Ouders BOYCOT de Raad voor de Kinderbescherming! Openbare aanklachten van burgers tegen het beruchte bestuursorgaan Raad voor de Kinderbescherming (Ministerie van Justitie) in de volksmond nog veel beter bekend als Raad voor de Leugenbescherming en Raad voor de Kindermishandeling

Censuur in Nederland ©

Klop klop!

 

 

 

De norm in 2009-2010: "Er wordt NOOIT een klacht wordt ingediend tegen bestuursorganen zoals RvdK"

Besluit klachtafhandeling Raad voor de Kinderbescherming"

Besluit klachtafhandeling Raad voor de Kinderbescherming

De officiële wettekst waarop de regeling gebaseerd is

330 Besluit van 24 juni 1996, houdende regels ter zake van de behandeling van klachten bij de raad voor de kinderbescherming (Besluit klachtbehandeling raad voor de kinderbescherming)

Wij Beatrix, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz. enz.

Op de voordracht van de Staatssecretaris van Justitie van 7 februari 1996, nr. 538873/96/6;
Gelet op artikel 239, vijfde lid, van Boek I van het Burgerlijk Wetboek;
De Raad van State gehoord
(advies van 20 maart 196, nr.W03.96.0058);
Gezien het nader rapport van de Staatssecretaris van Justitie van 14 juni 1996, nr.551665/96/6;
Hebben goedgevonden en verstaan:

Artikel 1

In dit Besluit wordt verstaan onder:
Onze Minister: Onze Minister van Justitie;
directeur: ressortsdirecteur of namens deze de door hem tot de klachtbehandeling aangewezen persoon;
algemeen directeur: de algemeen directeur, bedoeld in artikel 1, tweede lid, van het Organisatiebesluit raad voor de kinderbescherming;
gedraging: enig handelen of nalaten alsmede het nemen van een beslissing die gevolgen heeft voor de belanghebbende of informant.

Artikel 2

  1. Een ieder, die als belanghebbende of als informant betrokken is bij een bij de raad voor de kinderbescherming in behandeling zijnde of geweest zijnde aangelegenheid kan zich bij de directeur beklagen over gedragingen jegens hem in die aangelegenheid van een medewerker in het desbetreffende ressort. Over een gedraging van een medewerker van het landelijk bureau van de raad kan beklag worden gedaan bij de algemeen directeur van de raad. De bepalingen omtrent de behandeling van de klacht door de directeur zijn alsdan van toepassing op de algemeen directeur.

  2. De klacht wordt mondeling of schriftelijk ingediend uiterlijk binnen één jaar na de dag waarop de klager kennis heeft gekregen van de gedraging. Een na afloop van deze termijn ingediende klacht is niettemin ontvankelijk, indien blijkt dat de klacht is ingediend zo spoedig als redelijkerwijs van de klager kon worden verlangd.

  3. De ontvangst van de klacht wordt onverwijld schriftelijk door de directeur bevestigd. Bij deze bevestiging wordt tevens medegedeeld dat de klager zich bij de behandeling van de klacht kan doen bijstaan door een raadsman of vertrouwenspersoon.

  4. Indien de klacht verband houdt met een aangelegenheid waarover de raad een verzoek of een advies tot de rechter heeft gericht en de rechter over die aangelegenheid nog geen beslissing heeft genomen, stelt de directeur de rechter onverwijld in kennis van het indienen van de klacht.

Artikel 3

  1. De directeur onderzoekt de klacht en tracht tot een voor de klager aanvaarde oplossing te komen.

  2. Indien de directeur er niet in slaagt een voor de klager aanvaarde oplossing te bereiken, neemt de directeur schriftelijk een beslissing.

  3. De directeur neemt een dergelijke beslissing niet dan na een klager en degene over wiens gedraging is geklaagd te hebben gehoord.

  4. De beslissing wordt binnen acht weken genomen, na de bevestiging van de ontvangst van de klacht, bedoeld in artikel 2, derde lid.
    Zij is met redenen omkleed en wordt in afschrift toegezonden aan de klager en degene over wiens gedraging is geklaagd. Indien de klacht geheel of gedeeltelijk gegrond is bevonden, wordt tevens medegedeeld of en zo ja, welke gevolgen binnen de organisatie daaraan worden verbonden.

Artikel 4

  1. De klager kan binnen zes weken na ontvangst van de beslissing van de directeur dan wel binnen zes weken nadat de directeur de beslissing had behoren te nemen zijn klacht schriftelijk voorleggen aan de klachtencommissie, bedoeld in artikel 7.

  2. Indien de klacht betrekking heeft op een gedraging van de directeur zelf dan wel op een gedraging van de algemeen directeur van de raad, kan de klager zich direct tot deze klachtencommissie wenden. Artikel 2, tweede lid, is van toepassing.

Artikel 5

  1. De klachtencommissie beoordeelt de klacht. Indien zij de klacht van eenvoudige aard, dan wel kennelijk niet-ontvankelijk acht, kan zij beslissen dat de klacht door de voorzitter zelfstandig wordt afgedaan.

  2. Indien de voorzitter van de klachtencommissie de zaak zelfstandig afdoet, is artikel 6 van overeenkomstige toepassing.

  3. De voorzitter kan de zaak te allen tijde verwijzen naar de klachtencommissie. Van die verwijzing wordt schriftelijk mededeling gedaan aan de klager.

Artikel 6

  1. Indien de klachtencommissie de klacht ontvankelijk acht, hoort zij de klager alsmede degene over wiens gedraging wordt geklaagd.
    De klachtencommissie kan ook bij andere personen mondeling of schriftelijk inlichtingen inwinnen.

  2. Aan de klachtencommissie worden op haar schriftelijk verzoek ten behoeve van de beoordeling van de klacht de bescheiden, gebezigd in de zaak waarop de klacht betrekking heeft, al dan niet in afschrift overgelegd. Inzage of afgifte van een stuk als bedoeld in de eerste volzin kan de klager door de voorzitter van de klachtencommissie worden geweigerd op een van de onder artikel 10, tweede lid, onder e en g, van de Wet openbaarheid van bestuur genoemde gronden.

  3. De klachtencommissie belist uiterlijk zes weken nadat de zaak bij haar aanhangig is gemaakt. De beslissing is met redenen omkleed en wordt schriftelijk ter kennis gebracht van de klager en degene over wiens gedraging werd geklaagd. De in de eerste volzin genoemde termijn kan met ten hoogste vier weken worden verlengd, indien de commissie het inwinnen van nadere informatie wenselijk acht.

  4. Een afschrift van de beslissing zendt de klachtencommissie aan Onze Minister en aan de directeur die de beslissing, bedoeld in artikel 3, heeft genomen danwel had behoren te nemen.

  5. Indien de klacht geheel of gedeeltelijk gegrond is bevonden, deelt de directeur binnen drie weken na ontvangst van de beslissing van de klachtencommissie aan de klager mee of en zo ja, welke gevolgen binnen de organisatie daaraan worden verbonden.

Artikel 7

  1. Er zijn vijf klachtencommissies. Elke commissie behandelt de klachten omtrent de gedragingen van de algemeen directeur, directeur of de medewerker, werkzaam in het ressort waarvoor zij bevoegd is.
    Deze ressorten komen overeen met die van het hof.

  2. De leden van de klachtencommissies kunnen niet werkzaam zijn bij de Raad voor de Kinderbescherming.

  3. De klachtencommissie bestaat uit de volgende leden:
    a)een voorzitter en een of meer plaatsvervangende voorzitters, bij voorkeur met rechtspraak belaste leden van de rechterlijke macht, door Onze Minister benoemd op gemeenschappelijke voordracht van de presidenten van de arrondissementsrechtbanken in het ressort van het hof, waarvoor de betrokken commissie bevoegd is;
    b) een lid en een of meer plaatsvervangende leden, deskundig op het terrein van het jeugdwelzijn en betrokken bij de maatschappelijke ontwikkelingen binnen de jeugdbescherming, door Onze Minister benoemd op voordracht van het provinciaal bestuur of op gemeenschappelijke voordracht van de provinciale besturen van de provincie of de provincies waarin het desbetreffende ressort is gelegen;
    c) een lid en een of meer plaatsvervangende leden, deskundig op het terrein van het jeugdwelzijn en betrokken bij de maatschappelijke ontwikkelingen binnen de jeugdbescherming benoemd door Onze Minister;

  4. De voorzitter en de leden van de klachtencommissies worden benoemd voor de tijd van zes jaren. Zij kunnen in aansluiting op die termijn één maal voor een gelijke termijn worden herbenoemd.

  5. Aan de voorzitter en aan een lid wordt op eigen verzoek tussentijds ontslag verleend.

  6. Een lid kan door Onze Minister worden ontslagen bij gebleken voortdurende achteloosheid in de uitoefening van het lidmaatschap. Omtrent het voornemen tot ontslag wordt de betrokkene door Onze Minister gehoord.

Artikel 8

  1. De klachtencommissie houdt zitting en beslist met drie leden in een zodanige samenstelling dat uit elk der in artikel 7, derde lid, onder a, b en c omschreven groeperingen een persoon aan de zitting deelneemt. De voorzitter wijst de leden aan.

  2. Onze Minister voegt aan elke klachtencommissie een secretaris toe.

Artikel 9

  1. De voorzitter van de klachtencommissie bepaalt in overleg met de secretaris plaats, dag en uur van de zittingen.

  2. De voor de klachtencommissie bestemde stukken worden ingediend bij haar secretaris.

Artikel 10

Bij de behandeling van de zaak door de klachtencommissie kan zowel de klager als degene over wiens gedraging wordt geklaagd zich door een raadsman of vertrouwenspersoon doen bijstaan.

Artikel 11

  1. De leden van de klachtencommissie genieten een vergoeding voor reis- en verblijfkosten. Voor het deelnemen aan een zitting ter behandeling van klachten genieten zij een vacatiegeld overeenkomstig de door Onze Minister te stellen regelen.

  2. Aan de secretaris wordt voor zijn werkzaamheden een afzonderlijke vergoeding toegekend tot een ander door Onze Minister te bepalen bedrag.

Artikel 12

  1. In klachtzaken, waarin tot het tijdstip van inwerkingtreding van dit besluit, de directeur van een raad voor de kinderbescherming optreedt, treedt de ressortsdirecteur of de door hem tot de klachtbehandeling aangewezen persoon, in zijn plaats.

  2. Klachtzaken, die op het tijdstip van inwerkingtreding van dit besluit in behandeling zijn bij één van de zes tot dit tijdstip bestaande klachtencommissies, worden door deze commissies afgehandeld met toepassing van het voor het tijdstip van de inwerkingtreding van dit besluit geldende recht.Deze klachtencommissies blijven in stand totdat alle zaken die vóór de inwerkingtreding van dit besluit aanhangig zijn gemaakt, zijn afgedaan.

  3. De op het moment van inwerkingtreding van dit besluit in de in het tweede lid bedoelde klachtencommissies zitting hebbende leden, blijven in afwijking van het vervallen artikel 39, vierde lid, van het Organisatiebesluit raden voor de kinderbescherming 1982 daarin zitting houden totdat deze klachtencommissies zijn ontbonden.

Artikel 13

Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag waarop de wet houdende wijziging van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek en van enige andere wetten in verband met reorganisatie van de raden voor de kinderbescherming in werking treedt.

Artikel 14

Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit klachtbehandeling raad voor de kinderbescherming.

Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst.

 

’s-Gravenhage, 24 juni 1996

Beatrix
De Staatssecretaris van Justitie
E.M.A. Schmitz

Uitgegeven de achtentwintigste juni 1996
De Minister van Justitie,
W. Sorgdrager(Staatsblad 1996330)

 

 

 

Ouders tijdelijk geschorst uit ouderlijk gezag op verzoek Raad voor de Kinderbescherming om artsen in de gelegenheid te stellen over te gaan tot pijnbestrijding bij een kind

 

Haarlem, 119395/05-3985
Datum uitspraak: 13-12-2005
Rechtsgebied: Personen-en familierecht
Soort procedure: Eerste aanleg - enkelvoudig
Bij beschikking d.d. 2 december 2005 heeft de kinderrechter naar aanleiding van een telefonisch spoedverzoek van de Raad van de Kinderbescherming op grond van artikel 1:272 van het Burgerlijk Wetboek de ouders tijdelijk geschorst in de uitoefening van het gezag over hun twee maanden oude baby om de artsen in de gelegenheid te stellen over te gaan tot pijnbestrijding bij het kind. Omdat, gezien de spoedeisendheid van het verzoek, het verhoor van de ouders niet kon worden afgewacht is direct op het verzoek beslist en is conform de standaardprocedure in dit soort zaken, de mondelinge behandeling van het verzoekschrift (bij vervroeging) bepaald op 9 december 2005, teneinde partijen in de gelegenheid te stellen te worden gehoord door de kinderrechter. Uit hetgeen ter zitting aan de orde is gekomen is de kinderrechter gebleken dat een op vrijdag 2 december 2005 gehouden bespreking tussen de ouders en het ziekenhuis heeft geleid tot een ernstig misverstand. Het ziekenhuis achtte het opvoeren van de pijnstilling met het middel Dormicum noodzakelijk om de grote onrust ten gevolge van de verslechterende toestand van de baby weg te nemen. De ouders vreesden dat pijnbestrijding tot bespoediging van het levenseinde van hun kind kon leiden en hebben daarom op dat moment hun toestemming niet willen en kunnen geven. Een en ander was aanleiding voor de ouders om een advocaat in de arm te nemen en voor het ziekenhuis om de hulp van de Raad van de Kinderbescherming in te roepen. Nadien heeft aanvulling op de pijnstilling plaatsgevonden en ligt de baby onder lichte sedatie aan de beademing. Van een comateuze situatie is geen sprake. Pas ter zitting is aan de kinderrechter bekend geworden dat de ouders en het ziekenhuis na het hiervoor vermelde gesprek, door tussenkomst van de advocaten van de ouders en die van het ziekenhuis, een overeenkomst hebben gesloten. In deze overeenkomst is opgenomen dat de ouders instemden met de benodigde pijnbestrijding en het ziekenhuis van zijn kant toezegde zich te onthouden van ieder handeling die het overlijden van de baby kan bespoedigen. De Raad van de Kinderbescherming heeft daarop zijn verzoek ter zitting gewijzigd en gevraagd de schorsing van het ouderlijke gezag te beëindigen. Bij deze stand van zaken en omdat beide partijen ter zitting hebben uitgesproken dat een verandering in het medisch beleid dat het normale te buiten gaat, altijd de instemming van de ouders behoeft, is de door de kinderrechter genomen maatregel die slechts zag op het bestrijden van pijn bij het kind, niet langer noodzakelijk, zodat de maatregel per het moment van de mondelinge behandeling is ingetrokken.

RECHTBANK HAARLEM

Sector Familie-en Jeugdrecht

Schorsing ouderlijk gezag, voorlopige voogdij

zaak-/rekestnr.: 119395/05-3985

beschikking van de kinderrechter d.d. 13 december 2005

naar aanleiding van het verzoek van:

De Raad voor de Kinderbescherming
vestiging Haarlem,
verder te noemen: de Raad,

met betrekking tot de minderjarige:

naam:      [het kind]
geboren:      [dag] september 2005

moeder:      [de moeder]
      wonende te [woonplaats]

vader :      [de vader]
      wonende te [woonplaats]

gezag :      ouders


Verloop van de procedure

Voor het verloop van de procedure verwijst de kinderrechter naar de volgende stukken:
- de beschikking van deze rechtbank d.d. 2 december 2005 inzake de schorsing ouderlijk gezag en de daarin vermelde stukken;
- de beschikking van deze rechtbank d.d. 2 december 2005 inzake de voorlopige voogdij en de daarin vermelde stukken;
- de brief van de Raad d.d. 6 december 2005, met als bijlage een brief van het VU medisch centrum d.d. 5 december 2005;
- de brief van mr. W.G. Verkruisen, raadsman van de ouders, d.d. 6 december 2005;
-  het verhandelde ter terechtzitting op 9 december 2005 in aanwezigheid van partijen, bijgestaan door hun raadslieden.


Bij beschikking d.d. 2 december 2005 heeft de kinderrechter naar aanleiding van een telefonisch spoedverzoek van de Raad op grond van artikel 1:272 van het Burgerlijk Wetboek de ouders tijdelijk geschorst in de uitoefening van het gezag over hun twee maanden oude baby en is de Stichting Bureau Jeugdzorg Agglomeratie Amsterdam, team Opperdan te Zaandam belast met de voorlopige voogdij over de baby voor de duur van zes maanden, met ingang van de datum van de beschikking.
De Raad had zijn telefonische verzoek aldus toegelicht dat het hier een baby met een hoge dwarslaesie betrof die zodanig ernstige pijn leed, dat de behandelend arts medisch ingrijpen noodzakelijk achtte om die pijn te bestrijden. De ouders weigerden hiervoor hun toestemming te verlenen omdat zij bang waren dat medicatie levensbeëindigend zou kunnen uitwerken.

Omdat, gezien de spoedeisendheid van het verzoek, het verhoor van de ouders niet kon worden afgewacht is direct op het verzoek beslist en conform de standaardprocedure in dit soort zaken, de mondelinge behandeling van het verzoekschrift (bij vervroeging) bepaald op 9 december 2005, teneinde partijen in de gelegenheid te stellen te worden gehoord door de kinderrechter.

Op 9 december 2005 heeft de kinderrechter het verzoek ter terechtzitting met gesloten deuren behandeld, waarvan afzonderlijk proces-verbaal is opgemaakt.
Hierbij zijn verschenen en gehoord:
-  ouders, bijgestaan door mr. W.G. Verkruisen en mr. J.C. van Driel;
-  de Raad, vertegenwoordigd door mevrouw T. Duijn en mr. A. Broekhoven, juriste bij de Raad;
-  de Stichting Bureau Jeugdzorg Amsterdam, team Opperdan, vertegenwoordigd door mevrouw J. Kok;
-  het VU Medisch Centrum, vertegenwoordigd door prof. dr. W.P.F. Fetter en mr. Smink.


Standpunten van partijen

Standpunt ziekenhuis
Van de zijde van het ziekenhuis is ter zitting naar voren gebracht dat de baby omstreeks 18 november 2005 in toenemende mate moeite heeft gekregen met de beademing die hem moet worden toegediend. Er is sprake van veel slijmontwikkeling en van zogenaamde bradycardieën waarbij de hartfrequentie gedurende enige tijd in ernstige mate afneemt. Deze verslechterende situatie culmineerde in de nacht van 1 op 2 december 2005 erin dat de baby een zestal bradycardieën heeft gehad, waarbij de hartfrequentie terugliep tot tien slagen per minuut en voor zijn leven werd gevreesd. Door de toename van het aantal bradycardieën, tijdens welke de baby intensief en belastend ingrijpen moet ondergaan om de situatie te normaliseren, maakte de baby een zeer onrustige indruk en is er volgens het ziekenhuis sprake van zichtbare angst en lijden.

Op vrijdag 2 december 2005 hebben de bij de behandeling betrokken artsen een en ander met de vader besproken. Het ziekenhuis heeft daarbij de vader voorgesteld i) de baby extra sederende medicijnen te geven (het middel Dormicum) om de angst en het lijden van de baby te verlichten en ii) de behandeling te beperken om het hem mogelijk te maken te overlijden. Daarbij is volgens het ziekenhuis met de vader besproken dat het beperken van de behandeling niet betekent dat de beademing zal worden gestaakt. Omdat de vader geen toestemming wilde geven voor de hiervoor genoemde door het ziekenhuis voorgestane medische stappen, is de Raad ingeschakeld om de kinderrechter te verzoeken de ouders te schorsen in het ouderlijk gezag om in elk geval tot verdere pijnbestrijding over te kunnen gaan.
Inmiddels ligt de baby onder lichte sedatie aan de beademing en is aanzienlijk tot rust gekomen. Van een (diepe) comateuze situatie is geen sprake.


Standpunt ouders
Van de zijde van de ouders is beaamd dat hun zoontje niet in een coma verkeert, maar dat hij op dit moment rustig is en redelijk “aanspreekbaar”. Zij kunnen zich echter niet vinden in de weergave van de gebeurtenissen zoals van de kant van het ziekenhuis is verwoord.

Tijdens de gesprekken op 2 december 2005 met de behandelend artsen heeft de vader begrepen dat hem werd gevraagd onmiddellijk in te stemmen met het beëindigen van de behandeling van zijn kind. Toen hij hierop antwoordde dat hij enige tijd nodig had om hier eerst met zijn vrouw overleg over te voeren, werd van de kant van het ziekenhuis gereageerd met de opmerking dat, indien hij niet zou instemmen, er een verzoek aan de Raad zou worden gedaan om de ouders te schorsen in hun ouderlijk gezag.

Hierop hebben de ouders een advocaat in de arm genomen. Deze heeft nog diezelfde dag een brief aan het ziekenhuis gestuurd, welke is doorgeleid naar de advocaat van het ziekenhuis. Een en ander heeft erin geresulteerd dat er van de zijde van het ziekenhuis een overeenkomst is opgesteld waarin is opgenomen dat de ouders instemmen met de benodigde pijnbestrijding en het ziekenhuis van zijn kant toezegt zich te onthouden van iedere handeling die het overlijden van de baby zal kunnen bespoedigen. Deze overeenkomst is op 2 december 2005 door beide partijen ondertekend. De vader vult aan dat tot zijn onbegrip vervolgens bleek dat het ziekenhuis intussen de Raad had benaderd en de ouders tijdelijk waren geschorst in de uitoefening van hun ouderlijk gezag.

Gezien de door de ouders ondertekende overeenkomst ten behoeve van de pijnbestrijding, zijn de ouders bang dat de door de kinderrechter afgegeven maatregel kan leiden tot het beëindigen van de behandeling van hun kind zonder dat zij daarbij worden betrokken.
De vader brengt daarbij nog naar voren dat de moeder en hij het in zoverre met de behandelend artsen eens zijn dat hun kind bij ernstig hartfalen niet gereanimeerd zal worden en zij het ook eens zijn met de aanvullende pijnbestrijding in de vorm van Dormicum, maar zij benadrukken dat zij een mogelijk overlijden van hun kind nog niet kunnen aanvaarden zolang hij steeds weer laat zien hoe sterk hij is door weer op te krabbelen.


Standpunt Raad
De Raad heeft ter zitting geconcludeerd dat enerzijds geconstateerd kan worden dat de grond – pijnbestrijding – aan zijn verzoek is ontvallen gezien de overeenkomst die de ouders blijkbaar met het ziekenhuis hebben gesloten en waarin de ouders verklaren bereid zijn mee te werken aan pijnbestrijding bij hun kind. Tegelijkertijd zegt de Raad ter zitting te hebben waargenomen dat er nog steeds strijd is tussen de ouders en het ziekenhuis. Dit heeft ertoe geleid dat de Raad zijn verzoek in die zin heeft gewijzigd, dat hij thans verzoekt de maatregel tot schorsing van de ouders in het ouderlijk gezag te beëindigen, onder de voorwaarde dat de ouders hun medewerking verlenen aan pijnbestrijding en normaal medisch handelen, welk medisch handelen niet inhoudt medisch handelen dat leidt tot het bespoedigen van het levenseinde.

Beoordeling

Uit hetgeen ter zitting aan de orde is gekomen is de kinderrechter gebleken dat voormelde bespreking op vrijdag 2 december 2005 heeft geleid tot een ernstig misverstand tussen de ouders en het ziekenhuis.
De kinderrechter begrijpt het standpunt van het ziekenhuis aldus dat het opvoeren van de pijnstilling noodzakelijk was om de grote onrust ten gevolge van de toegenomen bradycardieën bij de baby weg te nemen, maar dat deze pijnbestrijding niet in direct verband bezien mag en kan worden met het bespoedigen van het levenseinde van het kind.
De ouders vreesden daarentegen dat pijnbestrijding tot bespoediging van het levenseinde van hun kind kon leiden en hebben daarom op dat moment hun toestemming niet willen en kunnen geven.
Een en ander was aanleiding voor de ouders om een advocaat in de arm te nemen en voor het ziekenhuis om de hulp van de Raad in te roepen. Nadien heeft de noodzakelijke aanvulling op de pijnstilling plaatsgevonden en is de baby tot rust gekomen.

De vraag welke lezing van de gesprekken op 2 december 2005 van de vader met de behandelend artsen als juist moet worden gezien, kan in het midden blijven. Immers, ter zitting is aan de kinderrechter bekend geworden dat de ouders en het ziekenhuis het reeds op 2 december eens waren over het opvoeren van de pijnbestrijding, gelet op de blijkbaar op die dag tussen hen gesloten overeenkomst. Bij deze stand van zaken en gelet op het ter zitting uitspreken van beide zijden dat een verandering in het medisch beleid dat het normale te buiten gaat, altijd de instemming van de ouders behoeft, is de door de kinderrechter genomen maatregel die slechts zag op het bestrijden van pijn bij het kind, niet langer noodzakelijk.

Gelet op het ter zitting gewijzigde verzoek van de Raad zullen de ouders per 9 december 2005 in het ouderlijk gezag worden hersteld en de voorlopige voogdij worden beëindigd. Het verzoek van de Raad tot het verbinden van voorwaarden aan de opheffing van de schorsing zal worden afgewezen nu de wet hiertoe geen mogelijkheden biedt en ook overigens in het belang van de baby daar geen gronden voor aanwezig zijn.


Beslissing

De kinderrechter:

Bekrachtigt de beschikkingen van 2 december 2005 voor wat betreft de periode tot en met
8 december 2005.

Trekt in met ingang van 9 december 2005 de maatregel tot schorsing van de ouders in het ouderlijk gezag en de voorlopige voogdij over het kind.

Wijst af het meer of anders verzochte.


Deze beschikking is gegeven door mr. A. Stefels en in het openbaar uitgesproken ter terechtzitting van 13 december 2005, in tegenwoordigheid van mr. K. Hoogkamer als griffier.

 

 

Ouders BOYCOT de Raad voor de Kinderbescherming

Een boycot is, in de oorspronkelijke zin, het verbreken van (handels)relaties met een land, een bedrijf of een individu. In de brede zin is het ook een verzaking om iets te doen, bijvoorbeeld een verkiezing boycotten om een statement te maken. De redenen van een boycot kunnen van politieke aard zijn of dienen om een vorm van wraak uit te oefenen of iemand te isoleren. Het woord ontstond in Ierland, waar de hardvochtige Engelse rentmeester Charles Cunningham Boycott (1832–1897) zo door zijn pachters werd gehaat, dat zij hem in 1879 volledig isoleerden.

Bekende (oproepen tot) boycots in de geschiedenis zijn o.a.
- de oproep van de Indiase leider Mahatma Gandhi om geen Engelse producten te kopen.
- de Montgomery-busboycot die begon in 1955 en leidde tot het einde van de rassenscheiding in bussen.
- de olieboycot van OPEC-landen tegen westerse landen die Israël hadden bijgestaan in de Jom Kippoeroorlog, wat in 1973 leidde tot de oliecrisis,
- en de boycot van Zuid-Afrikaanse producten ten tijde van de apartheidspolitiek.
- de boycot van joodse winkels in Duitsland en Oostenrijk, tijdens en in de jaren voor de Tweede Wereldoorlog.
- Olympische Spelen 1956 in Melbourne vanwege de rol van de Sovjet-Unie in de Hongaarse opstand.
- de boycot van de Raad voor de kinderbescherming in Nederland na het ONDERONSJE met BARRAU om Leenders/Nienhuis uit het GEZAG te zetten.

 

CENSUUR IN NEDERLAND ©    Groep Hop ©    Boycot RvdK    NBG    BSC    Modelbrief 91    Modelbrief 465    Oorlog op de Veluwe: (340) (425) (459) (379)    Farizeeërs gesignaleerd!
Het verzet op internet begon op de Veluwe in 1997 (1) (16) en daar waren ze bij de rechtbank Zutphen niet zo blij mee. (12) (95) (710)
(Wraking, naam en nevenfuncties rechters)