| Geschiedenis & Actueel! BKE lijsttrekkersdebat Ermelo 8 december 2005: "Project 31 Van kalvergier naar schone energie. |
Competentie gemeente ambtenaar
Project bijbanen bestuurders Nederlandse gemeenten op internet
Project bijbanen raadsgriffier op internet
Project bijbanen gemeentesecretaris op internet
Project namen en nevenfuncties commissie bezwaarschriften op internet
Innovatief en toekomstgericht: Project 31
De algemene beginselen van behoorlijk bestuur bieden de belastingplichtige onvoldoende bescherming tegen deze groeiende informatiehonger
'Wetsvoorstel controlehandelingen fiscus verdient alle steun'
De Nederlandse Orde van Belastingadviseurs (NOB) spreekt haar steun uit voor het initiatiefwetsvoorstel van de Kamerleden Dezentjé Hamming en Crone (inmiddels: Tang) dat woensdag 9 april plenair in de Tweede Kamer wordt behandeld (Kamerstuknummer 30 645). Het wetsvoorstel vult volgens de NOB een belangrijk hiaat op in de huidige rechtsbescherming van bedrijven en burgers.
Het initiatiefwetsvoorstel werd op 12 juli 2006 ingediend. Het voorziet in de mogelijkheid om controlehandelingen van de fiscus via een voorlopige voorziening ter toetsing voor te leggen aan de bestuursrechter. In de fiscale literatuur wordt de noodzaak van een voor bezwaar vatbare beschikking op dit punt bij herhaling gesignaleerd. Ook de belastingrechter heeft als eens uitgesproken dat hier sprake is van een tekort in de rechtsbescherming van belastingplichtigen.
In een brief van 1 april 2008 (een week voor de behandeling in de Tweede Kamer!) ontraadt het kabinet bij monde van staatssecretaris De Jager aanvaarding van het wetsvoorstel. De NOB betreurt deze opstelling ten zeerste. Het gaat hier om een fundamenteel tekort in onze fiscale rechtsbescherming. Er is sprake van een toenemend aantal gevallen waarin belastingplichtigen en fiscus botsen over de inlichtingenverplichtingen van art. 47 en 47a Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR). Jaarlijks worden tienduizenden bedrijven en burgers geconfronteerd met steeds meer en vooral steeds moeilijker te beantwoorden vragen van de fiscus. De algemene beginselen van behoorlijk bestuur bieden de belastingplichtige onvoldoende bescherming tegen deze groeiende informatiehonger.
In de brief van het kabinet wordt aanvaarding van het wetsvoorstel ontraden op grond van met name twee argumenten. Het eerste is de angst voor misbruik. Volgens het kabinet bestaat het gevaar dat belastingplichtigen die te kwader trouw zijn met behulp van de mogelijkheden die het wetsvoorstel biedt informatieverzoeken van de inspecteur kunnen traineren. De NOB vindt dit een oneigenlijk argument. Mensen die kwaad willen zijn er nu eenmaal altijd, maar gelukkig vormen ze een kleine minderheid. Als dat argument wordt ingezet is geen enkele regeling meer te maken die de rechtsbescherming vergroot. Bovendien: het wetsvoorstel bevat voldoende waarborgen om misbruik tegen te gaan.
Het tweede argument van het kabinet betreft de kosten die het wetsvoorstel meebrengt. Die bedragen volgens de Belastingdienst 26 miljoen euro structureel. Daarnaast zijn er kosten voor andere bestuursorganen, waaronder de rechterlijke macht, van circa 12 miljoen euro structureel. De opstellers van het voorstel komen overigens tot aanzienlijk lagere schattingen. Hoe dit ook zij, ook hier is volgens de NOB sprake van een oneigenlijk argument. Uiteraard moeten de kosten scherp bewaakt worden, maar wie denkt rechtsbeschermende maatregelen te kunnen invoeren zonder bijbehorende financiële offers bedrijft illusiepolitiek.
Woordvoerder
mr. D(Dick).G. Barmentlo
Voorzitter van de sectie Formeel Belastingrecht van de NOB en werkzaam bij KPMG
Meijburg & Co Belastingadviseurs
tel. werk: 020-6562008
mobiel: 06-51367543
De Nederlandse Orde van Belastingadviseurs
Postbus 2977
1000 CZ AMSTERDAM
020-5141880
mr. C.A.F.M. Stassen, rechter: Naar het oordeel van de rechtbank is de beslissing van de inspecteur om bepaalde documenten niet ter inzage te verstrekken in de vorm van het ‘overzicht niet te verstrekken stukken uit controledossier [belanghebbende] B.V.’ geen voor bezwaar vatbare beschikking in de zin van artikel 26, aanhef en eerste lid, van de AWR. Hiertegen kan dan gelet op deze bepaling in verband met artikel 7:1 van de Awb, geen beroep worden ingesteld. De inspecteur had het bezwaar derhalve niet-ontvankelijk moeten verklaren.
LJN: BB5719, Rechtbank Breda , AWB 06/2928
Datum uitspraak: 04-10-2007
Rechtsgebied: Belasting Soort procedure Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie: 26 en 67 AWR; 8:1 en 7:1 Awb; WOB Beslissing weigering inzage in het volledige belastingdossier van belanghebbende in de bezwaarfase is een niet voor bezwaar vatbare beschikking. Het is in beginsel enkel aan de belastingrechter om dit te beoordelen.
RECHTBANK BREDA
Sector bestuursrecht, enkelvoudige belastingkamer
Procedurenummer: AWB 06/2928
Uitspraakdatum: 4 oktober 2007
Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak als bedoeld in afdeling 8.2.6
van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) juncto artikel 27d van de Algemene
wet inzake rijksbelastingen (AWR) in het geding tussen
[belanghebbende] BV, gevestigd te [woonplaats], eiseres,
en
de inspecteur van de Belastingdienst, verweerder.
Eiseres en verweerder worden hierna aangeduid als respectievelijk
belanghebbende en de inspecteur.
Betreft
De schriftelijke weigering van de inspecteur van 25 april 2006 een besluit
te nemen in de zin van artikel 6:2, onderdeel a, van de Awb, op het
bezwaar van belanghebbende tegen het weigeren van volledige inzage in het
belastingdossier van belanghebbende.
Zitting
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 20 september 2007 te
[woonplaats]. Aldaar zijn verschenen en gehoord, de inspecteur.
Belanghebbende en zijn gemachtigde zijn, met kennisgeving aan de
rechtbank, niet verschenen.
1. Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- verklaart het bezwaar niet-ontvankelijk;
- veroordeelt de inspecteur in de proceskosten van
belanghebbende ten bedrage van
€ 96 en wijst de Staat aan als de rechtspersoon die dit bedrag aan
belanghebbende moet vergoeden;
- gelast dat de Staat het door belanghebbende betaalde
griffierecht van € 281 aan deze vergoedt.
2. Gronden
2.1. Op 28 december 2005 is aan belanghebbende een
naheffingsaanslag omzetbelasting voor de periode van 1 januari 2001 tot en
met 31 december 2004 opgelegd. Daartegen is namens belanghebbende een
bezwaarschrift ingediend. In dat bezwaarschrift is verzocht om
kennisneming van de aan de aanslag ten grondslag liggende stukken. Het
verzoek om inzage is herhaald bij brief van 1 maart 2006. Op 12 april 2006
heeft de gemachtigde van belanghebbende inzage gehad in het
belastingdossier van belanghebbende. Daarbij is hem inzage geweigerd in
een aantal stukken die zijn opgesomd in een document met de naam
‘overzicht niet te verstrekken stukken uit controledossier
[belanghebbende] B.V.’. Tegen deze schriftelijke weigering de genoemde
stukken in te mogen zien is bij brief van 20 april 2006 namens
belanghebbende bezwaar gemaakt. Bij brief van 25 april 2006 deelt de
inspecteur aan belanghebbende mede dat het bezwaarschrift niet in
behandeling kan worden genomen, omdat enerzijds het bezwaar niet is
gericht tegen een besluit en anderzijds omdat in dit geval de rechtsgang
van artikel 67 van de AWR in verband met en naar de maatstaven van de Wet
openbaarheid van bestuur, niet gebruikt kan worden. Tegen deze brief wordt
namens belanghebbende, bij brief van 1 juni 2006, bij de rechtbank
ingekomen op 6 juni 2006, beroep ingesteld.
2.2. In geschil is, naar de rechtbank verstaat, het antwoord op
de vraag of belanghebbende terecht de inzage is geweigerd van de stukken
die zijn opgesomd in het ‘overzicht niet te verstrekken stukken uit
controledossier [belanghebbende] B.V.’.
2.3. De rechtbank stelt het volgende voorop. Het tot de stukken
van bezwaar behorende stuk dat vermeldt; ‘overzicht niet te verstrekken
stukken uit controledossier [belanghebbende] B.V.’, moet worden opgevat
als een beslissing op belanghebbendes verzoek om inzage welke schriftelijk
is gedaan en bekend is gemaakt aan belanghebbendes gemachtigde. Nu deze
beslissing, zonder enig oordeel te geven over de juridische status van die
beslissing, is genomen door de inspecteur in een zaak die een
belastingzaak betreft, namelijk het bezwaar tegen de naheffingsaanslag
omzetbelasting, moet die beslissing worden aangemerkt als een “ingevolge
een belastingwet genomen besluit” in de zin van artikel 26 van de AWR.
Dientengevolge is in beginsel de rechter in belastingzaken de bevoegde
rechter om kennis te nemen van geschillen betreffende dergelijke
beslissingen (vergelijk Hoge Raad 1 maart 2000, nr. 35 041, BNB 2000/171).
De bestuursrechter van deze rechtbank heeft derhalve terecht de
behandeling van het onderhavige beroep overgedragen aan de
belastingrechter.
2.4. De mededeling van de inspecteur van 25 april 2006 op het
bezwaar van belanghebbende tegen het weigeren van volledige inzage in het
belastingdossier van belanghebbende, moet naar het oordeel van de
rechtbank worden aangemerkt als een schriftelijke weigering een besluit te
nemen in de zin van artikel 6:2, aanhef en onderdeel a, van de Awb. Een
dergelijke weigering moet worden gelijkgesteld met een afwijzende
uitspraak, zodat belanghebbende hiertegen beroep kan instellen op grond
van artikel 8:1 van de Awb in verband met artikel 26, eerste lid, van de
AWR.
2.4. Artikel 26 van de AWR luidt:
1. In afwijking van artikel 8:1, eerste lid, van de Algemene wet
bestuursrecht kan tegen een ingevolge de belastingwet genomen besluit
slechts beroep bij de rechtbank worden ingesteld, indien het betreft:
a. een belastingaanslag, daaronder begrepen de in artikel 15
voorgeschreven verrekening, of
b. een voor bezwaar vatbare beschikking.
2. De voldoening of afdracht op aangifte, dan wel de inhouding door een
inhoudingsplichtige, van een bedrag als belasting wordt voor de
mogelijkheid van beroep gelijkgesteld met een voor bezwaar vatbare
beschikking van de inspecteur. De wettelijke voorschriften inzake bezwaar
en beroep tegen zodanige beschikking zijn van overeenkomstige toepassing,
voorzover de aard van de voldoening, de afdracht of de inhouding zich
daartegen niet verzet.
Artikel 8:1 van de Awb luidt:
1. Een belanghebbende kan tegen een besluit beroep instellen bij de
rechtbank.
2. Met een besluit wordt gelijkgesteld een andere handeling van een
bestuursorgaan waarbij een ambtenaar als bedoeld in artikel 1 van de
Ambtenarenwet als zodanig of een dienstplichtige als bedoeld in hoofdstuk
2 van de Kaderwet dienstplicht als zodanig, hun nagelaten betrekkingen of
hun rechtverkrijgenden belanghebbende zijn.
3. Met een besluit worden gelijkgesteld:
a. de schriftelijke beslissing, inhoudende de weigering van de goedkeuring
van een besluit, inhoudende een algemeen verbindend voorschrift of een
beleidsregel of de intrekking of de vaststelling van de inwerkingtreding
van een algemeen verbindend voorschrift of een beleidsregel, en
b. de schriftelijke beslissing, inhoudende de weigering van de goedkeuring
van een besluit ter voorbereiding van een privaatrechtelijke
rechtshandeling.
Artikel 7:1 van de Awb luidt:
1. Degene aan wie het recht is toegekend tegen een besluit beroep op een
administratieve rechter in te stellen, dient alvorens beroep in te stellen
tegen dat besluit bezwaar te maken, tenzij het besluit:
a. op bezwaar of in administratief beroep is genomen,
b. aan goedkeuring is onderworpen,
c. de goedkeuring van een ander besluit of de weigering van die
goedkeuring inhoudt, of
d. is voorbereid met toepassing van afdeling 3.4.
2. Tegen de beslissing op het bezwaar kan beroep worden ingesteld met
toepassing van de voorschriften die gelden voor het instellen van beroep
tegen het besluit waartegen bezwaar is gemaakt.
Deze wettelijke systematiek heeft tot gevolg dat in zaken die het
belastingrecht betreffen enkel beroep open staat tegen beslissingen op
bezwaar. Nu op grond van artikel 26 van de AWR, voor zover te dezen van
belang, enkel bezwaar mogelijk is indien het besluit een “voor bezwaar
vatbare beschikking” is, moet het bezwaar tegen een besluit dat niet een
dergelijke beschikking is, niet-ontvankelijk worden verklaard. De
rechtbank is hierbij van oordeel dat het in beginsel aan belangebbende is
aan te geven of hij in bezwaar wenst te komen of dat hij iets anders wil,
bijvoorbeeld een mededeling doen of het doen van een verzoek.
2.5. Naar het oordeel van de rechtbank is de beslissing van de
inspecteur om bepaalde documenten niet ter inzage te verstrekken in de
vorm van het ‘overzicht niet te verstrekken stukken uit controledossier
[belanghebbende] B.V.’ geen voor bezwaar vatbare beschikking in de zin
van artikel 26, aanhef en eerste lid, van de AWR. Hiertegen kan dan gelet
op deze bepaling in verband met artikel 7:1 van de Awb, geen beroep worden
ingesteld. De inspecteur had het bezwaar derhalve niet-ontvankelijk moeten
verklaren. Nu de weigering het bezwaar in behandeling te nemen wordt
aangemerkt als een uitspraak op bezwaar en die uitspraak niet luidt zoals
die moet luiden, zal de rechtbank beslissen zoals de inspecteur had moeten
doen.
2.6. Hetgeen belanghebbende overigens nog aanvoert kan niet
leiden tot een andere beslissing zodat, gelet op het vorenoverwogene, het
beroep gegrond is verklaard en beslist is als hiervoor is vermeld.
2.7. De rechtbank vindt aanleiding de inspecteur te veroordelen
in de kosten die belanghebbende in verband met de behandeling van het
bezwaar en het beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. Deze kosten zijn
op de voet van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een
derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vastgesteld op, afgerond, €
96 (1 punt voor het indienen van het bezwaarschrift, met een waarde per
punt van € 161, 1 punt voor het indienen van het beroepschrift met een
waarde per punt van € 322 en een wegingsfactor 0,25).
Deze uitspraak is gedaan op 4 oktober 2007 door mr. C.A.F.M. Stassen,
rechter, en op dezelfde dag in het openbaar uitgesproken in
tegenwoordigheid van mr. P.J.G. Tiemessen, griffier.
Afschrift aangetekend verzonden aan partijen op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum
hoger beroep instellen bij het gerechtshof te ‘s-Hertogenbosch
(belastingkamer), Postbus 70583, 5201 CZ ’s-Hertogenbosch.
Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden
genomen:
1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak
overgelegd.
2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende
vermelden:
a. de naam en het adres van de indiener;
b. een dagtekening;
c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger
beroep is ingesteld;
d. de gronden van het hoger beroep.
Als u
het niet eens bent met de volgende gemeentelijke belastingaanslagen, kunt u
daartegen bezwaar aantekenen:
(550) Parkeerboete in een
gemeente? U kunt GRATIS een bezwaarschrift van internet halen!
(551) Aanslag
afvalstoffenheffing? U kunt GRATIS een bezwaarschrift van internet halen!
(492) Aanslag hondenbelasting?
U kunt GRATIS een bezwaarschrift van internet halen!
(660) Aanslag
reinigingsrecht? U kunt GRATIS een bezwaarschrift van internet halen!
(661) Aanslag
rioolrechtgebruik? U kunt GRATIS een bezwaarschrift van internet halen!
(662) Aanslag
toeristenbelasting? U kunt GRATIS een bezwaarschrift van internet halen!
(665) Aanslag
onroerende-zaakbelastingen? U kunt GRATIS een bezwaarschrift van internet halen!
(656) Aanslag
precariobelasting? U kunt GRATIS een bezwaarschrift van internet halen!
(649) Aanslag
rioolrecht? U kunt GRATIS een bezwaarschrift van internet halen!
(698) WOZ-beschikking? U kunt
GRATIS een bezwaarschrift van internet halen!
(699) Wetsvoorstel
controlehandelingen m.b.t. uitgebreide vragenlijsten belastingdienst verdient
alle steun
(418) Heffing parkeerbelasting
gemandateerd aan bedrijf dat commercieel belang heeft bij belastingheffing
(308) Commercieel belang bij
verkeersboetes! Politieman moet boeten voor te weinig bonnen!