CENSUUR EN ORGANISATIECRIMINALITEIT IN NEDERLAND ©

1997-2014+ Diepe minachting voor het structurele probleem in de Nederlandse rechtspraak te weten de weerzinwekkende partijdigheid voor de overheid.

Groep Hop wil de pensioengerechtigde leeftijd verlagen naar 60 jaar. Alle gemeente belastingen afschaffen. Improductieve bureaucratie aanpakken. Kinderbeschermingsmaatregelen na verzonnen verhalen is weerzinwekkende fraude. Ontvangen gelden dienen als heling te worden aangemerkt. Bekijk ons programma? Als u ook genaaid bent/wordt door voor de overheid steeds partijdige rechtspraak, gemeente, jeugdzorg, RvdK of UWV stel u verkiesbaar voor de verkiezingen gemeenteraad 2018. Praktijkvoorbeeld. Het jatten van de recreatiewoning van een 71+ jarige gehandicapte burger die VOOR 1996 zelf zijn recreatiewoning heeft (af)gebouwd en er voor 1996 ook woonde dat wordt door niemand ter discussie gesteld wordt door Hop als organisatiecriminaliteit gemeente Ermelo en zeer ernstige mishandeling van een gepensioneerde burger aangemerkt. Groep Hop is wel TEGEN de discriminatie van Nederlanders tov buitenlanders.

Stem TEGEN organisatiecriminaliteit bij de overheid! Stem VOOR Groep Hop. Dank u wel voor uw aandacht. J. Hop.

 

 

De Betere Krant van Ermelo

Nieuwsberichten uit het Ermelo, lees verder

 

Ouders tijdelijk geschorst uit ouderlijk gezag op verzoek Raad voor de Kinderbescherming om artsen in de gelegenheid te stellen over te gaan tot pijnbestrijding bij een kind

 

Haarlem, 119395/05-3985
Datum uitspraak: 13-12-2005
Rechtsgebied: Personen-en familierecht
Soort procedure: Eerste aanleg - enkelvoudig
Bij beschikking d.d. 2 december 2005 heeft de kinderrechter naar aanleiding van een telefonisch spoedverzoek van de Raad van de Kinderbescherming op grond van artikel 1:272 van het Burgerlijk Wetboek de ouders tijdelijk geschorst in de uitoefening van het gezag over hun twee maanden oude baby om de artsen in de gelegenheid te stellen over te gaan tot pijnbestrijding bij het kind. Omdat, gezien de spoedeisendheid van het verzoek, het verhoor van de ouders niet kon worden afgewacht is direct op het verzoek beslist en is conform de standaardprocedure in dit soort zaken, de mondelinge behandeling van het verzoekschrift (bij vervroeging) bepaald op 9 december 2005, teneinde partijen in de gelegenheid te stellen te worden gehoord door de kinderrechter. Uit hetgeen ter zitting aan de orde is gekomen is de kinderrechter gebleken dat een op vrijdag 2 december 2005 gehouden bespreking tussen de ouders en het ziekenhuis heeft geleid tot een ernstig misverstand. Het ziekenhuis achtte het opvoeren van de pijnstilling met het middel Dormicum noodzakelijk om de grote onrust ten gevolge van de verslechterende toestand van de baby weg te nemen. De ouders vreesden dat pijnbestrijding tot bespoediging van het levenseinde van hun kind kon leiden en hebben daarom op dat moment hun toestemming niet willen en kunnen geven. Een en ander was aanleiding voor de ouders om een advocaat in de arm te nemen en voor het ziekenhuis om de hulp van de Raad van de Kinderbescherming in te roepen. Nadien heeft aanvulling op de pijnstilling plaatsgevonden en ligt de baby onder lichte sedatie aan de beademing. Van een comateuze situatie is geen sprake. Pas ter zitting is aan de kinderrechter bekend geworden dat de ouders en het ziekenhuis na het hiervoor vermelde gesprek, door tussenkomst van de advocaten van de ouders en die van het ziekenhuis, een overeenkomst hebben gesloten. In deze overeenkomst is opgenomen dat de ouders instemden met de benodigde pijnbestrijding en het ziekenhuis van zijn kant toezegde zich te onthouden van ieder handeling die het overlijden van de baby kan bespoedigen. De Raad van de Kinderbescherming heeft daarop zijn verzoek ter zitting gewijzigd en gevraagd de schorsing van het ouderlijke gezag te beŽindigen. Bij deze stand van zaken en omdat beide partijen ter zitting hebben uitgesproken dat een verandering in het medisch beleid dat het normale te buiten gaat, altijd de instemming van de ouders behoeft, is de door de kinderrechter genomen maatregel die slechts zag op het bestrijden van pijn bij het kind, niet langer noodzakelijk, zodat de maatregel per het moment van de mondelinge behandeling is ingetrokken.

RECHTBANK HAARLEM

Sector Familie-en Jeugdrecht

Schorsing ouderlijk gezag, voorlopige voogdij

zaak-/rekestnr.: 119395/05-3985

beschikking van de kinderrechter d.d. 13 december 2005

naar aanleiding van het verzoek van:

De Raad voor de Kinderbescherming
vestiging Haarlem,
verder te noemen: de Raad,

met betrekking tot de minderjarige:

naam:      [het kind]
geboren:      [dag] september 2005

moeder:      [de moeder]
      wonende te [woonplaats]

vader :      [de vader]
      wonende te [woonplaats]

gezag :      ouders


Verloop van de procedure

Voor het verloop van de procedure verwijst de kinderrechter naar de volgende stukken:
- de beschikking van deze rechtbank d.d. 2 december 2005 inzake de schorsing ouderlijk gezag en de daarin vermelde stukken;
- de beschikking van deze rechtbank d.d. 2 december 2005 inzake de voorlopige voogdij en de daarin vermelde stukken;
- de brief van de Raad d.d. 6 december 2005, met als bijlage een brief van het VU medisch centrum d.d. 5 december 2005;
- de brief van mr. W.G. Verkruisen, raadsman van de ouders, d.d. 6 december 2005;
-  het verhandelde ter terechtzitting op 9 december 2005 in aanwezigheid van partijen, bijgestaan door hun raadslieden.


Bij beschikking d.d. 2 december 2005 heeft de kinderrechter naar aanleiding van een telefonisch spoedverzoek van de Raad op grond van artikel 1:272 van het Burgerlijk Wetboek de ouders tijdelijk geschorst in de uitoefening van het gezag over hun twee maanden oude baby en is de Stichting Bureau Jeugdzorg Agglomeratie Amsterdam, team Opperdan te Zaandam belast met de voorlopige voogdij over de baby voor de duur van zes maanden, met ingang van de datum van de beschikking.
De Raad had zijn telefonische verzoek aldus toegelicht dat het hier een baby met een hoge dwarslaesie betrof die zodanig ernstige pijn leed, dat de behandelend arts medisch ingrijpen noodzakelijk achtte om die pijn te bestrijden. De ouders weigerden hiervoor hun toestemming te verlenen omdat zij bang waren dat medicatie levensbeŽindigend zou kunnen uitwerken.

Omdat, gezien de spoedeisendheid van het verzoek, het verhoor van de ouders niet kon worden afgewacht is direct op het verzoek beslist en conform de standaardprocedure in dit soort zaken, de mondelinge behandeling van het verzoekschrift (bij vervroeging) bepaald op 9 december 2005, teneinde partijen in de gelegenheid te stellen te worden gehoord door de kinderrechter.

Op 9 december 2005 heeft de kinderrechter het verzoek ter terechtzitting met gesloten deuren behandeld, waarvan afzonderlijk proces-verbaal is opgemaakt.
Hierbij zijn verschenen en gehoord:
-  ouders, bijgestaan door mr. W.G. Verkruisen en mr. J.C. van Driel;
-  de Raad, vertegenwoordigd door mevrouw T. Duijn en mr. A. Broekhoven, juriste bij de Raad;
-  de Stichting Bureau Jeugdzorg Amsterdam, team Opperdan, vertegenwoordigd door mevrouw J. Kok;
-  het VU Medisch Centrum, vertegenwoordigd door prof. dr. W.P.F. Fetter en mr. Smink.


Standpunten van partijen

Standpunt ziekenhuis
Van de zijde van het ziekenhuis is ter zitting naar voren gebracht dat de baby omstreeks 18 november 2005 in toenemende mate moeite heeft gekregen met de beademing die hem moet worden toegediend. Er is sprake van veel slijmontwikkeling en van zogenaamde bradycardieŽn waarbij de hartfrequentie gedurende enige tijd in ernstige mate afneemt. Deze verslechterende situatie culmineerde in de nacht van 1 op 2 december 2005 erin dat de baby een zestal bradycardieŽn heeft gehad, waarbij de hartfrequentie terugliep tot tien slagen per minuut en voor zijn leven werd gevreesd. Door de toename van het aantal bradycardieŽn, tijdens welke de baby intensief en belastend ingrijpen moet ondergaan om de situatie te normaliseren, maakte de baby een zeer onrustige indruk en is er volgens het ziekenhuis sprake van zichtbare angst en lijden.

Op vrijdag 2 december 2005 hebben de bij de behandeling betrokken artsen een en ander met de vader besproken. Het ziekenhuis heeft daarbij de vader voorgesteld i) de baby extra sederende medicijnen te geven (het middel Dormicum) om de angst en het lijden van de baby te verlichten en ii) de behandeling te beperken om het hem mogelijk te maken te overlijden. Daarbij is volgens het ziekenhuis met de vader besproken dat het beperken van de behandeling niet betekent dat de beademing zal worden gestaakt. Omdat de vader geen toestemming wilde geven voor de hiervoor genoemde door het ziekenhuis voorgestane medische stappen, is de Raad ingeschakeld om de kinderrechter te verzoeken de ouders te schorsen in het ouderlijk gezag om in elk geval tot verdere pijnbestrijding over te kunnen gaan.
Inmiddels ligt de baby onder lichte sedatie aan de beademing en is aanzienlijk tot rust gekomen. Van een (diepe) comateuze situatie is geen sprake.


Standpunt ouders
Van de zijde van de ouders is beaamd dat hun zoontje niet in een coma verkeert, maar dat hij op dit moment rustig is en redelijk “aanspreekbaar”. Zij kunnen zich echter niet vinden in de weergave van de gebeurtenissen zoals van de kant van het ziekenhuis is verwoord.

Tijdens de gesprekken op 2 december 2005 met de behandelend artsen heeft de vader begrepen dat hem werd gevraagd onmiddellijk in te stemmen met het beŽindigen van de behandeling van zijn kind. Toen hij hierop antwoordde dat hij enige tijd nodig had om hier eerst met zijn vrouw overleg over te voeren, werd van de kant van het ziekenhuis gereageerd met de opmerking dat, indien hij niet zou instemmen, er een verzoek aan de Raad zou worden gedaan om de ouders te schorsen in hun ouderlijk gezag.

Hierop hebben de ouders een advocaat in de arm genomen. Deze heeft nog diezelfde dag een brief aan het ziekenhuis gestuurd, welke is doorgeleid naar de advocaat van het ziekenhuis. Een en ander heeft erin geresulteerd dat er van de zijde van het ziekenhuis een overeenkomst is opgesteld waarin is opgenomen dat de ouders instemmen met de benodigde pijnbestrijding en het ziekenhuis van zijn kant toezegt zich te onthouden van iedere handeling die het overlijden van de baby zal kunnen bespoedigen. Deze overeenkomst is op 2 december 2005 door beide partijen ondertekend. De vader vult aan dat tot zijn onbegrip vervolgens bleek dat het ziekenhuis intussen de Raad had benaderd en de ouders tijdelijk waren geschorst in de uitoefening van hun ouderlijk gezag.

Gezien de door de ouders ondertekende overeenkomst ten behoeve van de pijnbestrijding, zijn de ouders bang dat de door de kinderrechter afgegeven maatregel kan leiden tot het beŽindigen van de behandeling van hun kind zonder dat zij daarbij worden betrokken.
De vader brengt daarbij nog naar voren dat de moeder en hij het in zoverre met de behandelend artsen eens zijn dat hun kind bij ernstig hartfalen niet gereanimeerd zal worden en zij het ook eens zijn met de aanvullende pijnbestrijding in de vorm van Dormicum, maar zij benadrukken dat zij een mogelijk overlijden van hun kind nog niet kunnen aanvaarden zolang hij steeds weer laat zien hoe sterk hij is door weer op te krabbelen.


Standpunt Raad
De Raad heeft ter zitting geconcludeerd dat enerzijds geconstateerd kan worden dat de grond – pijnbestrijding – aan zijn verzoek is ontvallen gezien de overeenkomst die de ouders blijkbaar met het ziekenhuis hebben gesloten en waarin de ouders verklaren bereid zijn mee te werken aan pijnbestrijding bij hun kind. Tegelijkertijd zegt de Raad ter zitting te hebben waargenomen dat er nog steeds strijd is tussen de ouders en het ziekenhuis. Dit heeft ertoe geleid dat de Raad zijn verzoek in die zin heeft gewijzigd, dat hij thans verzoekt de maatregel tot schorsing van de ouders in het ouderlijk gezag te beŽindigen, onder de voorwaarde dat de ouders hun medewerking verlenen aan pijnbestrijding en normaal medisch handelen, welk medisch handelen niet inhoudt medisch handelen dat leidt tot het bespoedigen van het levenseinde.

Beoordeling

Uit hetgeen ter zitting aan de orde is gekomen is de kinderrechter gebleken dat voormelde bespreking op vrijdag 2 december 2005 heeft geleid tot een ernstig misverstand tussen de ouders en het ziekenhuis.
De kinderrechter begrijpt het standpunt van het ziekenhuis aldus dat het opvoeren van de pijnstilling noodzakelijk was om de grote onrust ten gevolge van de toegenomen bradycardieŽn bij de baby weg te nemen, maar dat deze pijnbestrijding niet in direct verband bezien mag en kan worden met het bespoedigen van het levenseinde van het kind.
De ouders vreesden daarentegen dat pijnbestrijding tot bespoediging van het levenseinde van hun kind kon leiden en hebben daarom op dat moment hun toestemming niet willen en kunnen geven.
Een en ander was aanleiding voor de ouders om een advocaat in de arm te nemen en voor het ziekenhuis om de hulp van de Raad in te roepen. Nadien heeft de noodzakelijke aanvulling op de pijnstilling plaatsgevonden en is de baby tot rust gekomen.

De vraag welke lezing van de gesprekken op 2 december 2005 van de vader met de behandelend artsen als juist moet worden gezien, kan in het midden blijven. Immers, ter zitting is aan de kinderrechter bekend geworden dat de ouders en het ziekenhuis het reeds op 2 december eens waren over het opvoeren van de pijnbestrijding, gelet op de blijkbaar op die dag tussen hen gesloten overeenkomst. Bij deze stand van zaken en gelet op het ter zitting uitspreken van beide zijden dat een verandering in het medisch beleid dat het normale te buiten gaat, altijd de instemming van de ouders behoeft, is de door de kinderrechter genomen maatregel die slechts zag op het bestrijden van pijn bij het kind, niet langer noodzakelijk.

Gelet op het ter zitting gewijzigde verzoek van de Raad zullen de ouders per 9 december 2005 in het ouderlijk gezag worden hersteld en de voorlopige voogdij worden beŽindigd. Het verzoek van de Raad tot het verbinden van voorwaarden aan de opheffing van de schorsing zal worden afgewezen nu de wet hiertoe geen mogelijkheden biedt en ook overigens in het belang van de baby daar geen gronden voor aanwezig zijn.


Beslissing

De kinderrechter:

Bekrachtigt de beschikkingen van 2 december 2005 voor wat betreft de periode tot en met
8 december 2005.

Trekt in met ingang van 9 december 2005 de maatregel tot schorsing van de ouders in het ouderlijk gezag en de voorlopige voogdij over het kind.

Wijst af het meer of anders verzochte.


Deze beschikking is gegeven door mr. A. Stefels en in het openbaar uitgesproken ter terechtzitting van 13 december 2005, in tegenwoordigheid van mr. K. Hoogkamer als griffier.

 

 

Ouders BOYCOT het beruchte bestuursorgaan Raad voor de Kinderbescherming

Een boycot is, in de oorspronkelijke zin, het verbreken van (handels)relaties met een land, een bedrijf of een individu. In de brede zin is het ook een verzaking om iets te doen, bijvoorbeeld een verkiezing boycotten om een statement te maken. De redenen van een boycot kunnen van politieke aard zijn of dienen om een vorm van wraak uit te oefenen of iemand te isoleren. Het woord ontstond in Ierland, waar de hardvochtige Engelse rentmeester Charles Cunningham Boycott (1832–1897) zo door zijn pachters werd gehaat, dat zij hem in 1879 volledig isoleerden.

Bekende (oproepen tot) boycots in de geschiedenis zijn o.a.
- de oproep van de Indiase leider Mahatma Gandhi om geen Engelse producten te kopen.
- de Montgomery-busboycot die begon in 1955 en leidde tot het einde van de rassenscheiding in bussen.
- de olieboycot van OPEC-landen tegen westerse landen die IsraŽl hadden bijgestaan in de Jom Kippoeroorlog, wat in 1973 leidde tot de oliecrisis,
- en de boycot van Zuid-Afrikaanse producten ten tijde van de apartheidspolitiek.
- de boycot van joodse winkels in Duitsland en Oostenrijk, tijdens en in de jaren voor de Tweede Wereldoorlog.
- Olympische Spelen 1956 in Melbourne vanwege de rol van de Sovjet-Unie in de Hongaarse opstand.
- de boycot van de Raad voor de kinderbescherming in Nederland na onderonsjes met BARRAU om Leenders/Nienhuis uit het gezag te zetten.
- de boycot van de Raad voor de Kinderbescherming in Nederland na onderonsjes met SBJNB om moeder D. uit het gezag te zetten
In Nederland rekent de jeugdzorg op medeplichtigheid van de RvdK om ouders met kritiek op de werkwijze van de jeugdzorg
in hun zaak zo snel mogelijk uit het gezag te zetten om kritiek van ouders op de jeugdzorg met deze werkwijze te onderdrukken.
Het beruchte bestuursorgaan Raad voor de Kinderbescherming heeft dan ook volkomen terecht in de volksmond de bijnamen
Raad voor de Leugenbescherming, Raad voor de Oudermishandeling en Raad voor de Kindermishandeling opgelopen.
Groep Hop eist per ouder tien miljoen euro schadevergoeding voor iedere ouder die procedeert tegen jeugdzorg
om vervolgens door RvdK en kinderrechters uit het gezag te worden gezet en een beroepsverbod voor de betrokken medewerkers van
jeugdzorg, Raad voor de Kinderbescherming en kinderrechters op welke zaken door een volksjury dient te worden beslist.

 

 

Wilt u meehelpen om de boycot Kinderbescherming bekendheid te geven?


UITNODIGING U kunt GRATIS meehelpen door uitnodigingen te verspreiden om te beginnen in uw eigen netwerk, in flatgebouwen
met veel brievenbussen, in wachtkamers, voor de ingang van scholen, kinderdagverblijven, rechtbanken of buro jeugdzorg enz.
091 Verzoek om gemeentegarantie vingerafdrukken bij nieuw paspoort of identiteitskaart!
685 Leer zelf procederen! Dien een Wob verzoek (bestuurlijke) nevenfuncties van een burgemeester in bij meerdere gemeenten
102 Leer zelf procederen! Dien een of meer Wob verzoeken in bij Stichting Bureau Jeugdzorg Noord-Brabant

Troonrede 2010
Troonrede 2009
Troonrede 2008
Troonrede 2007
Troonrede 2006
Troonrede 2005
Troonrede 2004
Troonrede 2003
Troonrede 2002
Troonrede 2001
Troonrede 2000
Troonrede 1999
Troonrede 1998
Troonrede 1997
Troonrede 1996
Troonrede 1995
Troonrede 1994
Troonrede 1993
Troonrede 1992
Troonrede 1991
Troonrede 1990
Troonrede 1989
Troonrede 1988
Troonrede 1987
Gezocht Troonredes 1986 en ouder

top
Censuur in Nederland ©
Stem Groep Hop in 2014