(547) Geschiedenis. Hoger beroep Leenders/Nienhuis met J. Hop Ermelo als hun procesvertegenwoordiger GEGROND bij Raad van State tegen "niet-ontvankelijk" bezwaarschrift tegen besluit op Wob102 sloeg in als een bom bij NL-jeugdzorg.

Wob102verzoek1, Wob102verzoek2, Wob102verzoek3, Wob102verzoek4, Wob102verzoek5, Wob102verzoek6, Wob102verzoek7, Wob102verzoek8, Wob102verzoek9, Wob102verzoek10, Wob102verzoek11, Wob102verzoek12, Wob102verzoek13, Wob102verzoek14, Wob102verzoek15

Censuur in Nederland ©

Lees eerst de uitgangsformule
© (134) (75) (DDD) Denksport De Deur Beveiliging & bescherming burger tegen een NIET-KLANTVRIENDELIJKE overheid © 
Wob 102.11 een verplichte praktijkoefening conform uitgangsformule: Wat is de norm? Wat is het gevaar? Hoe is de vergelijkingsmethode tot stand gekomen?

Stockholmsyndroom

To whom it may concern

Project kinderbescherming niet meer bij rechter aan tafel

Project strijd om afgifte contactjournaal gezinsvoogd

Project bezwaar en beroep tegen besluiten jeugdzorg bij kinderbeschermingsmaatregelen

Project Wob 102, hoger beroep met Hop bij Raad van State tegen niet-ontvankelijk bezwaarschrift Wob 102 GEGROND!

Project Schriftelijke Aanwijzing

Project BEZWAAR tegen Plan van Aanpak

Project BEZWAAR tegen HVP zorgverlener

(134) (75) © DDD Denksport De Deur! Radboud Ziekenhuis Nijmegen weigert afschrift dossier! Radboud Ziekenhuis Nijmegen wil dossier achter De Deur houden om in gezellig onderonsje met SBJG en RVDK met een VOPO-verzoekschrift de ouders van A. Leenders/Nienhuis UIT HET GEZAG te zetten. Nienhuis/Leenders zijn NIET IN HET ZIEKENHUIS geweest! Welke "smerige streken" van dit Radboud Ziekenhuis Nijmegen moeten kost wat kost achter De Deur blijven dat hiervoor "OUDERS UIT HET GEZAG GEZET" worden?

De norm! Betere rechters in Nederland kenmerken zich door waarheidsvinding en niet als een PAPEGAAI de jeugdzorg NAPRATEN!

 

 

 

bjz17151696 Stichting Bureau Jeugdzorg Noord-Brabant, Gabriel Metsulaan 1F, 5613 LC Eindhoven
bjz17151696 Advies & Meldpunt Kindermishandeling West- en Midden-Brabant, Fellenoordstraat 52, 4811 TJ Breda
bjz17151696 Advies & Meldpunt Kindermishandeling Oost-Brabant De Callenburgh 2, 5701 PA Helmond

AANDACHTSVESTIGING!
Aan ALLE burgemeesters, gemeentesecretarissen, raadsgriffiers en ambtenaren gemeente of provincie in Nederland
Aan ALLE rechters in Nederland
Aan ALLE
pleegouders in Nederland
Aan ALLE medewerkers van scholen in Nederland
Aan ALLE medewerkers van ziekenhuizen in Nederland
Aan ALLE gedragsdeskundigen en psychologen in Nederland
Aan ALLE medewerkers van verzekeringsmaatschappijen in Nederland
Aan ALLE medewerkers van kindertehuizen, kindergevangenissen of andere instellingen actief in de jeugdzorg
Aan ALLE politie agenten en hun leidinggevenden in Nederland
COMPETENTIE! Indien u personen tegen komt bij OTS of VOTS die zich ten onrechte uitgeven voor de VOOGD wordt u vriendelijk verzocht deze persoon GELIJK AAN TE HOUDEN en over te dragen aan het BEVOEGD GEZAG voor een WAARHEIDSVINDING ONDERZOEK. Indien deze persoon zich inderdaad ten onrechte heeft uitgegeven voor een VOOGD bij OTS of VOTS aangifte tegen deze persoon te doen wegens "het vervullen van een beroep in valse hoedanigheid" met het verzoek aan het BEVOEGD GEZAG deze persoon onverwijld een BEROEPSVERBOD op te leggen om ooit nog met kinderen te werken om jeugdzorg voor kinderen en hun OUDERS BELAST MET HET GEZAG VEILIGER te maken! (575) (581) (101) (124) (232)

 

 

 

19 klachten gegrond met Hop als gemachtigde van ouders bij interne klachtencommissie en provinciale klachtencommissie tegen Stichting Jeugdzorg Noord-Brabant

 

Ad 19

De Klachtencommissie heeft geconstateerd dat het niet mogelijk is gebleken voor de GVI a afspraken met moeder te maken betreffende het belcontact tussen haar en haar kinderen. De Klachtencommissie neemt derhalve aan dat de beslissing van de GVI betreffende dit contact eenzijdig genomen is. Een dergelijke beslissing geldt als een aanwijzing . De minderjarige(n) van twaalf jaren of ouder en de moeder hadden de kinderrechter dan ook binnen twee weken na het geven van deze aanwijzing kunnen mar m om de aanwijzing vervallen te verklaren en om een andere regeling vast te stellen omtrent het belcontact. Ook hadden zij de GVI op ieder moment kunnen verzoeken om de aanwijzing - wegens  omstandigheden - in te trekken.

De Klachtencommissie is met de heer Hop van mening dat de beslissing op schrift gesteld had moeten worden door de GVI en dat daarbij het bovenstaande aangegeven had moeten worden.

De klacht wordt gegrond verklaard.

Ad 20
Het is de Klachtencommissie ter zitting gebleken dat de heer De M. ten aanzien van de Linderen van alles geregeld heeft met betrekking tot de begrafenis van hun oma. Vóór het overlijden van hun oma had de gezinsvoogd zich echter wat meer coulant kunnen opstellen met betrekking tot de belcontacten tussen moeder en de kinderen.
De klacht wordt in zoverre gegrond verklaard

Ad 29
De Klachtencommissie heeft geconstateerd dat het op een gegeven moment niet meer mogelijk was voor de GVI om afspraken met moeder te maken betreffende het bezoekcontact tussen haar en haar kinderen. Daar de GVI het kennelijk toch noodzakelijk achtte dat de bezoekcontacten niet onbeperkt zouden plaatsvinden, had de GVI - eenzijdig - een regeling kunnen vaststellen. Deze beslissing zou als een aanwijzing gegolden hebben. Moeder had de kinderrechter vervolgens eventueel, binnen twee weken na de beslissing van de GVI,  kunnen verzoeken om wijziging van de omgangsregeling Ook had zij de GVI op ieder ander moment kunnen verzoeken om de aanwijzing – wegens gewijzigde omstandigheden – in te trekken De klachtencommissie is met de heer Hop van mening dat de GVI - nu het maken van afspraken niet meer mogelijk was en beperking van het bezoekcontact toch gewenst was - een schriftelijke beslissing had moeten nemen en dat daarbij het bovenstaande aangegeven had moeten worden.
De klacht wordt in zoverre gegrond verklaard.  

Ad 38
De Klachtencommissie overweegt met betrekking tot het verzoek van moeder om een andere gezinsvoogd als volgt. De Wet regelt niets met betrekking tot de beslissing van een GVI op het verzoek van een ouder om een andere gezinsvoogd. De GVI was dan ook niet gehouden om binnen veertien dagen op het verzoek te beslissen. Ter zitting is evenwel door de gezinsvoogd gesteld - en door klagers niet weersproken - dat moeder wèl binnen veertien dagen een antwoord heeft gekregen op haar verzoek. Tegen de beslissing van de GVI bestaat geen beroepsmogelijkheid. De  Klachtencommissie is van mening dat moeder in zoverre ten onrechte klaagt. Met betrekking tot het verzoek van moeder om uitbreiding van de omgangsregeling overweegt de Klachtencommissie dat de GVI, op basis van de wet, binnen veertien dagen op het verzoek had moeten beslissen. Het is de Klachtencommissie niet gebleken dat dit gebeurd is. De Klachtencommissie is van mening dat moeder in zoverre terecht klaagt. De Klachtencommissie wil hierbij wel opmerken dat de beslissing van de GVI vervallen na zijn op het moment dat de ontheffing van moeder uit het gezag van kracht zou zijn geworden.
Op grond van het bovenstaande verklaart de Klachtencommissie de klacht gedeeltelijk gegrond.
 

Ad 39
De Klachtencommissie overweegt dat de GVI de ouder met gezag - bij afwijzing van zijn/haar verzoek tot vaststelling/uitbreiding van de omgangsregeling - dient te wijzen op de mogelijkheid om het verzoek binnen twee weken aan de kinderrechter te doem'. Het is de K achtencommissie niet gebleken dat dit gebeurd is. De Klachtencommissie acht dit evenwel niet geheel verwijtbaar aan de GVI, nu de beschikking inzake het verzoek tot de ontheffing van moeder uit het gezag op 28-01-2000 door de rechter gegeven zou worden. De beslissing van de GVI zou na de ontheffing van moeder in het gezag sowieso vervallen zijn.
Op grond van het bovenstaande acht de Klachtencommissie de klacht gedeeltelijk gegrond.  

Ad 49
Het is de Klachtencommissie niet gebleken dat door St. Jz gereageerd is op het verzoek van klagers tot inzage in deze stukken. Op grond van art. 11 lid 2 van de interne Klachtenregeling heeft de klager recht op inzage in de voor de klachtenbehandeling relevante stukken, tenzij bescherming van de privacy bepaalde personen zich daartegen verzet. Gezien bovenstaande acht de Klachtencommissie de klacht gegrond. De Klachtencommissie wil hierbij opmerken dat het verzoek  eigenlijk aan de Klachtencommissie gedaan had moeten worden.

Ad 62
Het is de Klachtencommissie niet gebleken dat er, zoals de GVI heeft aangegeven, reeds eerder Klachten van mevrouw T. en de heer B. zijn behandeld door de interne - of externe (Provinciale) Klachtencommissie.
De Klachtencommissie acht de klacht gegrond.

III Aanbevelingen van de interne Klachtencommissie

De Klachtencommissie doet de volgende aanbeveling.

Indien de minderjarige uit huis geplaatst is, kan de GVI - indien zij dit met het oog op

Het doel van de uithuisplaatsing noodzakelijk acht - afspraken maken met de ouder met

gezag over de contacten tussen deze ouder en het kind.

Soms komen deze afspraken evenwel moeizaam of niet tot stand. In die gevallen zou de GVI meer gebruik moeten maken van de mogelijkheid die art. 1:263 a BW haar biedt.

Op grond van die bepaling kan de GVI - eenzijdig - een beslissing nemen betreffende de
contacten tussen de ouder met gezag en het kind. Deze beslissing geldt als een
aanwijzing. De aanwijzing zou altijd op schrift gesteld moeten worden, waarbij het volgende vermeld zou moeten worden. De minderjarige van twaalf jaren of ouder en de ouder met gezag kunnen de kinderrechter binnen twee weken verzoeken om de aanwijzing geheel of gedeeltelijk vervallen te verklaren, op grond van art. 1:259 BW. Ook kunnen zij de GVI op ieder moment verzoeken om de aanwijzing – wegens gewijzigde omstandigheden – in te trekken, op grond van art. 1:260 BW.

 

PROVINCIALE KLACHTENCOMMISSIE
NOORD-BRABANT

Uitspraak Provinciale Klachtencommissie inzake de klacht van mevrouw H.A.M. T. en de heer C.A.G.J. B. tegen de Stichting Jeugdzorg Noord-Brabant te Eindhoven.

1.      De ontvankelijkheid van mevrouw T. en de heer B. in hun klacht.

Mevrouw T. en de heer B. zijn te beschouwen als belanghebbenden in de zin van de Provinciale Klachtenverordening Jeugdhulpverlening Noord-Brabant 1998. Bij brief d.d. 8 augustus 2000 , met alle daarbij behorende en overige stukken, deze laatste overigens ontvangen op 17 augustus 20000, hebben zij zich gewend tot de Provinciale Klachtencommissie Jeugdhulpverlening Noord-Brabant, verder te noemen Provinciale Klachtencommissie. Mevrouw T. en de heer B. zijn tijdig in beroep gekomen en derhalve ontvankelijk in hun klacht.

2.      Ingekomen stukken. - de brief d.d. 8 augustus 2000 met alle daarbij behorende en overige stukken.

3.      De feiten en het verloop van de gebeurtenissen.

Op 25 februari 2000 hebben mevrouw T. en de heer B. zich gewend tot de Interne Klachtencommissie van de Stichting Jeugdzorg Noord-Brabant, nader te noemen de Interne Klachtencommissie. De Interne Klachtencommissie heeft op 08 juni 2000 uitspraak gedaan. Dit heeft geleid tot de mededeling als bedoeld in de Wet op de Jeugdhulpverlening art. 50a d.d. 31 juli 2000. Tegen de inhoud van deze mededeling richt zich de klacht.

Op 11 september 2000 heeft de Provinciale Klachtencommissie mevrouw T. en de heer B. gehoord. Zij hebben zich daarbij laten vertegenwoordigen door hun daartoe uitdrukkelijk gemachtigde heer J. Hop. Hoewel daartoe behoorlijk te zijn opgeroepen is de Stichting bij de hoorzitting van de Provinciale Klachtencommissie niet verschenen.

Door de Stichting is ook overigens geen verweer gevoerd.

4.      Standpunten van partijen.

Mevrouw T. en de heer B. volharden in de klachten als geformuleerd in hun brief aan de Provinciale Klachtencommissie. Ter zitting van de Provinciale

Klachtencommissie geven zij daarop nog een nadere mondelinge toelichting. Door mevrouw T. en de heer B. zijn bij de Provinciale Klachtencommissie 70 klachten gedeponeerd.

Bij mondelinge behandeling is aan mevrouw T. en de heer B. voorgesteld alleen die klachten te behandelen die door mevrouw T. en de heer B. als essentieel worden aangemerkt.

Naast behandeling van een aantal klachten met een formeel karakter zijn mevrouw T. en de heer B. akkoord gegaan met uitsluitend de behandeling van de klachten onder de nummers 12, 13 15 en 18.

4. Beoordeling door de Provinciale Klachtencommissie

Ten aanzien van klacht 1.

De Provinciale Klachtencommissie onderschrijft hetgeen omtrent klacht 1 door de Interne Klachtencommissie is opgemerkt. In haar reactie op de uitspraak van de Interne Klachtencommissie heeft te Stichting meegedeeld haar beleid te zullen handhaven. De enkele verwijzing naar het bestaan van een klachtenregeling in een "instellingsfolder" is naar het oordeel van de Provinciale Klachtencommissie echter onvoldoende. Met de Interne Klachtencommissie is de Provinciale Klachtencommissie van mening dat deze regeling in een zo vroeg mogelijk stadium van het hulpverleningscontact, bij voorkeur tijdens de intake, dient te worden uitgereikt. De Provinciale Klachtencommissie is daarom van oordeel dat door mevrouw T. en de heer B. terecht is geklaagd.

Ten aanzien van klacht 2.

Voorzover mevrouw T. en de heer B. door de Interne Klachtencommissie in hun klacht niet ontvankelijk zijn verklaard merkt de Provinciale Klachtencommissie het navolgende op.

Uit de door de Interne Klachtencommissie aangegeven noot (nr.1) blijkt dat zij zich daarbij baseert op art. 6 lid 4 van de Interne Klachtenregeling voor cliënten van de Stichting Jeugdzorg. In deze regeling is aangegeven dat klachten moeten worden ingediend binnen een periode van 3 maanden nadat de gedraging waarover wordt geklaagd zich heeft voorgedaan.

Naar het oordeel van de Provinciale Klachtencommissie is met deze regeling echter sprake van een zodanig ernstige beperking van de termijn waarbinnen kan worden geklaagd dat klaagsters daaraan in redelijkheid niet kunnen worden gehouden. De Provinciale Klachtencommissie overweegt daarbij het navolgende:

Het vanuit het Ministerie van W.V.S. en het Ministerie van Justitie (de Staatssecretaris van W.V.S en de Staatssecretaris van Justitie) uitgegeven boekje over klachtrecht in de jeugdhulpverlening en de jeugdbescherming geeft in het model klachtenregeling in artikel 3.2. de navolgende regeling:

" De klacht wordt uiterlijk binnen één jaar, na de dag waarop de klager kennis heeft gekregen van de gedraging, ingediend Een na afloop van deze termijn ingediende klacht is niettemin ontvankelijk, indien blijkt dat de klacht is ingediend zo spoedig mogelijk als redelijkerwijs van de klager kon worden verlangd"

De Provinciale Klachtencommissie is van mening dat door mevrouw T. en de heer B. terecht is geklaagd.

Voor het overige stelt de Interne Klachtencommissie dat het haar gebleken is dat de Stichting Jeugdzorg achter haar beschikkingen altijd vermeldt op welke wijze de beschikking eventueel aangevochten kan worden. Waar dit uit blijkt geeft de Interne Klachtencommissie niet aan en is de Provinciale Klachtencommissie ook overigens uit de haar ter beschikking gestelde stukken niet gebleken. Bij gebreke van enig verweer door de Stichting tegen de door mevrouw T. en de heer B. bij de Provinciale Klachtencommissie ingediende klachten is de Provinciale Klachtencommissie van oordeel dat door mevrouw T. en de heer B. terecht is geklaagd.

Ten aanzien van klacht 3.

Door de Interne Klachtencommissie is beslist dat het contactjournaal geen deel uitmaakt van het dossier. De Provinciale Klachtencommissie is echter van mening dat het contactjournaal onderdeel dient uit te maken van het dossier en aldus voor mevrouw T. en de heer B., zowel ter inzage als in afschrift,

beschikbaar moet zijn.

De Provinciale Klachtencommissie gaat er in dit geval van uit dat er sprake is van een contactjournaal waarin alle relevante hulpverleningscontacten alsmede de aard van die contacten zijn vastgelegd. De Provinciale Klachtencommissie is dan ook van oordeel dat door mevrouw T. en de heer B. terecht is geklaagd.

Ten aanzien van klacht 4.

In de oorspronkelijke klacht klagen mevrouw T. en de heer B. erover dat de concept-rapporten niet minimaal 1 week voor het inzage-gesprek zijn toegestuurd.

Er bestaat geen formele verplichting van de Stichting tot toezending van concept­rapporten voor een inzage gesprek. In een eerdere uitspraak heeft de Provinciale Klachtencommissie zich reeds over een soortgelijke klacht gebogen. Gelet op de bij de uitspraak in die zaak aangehechte aanbeveling stelt de Provinciale Klachtencommissie

thans het navolgende.

De Provinciale Klachtencommissie gaat ervan uit, dat voor een adequate hulpverlening, de noodzaak van bespreking van conceptrapporten, hulpverleningsplannen etc. met de bij de hulpverlening direct betrokkenen, vóór formele vastlegging daarvan c.q. toezending daarvan aan anderen, onbetwist is. Hetzelfde geldt voor de expliciete vermelding van de visie van hier bedoelde personen in de definitieve rapporten/plannen. De Provinciale Klachtencommissie is derhalve van oordeel dat , ten behoeve van een zorgvuldige en adequate bespreking als bovenbedoeld, deze plannen/rapporten voorafgaand aan de bespreking daarvan in concept toegezonden dienen te worden aan de bij die hulpverlening betrokken ouders. De Provinciale Klachtencommissie is dan ook van oordeel dat door mevrouw T. en de heer B. terecht is geklaagd.

Ten aanzien van klacht 5 6 en 7.

Gelet op hetgeen door de Provinciale Klachtencommissie bij haar beoordeling van klacht 4, is opgemerkt, is de Provinciale Klachtencommissie van mening dat de beoordeling van de klachten onder de nummers 5, 6 en 7 ook moet plaatsvinden vanuit een ander perspectief dan dat van de Interne Klachtencommissie. Immers de Provinciale Klachtencommissie deelt de mening van mevrouw T. en de heer B. dat zij recht hebben op toezending van concept rapporten voordat daarover een bespreking plaatsvindt. Dat de inzichten van mevrouw T. en de heer B. in de rapporten aan de Kinderrechter en de Raad voor de Kinderbescherming niet zijn vermeld, hangt dan ook nauw samen met het beleid van de Stichting Jeugdzorg. Als klagers over die concept rapportage tijdig beschikken wordt de kans vergroot dat zij tot een weloverwogen standpunt kunnen komen dat in de definitieve rapporten een plaats kan krijgen. In zoverre is de Provinciale Klachtencommissie dan ook van oordeel dat door mevrouw T. en de heer B. terecht is geklaagd.

Ten aanzien van klacht 12.

In de oorspronkelijke klacht, zoals deze bij de Interne Klachtencommissie is gedeponeerd, stellen klagers, kort gezegd, dat de Stichting de minderjarige kinderen van mevrouw T. en de heer B. onvoldoende heeft ondersteund bij het creëren van eigen rechtsingang. Dat de Stichting Jeugdzorg de minderjarigen terzake adequaat heeft voorgelicht c.q. bijgestaan is de Provinciale Klachtencommissie niet gebleken. De Provinciale Klachtencommissie is derhalve van oordeel dat door mevrouw T. en de heer B. terecht is geklaagd.

Ten aanzien van klacht 13.

Bij mondelinge behandeling is het de Provinciale Klachtencommissie gebleken dat de Interne Klachtencommissie, kennelijk, beslist heeft op een klacht anders dan die zoals deze door mevrouw T. en de heer B. is ingediend. In de oorspronkelijke klacht spreken mevrouw T. en de heer B. over het gebrek aan informatie met betrekking tot schoolkosten. De Interne Klachtencommissie stelt vast dat Stichting Jeugdzorg informatie over studiefinanciering heeft verstrekt. Dat de Stichting mevrouw T. en de heer B. adequaat heeft geïnformeerd met betrekking tot de schoolkosten, zoals door mevrouw T. en de heer B. is bedoeld, is de Provinciale Klachtencommissie niet gebleken. Door de Stichting is daaromtrent bij de Provinciale Klachtencommissie ook geen verweer gevoerd. De Provinciale Klachtencommissie is derhalve van oordeel dat door mevrouw T. en de heer B. terecht is geklaagd.  

Ten aanzien van klacht 15.
In de klacht zoals deze oorspronkelijk bij de Interne Klachtencommissie is gedeponeerd klagen mevrouw T. en de heer B. als volgt: "dat G. V.I.
ten onrechte niet voor adequaat schoeisel zorgt en/of heeft gezorgd voor de minderjarige Jorit". Hetgeen daarop door de Interne Klachtencommissie in haar uitspraak is aangegeven is naar het oordeel van de Provinciale Klachtencommissie juist. Ter gelegenheid van de mondelinge behandeling hebben mevrouw T. en de heer B. de klacht echter nader toegelicht. Mevrouw T., de moeder van Jorit, heeft gesteld dat zij op grond van haar opleiding en ervaring (verpleegkundige en pedicure) zich een oordeel kon vormen over de vraag of, gelet op de specifieke situatie van de voeten van Jorit, er sprake is van adequaat schoeisel. Naar haar mening is daarvan geen sprake en zij maakt zich zorgen over de ontwikkeling van de voeten van Jorit en zijn algemene lichamelijke constitutie, die daarmee nauw samenhangt. In dit licht gezien geeft de reactie van de Interne Klachtencommissie, hoewel formeel juist, geen antwoord op de klacht in brede zin. Mevrouw T. en de heer B. menen dat de zorgen van moeder door de Stichting Jeugdzorg niet voldoende serieus zijn genomen. Dat de Stichting Jeugdzorg de zorgen van mevrouw T. en de heer B. in voldoende mate serieus heeft genomen is de Provinciale Klachtencommissie niet gebleken. In zoverre is de Provinciale Klachtencommissie dan ook van oordeel dat door mevrouw T. en de heer B. terecht is geklaagd.

Ten aanzien van klacht 70.

Gelet op hetgeen in de Wet op de Jeugdhulpverlening artikel 48 lid 5 is bepaald dient de Stichting Jeugdzorg binnen 4 weken na de uitspraak van de Interne Klachtencommissie aan klagers haar visie daarop mede te delen. De Interne Klachtencommissie heeft op 8 juni 2000 uitspraak gedaan. De mededeling van Stichting Jeugdzorg is echter gedateerd op 31 juli 2000.

Aldus is de termijn van 4 weken overschreden en heeft de Stichting gehandeld in strijd met hetgeen in de wet is bepaald. De Provinciale Klachtencommissie is van oordeel dat daarover door mevrouw T. en de heer B. terecht is geklaagd.

5. Uitspraak

De Provinciale Klachtencommissie is van oordeel:

dat de klachten van mevrouw T. en de heer B. tegen de Stichting Jeugdzorg onder de nummers 1, 2, 3, 4, 5, 6, 7, 12, 13, 14 en 70 gegrond zijn; dat de klacht van mevrouw T. en de heer B. tegen de Stichting

Jeugdzorg onder de nummers 18 en 49 ongegrond is.

Gegeven te Tilburg op 19 oktober 2000, door: mr. P.A.J.Th. van Teeffelen,

dhr. L. Koolman,

m. H.S.M. Vogelaar.

getekend door:

mr. .S.M. Vogelaar

Aanbeveling op grond van art. 12 lid 5 van de Provinciale Klachtenverordening Jeugdhulpverlening 1998

Er is een fundamenteel verschil tussen hulpverlening in een vrijwillig kader en die in een gedwongen kader. Bij hulpverlening in een vrijwillig kader is de cliënt de opdrachtgever en bij verschil van mening kan deze de opdracht intrekken. Bij hulpverlening in een gedwongen (justieel) kader kan ook bij conflicten tussen de met het gezag belaste ouder(s) en de gezinsvoogd de hulpverlening aan de kinderen door de gezinsvoogd worden voortgezet. Dit betekent dat het werk van de gezinsvoogd in een spanningsveld gebeurt. Aan de ene kant is het beste resultaat van de hulpverlening te verwachten, indien de ouders meewerken. Aan de andere kant kan het belang van de kinderen meebrengen, dat de koers van de hulpverlening wordt bepaald en voortgezet zonder de instemming van de ouder(s) In deze laatste situatie hebben de ouders (en overigens ook voor oudere kinderen) in de meeste gevallen een eigen rechtsingang naar de Kinderrechter.

De Provinciale Klachtencommissie beveelt daarom aan dat in dergelijke gevallen de gezinsvoogd ouders en oudere kinderen attendeert op deze eigen rechtsingang.

Bovendien dient er door de gezinsvoogd voor worden gewaakt, dat zoveel mogelijk aan de met het gezag beklede ouder verantwoording kan worden gegeven over de koers en de resultaten van de hulpverlening. Dit, met een sterk appel op die ouder(s) om de verantwoordelijkheid weer met de gezinsvoogd te delen (zoals in het kader van een onder toezicht stelling wettelijk is beoogd).

De Provinciale Klachtencommissie beveelt daarom aan dat de gezinsvoogd de ouders op de geëigende tijdstippen , in ieder geval, wijst op de konsekwenties van het afhaken bij de hulpverlening.

 

AD INFORMANDUM

Provinciale Klachtenverordening Jeugdhulpverlening Noord-Brabant 1998:

art. 12 lid 5

In het geval van (gedeeltelijke) gegrond verklaring van de klacht kan de Provinciale Klachtencommissie haar uitspraak doen vergezellen van aanbevelingen aan de uitvoerder of (gezins)voogdij-instelling.

Art. 14 lid 1

De uitvoerder of (gezins)voogdij-instelling dient binnen uiterlijk 4 weken na ontvangst van de uitspraak van de Provinciale Klachtencommissie aan de klager en aan de Provinciale Klachtencommissie schriftelijk en gemotiveerd mede te delen of en zo ja welke maatregelen naar aanleiding van de uitspraak van de Provinciale Klachtencommissie genomen zijn of genomen zullen worden.

Lid 2

Indien de Provinciale Klachtencommissie bij haar uitspraak aanbevelingen heeft opgenomen geeft de uitvoerder of (gezins)voogdij-instelling in de het eerste lid genoemde mededeling aan of en zo ja welke akties ondernomen zijn naar aanleiding van deze aanbevelingen.

Lid 3

Indien het de betrokken uitvoerder of (gezins)voogdij-instelling niet mogelijk is binnen de in het eerste lid genoemde termijn mededeling te doen van de te nemen maatregelen dient deze daarvan mededeling te doen aan de klager en aan de Provinciale Klachtencommissie onder vermelding van de termijn waarbinnen het standpunt wel bepaald wordt.

 

 

 

 

bjz17151696 Stichting Bureau Jeugdzorg Noord-Brabant, Gabriel Metsulaan 1F, 5613 LC Eindhoven
bjz17151696 Advies & Meldpunt Kindermishandeling West- en Midden-Brabant, Fellenoordstraat 52, 4811 TJ Breda
bjz17151696 Advies & Meldpunt Kindermishandeling Oost-Brabant De Callenburgh 2, 5701 PA Helmond
134 De Staat beschuldigd in "jeugdzorg PR-campagnes" jaarlijks 107.000+ ouders van een kind van kindermishandeling!
Wat is de omschrijving van een VERDACHTE?
Zorg dat u de omschrijving van een VERDACHTE uit uw hoofd kent en ook toepast in uw communicatie met "jeugdzorg"
464 Heeft u formulier 464 ingeleverd bij de school van uw kind? Indien neen, waarom niet?
465 Heeft u verzoek 465 ingeleverd bij de school van uw kind? Indien neen, waarom niet?
Heeft u onderzoek naar het schoolbestuur gedaan? Wie zitten erin met welke nevenfuncties?
Zit er een rechter in het schoolbestuur? Zit personeel van de school in de gemeenteraad en/of kandidaat voor de gemeenteraad?
Zit personeel van de school ook met een baantje in het hoofdstembureau en/of een van de andere stembureaus in uw gemeente?
Van welke politieke partij is de schooldirecteur lid en hoe is hij/zij aan haar/zijn baantje schooldirecteur gekomen?
055 bjz17151696 Klacht gegrond tegen SBJNB verklaard door Provinciale Klachtencommissie wegens intimidatie van tienermoeder
055 bjz17151696 Contactjournaal: Eerste bonafide uitspraak door College Advies Justitiële Kinderbescherming?
056 bjz17151696 Contactjournaal: Tweede bonafide uitspraak Provinciale Klachtencommissie Noord-Brabant
060 bjz17151696 Contactjournaal: Zesde bonafide uitspraak Provinciale Klachtencommissie Noord-Brabant
198 13 klachten gegrond tegen SBJNB in eerste klachtronde bij de interne klachtencommissie met Hop als gemachtigde van klagers
674 19 klachten gegrond tegen SBJNB in twee klachtrondes bij interne en prov. klachtencommissie met Hop als gemachtigde van klagers
670 Opnieuw veel klachten gegrond tegen SBJNB in drie klachtrondes met Hop als gemachtigde van klagers
137 Hetze SBJNB tegen Hop bewijst aan dat het werk van de jeugdzorg in Noord-Brabant is gebaseerd op liegen en bedriegen
052 Directeur SBJNB eist van Hop censuur op het indienen van klachten anders wordt hij als belangenbehartiger van klagers geweigerd
051 Hop ten onrechte geweigerd als belangenbehartiger klagende ouders na VEDIVO hetze op grond van Amerikaanse internetsites"?
650 Vader Ad Smits: SBJNB presenteerde beleid aan de rechter terwijl SBJNB met mij nog moest kennismaken
   

CENSUUR IN NEDERLAND ©    Groep Hop ©    Boycot RvdK    NBG    BSC    Modelbrief 91    Modelbrief 465    Oorlog op de Veluwe: (340) (425) (459) (379)    Farizeeërs gesignaleerd!
Het verzet op internet begon op de Veluwe in 1997 (1) (16) en daar waren ze bij de rechtbank Zutphen niet zo blij mee. (12) (95) (710)
(Wraking, naam en nevenfuncties rechters)