| Citaat: "De heer Hop was als voortrekker bezig het systeem lam te leggen. In eerste instantie werd in dit kader gebruik gemaakt van hinderlijke, maar wel legale middelen als het systematisch klagen en het systematisch om informatie vragen" Bron Regel 21, 22 en 23 Pleitnotities advocaat X overheid op de hoorzitting van het Hof van Discipline 150304. |
1997
De zaak Hop,
personeel Raad voor de Kinderbescherming zit voor, na, tijdens
schorsing hoorzitting bij de kinderrechter aan dezelfde tafel (1)
In strijd om afschrift contactjournaal gezinsvoogd werd door jeugdzorg
een advocaat met baantjes bij kerk en school ingezet! (427)
(137) (51)
Strijd om afschrift contactjournaal geeft
gewone burgers een representatief zicht op mentaliteit die heerst
in de "jeugdzorg" (50)
Zutphense Verhoormethode representatief voorbeeld corruptie coalities tussen
jeugdzorg en rechtbank in Nederland (95)
(710)
Arnhemse Verhoormethode representatief voorbeeld corruptie coalities tussen
jeugdzorg en rechtbank in Nederland (664) (500)
bjz34186307
Stichting Bureau Jeugdzorg Noord-Holland, Kenaupark 30, Postbus 5247, 2000 CE
Haarlem
bjz34186307 Advies & Meldpunt
Kindermishandeling Noord-Holland, Rubenslaan 2, 1816 MK Alkmaar
Alweer een beroepsverbod voor
J. Hop Ermelo wegens procedureel en systematisch klagen nu weer wegens
"aanzetten tot klagen over afgifte contactjournaal" om af te
gaan dwingen dat de jeugdzorg navolgbaar en transparant moet gaan werken
Stichting Jeugd en Gezin
Noord-Holland aan De heer Hop Naar aanleiding van uw optreden
als belangenbehartiger in meerdere klachtzaken (137)
bij instellingen voor jeugdbescherming hebben de gezamenlijke directeuren, in
hun hoedanigheid van bestuur van de landelijke jeugdbeschermingskoepel Vedivo,
besloten U in vervolg te weigeren als belangenbehartiger van
jeugdbeschermingcliënten in klachtzaken welke dienen voor de betreffende
interne klachtencommissies. (51)
Dit overeenkomstig de ruimte die de regelgeving voor een dergelijk besluit
biedt. Ook ik heb mij gecommitteerd dit
gezamenlijk genomen besluit uit te voeren. Dit betekent dat met onmiddellijke
ingang door U namens cliënten ingediende klachten niet meer door ons in
behandeling zullen worden genomen. Voor zover U zich nog als
belangenbehartiger heeft opgeworpen voor Mevrouw XXX te XXX deel ik u mede dat
de uitnodiging aan U voor behandeling van de betreffende klachten door de
interne klachtencommissie op 10 oktober a.s. komt te vervallen. De
klachtencommissie heeft separaat mevrouw XXX van deze ontwikkeling en van de
genomen besluiten op de hoogte gesteld. Ik maak van de gelegenheid
gebruik U ook mee te delen dat door hetzelfde landelijk bestuur is besloten
één lijn te trekken waar het afgifte van contactjournaals betreft.
Contactjournaals zullen niet worden afgegeven. Dit geheel in overeenstemming
met inmiddels opgebouwde jurisprudentie op dit punt. Het klagen over dit punt
c.q. het aanzetten van cliënten over dit punt te klagen is in het vervolg
zinloos (50) aangezien het
genomen besluit klager waar het de afgifte van contactjournaals betreft op
voorhand niet ontvankelijk maakt. Ik neem aan U voldoende te
hebben geïnformeerd. E.S.P. (Ed) Oudejans (66)
(127) Om de jeugdzorg staat nog steeds
een muur van het rechtersleger waardoor ongelukken met kinderen alleen maar
zullen blijven toenemen Omdat onafhankelijke kritiek van
buitenaf op het werk van de "jeugdzorg" stelselmatig wordt onderdrukt
door het rechtersleger (300)
zullen ongelukken met kinderen welke door kinderrechters aan de jeugdzorg worden
uitgeleverd alleen maar blijven toenemen. Je zal het kind maar zijn dat aan de
jeugdzorg is uitgeleverd onder toezicht van de falende CDA Minister van Justitie
Donner en zijn CDA-maatje Balkenende welke Ministers het naleven van de regels
door de overheid zelf als een VISIE blijven aanmerken (446) Hoeveel geld is sinds de strijd om
afgifte van de contactjournalen niet ieder jaar weer meer naar de bodemloze put
van de jeugdzorg gegaan? Hoeveel kinderen moeten er nog worden vermoord onder
toezicht van de jeugdzorg voordat de muur van het rechtersleger die om de
jeugdzorg heen blijft staan gaat breken en er daadwerkelijk begonnen wordt met
navolgbaar en transparant werken in de jeugdzorg? Bezwaarschriften van ouders op
grond van artikel 5.5 Wet op de jeugdzorg niet worden tegengewerkt maar
razendsnel worden afgehandeld om met rechtspraak van de kinder(bestuurs)rechter
de jeugdzorg te gaan veranderen in iets wat kinderen beschermd? "Neem
je eigen kinderrechter mee" deze fantastische oproep van de
gezinsvoogden onder elkaar kan niet beter etaleren dat de kinderrechters als een
muur om de jeugdzorg heen staan. Zelf mee willen demonstreren voor een paar
honderd miljoen extra als representatieve voorbeelden van de "onpartijdige
rechtspraak" in de jeugdzorg Iedere machtspositie vergroot het
risico daartoe, zeker wanneer kritiekloze kinder(bestuurs)rechters (Neem je
eigen kinderrechter mee) stelselmatig het in elkaar zetten van jeugdzorg
rapportages in strijd met de algemene beginselen van behoorlijk bestuur blijven
afdekken. Het kan natuurlijk niet anders dat het een puinhoop in de jeugdzorg
blijft als zelf de rapporten van de jeugdzorg niet deugen als uitgangspunt voor
verstrekkende maatregelen tegen ouders en kinderen. De democratische rechtsstaat
heeft voor haar voortbestaan kritische mensen nodig, die niet bang zijn voor de
jeugdzorg, die de praktijken rondom het opstellen van rapporten en
behandelplannen stelselmatig aan de kaak stellen. Hop hoopt dan ook dat
steeds meer ouders dit gaan inzien, willen samenwerken om informatie over de
werkwijze van de jeugdzorg uit te wisselen. Met snelle bezwaarschriften gaan
reageren op besluiten van de jeugdzorg. Ik nodig u dan ook uit procedureel en
systematisch tegen de jeugdzorg te procederen met als grondslag artikel 5.5 Wet
op de jeugdzorg en het inspectierapport Savannah waarin de Inspectie eist van de
jeugdzorg dat de jeugdzorg navolgbaar en transparant moet werken. Zoals in de
introductie op mijn website www.burojeugdzorg.nl
hebben we daarbij de hulp van alle partijen nodig. Dus ook de
kinder(bestuurs)rechters. Dat neemt niet weg dat u best steeds kritisch mag zijn
t.o.v. de kinder(bestuurs)rechter die op uw verzoeken en verweren gaat
beslissen, welke kinderrechters de verzoeken van de jeugdzorg er het liefste
binnen 15 minuten er doorheen willen jagen..................... J. Hop, redacteur websites Censuur
in Nederland en Groep Hop Gezinsvoogd
vrijgesproken van schuld aan dood of zwaar lichamelijk letsel Savanna ’s-Gravenhage, 16 november 2007 – De rechtbank ’s-Gravenhage heeft
vandaag uitspraak gedaan in de strafzaak tegen de gezinsvoogd van het meisje
Savanna dat op 20 september 2004 door haar moeder om het leven is gebracht. De
rechtbank heeft de dagvaarding op enkele onderdelen nietig verklaard en de
gezinsvoogd voor het overige vrijgesproken van zowel dood door schuld als
zwaar lichamelijk letsel door schuld. Ten laste gelegde feiten Causaal verband Vrijspraak van dood door schuld Vrijspraak van zwaar lichamelijk letsel door schuld Op
9 mei 2006 is door de Hoge Raad uitspraak gedaan over afgifte van het medisch
dossier i.v.m. strafvervolging van de gezinsvoogd van Savanna Samenvatting door griffier van
de Hoge Raad (buiten verantwoordelijkheid van de Hoge Raad) Achtergrond: Naar aanleiding van de
gewelddadige dood van de driejarige Savanna is het Openbaar Ministerie een
onderzoek gestart naar de rol van de jeugdhulpverlening. Daarbij is de
gezinsvoogdes als verdachte aangemerkt. De officier van justitie heeft ter
zitting aangegeven dat de gezinsvoogdes wordt verdacht van overtreding van
art. 307 Sr danwel art. 308 Sr, zulks in samenhang met art. 309 Sr (dood of
zware mishandeling door schuld, gepleegd in de uitoefening van een beroep). In
de zaak tegen de gezinsvoogdes wenst zowel het Openbaar Ministerie als de
verdediging te beschikken over het door het consultatiebureau aangelegde
dossier betreffende Savanna. Het cassatieberoep bij de Hoge
Raad Uitspraak van de Hoge Raad De Hoge Raad heeft daarbij in
aanmerking genomen: Gevolgen van deze uitspraak De volledige uitspraak LJN
AV2386
LJN: AV2386, Hoge Raad, 03082/05
B Datum uitspraak: 09-05-2006 Rechtsgebied: Straf Soort procedure: Cassatie
Inhoudsindicatie: Beklag door Stichting Thuiszorg tegen beslag op medisch
consultatiebureaudossier onder die stichting t.b.v. strafzaak tegen
gezinsvoogdes n.a.v. gewelddadige dood 3-jarig meisje. 1. Aan het
verschoningsrecht ligt ten grondslag dat het maatschappelijk belang dat de
waarheid in rechte aan het licht komt, moet wijken voor het maatschappelijk
belang dat een ieder zich vrijelijk en zonder vrees voor openbaarmaking van
het toevertrouwde om bijstand en advies tot de verschoningsgerechtigde moet
kunnen wenden. Ex art. 98.1 Sv mogen bij personen met een bevoegdheid tot
verschoning ex art. 218 Sv zonder hun toestemming brieven of andere
geschriften tot welke hun plicht tot geheimhouding zich uitstrekt, niet in
beslag worden genomen. Wel mogen, ook zonder hun toestemming, in beslag worden
genomen brieven of geschriften die voorwerp van het strafbare feit uitmaken of
tot het begaan daarvan hebben gediend, nu dergelijke brieven en geschriften
geen object zijn van de aan evenbedoelde personen toekomende bevoegdheid tot
verschoning. De Rb heeft in cassatie onbestreden vastgesteld dat hier geen
sprake is van geschriften die het voorwerp van het strafbare feit uitmaken of
tot het begaan daarvan hebben gediend. Het verschoningsrecht van o.m. de arts
is echter in zoverre niet absoluut, dat zich zeer uitzonderlijke
omstandigheden laten denken waarin het belang dat de waarheid aan het licht
komt - ook t.a.v. datgene waarvan de wetenschap hem als zodanig is
toevertrouwd - moet prevaleren boven het verschoningsrecht. De beantwoording
van de vraag welke omstandigheden als zeer uitzonderlijk moeten worden
aangemerkt is niet in een algemene regel samen te vatten. Voor het oordeel dat
van zodanige omstandigheden – en derhalve van een uitzondering op de
hoofdregel met betrekking tot het verschoningsrecht – sprake is, gelden
zware motiveringseisen. 2. De Rb heeft onderzocht of er sprake is van
dergelijke zeer uitzonderlijke omstandigheden. Daarbij heeft de Rb de volgende
factoren van belang geacht: a) de omstandigheid dat de aanleiding voor het
strafrechtelijke onderzoek is gelegen in een zeer ernstig feit, t.w. de
gewelddadige dood van een 3-jarig meisje; b) de omstandigheid dat n.a.v. de
dood van het meisje grote ophef is ontstaan, m.n. ook wat betreft de rol van
de hulpverleningsinstanties; en c) de omstandigheid dat de gegevens waarop de
inbeslagneming van het dossier is gericht van groot belang zijn voor het aan
de dag brengen van de waarheid omtrent het functioneren van verdachte als
gezinsvoogdes. Het oordeel van de Rb dat sprake is van zeer uitzonderlijke
omstandigheden als hiervoor bedoeld die ertoe behoren te leiden dat het
inbeslaggenomen medisch dossier bij de stukken van het geding wordt gevoegd,
is ontoereikend gemotiveerd, in aanmerking genomen: (i) dat het hier niet gaat
om een tegen de verschoningsgerechtigde bestaande verdenking; (ii) de aard en
omvang van de gegevens, die met doorbreking van het verschoningsrecht in de
strafprocedure zouden worden ingebracht; (iii) de omstandigheid dat hier
sprake is van verdenking van de misdrijven van de art. 307 dan wel 308 jo. 309
Sr, in de context waarvan m.n. van belang is de frequentie en inhoud van de
contacten tussen de arts van het consultatiebureau en verdachte, terwijl (iv)
de Rb onvoldoende ervan blijk heeft gegeven te hebben onderzocht de vraag of
de relevante gegevens niet op andere wijze konden worden verkregen, mede in
het licht van hetgeen namens klaagster is aangevoerd en voorgesteld en het
verhandelde in raadkamer, in welk verband niet zonder meer begrijpelijk is het
oordeel van de Rb “dat in het licht van het bovenstaande een geclausuleerde
kennisname van het dossier meer vragen zal opwerpen en derhalve in onvoldoende
mate zal bijdragen aan het aan het licht brengen van de waarheid”.
Uitspraak 9 mei 2006 Conclusie Nr. 03082/05
Geschokte reacties op rapport
Inspectie jeugdzorg, 10 maart 2005
Het rapport laat geen andere
conclusie toe dan dat sprake is van een aantal ernstige tekortkomingen in de
werkwijze en uitvoering van de ots-taak door het Bureau Jeugdzorg
Noord-Holland, aldus de bewindpersonen. De IJZ richt zich met een aantal
aanbevelingen tot de betrokken instellingen, de provincie, de Staatssecretaris
van VWS en de Minister van Justitie. Het rapport van de inspectie is
met alle betrokkenen besproken. De conclusies en aanbevelingen van de
inspectie worden door iedereen onderschreven. De ernst van het rapport heeft
Bureau Jeugdzorg Noord-Holland doen besluiten, vergaande organisatorische en
personele maatregelen te treffen. Het Openbaar Ministerie heeft inmiddels
een strafrechtelijk onderzoek ingesteld. De bewindslieden schrijven dat
de maatregelen die door Bureau Jeugdzorg zijn genomen hen het vertrouwen geven
dat er daadkracht aanwezig is om risico’s op vergelijkbare incidenten tot
een minimum te beperken. De provincie Noord-Holland bevordert dat het
betreffende Bureau Jeugdzorg uitvoering geeft aan de aanbevelingen van de
Inspectie jeugdzorg. Sinds de invoering van de Wet op de Jeugdzorg op 1
januari van dit jaar vallen de Bureaus Jeugdzorg onder verantwoordelijkheid
van de provincies. Bescherming minderjarigen Zoals wordt aanbevolen in het
rapport van de inspectie zal Staatssecretaris Ross bevorderen dat richtlijnen
worden ontwikkeld die er toe leiden dat AMK’s contact moeten opnemen met de
leiding van het Bureau Jeugdzorg waar de gezinsvoogd werkt, wanneer zij
signaleren dat gezinsvoogden onvoldoende actie ondernemen om de veiligheid van
onder toezicht gestelde kinderen te beschermen. De aanbevelingen van de
Inspectie aan de minister van Justitie richten zich op de Raad voor de
Kinderbescherming. De minister trekt zich de kritiek aan. Hij zal er op
toezien dat de Raad voor de Kinderbescherming haar wettelijke taak bij het
toetsen van de beëindiging van de uithuisplaatsing en het niet-verlengen van
de onder toezichtstelling (ots) weer volledig gaat uitvoeren. Kind centraal Onderzoek naar de kwaliteit van
het hulpverleningsproces aan Savannah door Inspectie jeugdzorg Utrecht, maart 2005 Samenvatting 1.1 Aanleiding tot het onderzoek De Inspectie jeugdzorg heeft op
verzoek van de Staatssecretaris van VWS en de Minister van Justitie onderzoek
gedaan naar de kwaliteit van het hulpverleningsproces aan de overleden peuter
S. Ook de Burgemeester van Alphen aan den Rijn heeft gevraagd om een
onderzoek. De peuter was onder toezicht gesteld van een afdeling
jeugdbescherming van een Bureau Jeugdzorg (BJZ/jb). De inspectie heeft onderzoek
gedaan naar: A. de werkwijze van BJZ/jb - de interne planning, controle
en aansturing; - de interne en externe
overdracht; - de inzet van andere
deskundigen door BJZ/jb. B. de uitvoering van de
ondertoezichtstelling in deze casus - doelgericht werken; - zorgen voor hulp en steun: de
regie; - toezicht op de minderjarige:
het wegnemen van de bedreiging; - bevorderen van de gezinsband. Centraal in het onderzoek staat
de afdeling jeugdbescherming van het Bureau Jeugdzorg. De jeugdbescherming
voert het toezicht op de minderjarige uit en heeft de regie over de hulp aan
het kind. Tot die taken behoort ook het zich op de hoogte houden van
werkzaamheden van andere instanties en deze betrekken in haar toezicht en
regie. Het rapport bevat de aanpak en de verantwoording van het onderzoek, de
resultaten, de analyse, conclusies en aanbevelingen. 1.2 Belangrijkste conclusies van
het onderzoek Werkwijze Bureau
Jeugdzorg/jeugdbescherming Belangrijkste conclusies: - systematische controle en
toetsing zijn niet geborgd in het primaire proces van de uitvoering van de ots. - rond de overdracht naar een
ander BJZ/jb is niet systematisch en doelgericht gehandeld. - er is niet verzocht om inbreng
van extra expertise, noch is voldoende gewogen gebruik gemaakt van de
expertise van anderen die bij het hulpverleningsproces betrokken waren. Uitvoering van de ots taak Belangrijkste conclusies: - er is deze casus niet gewerkt
met functionele en resultaatgerichte plannen. - BJZ/jb heeft de regiefunctie
over de betrokken hulpverleners in deze casus niet goed uitgevoerd. - De door de gezinsvoogd
ingewonnen informatie is niet professioneel gewogen en intern getoetst. De gezinsvoogd heeft zich in
haar toezicht op de veiligheid van S. steeds laten leiden door het perspectief
van moeder. Zij heeft daarvan onvoldoende afstand genomen, waardoor het
verband tussen een aantal signalen niet is gelegd. Er is geen interne controle
geweest - Er is niet navolgbaar en
transparant gewerkt door deze regiovestiging van dit BJZ/jb. - Naar oordeel van de inspectie
heeft informatieverlies in de keten een zorgvuldige en verantwoorde
beoordeling van de situatie in de weg gestaan. Patronen in signalen werden
niet herkend en dit heeft grote gevolgen gehad voor de inschatting van de
veiligheid van S. - De Raad voor de
Kinderbescherming voert de wettelijke taak om ots-en die niet verlengd worden
en uithuisplaatsingen die beëindigd worden te toetsen niet uit, waardoor de
externe controle op de veiligheid van het kind ontbreekt. Eindoordeel De Inspectie jeugdzorg is van
oordeel dat het in deze regiovestiging ontbreekt aan (een systeem van) tijdige
interne controle en sturing. Hierdoor lopen kinderen die de jeugdbescherming
moet beschermen onaanvaardbare risico’s. De Inspectie jeugdzorg neemt in
aanmerking dat zij reeds eerder enkele malen bij deze regiovestiging van het
BJZ onderzoek heeft verricht en onvolkomenheden heeft aangetroffen, en
constateert dat het primair proces in deze regiovestiging van de afdeling
jeugdbescherming van het Bureau Jeugdzorg niet goed is georganiseerd. 1.3 Aanbevelingen op basis van
het onderzoek Aan Bureau Jeugdzorg: 1. Organiseer de afdeling
jeugdbescherming zo dat er regelmatig interne inhoudelijke toetsing van
individuele zaken plaatsvi ndt, zeker voor wat betreft deze regiovestiging. 2. Geef invulling aan de
sturende en controlerende rol van de leidinggevende: deze is op dat niveau
verantwoordelijk voor besluiten van de gezinsvoogd. 3. Stel in het ots-proces het
belang van het kind centraal; andere perspectieven zijn hieraan ondergeschikt. 4. Neem een expliciete
risico-inschatting van de veiligheid van het kind op als onderbouwing van de
besluiten. 5. Ken als leidinggevende de
beperkingen in de deskundigheid van een gezinsvoogd. Organiseer bindend inzet
van extra specifieke deskundigheid ter ondersteuning. 6. Regel bij verhuizing zo snel
mogelijk de overdracht van een ots naar het BJZ waar de cliënt woont. Zorg
tot die tijd voor directe koppeling aan de regionale netwerken ter plaatse. 7. Maak de gezinsvoogd ervan
bewust dat hij of zij meer een regisseur is van de hulpverlening dan een
hulpverlener. Dit impliceert dat doelgericht werken, afstemming en inbreng van
de juiste expertise van hulpverleners veel aandacht behoeven in de uitvoering
van de ots. Aan de provincie Noord-Holland: 1. Bevorder dat bij Bureau
Jeugdzorg de organisatorische randvoorwaarden aanwezig zijn voor het uitvoeren
van bovenstaande aanbevelingen. 2. Maak afspraken met het Bureau
Jeugdzorg over het uitvoeren van bovenstaande aanbevelingen. 3. Laat het Bureau Jeugdzorg
regelmatig rapporteren over de voortgang van de uitvoering. Aan het Ministerie van VWS c.q.
provincies 1. Bevorder bij BJZ en in het
bijzonder bij het AMK dat zij eerder hun verantwoordelijkheid nemen en
zorgwekkende zaken melden bij de Raad voor de Kinderbescherming, en zich
daarbij niet op voorhand te laten weerhouden door een vermeende reactie van de
Raad op de melding. 2. Ontwikkel richtlijnen dat
AMK’s contact moeten opnemen met de leiding van het Bureau Jeugdzorg waar de
gezinsvoogd werkt, wanneer zij signaleren dat gezinsvoogden onvoldoende actie
ondernemen om de veiligheid van onder toezicht gestelde kinderen te
beschermen. Aan het Ministerie van Justitie
c.q. de Raad voor de Kinderbescherming: 1. Laat de RvdK de wettelijke
taak uitvoeren die bestaat uit het toetsen van de beëindigingen van de
uithuisplaatsingen en het niet-verlengen van de ots-en. 2. Ontwikkel landelijk te
hanteren criteria voor tijdige besluitvorming over het aanvragen en adviseren
van een maatregel ter bescherming van kinderen waarbij sprake is van ernstige
problematische gezinssituaties, danwel van een groot aantal andere
risicofactoren. Het gaat om hulp die zo zwaar als nodig is en niet zo licht
mogelijk nhoudsopgave HOOFDSTUK 1 HET
ONDERZOEK.............................................................................................8 HOOFDSTUK 2 RESULTATEN VAN HET
ONDERZOEK................................ ............................ 12 HOOFDSTUK 3 ANALYSE, CONCLUSIES
EN OORDEEL.......................................................... 36 HOOFDSTUK 4
AANBEVELINGEN...........................................................................................
44 BIJLAGE 1 - TOETSINGSKADER OTS
GEZINSVOOGDIJ-INSTELLING............................................. 46 Hoofdstuk 1 Het onderzoek Aanleiding In 2004 leidt het overlijden van
een peuter tot maatschappelijke onrust. Deze calamiteit is gedurende een
langere periode in de aandacht van de media. Het wordt duidelijk dat het kind
onder toezicht was gesteld van een Bureau Jeugdzorg/afdeling jeugdbescherming,
hierna te noemen BJZ/jb. Door de media wordt aangegeven dat er verschillende
meldingen van vermeende kindermishandeling zijn gedaan. Met deze meldingen zou
niets zijn gedaan. In de berichtgeving worden twijfels opgeroepen over de
kwaliteit van de hulpverlening aan de minderjarige. Het BJZ meldt de Inspectie
jeugdzorg dat het haar pupil betreft en dat zij een intern onderzoek heeft
gelast. Bij calamiteiten is het gebruikelijk dat de inspectie wacht op de
resultaten van intern onderzoek, voordat zij beslist of een eigen onderzoek
nodig is. Ook een Advies- en Meldpunt Kindermishandeling (AMK) heeft een
intern onderzoek uitgevoerd na de constatering dat zij bemoeienis met deze
pupil heeft gehad. De Staatssecretaris va n VWS heeft mede namens de Minister
van Justitie aan de Inspectie jeugdzorg gevraagd in deze casus een onderzoek
te doen. Ook de Burgemeester van Alphen aan den Rijn heeft om een onderzoek
gevraagd. Voor antwoord op vragen van bewindslieden over afstemming en
samenwerking in de zorg bleek meer informatie nodig dan door deze
jeugdzorginstellingen afzonderlijk verschaft kon worden. De Staatssecretaris
van VWS en de Minister van Justitie achtten derhalve een onafhankelijk nader
onderzoek door de inspectie zelf noodzakelijk. Probleemstelling Voor het onderzoek door de
inspectie zijn door de Staatssecretaris van VWS en de Minister van Justitie
vragen gesteld: 1. Hoe is het traject van
hulpverlening/jeugdbescherming aan het meisje verlopen en welke maatregelen
waren er getroffen tot het moment van haar overlijden; 2. Welke signalen zijn met
betrekking tot het meisje en haar situatie afgegeven; 3. Welke signalen hebben de
betrokken instellingen bereikt, en hoe hebben zij of de individuele
hulpverleners op deze signalen gereageerd; 4. Hoeveel hulpverleners waren
op het moment van overlijden van het meisje betrokken en was men van elkaars
inzet op de hoogte; 5. Wat zijn de achterliggende
redenen dat de hulpverlening heeft opgetreden zoals men heeft gedaan; 6. Waren er afspraken gemaakt
tussen de betrokken hulpverlenende instanties over samenwerking, in het
bijzonder ten aanzien van de verantwoordelijkheid voor de coördinatie van de
hulp; 7. Geeft de gang van zaken
aanleiding tot verbetervoorstellen. Hierbij moet worden gedacht aan
voorstellen op het terrein van de samenwerking tussen de betrokken
instellingen, de kwaliteit van de hulpverlening en de handelwijze binnen de
instellingen zelf. De inspectie heeft deze vragen in het onderzoek
geoperationaliseerd en onderscheiden in twee onderdelen. A Werkwijze Bureau
Jeugdzorg/jeugdbescherming Vragen naar de werkwijze bij de
afdeling jeugdbescherming van Bureau Jeugdzorg ten aanzien van navolgbaar en
transparant werken, de interne planning, controle en aansturing, interne en
externe overdracht. B Uitvoering
ondertoezichtstelling in deze casus Vragen naar de wijze waarop BJZ/jb
de werkzaamheden in het kader van de ots-taak heeft uitgevoerd, met name waar
het gaat om de taken: toezicht op de minderjarige, zorgen voor hulp en steun
en het bevorderen van de gezinsband tussen de met het gezag belaste ouder en
de minderjarige. Bij de taak “toezicht op de minderjarige” is de vraag
naar het wegnemen van de bedreiging van de minderjarige van belang: wat weegt
BJZ/jb daaromtrent af, hoe zorgt BJZ/jb dat de minderjarige veilig is. Bij de
taak “zorgen voor hulp en steun” is de vraag naar de regie door BJZ/jb van
belang: hoe plant, coördineert en evalueert deze de hulp en steun. Hierbij
komt o.a. de samenwerking en communicatie met andere betrokken instellingen
aan de orde. De inspectie heeft in haar onderzoek meegewogen dat eerder al
enkele keren onderzoek werd verricht bij deze regiovestiging van dit BJZ/jb,
waarbij door de inspectie onvolkomenheden werden aangetroffen in de werkwijze.
Het onderzoek geeft antwoord op de vragen van de bewindslieden. De Inspectie
jeugdzorg doet aanbevelingen ter verbetering als uit het onderzoek blijkt dat
de kwaliteit van instellingen te kort heeft geschoten. Uitvoering Afbakening Centraal in het onderzoek staat
de afdeling jeugdbescherming van het Bureau Jeugdzorg. De jeugdbescherming
voert het toezicht op de minderjarige uit en heeft de regie over de hulp aan
het kind. Tot die taken behoort ook het zich op de hoogte houden van
werkzaamheden door andere instanties en deze te betrekken in haar toezicht en
regie. Werkwijze Voor de uitvoering van het
onderzoek heeft de inspectie een projectplan opgesteld en voorgelegd aan de
opdrachtgevers. Vervolgens heeft de inspectie een toetsingskader gemaakt
waarin staat wat zij verwacht aan te treffen in de praktijk (zie bijlage). De
vragen die ten grondslag liggen aan dit onderzoek worden beantwoord aan de
hand van dit toetsingskader. Voor de uitvoering van het onderzoek heeft de
inspectie een gesprek gevoerd met de Raad van Bestuur van Bureau Jeugdzorg. In
dit gesprek is de voorgenomen werkwijze van de inspectie besproken. Vervolgens
is een dossieronderzoek uitgevoerd. Dit dossieronderzoek gaf aanleiding tot
gesprekken met de betrokken teamleider en gezinsvoogden, met name om zaken uit
het dossier te verduidelijken en kennis te nemen van geldende criteria,
procedures en gemaakte afwegingen. Na de uitvoering van het onderzoek bij het
BJZ zijn de bevindingen gelegd naast de bevindingen van het AMK. Dit gaf
aanleiding tot een gesprek met het AMK. Daarnaast heeft het ministerie van
Justitie de Raad voor de Kinderbescherming gevraagd naar diens betrokkenheid
in deze casus. Over deze betrokkenheid heeft de inspectie schriftelijke
informatie ontvangen ten behoeve van het onderzoek. Verder heeft het onderzoek
aanleiding gegeven tot samenwerking met de Inspectie voor de Gezondheidszorg,
vanwege bij de casus betrokken instanties die onder het toezicht van deze
inspectie vallen. Het rapport biedt inzicht in de vraag hoe de kwaliteit van
het proces van hulpverlening aan het meisje is geweest en naar het effect
daarvan voor het meisje. Onder proces verstaat de inspectie in deze de
procedures, de interne criteria, de professionaliteit van de medewerkers in de
navolgbaarheid en transparantie van hun afwegingen omtrent de inhoud van de
zorg. Het rapport biedt inzicht in de mogelijke knelpunten, zodat
verbeteringen kunnen worden doorgevoerd. Het rapport is uitgebracht aan
debetrokken instellingen en overheden (de ministeries van VWS en Justitie, de
provincies Noord-Holland en Zuid-Holland, en de gemeente Alphen aan de Rijn). Hoofdstuk 2 Resultaten van het
onderzoek In dit hoofdstuk staat de
feitelijke informatie die de inspectie bij het onderzoek heeft aangetroffen.
De informatie komt uit dossieronderzoek en gesprekken bij
BJZ/jeugdbescherming, tenzij anders is aangegeven. Het inspectie-onderzoek in
deze casus omvat een periode van tweeënhalf jaar: vanaf het moment dat een
voorlopige ondertoezichtstelling (v-ots) over S. werd uitgesproken (februari
2002) tot en met het overlijden van S. in september 2004. De informatie is
ingedeeld naar beide onderdelen van de probleemstelling, in hoofdstuk 1: de
werkwijze van Bureau Jeugdzorg en de uitvoering van de ots. Informatie over de
uitvoering in deze casus is tevens ingedeeld naar periodes. A Werkwijze Bureau
Jeugdzorg/jeugdbescherming Dit deel betreft de vragen naar
de werkwijze van BJZ/jeugdbescherming: - de interne planning, controle
en aansturing; - interne en externe overdracht; - inzet van andere deskundigen
door BJZ/jeugdbescherming. 1 Interne planning, controle en
aansturing Algemeen Bij dit BJZ/jb vindt regelmatig
casuïstiekoverleg plaats in het zgn. casuïstiekteam en overleg tussen
teamleider en gezinsvoogd. Casussen worden niet system atisch of periodiek
geagendeerd, maar worden op initiatief van de gezinsvoogd ingebracht. Daarvoor
gelden enkele criteria. Een casus wordt besproken in het casuïstiekteam,
wanneer een nieuwe (besluit)lijn wordt uitgezet, zoals een beëindiging van
een ots of bij formele rapportagemomenten (bv. verlenging ots). Alle geïnterviewden
kennen de criteria om een zaak voor bespreking in te brengen. Deze casus Uit het dossieronderzoek blijkt
dat deze casus een aantal keren is besproken in het casuïstiekteam en in het
overleg tussen teamleider en gezinsvoogd. Drie keer is een werkaantekening
aangetroffen in het contactjournaal of een notitie in het dossier dat de zaak
is besproken. Van drie teambesprekingen zijn notulen aangetroffen. De
gezinsvoogd heeft deze casus in ieder geval ingebracht in verband met de
volgende onderwerpen: overdracht naar een ander BJZ, het verplichten tot
dagopvang en een melding van het AMK in 2004. De besluitvorming naar
aanleiding van deze besprekingen is niet zichtbaar. Of
uitkomsten/ontwikkelingen worden teruggemeld in het team is niet duidelijk.
Uit het onderzoek is niet gebleken dat de besluitvorming om S. weer thuis te
laten wonen (juli 13 2002) en de formele rapportages (o.a. in februari 2003 en
2004) zijn besproken. Ook is niet zichtbaar of en hoe de besluitvorming over
het handelen n.a.v. diverse ontvangen ernstige zorgsignalen in het team heeft
plaatsgevonden. 2 Interne en externe overdracht Intern, in deze casus In november 2002 is de belaste
gezinsvoogd ziek geworden. De tweede gezinsvoogd werd half december gevraagd
deze zaak tijdelijk waar te nemen en alleen te doen wat nodig was: dit houdt
in dat niet proactief wordt gehandeld, maar alleen op signalen wordt
gereageerd en dan te doen wat eventueel nodig is (zoals verlenging van een ots).
In januari 2003 wordt duidelijk dat de zaak bij de tweede gezinsvoogd blijft.
De overdracht bestond uit het overdragen van het dossier. Nadere toelichting
is niet gegeven. In mei 2004 is er een wisseling van teamleiders. Er is
telefonisch overleg geweest tussen deze twee teamleiders over de algemene
werkwijze van BJZ/jb, maar casuïstiek is niet besproken. De teamleider heeft
zich n.a.v. de melding van het AMK in mei 2004 verdiept in deze specifieke
casus door zich door de gezinsvoogd in te laten lichten. Hij heeft het dossier
niet ingezien. Hij verklaart dat hij dit niet als zijn rol ziet. Extern Algemeen Bij dit BJZ/jb is het
gebruikelijk om een zaak zo snel als mogelijk over te dragen aan een ander BJZ
wanneer een cliënt verhuist naar een andere regio. Hierbij wordt als
belangrijk criterium gehanteerd of het cliëntsysteem de overdracht op dat
moment aan kan, of er voldoende rust is in de zaak. Deze casus Gedurende
vrijwel de hele periode dat het BJZ met het toezicht op deze cliënt belast
was, is er sprake van een extra belasting van de gezinsvoogd door het
buitenregionale karakter van de zaak. Voor alle huisbezoeken en
hulpverleningsoverleggen werd meer gereisd dan in een regionale zaak. In een
situatie van lange reistijden krijgt een gezinsvoogd geen extra tijd
(verlaging van de caseload). Dit was voor deze casus niet anders. Vanwege de
extra reistijd was deze casus volgens de gezinsvoogd kandidaat om over
gedragen te worden naar een ander BJZ. In februari 2002 is de v-ots
uitgesproken. S wordt uit huis geplaatst tot en met juli 2002. Tijdens deze
uithuisplaatsing verhuist moeder naar een andere regio. Die verhuizing heeft
niet tot gevolg dat overdracht naar het BJZ voor die regio plaatsvindt. Op
meerdere momenten is er overleg over een overdracht naar een ander BJZ. Dit is
in het dossier voor het eerst aan de orde in april 2002, wanneer de Raad voor
de Kinderbescherming vraagt of er geen andere gezinsvoogdij-instelling moet
komen. De gezinsvoogd laat hierop weten dat er intern overleg is geweest en
het hen niet verstandig lijkt om op dit moment verandering in de
gezinsvoogdij-instelling te bewerkstelligen. Als S. naar huis gaat, wordt de
casus niet overgedragen aan een ander BJZ. De gezinsvoogd geeft aan dat de
veranderingen voor moeder op dat moment te groot zijn, om ook nog eens een
nieuwe gezinsvoogd op de zaak te zetten. Bij de overdracht wegens ziekte naar
een andere gezinsvoogd (december 2002) is niet bekend of op dat moment
overdracht naar een ander BJZ is overwogen. Overwegingen omtrent interne of
externe overdracht zijn niet aangetroffen. In het dossier is voorts in januari
2003 melding gemaakt van overdracht. In het teamoverleg wordt besproken dat
overdracht zal plaatsvinden als er rust is in de zaak. Moeder wordt eind
januari tijdens een huisbezoek voorbereid op een mogelijke overdracht naar een
ander BJZ. In de formele rapportage en het hulpverleningsoverleg van februari
2003 is ook sprake van overdracht. In maart 2003 is het onderwerp besproken in
een teamoverleg. Vermeld staat: S. overdragen naar andere voogdij-instelling.
Later nogmaals: Moet overgedragen worden – zorgelijke situatie. Na april
2003 komt overdracht niet meer (zichtbaar) aan de orde tijdens huisbezoeken,
teambesprekingen, hulpverleningsoverleggen of in formele rapportages.
Mondeling is toegelicht dat er op een bepaald moment wel rust was in de zaak,
maar overdracht niet plaatsvond wegens de werkbelasting die een formele
overdracht aan een ander BJZ met zich meebrengt (rechtbank-procedure). In mei
2004 heeft een bij het gezin betrokken regionale instantie nog gevraagd naar
overdracht van deze zaak. De gezinsvoogd erkende destijds dat dit eigenlijk
wel zou moeten. Overdracht naar het BJZ in de regio van de moeder heeft nooit
plaatsgevonden. 3 Inzet van andere deskundigen Algemeen In een situatie van specifieke
problematiek bij cliënten kan het BJZ/jb externe deskundigen consulteren. Deze casus Bij de start van de
hulpverlening is bekend dat moeder lijdt aan ernstige problematiek die
implicaties heeft voor haar opvoedingsmogelijkheden. Op verschillende momenten
is door andere bij de casus betrokken hulpverleners aan de gezinsvoogd kenbaar
gemaakt dat de problematiek van moeder mogelijk van invloed is op de wijze
waarop moeder omgaat met de hulpverlening. Beide gezinsvoogden hebben
verklaard geen specifieke deskundigheid te bezitten op het gebied van de
ernstige problematiek van moeder. BJZ/jb heeft er niet voor gezorgd dat een
beroep is gedaan op de mogelijkheid van consult bij de externe deskundigen van
BJZ om de consequenties van die problematiek voor de hulpverlening in deze
zaak in te schatten. BJZ noemt het consultatiebureau als belangrijke bron voor
informatie over de ontwikkeling van S. Eenmaal neemt BJZ/jb het initiatief om
samen met moeder het consultatiebureau te bezoeken. Uit het contactjournaal
blijkt verder niet dat BJZ/jb op eigen initiatief informatie heeft ingewonnen
bij het consultatiebureau. Het consultatiebureau heeft zelf contact opgenomen
en concrete zorgen geuit over de ontwikkeling van S. In hoeverre er verder
sprake is van consult van andere deskundigen wordt niet duidelijk. B Uitvoering ots in deze casus Dit onderdeel gaat over de
werkzaamheden die BJZ/jeugdbescherming heeft uitgevoerd: is duidelijk aan
welke doelen is gewerkt en door wie? Hoe heeft BJZ/jeugdbescherming de hulp
van andere instanties afgestemd en aangestuurd? En hoe is ervoor gezorgd dat
de veiligheid van S. niet langer werd bedreigd? De informatie is ingedeeld
naar acht opeenvolgende periodes in de hulpverlening. De eerste periode
betreft een beknopte weergave van de start van de hulpverlening aan S. De
overige periodes zijn onderverdeeld naar: · doelgericht werken; · zorg voor hulp en steun: de
regie; · toezicht op de minderjarige:
het wegnemen van de bedreiging; · het bevorderen van de
gezinsband tussen de met het gezag belaste ouder en de minderjarige. Per periode is kort aangegeven
waar het in die tijd om gaat. 1 Periode februari 2002 –
april 2002 In deze periode wordt een v-ots
uitgesproken en wordt S. uit huis geplaatst. De Raad voor de Kinderbescherming
doet onderzoek naar aanleiding van een melding bij het AMK en oordeelt dat een
ots noodzakelijk is. S. wordt in februari 2002 door de Kinderrechter geplaatst
in een crisisopvang. Tegelijkertijd wordt S. voorlopig onder toezicht
geplaatst van de afdeling jeugdbescherming van een Bureau Jeugdzorg. Dit is
gebeurd op verzoek van de Raad voor de Kinderbescherming die een melding heeft
gekregen via het Advies- en Meldpunt Kindermishandeling. De Raad voor de
Kinderbescherming heeft vervolgens onderzoek gedaan en adviseert de
Kinderrechter om S. onder toezicht te stellen. In het advies geeft de Raad aan
dat de moeder van S. zonder hulp voor haar eigen problematiek niet zelfstandig
voor het kind kan zorgen. In de periode voorafgaand aan de v-ots is er sprake
van bemoeienis met het gezin ten behoeve van S. omdat de opvoedingslast erg
groot was voor moeder. De betreffende voorziening voor vrijwillige basiszorgcoördinatie
bij kinderen van ouders met specifieke problemen, hierna te noemen voorziening
A, heeft melding gedaan bij het AMK. De voorziening is naar eigen zeggen niet
door de Raad voor de Kinderbescherming als informant gehoord. Bij de start van
de hulpverlening door BJZ/jb is deze voorziening zoals gebruikelijk gestopt
met de werkzaamheden in het gezin. 2 Periode april 2002 – juni
2002. Deze periode begint met een
hulpverleningsplan en eindigt bij de evaluatie van de hulp in juni 2002. S.
verblijft in deze periode in de opvangvoorziening. In het hulpverleningsplan
worden voorwaarden geformuleerd waaraan moet zijn voldaan voordat S. kan
worden thuisgeplaatst. Om hulpverleningsdoelen te bereiken en daarmee te
voldoen aan de voorwaarden voor thuisplaatsing is de inzet van meerdere
soorten hulpverleningsinstanties in het plan genoemd. Doelgericht werken De procesmatige hulpverlening
start met een hulpverleningplan v-ots, d.d. 8 april 2002. In dit plan worden
voorwaarden voor de thuisplaatsing van S. genoemd. Deze voorwaarden staan
opgenomen als korte termijn doelen voor de hulpverlening: 1. Het is duidelijk of S. na beëindiging
van de crisisopvang weer bij moeder kan wonen; 2. Het is duidelijk welke hulp
moeder nodig heeft voor zichzelf; 3. Moeder accepteert hulp voor
zichzelf; 4. Het is duidelijk welke hulp
moeder nodig heeft om de opvoeding van S. op zich te nemen; 5. Moeder accepteert hulp bij de
opvoeding van S.; 6. Het is duidelijk of een
regionale voorziening hulp in huis kan starten. Verder moet moeder contact
hebben met het consultatiebureau en moet de nieuwe woning op orde zijn. De lange termijn doelen zijn: 1. S. woont op een veilige
stabiele plek, waar ze zich goed kan ontwikkelen 2. Moeder blijft hulp accepteren
voor haar eigen problemen 3. Moeder blijft hulp accepteren
rondom de opvoeding van S. Het plan noemt als middelen om
de doelen te bereiken: de voorziening waar S. verblijft, ggz, een voorziening
die hulp in huis biedt, hierna te noemen voorziening B, en het
consultatiebureau. BJZ/jb heeft 1 x per 2 weken contact met
moeder. Zorgen voor hulp en steun: de
regie Aan de korte termijn
doelen/voorwaarden voor terugplaatsing van S. naar huis wordt door
verschillende organisaties gewerkt. De voorziening die S. opvangt, observeert
de ontwikkeling van S., de manier waarop moeder met S. omgaat en de
mogelijkheden van moeder om aanwijzingen met betrekking tot de zorg voor S. te
accepteren. De gezinsvoogd van BJZ/jb heeft hierover regelmatig contact met de
voorziening. Deze rapporteert dat moeder haar best doet, maar het moeilijk
vindt aanwijzingen te accepteren bij de opvoeding van S. Het contactjournaal
meldt een aantal telefoongesprekken met de ggz. Ook is er een
gemeenschappelijk overleg tussen de gezinsvoogd, de voorziening waar S.
verblijft en de ggz. De ggz is positief over de inzet van moeder, maar
geeft aan vraagtekens te hebben over de mogelijkheden van moeder. Waaruit de
begeleiding door de ggz precies bestaat wordt uit het dossier van BJZ/jb niet
duidelijk. Het contactjournaal vermeldt dat de ggz er niet is voor S. De
gezinsvoogd verklaart desgevraagd tegenover de inspectie dat de ggz er was
voor moeder. Uit de samenwerking met de Inspectie voor de Gezondheidszorg
blijkt dat moeder op verschillende gebieden begeleiding van de ggz kreeg. Er
zijn twee ggz-functies bij moeder thuis ingezet: hulp bij praktische zaken en
begeleiding op verzoek van moe der om voorwaarden voor zinvolle hulp thuis te
creëren. Betrokkenheid van de ggz met de opvoeding van S. hield moeder af.
Moeder maakte zelf een scherp onderscheid tussen wie er voor wat was. Een paar
weken voordat S. wordt thuisgeplaatst start de hulp thuis door voorziening B.
Waaruit de begeleiding precies bestaat wordt uit het dossier van BJZ/jb niet
duidelijk. Voorafgaand aan de thuisplaatsing van S. heeft BJZ/jb meerdere
keren telefonisch contact met deze organisatie. Het contactjournaal geeft aan
dat deze meldt dat moeder zich inzet en dat het soms goed gaat, soms minder.
Desgevraagd wordt door de gezinsvoogd verklaard dat deze hulp er was voor het
kind. De samenwerking met de Inspectie voor de gezondheidszorg levert op dat
de geïndiceerde zorg van voorziening B. bestemd is voor moeder (4 dagen per
week, gedurende anderhalf uur) en dat de doelen van BJZ/jb niet zijn
meegenomen in de indicatie. Toezicht op de minderjarige: het
wegnemen van de bedreiging Waaruit de bedreiging van S.
destijds feitelijk precies heeft bestaan, is in het dossier van BJZ/jb niet
aangetroffen. Wel is er afgeleide informatie over de melding bij het AMK in
het rapport van de Raad voor de Kinderbescherming, waaruit blijkt dat het gaat
om ondervoeding en verwaarlozing, vermoedens van mishandeling, ontbrekende
pedagogische vaardigheden en het niet willen aannemen van aanwijzingen met
betrekking tot de verzorging en opvoeding van S. In de stukken van BJZ/jb zelf
wordt geen concrete bedreiging genoemd. Bij de beslissing over thuisplaatsing
van S. betrekt BJZ/jb de informatie van de opnemende voorziening en het feit
dat er hulp in huis is georganiseerd. Bij thuisplaatsing is niet duidelijk of
aan de voorwaarden, die gesteld zijn in het hulpverleningsplan, is voldaan.
Het dossier bevat geen afwegingen die BJZ/jb in dit kader heeft gemaakt. Het bevorderen van de gezinsband
tussen de met het gezag belaste ouder en de minderjarige BJZ/jb zet de voorziening waar
S. verblijft in om de band tussen moeder en kind te observeren en verbeteren.
In het hulpverleningsplan zijn geen doelen geformuleerd die speciaal zijn
gericht op het bevorderen van de gezinsband. Tijdens haar verblijf in de
crisisopvang wordt S. door moeder bezocht. De gezinsvoogd begeleidt de moeder
een aantal keren bij deze bezoeken. Tussen BJZ/jb en moeder is een regelmatig
contact. Vaak telefonisch, maar ook eenmaal op het kantoor van BJZ en eenmaal
in moeders nieuwe woning. 3 Periode juni 2002 – januari
2003 Deze periode start met de
halfjaarlijkse rapportage van juni 2002 en eindigt met de overdracht van de
zaak eind december 2002 aan een nieuwe gezinsvoogd. BJZ/jb beslist dat S.
terug naar huis mag. Aanvankelijk komen de twee hulpverlenende instanties
samen vrijwel alle werkdagen in het gezin, maar dit verandert na korte tijd.
Vanaf de thuisplaatsing van S. geeft de ggz signalen af dat er zorgen zijn
over S. Voorziening B. is van mening dat het na wijziging van het bezoekschema
juist goed gaat. Door BJZ/jb wordt geen actie ondernomen naar aanleiding van
de signalen. Afwegingen in verband daarmee zijn niet in het dossier
aangetroffen. De gezinsvoogd wordt in november 2002 ziek. Doelgericht werken Begin juni 2002 wordt er door
BJZ/jb gerapporteerd in het kader van de ots. In deze rapportage wordt
beschreven dat de huidige situatie (S. dan nog uit huis) optimaal is. De
doelen zijn nog hetzelfde. Wel wordt aangegeven dat op korte termijn een
einddatum van de uithuisplaatsing zal worden bepaald. De rapportage bevat een
beschrijving van de stand van zaken op dat moment, maar evalueert het vorige
hulpverleningsplan niet. Inhoudelijke afwegingen worden niet aangetroffen. Of
er met betrekking tot de gestelde kortetermijndoelen informatie is opgevraagd
bij de twee hulpverleningsinstanties die door BJZ/jb zijn ingezet (de ggz en
voorziening B.), en op welke wijze hun informatie is afgewogen is niet
zichtbaar. In dit rapport beschrijft BJZ/jb de korte termijndoelen voor de
komende periode: 1. Einddatum crisisplek is
bepaald; 2. Er is een concreet plan tot
thuisplaatsing van S.; 3. S. woont weer thuis; 4. Indicatie voorziening B is
afgegeven; 5. Voorziening B is gestart; 6. M. heeft professionele hulp
voor zichzelf; 7. M. blijft hulp accepteren bij
opvoeding van S. Twee doelen uit het eerste
hulpverleningsplan staan nu net iets anders geformuleerd: “Het is duidelijk
welke hulp moeder nodig heeft en die accepteert zij ook…” en “Het is
duidelijk wat moeder nodig heeft bij de opvoeding van S,…”. Afwegingen met
betrekking tot wat moeder nodig heeft, zijn niet aangetroffen in de
rapportage. De lange termijn doelen en de activiteiten die BJZ/jb gaat
ondernemen om de doelen te bereiken zijn hetzelfde gebleven als in het plan
van april 2002. Zorgen voor hulp en steun: de
regie In de periode na de
thuisplaatsing tot januari 2003 heeft BJZ/jb telefonisch contact met de ggz en
voorziening B en éénmaal een gemeenschappelijk overleg begin oktober 2002.
In het dossier wordt aangegeven dat er verschillend wordt gedacht door de twee
ingezette hulpverleningsinstanties. In welk opzicht dat is, is niet genoteerd,
noch zijn er af wegingen hieromtrent aangetroffen. Van regie door BJZ/jb, in
de zin van verzoeken om bepaalde activiteiten of interventies blijkt niet. De
gezinsvoogd heeft desgevraagd verklaard, dat zij de eerste periode na de
thuisplaatsing beschouwde als een proefperiode om te kijken of S. thuis zou
kunnen blijven wonen. Zij was van plan de thuisplaatsing te evalueren in
verband met de verlenging ots begin 2003. De afwegingen zouden lastig zijn
geworden, omdat er naast zorgmeldingen ook positieve berichten waren. Volgens
het contactjournaal geeft de ggz in bovengenoemde periode in totaal 6 keer aan
dat zij zorgen heeft, de eerste maal kort nadat S. weer is thuisgeplaatst. De
inhoud van de zorgen is meestal niet beschreven. De paar maal dat dit wel
gebeurt, staat vermeld dat er zorgen zijn over het welzijn van S. en over de
mogelijkheden van de moeder. Meermaals staat beschreven dat moeder geen
aanwijzingen wil accepteren. Afwegingen van BJZ/jb hieromtrent zijn niet
aangetroffen. Uit het dossier blijkt niet dat BJZ/jb de signalen heeft
gecontroleerd en besproken met moeder. Uit de samenwerking met de Inspectie
voor de Gezondheidszorg blijkt dat de ggz in deze periode praktische hulp in
het gezin verleent. Afhankelijk van de situatie kwam zij regelmatig op
huisbezoek. Als het rustig was: 1 maal een uur per twee weken. De andere
ggz-functie werd in deze periode niet in het gezin ingezet. In december 2002
gaat deze voor het eerst weer op huisbezoek. Volgens het contactjournaal heeft
BJZ/jb in deze periode weinig contact gehad met voorziening B. De informatie
over de contacten is zeer summier. Het contact van deze voorziening met moeder
verloopt goed. De voorziening laat BJZ/jb weten dat zij langer en minder vaak
bij moeder langsgaat. Verder staat genoteerd in november dat de zorgen van de
ggz niet door deze voorziening worden gedeeld. Uit de samenwerking met de
Inspectie voor de Gezondheidszorg komt naar voren dat de verstandhouding van
voorziening B. met moeder verbeterde toen het bezoekschema werd veranderd:
minder bezoek, wel gespreid over de week, met een specifiek doel per bezoek,
een bezoek voor moeder en een lang bezoek voor moeder samen met S., aangevuld
met een belcontact. Voorziening B. geeft aan dat moeder tijdens deze bezoeken
aanwijzingen en uitleg accepteerde. Hoewel BJZ/jb in het hulpverleningsplan
het consultatiebureau noemt als in te zetten middel, blijkt uit het dossier
niets van onderling contact. Wel staat eenmaal vermeld dat moeder aangeeft dat
het consultatiebureau tevreden is over de ontwikkeling van S. Uit de
samenwerking met de Inspectie voor de Gezondheidszorg blijkt dat het
consultatiebureau in deze periode niet op de hoogte is van het feit dat een
BJZ/jb is belast met het toezicht op S. Het consultatiebureau is in deze
periode 1 keer door moeder bezocht. Toezicht op de minderjarige: het
wegnemen van de bedreiging Medio juni 2002 bepaalt het BJZ/jb
dat S. eind juli weer naar huis mag. Op 9 juli 2002 wordt de einddatum voor de
uithuisplaatsing vastgesteld. De uithuisplaatsing zou op 20 augustus aflopen.
In de beschikking van het BJZ/jb staat alleen in algemene zin vermeld dat aan
de voorwaarden voor de thuisplaatsing van S. is voldaan door moeder. Een
afweging of en in hoeverre er op dat moment aan de voorwaarden om te komen tot
thuisplaatsing is voldaan, ontbreekt in het dossier en in de verslagen. Niet
zichtbaar is of de beslissing om S. naar huis te laten gaan intern met
collega’s, leidinggevenden of multidisciplinair is besproken. De beslissing
om S. terug te plaatsen bij moeder, wordt niet aan de Raad voor de
Kinderbescherming gemeld. BJZ/jb is op de hoogte van de eis dat beslissingen
om een ots niet te verlengen dan wel een uithuisplaatsing te beëindigen ter
toetsing aan de Raad voor de Kinderbescherming moeten worden gemeld. De
medewerkers verklaren echter dat de betreffende raadsvestiging deze taak niet
uitvoert wegens gebrek aan tijd en geld. BJZ meldde dergelijke beslissingen
derhalve niet meer aan de Raad. De Raad voor de Kinderbescherming heeft
bevestigd dat op 6 januari 2003 aan het betreffende Bureau Jeugdzorg is
gecommuniceerd dat de toetsende taak niet meer wordt uitgevoerd. In deze zaak
was melding aan de Raad de orde in juli 2002, dus voor 6 januari 2003. Door de
Raad is verklaard dat de beslissing beëindiging uithuisplaatsing in deze
casus niet aan de Raad is gemeld, maar dat deze vestiging van de Raad in die
tijd nog wel toetste. Nadat het kind weer thuis woont, gaat de gezinsvoogd in
2002 driemaal op huisbezoek, om te beginnen direct na terugplaatsing eind
juli. Ook zijn er enkele telefonische contacten met moeder. De huisbezoeken
vinden plaats met tussenpozen van vier tot zes weken tot begin oktober, daarna
in 2002 niet meer. Het contactjournaal vermeldt zeer summiere informatie over
de huisbezoeken. Wat er besproken is, wordt niet duidelijk. Of er gesproken is
over de zorgsignalen die bij BJZ/jb binnenkomen, is niet genoteerd. Of er
verder actie is ondernomen naar aanleiding van deze signalen is eveneens niet
zichtbaar. Hoe de huisbezoeken zijn ingezet om de doelen te bereiken, wordt
niet duidelijk. Begin november wordt de gezinsvoogd ziek. Wanneer half
december de voorziening, waar S. was opgenomen, belt met zorgen, is er geen
vervanging voor de zieke gezinsvoogd. De inhoud van de zorgen wordt niet
genoteerd en er volgt geen actie. Het bevorderen van de gezinsband
tussen de met het gezag belaste ouder en de minderjarige De gezinsvoogd bezoekt moeder en
S. drie keer en noteert steeds over het contact tussen S. en haar moeder. Door
de inzet van voorziening B. wordt aan de band tussen moeder en kind gewerkt. 4 Periode januari 2003 -
februari 2003 Deze periode start met de nieuwe
gezinsvoogd en eindigt bij de jaarevaluatie in verband met de verlenging van
de ots. De nieuwe gezinsvoogd krijgt begin januari 2003 direct te maken met
zorgen van beide ingezette hulpverleningsinstanties over S. De gezinsvoogd
gaat tweemaal op huisbezoek. BJZ/jb onderneemt geen actie naar aanleiding van
de signalen. Begin 2003 start een nieuwe gezinsvoogd haar werkzaamheden in het
kader van de ondertoezichtstelling van S. Op 5 februari 2003 wordt er een
verlenging van de ots gevraagd. Zorgen voor hulp en steun: de
regie In januari 2003 is er twee keer
gemeenschappelijk overleg met de ggz en voorziening B. De twee
hulpverleningsinstanties leveren informatie. Ditmaal geven beiden aan zorgen
te hebben. Deze zorgen staan in het contactjournaal beschreven, het betreft
zorgen omtrent de voeding van S., houding van moeder naar S., straffen door
moeder en het feit dat de moeder geen aanwijzingen van derden kan velen. De
hulpverleners dringen bij BJZ/jb aan op plaatsing van S. in een Medisch
Kinderdagverblijf (MKD). Desgevraagd verklaart de gezinsvoogd aan de inspectie
dat de twee hulpverleners beiden zorgen hadden, maar de een meer dan de ander.
Voorziening B. stelde dat moeder leerbaar was en dat het wel goed zou komen.
De ggz wees erop dat zij zich zorgen bleef maken over S. die te maken hadden
met de specifieke problematiek van moeder. De gezinsvoogd heeft beiden
aangehoord. Zij kende moeder nog niet en wilde de situatie eerst helder
krijgen. Toezicht op de minderjarige: het
wegnemen van de bedreiging In de twee gemeenschappelijke
overleggen geven de twee betrokken hulpverleners zorgsignalen af aan BJZ/jb,
die toezegt de mogelijkheid van kinderopvang te onderzoeken. Of dit ook
gebeurt, is in het dossier niet zichtbaar. De gezinsvoogd gaat, doordat moeder
bij een eerdere afspraak verhinderd is, eind januari 2003 voor het eerst op
huisbezoek. Dit bezoek verloopt niet goed. Een tweede gesprek, 2 dagen later
verloopt beter. In het contactjournaal staat vermeld dat moeder heeft
verklaard dat zij de tweede gezinsvoogd wel ziet zitten. Hoe de gesprekken
zijn ingezet om de doelen te bereiken is niet duidelijk. Of er tijdens dit
gesprek met moeder gesproken is over de zorgsignalen die bij BJZ/jb
binnenkomen, is niet genoteerd. Of er verder actie is ondernomen naar
aanleiding van deze signalen is eveneens niet zichtbaar. Het bevorderen van de gezinsband
tussen de met het gezag belaste ouder en de minderjarige De gezinsvoogd gaat in deze
periode tweemaal op huisbezoek. Zij is bij haar eerste twee bezoeken vooral
bezig het vertrouwen van de moeder te winnen. Door de inzet van voorziening B.
wordt aan de band tussen moeder en kind gewerkt. 5 Periode februari 2003 -
september 2003 Deze periode start met de
jaarevaluatie in februari 2003 en eindigt bij de halfjaarlijkse rapportage in
september 2003. De inzet van de ggz en voorziening B. blijven volgens de
jaarevaluatie noodzakelijk voor het bereiken van de doelen. Half februari komt
er een melding van het AMK binnen, deze leidt niet tot actie van BJZ/jb. In
maart 2003 wil moeder geen begeleiding meer door de ggz, zij stopt ermee. In
april en juni neemt moeder deel aan het gemeenschappelijk overleg met de
gezinsvoogd, de ggz en voorziening B. BJZ/jb en voorziening B vinden dat
moeder groeit door het gemeenschappelijk overleg. In juni is er sprake van een
onrustige thuissituatie, die uiteindelijk escaleert. Doelgericht werken In de jaarevaluatie d.d. 20
februari 2003 worden de doelen uit de vorige planperiode geëvalueerd. Niet
alle doelen, zoals het accepteren van hulp bij de opvoeding van S. en de
doelen voor de lange termijn, worden nagelopen. De voorwaarden voor de
thuisplaatsing worden wel nagelopen. Aan deze voorwaarden wordt echter niet
volledig voldaan. Hieraan worden geen (zichtbare) consequenties verbonden.
Over de veiligheid van S. wordt overwogen: “Ondanks dat er zorgen zijn
rondom de opvoeding van S., moeder nog zeer wisselend gestemd is, de
draagkracht van moeder nog te zwak is, de weerstand op vrijwillige
hulpverlening te groot is en de pedagogische mogelijkheden nog niet voldoende
zijn, is de inschatting dat de situatie toch veilig genoeg is om S. thuis te
laten wonen”. Op basis waarvan de inschatting wordt gemaakt dat het veilig
genoeg is om S. thuis te laten wonen, is niet vermeld. De gronden voor de ots
zijn nog wel aanwezig. Als doelen voor de volgende periode worden nu
geformuleerd: 1. S. kan zich positief en
leeftijdsadequaat ontwikkelen in een veilige en stabiele omgeving; 2. M. draagt zorg voor dat S.
contact heeft met andere kinderen; 3. M. zorgt voor vast dagritme
S. voor eten en slapen; 4. Voortzetting inzet
voorziening B; 5. Voortzetting inzet ggz; 6. Bureau Jeugdzorg neemt
contact op met het consultatiebureau; 7. M. heeft hulp voor eigen
problemen. Onder de kop: wat is er nog meer
nodig, staat de aanmelding van S. bij een peuterspeelzaal genoemd. Dit kan een
positieve bijdrage leveren aan de ontwikkeling van S. Zij leert dan met andere
kinderen spelen. Genoteerd wordt dat de ggz en voorziening B. een verschillend
beeld hebben van de mogelijkheden van moeder om S. op te voeden. Hun inzet
blijft een noodzakelijk middel voor BJZ/jb. Aangegeven is dat de gezinsvoogd
eens per 4 weken op huisbezoek gaat en eens per 4 weken een gemeenschappelijk
overleg zal organiseren. Zorgen voor hulp en steun: de
regie Uit het dossier blijkt dat er in
deze periode driem aal een gemeenschappelijk overleg is geweest met ggz en
voorziening B, waarvan de laatste tweemaal in aanwezigheid van de moeder. Het
laatste overleg in deze periode vindt plaats begin juni. Het contactjournaal
is summier in de beschrijving wat er in de overleggen is besproken. Het
contactjournaal bericht onder meer dat moeder geen ggz -begeleiding meer wil.
Concrete afspraken uit het gemeenschappelijk overleg worden niet in het
contactjournaal genoteerd. De tweede gezinsvoogd verklaart tegenover de
inspectie dat beide hulpverleners zich mede moesten richten op de problematiek
van moeder, zij mochten zich met alles bemoeien en ook uitleggen waarom.
Moeder hield iedere hulpverlener aanvankelijk op het eigen domein, maar later
niet meer. Dit was, volgens de gezinsvoogd, het gevolg van het feit dat moeder
bij het gemeenschappelijk overleg werd betrokken. Ook voorziening B was
positief over de effecten van het gemeenschappelijk overleg. Het
contactjournaal vermeldt dat moeder in maart BJZ/jb belt dat zij de ggz de
deur heeft uitgezet, omdat deze zich met teveel bemoeit. Bij het daarop
volgend gemeenschappelijk overleg herhaalt moeder dat zij geen ggz
-begeleiding meer wil. Het contactjournaal geeft aan dat BJZ/jb gaat kijken
wat er mogelijk is. Ondanks dat er geen ggz - begeleiding meer bij moeder
binnen komt, is de ggz nog wel bij de twee laatste gemeenschappelijke
overleggen aanwezig. De samenwerking van de inspectie met de Inspectie voor de
Gezondheidszorg levert op dat moeder met toestemming van BJZ/jb met de hulp
van de ggz is gestopt. Wellicht is te zijner tijd de draad weer op te pakken.
Dit lukt pas in 2004 na de geboorte van de baby. Uit het contactjournaal
blijkt dat het consultatiebureau eind maart 2003 voor het eerst contact
opneemt met BJZ/jb. Het consultatiebureau heeft zorgen en geeft aan dat moeder
informatie van het consultatiebureau weigert. De samenwerking met de Inspectie
voor de Gezondheidszorg levert de volgende informatie op. Moeder was bij het
eerste contact in 2002 weinig informatief over S. en gaf geen antwoord op
standaard vragen. Omdat het consultatiebureau twijfels had, werd besloten S.
niet eenmaal per jaar op te roepen maar driemaal. Verder accepteerde moeder
geen passende specifieke informatie ten behoeve van S. en er waren zorgen over
de beperkte pedagogische competenties van moeder. Het consultatiebureau is in
deze periode zelf op zoek gegaan naar informatie, onder meer bij de vestiging
van de Raad voor de Kinderbescherming voor de regio. Uiteindelijk werd begin
2003 duidelijk dat er een ots was. Uit de schriftelijke informatie van de Raad
voor de Kinderbescherming blijkt dat het huidige automatiseringssysteem
beperkt is tot het kunnen inzien van gegevens op vestigingsniveau. Het is dus
niet mogelijk om uit het systeem te halen of een andere vestiging bemoeienis
heeft (gehad) met een bepaald gezin, zoals in deze casus het geval was. Met
ingang van 1 juli 2006 beschikt de Raad over een nieuw automatiseringssysteem
waarmee elke eerdere raadsbemoeienis met een bepaald gezin zichtbaar wordt. Toezicht op de minderjarige: het
wegnemen van de bedreiging Half februari 2003 belt het AMK
het BJZ/jb dat er een melding is binnengekomen over moeder en S. De
gezinsvoogd is dan niet bereikbaar. Twee weken later belt de gezinsvoogd het
AMK; het contactjournaal geeft aan dat gemeld is dat er veel geschreeuw wordt
gehoord, maar dat S. nooit gezien wordt. Het contactjournaal geeft aan dat de
melding in het gemeenschappelijk overleg op diezelfde dag is besproken. Wat er
over de melding is afgewogen en besloten is niet genoteerd. Of de melding bij
het huisbezoek is besproken, eveneens op diezelfde dag, is niet genoteerd. In
het contactjournaal staat over dit huisbezoek aangegeven dat het goed gaat met
S. en dat het contact tussen moeder en kind goed is. Na dit huisbezoek eind
februari gaat de gezinsvoogd nog driemaal op huisbezoek, met tussenpozen van
4, 12 en 14 weken. In de laatste twee langere periodes vindt wel een
gemeenschappelijk overleg plaats bij moeder thuis. Het laatste huisbezoek in
deze periode is kort voor de halfjaarlijkse rapportage in september. In de
tussenperiode van 14 weken is er ook telefonisch contact waarin de moeder
aangeeft in een onrustige periode te zitten. Over de eerste twee huisbezoeken
staat in het contactjournaal vermeld dat het goed gaat met S. en met het
contact tussen moeder en S, zij het dat bij het tweede bezoek over problemen
wordt gesproken. Over het derde huisbezoek staat vermeld dat het minder goed
gaat: de problemen zijn geëscaleerd. Moeder zegt over S. dat S. opstandig en
dwars is en straf heeft. Hoe de huisbezoeken zijn ingezet om de doelen uit de
jaarevaluatie te bereiken wordt niet uit het dossier duidelijk. Het bevorderen van de gezinsband
tussen de met het gezag belaste ouder en de minderjarige Uit het dossier blijkt dat BJZ/jb
de gezinsband vooral bevorderde door de inzet van voorziening B. 6 Periode september 2003 tot
januari 2004 Deze periode start met de
halfjaarlijkse rapportage in september 2003 en eindigt met de jaarevaluatie in
januari 2004. De thuissituatie is gewijzigd door een nieuwe relatie en de
zwangerschap van moeder. BJZ/jb constateert dat moeder druk en onrustig is. De
hulp in huis wordt in deze periode afgebouwd, omdat de voorziening het goed
vindt gaan en moeder het thuis graag zonder inmenging wil doen. Het
consultatiebureau geeft aan dat S. een taalachterstand heeft en wil een
plaatsing in een kinderdagverblijf dat daarbij hulp kan bieden. Moeder wil dit
niet. Doelgericht werken Op 15 september 2003 is de
eerstvolgende halfjaarlijkse rapportage inzake de ots van S. Het betreft een
zeer korte rapportage. Dit hangt samen met een intern besluit van BJZ/jb dat
in verband met de hoge werkdruk de halfjaarlijkse rapportage achterwege
kon worden gelaten bij een enigszins stabiele gezinssituatie. De voortgang ten
aanzien van de gestelde doelen is niet te beoordelen op basis van deze
rapportage. Uit de rapportage blijkt dat de zorgen nog aanwezig zijn: het
consultatiebureau heeft geconstateerd dat S. onvoldoende is gegroeid, dat
moeder de neiging heeft problemen te bagatelliseren en geen noodzaak tot hulp
ziet. In de halfjaarlijkse rapportage van 15 september 2003 worden geen nieuwe
doelen voor de volgende hulpverleningsperiode gesteld. In de korte
halfjaarlijkse rapportage wordt aangegeven dat moeder uitgaat van haar eigen
behoeften en onvoldoende aansluit bij de behoeftes een tweejarige peuter. De
conclusie is dat toezicht noodzakelijk blijft. De ots heeft tot doel de
veiligheid te kunnen waarborgen, om structuur, rust en veiligheid te kunnen
continueren. Zorgen voor hulp en steun: de
regie In de periode september 2003 –
eind januari 2004 vinden twee gemeenschappelijke overleggen plaats tussen BJZ/jb,
voorziening B en moeder: in oktober en in december. Het contactjournaal is
zeer summier over de inhoud van deze overleggen. Over het eerste overleg staat
genoteerd dat het goed gaat met S. en dat moeder laat weten dat zij niet wil
dat S. naar een kinderdagverblijf gaat. Het tweede overleg is tevens het
afscheid van voorziening B. Er staat dat moeder dit jammer vindt, maar wil dat
BJZ/jb blijft. De ggz biedt in deze periode geen hulp. Uit de samenwerking van
de inspectie met de Inspectie voor de Gezondheidszorg komt naar voren dat
voorziening B vindt dat het in deze periode goed gaat met moeder. Moeder heeft
een nieuwe relatie. Moeder geeft aan dat zij het graag zelf wil doen zonder
inmenging. De hulp wordt afgebouwd. Voorziening B verklaart dat zij goede hoop
had dat het rustig zou blijven. Voor het geval het minder goed zou gaan was er
nog steeds BJZ/jb, die nog in het gezin kwam. Uit het contactjournaal blijkt
dat het consultatiebureau in deze periode eenmaal belt met BJZ/jb, nadat
moeder met S. op het bureau is geweest. Groei en hechting zijn goed, maar er
is een taalachterstand De samenwerking met de Inspectie voor de
Gezondheidszorg levert verder op dat moeder over de taalontwikkeling van S.
inadequate informatie gaf. Pogingen van het consultatiebureau moeder te
interesseren voor een peuterspeelzaal met aandacht voor taalontwikkeling
liepen op niets uit. Het consultatiebureau hoopte in BJZ/jb een medestander te
krijgen in de pogingen de achterstand van S. aan te pakken. BJZ/jb gaf aan dat
zij het met moeder zou bespreken. Toezicht op de minderjarige: het
wegnemen van de bedreiging In deze periode gaat de
gezinsvoogd tweemaal op huisbezoek: begin november (7 weken na het eerdere
huisbezoek) en eind januari (na 11 weken). Tussendoor is er begin december nog
een gemeenschappelijk overleg bij moeder thuis. Het contactjournaal is summier
over de bezoeken. Bij het huisbezoek in november blijkt dat moeder zwanger is
en staat genoteerd dat zij onrustig is. Over het tweede huisbezoek staat een
soortgelijke opmerking genoteerd. Moeder is akkoord met verlenging van de ots.
Hoe de huisbezoeken zijn ingezet om de doelen uit de halfjaarlijkse rapportage
te bereiken wordt niet uit het dossier duidelijk. Het bevorderen van de gezinsband
tussen de met het gezag belaste ouder en de minderjarige Uit het dossier blijkt dat BJZ/jb
deze gezinsband vooral bevorderde door de inzet van voorziening B. 7 Periode januari 2004 – mei
2004 Deze periode start met de
jaarevaluatie en eindigt met de geboorte van de baby in mei 2004. In deze
periode wordt geen hulp van andere hulpverleningsinstanties meer in het gezin
ingezet. De gezinsvoogd komt maandelijks op bezoek en noteert dat moeder
drukker en onrustiger is, S. tweemaal grote blauwe plekken heeft en dat moeder
erg boos is op het consultatiebureau. In deze periode geeft het
consultatiebureau meermalen signalen af dat het niet goed gaat met S.: er is
een taalachterstand van een jaar en er zijn twijfels aan de pedagogische
mogelijkheden van moeder. De gezinsvoogd bezoekt samen met moeder het
consultatiebureau. Moeder verklaart de blauwe plekken door vallen. De
gezinsvoogd van BJZ/jb ziet S. vaak vallen. Het consultatiebureau is van
mening dat de blauwe plekken het gevolg zijn van kindermishandeling. Moeder
vraagt en verkrijgt bij de huisarts naast een verwijzing voor onderzoek naar
de taalontwikkeling ook een verwijzing voor onderzoek naar het vallen. Doelgericht werken In de jaarevaluatie van 29
januari 2004 worden de doelen geëvalueerd en de resultaten benoemd. 1. S. kan zich positief en
leeftijdsadequaat ontwikkelen in een veilige en stabiele omgeving: S.
ontwikkelt zich positief, maar is achter qua spraakontwikkeling. Veel onrust
door partnerwisseling en zwangerschap. 2. M. draagt zorg voor dat S.
contact heeft met andere kinderen: moeder gaat regelmatig zwemmen met S en af
en toe naar een speeltuintje. 3. M. zorgt voor vast dagritme
S. voor eten en slapen: het dagritme is nog onvoldoende aanwezig. 4. Voortzetting inzet
voorziening B: deze is in december 2003 gestopt, omdat de doelen bereikt
waren. 5. Voortzetting ggz: deze is in
medio 2003 gestopt. 6. Gezinsvoogd neemt contact op
met het consultatiebureau: er is regelmatig contact tussen gezinsvoogd en
consultatiebureau. 7. M. heeft hulp voor eigen
problemen: heeft evenals ggz geen meerwaarde als hulpverlening voor moeder.
Moeders houding werkt contra. Wat de gevolgen zijn van het
niet bereiken van de gestelde doelen wordt niet in de rapportage beschreven.
BJZ/jb concludeert in dit rapport dat aan alle doelen is gewerkt of aandacht
is besteed, maar dat veel aandacht en bijsturing nodig blijft. Door alle
wijzigingen in het gezin is het nog niet gelukt moeder te motiveren om S. in
een kinderdagverblijf te plaatsen. Onder de kop ‘Wat er nog meer nodig is’
is genoteerd dat S. na de bevalling van de baby wordt aangemeld bij de
peuterspeelzaal. Over de veiligheid van S. staat genoteerd: met ondersteuning
en toezicht is het voldoende veilig, ondanks dat er zorgen zijn rondom de
opvoeding van S, de stemming van moeder en de draagkracht niet optimaal is.
BJZ/jb ziet groei in de pedagogische mogelijkheden van moeder. In de
jaarevaluatie wordt beschreven dat het de rol is van BJZ/jb om moeder te
ondersteunen in de opvoeding van S. Op grond waarvan BJZ/jb deze groei in
pedagogische mogelijkheden concludeert, wordt niet aangegeven. Als doelen voor de volgende
periode worden geformuleerd: 1. S. kan zich positief en
leeftijdsadequaat ontwikkelen in een veilige en stabiele omgeving; 2. M. draagt zorg voor dat S. in
staat wordt gesteld contact te hebben met andere kinderen en leeftijdsgenoten; 3. M. zorgt voor duidelijk en
vast dagritme S. voor eten en slapen; 4. Gezinsvoogd houdt contact met
consultatiebureau. Om deze doelen te bereiken zal
de gezinsvoogd eens per 4 weken op huisbezoek gaan en regelmatig bellen met
moeder. Zorgen voor hulp en steun: de
regie Omdat er geen hulpverleners meer
in het gezin actief zijn, vindt er geen gemeenschappelijk overleg meer plaats.
Wel is er in deze periode nog contact met het consultatiebureau. Uit het
dossier van BJZ/jb blijkt dat consultatiebureau in deze periode vier maal
contact opneemt. De eerste maal begin februari wanneer moeder met S. op het
consultatiebureau is geweest. Vervolgens belt zij de volgende dag opnieuw en
een maand later weer. Daarna volgt een bezoek van moeder aan het
consultatiebureau in aanwezigheid van de gezinsvoogd en vervolgens belt het
consultatiebureau na dit bezoek naar BJZ/jb. Het contactjournaal geeft aan dat
het consultatiebureau zich zorgen maakt over de taalachterstand van S. en de
weigering van de moeder om het kind naar de peuterspeelzaal te laten gaan.
Over de inhoud van andere zorgen van het consultatiebureau is het
contactjournaal weinig concreet: de zorg rond het gezin is aan de magere kant;
zorgen over een mogelijk isolement van S. Het contactjournaal meldt over het
derde telefoongesprek dat is aangedrongen op uithuisplaatsing van S. Uit de
samenwerking met de Inspectie voor de Gezondheidszorg komt de volgende
informatie naar voren. Het consultatiebureau meldt dat naar moeder toe de
taalachterstand is benut om de peuterspeelzaal bespreekbaar te maken. Als naar
moeder over de andere zorgen was begonnen, was het contact meteen beëindigd.
Naar BJZ/jb toe zijn de achterliggende zorgen wel besproken en is aangegeven
dat daarop toezicht moet komen. Het consultatiebureau geeft aan dat BJZ/jb
reageerde door aan te geven dat er wel voldoende toezicht was en dat BJZ/jb
meermaals meedeelde dat zij bezig was moeder te overtuigen van de noodzaak van
een peuterspeelzaal. Het consultatiebureau heeft tegenover de inspectie
aangegeven dat de specifieke deskundigheid niet werd erkend door BJZ/jb. Over
het bezoek samen met moeder naar het consultatiebureau geeft het
contactjournaal van BJZ/jb aan dat S. opvallend blauw in haar gezicht is.
Moeder zegt dat het door uitglijden komt. S. gedraagt zich leeftijdsadequaat.
Moeder is erg achterdochtig en houdt grote weerstand tegen de peuterspeelzaal.
Als alternatief wordt een test door een deskundige genoemd. De gezinsvoogd
verklaart over dit bezoek dat ersprake was van een conflict tussen het
consultatiebureau en moeder. Het consultatiebureau wilde dat S. naar een
peuterspeelzaal ging, omdat zij niet praatte. Dit was niet de ervaring van de
gezinsvoogd bij de huisbezoeken. Zij hoorde S. dan kletsen, babbelen en zag
haar contact maken. Moeder was eerlijk en open over hoe het met de opvoeding
van S. ging tegen BJZ/jb. Uit de samenwerking met de Inspectie voor de
Gezondheidszorg wordt duidelijk dat het consultatiebureau constateerde dat S.
een bont en blauw gezicht had, maar verder niet. S. bewoog zich normaal. Wat
bijzonder is voor een kind van haar leeftijd is dat zij het hele spreekuur van
meer dan een uur rustig op een stoeltje heeft zitten spelen. Het
consultatiebureau heeft tijdens het bezoek van moeder en gezinsvoogd over de
taalachterstand gesproken en meldde daarover dat moeder de taalachterstand
ontkende, waarbij de gezinsvoogd het voorstel van de peuterspeelzaal niet
steunde. Uiteindelijk kwam het consultatiebureau met een alternatief voorstel:
S. zou worden getest zodat de taalachterstand objectiveerbaar zou worden.
Moeder ging akkoord met een doorverwijzing. Het consultatiebureau bood aan de
verwijzing te regelen, maar moeder liet dat niet toe. Vervolgens is
afgesproken dat moeder zou laten weten of de verwijzing was gelukt. Het
consultatiebureau verklaart dat er meermaals naar moeder is gebeld over de
verwijzing en dat moeder daarover heel kwaad is geworden. Ook is nog eenmaal
met BJZ/jb gebeld om te zeggen dat de blauwe plekken het gevolg waren van
kindermishandeling, omdat dit een heel rustig kind was en geen brokkenpiloot.
Volgens het consultatiebureau deelde de gezinsvoogd het vermoeden van
kindermishandeling en zou zij moeder erop aanspreken. In het contactjournaal
van BJZ/jb is dit telefoongesprek wel genoteerd. Maar de mededeling van het
consultatiebureau dat er sprake was van kindermishandeling is daarin niet
terug te vinden. De gezinsvoogd verklaart desgevraagd tegenover de inspectie
dat ze S. tweemaal met flinke blauwe plekken zag. Zij heeft daarbij wel aan
kindermishandeling gedacht en moeder daarover aangesproken. Moeder zei dat de
blauwe plekken kwamen door uitglijden en vallen. De gezinsvoogd vond dit een
reële verklaring omdat zij S. vaak zag vallen tijdens het huisbezoek.
Opvallend was dat S. op haar tenen liep. Toezicht op de minderjarige: het
wegnemen van de bedreiging BJZ/jb krijgt in deze periode
van het consultatiebureau meerdere keren signalen dat het niet goed gaat met
S. Moeder stuurt BJZ/jb herhaaldelijk faxen, waarin zij afwisselend haar
tevredenheid en dan weer haar grote teleurstelling over BJZ/jb uit, omdat deze
zich zou laten beïnvloeden door het consultatiebureau. In deze periode gaat
de gezinsvoogd viermaal op huisbezoek met tussenpozen van ongeveer een maand
en eenmaal samen met moeder naar het consultatiebureau. Het contactjournaal is
summier over de inhoud van de bezoeken. Genoteerd wordt over het eerste
huisbezoek dat moeder verklaart dat er nog steeds problemen zijn en dat zij
druk ker en onrustiger is. S. heeft een enorm blauw oog. Over het tweede
huisbezoek wordt genoteerd dat moeder boos is over het consultatiebureau en
geen peuterspeelzaal wil. Verder staat genoteerd dat S. op bed ligt en dat er
veel verhalen zijn over vallen en blauwe plekken en dat BJZ/jb zich daarover
zorgen maakt. Over het derde huisbezoek wordt genoteerd dat moeder moe is,
boos op het consultatiebureau en wil verhuizen. Specifieke activiteiten om de
zorgen weg te nemen, zijn niet in het dossier terug te vinden. Hoe de
huisbezoeken zijn ingezet om de doelen uit de jaarevaluatie te bereiken wordt
niet uit het dossier duidelijk. De weigering van moeder om S. naar een
peuterspeelzaal te laten gaan, wordt door de gezinsvoogd ingebracht in het
casuïstiekteam. Van deze bespreking is een korte notitie gemaakt, waarin
staat dat een peuterspeelzaal alleen geadviseerd en niet verplicht kan worden.
Tegenover de inspectie verklaart de teamleider hierover dat het aan de
gezinsvoogd is om het overzicht te houden en te beslissen of er al dan niet
een plaatsing op een peuterspeelzaal moest worden doorgezet. Een aanwijzing
aan moeder geven is niet overwogen. Het acuut afdwingen was niet wenselijk op
dat moment vanwege de zwangerschap van moeder. De gezinsvoogd verklaart dat
moeder eerlijk en open was tegen haar over hoe het met de opvoeding van S.
ging. Er waren goede indrukken, maar er was ook sprake van een zwangerschap
die de problematiek van moeder beïnvloedde. Daarbij was zij haar ‘extra
oren en ogen’ kwijt nu er geen andere hulp meer in het gezin kwam. Om die
reden ging de gezinsvoogd moeder sterker bevragen. Moeder had echter
verklaringen die reëel waren en waarin de gezinsvoogd zich kon vinden. Om te
checken of S. mishandeld werd, controleerde de gezinsvoogd S. bij ieder
bezoek. Moeder liet dat contact tussen de gezinsvoogd en S. gewoon toe. Voor
het vallen was er een doorverwijzing naar een specialist en wat de
taalachterstand betreft had de gezinsvoogd de ervaring dat S. wel degelijk
praatte. Een peuterspeelzaal was wel belangrijk, maar de gezinsvoogd wilde
wachten tot na de grote vakantie. De conclusie van de gezinsvoogd was dat de
situatie nog voldoende veilig was. S. hoefde niet acuut uit huis gehaald te
worden, er was geen sprake van onmiddellijke onveiligheid. Uit de samenwerking
met de Inspectie voor de Gezondheidszorg komt naar voren dat de huisarts
verklaart dat er in deze casus geen enkele verbinding was met het
jeugdzorgcircuit. BJZ/jb heeft het aan moeder overgelaten of zijzelf de
huisarts op de hoogte zou stellen. Dat deed moeder pas toen de huisarts haar
indringend bevroeg over de thuissituatie tijdens een consult. Het bevorderen van de gezinsband
tussen de met het gezag belaste ouder en de minderjarige In deze periode is er geen
bijzondere inzet gericht op de band tussen moeder en kind. Uit het
contactjournaal blijkt niet van bijzondere activiteiten van BJZ/jb in dit
verband. 8 Periode mei 2004 – september
2004 Deze periode start met de
geboorte van de baby, met direct daarop met een melding bij het AMK en eindigt
met het overlijden van S. in september 2004. In mei wordt melding gedaan bij
het AMK. Volgens deze melding gaat moeder vreemd om met de baby, maar vooral
wordt gemeld dat S. slecht wordt behandeld. Het AMK onderzoekt de melding met
betrekking tot de baby en komt tot de conclusie dat een melding aan de Raad
voor de Kinderbescherming met als doel een vots met machtiging
uithuisplaatsing in dit stadium nog niet mogelijk is, omdat de situatie van de
baby nog onvoldoende ernstig is. Voorziening A wordt in het gezin ingezet,
gericht op de zorg voor de baby. Omdat S. onder toezicht is geplaatst,
onderzoekt het AMK de melding over S. niet, maar informeert BJZ/jb over de
melding. De gezinsvoogdij gaat op onaangekondigd huisbezoek samen met het
consultatiebureau en besluit dat de situatie niet ernstig genoeg is om S. uit
huis te plaatsen. Zij maakt afspraken met moeder dat deze onmiddellijk
behandeling regelt voor haar problematiek en dat zij weer hulpverleners in
huis toe zal laten. Het consultatiebureau laat weten hierin geen vertrouwen te
hebben en grote zorgen te hebben over de veiligheid van S. De gezinsvoogd gaat
eens per twee weken op huisbezoek tot de extra hulpverlening begint. De ggz en
voorziening B starten na anderhalve maand in het gezin, de eerste voor een
half uur per week, de ander voor drie uur per week. In diezelfde tijd komt ook
voorziening A voor de baby bij moeder thuis. Moeder laat BJZ/jb weten dat zij
niet meer met S. naar het consultatiebureau wil en gaat ook niet meer. BJZ/jb
en voorziening B, mogen S. zien; volgens hen gaat het goed met S. De andere
voorzieningen krijgen S. meestal niet te zien. S. overlijdt eind september
2004. Onderzoek AMK Volgens het contactjournaal bij
BJZ/jb hebben op 13 en 14 mei verschillende instanties, die bij het gezin
betrokken zijn en het AMK gebeld. Volgens de summiere beschrijving in het
contactjournaal belt het AMK om mee te delen dat er meldingen zijn gedaan die
te summier zijn om direct door te geleiden naar de Raad voor de
Kinderbescherming. In het contactjournaal staat niet aangegeven wat volgens
het AMK de inhoud van de meldingen was. De overige telefoongesprekken op 13 en
14 mei van de verschillende betrokken instanties gaan over zorgelijke
signalen, die concreet in het contactjournaal zijn beschreven. De signalen
gaan vooral over de slechte behandeling van S. Volgens het contactjournaal
laat het AMK na ongeveer twee weken aan BJZ/jb weten dat het AMK op huisbezoek
bij moeder is geweest. Het AMK geeft aan dat zij de thuissituatie zorgelijk
vindt en twijfels heeft over de opvoedingscapaciteiten van moeder. Het AMK
geeft aan dat moeder er niet van overtuigd is dat zij hulp nodig heeft, maar
het doet voor BJZ/jb. In de dagen na dit telefoongesprek bereidt BJZ/jb
verschillende vormen van hulp in huis voor. Zij vraagt een indicatie aan voor
voorziening B en neemt contact op met de ggz. Eind juni meldt het AMK aan BJZ/jb
dat zij te weinig gronden hebben om de zaak voor wat betreft de baby door te
verwijzen naar de Raad voor de Kinderbescherming. Het AMK suggereert de inzet
van voorziening A voor de baby. Het contactjournaal geeft meerdere keren aan
dat BJZ/jb het AMK vraagt de zaak door te verwijzen naar de Raad voor de
Kinderbescherming, omdat zij vindt dat er voor de baby een ots moet komen. De
gezinsvoogd verklaart zich wel zorgen te hebben gemaakt over de
opvoedingskwaliteiten van moeder, zeker op de langere termijn. Zij verwachtte
wel dat er een moment zou komen S uit huis geplaatst zou moeten worden, omdat
moeder aan de top van haar kunnen zou komen. Voor de gezinsvoogd was het een
belangrijke vraag wat het zou betekenen voor de baby als S weggehaald zou
worden en de baby zou achterblijven. De gezinsvoogd geeft aan dat het een
probleem was dat wel S., maar niet de baby onder toezicht stond. Zij wilde
graag ook een ots voor de baby. Zij geeft aan dat het AMK de zaak na onderzoek
had kunnen doorsturen naar de Raad voor de Kinderbescherming. Het AMK geeft
desgevraagd aan dat uit de melding bij het AMK te weinig zorgen spraken om
over te gaan tot een v-ots voor de baby. Dit heeft het AMK met BJZ/jb
besproken, al voordat de gezinsvoogd onaangekondigd op huisbezoek ging. Het
AMK geeft aan dat zij het als een algemeen probleem beschouwen dat de Raad
voor de Kinderbescherming van mening is dat er voor een ots kindsignalen
moeten zijn; er moet sprake zijn van een ernstige bedreiging voor de
ontwikkeling van het kind. Als er oudersignalen zijn, over ernstige
problematiek bij de ouders dan is, volgens het AMK, de Raad van mening
dat er eerst onderzoek moet worden gedaan en dat er eerst moet worden gekeken
of de hulpverlening vrijwillig kan. Na onderzoek door het AMK bleek de
situatie van de baby onvoldoende ernstig om naar de Raad te gaan. Er is met
BJZ/jb besproken dat zij zelf naar de Raad zou kunnen wanneer de gezinsvoogd
bij de huisbezoeken zou zien dat moeder niet goed met de baby omging.
Degezinsvoogd liet weten dat melding bij de Raad via het AMK zou moeten. Het
AMK heeft met haar besproken dat dit niet het geval is. De Raad laat de
inspectie weten dat zij een zaak in onderzoek neemt, wanneer zij een
zorgmelding van Bureau Jeugdzorg (met daarbinnen de functie gezinsvoogdij)
krijgt over een baby of ander kind in een gezin waar al een ots is. Met Bureau
Jeugdzorg zijn al sinds enkele jaren afspraken gemaakt ove de eisen waar
de melding aan moet voldoen. In essentie komen die er op neer dat de melding: 1. concrete informatie bevat
over (signalen van) problemen bij het kind; 2. concrete informatie bevat
over de kwaliteit van de interactie tussen ouder(s) en kind; 3. concrete informatie bevat
over de (on)mogelijkheden van vrijwillige hulpverlening; 4. ouders moeten op de hoogte
zijn van de melding. Over de meldingen van
professionals aan het AMK komt uit informatie uit de samenwerking met de
Inspectie voor de Gezondheidszorg het volgende naar voren. Alle melders zijn
uit hoofde van hun beroep direct bij moeder betrokken geweest. De eerste
melders geven aan een uitgebreide melding te hebben gedaan. Zij zijn veel in
het gezin geweest. Toen ze later de melding bij het AMK mochten teruglezen,
waren er maar enkele regels genoteerd. Het aanbod de gedetailleerde informatie
naar het AMK te zenden, werd door het AMK afgewezen omdat het niet nodig was.
Gedurende de tijd dat de melders met moeder contact hadden, hebben zij niet
geweten dat er een gezinsvoogd was. Deze heeft nooit contact met hen
opgenomen, ook niet na de melding. De tweede melder geeft aan dat zij veel in
het gezin is geweest en geschokt is over hoe er in het gezin met S. werd
omgegaan. Zij vindt het onbegrijpelijk dat S. niet uit huis is gehaald. Haar
leidinggevende heeft nog eens extra contact met BJZ/jb opgenomen. BJZ/jb heeft
geen contact gezocht om nadere informatie. Zorgen voor hulp en steun: de
regie Na de melding bij het AMK wordt
er weer hulp en steun rond het gezin georganiseerd. Voorziening B die eerder
in het gezin werkte, komt opnieuw. Er is ook weer contact met de ggz en
daarnaast is er voorziening A die wordt ingezet voor de zorg voor de baby.
Twee van de drie voorzieningen komen samen met BJZ/jb eind augustus voor het
eerst bij elkaar bij moeder thuis. In de periode daarvoor heeft BJZ/jb
telefonisch met de verschillende hulpverleners contact. Uit het dossier van
BJZ/jb blijkt dat de gezinsvoogd twee weken na het bericht van het AMK contact
opneemt met de ggz. Die geeft aan hulp te kunnen bieden. In het
contactjournaal staat genoteerd dat BJZ/jb tegenover het AMK aangeeft dat zij
begeleiding van ggz en voorziening B voorwaarden vindt om S. thuis te houden.
Verder wordt niets in het dossier over de ggz vermeld; niet is duidelijk hoe
vaak deze komt, hoe lang en met welk doel. De ggz is niet aanwezig bij het
gemeenschappelijke overleg in deze periode. Uit de samenwerking met de
Inspectie voor de Gezondheidszorg blijkt dat de ggz begin juli startte met een
huisbezoek van een klein half uurtje. Er waren geen directe behandeldoelen
afgesproken, omdat daarvoor, volgens de ggz, geen aanleiding was. Er waren op
het moment van de start geen alarmerende berichten. Het werk bestond uit
praten, contact opbouwen. Hierna volgden nog twee huisbezoeken met een
tussenpoos van ongeveer een maand. De ggz heeft beide kinderen gedurende deze
bezoeken een keer gezien. Dat was bij het laatste bezoek, nog geen week voor
het overlijden van S. Van het gemeenschappelijk overleg was de ggz niet op de
hoogte. Uit het contactjournaal van BJZ/jb blijkt dat voorziening B uit
zichzelf contact opneemt met BJZ/jb, na een kraambezoek vanwege de geboorte
van de baby. De hulpverlener is geschrokken van de onrust die bij moeder is
ontstaan door de melding bij het AMK. De volgende dag wordt de aanvraag van
een nieuwe indicatie voor deze hulp in huis door BJZ/jb voorbereid. Niet is in
het dossier aangegeven, hoe lang en hoe vaak voorziening B langs zou moeten
gaan. Als doelstelling is aangegeven dat het gaat om het organiseren van een
dagritme en om de pedagogische vaardigheden van moeder te ondersteunen.
Voorziening B gaat volgens het contactjournaal in deze periode in totaal vier
keer op huisbezoek. Niet is genoteerd hoe de huisbezoeken zijn verlopen. Over
deze hulp blijkt uit de samenwerking met de Inspectie voor de Gezondheidszorg
dat de indicatie voor de hulp van voorziening B geldt voor drie uur per week.
Voorziening B start medio juli. In juli vinden twee huisbezoeken van drie uur
plaats. Voorziening B verklaart een zodanig ontspannen gezinssituatie aan te
treffen, dat zij zich afvroeg wat zij in het gezin zou moeten doen. In
augustus gaat voorziening B niet op huisbezoek. Eind augustus gaat zij met
moeder en de baby naar het consultatiebureau. Eind augustus is er een
gemeenschappelijk overleg bij moeder thuis. Begin september vindt nog een
huisbezoek plaats, daarna gaat de hulpverlener van voorziening B met vakantie.
Moeder wilde geen vervanging. Voorziening B geeft aan dat het zo goed ging dat
het niet nodig leek daarop aan te dringen. Voorziening B heeft S. alle keren
gezien en niets bijzonders waargenomen. In het contactjournaal van BJZ/jb
staat genoteerd dat moeder medio juni belt met de mededeling dat zij niet meer
naar het consultatiebureau wil. Als reden geeft zij aan dat het
consultatiebureau achter de melding bij het AMK zat. Genoteerd staat dat BJZ/jb
hierop zal terugkomen. Of dat is gebeurd en met welk resultaat, blijkt niet
uit het dossier. Uit het samenwerkingscontact met de Inspectie voor de
Gezondheidszorg blijkt dat moeder meermaals is opgeroepen om met S. te komen,
maar verschijnt niet. Ze komt wel met de baby naar het consultatiebureau. Uit
de samenwerking met de Inspectie voor de Gezondheidszorg komt naar voren dat
er in dit geval sprake was van een uitzonderlijke situatie voor voorziening A.
Deze voorziening werd betrokken bij de hulpverlening terwijl BJZ/jb al langere
tijd betrokken was. Meestal stopt deze hulpverlening wanneer BJZ/jb bij
een zaak betrokken is. Deze situatie had verband met het feit dat de baby niet
onder toezicht was geplaatst. Voorziening A kwam in actie door het AMK, dat
liet weten dat er onvoldoende reden waren om een ots voor de baby te vragen,
maar dat er grote twijfels waren over de pedagogische kwaliteiten van moeder,
gezien de situatie van S. Voorziening A nam contact op met BJZ/jb over de
aanpak. Moeder gaf BJZ/jb toestemming voor contact met de voorziening. Deze is
vanaf medio juli in totaal vier maal op huisbezoek geweest. De hulp was er
speciaal voor de baby. Tussen moeder en de baby verliep het contact goed, het
geven van aanwijzingen verliep moeizaam. Deze voorziening heeft S. bij die
bezoeken eenmaal gezien en tweemaal gehoord op haar slaapkamer. Moeder liet
weten dat zij niet wilde dat deze voorziening S. zag, omdat er al zoveel
hulpverleners over de vloer kwamen. Toezicht op de minderjarige: het
wegnemen van de bedreiging In de periode na de geboorte van
de baby en de melding bij het AMK gaat de gezinsvoogd zes keer bij moeder
langs, vijf keer op huisbezoek en eenmaal in het kader van een
gemeenschappelijk overleg met twee van de drie andere betrokken instellingen.
Na de melding gaat zij op onaangekondigd huisbezoek met het consultatiebureau.
Het contactjournaal meldt dat moeder aanvankelijk niet op endoet en de inhoud
van de melding later tegenspreekt. S. is rustig en heeft geen blauwe plekken.
Er staan afspraken genoteerd in het contactjournaal: na het weekeind wordt
intensieve hulp in huis gestart, er wordt een activiteit gepland met S. en
moeder regelt direct behandeling voor haar problematiek. Volgens het dossier
is er geen actie ondernomen op de melding om na het weekeind intensieve hulp
in huis te starten. De gezinsvoogd verklaart hierover tegenover de inspectie
dat zij enkele problemen van de melding herkende, maar niet alles. De sfeer
die zij bij het onverwachte huisbezoek aantrof was tegenstrijdig aan de
informatie die was gegeven in de melding bij het AMK. S. had geen blauwe
plekken. Met moeder werd afgesproken dat zij direct behandeling zou regelen
voor haar problematiek en dat deed zij ook. Korte tijd later merkte de
gezinsvoogd al dat het daardoor beter met moeder leek te gaan. Uit de
samenwerking met de Inspectie voor de Gezondheidszorg komt naar voren dat het
consultatiebureau in de tijd van de melding ernstige signalen had gekregen van
verschillende bij moeder betrokken professionals en van iemand die moeder privé
kent. In verband daarmee heeft zij BJZ/jb gebeld en gezegd dat de kinderen
moesten worden weggehaald. Er werd afgesproken samen onaangekondigd op
huisbezoek te gaan. Voorafgaand aan het huisbezoek zei de gezinsvoogd tegen
haar dat zij de melding had voorgelegd aan haar team en aan de Kinderrechter
en dat er onvoldoende feiten waren om een uithuisplaatsing rond te krijgen.
Bij het huisbezoek werden ze aanvankelijk niet binnengelaten, maar
kwamen via een bezoeker toch bij moeder binnen. Moeder was zeer boos. S. zag
er slecht uit en had blauwe plekken rond en onder de ogen, volgens moeder
omdat zij zo slecht liep en vaak viel. Na dit onaangekondigde huisbezoek heeft
het consultatiebureau aan BJZ/jb gezegd wat zij aan gedrag van moeder in het
gezin heeft gezien en gevraagd waarom deze het niet heeft opgenomen voor S.
BJZ/jb meldde dat haar inspanningen erop waren gericht om contact te houden
met moeder. BJZ/jb vond moeder leerbaar en het consultatiebureau niet. Het
consultatiebureau gaf voorbeelden waaruit bleek dat moeder geen instructies
duldt. Deze werden door BJZ/jb terzijde geschoven. Het consultatiebureau is
daarna nog eenmaal bij moeder langs geweest en werd daarna niet meer
binnengelaten. Uit het dossier van BJZ/jb blijkt dat bijna twee weken na het
onaangekondigde huisbezoek de gezinsvoogd opnieuw op huisbezoek gaat. Wat er
bij deze huisbezoeken concreet is besproken en hoe er is gewerkt aan het
bereiken van de doelen, is niet zichtbaar. Summier is genoteerd dat moeder
boos is over de melding en de bemoeienis zat is. S. ziet er niet goed verzorgd
uit, is wel open in contact en speelt. Zij rent door het huis en valt
regelmatig. Zij is duidelijker en beter gaan praten. Na anderhalve week stuurt
moeder een indringende fax aan BJZ/jb over S. Twee dagen later gaat de
gezinsvoogd op huisbezoek. Volgens moeder gaat het nu goed en klopte de fax
niet. BJZ/jb noteert dat moeder aandacht aan beide kinderen geeft en vrolijk
speelt met S. Tweeënhalve week later is er opnieuw een huisbezoek. BJZ/jb is
in de tussentijd door moeder gebeld dat zij niet meer naar het
consultatiebureau wil. Over het huisbezoek wordt genoteerd dat moeder over
relatieproblemen spreekt en dat S. aan het spelen is en op haar hoofd valt.
Genoteerd staat dat de mogelijkheid van ondersteuning door de ggz wordt
besproken en dat moeder daar niet afwerend op reageert. Er is in het
contactjournaal niet beschreven of de aankondiging om niet langer naar het
consultatiebureau te gaan met moeder besproken is en wat daarvan het resultaat
was. Anderhalve week later is er weer een huisbezoek. Volgens het
contactjournaal verklaart moeder dat de specialist tevreden is over de
taalontwikkeling van S., maar het vallen van S. verder wil onderzoeken en dat
zij heeft kennisgemaakt met de ggz. Verder vermeldt het contactjournaal dat de
gezinsvoogd moeder vertelt dat het AMK haar onderzoek afsluit als moeder
meewerkt met de vrijwillige hulp van voorziening A voor de baby. Het zesde
bezoek is na anderhalve maand wanneer er een gemeenschappelijk overleg is bij
moeder thuis met voorziening B en voorziening A. Over dit overleg bericht het
contactjournaal zeer summier: er staat alleen genoteerd dat de hulp in huis
vier keer is geweest, dat moeder alle aandacht overdreven vindt en dat haar
partner bij het volgende overleg aanwezig zal zijn. Het bevorderen van de gezinsband
tussen de met het gezag belaste ouder en de minderjarige Er vonden in deze periode geen
specifieke activiteiten plaats die gericht waren op de band tussen moeder en
S. Hoofdstuk 3 Analyse, conclusies
en oordeel Thema 1. Werkwijze afdeling
jeugdbescherming Interne planning, controle en
aansturing Analyse De procedure en criteria om
intern casuïstiek te bespreken zijn binnen BJZ/jb bekend. Niet is zichtbaar
of de casus op alle momenten waarop het volgens de criteria had gemoeten, aan
het team of de teamleider zijn voorgelegd. Van de besprekingen vindt geen
systematische verslaglegging plaats. Ook besluitvorming wordt niet expliciet
genoteerd, noch in notulen noch in het contactjournaal. Niet te beoordelen is
in hoeverre de gezinsvoogd solistisch of op basis van collegiale raadpleging
heeft gehandeld. Ook multidisciplinaire toetsing of besluitvorming lijkt niet
plaatsgevonden te hebben. In de praktijk wordt het aan een gezinsvoogd
overgelaten of deze een zaak buiten de verplichte momenten inbrengt in het
casuïstiekteam. De gezinsvoogd dient zelf eerst te beoordelen of het wel of
niet goed gaat in een zaak. Dit veronderstelt voldoende tijd voor reflectie en
het vermogen om kritisch te kijken naar het eigen functioneren in het
hulpverleningsproces. Gezinsvoogden hebben een hoge case-load en de hectiek
van de ene zaak wordt veelal direc t opgevolgd door een andere zaak, waarin
zich problemen voordoen. Dat de gezinsvoogd zelf aan de bel moet trekken,
betekent een risico dat de noodzakelijke interne controle en collegiale
toetsing niet plaatsvindt op noodzakelijke momenten. De verantwoordelijke
teamleider laat weten dat hij zich ten behoeve van zijn oordeel vooral laat
informeren door de gezinsvoogd en niet door het dossier. De inspectie vindt
dat het perspectief van de gezinsvoogd bij zo’n wijze van informeren
overheerst. De teamleider dient meer afstand tot de zaak te hebben en een
kritisch oog voor blinde vlekken. De teamleider heeft meer bronnen nodig dan
wat de gezinsvoogd erover zegt. Alleen dan is er sprake van werkelijke
controle en kan worden bijgestuurd, wanneer dat nodig is. Conclusie Systematische interne controle
en toetsing is niet geborgd in het primaire proces van de uitvoering van de
ots. Interne overdracht Analyse De enige vorm van overdracht die
in deze casus tussen de twee gezinsvoogden heeft plaatsgevonden is de
overdracht van het dossier. Dit dossier bestaat uit officiële stukken (zoals
beschikkingen en rapportages) en een contactjournaal. Verslagen van het casuïstiek
teamoverleg of besprekingen met de teamleider maken hier geen onderdeel van
uit. Het contactjournaal bevat werkaantekeningen, maar fungeert niet als
systematische verslaglegging van de uitgezette lijn of genomen besluiten. Ook
in de overdracht tussen teamleiders komen de uitgezette lijn en genomen
besluiten niet aan de orde. De enige documenten die aangrijpingspunten
bevatten voor de uitgezette koers, zijn de formele rapportagemomenten ter
verlenging van de ots. Juist ten tijde van de melding bij het AMK in mei 2004
startte een nieuwe teamleider. Deze heeft zich laten informeren door de
gezinsvoogd zelf. Hij geeft aan dat hij het niet als zijn rol ziet om het
dossier in te zien. Specifieke aandachtspunten die samenhangen met het
perspectief van teamleider kunnen op die wijze niet aan de orde komen. Conclusie De continuïteit van het
hulpverleningsproces wordt onvoldoende gewaarborgd, wat er toe leidt dat het
verband tussen gebeurtenissen gemakkelijk kan worden gemist. De veiligheid van
het kind is daarbij in het geding. Externe overdracht Analyse Het is onduidelijk wie binnen
BJZ/jb moet besluiten of er moet worden overgegaan tot overdracht naar een
ander BJZ/jb. Bij afweging spelen verschillende criteria. Van belang zijn de
extra belasting voor de gezinsvoogd en de rust in het gezin. In deze casus
pleitten zorgen het ene moment vóór overdracht en het andere moment tegen.
Hetzelfde geldt voor werkdruk. Door de tijd heen speelden voortdurend
verschillende argumenten over de overdracht een rol, die telkens verschillend
werden gewogen. Besluitvorming vond halfslachtig plaats en wat er werd
besloten, werd niet tot uitvoering gebracht. Conclusie Met betrekking tot de overdracht
naar een ander BJZ/jb is niet systematisch en doelgericht gehandeld. Inzet van specifieke
deskundigheid Analyse Geen van de betrokken
gezinsvoogden heeft gebruik gemaakt van de mogelijkheid om advies te vragen
bij extern deskundigen over de problematiek van de cliënt en over de signalen
dat de problematiek van deze cliënt van invloed is op de opvoedingssituatie.
Ze geven aan dat dit niet nodig was omdat er specifieke hulpverlening in het
gezin aanwezig was. Deze was echter vooral van praktische aard en niet
gedurende het gehele hulpverleningsproces aanwezig. De inspectie is van mening
dat er in deze casus aan specifieke deskundigheid geen bijzondere waarde is
gehecht. Wanneer er vanuit specifieke deskundigheid signalen zijn gegeven, is
geen afgewogen risico analyse bij BJZ/jb gemaakt en is geen actie gevolgd. De
inspectie verwacht dat gezinsvoogden en teamleiders hun beperkingen kennen,
zorgdragen voor de noodzakelijke expertise en deze vervolgens serieus nemen. Conclusie Er is in deze casus niet
verzocht om inbreng van extra expertise, noch is voldoende gewogen gebruik
gemaakt van de expertise van anderen die reeds bij het hulpverleningsproces
betrokken waren. Dit heeft gevolgen voor de risico inschatting met betrekking
tot de veiligheid van S. en voor de kwaliteit van de besluitvorming met
betrekking tot de hulpverlening. Thema 2: Uitvoering van de ots
taak Planmatig, navolgbaar en
transparant werken Analyse In deze zaak zijn steeds tijdig
hulpverleningsplannen gemaakt. Het is weliswaar niet steeds gelukt om iedere
vier weken op huisbezoek te gaan, maar eens per zes weken lukte het meestal
wel (de ziekteperiode van de eerste gezinsvoogd uitgezonderd) om een
huisbezoek af te leggen of bij moeder thuis een hulpverleningsoverleg met de
ingezette hulpverleners te laten plaatsvinden. Ook was er steeds communicatie
tussen de gezinsvoogd en de betrokken hulpverleners. De inspectie vindt dat
hulpverleningsplannen een functie moeten hebben in het hulpverleningsproces.
Daarbij is het van belang dat het hulpverleningsplan duidelijk, eenduidig en
concreet aangeeft wat er de komende periode gaat gebeuren, wie daar een
aandeel in gaat hebben en wat alle betrokkenen van elkaar mogen verwachten. Na
afloop van die periode vindt de inspectie dat een concrete evaluatie
noodzakelijk is: wat is er ingezet om de doelen te bereiken, wat werkte niet
en waarom, wat heeft wel gewerkt? Het uiteindelijk resultaat van de evaluatie
is een nieuw plan, waaruit concreet duidelijk wordt welke hulpverlening nodig
is en hoe deze zal worden ingezet. De hulpverleningsplannen in deze casus zijn
bepaald niet steeds eenduidig geweest en de doelen zelden concreet. In deze
casus is ook niet inhoudelijk per doel geëvalueerd, zodat het steeds
onduidelijker wordt welke doelen de hulpverlening concreet nastreeft en wat in
verband daarmee van alle betrokkenen, en ook van moeder, verwacht wordt. BJZ/jb
werkt met een format voor de plannen en evaluaties. In het format komt de
vraag naar de veiligheid van het kind steeds expliciet aan de orde. De
inspectie verwacht daarbij een expliciet e risico-inschatting van de
veiligheid van het kind. Signalen dat het kind niet veilig is, dienen daarbij
concreet te worden benoemd en afgewogen. Dat is in deze casus niet gebeurd. De
inspectie verwacht dat de plannen intern worden getoetst op heldere,
eenduidige formuleringen, concrete doelen en met name ook inzake de
risico-inschatting van de veiligheid van het kind. Dit is niet gebeurd. Om te
beoordelen of er navolgbaar en transparant door BJZ/jb is gewerkt, speelt het
dossier en vooral het contactjournaal een belangrijke rol. De inspectie
verwacht dat duidelijk wordt gemaakt waarom bepaalde activiteiten worden
ondernomen, dat wordt vastgelegd welke beslissingen zijn genomen, op basis
waarvan dat gebeurt en wie verantwoordelijk is voor welk deel van de afspraak.
Het contactjournaal is dermate summier dat vrijwel gedurende de hele
hulpverlening, niet duidelijk is wat er concreet wordt besproken, wat er aan
de hand is en waaraan gewerkt wordt. De inspectie is van mening dat
huisbezoeken in ieder geval ook dienen om toezicht te houden op het kind.
Opmerkelijk is dat S. in een groot deel van de beschrijvingen van de
huisbezoeken niet genoemd wordt. Ook de teamverslagen, die overigens maar heel
weinig zijn aangetroffen, zijn niet te volgen. De teamverslagen zijn evenmin
transparant; zij geven geen inzicht in wat er is afgewogen over onderwerpen,
wat er is besloten en in hoeverre de genomen besluiten tot uitvoering zijn
gebracht. Conclusie Er is in deze casus bij BJZ/jb
volgens een planningscyclus gewerkt, maar er is niet gewerkt met functionele
en resultaatgerichte plannen. Externe toetsing Analyse Elk verzoek om een
ondertoezichtstelling of machtiging uithuisplaatsing te verlengen, wordt
beoordeeld door de rechter. BJZ/jb moet motiveren waarom de ots en
uithuisplaatsing nog nodig zijn. Wanneer afgezien wordt van verlenging van de
ots of uithuisplaatsing, ontbreekt een dergelijke rechterlijke beoordeling. Om
het ontbreken van deze externe toets te ondervangen, dienen alle ots-en die
niet verlengd worden en alle beëindigingen van de machtiging uithuisplaatsing
aan de Raad voor de Kinderbescherming ter toetsing voorgelegd te worden. Ten
tijde van de beëindiging van de uithuisplaatsing van S. toetste de Raad deze
beslissingen nog. In deze zaak is de beslissing om S. weer thuis te plaatsen
niet aan de Raad voorgelegd. Daardoor is een belangrijke check op de
veiligheid van S. bij thuisplaatsing niet uitgevoerd. De Raad heeft verklaard
deze taak inmiddels niet meer uit te voeren en dit ook aan Bureau Jeugdzorg te
hebben gemeld. Conclusie Het BJZ/jb heeft de beslissing
om de uithuisplaatsing van S. te beëindigen niet ter toetsing aan de Raad
voor de Kinderbescherming voorgelegd. De Raad voor de Kinderbescherming voert
inmiddels willens en wetens deze wettelijke taak niet uit, waardoor de externe
controle op de veiligheid van het kind ontbreekt. Regie Analyse De uitvoering van een
ondertoezichtstelling doet niet zozeer een beroep op de vaardigheden van de
gezinsvoogd als hulpverlener, maar juist op de vaardigheden als regisseur van
de hulpverlening van andere deskundigen. Te denken valt aan hulp voor
specifieke problemen van de cliënt, in en buiten de jeugdzorg.
Professionaliteit houdt juist niet in dat de gezinsvoogd alles zelf moet doen,
maar dat deze herkent wanneer de deskundigheid, expertise of inzet van anderen
nodig is en dit ook organiseert. De gemeenschappelijke overleggen zijn een
belangrijk instrument om de hulp van anderen te coördineren en af te stemmen.
Dat is alleen mogelijk wanneer inhoudelijk goed duidelijk is, wat iedere
hulpverlener in het gezin verwacht wordt te doen en wanneer. De inspectie
treft die duidelijkheid in deze zaak echter niet aan. In het dossier is niet
aangetroffen wat BJZ/jb verwacht dat ieder van de betrokken hulpverleners
precies gaat doen en uit de verschillende interviews blijkt dat de betrokken
hulpverleners daar ook een verschillend beeld van hadden. BJZ/jb stelt
vrijwillige hulp als voorwaarde voor het thuis wonen van S. Omdat de eigen
doelen van beide typen vrijwillige hulp( de ggz en voorziening B) zich niet in
het dossier van BJZ/jb bevinden, komen discrepanties tussen doelen van de
vrijwillige hulp en de doelen van BJZ/jb niet boven water. Juist bij het beëindigen
van hulpverleningsrelaties wordt duidelijk hoezeer de hulpverleners de relatie
als een vrijwillige beschouwen: als de cliënt niet meer wil, stopt de
hulpverleningsrelatie. Vanuit hun positie beschouwd is dit begrijpelijk en
juist. Het is echter niet acceptabel dat BJZ/jb die het dwangelement in deze
hulpverleningsrelaties had ingebracht en die het accepteren van hulp als
voorwaarde voor thuisplaatsing had geformuleerd, dit stoppen op initiatief van
de cliënt zonder consequenties accepteert. Zoals het evenmin acceptabel is
dat BZ/jb in een tijd van opvolgende signalen dat het niet goed gaat, zonder
enige zichtbare afweging akkoord gaat met het verminderen van het aantal
bezoekdagen per week. Conclusie BJZ/jb zet in het kader van de
ots bewust een aantal hulpverleners in. De regiefunctie hierop is niet goed
uitgevoerd: er was te weinig duidelijkheid over waarvoor en hoe ieder werd
ingezet, wat ieders doelen waren en wat de verwachtingen over en weer waren. Oordeel Dat BJZ/jb zonder consequenties
accepteert dat de hulp door moeder beëindigd wordt, is onacceptabel. Gemeenschappelijk overleg Analyse Gemeenschappelijk overleg is er,
maar wat daar besproken wordt, wordt buitengewoon summier en niet inhoudelijk
genoteerd. Als er al afspraken worden gemaakt, dan worden die niet
opgeschreven. De inspectie vindt dat BJZ/jb de informatie van de betrokken
hulpverleners nodig heeft om te weten of het goed gaat in het gezin, zijn de
voorwaarden nog vervuld, is de omgeving veilig en stabiel voor S? De betrokken
hulpverleners komen vaker in het gezin en hebben hun specifieke deskundigheid.
In deze casus geven mensen met een specifieke deskundigheid signalen af over
de veiligheid van een kind, zonder dat dit tot een ingrijpen van de BJZ/jb
leidt. In dat geval verwacht de inspectie in ieder geval gewogen afwegingen
aan te treffen, dat wil zeggen dat deze afwegingen ondersteund worden door
iemand die in ieder geval minimaal even deskundig is als degene die de
signalen afgeeft. Verder verwacht de inspectie interne toetsing wanneer er
signalen van deskundigen aangeven dat een kind onder toezicht niet langer
veilig is. Conclusie Zichtbaar is dat de gezinsvoogd
zich regelmatig laat informeren. De aldus ingewonnen informatie wordt echter
niet professioneel gewogen en intern getoetst. Hierdoor kan het risico of het
kind nog veilig is niet goed worden afgewogen. Oordeel Het is onbegrijpelijk dat er in
deze casus geen interne toetsing is geweest van de risico-inschatting, nadat
deskundigen signalen hebben afgegeven. Bescherming van het kind Analyse In het dossier van BJZ/jb
bevindt zich er geen concrete beschrijving van de bedreiging van S., die ertoe
geleid heeft dat zij uit huis is geplaatst. De oorspronkelijke informatie die
heeft geleid tot de v-ots is niet in het dossier voorhanden. In het rapport
van de Raad voor de Kinderbescherming staat een beschrijving die is afgeleid
uit de melding bij het AMK in 2002. De belangrijkste melder van destijds,
voorziening A geeft aan door de Raad niet als informant te zijn gehoord. Deze
concrete informatie is derhalve niet beschikbaar. Een formulering in welk
opzicht het bij moeder veilig moet worden, is niet in het dossier
aangetroffen. Specifieke aspecten waarop de hulpverleners die BJZ/ jb heeft
ingezet, moeten letten en in het bijzonder begeleiden, worden niet omschreven.
Een goede verstandhouding met de moeder is een belangrijke voorwaarde voor
BJZ/jb om met moeder te werken. Het contactjournaal maakt duidelijk hoe er
geprobeerd is tot een goede relatie te komen. Signalen dat het niet goed gaat,
staan wel genoteerd. In de zeer summiere verslagen van het gemeenschappelijk
overleg staat niet beschreven wat de hulpverleners niet goed vinden gaan. Of
de gezinsvoogden iets doen met de signalen dat het niet goed gaat, is
onbekend. De inspectie onderschrijft het belang van een goede relatie tussen
de gezinsvoogd en de ouder(s) met wie deze werkt, maar verwacht dat er
doelgericht wordt gewerkt aan die veilige en stabiele omgeving die in de
doelen staat omschreven. Het belang van het kind moet voorop staan. In het
contactjournaal geeft de gezinsvoogd met grote regelmaat aan dat zij bij de
huisbezoeken constateerde dat S. zich leeftijdsadequaat ontwikkelde, maar even
zo vaak vermeldt het contactjournaal dat het niet goed gaat met S. en haar
moeder. Inhoudelijke afwegingen die centraal stellen wat dit alles betekent
voor S. zijn niet aangetroffen. Het lijkt erop alsof een reeks van
gebeurtenissen steeds als incident zijn afgedaan en niet met elkaar in verband
zijn gebracht. Dit geldt zelfs voor rechtstreekse signalen van deskundigen en
via de melding van het AMK. Deze signalen leidden niet tot afwegingen van de
gezinsvoogd over de risico’s voor de veiligheid van S., noch tot actie. Conclusie De gezinsvoogd heeft zich in
haar toezicht op de veiligheid van S., steeds laten leiden door het
perspectief van moeder. Zij heeft onvoldoende afstand genomen van dit
perspectief en daardoor het verband tussen een aantal signalen niet gelegd. Er
is geen interne controle geweest. Oordeel Er is niet navolgbaar en
transparant gewerkt door BJZ/jb. Informatieoverdracht in de keten Analyse Op diverse momenten in de
hulpverlening aan S. is er sprake van informatieoverdracht tussen
verschillende instellingen. De eerste melding in 2002 wordt door voorziening A
aan het AMK gedaan. Het AMK geeft informatie door aan de Raad, de Raad doet
vervolgens onderzoek. BJZ/jb die vervolgens met de v-ots wordt belast beschikt
alleen over het onderzoek van de Raad. Zinvolle informatie van de melder over
de geconstateerde bedreiging van S. en ervaringen met moeder en S. gaat
hierdoor verloren. Hetzelfde fenomeen doet zich voor bij de melding over beide
kinderen in mei 2004 bij het AMK. De melders zijn uit hoofde van hun beroep
nauw bij moeder en het gezin betrokken. Het AMK noteert de zeer uitgebreid
geuite zorgen in enkele regels. Op grond van deze beperkte informatie gaat de
gezinsvoogd tot actie over. Omdat S. onder toezicht is gesteld, heeft het AMK
de informatie uit de melding met betrekking tot S. aan BJZ/jb overgedragen.
Voor wat betreft S. stopt daarmee de bemoeienis van het AMK. Zij richten zich
verder op de melding over de niet onder toezicht gestelde baby. De inspectie
is van mening dat het AMK de ruimte moet nemen om expliciete zorgen over de
veiligheid van een onder toezicht gesteld kind voor te leggen aan BJZ/jb en
deze te laten weten dat het kind ondanks de aanwezigheid van een ots wellicht
niet veilig is. De inspectie verwacht dat gezinsvoogden een actieve rol spelen
in het verzamelen van informatie. Dit betekent dat een gezinsvoogd moet willen
weten wat er aan de hand is, actief informatie vergaart en verifieert en
informatie deelt met andere hulpverleners. In deze zaak is dat niet gebeurd.
Het was in deze casus een extra handicap dat moeder niet woonde in de regio
van BJZ/jb . Om die reden was de gezinsvoogd niet goed op de hoogte van het
regionaal netwerk van hulpverlening in de regio waar moeder woonde. Moeder
heeft van meet af aan laten zien dat zij iedere hulpverlener op zijn eigen
domein wilde houden. Doordat de informatie niet voldoende gedeeld werd, was
dit ook goed mogelijk. Oordeel 43 Informatieverlies heeft een
zorgvuldige en verantwoorde beoordeling van de situatie in de weg gestaan.
Patronen in signalen werden niet herkend. Dit heeft grote gevolgen gehad voor
de inschatting van de veiligheid van S. Eindoordeel De Inspectie jeugdzorg is van
oordeel dat het in deze regiovestiging ontbreekt aan (een systeem van) tijdige
interne controle en sturing. Hierdoor lopen kinderen die de jeugdbescherming
moet beschermen onaanvaardbare risico’s. De Inspectie jeugdzorg neemt in
aanmerking dat zij reeds eerder enkele malen bij deze regiovestiging van het
BJZ onderzoek heeft verricht en onvolkomenheden heeft aangetroffen, en
constateert dat het primair proces in deze regiovestiging van de afdeling
jeugdbescherming van het Bureau Jeugdzorg niet goed is georganiseerd. Hoofdstuk 4 Aanbevelingen Aan Bureau Jeugdzorg: 1. Organiseer de afdeling
jeugdbescherming zo dat er regelmatig interne inhoudelijke toetsing van
individuele zaken plaatsvindt, zeker voor wat betreft deze regiovestiging. 2.
Geef invulling aan de sturende en controlerende rol van de leidinggevende:
deze is op dat niveau verantwoordelijk voor besluiten van de gezinsvoogd. 3.
Stel in het ots-proces het belang van het kind centraal; andere perspectieven
zijn hieraan ondergeschikt. 4. Neem een expliciete risico-inschatting van de
veiligheid van het kind op als onderbouwing van de besluiten. 5. Ken als
leidinggevende de beperkingen in de deskundigheid van een gezinsvoogd.
Organiseer bindend inzet van extra specifieke deskundigheid ter ondersteuning.
6. Regel bij verhuizing zo snel mogelijk de overdracht van een ots naar het
BJZ waar de cliënt woont. Zorg tot die tijd voor directe koppeling aan de
regionale netwerken ter plaatse. 7. Maak de gezinsvoogd ervan bewust dat hij
of zij meer een regisseur is van de hulpverlening dan een hulpverlener. Dit
impliceert dat doelgericht werken, afstemming en inbreng van de juiste
expertise van hulpverleners veel aandacht behoeven in de uitvoering van de ots. Aan de provincie Noord-Holland: 1. Bevorder dat bij Bureau
Jeugdzorg de organisatorische randvoorwaarden aanwezig zijn voor het uitvoeren
van bovenstaande aanbevelingen. 2. Maak afspraken met het Bureau
Jeugdzorg over het uitvoeren van bovenstaande aanbevelingen. 3. Laat het Bureau Jeugdzorg
regelmatig rapporteren over de voortgang van de uitvoering. Aan het Ministerie van VWS c.q.
provincies 1. Bevorder bij BJZ en in het
bijzonder bij het AMK dat zij eerder hun verantwoordelijkheid nemen en
zorgwekkende zaken melden bij de Raad voor de Kinderbescherming, en zich
daarbij niet op voorhand te laten weerhouden door een vermeende reactie van de
Raad op de melding. 2. Ontwikkel richtlijnen dat
AMK’s contact moeten opnemen met de leiding van het Bureau Jeugdzorg waar de
gezinsvoogd werkt, wanneer zij signaleren dat gezinsvoogden onvoldoende actie
ondernemen om de veiligheid van onder toezicht gestelde kinderen te
beschermen. Aan het Ministerie van Justitie
c.q. de Raad voor de Kinderbescherming: 1. Laat de RvdK de wettelijke
taak uitvoeren die bestaat uit het toetsen van de beëindigingen van de
uithuisplaatsingen en het niet-verlengen van de ots-en. 2. Ontwikkel landelijk te
hanteren criteria voor tijdige besluitvorming over het aanvragen en adviseren
van een maatregel ter bescherming van kinderen waarbij sprake is van ernstige
problematische gezinssituaties, danwel van een groot aantal andere
risicofactoren. Het gaat om hulp die zo zwaar als nodig is en niet zo licht
mogelijk. Toetsingskader ots 28-10-2004 Bijlage 1 - Toetsingskader ots
Gezinsvoogdij-instelling Regelgeving · Wet op de jeugdhulpverlening
(Wjhv). · Besluit kwaliteitsregels en
taken voogdij- en gezinsvoogdij-instellingen Bktvg). · Boek I van het Burgerlijk
Wetboek (bk 1 BW). · Wetboek van Burgerlijke
Rechtsvordering (Rv). (Zesde Titel. Rechtspleging in
zaken betreffende het personen- en familierecht. Eerste afdeling.
Rechtspleging in andere zaken dan scheidingszaken.) Algemene verwachtingen van de
inspectie mbt het hulpverleningsproces: De inspectie verwacht dat het
aan kwaliteitseisen voldoet: er zijn procedures en interne criteria
vastgelegd, de medewerkers zijn professioneel dat wil oa zeggen dat zij de
regels kennen en toepassen en navolgbaar en transparant zijn in hun afwegingen
mbt de inhoud van hun werk. Onder transparant verstaat de inspectie dat
duidelijk zichtbaar is wie handelt en beslist en op grond van welke
overwegingen de GVI tot haar beslissingen komt. Regelgeving Art Inspectie
verwacht aan te treffen in het dossier GVI ONDERTOEZICHTSTELLING (ots) De kinderrechter kan een
minderjarige onder toezicht stellen van een gezins voogdij-instelling (gvi);
hij kan dit doen op verzoek van: · een ouder: · een ander die jeugdige als
behorende tot zijn gezin verzorgt en opvoedt; · de Raad voor de kinderbes
cherming of · het openbaar ministerie. bk 1 BW Art 254 De kinderrechter kan hangende
het onderzoek de minderjarige voorlopig onder toezicht stellen indien dit
dringend en onverwijld noodzakelijk is. Hij bepaalt de duur van dit voorlopige
toezicht op ten hoogste drie maanden en kan de beslissing te allen tijde
herroepen. bk 1 BW art 255 Een beschikking van de
kinderrechter waarin de minderjarige (al dan niet voorlopig) onder toezicht
wordt gesteld en daarbij behorende stukken zoals het raadsrapport. Toetsingskader ots 28-10-2004 Regelgeving Art Inspectie
verwacht aan te treffen in het dossier GVI Indien de behandeling niet kan
worden afgewacht zonder onmiddellijk en ernstig gevaar voor de minderjarige,
kan de rechter direct over een verzoekschrift beschikken: · tot voorlopige
ondertoezichtstelling; · tot machtiging van de gvi tot
uithuisplaatsing. Deze beschikkingen zijn max 2
weken geldig, tenzij de belanghebbenden binnen deze termijn in de gelegenheid
zijn gesteld hun mening kenbaar te maken. Rv art 800.3 De gezinsvoogdij-instelling
wijst zo spoedig mogelijk een gezinsvoogd aan. Van deze aanwijzing wordt (met
andere informatie) mededeling gedaan aan de betrokken ouder en minderjarige. Bktvg art 18.2 Een brief of ander document,
waaruit blijkt dat de betrokken ouder(s) en minderjarige zijn geïnformeerd
dat een gezinsvoogd is aangewezen en welke dit is. Uitvoering gezinsvoogdij · toezicht op de minderjarige; · zorgen voor hulp en steun
(minderjarige en de met het gezag belaste ouder); · bevorderen gezinsband tussen
met gezag belaste ouder en minderjarige. De hulp en steun zijn erop gericht de
met het gezag belaste ouder de verantwoordelijkheid voor de verzorging en
opvoeding zoveel mogelijk te doen behouden. bk 1 BW art 257 jo Bktvg art 8.2 Uit het dossier wordt duidelijk
mbt de werkzaamheden van de gvi: · Wanneer, waarom en op welke
manier deze toezicht heeft op de minderjarige, die immers ernstig bedreigd
wordt in zijn zedelijke en geestelijke belangen of zijn gezondheid; · Afwegingen mbt de keuzes die
deze in verband hiermee heeft gemaakt; · Op welke manier deze zorgt
voor hulp en steun aan de minderjarige en de met gezag belaste ouder(s), zo
dat de ouder zoveel mogelijk de verantwoordelijkheid houdt en hoe hij de hulp
en steun coördineert en evalueert; · Afwegingen mbt de keuzes die
deze in verband hiermee heeft gemaakt; · Op welke manier deze de
gezinsband tussen minderjarige en de met het gezag belaste ouder bevordert. · Afwegingen mbt de keuzes die
deze in verband hiermee heeft gemaakt; De inspectie verwacht dat deze
elementen terugkomen in het hulpverleningsplan, maar ook dat zij maatgevend
zijn voor de keuzes en afwegingen die tussentijds dienen te worden gemaakt. De
inspectie verwacht dat deze afwegingen ook zichtbaar zijn in het dossier. Toetsingskader ots 28-10-2004 Regelgeving Art Inspectie
verwacht aan te treffen in het dossier GVI Hulpverleningsplan: procedure Opstellen hulpverleningsplan (hvp) · zo spoedig mogelijk, doch
uiterlijk binnen 6 weken; · afgestemd op problemen en
stoornissen van jeugdige. Bktvg art 8.1 Een hulpverleningsplan dat
binnen 6 weken na aanvang ots is opgesteld Het plan geeft aan welke
hulpverlening er zal worden gegeven. De hulpverlening sluit aan bij de
problemen en stoornissen van de jeugdige (indien het een reguliere ots betreft
wordt aansluiting verwacht bij de problemen en stoornissen zoals die blijken
uit het onderzoek van de Raad voor de Kinderbescherming voorafgaand aan de ots).
Het plan beschrijft wat de problemen zijn en wat er moet gebeuren. Het hvp
komt niet tot stand als er geen overleg heeft plaatsgevonden met: · de ouders tenzij dit
kennelijk schade toebrengt aan jeugdige · de jeugdige overeenkomstig
zijn beoordelingsvermogen In hulpverleningsplan vermelden: · het overleg en de resultaten
ervan; · evt. redenen geen overleg. Bktvg art 8.3 art 8.4 In het hulpverleningsplan is
opgenomen dat het plan met de ouders en de jeugdige is besproken, wat zij
daarvan vonden en wat deze mening evt. voor consequenties voor de
hulpverlening. Als een overleg niet mogelijk was, is in het plan opgenomen
waarom er geen overleg is geweest. Toetsingskader ots 28-10-2004 Regelgeving Art Inspectie
verwacht aan te treffen in het dossier GVI Hulpverleningsplan: inhoud Bevat in ieder geval: · beschrijving voorgenomen
activiteiten m.b.t. de jeugdige in relatie tot - korte termijn doelen - lange termijn doelen; · vermelding in te schakelen
deskundigen; · vermelding evaluatiemomenten; · vermelding te voeren overleg
met daarvoor in aanmerking komende personen of instanties; · wijze van betrekken van in
aanmerking komende leden van het gezin bij de werkzaamheden; · evt. redenen niet betrekken
van gezinsleden; · de contactpersoon namens de
gvi. Bktvg art 8.2 In het plan staat wat de gvi van
plan is - Er staat in wanneer en hoe hij
toezicht houdt op de minderjarige - Wat er aan de gezinsband
mankeert en hoe hij gaat zorgen dat wat de minderjarige bedreigt ophoudt en de
ouders het weer alleen kunnen. Hij beschrijft dit in doelen voor de lange en
korte termijn (deze doelen hangen naar verwachting van de inspectie samen met
wat de Raad voor de Kinderbescherming heeft aangetroffen bij haar onderzoek).
De doelen zijn concreet en evalueerbaar omschreven. Dat betekent dat ook is
aangegeven wat er gaat gebeuren als de doelen niet bereikt worden. - Hij beschrijft in het plan
wanneer er wordt geëvalueerd. - Wat hij gaat inzetten om de
doelen te bereiken: wie hijgaat inschakelen als deskundige, hoe gaat hij
zorgen voor hulp en steun aan het gezin, met wie hij in overleg gaat en wat
hij van de gezinsleden verwacht cq hoe hij hen gaat betrekken, (mn van de
ouder(s) ten aanzien van de eigen verantwoordelijkheid voor het kind ex art.257 BW) - De gvi betrekt gezinsleden in
het hulpverleningsproces, wanneer de gvi gezinsleden nadrukkelijk buiten het
hulpverleningsproces wil houden dan motiveert hij dat in het plan. - Ook vermeldt het plan wie de
contactpersoon is namens de gvi Indien jeugdige is geplaatst in voorziening
voor jhv: geen hvp gezinsvoogd nodig voorzover hvp voorziening voorziet in
genoemde onderwerpen. Bktvg art 8.5 Bij plaatsing in een voorziening
verwacht de inspectie een hvp van de voorziening. Het plan van de gvi geeft in
dat geval o.a. aan welke problemen de voorziening moet oplossen en welk
resultaat dit moet leveren. Impliciet betekent dit dat de gvi het plan van de
voorziening toetst in hoeverre dit voldoet aan de zorg die hij aan hen
uitbesteed heeft. Toetsingskader ots 28-10-2004 50 Regelgeving Art Inspectie
verwacht aan te treffen in het dossier GVI Aanwijzingen mbt verzorging en
opvoeding De gvi kan een aanwijzing mbt de
verzorging en opvoeding van de minderjarige geven, die de met gezag belaste
ouder dient op te volgen. Dit art. is niet van toepassing bij
uithuisplaatsing. Bk 1 BW Art. 258 De inspectie verwacht een
schriftelijk document waaruit blijkt dat de ouder een aanwijzing heeft
gekregen en dat hij die moet opvolgen wat de inhoud van de aanwijzing is De
inspectie verwacht afwegingen van de gvi waarom het middel van de aanwijzing
wordt ingezet in het dossier terug te vinden. Verzoeken aan de kinderrechter De gezinsvoogdij-instelling die
een verzoek bij de kinderrechter indient (op grond van artikel 254, vierde
lid, en de artikelen 256 - 264) of wordt opgeroepen, zendt bij het
verzoekschrift of onverwijld na de oproep: · het hulpverleningsplan; · een verslag van het verloop
van de ondertoezichtstelling, aan de kinderrechter en aan de Raad voor de
Kinderbescherming. Het gaat hierbij om de volgende
verzoeken: · overdracht aan andere gvi; · verlenging ots; · opheffing ots; · machtiging uithuisplaatsing; · verlenging machtiging
uithuisplaatsing. Verder nog om oproepen naar
aanleiding van verzoeken van anderen aan de kinderrechter, bv om beslissingen
van de gvi terug te draaien. bk 1 BW art 265 De inspectie verwacht mbt het
verslag van het verloop van de ondertoezichtstelling: dat duidelijk wordt
welke situatie er was, welke concrete en evalueerbare doelen zijn gesteld, wat
in verband daarmee is ingezet, en wat door middel van die inzet wel en niet
bereikt is en de consequenties die daaraan verbonden moeten worden: waarom is
(nog) een ots nodig. UITHUISPLAATSING BIJ OTS Plaatsing gedurende dag en nacht
buiten het gezin geschiedt alleen krachtens artikel 261. Zie hierna; dus
ogv machtiging van kinderrechter) (Behoudens in de gevallen dat de met het
gezag belaste ouder daartoe zonder bezwaar van de gezinsvoogdij-instelling
overgaat.) bk 1 BW art 258.3 Toetsingskader ots 28-10-2004 Regelgeving Art Inspectie
verwacht aan te treffen in het dossier GVI · Een gezinsvoogdij-instelling, · de Raad voor de
Kinderbescherming of · het openbaar ministerie kunnen de kinderrechter
verzoeken een machtiging te geven de minderjarige gedurende dag en nacht uit
huis te plaatsen indien dit noodzakelijk is: · in het belang van de
verzorging en opvoeding van de minderjarige of · tot onderzoek van diens
geestelijke of lichamelijke gesteldheid. Bij het verzoek vermeldt de aanvrager
voor welke voorziening, soort voorziening of andere verblijfplaats de
machtiging wordt gevraagd. bk 1 BW art 261.1 en 2 In geval van uhp verwacht de
inspectie een gemotiveerd verzoek, waarin wordt aangegeven waarom uhp
noodzakelijk is (waarom dit in belang is van de verzorging en opvoeding vh
kind en/of waarom onderzoek buiten de thuissituatie nodig is) - in welke
voorziening of verblijfplaats het kind moet worden geplaatst De
gezinsvoogdij-instelling kan een uithuisplaatsing beëindigen. Deze doet
hiervan mededeling aan de Raad voor de Kinderbescherming. · zo spoedig mogelijk en · onder overlegging van een
verslag van het verloop van deuithuisplaatsing. bk 1 BW art 263.1 De inspectie verwacht een brief
waarin de gvi de Raad op de hoogte stelt van de beëindiging uhp met als
bijlage een verslag van het verloop van de uhp. De Raad heeft in verband
hiermee een toetsende taak, dus het document moet voldoende informatie geven
om te toetsen of terugplaatsing gerechtvaardigd is. Toetsingskader ots 28-10-2004 52 Regelgeving Art Inspectie
verwacht aan te treffen in het dossier GVI 1. De met het gezag belaste
ouder 2. een ander die jeugdige als
behorende tot zijn gezin verzorgt/opvoedt en 3. de minderjarige van twaalf
jaren of ouder kunnen wegens gewijzigde omstandigheden de
gezinsvoogdijinstelling verzoeken: a. de uithuisplaatsing te beëindigen; b. de duur ervan te bekorten; c. af te zien van een krachtens
de machtiging toegestane wijziging van de verblijfplaats van de minderjarige.
De gezinsvoogdij-instelling geeft een schriftelijke beslissing binnen twee
weken na ontvangst van het verzoek. Op verzoek van de in het tweede lid
genoemde personen kan de kinderrechter de machtiging geheel of gedeeltelijk
intrekken of de duur ervan bekorten. Artikel 259, eerste lid, tweede volzin,
tweede, derde en vierde lid, alsmede artikel 260, vierde lid, zijn van
toepassing (procedures, termijnen). bk 1 BW art 263.2, 3 en 4 Ingeval van verzoek mbt de uhp,
verwacht de inspectie van de gvi - Een gemotiveerde schriftelijke beslissing - Binnen 2 weken na ontvangst
van het verzoek Plaatsing in het kader van de
Wjhv Als plaatsende instantie zijn
erkend: · De Raad voor de
Kinderbescherming ten behoeve van een onderzoek naar de noodzaak van een
maatregel tot beperking of ontneming van het oude rlijk gezag of de vo ogdij. · Gezinsvoogdij-instellingen,
ten aanzien van jeugdigen die onder hun toezicht staan. Een erkende plaatsende
instantie is bevoegd in de gevallen waarin deze wet zulks vereist, ten aanzien
van een jeugdige die duurzaam verblijft in zijn werkgebied vas t te stellen
welke hulpverlening voor die jeugdige aangewezen is te achten. Wjhv art 27 Toetsingskader ots 28-10-2004 Regelgeving Art Inspectie
verwacht aan te treffen in het dossier GVI Taken plaatsende instantie: · onderzoek naar problemen en
stoornissen; · vaststellen meest aangewezen
vorm(en) van hulp; · met in achtneming van het
“zozozo-beleid” (art 23 Wjhv); · vaststellen termijn van de
hulp (max 6 mnd); · zorgdragen dat de hulp wordt
gerealiseerd (in de regio), tenzij ......; · evaluatie, vaststellen (op
basis van document opnemende voorziening) of voortzetting van de hulp
aangewezen is danwel of andere hulp nodig is. · Hierbij betrekken: ouder(s) met gezag; in aanmerking komende
uitvoerder. · werkzaamheden verantwoorden
in een rapport. Wjhv art 29 art 30 art 31 De inspectie verwacht een
indicatie aan te treffen waarin staat: - Welke hulp nodig is voor welke
problemen - Hoe lang die hulp gaat duren Vwb de evaluatie van de geboden
hulp verwacht de inspectie een rapport met daarin een oordeel over de
resultaten van de hulp tot dan toe en een beslissing over het vervolg,
stoppen, doorgaan, doorgaan met een ander type hulp. De inspectie verwacht dat
zichtbaar is de ouders met gezag bij de evaluatie betrokken zijn BEPALINGEN INZAKE CONTACT,
OMGANG EN INFORMATIE De inspectie verwacht aan te
treffen in het dossier van de GVI In geval van een
uithuisplaatsing kan de gezinsvoogdij-instelling de contacten tussen de met
het gezag belaste ouder en het kind beperken: · voor zover noodzakelijk met
het oog op het doel van de uithuisplaatsing; · voor de duur van de
uithuisplaatsing. Deze beslissing geldt als een
aanwijzing. De met gezag belaste ouder kan dus een verzoek tot intrekken doen
bij de gvi of naar de kinderrechter stappen (zie artikel 259 en 260 bk 1 BW).
De kinderrechter kan een zodanige regeling vaststellen als hem in het belang
van het kind wenselijk voorkomt. bk 1 BW art 263a · Afwegingen waarom een
contactbeperking noodzakelijk is; · Een aanwijzing gericht aan de
met gezag belaste ouder waarin een beperking van het contact gemotiveerd staat
aangegeven. · Indien contactregeling is
vastgesteld door de kinderrechter wordt deze in het dossier verwacht ·
Uitwerking van de gvi mbt toezicht op de uitvoering van deze regeling Toetsingskader ots 28-10-2004 Regelgeving Art Inspectie
verwacht aan te treffen in het dossier GVI Het kind en de niet met het
gezag belaste ouder hebben recht op omgang met elkaar. De rechter stelt op
verzoek van de ouders of van één van hen een omgangsregeling vast dan wel
ontzegt het recht op omgang, al dan niet voor bepaalde tijd. De rechter
ontzegt het recht op omgang slechts op in de wet bepaalde gronden. bk 1 BW art 377a · Uitwerking van de gvi mbt
toezicht op deze omgang, (is het haalbaar, werkt het, wat te doen om het te
laten werken?) · Beslissing rechter bevindt
zich in het dossier · Uitwerking van de gvi mbt
toezicht op uitvoering beslissing De gezinsvoogdij-instelling kan de
kinderrechter vragen voor de duur van de ots de omgangsregeling te wijzigen,
voor zover dat noodzakelijk is met het oog op het doel van de
ondertoezichtstelling. bk 1 BW art 263b · Gemotiveerd verzoek, waarbij
ouders en jeugdige zichtbaar zijn betrokken · Beslissing kinderrechter. · Uitwerking van de gvi mbt
toezicht op de uitvoering van de omgangsregeling De ouder die met het gezag is
belast, moet de niet met gezag belaste ouder · op de hoogte stellen omtrent
gewichtige aangelegenheden; · raadplegen over daaromtrent
te nemen beslissingen (zo nodig door tussenkomst van derden). Op verzoek van een ouder kan de
rechter ter zake een regeling vaststellen. De rechter kan, als het belang van
het kind dat vereist, bepalen dat eea niet van toepassing is. Hij kan dit
ambtshalve doen, of op verzoek van de met gezag belaste ouder. bk 1 BW art 377b In het dossier wordt duidelijk
hoe de gvi hierop toezicht houdt Beslissing van de rechter dat dit artikel
niet van toepassing is en de uitwerking van de gvi wat dit betekent voor het
toezicht. Derden die beroepshalve beschikken over belangrijke informatie
moeten de niet met het gezag belaste ouder hierover desgevraagd informeren,
tenzij: · het belang van het kind zich tegen het verschaffen van informatie
verzet; · hij de ouder met gezag/degene bij wie kind woont ook niet zou
informeren. Bij weigering kan de niet met gezag belaste ouder de rechter
vragen te bepalen dat informatie verstrekt moet worden. Rechter wijst af als
het belang van het kind zich tegen het verschaffen van de informatie verzet. bk 1 BW art 377c Wanneer de gvi van mening is dat
het niet in het belang van het kind is dat de niet met het gezag belaste ouder
wordt geïnformeerd door derden/professionals, dan verwacht de inspectie
afwegingen mbt het belang van het kind. Reactie
Minister van Justitie op moties en toezeggingen Tweede Kamer der Staten
Generaal inzake Jeugdzorg Ministerie
van Justitie, Postadres: Postbus 20301, 2500 EH Den Haag Aan
de voorzitter van de Tweede Kamer der Staten Generaal Postbus
20018 2500
EA DEN HAAG Bezoekadres,
Schedeldoekshaven 100, 2511 EX Den Haag, Telefoon (070) 3 70 69 73 Fax
(070) 3 70 79 75, www.justitie.nl Onderdeel
afdeling Besturing, Doorkiesnummer(s), 070 - 370 45 86 Datum
11 april 2005 Ons
kenmerk 5345227/05/DJJ Onderwerp
Reactie op moties en toezeggingen inzake Jeugdzorg Inleiding Tijdens
het debat op 10 maart jl. met uw Kamer over het rapport van de Inspectie
Jeugdzorg “Onderzoek naar de kwaliteit van hulpverleningsproces aan S”,
heb ik toegezegd u binnen 4 weken te zullen berichten. In deze brief, die ik u
mede namens de Staatssecretaris van VWS doe toekomen, zal ik ingaan op de
navolgende moties: -
de motie van het lid Cörüz (TK 2004-2005, 29 815, nr. 16); -
de motie van de leden Tonkens en Kant (TK 2004-2005, 29 815, nr. 18); -
de motie van het lid Kalsbeek c.s. (TK 2004-2005, 29 815, nr. 14) en -
de motie van het lid Kalsbeek c.s. (TK 2004-2005, 29 815, nr. 15). Tevens
zal ik ingaan op de door ons tijdens dit debat gedane toezeggingen en
aanvullend op een enkel punt uit het notaoverleg over de Jeugdzorg op 31
januari jl. dat nog beantwoord moest worden. Motie
Cörüz en de motie van de leden Tonkens en Kant. In de motie Cörüz vraagt
de Tweede Kamer de regering om in samenwerking met de besturen van de
provincies in het licht van de aanbevelingen van het rapport van de
IJZ-onderzoek te doen naar de werkwijze van de bureaus jeugdzorg en concrete
aanbevelingen voor verbetering van de werkwijze te doen en de Kamer voor de
zomer over de uitkomsten daarvan te informeren. Op
korte termijn zullen in overleg tussen de betrokken partijen - VWS, Justitie,
IPO, MOgroep en Inspectie Jeugdzorg - de punten worden vastgesteld waarover de
bureaus jeugdzorg moeten rapporteren. De provincies worden verzocht toe te
zien op een tijdige rapportage. Gebleken is dat veel bureaus al een eigen
onderzoek zijn gestart naar de werkwijze naar aanleiding van het
inspectierapport. Deze onderzoeken worden aan elkaar verbonden. In de zomer
zal ik de Kamer dan kunnen berichten over de uitkomsten van dit onderzoek. Met
betrokkenen zullen wij bezien of de aanbevelingen die door de inspectie zijn
gedaan, leiden tot extra kwaliteitseisen voor het werk van de bureaus
jeugdzorg en in hoeverre daaraan kosten verbonden zijn. De motie van de leden
Tonkens en Kant, die ziet op de kwalitatieve vormen van controle en sturing
binnen de bureaus jeugdzorg zoals supervisie, intervisie en intercollegiale
toetsing, zullen wij daarbij betrekken. Mogelijk zal dit leiden tot aanpassing
van de kwaliteitssystemen of certificeringsschema’s van de instellingen zelf
en mogelijk tot aanpassing van regelgeving. Tenslotte
meld ik u dat in een overleg tussen het Rijk met o.a. IPO en MOgroep extra
aandacht is gevraagd voor het feit dat de jeugdzorg op tijd en op maat dient
te zijn. Dit betekent o.a. dat niet lichte hulp moet worden ingezet als bij
voorbaat duidelijk is dat zware hulp nodig is. Ook het punt dat AMK’s
contact moeten opnemen met de leiding van het bureau jeugdzorg, wanneer zij
signalen hebben dat gezinsvoogdijwerkers onvoldoende actie ondernemen, is
hierbij aan de orde gesteld. Ik heb de provincies gevraagd op de uitvoering
van de aanbevelingen toe te zien. Ik
meen dat met het vorenstaande recht wordt gedaan aan de wensen van de Kamer
zoals neergelegd in de twee hiervoor genoemde moties en toezeggingen. Wachtlijsten
Raad voor de Kinderbescherming In
de motie Kalsbeek c.s. (TK 2004-2005, 29 815, nr. 14), wordt het kabinet
verzocht er zorg voor te dragen dat aan het eind van 2005 de wachtlijsten bij
de Raad voor de Kinderbescherming zijn verdwenen. Vooropgesteld moet worden
dat in het geval van spoedeisende zaken, de Raad op zeer korte termijn kan
adviseren en dat ook daadwerkelijk doet. In die gevallen is er dus geen sprake
van een wachtlijst. Bij de overige beschermingszaken is inderdaad sprake van
een ontstaan van wachtlijsten. Het wegwerken van deze wachtlijsten bij de Raad
heeft nadrukkelijk hoge prioriteit en ik ben ook bereid daar eenmalig middelen
voor vrij te maken door herprioritering van onderdelen van Jeugd terecht. Maar
nu reeds is duidelijk dat daar meer tijd mee gemoeid is dan de motie
voorstelt. Voorts is van belang dat naast de financiële implicaties van deze
motie, rekening moet worden gehouden met de keteneffecten. Zowel aan de
voorkant (wegwerken van de voorraden die bij het BJZ liggen) als aan de
achterkant (kinderrechters en jeugdzorg) zijn er factoren die van invloed zijn
op de haalbaarheid van een scenario om met behoud van kwaliteit binnen een
redelijke termijn de wachtlijstproblematiek aan te pakken. Het is derhalve van
belang dat de betrokken ketenpartners hier gezamenlijk in optrekken. Een
belangrijk aspect bij de aanpak van de wachtlijsten is dat de Raad in beginsel
moet kunnen voortbouwen op de gegevens die Bureau Jeugdzorg al heeft
verzameld. Indien sprake is van volledige en kwalitatief goede
informatie-voorziening kan de Raad zijn onderzoeksinspanningen beperken en
tijdwinst boeken. Ik acht deze lijn om de doorlooptijden terug te brengen en
langs die weg mede de wachtlijsten aan te pakken dan ook een meer
noodzakelijke voorwaarde om de ontwikkeling die met de Wet op de jeugdzorg in
gang is gezet door te zetten, dan een structurele uitbreiding van het
Raadspersoneel. Toetsende
taak Raad voor de Kinderbescherming In
mijn brief van 10 maart jl. (TK 2004-2005, 29 815, nr. 23) heb ik u toegezegd
dat de Raad voor de Kinderbescherming de toetsende taak zo snel mogelijk zowel
kwalitatief als kwantitatief weer volledig gaat uitoefenen. Voor de wijze
waarop dat gaat gebeuren wordt thans door de Raad een plan van aanpak
opgesteld. Ook hier geldt overigens dat de Raad zich daarbij moet kunnen
baseren op de rapportages van het Bureau Jeugdzorg. De Raad moet betrekkelijk
eenvoudig kunnen vaststellen of nader onderzoek van de kant van de Raad
noodzakelijk is. Ondertoezichtstelling
(ots) voor meerdere kinderen binnen één gezin Tijdens
het notaoverleg over de jeugdzorg van 31 januari jl. heb ik u toegezegd nader
toe te lichten dat in het merendeel van de gevallen alle kinderen in één
gezin tegelijk onder toezicht worden gesteld. Ik heb mij bij mijn eerdere
mededelingen moeten baseren op voorlopige informatie van de zijde van de Raad.
Een registratie van het aantal OTS-ers per gezin ontbreekt. Uit nadere
informatie blijkt dat het beeld enigszins genuanceerd moet worden. Volgens
de Raad voor de Kinderbescherming wordt in ongeveer de helft van de gevallen
voor alle kinderen in een gezin tegelijk een maatregel gevraagd. Het onderzoek
van de Raad voor de Kinderbescherming richt zich in eerste instantie op het
gemelde kind cq. de gemelde kinderen. Tijdens het onderzoek wordt het
opvoedingsklimaat en het functioneren van het gezin in kaart gebracht. Indien
de ontwikkelingsbedreiging van het kind vooral te verklaren is vanuit het
disfunctioneren van het gezin, respectievelijk het pedagogisch handelen van de
opvoeders worden de andere kinderen ook bij het onderzoek betrokken. De Raad
zal nader onderzoeken of uniformering van de werkwijze terzake aangewezen is.
Richtsnoer daarbij is dat het onderzoek zich op alle kinderen zal moeten
richten, tenzij er duidelijk sprake is van individuele problematiek bij een
specifiek kind. Ik zal bewerkstelligen dat in het belang van de kinderen in
voorkomende gevallen een “gezins-OTS” wordt uitgesproken. Ten
aanzien van de motie Kalsbeek waarin wordt verzocht om al het nodige te doen
om de norm dat de bescherming van het kind als primaire doelstelling in de
jeugdzorg en kinderbescherming te verankeren geldt het volgende. Voor wat
betreft verankering in de jeugdbescherming en met name in het Burgerlijk
Wetboek is dit punt reeds opgenomen in het programma Beter Beschermd. Zoals ik
uw Kamer al eerder heb bericht (TK 2005-2005, 29815, nr, 12) verwacht ik medio
2006 het wetsvoorstel voor advies voor te kunnen leggen aan diverse
organisaties. Daarnaast zal ik samen met VWS bezien of het nodig is de Wet op
de Jeugdzorg aan te passen. Landelijke
invoering Deltaplan De
in het project Deltaplan Gezinsvoogdij ontwikkelde methode voor de uitvoering
van ondertoezichtstellingen is succesvol gebleken, vooral vanwege de
doelgerichte en planmatige aanpak van de problemen van de jeugdigen en hun
ouders. Ik heb reeds op 23 maart aangegeven dat ik een landelijke invoering
inclusief een verlaging van de caseload wenselijk acht en daartoe ook stappen
zal zetten. Ten behoeve van de afronding van de methode en de beschrijving van
het scholingsaanbod zal ik de MOgroep verzoeken hiervoor zo spoedig mogelijk
plannen in te dienen. De
nieuwe methode zal op zo kort mogelijke termijn bij alle bureaus jeugdzorg
worden geïmplementeerd. Ik heb het IPO verzocht te inventariseren wanneer de
diverse bureaus jeugdzorg hiermee een aanvang kunnen maken, en wat de kosten
zijn om de bestaande gezinsvoogdijwerkers van die organisaties in de nieuwe
methode te scholen. (Voor toekomstige gezinsvoogdijwerkers geldt dat deze
scholing in de bestaande scholingstrajecten voor (gezins)voogdijwerkers zal
worden ingebed.) Op
basis van deze inventarisatie zal ik samen met het IPO een plan opstellen voor
de landelijke implementatie van de nieuwe methode. Tevens zal daarin worden
aangeven op welke wijze de reeds beschikbare en daaraan als noodzakelijk
geachte extra toegevoegde rijksmiddelen zullen worden ingezet. Via
herprioritering binnen de Justitiebegroting is hiervoor een bedrag beschikbaar
dat oploopt tot 14 miljoen in 2008. Ik meen dat voor dit bedrag de uitvoering
van de nieuwe methode structureel mogelijk is. Er zullen echter nog een aantal
stappen moeten worden gezet om de kosten definitief te kunnen bepalen. In de
eerste plaats zal er een nieuwe kostprijs moeten worden vastgesteld. Het
bedrag van 25 miljoen euro, dat onlangs door het veld als noodzakelijk is
aangegeven, is gebaseerd op het bedrag dat ik ter beschikking heb gesteld van
de pilots. In de doorrekening voor een landelijke uitrol is echter geen
rekening gehouden een aantal kostenverlagende factoren zoals: - de
verlaging van de caseload van de sector als geheel tijdens de looptijd van de
pilots door toevoeging van structurele gelden; - grote
verschillen in inzet in het primaire proces, o.a. tot uitdrukking komend in de
verschillende hoogten van de caseload, zelfs binnen de pilots van het
Deltaplan, ondanks een gelijke wijze van financiering van de
bureaus jeugdzorg; - uit
verschillende onderzoeken is gebleken dat de processen binnen de bureaus
jeugdzorg nog niet optimaal zijn ingericht; - de
mogelijke inverdieneffecten van het Deltaplan door de effectievere werkwijze
die naar alle partijen vermoeden, kan leiden tot een verkorting van de
looptijd van de OTS en een vermindering van de uithuisplaatsing. Gelet
op het vorenstaande kan in de loop van 2005 met de uitrol worden begonnen en
acht ik het mogelijk om binnen twee jaar de nieuwe methode bij alle bureaus
jeugdzorg te hebben geïmplementeerd. Mocht het op basis van de nadere
kostprijsberekening blijken dat een ophoging van het beschikbare budget
noodzakelijk is, dan ben ik bereid om hiervoor in 2006 de noodzakelijke
stappen te zetten. Uit
het verslag van het evaluatie-onderzoek ‘Bescherming in ontwikkeling’
blijkt dat er weliswaar meer kind- en doelgericht wordt gewerkt, maar dat nog
altijd niet duidelijk is of en in hoeverre deze doelen zijn afgeleid uit de
bedreigingen in de opvoedingssituatie van de OTS-pupil. Om die reden zal ik
het in mijn brief van 30 juni 2004 (TK 2003-2004 28 606 en 29 200 VI, nr. 19)
aangekondigde plan om een instrument te ontwikkelen voor effectiviteitmeting
in jeugdbescherming, met voorrang ter hand nemen in goed overleg met
provincies. Door
gebruik van dat instrument worden gezinsvoogdijwerkers aangemoedigd in iedere
afzonderlijke zaak de feitelijke bedreigingen van de belangen van de OTS-pupil
te benoemen en deze te verbinden met concrete doelen voor de uitvoering van de
OTS. Ik
hoop u met deze brief voldoende te hebben geïnformeerd. De
Minister van Justitie,
Joubertstraat 24
3851 DM Ermelo
Ref.: 00117/eo/am
betreft: belangenbehartiging
Geachte heer Hop
E.S.P. Oudejans
directeur.
Vestigingen
(Directie en Centrale Administratie) Haarlem Alkmaar Hilversum
Kenaupark 22 Nieuwegracht 16 Frans Halsstraat 49 Torenlaan 31
2011 MC Haarlem 20 NE Haarlem 1816 CM Alkmaar 1217 RV Hilversum
Telefoon: 023-5534060 Fax: 023-5534061 Telefoon 023-5420904 Telefoon 072-5127122 Telefoon 035-6247441
Postbank 4057600 RABO bank 38.94.33.721 Fax: 023-5420714 Fax: 072-5116714 Fax: 035-6217084
Voormalig directeur Stichting Jeugd en Gezin Noord-Holland
Voorzitter Beroepsvereniging Phorza
Aan verdachte werd primair verweten dat zij als gezinsvoogd heeft nagelaten
maatregelen te treffen, als gevolg waarvan Savanna is overleden. Dat nalaten
maakt de gezinsvoogd, aldus de tenlastelegging, schuldig aan de dood van
Savanna. Subsidiair was verdachte, eveneens op grond van dat nalaten, zwaar
lichamelijk letsel door schuld ten laste gelegd.
De rechtbank zag zich voor de vraag gesteld in hoeverre verdachte
haar functie als gezinsvoogd van Savanna op de juiste wijze heeft uitgevoerd.
De rechtbank concludeert dat verdachte niet alles heeft gedaan wat van haar in
die situatie kon en mocht worden verwacht. Dit betekent volgens de rechtbank
echter niet zonder meer dat zij strafrechtelijk schuld zou hebben aan de dood
of het zwaar lichamelijk letsel van Savanna. Dan zou er in ieder geval sprake
moeten zijn van een causaal verband tussen het nalaten van de gezinsvoogd (om
maatregelen te treffen) en de dood of het zwaar lichamelijk letsel van Savanna.
De dood van Savanna was het directe gevolg van de gedragingen van haar moeder
op 20 september 2004. Zowel de dood van Savanna als de handelwijze van haar
moeder die tot haar dood heeft geleid, waren, zo is de rechtbank gebleken,
niet voorzienbaar. Dat standpunt heeft ook het openbaar ministerie betrokken
toen het in zijn requisitoir op 1 november jl. vrijspraak vorderde voor de
primair ten laste gelegde dood door schuld. In navolging van wat door het
openbaar ministerie is gevorderd, heeft de rechtbank de verdachte van dood
door schuld vrijgesproken.
Wat betreft het subsidiair aan de gezinsvoogd ten laste gelegde zwaar
lichamelijk letsel door schuld, overweegt de rechtbank dat, zelfs indien ervan
uitgegaan zou worden dat de ernstige ondervoeding door het uit huis plaatsen
van Savanna afwendbaar was geweest, er geen sprake is van een strafrechtelijke
causaliteit tussen die ondervoeding en het nalaten van verdachte. De ernstige
ondervoeding van Savanna was het directe gevolg van de gedragingen van haar
moeder en/of van de voor dat feit veroordeelde echtgenoot van de moeder. De
ernstige ondervoeding en ook de handelwijze van de moeder en/of haar
echtgenoot die tot die ondervoeding heeft geleid waren volgens de rechtbank
niet voorzienbaar. De rechtbank heeft verdachte ook van dit subsidiair ten
laste gelegde feit vrijgesproken. Het openbaar ministerie had gevorderd
verdachte voor dit feit te veroordelen tot een voorwaardelijke werkstraf van
150 uur, subsidiair 75 dagen hechtenis, met een proeftijd van 2 jaar.
De Hoge Raad heeft uitspraak gedaan in de procedure waarin de Stichting
Thuiszorg Groot Rijnland, nader te noemen “de Stichting”, beklag heeft
gedaan over de inbeslagneming van het door het consultatiebureau aangelegde
medisch dossier betreffende Savanna.
Het Openbaar Ministerie heeft daarbij aangegeven dat de aandacht met name
uitgaat naar de inhoud van de contacten die er tussen het consultatiebureau en
de gezinsvoogdes zijn geweest. Het consultatiebureau waar Savanna onder
controle stond, valt onder het verband van de Stichting.
In opdracht van de rechter-commissaris is na een bevel tot uitlevering het
medisch dossier gezondheidszorg 0-4 jarigen betreffende Savanna onder de
Stichting in beslag genomen. Dit dossier bevindt zich thans in een gesloten
envelop in de kluis van de rechter-commissaris. De Stichting heeft zich verzet
tegen de inbeslagneming stellende dat de betreffende stukken vallen onder het
haar toekomende verschoningsrecht (medisch beroepsgeheim). De rechtbank
‘s-Gravenhage heeft het klaagschrift van de Stichting, strekkende tot
teruggave van inbeslaggenomen medisch dossier, bij beschikking van 23 augustus
2005 ongegrond verklaard.
De Stichting heeft cassatieberoep ingesteld tegen de beschikking van de
rechtbank. Mr. C. Waling, advocaat in Den Haag, heeft namens de Stichting
onder meer aangevoerd dat het oordeel van de rechtbank dat er in deze
zaak sprake is van zeer uitzonderlijke omstandigheden die een doorbreking van
het verschoningsrecht van de medicus rechtvaardigen, onvoldoende is
gemotiveerd. Voorts dat de afwijzing van het subsidiaire verzoek van de
Stichting om slechts een geclausuleerde kennisneming van het medisch dossier
toe te staan, ontoereikend is gemotiveerd. De advocaat-generaal A.J.M.
Machielse heeft in zijn conclusies van 14 en 28 februari 2006 de Hoge Raad
geadviseerd het cassatieberoep te verwerpen.
De Hoge Raad heeft op 9 mei 2006 de beschikking van de rechtbank vernietigd
met verwijzing van de zaak, ter verdere behandeling en beoordeling, naar het
gerechtshof ‘s-Gravenhage . De Hoge Raad heeft eerst het algemene
toetsingskader geschetst dat geldt bij de beoordeling van een beroep op het
verschoningsrecht door een geheimhouder. Aan het verschoningsrecht (medisch
beroepsgeheim) ligt ten grondslag dat het maatschappelijk belang van
waarheidsvinding moet wijken voor het maatschappelijk belang dat een ieder
zich zonder vrees voor openbaarmaking van het toevertrouwde moet kunnen wenden
tot de verschoningsgerechtigde.
Vervolgens heeft de Hoge Raad overwogen dat het oordeel van de rechtbank dat
sprake is van zeer uitzonderlijke omstandigheden, die een inbreuk op het
verschoningsrecht kunnen rechtvaardigen en die ertoe behoren te leiden dat het
inbeslaggenomen medisch dossier bij de stukken van het geding wordt gevoegd,
ontoereikend is gemotiveerd.
- dat het hier niet gaat om een tegen de verschoningsgerechtigde bestaande
verdenking;
- de aard en omvang van de gegevens die met doorbreking van het
verschoningsrecht in de strafprocedure zouden worden ingebracht;
- de omstandigheid dat hier sprake is van verdenking van de misdrijven van de
art. 307, 308 in verbinding met art. 309 Sr, terwijl, volgens de rechtbank,
met name van belang is de frequentie en inhoud van de contacten tussen de arts
van het consultatiebureau en de verdachte gezinsvoogdes;
- de rechtbank onvoldoende heeft onderzocht de vraag of de relevante
gegevens niet op andere wijze konden worden verkregen, mede in het licht van
hetgeen namens de Stichting in het klaagschrift is aangevoerd en voorgesteld
en het verhandelde in raadkamer. Het oordeel van de rechtbank “dat in het
licht van het bovenstaande een geclausuleerde kennisname van het dossier meer
vragen zal opwerpen en derhalve in onvoldoende mate zal bijdragen aan het aan
het licht brengen van de waarheid” is niet zonder meer begrijpelijk.
Het gerechtshof ‘s-Gravenhage, waarnaar de zaak wordt verwezen, zal de
gegrondheid van het klaagschrift opnieuw moeten onderzoeken en daarop een
beslissing moeten geven.
Strafkamer
nr. 03082/05 B
AGJ/SB
Hoge Raad der Nederlanden
Beschikking
op het beroep in cassatie tegen een beschikking van de Rechtbank te
's-Gravenhage van 23 augustus 2005, nummer RK 05/1882, op een beklag als
bedoeld in artikel 552a van het Wetboek van Strafvordering, ingediend door:
STICHTING THUISZORG GROOT RIJNLAND, gevestigd te Leiden.
1. De bestreden beschikking
De Rechtbank heeft ongegrond verklaard het door de klaagster ingediende beklag
strekkende tot teruggave aan haar van het in bovenstaande beschikking
omschreven dossier.
2. Geding in cassatie
2.1. Het beroep is ingesteld door de klaagster. Namens deze heeft mr. C.
Waling, advocaat te 's-Gravenhage, bij schriftuur middelen van cassatie
voorgesteld. De schriftuur is aan deze beschikking gehecht en maakt daarvan
deel uit.
De Advocaat-Generaal Machielse heeft geconcludeerd dat de Hoge Raad het beroep
zal verwerpen.
2.2. De Hoge Raad heeft kennisgenomen van het schriftelijk commentaar van de
raadsvrouw op de conclusie van de Advocaat-Generaal.
3. Procesgang
In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.
Klaagster is de Stichting Thuiszorg Groot Rijnland.
Naar aanleiding van de gewelddadige dood van de driejarige [slachtoffer] is
het Openbaar Ministerie een onderzoek begonnen naar onder meer de rol van de
jeugdhulpverlening. Daarbij is de gezinsvoogdes als verdachte aangemerkt.
De Officier van Justitie heeft in raadkamer aangevoerd dat de gezinsvoogdes
wordt verdacht van overtreding van art. 307 Sr dan wel art. 308 Sr, zulks in
samenhang met art. 309 Sr. In de zaak tegen de gezinsvoogdes wenst zowel het
Openbaar Ministerie als de verdediging te beschikken over het door het
consultatiebureau aangelegde medisch dossier betreffende [slachtoffer]. Het
Openbaar Ministerie heeft daarbij gesteld dat de aandacht met name uitgaat
naar de inhoud van de contacten die er tussen het consultatiebureau en de
gezinsvoogdes zijn geweest. Het consultatiebureau waar [slachtoffer] onder
controle stond, valt onder het verband van de Stichting Thuiszorg Groot
Rijnland. In opdracht van de Rechter-Commissaris is na een bevel tot
uitlevering onder de klaagster inbeslaggenomen het dossier gezondheidszorg 0-4
jarigen betreffende [slachtoffer]. Dit dossier bevindt zich thans in een
gesloten envelop in de kluis van de Rechter-Commissaris.
De klaagster verzet zich tegen inbeslagneming en stelt dat de desbetreffende
stukken vallen onder het haar toekomende (afgeleide) verschoningsrecht.
4. Beoordeling van het eerste middel
4.1. Het middel behelst de klacht dat het oordeel van de Rechtbank dat er in
deze zaak sprake is van zeer uitzonderlijke omstandigheden die een doorbreking
van het verschoningsrecht rechtvaardigen, onbegrijpelijk althans ontoereikend
is gemotiveerd, en dat de afwijzing van het subsidiaire verzoek van de
klaagster om slechts een geclausuleerde kennisneming van het medisch dossier
toe te staan ontoereikend is gemotiveerd.
4.2. Blijkens de bij de behandeling van het klaagschrift in raadkamer
overgelegde pleitnota is namens de klaagster naar voren gebracht dat in deze
zaak geen sprake is van zeer uitzonderlijke omstandigheden die een doorbreking
van het verschoningsrecht kunnen rechtvaardigen. Met betrekking tot het
subsidiaire verzoek slechts een "geclausuleerde kennisname" toe te
staan houdt de pleitnota het volgende in:
"29. Mocht uw rechtbank toch tot de conclusie komen dat sprake is van
zulke zeer uitzonderlijke omstandigheden dat de waarheidsvinding dient te
prevaleren boven het verschoningsrecht dan acht de Stichting het van het
grootste belang dat u daarbij - de beginselen van proportionaliteit en
subsidiariteit indachtig - kiest voor een modus waarbij de inbreuk op de
geheimhoudingsplicht en de privacy zo beperkt mogelijk is.
30. In het klaagschrift heb ik onder punt 8 aangegeven wat een mogelijkheid
zou zijn waar de Stichting zich in dat subsidiaire geval in zou kunnen vinden.
Het zou dan wel aanbeveling verdienen als u zich in uw uitspraak dan ook zou
uitlaten over de scope van de inbreuk, met andere woorden over welke gegevens
mag worden gerapporteerd, c.q. vragen kunnen worden gesteld. Ik kan mij
voorstellen dat - in de lijn van het onderzoek van de OvJ - alleen een
samenvatting wordt gegeven over contacten met de gezinsvoogd, voorzover
daarvan blijkt uit het CB-dossier.
31. Tot slot acht de Stichting - door ervaring wijs geworden - het van belang
dat indien zou worden gekozen voor de verstrekking van het dossier aan een
onafhankelijke arts, dat dit dan wel een arts is die deskundig is ten aanzien
van de jeugdgezondheidszorg."
Het hier bedoelde klaagschrift houdt onder punt 8 in:
"Dat zou naar het oordeel van de Stichting met zich brengen dat moet
worden voorkomen dat het volledige CB-dossier in het strafdossier wordt
opgenomen. Tegen die achtergrond zou dan kunnen worden gedacht aan de modus
dat het CB-dossier aan een onafhankelijke arts - met kennis van de
jeugdgezondheidszorg - wordt verstrekt die vervolgens een samenvattende
rapportage kan maken en/of specifieke vragen van het OM of de verdediging kan
beantwoorden zodat de privacybelangen van de betrokkenen ([slachtoffer] en
haar moeder) niet meer worden geschaad dan strikt noodzakelijk is".
4.3. De bestreden beschikking houdt, voorzover voor de beoordeling van het
middel van belang, het volgende in:
"Op 27 juli 2005 is door de rechter-commissaris mr. C.M. Derijks, belast
met de behandeling van strafzaken, verbonden aan de rechtbank 's-Gravenhage,
na een bevel tot uitlevering ex artikel 105 van het Wetboek van
Strafvordering, onder de Stichting Thuiszorg Groot Rijnland te Leiden (hierna:
klaagster) het dossier gezondheidszorg 0-4 jarigen inzake [slachtoffer]
(hierna CB-dossier) in beslag genomen. Dit CB-dossier is in het bijzijn van de
bestuurder van de Stichting Thuiszorg in een envelop gedaan, voorzien van een
stempel van de rechtbank en een handtekening van de rechter-commissaris en
wordt thans ongeopend bewaard door de rechter-commissaris in afwachting van
een beslissing van de rechtbank op het door klaagster ingediende klaagschrift.
(...)
De rechtbank heeft vastgesteld, dat klaagster, de officier van justitie en de
rechter-commissaris er niet over van mening verschillen, dat het CB-dossier
geen stukken bevat welke voorwerp van het strafbare feit uitmaken, noch tot
het begaan daarvan hebben gediend. De rechtbank gaat daar dan ook van uit.
Kennisneming van een aantal van deze stukken leidt in beginsel tot schending
van het beroepsgeheim, waardoor deze niet zonder toestemming van de
verschoningsgerechtigde in beslag mogen worden genomen, behoudens zeer
uitzonderlijke omstandigheden. Dit standpunt dient door politie en justitie geëerbiedigd
te worden, tenzij er redelijkerwijze geen twijfel over kan bestaan dat dit
standpunt onjuist is. Gelet op de jurisprudentie van de Hoge Raad is onder
vorenbedoelde zeer uitzonderlijke omstandigheden denkbaar, dat het belang dat
de waarheid aan het licht komt, moet prevaleren boven het verschoningsrecht.
Klaagster en de officier van justitie verschillen van mening over de vraag of
in casu sprake is van een zeer uitzonderlijke omstandigheid of omstandigheden.
De rechtbank is van oordeel dat uit het onderzoek in raadkamer is gebleken van
dergelijke zeer uitzonderlijke omstandigheden. Daartoe heeft de rechtbank het
volgende overwogen. Feit is dat een 3-jarig meisje, [slachtoffer], aan de
gevolgen van een mishandeling is overleden terwijl meerdere hulpverlenende
instanties en instellingen reeds jarenlang intensief bij het gezin, waarvan
[slachtoffer] deel uitmaakte, waren betrokken, juist om dit meisje te
beschermen en haar ontwikkeling te waarborgen. Eén van de medewerkers van
één van deze instellingen, gezinsvoogdes [verdachte], wordt daar nu
uitgelicht en haar wordt een strafrechtelijk verwijt gemaakt. Mede in
aanmerking genomen de grote ophef die rond de dood van [slachtoffer] en rond
de rol van hulpverleningsinstanties en hulpverleners is ontstaan, betreft het
hier een zeer uitzonderlijke zaak.
In het kader van de waarheidsvinding zijn de stukken uit de strafzaak tegen de
moeder van [slachtoffer] aan het dossier toegevoegd. Aldus is medische
informatie inzake [slachtoffer] -overgelegd door behandelend artsen - reeds
beschikbaar gekomen. De medische informatie uit de periode oktober 2002 tot en
met medio juli 2004, juist de periode waarin verdachte [verdachte] als
gezinsvoogdes is opgetreden, ontbreekt op dit moment in het dossier. Het is
voor de waarheidsvinding in de zaak tegen de verdachte [verdachte] van zeer
groot belang dat het CB-dossier beschikbaar komt, in elk geval om de reeds
aanwezige medische informatie te completeren. Daar komt bij, dat het
CB-dossier, naar verwacht mag worden, tevens informatie bevat omtrent de
frequentie en inhoud van de contacten tussen CB-arts en de verdachte. Met name
deze informatie acht de rechtbank van eminent belang voor de beantwoording van
de vraag of en in hoeverre verdachte een verwijt kan worden gemaakt met
betrekking tot het overlijden van [slachtoffer]. Daarbij kan er naar het
oordeel van de rechtbank niet aan worden voorbijgezien, dat een arts van het
consultatiebureau indertijd reeds contact heeft opgenomen met de verdachte
omtrent de toestand van [slachtoffer] en derhalve zelf reeds haar
geheimhoudingsplicht heeft geschonden. Blijkens door de rechter-commissaris
overgelegde correspondentie, heeft de CB-arts reeds op voorhand aangekondigd
zich tijdens een verhoor op het verschoningsrecht te willen beroepen.
Nu het CB-dossier van zo groot belang is voor het aan de dag brengen van de
waarheid, verzet het belang van strafvordering zich tegen opheffing van het
beslag, zodat het beklag ongegrond dient te worden verklaard.
Wat betreft het subsidiaire standpunt van de raadsvrouw van klaagster oordeelt
de rechtbank, dat in het licht van het bovenstaande een geclausuleerde
kennisname van het dossier meer vragen zal opwerpen en derhalve in onvoldoende
mate zal bijdragen aan het aan het licht brengen van de waarheid."
4.4. Bij de beoordeling van het middel dient het volgende te worden
vooropgesteld.
Aan het verschoningsrecht ligt ten grondslag dat het maatschappelijk belang
dat de waarheid in rechte aan het licht komt, moet wijken voor het
maatschappelijk belang dat een ieder zich vrijelijk en zonder vrees voor
openbaarmaking van het toevertrouwde om bijstand en advies tot de
verschoningsgerechtigde moet kunnen wenden.
Ingevolge art. 98, eerste lid, Sv mogen bij personen met een bevoegdheid tot
verschoning als bedoeld in art. 218 Sv zonder hun toestemming brieven of
andere geschriften tot welke hun plicht tot geheimhouding zich uitstrekt, niet
in beslag worden genomen. Wel mogen, ook zonder hun toestemming, in beslag
worden genomen brieven of geschriften die voorwerp van het strafbare feit
uitmaken of tot het begaan daarvan hebben gediend, nu dergelijke brieven en
geschriften geen object zijn van de aan evenbedoelde personen toekomende
bevoegdheid tot verschoning. De Rechtbank heeft in cassatie onbestreden
vastgesteld dat hier geen sprake is van geschriften die het voorwerp van het
strafbare feit uitmaken of tot het begaan daarvan hebben gediend.
Het verschoningsrecht van onder meer de arts is echter in zoverre niet
absoluut, dat zich zeer uitzonderlijke omstandigheden laten denken waarin het
belang dat de waarheid aan het licht komt - ook ten aanzien van datgene
waarvan de wetenschap hem als zodanig is toevertrouwd - moet prevaleren boven
het verschoningsrecht. De beantwoording van de vraag welke omstandigheden als
zeer uitzonderlijk moeten worden aangemerkt is niet in een algemene regel
samen te vatten. Voor het oordeel dat van zodanige omstandigheden - en
derhalve van een uitzondering op de hoofdregel met betrekking tot het
verschoningsrecht - sprake is, gelden zware motiveringseisen.
4.5. De Rechtbank heeft onderzocht of er sprake is van zeer uitzonderlijke
omstandigheden als hiervoor bedoeld.
Bij de beantwoording van die vraag heeft de Rechtbank de volgende factoren van
belang geacht:
a) de omstandigheid dat de aanleiding voor het onderhavige strafrechtelijke
onderzoek is gelegen in een zeer ernstig feit, te weten de gewelddadige dood
van een driejarig meisje;
b) de omstandigheid dat naar aanleiding van de dood van het meisje grote ophef
is ontstaan, met name ook wat betreft de rol van de hulpverleningsinstanties;
en
c) de omstandigheid dat de gegevens waarop de inbeslagneming van het dossier
is gericht van groot belang zijn voor het aan de dag brengen van de waarheid
omtrent het functioneren van de verdachte als gezinsvoogdes.
4.6. Het oordeel van de Rechtbank dat sprake is van zeer uitzonderlijke
omstandigheden als hiervoor onder 4.4 bedoeld die ertoe behoren te leiden dat
het inbeslaggenomen medisch dossier bij de stukken van het geding wordt
gevoegd, is ontoereikend gemotiveerd. De Hoge Raad heeft daarbij in aanmerking
genomen:
- dat het hier niet gaat om een tegen de verschoningsgerechtigde bestaande
verdenking;
- de aard en omvang van de gegevens, die met doorbreking van het
verschoningsrecht in de strafprocedure zouden worden ingebracht;
- de omstandigheid dat hier sprake is van verdenking van de misdrijven van de
art. 307 dan wel 308, in verbinding met 309 Sr, in de context waarvan, naar de
Rechtbank heeft overwogen, met name van belang is de frequentie en inhoud van
de contacten tussen de arts van het Consultatiebureau en de verdachte, terwijl
- de Rechtbank onvoldoende ervan blijk heeft gegeven te hebben onderzocht de
vraag of de relevante gegevens niet op andere wijze konden worden verkregen,
mede in het licht van hetgeen namens de klaagster in het klaagschrift
subsidiair is aangevoerd en voorgesteld en het verhandelde in raadkamer, in
welk verband niet zonder meer begrijpelijk is het oordeel van de Rechtbank
"dat in het licht van het bovenstaande een geclausuleerde kennisname van
het dossier meer vragen zal opwerpen en derhalve in onvoldoende mate zal
bijdragen aan het aan het licht brengen van de waarheid".
4.7. Het middel is derhalve terecht voorgesteld.
5. Slotsom
Hetgeen hiervoor is overwogen brengt mee dat de bestreden beschikking niet in
stand kan blijven, het tweede middel geen bespreking behoeft en als volgt moet
worden beslist.
6. Beslissing
De Hoge Raad:
Vernietigt de bestreden beschikking;
Verwijst de zaak naar het Gerechtshof te 's-Gravenhage opdat de zaak op het
bestaande klaagschrift opnieuw wordt behandeld en afgedaan.
Deze beschikking is gegeven door C.J.G. Bleichrodt als voorzitter, en de
raadsheren J.P. Balkema, B.C. de Savornin Lohman, J. de Hullu en W.E.
Thomassen, in bijzijn van de griffier S.P. Bakker, in raadkamer en
uitgesproken ter openbare terechtzitting van 9 mei 2006.
Mr. Machielse
Zitting 28 februari 2006
Aanvullende conclusie inzake:
Stichting Thuiszorg Groot Rijnland
1. Op 14 februari 2006 heb ik geconcludeerd in deze zaak. Ik heb het eerste
middel besproken en over het hoofd gezien dat bij aanvullende schriftuur een
tweede middel is voorgesteld. Middels deze aanvullende conclusie wil ik dit
verzuim goedmaken.
2.1. Het tweede middel klaagt dat de ongegrondverklaring van het beklag
neerkomt op een ongerechtvaardigde inbreuk op het recht op de persoonlijke
levenssfeer, gegarandeerd door artikel 8 EVRM. Artikel 8 EVRM beschermt niet
slechts het individuele belang van een patiënt, maar ook de belangen van
anderen die erop moeten kunnen rekenen dat hun persoonlijke levenssfeer niet
wordt geschonden als zij zich bijvoorbeeld tot een medisch hulpverlener
wenden.
De bescherming van de persoonlijke levenssfeer wordt gediend door de
geheimhoudingsplicht van bepaalde beroepsbeoefenaars.
De toelichting op het middel besteedt uitgebreid aandacht aan de bescherming
van het beroepsgeheim in het Nederlandse recht. Verdedigd wordt dat een
inbreuk op het beroepsgeheim moet voldoen aan de eisen van het tweede lid van
artikel 8 EVRM, en dat het daaraan in deze zaak schort.
2.2. Ik kan het middel hierin niet volgen. De bescherming die ontleend kan
worden aan artikel 8 EVRM richt zich op de persoon die aan de
beroepsbeoefenaar persoonlijke informatie verschaft. Diens persoonlijke
levenssfeer kan in het gedrang komen als de beroepsbeoefenaar niet verplicht
zou zijn om hetgeen hem in vertrouwen wordt medegedeeld geheim te houden. De
rechtspraak van het EHRM waarop het middel zich beroept illustreert dit. In de
zaak Z tegen Finland(1) rees de vraag op welk moment de echtgenoot van
klaagster, die vervolgd werd voor verkrachtingen, zich ervan bewust was dat
hij besmet was met HIV. Klaagster beriep zich op haar verschoningsrecht.
Vervolgens werden de artsen die klaagster en haar echtgenoot hadden
geconsulteerd verplicht om informatie te geven en werden de medische dossiers
van klaagster en haar echtgenoot inbeslaggenomen. Het EHRM overwoog:
"71. It was undisputed that the various measures complained of
constituted interferences with the applicant's right to respect for her
private and family life as guaranteed by paragraph 1 of Article 8 of the
Convention (art. 8-1). The Court sees no reason to hold otherwise."
Uiteindelijk kwam het Hof tot de conclusie dat er voldaan was aan de eisen van
het tweede lid van artikel 8 EVRM. In de in de toelichting op het middel
genoemde zaak Andersson tegen Zweden(2) had de psychiater bij wie klaagster in
behandeling was de kinderbescherming gewaarschuwd in het belang van het kind
van klaagster. Het Hof kwam niet eens toe aan een bespreking van de beweerde
schending van artikel 8 EVRM omdat de klacht door de Commissie kennelijk
ongegrond werd verklaard. De zaak M.S. tegen Zweden betrof een
arbeidsongeschiktheidsuitkering. Ter beoordeling van de aanvraag van de
uitkering waren medische gegevens aan de uitvoeringsinstantie verstrekt. Het
Hof meende dat klaagsters persoonlijke levenssfeer was geschonden, maar dat
voldaan was aan alle eisen van het tweede lid van artikel 8 EVRM.(3) Telkens
ging het om de bescherming van de persoonlijke levenssfeer van degene die zich
tot de medicus had gewend en niet om een zelfstandig beschermde status van de
geheimhoudingsplicht van de arts.
2.3. Zoals ik in mijn oorspronkelijke conclusie schreef heeft de moeder van
[slachtoffer] geen bezwaar tegen toevoeging van het consultatiebureau-dossier
aan de stukken in de strafzaak tegen de gezinsvoogdes.
Daarmee is een schending van het recht op bescherming van de persoonlijke
levenssfeer, gewaarborgd in artikel 8 EVRM, van de baan. Toetsing van de
inbeslagneming van het dossier aan de in het tweede lid van artikel 8 EVRM
gestelde eisen is niet meer aan de orde. Wat de toelichting op het aanvullende
middel overigens nog aanvoert over het belang van het verschoningsrecht en de
grenzen van de uitzonderingen daarop is al aan de orde geweest in mijn eerdere
conclusie. Nu aan de Stichting geen zelfstandig beroep op artikel 8 EVRM
toekomt, faalt het middel.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
1 EHRM 25 februari 1997, NJ 1997, 516 m.nt. Knigge.
2 EHRM 27 augustus 1997, 72/1996/691/883, Reports 1997-IV.
3 EHRM 27 augustus 1997, 74/1996/693/885, Reports 1997-IV.
Nr. 03082/05 B
Mr. Machielse
Zitting 14 februari 2006
Conclusie inzake:
Stichting Thuiszorg Groot Rijnland
1. Op 23 augustus 2005 heeft de rechtbank 's-Gravenhage het klaagschrift van
de Stichting Thuiszorg Groot Rijnland, verder te noemen de Stichting,
strekkende tot teruggave van een gesloten en verzegelde envelop inhoudende het
dossier gezondheidszorg 0-4 jarigen inzake [slachtoffer], ongegrond verklaard.
2. Mr. L. Schutte, advocaat te 's-Gravenhage, heeft cassatie ingesteld. Mr. C.
Waling, advocaat te 's-Gravenhage, heeft een schriftuur ingezonden, houdende
één middel van cassatie.
3.1. De rechtbank heeft de Stichting ontvankelijk geoordeeld in haar
klaagschrift omdat haar een afgeleid verschoningsrecht in de zin van artikel
218 Sv toekomt. Voorts heeft de rechtbank overwogen dat het inbeslaggenomen
dossier geen stukken bevat welke het voorwerp van het strafbare feit uitmaken
of tot het begaan daarvan hebben gediend. De rechtbank is echter van oordeel
dat zeer uitzonderlijke omstandigheden in dit geval de doorbreking van het
verschoningsrecht en de geheimhoudingsplicht van de Stichting rechtvaardigen.
Daartoe heeft de rechtbank het volgende overwogen:
"Feit is dat een 3-jarig meisje, [slachtoffer], aan de gevolgen van een
mishandeling is overleden terwijl meerdere hulpverlenende instanties en
instellingen reeds jarenlang intensief bij het gezin, waarvan [slachtoffer]
deel uitmaakte, waren betrokken, juist om dit meisje te beschermen en haar
ontwikkeling te waarborgen. Eén van de medewerkers van één van deze
instellingen, gezinsvoogdes [verdachte], wordt daar nu uitgelicht en haar
wordt een strafrechtelijk verwijt gemaakt. Mede in aanmerking genomen de grote
ophef die rond de dood van [slachtoffer] en rond de rol van
hulpverleningsinstanties en hulpverleners is ontstaan, betreft het hier een
zeer uitzonderlijke zaak.
In het kader van de waarheidsvinding zijn de stukken uit de strafzaak tegen de
moeder van [slachtoffer] aan het dossier toegevoegd. Aldus is medische
informatie inzake [slachtoffer] -overgelegd door behandelend artsen - reeds
beschikbaar gekomen. De medische informatie uit de periode oktober 2002 tot en
met medio juli 2004, juist de periode waarin verdachte [verdachte] als
gezinsvoogdes is opgetreden, ontbreekt op dit moment in het dossier. Het is
voor de waarheidsvinding in de zaak tegen de verdachte [verdachte] van zeer
groot belang dat het CB-dossier beschikbaar komt, in elk geval om de reeds
aanwezige medische informatie te completeren. Daar komt bij, dat het
CB-dossier, naar verwacht mag worden, tevens informatie bevat omtrent de
frequentie en inhoud van de contacten tussen CB-arts en de verdachte. Met name
deze informatie acht de rechtbank van eminent belang voor de beantwoording van
de vraag of en in hoeverre verdachte een verwijt kan worden gemaakt met
betrekking tot het overlijden van [slachtoffer]. Daarbij kan er naar het
oordeel van de rechtbank niet aan worden voorbijgezien, dat een arts van het
consultatiebureau indertijd reeds contact heeft opgenomen met de verdachte
omtrent de toestand van [slachtoffer] en derhalve zelf reeds haar
geheimhoudingsplicht heeft geschonden. Blijkens door de rechter-commissaris
overgelegde correspondentie, heeft de CB-arts reeds op voorhand aangekondigd
zich tijdens een verhoor op het verschoningsrecht te willen beroepen.
Nu het CB- dossier van zo groot belang is voor het aan de dag brengen van de
waarheid, verzet het belang van strafvordering zich tegen opheffing van het
beslag, zodat het beklag ongegrond dient te worden verklaard.
Wat betreft het subsidiaire standpunt van de raadsvrouw van klaagster oordeelt
de rechtbank, dat in het licht van het bovenstaande een geclausuleerde
kennisname van het dossier meer vragen zal opwerpen en derhalve in onvoldoende
mate zal bijdragen aan het aan het licht brengen van de waarheid."
3.2. Blijkens hetgeen in raadkamer aan de orde is gekomen betreft het hier het
onderzoek naar de tragische dood van een klein kind en naar de
verantwoordelijkheid van de gezinsvoogdes in dat verband. De raadsman van de
gezinsvoogdes heeft in raadkamer aangevoerd dat in dit geval het belang van de
waarheidsvinding de voorkeur moet krijgen boven het maatschappelijk belang van
het verschoningsrecht van het consultatiebureau, een standpunt dat
klaarblijkelijk de officier van justitie ook inneemt. Volgens de advocaat van
de gezinsvoogdes hebben medewerkers van het consultatiebureau bij de politie
voor haar belastende verklaringen afgelegd over het meningsverschil dat tussen
het consultatiebureau en de gezinsvoogdes was gerezen inzake de behandeling
van het kind. Het is in het belang van de verdediging van de gezinsvoogdes om
kennis te nemen van de inhoud van het dossier van het consultatiebureau.
3.3. De Hoge Raad heeft zich al enige malen uitgesproken voor een relativering
van het verschoningsrecht.
Het verschoningsrecht van onder meer de arts is volgens de Hoge Raad in
zoverre niet absoluut, dat zich zeer uitzonderlijke omstandigheden laten
denken waarin het belang dat de waarheid aan het licht komt - ook ten aanzien
van datgene waarvan de wetenschap hem als zodanig is toevertrouwd - moet
prevaleren boven het verschoningsrecht. De beantwoording van de vraag welke
omstandigheden als zeer uitzonderlijk moeten worden aangemerkt is niet in een
algemene regel samen te vatten. Daarbij geldt voorts dat indien moet worden
geoordeeld dat het belang van de waarheidsvinding dient te prevaleren, die
inbreuk op het verschoningsrecht niet verder mag gaan dan strikt nodig is voor
het aan het licht brengen van de waarheid van het desbetreffende feit.(1)
3.4. Het is aan de rechter die over de feiten oordeelt om alle belangen,
omstandigheden en kenmerken van de zaak die hij van belang acht en
redelijkerwijs van belang kan achten in onderling verband te bezien en af te
wegen. Welke belangen de rechter in die afwegingen betrekt en hoe zwaar hij
deze belangen waardeert hangt af van keuzen die de Hoge Raad niet kan over
doen maar slechts op redelijkheid en begrijpelijkheid kan toetsen.
Klaarblijkelijk heeft de rechtbank het belang dat ouders hun kinderen zich
zonder schroom of bezwaar tot een consultatiebureau kunnen wenden, zonder
angst dat de door hen verstrekte informatie zomaar aan derden wordt verstrekt,
hier gerelativeerd. Dat acht ik begrijpelijk gelet op het in feitelijke aanleg
gestelde en toen en in cassatie niet bestreden feit dat de moeder van
[slachtoffer] toestemming heeft gegeven voor opening van het dossier dat het
consultatiebureau over [slachtoffer] had aangelegd.(2)
3.5. Omdat de Stichting noch een aan haar verbonden hulpverlener in deze zaak
als verdachte wordt aangemerkt speelt hier geen rol dat een beroep op het
verschoningsrecht wordt gedaan om de eigen strafrechtelijke aansprakelijkheid
toe te dekken of de eigen medewerkers ruggesteun te bieden. De rechtbank heeft
naar mijn oordeel wel kunnen laten meewegen dat het een geruchtmakende en
ernstige strafzaak betreft. Voorts heeft de rechtbank geoordeeld dat er al wel
medische informatie over [slachtoffer] beschikbaar is gekomen, maar dat de
medische informatie over de periode oktober 2002 tot en met medio juli 2004,
de periode waarin verdachte als gezinsvoogdes is opgetreden, juist ontbreekt.
Het middel wijst er weliswaar op dat inmiddels een groot aantal hulpverleners
verklaringen hebben afgelegd en medische informatie hebben verstrekt, maar het
staat aan de rechtbank om vast te stellen of die informatie toereikend is met
het oog op de strafzaak tegen de gezinsvoogdes. De Hoge Raad kan niet treden
in de vraag of die vaststelling juist is, maar enkel of zij niet
onbegrijpelijk is. Anders dan de steller van het middel vind ik dit onderdeel
van de beschikking niet onbegrijpelijk. Daaraan kan niet afdoen dat
medewerkers van de Stichting ook al uitgebreide verklaringen hebben afgelegd.
Het is immers aan de rechter die over de feiten oordeelt om te beslissen of
hij daarmee genoegen kan nemen.
3.6. Vergelijking van de onderhavige zaak met de factoren die volgens de Hoge
Raad in HR 29 juni 2004, NJ 2005, 273 bij de afweging of er zeer
uitzonderlijke omstandigheden waren die het verschoningsrecht opzij kunnen
zetten een rol spelen, brengt een aantal verschillen aan het licht. Maar er
zijn ook overeenkomsten. De aard van de gevraagde gegevens is in de
onderhavige zaak delicater dan in genoemd arrest. De Hoge Raad noemde ook
relevant de omstandigheid dat die gegevens niet op een andere wijze konden
worden verkregen. In de onderhavige zaak heeft de rechtbank geoordeeld dat het
dossier van het consultatiebureau gegevens bevat die in de strafzaak tegen de
gezinsvoogdes ter beschikking moeten staan. Gezien dat oordeel en het feit dat
de Stichting een beroep doet op het verschoningsrecht lijkt mij het verschil
tussen beide zaken in dat opzicht gering. Kennelijk heeft de rechtbank
geoordeeld dat de informatievoorziening ten behoeve van de rechter, OM en
verdediging in de strafzaak tegen de gezinsvoogdes tekort zou schieten als zij
niet zouden kunnen beschikken over de gegevens in het inbeslaggenomen dossier
en dat die informatie niet op andere wijze dan door kennisneming van de inhoud
van dat dossier zou kunnen worden verkregen.
In het arrest van 2004 ging het om ernstige delicten, herhaald seksueel
misbruik van een kind in een psychiatrisch centrum waaraan dat kind was
toevertrouwd. De Hoge Raad wees op het belang van het slachtoffer bij een
objectief onderzoek ter waarheidsvinding. In de onderhavige zaak gaat het om
de wens van de rechtbank, die zowel door het OM als door de verdediging wordt
ondersteund, om over nadere informatie te beschikken omtrent de inhoud van de
contacten tussen de medewerkers van het consultatiebureau en de gezinsvoogdes.
De gezinsvoogdes is verdachte in deze zaak. Het gaat in deze zaak dus niet om
een conflict tussen OM enerzijds en verdediging anderzijds over de noodzaak om
bepaalde informatie aan het dossier toe te voegen, in welk conflict de rechter
in een beklagprocedure moet beslissen, maar om een door alle partijen in de
strafzaak gevoelde noodzaak. Het feit dat de verdachte gezinsvoogdes was legt
volgens mij ook een bijzonder gewicht in de schaal. [slachtoffer] is op grond
van een beslissing van de kinderrechter onder toezicht gesteld omdat de
kinderrechter van oordeel was dat de situatie van artikel 1: 254 (oud) BW van
toepassing was. De gezinsvoogdes had tot taak toezicht te houden op de
minderjarige en hulp en steun te bieden om de bedreiging van de zedelijke of
geestelijke belangen of de gezondheid van de minderjarige af te wenden
(artikel 1: 257 (oud) BW). Met dat doel konden aanwijzingen gegeven worden ten
aanzien van de verzorging en opvoeding van de minderjarige (artikel 1: 258
(oud) BW).
Het maatschappelijk belang bij een onderzoek naar het functioneren van de
gezinsvoogdes in deze zaak, welk belang door de strafzaak wordt gediend, gaat
gepaard met een zwaarwegend belang, dat eerder persoonlijk is getint, van
verdachte om te kunnen beschikken over alle informatie die zij meent nodig te
hebben om haar proceshouding te kunnen bepalen. Dat maatschappelijk belang
dient te worden bezien tegen de achtergrond van het vertrouwen dat de
kinderrechter in het instituut van de ondertoezichtstelling en het daarmee
gepaard gaande toezicht op de minderjarige moet kunnen hebben en in het licht
van het functioneren van het toezicht in het algemeen. De uitoefening van het
verschoningsrecht in deze zaak zou afbreuk kunnen doen aan het maatschappelijk
belang dat een gezinsvoogdes verantwoordelijk kan worden gesteld voor haar
beslissingen in het kader van de ondertoezichtstelling genomen en dat zij zich
ook tegen verwijten ten aanzien van haar taakuitoefening afdoende kan
verweren, met alle gevolgen van dien voor de invulling die aan de
toezichthoudende taak van de functionaris wordt gegeven en de geneigdheid van
de kinderrechter om minderjarigen ter bescherming aan stichtingen als bedoeld
in artikel 1 onder f van de Wet op de jeugdzorg toe te vertrouwen.
Het individuele belang van verdachte is erin gelegen dat zij de beschikking
krijgt over de aantekeningen die anderen wellicht hebben gemaakt en naar
aanleiding waarvan anderen hebben verklaard over een meningsverschil tussen de
gezinsvoogdes en het consultatiebureau.
Het zeer uitzonderlijke van de omstandigheden die deze zaak kenmerken spruit
mijns inziens voort uit de afweging van enerzijds de veelheid aan en zwaarte
der belangen die pleiten voor een doorbreking van het verschoningsrecht, tegen
anderzijds het, gezien de door de moeder van [slachtoffer] verleende
toestemming, geringe belang bij handhaving daarvan.
De rechtbank heeft naar mijn oordeel de weegschaal kunnen laten doorslaan ten
gunste van de belangen die met doorbreking van het verschoningsrecht zijn
gediend.
3.7. De afwijzing van het subsidiaire verzoek acht ik evenmin onbegrijpelijk.
Het honoreren ervan brengt een omslachtige procedure teweeg die, na het
kennelijke oordeel van de rechtbank, aan de belangen die door openbaarmaking
worden gediend onvoldoende recht kan doen. De kennisneming van stukken van het
consultatiebureau blijft beperkt tot het dossier van [slachtoffer]. De
belangen van anderen, die ook klant waren bij het consultatiebureau lopen geen
gevaar onevenredig te worden getroffen.
4. Het voorgestelde middel faalt naar mijn mening in al zijn onderdelen.
Ambtshalve heb ik geen grond aangetroffen die tot vernietiging aanleiding
behoort te geven.
5. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
1 Vgl. HR 1 maart 1985, NJ 1986, 173; HR 14 okt. 1986, NJ 1987, 490; HR 17
april 2001, LJN AB1272; HR 30 november 1999, NJ 2002, 438; HR 18 juni 2002, NJ
2003, 621; HR 29 juni 2004, LJN AO5070.
2 Zie art. 7:446 leden 1 en 2 BW, art. 7:454 lid 1 BW, art. 7:456 BW, art. 457
lid 1 BW, art. 7:465 lid 1 BW, getemperd door het vierde lid van hetzelfde
artikel.
Minister Donner van Justitie en Staatssecretaris Ross van VWS zijn geschokt
door de uitkomsten van het rapport van de Inspectie jeugdzorg naar het
tragisch overlijden van een driejarige peuter vorig jaar september. De
Inspectie jeugdzorg heeft onderzoek gedaan naar de kwaliteit van het
hulpverleningsproces aan de peuter. De bewindslieden hebben de Tweede Kamer
hierover per brief geïnformeerd.
Minister Donner en Staatssecretaris Ross onderschrijven de aanbeveling van de
inspectie dat bij de bescherming van minderjarigen het perspectiefvan het
kind leidend moet zijn. Er mogen geen onduidelijkheden bestaan over de normen
die gehanteerd worden over al dan niet ingrijpen in het gezin en de
verantwoordelijkheid die een ieder daarbij heeft. Voorop staat de eigen
verantwoordelijkheid van de gezinsvoogd, die zich bewust moet zijn van
beperkingen in deskundigheid bij de uitvoering van de rol van regisseur in het
hulpverleningsproces. De bewindslieden zijn van mening dat het onderdeel is
van een professionele organisatie dat verschillende onderdelen elkaar
aanspreken op het functioneren en elkaar onderling corrigeren.
De minister van Justitie wijst er verder op dat hij naar aanleiding van
eerdere bevindingen van de inspectie maatregelen in gang heeft gezet. Een van
de maatregelen is de ontwikkeling van een nieuwe werkwijze voor de uitvoering
van ots. Deze werkwijze is gebaseerd op ‘Leiding geven aan verandering’,
het visiedocument van de gezamenlijke bureaus jeugdzorg. In dat document is de
hoofdrichting voor de uitvoering van deze kinderbeschermingsmaatregel
beschreven. Het evaluatieonderzoek, waarvan de minister onlangs de rapportage
naar de Kamer heeft gestuurd, maakt duidelijk dat met de nieuwe werkwijze in
projectteams belangrijke verbeteringen in de gezinsvoogdij, onder andere op
het terrein van kindgerelateerde uitvoering, realisatie van vooraf gestelde
hulpverleningsdoelen en de kwaliteit van de dossiervorming zijn bereikt. Ook
de Inspectie jeugdzorg onderschrijft het belang van deze nieuwe werkwijze.
| Strijd om afschrift contactjournaal geeft representatief zicht op mentaliteit die heerst in de "jeugdzorg" | |
| 134 | Tip van Hop: "Zorg dat u de omschrijving van een verdachte goed kent!" |
| 100 | Tip van Hop: "Zorg dat u iedere maand de werkwijze van de gezinsvoogd in uw zaak goed controleert!" |
| 639 | Tip van Hop: "Dien gelijk een bezwaarschrift in tegen iedere regel die niet deugt in een indicatiebesluit!" |
| 640 | Tip van Hop: "Dien gelijk een bezwaarschrift in tegen iedere regel die niet deugt in een Plan van Aanpak GEZINSVOOGDIJ!" |
| 641 | Tip van Hop: "Dien gelijk een bezwaarschrift in tegen iedere regel die niet deugt in een Hulpverleningsplan ZORGVERLENER!" |
| 680 | Tip van Hop: "Dien NOOIT een klacht in tegen de jeugdzorg, dien altijd een BEZWAARSCHRIFT en BEROEPSCHRIFT in!" |
| 500 | Tip van Hop: "Kinderrechters overleggen met jeugdzorg buiten de hoorzitting om hoe zij op weerwerk moeten beslissen!" |
| 070 | Het artikel "kinderdieven" van Prof. Dr. A. de Swaan werd door Hop als grondslag gebruikt in strijd om afgifte contactjournaal |
| 069 | Oneerlijk rechtsproces bij klachtafhandeling! Klagers hadden geen stukken en geen contactjournaal |
| 068 | VEreniging DIrecteuren VOogdij-instellingen (Vedivo) wil bepalen wat rechters en burgers mogen lezen |
| 067 | Hetze tegen Hop! Stichting Bureau Jeugdzorg Utrecht weigert Hop na klagen over naam instelling en contactjournaal |
| 335 | Hetze tegen Hop! Brief Stichting Bureau Jeugdzorg Utrecht dat er geen afschrift van het contactjournaal wordt gegeven |
| 130 | Hetze tegen Hop! Stichting Bureau Jeugdzorg Limburg weigert afgifte contactjournaal en doet mee met hetze tegen Hop |
| 066 | Hetze tegen Hop! Stichting Jeugd en Gezin Noord-Holland weigert Hop "na aanzetten tot klagen over afgifte contactjournaal" |
| 252 | Hetze tegen Hop! Persbericht gezinsvoogdijinstelling over Hop in strijd om afgifte contactjournaal gezinsvoogd |
| 251 | Hetze tegen Hop! Brief gezinsvoogdijinstelling over Hop aan alle cliëntenorganisaties |
| 250 | Steun voor Hop! Platform cliëntenorganisaties verheugt dat ouders actie voeren om afgifte contactjournalen |
| 222 | Complot tegen de rechtsstaat! De zaak Admiraal/Vermaas geeft direct inzicht in het belang burger bij contactjournaal |
| 062 | Hetze tegen Hop! AKJ en Veringmeier starten en verliezen kort geding tegen Hop bij rechtbankpresident mr. P.A. Offers |
| 064 | Oproep aan de gezinsvoogden: "Neem je eigen kinderrechter mee en ga demonstreren voor 200 miljoen extra |
| 065 | Hop voert actie met ouders en deelt folders uit bij ministeries en Parlement voor afgifte contactjournaal gezinsvoogd |
| 063 | Hop roept op niet meer te demonstreren in Den Haag na censuur in Nederland na demonstratie rechters gezinsvoogden |
| 116 | Hetze tegen Hop! Voorkeur voor gesubsidieerde klachtondersteuners bij provincie Flevoland, Gelderland, Overijssel |
| 316 | Hetze tegen Hop! Voorkeur voor gesubsidieerde klachtondersteuners bij provincie Zuid-Holland |
| 220 | Hetze tegen Hop! Beroepsverbod voor Hop in drie provincies na weigering Hop klachten op maximaal !4-tje in te dienen |
| 061 | Het HVRM arrest Mc Michael! Nederland schendt mensenrechten |
| 053 | Vedivo opent een helpdesk voor gezinsvoogdijinstellingen om hen bij te staan in hun strijd tegen Hop |
| 055 | Contactjournaal: Eerste bonafide uitspraak door College Advies Justitiële Kinderbescherming |
| 056 | Contactjournaal: Tweede bonafide uitspraak Provinciale Klachtencommissie Noord-Brabant |
| 057 | Contactjournaal: Derde bonafide uitspraak Provinciale Klachtencommissie Groningen |
| 058 | Contactjournaal: Vierde bonafide uitspraak Provinciale Klachtencommissie Zuid-Holland |
| 059 | Contactjournaal: Vijfde bonafide uitspraak Provinciale Klachtencommissie Rotterdam Haaglanden |
| 060 | Contactjournaal: Zesde bonafide uitspraak Provinciale Klachtencommissie Noord-Brabant |
| 137 | Memo Margriet Storms aan alle sectormanagers Bureau Jeugdzorg Amsterdam inzake Vedivo formulering om Hop te weigeren |
| 054 | Vedivo besluit tot afgifte van contactjournaal gezinsvoogd |
| 137 | Hetze tegen Hop! Vedivo leidt hetze tegen Hop met als grondslag Amerikaanse websites die NIET van Hop zijn |
| 052 | Hetze tegen Hop! Beroepsverbod voor Hop nu omdat hij weigert te stoppen met steeds dezelfde klachten in te dienen |
| 051 | Hetze tegen Hop! Klacht gegrond! Hop is ten onrechte geweigerd als belangenbehartiger van klagende burgers |
| 050 | Brief Platform Cliëntenorganisaties Familierecht aan Hop met de hoop dat Hop zijn werk zal voortzetten |
| 084 | Hetze tegen Hop! Advocaat jeugdzorg: "Hop moet bloeden" na de gewonnen strijd om afgifte contactjournaal |
| 300 | Liegen en bedriegen is de norm voor de werkwijze van de jeugdzorg om burgers te demoniseren en kapot te maken |
| 020 | Rene Diekstra: "Macht is recht! Wie meer macht heeft eigent zich ongestraft steeds meer rechten toe" |
| 459 | Nawoord. Zorg dat u de geschiedenis van de Omroepbijdrage goed kent! |
| 718 | Nawoord. Problemen met jeugdzorg? Doe zelf mee met provinciale verkiezingen 2011, verkiezingen gemeenteraad 2014! |
| JH | Dankzegging. Jan Hop bedankt iedereen die heeft meegeholpen in de strijd om afgifte contactjournaal gezinsvoogd |