weinig tijdwinst op. Daartegenover staat dat de gedetailleerde procedures de gewone gang van zaken bij de gerechten kunnen doorkruisen en dat zij ertoe kunnen bijdragen dat het beroep bij de rechter sterkt toeneemt, hetgeen ten koste van de doorstroming van de gewone beroepszaken kan gaan. De wetenschappelijke commissie adviseert de voorgestelde artikelen 8:55a tot en met 8:55d Awb te laten vervallen en nader aansluiting te zoeken bij de huidige Procesregeling, die dan ook van toepassing zou moeten zijn voor de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, de Centrale Raad van Beroep en het College van Beroep voor het bedrijfsleven.
De wetenschappelijke commissie kan zich derhalve zeer wel vinden in de keuze om in het kader van de procedure tegen het niet tijdig beslissen op een primaire aanvraag de bezwaarschriftprocedure over te slaan. Het voorontwerp wordt op dat punt van harte ondersteund. Voor zover het voorontwerp de procedure vergaand regelt, acht de wetenschappelijke commissie – zij verwijst naar de hierboven geplaatste kanttekeningen - de regeling niet aantrekkelijk.
Den Haag, 28 juni 2002
namens het hoofdbestuur van de Nederlandse Vereniging voor Rechtspraak,
G. Chr. Kok
voorzitter
Beveiliging
& bescherming burger tegen een NIET-KLANTVRIENDELIJKE overheid, door J. Hop
Wet dwangsom en beroep bij niet tijdig beslissen voor overheidspersoneel
Modelverzoek 6 wraking commissie bezwaarschriften
Bijbanenregister commissie bezwaarschriften op internet
Kamervragen over dubbelfunctie
griffier/secretaris klachtencommissie in de zaak Hop
Wraking kinderrechter
Bijbanenregister
rechterlijke macht op internet
Informatieve
uitzending Omroep Gelderland over wraken kinderrechter
Hop bewijst kinderrechter is
rechter, aanklager en belanghebbende en klaagt Nederland aan bij UN