| Geschiedenis & Actueel! BKE lijsttrekkersdebat Ermelo 8 december 2005: "Project 31 Van kalvergier naar schone energie. |
Groep Hop wil Nederland verdelen in twee waterschappen Nederland Noord en Nederland Zuid en de waterschap belastingen afschaffen
Geef mij
de controle over de valuta van een natie en het maakt me niet meer uit wie
de wetten maakt
Mayer Amschel Rothschild, 1743 - 1812
Wat Mr. Rothschild had ontdekt was de basisprincipe van macht, invloed en controle over mensen indien toegepast op de economie. Dat principe is 'wanneer je het verschijnsel macht voorwendt, zullen de mensen je die al snel geven'. Het denksysteem van (de elite achter) de overheid is ontwikkeld om de burger in de (eigen) val te laten lopen. De economie werd een systeem dat erop gericht was het onverantwoord handelen van overheden, bedrijfsleven en particulier te stimuleren door de geldkraan wijd open te zetten en het lenen van geld werd en wordt nu op grote schaal als de meest positieve daad allertijden gepredikt.
Wat J. Hop, redacteur van de websites Censuur in Nederland en Groep Hop, vervolgens ontdekte (1) (116) (300) (95) (710) was dat het " rechtersleger" probeert het basisprincipe van macht, invloed en controle over mensen toe te passen op de economie. Door onafhankelijke producerende burgers en bedrijven financieel uit te kleden en/of kapot te maken om als oplossing gesubsidieerde hulpverlening te kunnen blijven verkopen. De elite in Nederland steeds verder te verrijken in overeenstemming met de uitgangsformule op de website Censuur in Nederland en de politieke groepering Groep Hop
Groep
Hop wil Nederland verdelen in twee waterschappen
Nederland Noord
en Nederland Zuid en de waterschap belastingen afschaffen
Geschiedenis. Jan Hop wilde zich als persoon kandidaat stellen voor verkiezingen waterschap maar de waterschapverkiezingen zijn een schijnvertoning geworden waaraan Jan Hop als persoon dan ook niet meer mocht meedoen
Chronologisch overzicht gebeurtenissen
Maandag
14 juli 2008 7:52 Informatieverzoek/kandidaatstelling J. Hop verkiezingen
waterschap Veluwe 2008
Thursday,
July 17, 2008 3:18 PM
Thursday,
July 17, 2008 7:25 PM
"Ik vraag mij af of het dan niet veel slimmer is de verkiezingen voor de waterschappen niet gelijk af te schaffen zodat direct voor iedere burger in Nederland direct duidelijk is dat de gevestigde politieke partijen de baantjes bij het waterschap onderling kunnen verdelen."
Maandag
14 juli 2008 7:52 Informatieverzoek J. Hop kandidaatstelling verkiezingen
waterschap Veluwe 2008
Van:
J. Hop [mailto:j.hop3@chello.nl]
Verzonden: maandag 14 juli 2008 7:52
Aan: Verkiezingen
Onderwerp: Informatieverzoek kandidaatstelling verkiezingen waterschap
Veluwe 2008
Geachte
heer/mevrouw,
Ik overweeg/wil
mij, als persoon, kandidaat te stellen voor de verkiezingen
Waterschap Veluwe 2008.
Gaarne
ontvang ik informatie over:
1.
De eisen die gesteld worden aan deelname?
2.
Alle formulieren die ingevuld moeten worden?
3.
Overzicht van belangrijke data?
4.
Op welke data en tijd formulieren op welk adres ingeleverd moeten worden?
5.
De kosten voor deelname van een persoon aan de verkiezingen waterschap
Veluwe 2008?
6.
Overzicht nevenfuncties van het huidige bestuur?
7.
Andere relevante informatie van belang voor deelname?
De
gevraagde informatie zie ik graag zo spoedig mogelijk, als bijlage per e-mail, tegemoet.
Met
vriendelijke groet,
J.
Hop
Joubertstraat
24, 3851 DM Ermelo
Waterschap
Veluwe gebruikt e-mail niet voor het aangaan van
verplichtingen of rechtsbetrekkingen. Aan persoonlijke opvattingen van
medewerkers kunnen geen rechten worden ontleend.
No virus found in this incoming message.
Checked by AVG.
Version: 7.5.524 / Virus Database: 270.4.11/1554 - Release Date: 15-7-2008
18:03
Thursday,
July 17, 2008 3:18 PM
-----
Original Message -----
From: Verkiezingen
To:
J. Hop
Sent:
Thursday, July 17, 2008 3:18 PM
Subject:
RE: Informatieverzoek kandidaatstelling verkiezingen waterschap Veluwe 2008
Geachte
heer,mevrouw Hop,
Wij
stellen het zeer op prijs dat u zich kandidaat wilt stellen voor een
bestuurszetel bij het waterschap.
De
procedure hiervoor is als volgt:
De
kandidaatstelling verloopt via geregistreerde belangengroeperingen.
Om
aan de verkiezingen mee te kunnen doen, kunt u zich via een geregistreerde
belangengroepering kandidaat stellen. Hiervoor is eerst de registratie van
de belangengroepering nodig. Ook kunt u zich aansluiten bij een reeds bestaande
belangengroepering die is geregistreerd/zich wil laten registreren. Registratie
kan tot en met 4 augustus 2008. Op 16 september 2008 is de dag van
kandidaatstelling. Geregistreerde belanggroeperingen kunnen op die dag de
kandidatenlijst indienen.
Uitgebreide
informatie over de hele procedure kunt u vinden op de website van het
waterschap: http://www.veluwe.nl/verkiezingen_2008/verkiezingen_2008
Bijgaand
treft u een aantal bijlagen aan die de informatie bevatten die u heeft gevraagd.
Een
overzicht van de nevenfuncties van de huidige bestuursleden is in te zien op het
waterschapskantoor.
Indien
u nog vragen heeft kunt u bellen met het volgende nummer: 055 5272997
Met
vriendelijke groet,
Willeke
van de Brake
Waterschap
Veluwe
Afdeling
Bestuurlijk en Communicatie
Projectleider
verkiezingen
[T]
(055) 527 2997
[F]
(055) 527 2704
[E]verkiezingen@veluwe.nl
"Ik vraag mij af of het dan niet veel slimmer is de verkiezingen voor de waterschappen niet gelijk af te schaffen zodat direct voor iedere burger in Nederland direct duidelijk is dat de gevestigde politieke partijen de baantjes bij het waterschap onderling kunnen verdelen."
-----
Original Message -----
From: J.
Hop
To:
Verkiezingen
Sent:
Thursday, July 17, 2008 7:25 PM
Subject:
HERHAALD VERZOEK Informatieverzoek kandidaatstelling en registratie kandidaat
als persoon voor deelname verkiezingen waterschap Veluwe 2008
Stembureau
Waterschap Veluwe, Postbus 4142,
Bureaus
Verkiezingen Waterschap Veluwe.
Onderwerp:
Herhaald verzoek registratie kandidaat als persoon en herhaald verzoek om
informatie.
Geachte
mevrouw W.E. (Willeke)
van de Brake,
Met
verbijstering lees ik in uw bericht dat je als PERSOON WEL kan meedoen
aan de verkiezingen gemeenteraad WEL kan meedoen aan de landelijke
verkiezingen maar dat je als onafhankelijk burger NIET kan meedoen als
PERSOON aan de verkiezingen waterschap Veluwe 2008.
Ik
vraag mij af of deze gang van zaken wel in overeenstemming is met
internationale verdragen en regelgeving?
Ik
vraag mij af of deze gang van zaken niet in strijd is met het Bupoverdrag?
Ik
vraag mij af of het dan niet veel slimmer is de verkiezingen voor de
waterschappen niet gelijk af te schaffen zodat direct voor iedere burger in
Nederland direct duidelijk is dat de gevestigde politieke partijen de baantjes
bij het waterschap onderling kunnen verdelen.
Indien
uw bericht juist blijkt te zijn denk ik dan ook dat het veel slimmer is
Nederland te verdelen in twee waterschappen te weten Waterschap Noord en
Waterschap Zuid en alle bureaucratie met al die extra bijbaantjes af te
schaffen zodat bij en calamiteit maar met twee dijkgraven gecommuniceerd hoeft
te worden.
Beleefd
informeer ik u voor de tweede keer (herhaald verzoek) dat ik niet als
geregistreerde belangengroepering mee wil doen maar mij als PERSOON
verkiesbaar wil stellen.
Ik
stel mij dus wederom (herhaald verzoek) verkiesbaar als PERSOON en
doe hierbij een HERHAALD VERZOEK om registratie van mijn deelname ALS
PERSOON aan de verkiezingen Waterschap Veluwe.
Ik
verzoek dus om toezending van de procedure en alle benodigde informatie om mij
als PERSOON verkiesbaar te stellen. Ik stuur mijn (HERHAALD) VERZOEKEN nu ook
per post en met mijn handtekening erop.
Indien
het niet mogelijk is om mij als PERSOON te laten registreren voor de
verkiezingen Waterschap Veluwe 2008 dan verzoek ik u een BESLUIT op dit
VERZOEK OM REGISTRATIE te nemen met vermelding van de juridisch juiste
beroepsmogelijkheden.
Ik
verzoek u mijn verzoek om toezending nevenfuncties bestuurders Waterschap
Veluwe DOOR TE STUREN naar het juiste bestuursorgaan dat op mijn VERZOEK een
BESLUIT moet nemen.
Met
vriendelijke groet,
J.
Hop
Joubertstraat 24, 3851 DM Ermelo
Een
verzoek voor registratie als PERSOON voldoet niet aan de door wetgever
gestelde vereisten voor registratie van een belangengroepering
waterschapsverkiezingen. Het
stembureau Waterschap Veluwe heeft besloten het verzoek niet in behandeling te
nemen

Thursday,
July 17, 2008 7:25 PM
"Ik vraag mij af of het dan niet veel slimmer is de verkiezingen voor de waterschappen niet gelijk af te schaffen zodat direct voor iedere burger in Nederland direct duidelijk is dat de gevestigde politieke partijen de baantjes bij het waterschap onderling kunnen verdelen."
Bij de samenstelling van de Deltacommissie is bewust gezocht naar mensen uit verschillende vakgebieden zoals klimaat, ruimtelijke ordening, bouw en bestuur.
| Voorzitter: | Cees Veerman |
| Secretaris: | Bart Parmet |
Andries
Heidema (burgemeester
Deventer)
Ineke
Bakker (voormalig DG RO nu Jeugdzorg
Rotterdam),
Jaap
van Duijn (hoogleraar economie, voormalig directeur Robeco),
Koos
van Oord (ondernemer: baggeraar),
Louise
Fresco (hoogleraar grondslagen van duurzame ontwikkeling in
internationaal perspectief),
Marcel
Stive (hoogleraar kustwaterbouwkunde),
Pavel
Kabat (hoogleraar klimaathydrologie),
Tracy
Metz (landschapsarchitecte, journaliste).
De huidige functie van Prof.dr. C.P. Veerman is bijzonder hoogleraar duurzame plattelandsontwikkeling in Europees perspectief aan de Wageningen Universiteit en Researchcentrum en de Universiteit van Tilburg.
Ir. B.W.A.H. Parmet (1966) is secretaris van de Deltacommissie. In die functie is hij verantwoordelijk voor de dagelijkse aansturing van het zevenkoppige secretariaat.
|
Naam |
|
|
Portefeuille |
Algemeen
bestuurlijke aangelegenheden, coördinatie
Grote Stedenbeleid, coördinatie Wijkaanpak,
Communicatie, Regio
Stedendriehoek, Internationale
betrekkingen, wijkwethouder
wijk 6 en 7 (Diepenveen, Schalkhaar, Lettele, Okkenbroek, Bathmen) |
|
|
|
|
Benoemingen
en nevenfuncties voortvloeiend uit de hoofdfunctie |
|
|
Voorzitter
Regio Stedendriehoek |
|
|
Lid
Comité EPD Oost-Nederland (EFRO, vanuit Stedendriehoek) |
|
|
Plaatsvervangend
Korpsbeheerder Politieregio IJsselland |
|
|
Lid
(plaatsvervangend voorzitter) van het Regionaal College Politieregio
IJsselland |
|
|
Lid
(plaatsvervangend) van het Bestuur i.o. Veiligheidsregio IJsselland |
|
|
Lid
van het Dagelijks Bestuur Regio IJssel-Vecht |
|
|
Voorzitter
Overleg van Nederlandse Hanzesteden |
|
|
Lid
Hansekommission (= DB v.h. Internationale Hanzeverbond) |
|
|
Lid
Regiegroep Grote Stedenbeleid Overijssel |
|
|
Lid
Plenair Bestuurlijk Overleg van de G27 |
|
|
|
|
|
Overige
benoemingen en functies, verbonden aan de hoofdfunctie |
|
|
Lid
Raad van Commissarissen NV Bergkwartier |
|
|
Voorzitter
|
|
|
Lid
van het Algemeen Bestuur Vereniging tot Beoefening van het Overijsselsch
Reght en Geschiedenis |
|
|
Lid
Comité van Aanbeveling Nationaal Fonds Kinderhulp |
|
|
Lid
Comité van Aanbeveling Deventer Sportploeg |
|
|
Lid
Board of Ambassadors van het Orkest van het Oosten |
|
|
Lid
Nieuw Deventer Circuit |
|
|
Lid
Comité van Aanbeveling Restauratie Lebuïnuskerk |
|
|
Lid
Comité van Aanbeveling Geert
Groote Huis |
|
|
|
|
|
Andersoortige
nevenfuncties (niet verbonden aan het ambt) |
|
|
Voorzitter
Vereniging Stadswerk (2006), (reiskostenvergoeding) |
|
|
Lid
Commissie In Axis (2006), (reiskostenvergoeding) |
|
|
Lid
Deltacommissie (staatscommissie duurzame kustontwikkeling), (oktober
2007), (vergoeding) |
|
|
Lid
Regieraad Bouw Oost Nederland, (najaar 2008), reiskostenvergoeding) |
|
|
|
|
|
|
|
B&W
Ir.
A.P. Heidema
Burgemeester
Nevenfunctie(s)
Voorzitter Regio Stedendriehoek
Lid Comité EPD Oost-Nederland (Efro, vanuit Stedendriehoek)
Plaatsvervangend Korpsbeheerder Politieregio IJsselland
Lid (plaatsvervangend voorzitter) van het Regionaal College Politieregio IJsselland
Lid (plaatsvervangend) van het Bestuur i.o. Veiligheidsregio IJsselland
Lid van het Dagelijks Bestuur Regio IJssel-Vecht
Voorzitter Overleg van Nederlandse Hanzesteden
Lid Hansekommission (= DB v.h. Internationale Hanzeverbond)
Lid Regiegroep Grote Stedenbeleid Overijssel
Lid Plenair Bestuurlijk Overleg van de G27
Lid Raad van Commissarissen NV Bergkwartier
Voorzitter
Lid van het Algemeen Bestuur Vereniging tot Beoefening van het Overijsselsch Reght en Geschiedenis
Lid Comité van Aanbeveling Nationaal Fonds Kinderhulp
Lid Comité van Aanbeveling Deventer Sportploeg
Lid Board of Ambassadors van het Orkest van het Oosten
Lid Nieuw Deventer Circuit
Lid Comité van Aanbeveling Restauratie Lebuïnuskerk
Lid Comité van Aanbeveling Geert Groote Huis
Voorzitter Vereniging Stadswerk (2006)
Lid Commissie In Axis (2006)
Lid Deltacommissie (staatscommissie duurzame kustontwikkeling)
Lid Regieraad Bouw Oost Nederland, (najaar 2008)
NEVENFUNCTIES GELINKT AAN
"JEUGDZORG" en/of ELEKTRONISCH KINDDOSSIER?
?
Ir. A.P. Heidema is geboren in Haren (provincie Groningen). Hij studeerde af aan de Landbouwuniversiteit Wageningen, afstudeerrichting Cultuurtechniek.
Ir. Ineke M. Bakker (1952) studeerde aan de Landbouw Universiteit Wageningen met als afstudeerrichting Tuin- en Landschapsarchitectuur
Dr. J.J. van Duijn (1943) studeerde economie aan de Nederlandsche Economische Hogeschool (drs. 1968, cum laude) en de University of Illinois in Champaign-Urbana (Ph.D. 1972).
Jaap van Duijn is de auteur van honderden artikelen en acht boeken over economie en beleggen. Zijn laatstverschenen boeken zijn Met gemak betrouwbaar beleggen het verhaal van Robeco (Walburg Pers, 2005) en De groei voorbij (De Bezige Bij, 2007). Van dit laatste boek is inmiddels een derde druk verschenen.
Prof.dr. ir. L.O. Fresco is sinds 1 juni 2006 universiteitshoogleraar aan de Universiteit van Amsterdam met als aandachtsgebied de grondslagen van duurzame ontwikkeling in internationaal perspectief.
Louise Fresco hield in het najaar van 2006 de Duisenberg Lecture in Singapore. De lezing is gepubliceerd onder de titel Biomass for food or fuel: Is there a dilemma? Louise Fresco heeft een indrukwekkende lijst wetenschappelijke publicaties op haar naam staan. Ook buiten de wetenschap publiceert Fresco. Zij schreef columns in de onderwijs- en wetenschapbijlagen van NRC Handelsblad en literaire kritieken in Het Parool en Vrij Nederland. Bij uitgeverij Prometheus verschenen van haar hand drie romans, een bundel essays en het essay Schaduwdenkers en Lichtzoekers (Huizinga-lezing 1998).
Ing. Jac. G. (Koos) van Oord MBA.
Sinds 2001 actief met Van Oord BV in Dubai en heeft onder andere het eiland Palm Jumeirah aangelegd. Momenteel is Van Oord bezig met de uitvoering van The World, een groep van opgespoten eilanden in de vorm van de wereldkaart.
Prof.dr. ir. M.J.F. Stive behaalde zijn ingenieursdiploma Civiele Techniek in 1977 en zijn doctorstitel in 1988, beiden aan de Technische Universiteit Delft.
The current position of Prof.dr. P. Kabat (1958) is Full Professor and Chair Holder Earth System Science and Climate, Chair Board of the Wageningen Climate Centre (CCB); Science Director and Council Chair, Dutch National Climate Research Programme.
Scientific positions:
Other relevant positions:
Schrijfster en journaliste Tracy Metz is redacteur in deeltijd bij NRC Handelsblad, gastonderzoeker bij het Ruimtelijk Planbureau en lid van de Raad voor het Landelijk Gebied, het adviesorgaan van het ministerie van LNV.
Tracy Metz komt oorspronkelijk uit Californië. Zij schrijft over architectuur, stedenbouw en landschap, zowel in Nederland als in de Verenigde Staten, onder andere als internationale correspondent voor Architectural Record. Zij is auteur van een aantal boeken, waaronder PRET! Leisure en Landschap, over de invloed van onze vrije tijd op onze omgeving en Nieuwe natuur, een reportage over veranderend landschap. De nieuwe kaart, Atlas van Nederland in 2005, Op de grond, observaties vanuit Harvard.
SAMEN
WERKEN MET WATER 9De opdracht…
De Deltacommissie is door de regering gevraagd advies uit te brengen over de
bescherming van Nederland tegen de gevolgen van klimaatverandering. Daarbij
gaat het om de vraag hoe Nederland zo ingericht kan worden dat het ook op
de zeer lange termijn klimaatbestendig is, veilig tegen overstromingen, en een
aantrekkelijke plaats is en blijft om te leven; wonen, werken, recreëren en
investeren.
…en de invulling
Daarbij was de vraag breder te kijken dan naar (water)veiligheid alleen. In
de visie is daarom ook gelet op samenhang met wonen en werken, landbouw,
natuur, recreatie, landschap, infrastructuur en energie. Veiligheid en duurzaamheid
zijn de twee pijlers voor de strategie van de komende eeuwen. Naast
bescherming tegen het water, benadrukt en benoemt het advies de kansen voor
de Nederlandse samenleving.
Waterveiligheid
In het advies speelt ‘waterveiligheid’ een cruciale rol. Hierbij gaat het om de
bescherming tegen overstromingen en het veiligstellen van de zoetwatervoorziening.
Het zekerstellen van waterveiligheid voorkomt slachtoffers en
maatschappelijke ontwrichting, het voorkomt schade aan economie, landschap,
natuur, cultuur en reputatie.
Het advies gaat ervan uit dat een veilig Nederland een collectief maatschappelijk
belang is waarvoor de overheid verantwoordelijkheid neemt en blijft nemen.
Het veiligheidsniveau moet tenminste een factor
10 hoger dan het huidigeniveau.
Duurzame kansen
De aanbevelingen van de commissie leggen de nadruk op het kunnen meeontwikkelen
met klimaatverandering en andere ecologische processen, ze zijn
kosteneffectief en hebben een maatschappelijke meerwaarde. De aanbevelingen
zijn fl exibel en geleidelijk te realiseren en bevatten handelingsperspectief voor
de korte termijn. Met de uitvoering ervan is Nederland in staat de effecten
van klimaatverandering beter op te vangen en nieuwe kansen te creëren. De
voorgestelde ingrepen in het advies moeten duurzaam zijn: bij de uitvoering
ervan moet effi ciënt gebruik worden gemaakt van water, energie en andere
grondstoffen, zodanig dat de kwaliteit van de leefomgeving niet alleen
behouden blijft maar zelfs wordt verbeterd.
Uitvoering: het
DeltaprogrammaVoor de uitvoering van het advies voor een klimaatbestendige inrichting
van Nederland heeft de Deltacommissie het
Deltaprogramma opgesteld. Ditprogramma wordt fi nancieel (Deltafonds) en politiek-bestuurlijk verankerd in
een vernieuwde
Deltawet.Samenvatting
10
DELTACOMMISSIE 2008De opgave is urgent
De urgentie (voor uitvoering) van het advies is groot. Nederland heeft een
achterstand in te lopen omdat niet wordt voldaan aan de huidige geldende
normen. Bovendien zijn de normen achterhaald en moeten naar boven
worden bijgesteld. Daarnaast verandert het klimaat snel, stijgt de zeespiegel
waarschijnlijk sneller dan aangenomen en neemt de (extreme) variatie in
rivierafvoeren naar verwachting toe. Het economisch, maatschappelijk en
natuurlijk belang van Nederland is groot en groeit verder; een dijkdoorbraak
heeft zeer ontwrichtende gevolgen voor heel Nederland.
De Deltacommissie meent dat er rekening moet worden gehouden met een
zeespiegelstijging van
0,65 tot 1,30 meter in 2100 en van 2 tot 4 meter in2200
. Het effect van bodemdaling is hierin meegenomen. Deze waardenvertegenwoordigen de mogelijke bovengrenzen; het is verstandig om hiermee
rekening te houden, zodat de besluiten die worden genomen en de maatregelen
die worden getroffen voor lange tijd houdbaar zijn tegen de achtergrond van
wat Nederland mogelijk te wachten staat.
De temperatuurstijging en veranderende luchtcirculatie leiden voor de Rijn
en de Maas tot afnemende zomer- en toenemende winterafvoeren. Voor de
maximale afvoer van de Rijn moet rond
2100 rekening worden gehouden metongeveer
18.000 m3/s. Voor de Maas komt dit op ongeveer 4.600 m3/s (huidigemaatgevende afvoeren zijn respectievelijk:
16.000 m3/s en 3.800 m3/s).Een stijgende zeespiegel, afnemende rivierafvoeren in de zomer, langduriger
droogteperioden en indringend zout water via de rivieren en het grondwater
zetten de zoetwatervoorziening van het land onder druk. Dit leidt tot
schadelijke gevolgen voor de drinkwater-voorziening, landbouw, scheepvaart
en (koel)water gerelateerde economische sectoren.
Wetenschappelijke basis
De Deltacommissie heeft zich wetenschappelijk laten adviseren op een aantal
aspecten die mede de basis hebben gevormd van het advies. In hoofdlijn zijn
dit de bevindingen van een groep van (inter)nationale deskundigen (onder
andere) uit het IPCC-circuit en die van Nederlandse experts op het gebied van
waterveiligheid en -beheer. De groep (inter)nationale deskundigen heeft de
laatste inzichten over klimaatscenario’s aangevuld en heeft nieuwe schattingen
van de extremen gegeven.
SAMEN
WERKEN MET WATER 11Kosten
Met de uitvoering van het
Deltaprogramma is tot 2050 een bedrag van1,2
à 1,6 miljard euro per jaar gemoeid en voor de periode 2050-2100 eenbedrag van
0,9 à 1,5 miljard euro per jaar. Binnen het Deltaprogrammawordt voor de waterveiligheid zandsuppletie aan de kust toegepast. Als deze
zandsuppletie wordt vergroot om de Hollandse en Zeeuwse Noordzeekust met
bijvoorbeeld
1 km uit te breiden om zo ruimte te scheppen voor functies alsrecreatie en natuur, is een aanvullend bedrag nodig van
0,1 à 0,3 miljard europer jaar.
Bedragen zijn uitgedrukt in prijspeil 2007 en zijn inclusief BTW.
Twaalf aanbevelingen voor de toekomst
De Deltacommissie heeft een toekomstvisie ontwikkeld die reikt tot na
2100.Op zo’n lange termijn is deze afhankelijk van de nationale, Europese en
mondiale ontwikkelingen. Op de korte en middellange termijn ontkomen we
niet aan het doen van concrete aanbevelingen, omdat actie nu noodzakelijk is
voor het verhogen van het veiligheidsniveau. De Deltacommissie heeft daarom
twaalf aanbevelingen voor de korte en middellange termijn geformuleerd die
hier in sterk verkorte versie zijn opgenomen.
Indicatie extra kosten per jaar
[miljard euro]
Periode Gemiddeld
2010 - 2050 2050 - 2100 2010 - 2100
Deltaprogramma
1,2 tot 1,6 0,9 tot 1,5 1,0 tot 1,5Deltaprogramma
, met extra ruimteaan de kust voor andere functies
1,3 tot 1,9 1,2 tot 1,8 1,2 tot 1,8
12
DELTACOMMISSIE 2008Twaalf aanbevelingen voor de toekomst
Aanbeveling 1
Veiligheidsniveau
Aanbeveling 2
Nieuwbouwplannen
Aanbeveling 3
Buitendijkse gebieden
Aanbeveling 4
Noordzeekust
Aanbeveling 5
Waddengebied
Aanbeveling 6
Zuidwestelijke delta:
Oosterschelde
Aanbeveling 7
Zuidwestelijke delta:
Westerschelde
Aanbeveling 8
Zuidwestelijke delta:
Krammer–Volkerak Zoommeer
De huidige veiligheidsniveaus van alle dijkringen moeten met een factor 10 verbeterd worden.
Hiertoe moeten de normen zo snel mogelijk (2013) worden vastgesteld. Daar waar meer
veiligheid gewenst is, is het concept van de Deltadijk veelbelovend (deze dijken zijn of zo hoog,
of zo breed of zo sterk dat de kans op een plotselinge en oncontroleerbare overstroming vrijwel
nihil is). Gelet op specifieke of plaatselijke omstandigheden is maatwerk hierbij het devies.
Maatregelen voor de verhoging van het veiligheidsniveau moeten voor 2050 zijn gerealiseerd.
De veiligheidsniveaus moeten met regelmaat geactualiseerd worden.
De keuze van wel of geen nieuwbouw op fysisch ongunstige locaties moet gebaseerd zijn op
een kosten-batenanalyse. Hierin moeten huidige en toekomstige kosten voor alle partijen zijn
berekend. De kosten als gevolg van lokale besluiten moeten niet op een andere bestuurslaag of
de samenleving als geheel worden afgewenteld, maar gedragen worden door degenen die ervan
profiteren.
Nieuwe ontwikkelingen in buitendijkse gebieden mogen de afvoercapaciteit van de rivier
en toekomstige peilopzet van meren niet belemmeren. Bewoners/gebruikers zijn zelf
verantwoordelijk voor het treffen van gevolgbeperkende maatregelen. De overheid heeft een
faciliterende rol op het gebied van voorlichten, informeren en waarschuwen.
Bouwen met de natuur. Voor de kust van Zeeland, Holland en de Waddeneilanden wordt de
kustveiligheid op orde gehouden door het suppleren van zand, eventueel met verlegging van de
stroomgeulen. De suppleties moeten zodanig worden uitgevoerd dat de kust de komende eeuw
kan aangroeien. Dit levert grote maatschappelijke meerwaarde op.
Op korte termijn moeten zandwinlocaties gereserveerd worden. Ook moet onderzocht worden
hoe deze grote volumes ecologisch, economisch en energetisch zo efficiënt mogelijk kunnen
worden gesuppleerd.
Blijven suppleren - afhankelijk van de zeespiegelstijging met meer of minder zand.
De zandsuppleties langs de Noordzeekust dragen bij aan het meegroeien van het Waddengebied.
Het voortbestaan van de Waddenzee zoals wij die nu kennen, is echter niet
vanzelfsprekend. De ontwikkelingen moeten in internationale context worden geobserveerd en
geanalyseerd.
De bescherming van de eilandpolders en de kust van Noord-Nederland moet gewaarborgd
blijven.
De Oosterscheldekering voldoet aan de eisen. Het nadeel van de kering is de beperking van
de getijdenwerking en het verlies van intergetijdengebieden. Met zandsuppleties van buiten
(bijvoorbeeld uit de Voordelta) wordt dit bestreden.
De levensduur van de Oosterscheldekering wordt verlengd. Dit is mogelijk tot het niveau van een
zeespiegelstijging van ongeveer 1 m (op zijn vroegst rond 2075). Als de Oosterscheldekering
niet meer voldoet, wordt naar een oplossing voor de veiligheid gezocht waarbij de
getijdendynamiek in de Oosterschelde grotendeels wordt teruggebracht.
Deze moet open blijven om het waardevolle estuarium en de vaarroute naar Antwerpen te
behouden. Veiligheid moet op peil worden gehouden door dijkversterking.
Het Krammer-Volkerak Zoommeer samen met de Grevelingen en eventueel de Oosterschelde
inrichten voor de tijdelijke berging van het overtollig rivierwater van Rijn en Maas.
Een zoet-zoutgradiënt (een natuurlijke overgang tussen zoet en zout water) voor dit gebied
is een goede oplossing voor het waterkwaliteitsprobleem en kan nieuwe ecologische kansen
bieden. In dat geval moet er een alternatieve zoetwatervoorziening komen.
Tot 2050
Na 2050
Tot 2050
Na 2050
Tot 2050
Na 2050
Tot 2050
SAMEN
WERKEN MET WATER 13De programma’s
Ruimte voor de Rivier en Maaswerken moeten snel worden uitgevoerd.Daar waar dit kosteneffectief is, moeten nu al maatregelen worden genomen voor afvoeren van
18.000 m3/s voor de Rijn en 4.600 m3/s voor de Maas. In dit licht is het noodzakelijk overleg
te voeren met de buurlanden in het kader van de
EU-richtlijn Overstromingsrisico’s zodatmaatregelen op elkaar kunnen worden afgestemd. Ook moet ruimte worden gereserveerd
en zonodig gronden worden aangekocht zodat het riviersysteem in staat is de 18.000 m3/s
Rijnwater en 4.600 m3/s Maaswater veilig te kunnen afvoeren.
Voltooiing van maatregelen zodat de Rijn 18.000 m3/s en de Maas 4.600 m3/s kunnen
verwerken.
Een ‘afsluitbaar open’ Rijnmond biedt goede vooruitzichten voor de combinatie van de functies
veiligheid, zoetwatervoorziening, stedelijke ontwikkeling en natuur. De extreme afvoeren van de
Rijn en Maas moeten dan via de Zuidwestelijke delta worden afgevoerd.
Het water voor West-Nederland moet via het IJsselmeer worden aangevoerd. De infrastructuur
hiervoor moet worden aangepast. Er moet ruimte komen voor lokale berging in diepe droogmakerijen.
Nader onderzoek naar de ‘afsluitbaar open’ Rijnmond moet op korte termijn starten.
Het peil van het IJsselmeer wordt met maximaal 1,5 m verhoogd. Daarmee kan tot na 2100
onder vrij verval worden gespuid op de Waddenzee. Het peil van het Markermeer wordt
niet verhoogd. Het IJsselmeer behoudt zijn strategische functie als zoetwaterreservoir voor
Noord-Nederland, Noord-Holland en, vanwege de dieper indringende zouttong in de Nieuwe
Waterweg, voor West-Nederland.
Uitvoer van de maatregelen om de peilstijging te realiseren, kan geleidelijk gebeuren. Gestreefd
moet worden naar een zo groot mogelijke zoetwatervoorraad rond 2050. Onderzocht moet
worden welke maatregelen nodig zijn om de inrichting van de benedenloop van de IJssel en het
Zwarte Water aan te passen aan een verhoging van het IJsselmeerpeil met 1,5 m.
Afhankelijk van de gefaseerde aanpak zijn nog maatregelen nodig om tot een peilstijging van
1,5 m te komen.
1. De politiek-bestuurlijke organisatie voor onze waterveiligheid dient te worden versterkt door:
~
te voorzien in een verbindende nationale regie en regionale verantwoordelijkheid voor deuitvoering (ministeriële stuurgroep met MP als voorzitter, V&W-bewindspersoon politiek
verantwoordelijk, de deltaregisseur voor samenhang en voortgang, regionale bestuurders
voor invulling en realisatie van de (afzonderlijke) regionale opgaven);
~
in de Tweede Kamer een permanente Themacommissie in te stellen.2. De financiële middelen dienen zeker te worden gesteld door:
~
een Deltafonds op te richten onder beheer van de minister van Financiën;~
het Deltafonds te voeden met een combinatie van lenen, en storting van (een gedeelte vande) aardgasbaten;
~
als Rijk financiële middelen ter beschikking te stellen, en regels op te stellen vooronttrekking van financiële middelen uit het fonds.
3. Een
Deltawet moet de politiek-bestuurlijke organisatie en de zekerstelling van financiënverankeren binnen het huidige staatsbestel en de huidige wet- en regelgeving.
Hierin moet in ieder geval worden opgenomen het Deltafonds en de voeding ervan; taken
en bevoegdheden van de Deltaregisseur; de bepaling dat een
Deltaprogramma zal wordenopgesteld; regelingen voor strategische grondverwerving, schadevergoeding voor nadelen
en onttrekking geldelijke voordelen die ontstaan door realisatie van maatregelen uit het
Deltaprogramma
.Aanbeveling 9
Rivierengebied
Aanbeveling 10
Rijnmond
Aanbeveling 11
IJsselmeergebied
Aanbeveling 12
Politiek-bestuurlijk,
juridisch en fi nancieel
Tot 2050
2050 - 2100
Tot 2050
Tot 2050
Na 2050
Samen
werkenmet
waterEen land dat leeft, bouwt aan zijn toekomst
Bevindingen van de Deltacommissie
2008Fragment uit:
Het Sterreschipdoor Ida Gerhardt
Verzamelde Gedichten II
Athenaeum-Polak & van Gennep
Amsterdam 1992
De ondertitel van het advies is
ontleend aan de spreuk op het
monument op de Afsluitdijk
samen
werken met water 1Aan de watergang amoonmmaae tn t zd evide ej esrnmt h gaatorminlojeeitdnnleie gnshnetge nrebto n ivovj aemt nmre gm gohzeoenbiotgjdoroneeergn ne,gen,nr,o,nden
bBbmazilldajiiiengjjjmff vdi eiikoenkko wm rzhnzieeaeejtrtngae g hlrvaide endht rg ibeewnetmon nahgw dtevaaeb elrbtrre eteensarwkp, lreaaeearnker.endn.e,n;
2
deltacommissie 2008Uit:
Het Sterreschipdoor Ida Gerhardt
Verzamelde Gedichten II
Athenaeum-Polak & van Gennep
Amsterdam 1992
De ondertitel van het advies is
ontleend aan de spreuk op het
monument op de Afsluitdijk
samen
werken met water 3Samen
werkenmet
waterEen land dat leeft, bouwt aan zijn toekomst
Bevindingen van de Deltacommissie
20084
deltacommissie 2008Uit:
Het Sterreschipdoor Ida Gerhardt
Verzamelde Gedichten II
Athenaeum-Polak & van Gennep
Amsterdam
1992De ondertitel van het advies is
ontleend aan de spreuk op het
monument op de Afsluitdijk
Aan de watergang geboren,
aan de grote stroom getogen,
met verholen het vermogen,
om zijn tijdingen te horen,
om de maningen van zijn gronden
Na te stamelen bij monde.
samen
werken met water 5Zonder water zou Nederland ondenkbaar zijn. Juist alle inspanningen die de
bewoners van onze delta door de eeuwen heen en tot op de dag van vandaag
hebben geleverd om zich aan de zee en rivieren te ontworstelen, zijn bepalend
geweest voor het aanzien dat ons land gekregen heeft. Aan de monding van vier
grote, bevaarbare rivieren met toegang tot alle wereldzeeën, wordt ons land in
veel opzichten door het water gedragen. Dit geldt voor natuur en landschap,
voor welvaart en economie, voor de wijze waarop ons land bestuurd wordt
(waterschappen en poldermodel): de zee en de rivieren hebben onze identiteit
en het land vorm gegeven.
De ramp van februari
1953 staat in ons recente collectieve geheugen gegrift;nog diezelfde maand installeerde de minister van Verkeer en Waterstaat (V&W)
een commissie die de vraag moest beantwoorden ‘welke waterstaatstechnische
voorzieningen dienen te worden getroffen met betrekking tot de door de stormvloed
[…] geteisterde gebieden, waarbij in het onderzoek ware te betrekken
de vraag of een afsluiting van de zeearmen zulk een voorziening behoort te
vormen’.
1 Het advies van deze eerste Deltacommissie heeft het zuidwesten vanNederland ingrijpend van aanzien veranderd en de veiligheid duurzaam zeker
gesteld. De uitvoering van de ‘eerste’ Deltawerken heeft daarmee een solide
basis gelegd waarop we in dit advies dankbaar kunnen voortbouwen. Ook
in de verdediging van de Hollandse kust en de Waddenkust en de bedijking
van de rivieren is de afgelopen decennia fors geïnvesteerd. Met de aanpak van
de zogeheten ‘zwakke schakels’ van de kustverdediging en de programma’s
Maaswerken
en Ruimte voor de Rivier wordt hier de komende jaren nog verderaan gewerkt.
Een nieuwe Deltacommissie
Nu dringt de klimaatverandering zich op als een nieuwe, niet te negeren,
realiteit. De voorspelde stijging van de zeespiegel en de grotere variatie in
rivierafvoeren dwingen ons ver vooruit te kijken, de blik te verruimen en te
anticiperen op ontwikkelingen in de verdere toekomst. Daarom heeft het
kabinet een ‘nieuwe Deltacommissie’ ingesteld, de commissie Duurzame
Kustontwikkeling, met de opdracht zich te buigen over de bescherming van
de Nederlandse kust en het achterland op de lange termijn.
Onze opdracht is breder dan die van onze voorgangers in de eerste Deltacommissie.
Toen ging het eerst en vooral om ‘waterstaatstechnische
voorzieningen’ die een acute dreiging moesten keren. Voor ons als tweede
Deltacommissie is de dreiging niet acuut, maar de opgave wel urgent. Er is
geen enkele reden voor paniek, maar we moeten ons wel zorgen maken over
de toekomst. Om goed voorbereid te zijn op de verwachte klimaatverandering,
moeten we onze waterkeringen versterken en de inrichting van ons land
Voorwoord
Kust ter hoogte van Ter Heijde
6
deltacommissie 2008samen
werken met water 7aanpassen, zowel in fysieke als bestuurlijke zin. De opdracht waarvoor onze
commissie is geplaatst, is daarmee bijzonder: ons is een advies gevraagd,
niet omdat er een ramp is gebeurd, maar om te vermijden dat we ooit in een
bedreigende situatie zullen komen. Bijzonder is ook het karakter van het
gevraagde advies: het gaat om een integrale visie, waarmee we als Nederland
eeuwen vooruit moeten kunnen.
Wezenlijk is daarbij dat de uitdagingen waar Nederland de komende eeuwen
voor staat niet in de eerste plaats het karakter hebben van een bedreiging, maar
juist ook nieuwe perspectieven bieden. Het aanpassen van de inrichting van ons
land aan de gevolgen van klimaatverandering schept nieuwe mogelijkheden
en het werken met water biedt uitgelezen kansen voor innovatieve ideeën en
toepassingen. Waar water is, kan nieuwe natuur tot leven komen. Water trekt
mensen: aan of op het water willen we graag wonen en recreëren. Met water
kan voedsel worden voortgebracht en energie worden opgewekt. Waterkeringen
kunnen als transportassen worden ingericht.
Het land waar we willen leven
De fundamentele vraag die in dit rapport centraal staat is: hoe kunnen we
ervoor zorgen dat ons land nog voor vele toekomstige generaties een aantrekkelijke
plaats blijft om te wonen en te werken, te investeren en te recreëren?
Dit advies schept voorwaarden om die gewenste toekomst werkelijkheid te
laten worden. Met het realiseren van die voorwaarden kunnen we, wat de
Deltacommissie betreft, vanaf vandaag met woord en daad aan de slag.
Immers: ‘een land dat leeft, bouwt aan zijn toekomst’.
Prof. Dr. C.P. Veerman,
Voorzitter van de Deltacommissie
1. Rapport Deltacommissie.
Eindverslag eninterimadviezen.
Deel 1, blz. 15 (1960)Flevopolder ter hoogte van Lelystad
8
deltacommissie 2008samen
werken met water 9De opdracht…
De Deltacommissie is door de regering gevraagd advies uit te brengen over de
bescherming van Nederland tegen de gevolgen van klimaatverandering. Daarbij
gaat het om de vraag hoe Nederland zo ingericht kan worden dat het ook op
de zeer lange termijn klimaatbestendig is, veilig tegen overstromingen, en een
aantrekkelijke plaats is en blijft om te leven; wonen, werken, recreëren en
investeren.
…en de invulling
Daarbij was de vraag breder te kijken dan naar (water)veiligheid alleen. In
de visie is daarom ook gelet op samenhang met wonen en werken, landbouw,
natuur, recreatie, landschap, infrastructuur en energie. Veiligheid en duurzaamheid
zijn de twee pijlers voor de strategie van de komende eeuwen. Naast
bescherming tegen het water, benadrukt en benoemt het advies de kansen voor
de Nederlandse samenleving.
Waterveiligheid
In het advies speelt ‘waterveiligheid’ een cruciale rol. Hierbij gaat het om de
bescherming tegen overstromingen en het veiligstellen van de zoetwatervoorziening.
Het zekerstellen van waterveiligheid voorkomt slachtoffers en
maatschappelijke ontwrichting, het voorkomt schade aan economie, landschap,
natuur, cultuur en reputatie.
Het advies gaat ervan uit dat een veilig Nederland een collectief maatschappelijk
belang is waarvoor de overheid verantwoordelijkheid neemt en blijft nemen.
Het veiligheidsniveau moet tenminste een factor
10 hoger dan het huidigeniveau.
Duurzame kansen
De aanbevelingen van de commissie leggen de nadruk op het kunnen meeontwikkelen
met klimaatverandering en andere ecologische processen, ze zijn
kosteneffectief en hebben een maatschappelijke meerwaarde. De aanbevelingen
zijn flexibel en geleidelijk te realiseren en bevatten handelingsperspectief voor
de korte termijn. Met de uitvoering ervan is Nederland in staat de effecten
van klimaatverandering beter op te vangen en nieuwe kansen te creëren. De
voorgestelde ingrepen in het advies moeten duurzaam zijn: bij de uitvoering
ervan moet efficiënt gebruik worden gemaakt van water, energie en andere
grondstoffen, zodanig dat de kwaliteit van de leefomgeving niet alleen
behouden blijft maar zelfs wordt verbeterd.
Uitvoering: het
DeltaprogrammaVoor de uitvoering van het advies voor een klimaatbestendige inrichting
van Nederland heeft de Deltacommissie het
Deltaprogramma opgesteld. Ditprogramma wordt financieel (Deltafonds) en politiek-bestuurlijk verankerd in
een vernieuwde
Deltawet.Samenvatting
10
deltacommissie 2008De opgave is urgent
De urgentie (voor uitvoering) van het advies is groot. Nederland heeft een
achterstand in te lopen omdat niet wordt voldaan aan de huidige geldende
normen. Bovendien zijn de normen achterhaald en moeten naar boven
worden bijgesteld. Daarnaast verandert het klimaat snel, stijgt de zeespiegel
waarschijnlijk sneller dan aangenomen en neemt de (extreme) variatie in
rivierafvoeren naar verwachting toe. Het economisch, maatschappelijk en
natuurlijk belang van Nederland is groot en groeit verder; een dijkdoorbraak
heeft zeer ontwrichtende gevolgen voor heel Nederland.
De Deltacommissie meent dat er rekening moet worden gehouden met een
zeespiegelstijging van
0,65 tot 1,30 meter in 2100 en van 2 tot 4 meter in2200
. Het effect van bodemdaling is hierin meegenomen. Deze waardenvertegenwoordigen de mogelijke bovengrenzen; het is verstandig om hiermee
rekening te houden, zodat de besluiten die worden genomen en de maatregelen
die worden getroffen voor lange tijd houdbaar zijn tegen de achtergrond van
wat Nederland mogelijk te wachten staat.
De temperatuurstijging en veranderende luchtcirculatie leiden voor de Rijn
en de Maas tot afnemende zomer- en toenemende winterafvoeren. Voor de
maximale afvoer van de Rijn moet rond
2100 rekening worden gehouden metongeveer
18.000 m3/s. Voor de Maas komt dit op ongeveer 4.600 m3/s (huidigemaatgevende afvoeren zijn respectievelijk:
16.000 m3/s en 3.800 m3/s).Een stijgende zeespiegel, afnemende rivierafvoeren in de zomer, langduriger
droogteperioden en indringend zout water via de rivieren en het grondwater
zetten de zoetwatervoorziening van het land onder druk. Dit leidt tot
schadelijke gevolgen voor de drinkwater-voorziening, landbouw, scheepvaart
en (koel)water gerelateerde economische sectoren.
Wetenschappelijke basis
De Deltacommissie heeft zich wetenschappelijk laten adviseren op een aantal
aspecten die mede de basis hebben gevormd van het advies. In hoofdlijn zijn
dit de bevindingen van een groep van (inter)nationale deskundigen (onder
andere) uit het IPCC-circuit en die van Nederlandse experts op het gebied van
waterveiligheid en -beheer. De groep (inter)nationale deskundigen heeft de
laatste inzichten over klimaatscenario’s aangevuld en heeft nieuwe schattingen
van de extremen gegeven.
samen
werken met water 11Kosten
Met de uitvoering van het
Deltaprogramma is tot 2050 een bedrag van1,2
à 1,6 miljard euro per jaar gemoeid en voor de periode 2050-2100 eenbedrag van
0,9 à 1,5 miljard euro per jaar. Binnen het Deltaprogrammawordt voor de waterveiligheid zandsuppletie aan de kust toegepast. Als deze
zandsuppletie wordt vergroot om de Hollandse en Zeeuwse Noordzeekust met
bijvoorbeeld
1 km uit te breiden om zo ruimte te scheppen voor functies alsrecreatie en natuur, is een aanvullend bedrag nodig van
0,1 à 0,3 miljard europer jaar.
Bedragen zijn uitgedrukt in prijspeil 2007 en zijn inclusief BTW.
Twaalf aanbevelingen voor de toekomst
De Deltacommissie heeft een toekomstvisie ontwikkeld die reikt tot na
2100.Op zo’n lange termijn is deze afhankelijk van de nationale, Europese en
mondiale ontwikkelingen. Op de korte en middellange termijn ontkomen we
niet aan het doen van concrete aanbevelingen, omdat actie nu noodzakelijk is
voor het verhogen van het veiligheidsniveau. De Deltacommissie heeft daarom
twaalf aanbevelingen voor de korte en middellange termijn geformuleerd die
hier in sterk verkorte versie zijn opgenomen.
Indicatie extra kosten per jaar
[miljard euro]
Periode Gemiddeld
2010 - 2050 2050 - 2100 2010 - 2100
Deltaprogramma
1,2 tot 1,6 0,9 tot 1,5 1,0 tot 1,5Deltaprogramma
, met extra ruimteaan de kust voor andere functies
1,3 tot 1,9 1,2 tot 1,8 1,2 tot 1,8
12
deltacommissie 2008Twaalf aanbevelingen voor de toekomst
Aanbeveling 1
Veiligheidsniveau
Aanbeveling 2
Nieuwbouwplannen
Aanbeveling 3
Buitendijkse gebieden
Aanbeveling 4
Noordzeekust
Aanbeveling 5
Waddengebied
Aanbeveling 6
Zuidwestelijke delta:
Oosterschelde
Aanbeveling 7
Zuidwestelijke delta:
Westerschelde
Aanbeveling 8
Zuidwestelijke delta:
Krammer–Volkerak Zoommeer
De huidige veiligheidsniveaus van alle dijkringen moeten met een factor 10 verbeterd worden.
Hiertoe moeten de normen zo snel mogelijk (2013) worden vastgesteld. D aar waar meer
veiligheid gewenst is, is het concept van de Deltadijk veelbelovend (deze dijken zijn of zo hoog,
of zo breed of zo sterk dat de kans op een plotselinge en oncontroleerbare overstroming vrijwel
nihil is). Gelet op specifieke of plaatselijke omstandigheden is maatwerk hierbij het devies.
Maatregelen voor de verhoging van het veiligheidsniveau moeten voor 2050 zijn gerealiseerd.
De veiligheidsniveaus moeten met regelmaat geactualiseerd worden.
De keuze van wel of geen nieuwbouw op fysisch ongunstige locaties moet gebaseerd zijn op
een kosten-batenanalyse. Hierin moeten huidige en toekomstige kosten voor alle partijen zijn
berekend. De kosten als gevolg van lokale besluiten moeten niet op een andere bestuurslaag of
de samenleving als geheel worden afgewenteld, maar gedragen worden door degenen die ervan
profiteren.
Nieuwe ontwikkelingen in buitendijkse gebieden mogen de afvoercapaciteit van de rivier
en toekomstige peilopzet van meren niet belemmeren. Bewoners/gebruikers zijn zelf
verantwoordelijk voor het treffen van gevolgbeperkende maatregelen. De overheid heeft een
faciliterende rol op het gebied van voorlichten, informeren en waarschuwen.
Bouwen met de natuur. Voor de kust van Zeeland, Holland en de Waddeneilanden wordt de
kustveiligheid op orde gehouden door het suppleren van zand, eventueel met verlegging van de
stroomgeulen. De suppleties moeten zodanig worden uitgevoerd dat de kust de komende eeuw
kan aangroeien. Dit levert grote maatschappelijke meerwaarde op.
Op korte termijn moeten zandwinlocaties gereserveerd worden. Ook moet onderzocht worden
hoe deze grote volumes ecologisch, economisch en energetisch zo efficiënt mogelijk kunnen
worden gesuppleerd.
Blijven suppleren - afhankelijk van de zeespiegelstijging met meer of minder zand.
De zandsuppleties langs de Noordzeekust dragen bij aan het meegroeien van het Waddengebied.
Het voortbestaan van de Waddenzee zoals wij die nu kennen, is echter niet
vanzelfsprekend. De ontwikkelingen moeten in internationale context worden geobserveerd en
geanalyseerd.
De bescherming van de eilandpolders en de kust van Noord-Nederland moet gewaarborgd
blijven.
De Oosterscheldekering voldoet aan de eisen. Het nadeel van de kering is de beperking van
de getijdenwerking en het verlies van intergetijdengebieden. Met zandsuppleties van buiten
(bijvoorbeeld uit de Voordelta) wordt dit bestreden.
De levensduur van de Oosterscheldekering wordt verlengd. Dit is mogelijk tot het niveau van een
zeespiegelstijging van ongeveer 1 m (op zijn vroegst rond 2075). Als de Oosterscheldekering
niet meer voldoet, wordt naar een oplossing voor de veiligheid gezocht waarbij de
getijdendynamiek in de Oosterschelde grotendeels wordt teruggebracht.
Deze moet open blijven om het waardevolle estuarium en de vaarroute naar Antwerpen te
behouden. Veiligheid moet op peil worden gehouden door dijkversterking.
Het Krammer-Volkerak Zoommeer samen met de Grevelingen en eventueel de Oosterschelde
inrichten voor de tijdelijke berging van het overtollig rivierwater van Rijn en Maas.
Een zoet-zoutgradiënt (een natuurlijke overgang tussen zoet en zout water) voor dit gebied
is een goede oplossing voor het waterkwaliteitsprobleem en kan nieuwe ecologische kansen
bieden. In dat geval moet er een alternatieve zoetwatervoorziening komen.
Tot 2050
Na 2050
Tot 2050
Na 2050
Tot 2050
Na 2050
Tot 2050
samen
werken met water 13De programma’s
Ruimte voor de Rivier en Maaswerken moeten snel worden uitgevoerd.Daar waar dit kosteneffectief is, moeten nu al maatregelen worden genomen voor afvoeren van
18.000 m3/s voor de Rijn en 4.600 m3/s voor de Maas. In dit licht is het noodzakelijk overleg
te voeren met de buurlanden in het kader van de
EU-richtlijn Overstromingsrisico’s zodatmaatregelen op elkaar kunnen worden afgestemd. Ook moet ruimte worden gereserveerd
en zonodig gronden worden aangekocht zodat het riviersysteem in staat is de 18.000 m3/s
Rijnwater en 4.600 m3/s Maaswater veilig te kunnen afvoeren.
Voltooiing van maatregelen zodat de Rijn 18.000 m3/s en de Maas 4.600 m3/s kunnen
verwerken.
Een ‘afsluitbaar open’ Rijnmond biedt goede vooruitzichten voor de combinatie van de functies
veiligheid, zoetwatervoorziening, stedelijke ontwikkeling en natuur. De extreme afvoeren van de
Rijn en Maas moeten dan via de Zuidwestelijke delta worden afgevoerd.
Het water voor West-Nederland moet via het IJsselmeer worden aangevoerd. De infrastructuur
hiervoor moet worden aangepast. Er moet ruimte komen voor lokale berging in diepe droogmakerijen.
Nader onderzoek naar de ‘afsluitbaar open’ Rijnmond moet op korte termijn starten.
Het peil van het IJsselmeer wordt met maximaal 1,5 m verhoogd. Daarmee kan tot na 2100
onder vrij verval worden gespuid op de Waddenzee. Het peil van het Markermeer wordt
niet verhoogd. Het IJsselmeer behoudt zijn strategische functie als zoetwaterreservoir voor
Noord-Nederland, Noord-Holland en, vanwege de dieper indringende zouttong in de Nieuwe
Waterweg, voor West-Nederland.
Uitvoer van de maatregelen om de peilstijging te realiseren, kan geleidelijk gebeuren. Gestreefd
moet worden naar een zo groot mogelijke zoetwatervoorraad rond 2050. Onderzocht moet
worden welke maatregelen nodig zijn om de inrichting van de benedenloop van de IJssel en het
Zwarte Water aan te passen aan een verhoging van het IJsselmeerpeil met 1,5 m.
Afhankelijk van de gefaseerde aanpak zijn nog maatregelen nodig om tot een peilstijging van
1,5 m te komen.
1. D e politiek-bestuurlijke organisatie voor onze waterveiligheid dient te worden versterkt door:
~
te voorzien in een verbindende nationale regie en regionale verantwoordelijkheid voor deuitvoering (ministeriële stuurgroep met MP als voorzitter, V&W-bewindspersoon politiek
verantwoordelijk, de deltaregisseur voor samenhang en voortgang, regionale bestuurders
voor invulling en realisatie van de (afzonderlijke) regionale opgaven);
~
in de Tweede Kamer een permanente Themacommissie in te stellen.2. D e financiële middelen dienen zeker te worden gesteld door:
~
een Deltafonds op te richten onder beheer van de minister van Financiën;~
het Deltafonds te voeden met een combinatie van lenen, en storting van (een gedeelte vande) aardgasbaten;
~
als Rijk financiële middelen ter beschikking te stellen, en regels op te stellen vooronttrekking van financiële middelen uit het fonds.
3. E en
Deltawet moet de politiek-bestuurlijke organisatie en de zekerstelling van financiënverankeren binnen het huidige staatsbestel en de huidige wet- en regelgeving.
Hierin moet in ieder geval worden opgenomen het Deltafonds en de voeding ervan; taken
en bevoegdheden van de Deltaregisseur; de bepaling dat een
Deltaprogramma zal wordenopgesteld; regelingen voor strategische grondverwerving, schadevergoeding voor nadelen
en onttrekking geldelijke voordelen die ontstaan door realisatie van maatregelen uit het
Deltaprogramma
.Aanbeveling 9
Rivierengebied
Aanbeveling 10
Rijnmond
Aanbeveling 11
IJsselmeergebied
Aanbeveling 12
Politiek-bestuurlijk,
juridisch en financieel
Tot 2050
2050 - 2100
Tot 2050
Tot 2050
Na 2050
14
deltacommissie 2008samen
werken met water 15Voorwoord
5Samenvatting
91
. De opdracht 172
. De basis van het advies: uitdagingen en kansen 213
. Vanuit een samenhangende visie kansen creëren 374
. Werken aan de toekomst: mee-ontwikkelen met het klimaat 455
. Besluitvorming: van visie naar uitvoering 776
. Een toekomstvast advies: conclusies 87Bijlagen:
1 I nstellingsbesluit en samenstelling staatscommissie en secretariaat
1002 O verzicht achtergronddocumenten
1053 T oelichting op de door de Deltacommissie gebruikte klimaatscenario’s
1064 T oelichting op visie waterveiligheid
1185 E ilanden en kustriffen nader bezien
1256 L ijst van afkortingen en begrippen
1297 O verzicht geraadpleegde literatuur
131Figuur 1: Hoogteligging Nederland
in meters ten opzichte van het NAP
Inhoudsopgave
16
deltacommissie 2008samen
werken met water 17De Deltacommissie heeft de opdracht gekregen strategieën in beeld te
brengen voor een toekomstgerichte kustontwikkeling, voor de lange termijn
(
2100-2200), waarin naast veiligheid ook aandacht is voor de ruimtelijkekwaliteit. Het kabinet heeft de Deltacommissie daarbij uitgenodigd
nadrukkelijk te kijken naar innovatieve maatregelen om de kust te versterken
en de interactie met de verhoogde rivierafvoeren in de adviezen mee te nemen.
De commissie is daarnaast gevraagd een bredere afweging te maken dan één
die louter kijkt naar de gevolgen voor de veiligheid: waar is synergie mogelijk
tussen waterveiligheid en andere maatschappelijke functies als wonen en
werken, zoetwatervoorziening, natuur, recreatie, landschap, infrastructuur en
energie.
De ministerraad van
7 september 2007 heeft de opdracht aan de Deltacommissiein een instellingsbesluit vastgelegd (zie bijlage
1).Afbakening opdracht
Voor de geografische en inhoudelijke afbakening van haar opdracht heeft de
commissie zich de vraag gesteld: hoe ‘breed’ is de kust, zowel in fysieke zin als
waar het gaat om de samenhang met andere functies. De commissie ziet de kust
breed: zij omvat zowel de zee en de kustzone als het laaggelegen achterland,
inclusief de interactie met de rivieren en het IJsselmeer, en met inbegrip van
de interactie met grensoverschrijdende aspecten van rivieren en kustzone (zie
figuur
2). Deze breedte is noodzakelijk omdat het hydrologisch, ecologisch eneconomisch in hoge mate om één systeem gaat.
Voor de inhoudelijke afbakening sluit de commissie aan bij het in het
instellingsbesluit genoemde belang van de samenhang tussen waterveiligheid en
andere maatschappelijke belangen en waarden. ‘Waterveiligheid’ wordt door
de commissie daarom beschouwd als een integrale opgave, die de bescherming
tegen overstromen en wateroverlast omvat, maar ook het veiligstellen van
de zoetwatervoorziening en het behoud van estuaria. Het advies van de
commissie gaat vooral over het hoofdsysteem, maar hangt samen met en
werkt door naar de ruimtelijke inrichting van heel Nederland. De bestuurlijke
verantwoordelijkheden, het juridisch instrumentarium en de financiële
zekerstelling vormen dan ook een wezenlijk onderdeel van het advies.
1
De opdrachtFiguur 2: Onderscheid
naar regio’s in het advies
van de Deltacommissie
18
deltacommissie 2008De commissie aan het werk
De Deltacommissie bestaat uit negen leden: de heer prof. dr. C.P. (Cees)
Veerman (voorzitter), mevrouw ir. I.M. (Ineke) Bakker, de heer dr. J.J.
(Jaap) van Duijn, mevrouw prof. dr. ir. L.O. (Louise) Fresco, de heer ir. A.P.
(Andries) Heidema, de heer prof. dr. P. (Pavel) Kabat, mevrouw T. (Tracy)
Metz, de heer ing. Jac. G. (Koos) van Oord MBA en de heer prof. dr. ir. M.J.F.
(Marcel) Stive. De commissie is bijgestaan door een secretariaat onder leiding
van de secretaris van de commissie, de heer ir. B.W.A.H. (Bart) Parmet.
De commissie heeft tienmaal plenair vergaderd, waarvan enkele keren
meerdaags. Daarnaast zijn binnen de commissie subcommissies gevormd,
die zich hebben gericht op de uitwerking van specifieke onderdelen van de
opdracht: het fysisch systeem, de gebruiksfuncties, toekomstscenario’s, en
bestuurlijke, juridische en financiële aspecten.
Waterveiligheid is een onderwerp dat de hele samenleving raakt en waarbij
veel burgers zich persoonlijk betrokken voelen. De commissie heeft gemerkt
dat het gevoel van urgentie dat bij haarzelf leeft, breed wordt gedeeld. Zij heeft
zich door de opvattingen en creatieve ideeën van veel mensen uit verschillende
hoeken van de samenleving laten inspireren en verrijken. De commissie heeft
veel spontane reacties gekregen, waaruit blijkt dat de problematiek breed
gedragen wordt. Zij heeft zich op nationaal en regionaal niveau uitvoerig laten
informeren door bestuurders, maatschappelijke organisaties en experts over
de door hen onderkende opgaven en de bij hen levende ideeën. Zo kreeg de
commissie niet alleen een beeld van de uitdagingen op nationaal niveau, maar
ook een indruk van de uitdagingen, mogelijkheden en oplossingsrichtingen die
regionaal worden gevoeld en beleefd.
De commissie heeft workshops met deskundigen en
stakeholders georganiseerd,waarbij ook nadrukkelijk aandacht is gegeven aan
young professionals (hieruitis later een ‘jonge Deltacommissie’ ontstaan, zie het achtergrondrapport
met ideeën voortkomend uit dit initiatief). De internationale dimensie van
de opdracht heeft ertoe geleid dat er ook op verschillende niveaus met onze
buurlanden en de Europese Commissie
2 uitwisselingen van opvattingen, kennisen ideeën heeft plaatsgevonden tijdens bilaterale gesprekken, workshops en
werkbezoeken.
Daarnaast zijn een postbus en een website opengesteld en ook is enkele keren in
de pers aandacht gevraagd voor de vraagstukken waarover de commissie zich
heeft gebogen.
De commissie heeft haar analyses en aanbevelingen ook wetenschappelijk
onderbouwd en getoetst door bij experts, kennisinstituten, nationale planbureaus,
departementen, uitvoeringsorganisaties, enzovoorts te rade te gaan.
Voor een aantal meeromvattende vraagstukken is de benodigde informatie
aangereikt in de vorm van studies; deze zijn als achtergrondrapporten bij
het advies gepubliceerd (zie bijlage
2 voor een overzicht van de achtergrondrapporten).De commissie is alle personen en instanties die gevraagd en ongevraagd advies
hebben gegeven en hun kennis hebben gedeeld zeer erkentelijk voor hun inbreng
en betrokkenheid.
samen
werken met water 19Resultaat
Het advies reikt naar een verre toekomst, waarvan nog erg ongewis is hoe deze
eruit zal zien. Maar er moet nu al doelbewust naar die toekomst toe worden
gewerkt. De commissie levert daarvoor geen kant-en-klare blauwdruk, maar
wijst een duidelijke richting aan die ruimte laat voor nadere en latere invulling.
Zij doet voorstellen voor institutionele kaders die waarborgen bieden opdat de
noodzakelijke besluiten op tijd en op het juiste niveau genomen kunnen worden
en er voldoende middelen beschikbaar zijn voor de gevraagde investeringen. De
commissie is concreter in haar aanbevelingen voor de korte dan voor de lange
termijn. Daarmee wordt ruimte geschapen voor mogelijk afwijkende scenario’s
en toekomstverwachtingen.
Er zijn problemen en opgaven die we het hoofd moeten bieden, zeker, maar
bovenal zijn er kansen, mogelijkheden en nieuwe perspectieven.
2. D e Europese Commissie heeft adaptatie voor
klimaatverandering nadrukkelijk op haar agenda
staan. Op dit moment wordt een Witboek
voorbereid dat naar verwachting in het vierde
kwartaal van 2008 zal worden uitgebracht.
20
deltacommissie 2008samen
werken met water 21De kust, de ongeveer
350 kilometer lange strook waar zee en land samenkomenen in elkaar overgaan, is voor Nederland van onomstreden waarde; de
bescherming tegen hoogwater, ook vanuit de rivieren, van levensbelang.
3 Deleefbaarheid van onze delta is nooit vanzelfsprekend. Behoud en ontwikkeling
hiervan vereisen een continue inspanning, het werk is nooit af. Het realiseren
van deze opgave biedt grote kansen voor het creëren van extra ruimtelijke
kwaliteit.
De waarden van de delta
Direct achter de kust, in het laaggelegen deel van Nederland, wonen de meeste
mensen en ligt het zwaartepunt van de Nederlandse economie. In het deel van
Nederland dat door dijken en duinen langs de kust en de grote rivieren wordt
beschermd, wonen bijna
9 miljoen mensen en wordt ongeveer 65% van hetbruto binnenlands product verdiend.
4 De grote zee- en luchthavens, gelegenaan of nabij de Noordzee, vormen vitale knooppunten in de internationale
vervoernetwerken en zijn tegelijk belangrijke vestigingsfactoren voor industrie
en dienstverlening.
Dit zijn belangrijke redenen waarom Nederland hoge normen voor
bescherming tegen hoog water hanteert. De gevolgen van een overstroming
zijn in ons dichtbevolkte en intensief gebruikte land immers niet te overzien.
5In de
Voortgangsbrief Nationale Veiligheid 20086 zijn de ergst denkbareoverstromingsscenario’s door de minister van Binnenlandse Zaken en
Koninkrijkrelaties (BZK) gekwalificeerd als
‘zeer onwaarschijnlijk [maar met]catastrofale gevolgen voor Nederland’
. Zou zo’n catastrofe zich voordoen,dan zal deze niet alleen veel mensen treffen en tot ernstige maatschappelijke
ontwrichting leiden, maar ook onmiddellijk zware repercussies op de
investeringsbeslissingen van het internationale bedrijfsleven hebben.
De Noordzee, het Waddengebied en de Westerschelde vormen de meest
natuurlijke en dynamische ‘landschappen’ van Nederland. Landschapsvormende
processen kunnen hier vaak nog betrekkelijk ongestoord hun gang
gaan. Terecht is Nederland dan ook zuinig op de natuurlijke en landschappelijke
waarden van de kust – waarden die (inter)nationaal erkend en verankerd zijn,
onder meer door aanwijzing van grote delen van de kust als behorend tot de
Ecologische Hoofdstructuur
en vallend onder de Vogel- en Habitatrichtlijnen.De Noordzee, de Waddenzee, het IJsselmeer en de andere grote wateren
ontlenen hun betekenis in belangrijke mate aan de grote natuurwaarden die ze
herbergen als broed-, trek- en overwinteringsgebied van vogels, als leefgebied
voor zeezoogdieren, schelpdieren en waterflora en als kraamkamer voor vissen.
2
De basis van het advies:uitdagingen en kansen
Figuur 3: Resultaten van de tweede
veiligheidstoetsing van de primaire
waterkeringen, 2006
22
deltacommissie 2008Door het CBS is in 19971 een
schatting gegeven van het nationaal
vermogen. De uitkomst was dat het
nationaal vermogen vijf keer het
nationaal inkomen bedroeg. Hierbij
waren ecologische, landschappelijke
en culturele (LNC ) waarden niet in
beschouwing genomen. De CBSdefinitie
volgend zou het nationaal
vermogen op dit moment zo’n
2750 miljard euro bedragen2. Omdat
naar schatting 65% van dit vermogen
in overstroombaar gebied ligt, is het
vermogen dat potentieel bedreigd
wordt ordegrootte 1800 miljard euro.
Dit kan gezien worden als een indicatie
voor het ‘te verzekeren bedrag’ voor
waterveiligheid.
De potentiële economische schade
als gevolg van overstromingen is door
RIVM (2004) voor alle dijkringen samen
geschat. De middenwaarde tussen
de schattingen van de onder- en
bovengrenzen van de schade is het
hoogst voor Zuid- en Noord-Holland,
Friesland en Groningen en enkele
dijkringgebieden langs Rijn en Maas:
tussen de 10 en 50 miljard euro per
dijkringgebied.
Nieuwe berekeningen tonen aan dat in
de praktijk de (grote) dijkringgebieden
nauwelijks of nooit helemaal zullen
vollopen, waardoor verschillen in de
locatie waar de dijk doorbreekt tot
grote verschillen in de economische
schade leiden. De omvang van
de schade die een overstroming
veroorzaakt, is onder meer afhankelijk
van de grootte van het ondergelopen
gebied, de waterdiepte in het
ondergelopen gebied en de duur
van de overstroming. Uitgaand van
differentiatie van de waterdieptes per
dijkring (zie ministerie BZK, 2008:
www.risicokaart.nl), en rekening
houdend met het overstroomde
oppervlak per dijkring, hebben Aerts
et al (2008) de potentiële economische
schade als gevolg van overstromingen
voor alle dijkringen samen nu op
ongeveer 190 miljard euro geraamd.
Het betreft hier een combinatie van
directe en indirecte schade. Voor 2040
neemt - bij een zeespiegelstijging van
24 tot 60 cm - de potentiële schade toe
tot ongeveer 400 à 800 miljard euro als
er geen maatregelen worden genomen.
Bij 150 cm zeespiegelstijging in 2100
kan, als er geen maatregelen worden
genomen, de potentiële schade
oplopen tot 3700 miljard euro.
De bepalende factoren voor het
berekenen van de toekomstige
potentiële schade zijn de economische
groei in combinatie met de indirecte
schade. De methodieken om deze
berekeningen uit te voeren, gaan nog
met veel onzekerheden gepaard.
Aanvullend onderzoek moet beter
inzicht geven in de mogelijke omvang
van indirecte schade als gevolg van
een overstroming, bijvoorbeeld door
bedrijfsuitval, stagnatie van toelevering
van goederen, etc.
Vóór de ramp met de orkaan Katrina
in New Orleans werd de potentiële
schade daar op 16,8 miljard US$
geschat. Na de ramp blijkt alleen
de directe schade aan woningen,
overheidsgebouwen en publieke
infrastructuur al 27 miljard US$ te
bedragen3.
1. Van Tongeren en Van de Ven,
De Nationale Balansen de Overheidsbalans,
1997.2. Bruto Nationaal Product van Nederland in 2007 was
550 miljard euro.
3. I nteragency Performance Evaluation Taskforce
(IPET).
Evaluation of the New Orleans and SoutheastLouisiana Hurricane Protection System.
Vol 1 –Executive summary and Overview, 2008.
Potentiële economische schade
New Orleans
samen
werken met water 23Kortom: onze delta - de kust en haar achterland - herbergt een grote rijkdom
aan economische, ecologische en maatschappelijke waarden; een rijkdom
waarvan het ondenkbaar is dat Nederland deze zou willen prijsgeven.
Het water dringt op
De veiligheidsopgave is nu al urgent op een groot aantal plaatsen en zal met
een hogere zeespiegel, een grotere variatie in rivierafvoeren, en een groeiend
beschermwaardig belang alleen nog maar groter worden.
De huidige Nederlandse veiligheidsnormen zijn afgeleid van het werk van
de vorige Deltacommissie en dateren uit de jaren zestig. Sindsdien zijn de
te beschermen belangen enorm toegenomen: actualisering van de normen
van de vorige Deltacommissie levert voor meerdere dijkringen hogere
beschermingsniveaus op.
7 Maar op de laatste peildatum (1 januari 2006)voldeed
24% van onze waterkeringen niet aan de geldende (gedateerde) normenen voor
32% van de waterkeringen kon hierover geen uitspraak wordengedaan, zie figuur
3.8 Uit deze rapportage blijkt verder dat van de onderzochtekunstwerken
22% de score ‘voldoet niet’ krijgt, 49% daarvan krijgt ‘geenoordeel’. Bovendien is het van belang dat wij ons realiseren dat er voor de
afzienbare toekomst in de laaggelegen delen van Nederland op grote schaal
nieuwe investeringen in woon- en werklocaties, en infrastructuur zijn voorzien.
9Er liggen daardoor tegelijkertijd op de korte termijn al veel uitdagingen om
kansen te benutten.
Klimaatscenario’s 2006
Dát de aarde opwarmt, deels als gevolg van de toenemende emissie van
broeikasgassen, en dat deze opwarming gevolgen zal hebben voor de
zeespiegelhoogte en voor het weer, is inmiddels vrijwel onomstreden. Wel
is er nog veel onzekerheid over de mate waarin en de snelheid waarmee
klimaatverandering plaatsvindt en over de omvang van de consequenties ervan.
Het KNMI hanteert voor Nederland
4 scenario’s, die variëren voor watbetreft de gemiddelde temperatuurstijging en luchtcirculatiepatronen.
10In de onderscheiden scenario’s stijgen in Nederland de gemiddelde zomeren
wintertemperaturen van enkele graden tot
4 °C in het jaar 2100. Dedroogteproblematiek neemt door een hogere verdamping en veranderde
neerslagpatronen toe.
11Het KNMI heeft in
2006 een tweetal scenario’s voor de zeespiegelstijging voorde Nederlandse kust uitgewerkt. In een ‘lage temperatuur scenario’ (‘gematigd’-
scenario) wordt uiteengegaan van een temperatuurstijging van
2 °C in 2100, ineen ‘hoog scenario’ (‘warm’-scenario) met
4 °C temperatuurstijging in 2100.12Dit resulteert in een zeespiegelstijging van
15 tot 35 cm in 2050 en 35 tot85
centimeter in 2100. In beide gevallen wordt hierbij geen rekening gehoudenmet autonome bodemdaling en is als referentie het jaar
1990 aangehouden (ziefiguur
4).De Deltacommissie wil haar advies baseren op de meest recente wetenschappelijke
inzichten ten aanzien van een plausibele bovengrens voor de
mondiale en regionale zeespiegelstijging, verandering van de stormcondities
boven de Noordzee en neerslagveranderingen die leiden tot veranderingen
in afvoeren van grote rivieren. De commissie heeft daarom aanvullend
24
deltacommissie 2008Er is een verband tussen wereldwijde
temperatuurstijging en de verwachte
stijging van de zeespiegel. De toename
van de temperatuur wordt veroorzaakt
door emissies van broeikasgassen,
met als belangrijkste bron het gebruik
van de fossiele brandstoffen. Op dit
moment ligt de concentratie van CO2
in de atmosfeer rond 385 ppm. Hoe
zich deze concentratie in de toekomst
gaat ontwikkelen, hangt mede af van
toekomstige sociaal-economische
ontwikkelingen, politieke afspraken en
van terugkoppelingen in het fysieke
klimaatsysteem. Een temperatuurstijging
van rond 6 °C in 2100 zal volgens
het IPCC kunnen optreden als de
atmosferische CO2-concentratie rond
2100 toeneemt tot een waarde van rond
de 750 ppm.
Het A1FI-scenario van IPCC, dat de
Deltacommissie heeft gebruikt als
randvoorwaarde voor berekeningen/
schattingen van enkele belangrijke
componenten van zeespiegelstijging
in 2100/2200, geeft een goed beeld
van algemene sociaal-economische
ontwikkelingen die tot een dergelijke
toename zouden kunnen leiden.
De belangrijkste reden waarom dit
scenario tot heel hoge emissies leidt,
is dat de investeringen in nieuwe
technologie zich concentreren op
fossiele energie als de drijvende kracht
van de wereldeconomie, inclusief het
gebruik van de overvloedig aanwezige
kolenvoorraden en onconventionele
olievoorraden in teerzanden en
olieschalies, met hoge CO2-emissies
per eenheid energieverbruik. Het effect
hiervan op emissies is groter dan dat
van verbeteringen van de energieefficiëntie.
Dat dit scenario realistisch is,
mag blijken uit het feit dat de werkelijke
emissies sinds 2000 in lijn zijn, of zelfs
hoger uitkomen dan deze IPCC A1FIscenario’s1.
Tegelijkertijd moet worden
aangetekend dat de verbeteringen in het
reduceren van CO2-emissies bij gebruik
van kolen als ook de CO2-opslag zich snel
ontwikkelen. Op dit moment is het moeilijk
om het totale effect van technologische
verbeteringen aan te geven.
Volgens het Klimaatverdrag van
UNFCC moeten de concentraties
van broeikasgassen in de atmosfeer
worden gestabiliseerd op een niveau dat
natuurlijke aanpassing van ecosystemen
en duurzame ontwikkeling mogelijk
laat en de voedselproductie niet in
gevaar brengt. Er is op dit moment
geen politieke overeenstemming over
het bijbehorende stabiliseringniveau,
maar de Europese Unie heeft als doel
van klimaatbeleid afgesproken dat de
mondiale temperatuur wereldwijd (ten
opzichte van het pré-industriële niveau)
met niet meer dan 2 oC mag stijgen. Dit
komt overeen met een stabiliseringniveau
van tussen 450 ppm en 550 ppm CO2 in
2100 en vereist volgens de huidige stand
van de kennis enorme inspanningen tot
mondiale emissiereducties in 2100 in de
orde van 80% ten opzichte van het jaar
2000. Ter vergelijking: het Kyotoprotocol
beoogt een gemiddelde mondiale
reductie in 2012 van 5,2% ten opzichte
van de emissieniveau in 1990.
1. Raupach, M. et al. Global and regional drivers of
accelerating CO2 emissions. Proceedings of the
National Academy of Sciences of the United States
of America. Vol. 104, no. 24, 2007.
Broeikasgassen, temperatuurstijging en zeespiegel
Figuur 4: Scenario’s voor
zeespiegelstijging. De verwachte
toename zeespiegel voor de
Nederlandse kust in 2050, 2100 en
2200 (referentiejaar is 1990, effecten
van de bodemdaling zijn in de grafiek
niet meegenomen)
samen
werken met water 25onderzoek laten uitvoeren om de recentste informatie over klimaatscenario’s
systematisch in kaart te brengen (zie bijlage
3). Een twintigtal vooraanstaandenationale en internationale klimaatdeskundigen, waaronder enkele auteurs
van het Intergovernmental Panel on Climate Change (IPCC), heeft daartoe in
opdracht van de Deltacommissie aanvullende scenario’s gemaakt op de IPCC
2007
- en KNMI 2006-scenario’s voor 2100. Hierbij is voor de beschouwingvan scenario’s voor zeespiegelstijging onder meer gebruik gemaakt van de
temperatuurstijging zoals die wordt berekend door IPCC op basis van het
hoogste emissiescenario van het IPCC aangeduid als A
1FI (zie kader). Tevenszijn er schattingen gemaakt van mogelijke klimaatontwikkelingen in het jaar
2200
. Hieruit kunnen de volgende conclusies getrokken worden.13Hogere zeespiegel
De afgelopen
100 jaar is de zeespiegel langs de Nederlandse kust met ca.20
cm gestegen ten opzichte van het NAP. Volgens de IPCC 2007-rapportagemoet er wereldwijd in
2100 rekening gehouden worden met temperaturendie tot
1,5 tot 6 °C hoger kunnen liggen dan nu. In combinatie met andereaannames gemaakt voor deze scenario’s, betekent dit dat er aan het einde van
deze eeuw bij een temperatuurstijging van
6 °C, een zeespiegelstijging van0
,55 tot 1,20 meter kan optreden.14 De gemiddelde autonome bodemdalinglangs de kust van Nederland, veroorzaakt door glaciale isostatie en compactie
van de ondergrond
15, bedraagt ruim 10 cm tot 2100.16 Per saldo betekent ditvoor Nederland een (relatieve) ‘zeespiegelstijging’ van
0,65 tot 1,30 meter in2100
.17Voor
2200 moet volgens het voor de Deltacommissie verrichte onderzoekwereldwijd rekening gehouden worden met een maximale zeespiegelstijging
van
1,5 tot 3 meter, afhankelijk van de gehanteerde methode; lokaal kan ditoplopen tot
2 tot 4 meter.18 Maar de onzekerheden over de klimaatontwikkelingen over de ontwikkeling van het landijs op Groenland en Antarctica zijn op
deze lange termijn dermate groot dat een vertaling van dit bovenscenario naar
de Nederlandse kust uitsluitend als indicatief beschouwd moet worden. Tot
2100
zijn scenario’s betrouwbaarder vanwege de kennis over het huidige tempovan zeespiegelstijging en het feit dat een grote versnelling van dit tempo op
een tijdschaal van enkele tientallen jaren onwaarschijnlijk is. Voorbij het jaar
2100
is deze betrouwbaarheid veel minder. Wel kan in algemene zin verwachtworden dat de zeespiegel in
2200 in elk geval hoger zal staan dan in 2100 endat dit proces als gevolg van het lang doorwerkende effect van hogere gehaltes
broeikasgassen in de atmosfeer ook nog lang daarna kan doorgaan.
19De Deltacommissie concludeert dat volgens de jongste inzichten de bovengrens
voor zeespiegelstijging in
2100 dus hoger kan uitvallen dan tot voor kort werdaangenomen. Naarmate de inzichten zich verder ontwikkelen, blijkt er een
opgaande trend in de schattingen waarneembaar.
Voor
2050 hanteert de Deltacommissie de KNMI 2006-scenario’s voor dezeespiegelstijging. Met een gemiddelde bodemdaling van ongeveer
5 cm tot dietijd is de relatieve zeespiegelstijging dan
0,20 tot 0,40 m.De maatregelen die op basis van KNMI
2006-scenario’s zijn ontwikkeld,behoeven op dit moment voor de korte termijn nog niet herzien te worden.
Maar er is, gelet op de trend van de schattingen, wel reden de voorgenomen
maatregelen tijdig, onverkort en toekomstvast uit te voeren. Het is zaak de
26
deltacommissie 2008kennis over de ontwikkeling van de zeespiegel goed op peil te houden en het
beleid steeds aan de laatste inzichten te toetsen en aan te passen, met andere
woorden het is zaak
adaptief beleid te voeren.Voor een klimaatbestendige strategie voor de waterveiligheid moet rekening
worden gehouden met de mogelijkheid dat dergelijke hoge stabiliseringniveaus
niet gehaald worden. Ook als het lukt de concentraties van broeikasgassen op
ongeveer
750 ppm te stabiliseren, zullen mondiaal de gemiddelde temperaturenna
2100 boven de 6 °C kunnen stijgen; een niveau dat de Deltacommissie alsmogelijke bovengrens voor het einde van deze eeuw hanteert.
Groeiend zandtekort
Voor de Nederlandse delta betekent de relatieve zeespiegelstijging -geologisch
gezien- dat er voortdurend behoefte is aan afzetting van zand: blijft de aanvoer
van zand achter dan ontstaat er een zandtekort. De Nederlandse kust ontvangt
vandaag de dag netto vrijwel geen zand meer vanuit de zee en rivieren. Het
zandtekort in het samenhangende systeem van Noordzeekust, Waddenzee,
Wester- en Oosterschelde groeit hierdoor.
20Wind en storm
De klimaatmodellen laten een lichte toename van de hoogste daggemiddelde
windsnelheid per jaar zien. De sterkte van de zware stormen, voornamelijk
uit zuidwestelijke richtingen, die minder dan eens per jaar voorkomen, neemt
boven Noordwest-Europa eveneens licht toe.
Voor de periode na
2100 kunnen op basis van de beschikbare modellen en dataop dit moment geen duidelijke uitspraken worden gedaan. Nader onderzoek
op basis van bestaande tijdreeksen en met projecties waarbij gebruikt
wordt gemaakt van de data gegenereerd door meervoudige applicaties van
verschillende (klimaat)modellen, wordt door de commissie zinvol geacht.
Meer water door Rijn en Maas
De temperatuurstijging en veranderde luchtcirculatie leiden in de genoemde
KNMI-scenario’s uit
2006 voor de Rijn tot afnemende zomer- en toenemendewinterafvoeren. Voor de zomer kan de gemiddelde Rijnafvoer van
1700 m3/snu, afnemen tot
700 m3/s in 2100. In de winter kunnen hoge rivierafvoeren dienu nog als zeldzaam gelden, normaal worden. Zo is er nu nog een kans van
1
/50 per jaar dat de in 1995 opgetreden afvoer van 12.000 m3/s plaatsvindt,maar die kans neemt toe tot
1/10 per jaar in 2100. Als gevolg daarvan stijgtook de afvoer die bij de kans van
1/1250 per jaar behoort (de maatgevendeafvoer, bij Lobith), van
16.000 m3/s nu, naar 17.000 tot 22.000 m3/s in 2100.21De onzekerheden zijn dus nog erg groot. Voor de periode
2100–2200 kan metde beschikbare klimaatmodellen geen zinvolle invulling van scenario’s worden
gegeven.
Bij extreem hoge rivierafvoeren zullen in Duitsland grootschalige overstromingen
optreden: de hoogte van de waterkeringen is daar zodanig dat bij
afvoeren vanaf ca.
14.000 m3/s grootschalige overstromingen optreden. In eengezamenlijke studie van Rijkswaterstaat, de provincie Gelderland en Nordrhein-
Westfalen is berekend dat voor de Rijn bij Lobith bij een potentiële afvoer van
19
.000 m3/s, die volgens klimaatveranderingsscenario’s denkbaar is in 2050,de top die uiteindelijk Nederland bereikt
16.000 m3/s is. In een klimaatscenariovoor
2100 waarbij er genoeg regen valt voor potentieel 22.000 m3/s zou eensamen
werken met water 27maximale afvoer van afgerond
18.000 m3/s optreden. Hierdoor is dus sprakevan een bovengrens in de afvoer die Nederland kan bereiken van
18.000 m3/s.De maatgevende afvoer van de Maas is gebaseerd op een kans van
1
/1250 per jaar en bedraagt nu bij Borgharen 3.800 m3/s. Klimatologischeveranderingen kunnen rond
2050 en 2100 tot een maatgevende afvoervan
4.200 respectievelijk 4.600 m3/s22 leiden. Het is niet aannemelijk datmaatregelen in Frankrijk, België en Duitsland tot substantiële afname van de
toekomstige maatgevende afvoer van de Maas zullen leiden.
23Rekening houden met de (plausibele) bovengrens van klimaatscenario’s
Het is niet waarschijnlijk dat de geschetste maximale waarden in de genoemde
jaren daadwerkelijk overschreden worden. Belangrijker vindt de commissie dat
de trend onmiskenbaar is: de zeespiegel zal stijgen, ook al is nu nog niet met
zekerheid te voorspellen op welk moment tot welk niveau. Zeker is wel dat de
eerste problemen in ons watersysteem zich al voordoen ruimschoots voordat de
maximaal voorspelde stijgingen van zeespiegel en rivierafvoeren optreden. De
besluiten die worden genomen en de maatregelen die worden getroffen, moeten
houdbaar zijn tegen de achtergrond van wat Nederland mogelijk te wachten
staat. Voorkomen moet worden dat toekomstige generaties voor voldongen
feiten worden geplaatst als de gevolgen van klimaatverandering groter zijn
dan we nu willen en kunnen onderkennen. De Deltacommissie houdt daarom
rekening met de bovengrenzen van klimaatscenario’s en de effecten voor
zeespiegel en rivierafvoer, zoals hierboven is beschreven.
Hogere temperaturen en zoetwatertekorten
Wanneer de zeespiegel stijgt en het zoute water verder landinwaarts de rivieren
oprukt en de bodem binnendringt, komt de zoetwatervoorziening in het
westen van het land in gevaar. De land- en tuinbouw en andere economische
sectoren zullen de schade hiervan ondervinden. Het gaat om twee bedreigingen:
verzilting en - in warme, droge zomers – een tekort aan beschikbaar zoet water.
In het ‘extreemste’ KNMI-scenario kan er rond de volgende eeuwwisseling in
een gemiddeld jaar een watertekort ontstaan vergelijkbaar met het tekort in
het droogste jaar tot op heden,
1976. Door dit watertekort kunnen landbouw,natuur en scheepvaart significante schade oplopen.
24Hogere temperaturen en de genoemde bedreigingen voor de zoetwatervoorziening,
leiden ertoe dat de omstandigheden voor dier- en plantsoorten in
Nederland zo sterk zullen veranderen dat onze natuur naar verwachting (deels)
een geheel ander karakter krijgt. Sommige soorten en bepaalde ecosystemen
kunnen zich onder de veranderende omstandigheden niet handhaven; andere
soorten, die hier in het verleden niet konden gedijen, zullen zich juist in onze
regionen kunnen en willen vestigen. Dit zal consequenties voor het natuurbeleid
moeten hebben; een beleid gericht op de bescherming van nu voorkomende
soorten zal onder invloed van de klimaatverandering vermoedelijk niet vol te
houden noch wenselijk zijn.
Ook de land- en tuinbouw zal met veranderingen te maken krijgen door
de hogere temperaturen, wisselende beschikbaarheid van zoet water of het
voorkomen van zout in de bodem en het grondwater. Klimaatverandering
is voor de voedselproductie niet per se een bedreiging. Integendeel: er
ontstaan ook nieuwe kansen voor Nederland om ook op de lange termijn
een belangrijke voedselleverancier te blijven, mits voldoende geïnvesteerd
28
deltacommissie 2008samen
werken met water 29wordt en de agrarische wetenschap er in slaagt om tijdig de kennis en kunde
te ontwikkelen die nodig zijn om adequaat in te spelen op veranderende
productieomstandigheden.
Door de hoge temperaturen kunnen waterkwaliteitsproblemen optreden. Door
de uitvoering van de
Europese Kaderrichtlijn Water zullen de randvoorwaardenvoor een goede waterkwaliteit, ook met een hogere temperatuur, aanzienlijk
verbeteren. Dat levert daarmee een goede basis voor klimaatbestendigheid op
dit punt. Bij hogere temperaturen wordt koelwater voor energieopwekking een
groter probleem. De sector heeft echter voorzieningen getroffen om hier op
korte termijn zo goed mogelijk mee om te kunnen gaan.
Nederland niet ingericht op klimaatverandering
De klimaatverandering stelt Nederland voor grote aanpassingsopgaven die
niet zonder consequenties kunnen blijven voor de inrichting van ons land. De
ruimtelijke ordening zal moeten inspelen op de andere leefomstandigheden die
voor mens en natuur ontstaan; ook in tijden van klimaatverandering moet
ons land aangenaam bewoonbaar blijven. Dit betekent dat er onder alle omstandigheden
ruimte moet zijn voor wonen, werken, verplaatsen, voedselproductie,
energieopwekking, recreatie, natuur, etc.; waar mogelijk door deze
functies op een slimme manier met elkaar te combineren. Water is daarbij een
belangrijk ordenend principe; in de toekomst zal dit nog sterker het geval zijn.
Als geen aanvullende maatregelen worden genomen, zullen de overstromingskansen
toenemen en komt de zoetwatervoorziening onder druk te staan. Hierbij
is het besef van de samenhang tussen de verschillende elementen van het watersysteem
wezenlijk: in onze waterrijke delta hangt alles met alles samen. De
figuren
5 en 6 geven een beeld van de consequenties voor het watersysteem in2050
respectievelijk 2100. Als de stroom van de Rijn aanwast, zal de capaciteitvan de Waal en/of van de IJssel vergroot moeten worden. Meer rivierwater in
combinatie met zeespiegelstijging heeft consequenties voor de bescherming
tegen hoogwater van ‘kritische’ plaatsen, zoals de Drechtsteden en Rotterdam,
maar ook voor de inrichting van het rivierengebied (waar is bijvoorbeeld nog
woningbouw mogelijk en in welke vorm) en voor de berging van zoet water
in het IJsselmeer en eventueel in de Zeeuwse en Zuid-Hollandse delta. Stijging
van de zeespiegel dwingt tot aanpassing van de grote waterkeringen. Zulke
aanpassingen blijven niet zonder gevolgen voor de natuurlijke processen in en
ecologische waarden van de estuariene milieus. Zij werken daarnaast door naar
de economische sectoren die van deze milieus afhankelijk zijn (toerisme, visserij,
etc.).
Bij het ontwerp van de stormvloedkeringen in Oosterschelde en Nieuwe
Waterweg is destijds rekening gehouden met een zeespiegelstijging van
respectievelijk
20 en 50 cm per eeuw.25 Als de zeespiegel daar overheengaat, moeten deze stormvloedkeringen vervangen of aangepast worden. De
sluitfrequentie van de Maeslantkering (Nieuwe Waterweg) kan tussen de
jaren
2050 en 2100 veel hoger worden dan de veronderstelde frequentie vaneens in de
10 jaar. Bij een zeespiegelstijging van 85 cm zal de Maeslantkeringongeveer
3 maal in het jaar gesloten worden en bij een stijging met 1,3 meterneemt de sluitfrequentie toe tot zo’n
7 maal per jaar. Als een sluiting samenvaltmet een hoge rivierafvoer, betekent dit dat het rivierwater tijdelijk niet vrij kan
Figuur 5: Gevolgen van
zeespiegelstijging en veranderde
rivierafvoeren voor het Nederlandse
watersysteem in 2050
30
deltacommissie 2008samen
werken met water 31afstromen en zich landwaarts van de gesloten kering ophoopt.
26 Gevolg is datde frequentie toeneemt waarmee buitendijks gebied overstroomt. Ook groeit
het oppervlak dat dan onder water komt te staan. Verder zullen, wanneer
aanpassingen aan de waterkeringen uitblijven, de overstromingskansen
in Rijnmond en in de omgeving van Dordrecht stijgen: elke
40 tot 60 cmzeespiegelstijging zorgt in deze regio voor een vertienvoudiging van die
overstromingskans.
27Het huidige rivierverruimingsprogramma van de Rijntakken is gericht op
een afvoercapaciteit van
16.000 m3/s en kan met extra maatregelen (langetermijnvisieRuimte voor de Rivier
) vergroot worden tot 18.000 m3/s. Het isbelangrijk dat deze capaciteitsvergroting daadwerkelijk gerealiseerd wordt. De
Maasafvoer kan toenemen tot
4.600 m3/s; aanvullende maatregelen ten opzichtevan
de Maaswerken (Integrale Verkenning Maas) zijn nodig om die afvoer tekunnen verwerken.
Lagere rivierafvoeren in de zomer kunnen problemen voor de zoetwaterinname
en de landbouw opleveren. Naar verwachting zal de zoetwaterinname in
2050in het meest extreme scenario voor de waterinnamepunten bij Bernisse (nabij
Hellevoetsluis/Spijkenisse) en bij Gouda al bijna de helft van het jaar gestaakt
moeten worden.
28 Het proces van verzilten van het grondwater is eeuwengeleden in gang gezet door inpolderingen en droogmakerijen en gaat tot op de
dag van vandaag gestaag door. Een hogere zeespiegelstand ten opzichte van het
land betekent dat zoute kwel zal toenemen.
Door een hogere zeespiegel moet polder- en boezemwater over een steeds
grotere hoogte weggepompt worden naar de Noordzee of de daarmee in
verbinding staande zeearmen en estuaria. Daar komt bij dat naar verwachting
vaker hogere piekneerslagen zullen optreden. Deze combinatie van ontwikkelingen
leidt tot een toenemende behoefte aan waterberging en pompcapaciteit.
29Vanaf
2050 komt spuien onder vrij verval vanuit het IJsselmeer in gevaar. Eencombinatie van pompen en/of peilopzet, is dan nodig.
Voor de Oosterschelde is berekend dat wanneer er geen maatregelen worden
genomen, het areaal slikken en schorren (kwelders) dramatisch zal afnemen.
Oorzaak hiervan is de aanleg van de stormvloedkering, waardoor dit estuarium
voor sedimenttransport praktisch van de zee is afgesloten. De verwachte zeespiegelstijging
versterkt dit proces. Zonder ingrijpen zullen over enkele decennia
de platen en slikken in de Oosterschelde naar verwachting gehalveerd zijn:
van ruim
11.000 ha in 1986 tot ongeveer 5.000 ha in 2045 (en ca. 1.500 hain
2100). Schorren zijn in 2050 dan alleen nog op beschutte locaties in deOosterschelde te vinden.
30Door de zeespiegelstijging zal het natuurlijk karakter van de Waddenzee
veranderen. Aangenomen wordt dat met het natuurlijke sedimenttransport
(de instroom van zand- en slibhoudend vloedwater) intergetijdengebieden
een zeespiegelstijging van
30 tot 60 cm per eeuw kunnen bijhouden. Hoegroter het getijdengebied, hoe groter de sedimentbehoefte en hoe kleiner de
zeespiegelstijging die op natuurlijke wijze kan worden bijgehouden. Over de
afgelopen eeuw bedroeg de zeespiegelstijging ca.
20 cm. Bij een snellere stijgingdan
30 tot 60 cm per eeuw, mogelijk vanaf 2050-2100, is het waarschijnlijkdat de intergetijdengebieden in de relatief grote, meest westelijke delen van
Figuur 6: Gevolgen van
zeespiegelstijging en veranderde
rivierafvoeren voor het Nederlandse
watersysteem in 2100
32
deltacommissie 2008Op basis van het MNP-rapport*
kan ten aanzien van demografie en
economie voor het Nederland van over
ongeveer een halve eeuw het volgende
beeld worden geschetst. Voor wat
betreft de bevolkingsomvang wordt
uitgegaan van een bandbreedte van
15 miljoen inwoners in 2050 in het
laagste bevolkingsscenario (Regional
Communities) tot boven de 20 miljoen
in het scenario met de hoogste
bevolkingsgroei (Global Economy). De
verwachting is dat na 2035 de bevolking
alleen in en om de grote steden in West-
Nederland nog licht zal blijven groeien
(behalve in het Regional Communities
scenario, daarin daalt het). Binnen de
Randstad groeit de Noordvleugel sneller
dan de Zuidvleugel. Tegelijk vindt er
groeiende migratie plaats vanuit de
Randstad naar aangrenzende regio’s
als de Kop van Noord-Holland, West-
Brabant, Flevoland en Gelderland.
Met name in de steden zal de trend
aanhouden dat huishoudens gemiddeld
steeds kleiner worden; het aantal
huishoudens stijgt naar verwachting
van 7,1 miljoen nu tot 8,1 miljoen in
2035. Tot 2040 zullen er in Nederland
nog tussen de 500.000 en 1.500.000
woningen worden bijgebouwd. Door
toenemende welvaart, individualisering
en diversificering binnen de samenleving,
worden steeds hogere en steeds
gevarieerdere eisen gesteld aan de
leefomgeving.
Volgens de gehanteerde scenario’s ligt
het BBP per hoofd van de bevolking
in 2040 tussen 30% en 120% hoger
dan nu. De Randstad zal van de
economische groei van Nederland naar
verwachting meer dan de helft voor zijn
rekening nemen. Door welvaarts- en
bevolkingsgroei neemt de potentiële
schade door overstromingen in dit deel
van Nederland dus sterk toe).
Door ontwikkelingen op de wereldmarkt,
wordt de laagwaardige industriële
productie (de ‘maakindustrie’) steeds
meer naar elders (China, India,
Brazilië, Oost-Europa) verplaatst. Ook
dienstverlening en R&D verplaatsen
zich naar buiten de EU. Nederland, de
Randstad in het bijzonder, zal het in
toenemende mate moeten hebben van
de kenniseconomie en de ontwikkeling
van hoogwaardige technologieën.
Nieuwe opkomende bedrijvigheid
zijn de culturele productie en de
creatieve economie. Groei is er ook
in de commerciële dienstensector en
in de gezondheids- en welzijnszorg.
De betekenis van de grondgebonden
landbouw zal in de Randstad afnemen.
*Bron: Milieu en Natuur Planbureau. Nederland Later.
Tweede Duurzaamheidsverkenning, deel Fysieke
leefomgeving Nederland. Den Haag, 2007.
Nederland Later
Woningen aan het water in Lelystad
samen
werken met water 33de Waddenzee (het eerst) de zeespiegelstijging niet bij kunnen houden en hun
huidige vorm gaan verliezen. Dit zal ook gebeuren met de buitendijkse kwelders
van de Waddeneilanden.
Nederland ooit
De maatschappelijke, sociaal-economische en demografische ontwikkelingen
en de verdere groei en verdeling van de welvaart zijn op de lange termijn van
minstens zo’n grote betekenis als de fysieke uitdagingen voor de waterveiligheid.
Maar prognoses voor een dergelijk verre tijdshorizon (
2100-2200) zijn perdefinitie zeer onzeker. We hoeven slechts in gedachten terug te gaan naar
het jaar
1900 of 1800 om de hachelijkheid in te zien van een poging ons eenvoorstelling te maken van hoe de wereld er over
100 of 200 jaar uit zou kunnenzien. Hadden we de grootvaders van onze grootmoeders kunnen uitleggen hoe
het is te leven in een wereld met gemotoriseerd wegverkeer, trans-Atlantische
luchtverbindingen, elektriciteit, ruimtevaart, ICT en gentechnologie?
Tot ongeveer
2040 zijn door verschillende instanties in binnen- en buitenland,waaronder de Nederlandse planbureaus, scenario’s ontwikkeld. Voor de verdere
toekomst neemt de mate van onzekerheid zienderogen toe. De commissie heeft
zich van verschillende zijden laten adviseren over mogelijke toekomstscenario’s
voor de langere termijn. De Deltacommissie ziet ruimtedruk en bereidheid tot
investeren als de dominante variabelen voor de lange termijn. De ruimtedruk
bepaalt hoe gemakkelijk er fysieke oplossingen voor waterveiligheid gevonden
kunnen worden en in hoeverre er behoefte is aan multifunctionele oplossingen.
De bereidheid tot investeren is de resultante van de maatschappelijke
afwegingen die anno
2100 of 2200 worden gemaakt, maar zal hoe dan ooksterk afhangen van de stand van de economie en van het welvaartspeil dat we
op dat moment genieten.
Behalve op ruimtedruk en investeringsbereidheid, wijst de commissie ook
op het belang van de mate waarin grensoverschrijdend -met name met
Duitsland- wordt samengewerkt, en de technologische ontwikkelingen. De
verschillende oplossingsrichtingen die de commissie aanbeveelt, zullen op hun
toekomstvastheid worden getoetst.
34
deltacommissie 20083. Nederland wordt door in totaal 3600 km
primaire keringen tegen overstromingen
beschermd; meer dan driekwart hiervan
(2767 km) zijn zgn. a-keringen: primaire
waterkeringen die behoren tot stelsels
die dijkringgebieden omsluiten en direct
buitenwater keren. Bron:
Toekomst voor hetpolderconcept
, blz. 5.4. Brief staatssecretaris van V&W over de Voortgang
van de verkenning Waterveiligheid
21ste eeuw (WV21). Tweede Kamer 2006-2007,
27 625, nr. 79.
5. De gevolgen van de overstroming van
Zuidwest-Nederland van 1 februari 1953
waren 1836 slachtoffers, 100.000 evacués,
ruim 1,5 miljard gulden schade en een periode
van 1 jaar voordat ondergelopen gebieden
weer drooggepompt waren.
6. Tweede Kamer 2007-2008, 30 821, nr. 6.
7. Kind, J.
Kengetallen kostenbaten analysesWaterveiligheid 21e Eeuw
. Eindconcept april2008. Rijkswaterstaat Waterdienst.
8.
Primaire waterkeringen getoetst. Landelijkerapportage toetsing 2006 (Inspectie Verkeer
en Waterstaat, Lelystad, 2006).
9. I n de Randstad zullen er naar verwachting van
CBS, CPB en RPB tot 2030 circa 400.000
woningen bij komen. Op nationale schaal
heeft het rijk voor de periode tot 2020 alleen
al in de categorie ‘transport en vervoer’
ruimtelijke investeringen ter waarde van bijna
90 miljard euro ingeboekt. Investeringen
in bijvoorbeeld waterbeheer, stedelijke- en
plattelandsgebieden en energie, die ook in de
miljarden lopen, komen daar nog bij. Bron:
Kennis voor een KlimaatBestendig Nederland
(KBN)
. Een voorstel voor een Kennisprogrammain het kader van de FES investeringsronde
(april 2006).
10.
KNMI Climate Change Scenarios 2006 forthe Netherlands
. KNMI Scientific Report WR2006-01.
11. Het IPCC-rapport en de betekenis voor Nederland
(PCC, mei 2007).
12. Het recente rapport van het KNMI
‘De toestandvan het klimaat 2008’
laat zien dat in meetreeksenvan de temperatuur voor Nederland
een duidelijke opwarming zichtbaar is. Nederland
is sinds 1950 twee keer zo snel opgewarmd
als de wereldgemiddelde temperatuur.
13. Zie bijlage 3, ‘Toelichting op door de Deltacommissie
gebruikte klimaatscenario’s’ en zie
achtergrondrapport Vellinga, waaraan de
volgende deskundigen hebben meegewerkt:
Pier Vellinga (Wageningen UR, Vrije Universiteit
Amsterdam), Caroline A. Katsman (KNMI),
Andreas Sterl (KNMI), Jules Beersma (KNMI),
John A. Church (CSIRO, Australië), Robert E.
E. Kopp (Princeton University, VS) Dick Kroon
(University of Edinburg, Schotland, Vrije Universiteit,
Amsterdam), Michael Oppenheimer
(Princeton University, VS), Hans-Peter Plag
(University of Nevada, VS), Stefan Rahmstorf
(Potsdam Institute for Climate Impact
Research, Duitsland), Jeff Ridley (Meteorological
Institute, VK), Hans von Storch (GKSS,
Geesthacht, Duitsland), David G. Vaughan
(British Antarctic Survey, VK), Roderik S.W.
van der Wal (IMAU, Universiteit Utrecht), Wilco
Hazeleger (KNMI), Natasha Marinova (Wageningen
UR), Ralf Weisse (GKSS, Geesthacht,
Duitsland), Jason Lowe (Hadley Centre for
Climate Prediction, VK), Henk van den Brink
(KNMI), Reindert Haarsma (KNMI), Erik van
Meijgaard (KNMI),Hans de Vries (KNMI), Jaap
Kwadijk (Deltares), Rita Lammersen (RWS
Waterdienst).
14. Door klimaatverandering stijgt de zeespiegel
met 12 tot 49 cm door thermische uitzetting
van de oceaan, 7 tot 18 cm door het afsmelten
van gletsjers, -1 tot 41 cm en met 13 tot
22 cm door het afsmelten van landijs van
respectievelijk Groenland en Antarctica, -5 tot
20 cm door lokale uitzetting oceaan.
M ogelijk effect van de verdeling van smeltwater
afkomstig van landijs over de oceanen, aangeduid
als gravitatie-effect, is op dit moment
onderwerp van wetenschappelijk debat, en
als zodanig niet meegenomen. De genoemde
separate bandbreedten zijn via een nietlineaire
sommatiemethode vertaald naar de
finale gecombineerde bandbreedte (zie
bijlage 3)
15. Isostatie: waar de bodem in Scandinavië na het
smelten van de ijspakken (en dus het wegvallen
van het gewicht daarvan) na de laatste
ijstijd(en) nog altijd opveert, kantelt als tegenhanger
daarvan de aardschol in onze regio. In
Noord-Holland zakt het ca. 8 cm per eeuw en
in Zuid-Limburg stijgt het ca. 10 cm per eeuw.
Compactie of inklinking: verdichting van het
sediment van zee en rivieren door eigen gewicht,
kruip en andere natuurlijke processen.
Jonge sedimenten kunnen compacter worden
dan oudere, dieper afgezette grondlagen.
16. De diepste delen van Nederland zakken
nauwelijks meer door compactie. Het zijn
voornamelijk droogmakerijen en deze hebben
veelal een kleibodem. De ondiepere
veenpolders zakken wel, maar hiervan ligt de
bodem in de regel 2 – 3 m hoger dan die van
de droogmakerijen.
17. Recente satellietwaarneming toont aan dat
lokaal de autonome bodemdaling langs de
kust mogelijk 4 keer groter is (deformatiestudie
Hondsbossche en Pettemer Zeewering
met behulp van radarinterferometrie, Hansje
Brinker Dijkmonitoring 2008). Dit correspondeert
met een relatieve zeespiegelstijging van
0,95 tot 1,60 m in 2100. In het binnenland zal
in veengebieden de inklinking van de bodem
doorgaan als het huidige landgebruik, waarbij
sprake is van ontwateringsystemen, in stand
blijft. De afgelopen eeuw is de bodem in de
veengebieden van het Groene Hart gemiddeld
40 cm gezakt, met lokale uitschieters naar
meer dan 1 m.
18. Zonder rekening te houden met mogelijke effecten
van het gravitatie-effect.
19. I n het kader van het voor de Deltacommissie
uitgevoerde onderzoek zijn door paleoklimatologen
nog aanvullende verkenningen
uitgevoerd. Deze onderzoekers hebben de
afgelopen tientallen jaren onderzoek gedaan
naar de snelheid van de zeespiegelstijging in
het verleden, met name in de aanloop naar
de voorgaande warme periode, ongeveer
122.000 jaar geleden. De resultaten van deze
analyses zijn niet direct vergelijkbaar met de
projecties van de klimaatmodellen omdat ze
op een heel andere manier tot stand komen,
via zogenaamde
proxy data. De resultatenechter, geven wel een duiding van wat er in
het verleden is gebeurd in een situatie die wat
betreft ijsbedekking over de aardbol grote
gelijkenis vertoont met de huidige situatie. De
paleo-klimatologische schattingen voor de
wereldgemiddelde stijging van de zeespiegel
komen uit op een mogelijke zeespiegelstijging
van 50-70 cm in 2050, 140-190 cm in 2100
en 310-430 cm in 2200 .
20. Het zandtekort groeit met 7 miljoen m3 per mm
stijging van de zeespiegel per jaar.
21. Voor het berekenen van de veranderingen
in maatgevende afvoer is naast de KNMI
2006-scenario’s ook directe output van
klimaatmodellen gebruikt. Dit vanwege de
grote gevoeligheid van de piekafvoeren voor
veranderingen in de variabiliteit van meerdaagse
neerslag en het feit dat een mogelijke
verandering van deze variabiliteit onvoldoende
is meegenomen in KNMI 2006-scenario’s.
22. D eltares. ‘
Klimaatbestendigheid van NederlandWaterland, knikpunten in beleid en beheer
.’Delft, 2008
23. R ijkswaterstaat/Deltares
: Beantwoording KennisvragenDeltacommissie, een samenvatting
(2008)
24. R ijkswaterstaat/Deltares:
Beantwoording KennisvragenDeltacommissie, een samenvatting
(2008)
25. R ijkswaterstaat/Deltares:
Beantwoording KennisvragenDeltacommissie, een samenvatting
(2008)
26. R ijkswaterstaat/Deltares
: Beantwoording KennisvragenDeltacommissie, een samenvatting
(2008)
27. Kind, J.
Kengetallen kostenbaten analysesWaterveiligheid 21e Eeuw
. Eindconcept april2008. Rijkswaterstaat Waterdienst
28. R ijkswaterstaat/Deltares:
Beantwoording KennisvragenDeltacommissie, een samenvatting
(2008)
29. Hierbij past de kanttekening dat de meeste
van onze polders overgedimensioneerd zijn.
Doordat ze vaak waren ingericht op molenbemaling
was een relatief grote berging nodig.
30. R ijkswaterstaat/Deltares:
Beantwoording KennisvragenDeltacommissie, een samenvatting
(2008)
Het Groene Hart
samen
werken met water 3536
deltacommissie 2008samen
werken met water 37Rond
1800 woonden in ons land ongeveer 2 miljoen mensen en stonden elkewinter grote delen van laag Nederland maandenlang onder water doordat
laaggelegen grasland als winterberging voor het boezemwater fungeerde.
‘Watersnoden die het gevolg waren van dijkdoorbraken aan de kust of langs
de grote rivieren waren in de decennia voor en na
1800 rampen die zich omde paar jaar herhaalden.’
31 Anno 2008 slagen we erin de voeten van meer dan16
miljoen inwoners vrijwel permanent droog te houden. Onze kennis vande waterstaat en ons vermogen het water zo te laten stromen als we willen,
is de afgelopen eeuwen geweldig toegenomen. De opgave om Nederland een
welvarend en veilig land te houden waarin we over voldoende schoon zoet
water beschikken voor mens en natuur, kunnen we dan ook met vertrouwen ter
hand nemen: we hebben hiervoor de tijd, de kennis en de middelen.
Een nieuwe koers
De gevolgen van de verwachte klimaatverandering zullen de veiligheid van
onze laaggelegen delta wel veel meer onder druk zetten. Bovendien zijn we in de
loop van de tijd ook andere waarden als beschermwaardig gaan beschouwen;
waarden die niet zo gemakkelijk in geld zijn uit te drukken, zoals natuur en
cultuurhistorie (landschap, archeologie en gebouwen). Dit maakt deel uit van
het streven naar duurzame ontwikkeling, die kenmerkend is voor de
21ste eeuw.Deze combinatie van factoren maakt het noodzakelijk dat we een nieuwe
koers uitzetten voor de toekomst. Gevraagd wordt een leefomgeving waarin
mensen zich thuis voelen, waar ondernemers zich welkom weten, waar de
natuur de ruimte heeft en waar wonen, werken en recreëren door hoogwaardige
infrastructuur comfortabel en snel met elkaar verbonden zijn. Daarvoor is meer
nodig dan veiligheid alleen.
Hoewel we uit de geschiedenis weten dat er vaak een ramp nodig is voordat
tot actie wordt overgegaan, is het zo niet altijd gegaan. Daarnaast zijn er in het
verleden vaak grote ruimtelijke, infrastructurele beslissingen genomen zonder
dat men alle consequenties ervan kon overzien. Denk aan de besluiten tot
aanleg van de Nieuwe Waterweg en het Noordzeekanaal.
32 Toch was men ervanovertuigd dat het een goed besluit was, omdat het uitging van een krachtige visie
en een helder toekomstbeeld.
Voor zo’n instelling wil de commissie pleiten: laat iedereen zich een beeld
durven vormen van wat eraan kan komen en vooruit denken op welke wijze
deze uitdagingen kunnen worden aangegaan. Of beter: op welke wijze kansen
voor de toekomst kunnen worden gecreëerd.
3
Vanuit een samenhangende visiekansen creëren
Kust ter hoogte van Ter Heijde
38
deltacommissie 2008Een duurzaam perspectief, kansen voor de toekomst
De Deltacommissie beschouwt de lange termijnbescherming van de delta en de
ruimtelijke inrichting van kust en achterland vanuit een samenhangende visie.
Regionale afwegingen voor ‘specifieke’ vraagstukken moeten steeds integraal en
vanuit landelijk perspectief gemaakt worden. Het advies van de Deltacommissie
richt zich dan ook op het hoofdwatersysteem. Maar de uitwerking van de
aanbevelingen zal veelal op gebiedsniveau moeten plaatsvinden. Voor gedragen
en voldragen beslissingen over de gewenste investeringen is bovendien goede
betrokkenheid van maatschappelijke partijen een wezenlijke voorwaarde. Ook
dit is een aspect dat bij uitstek op regionale schaal invulling kan krijgen.
Om tot een klimaatbestendige inrichting van het land te komen, zullen regionale
opgaven integraal moeten worden aangepakt; de aanpak van de wateropgave
kan niet los worden gezien van de aanpak van de opgaven op het gebied van
natuur, landschap en stedelijke ontwikkeling.
De visie van de commissie vormt de brug tussen de opgaven die zij voor zich ziet
en de oplossingsrichtingen die zij daarvoor aanbeveelt. Aan het begin van de
21
ste eeuw moet geen blauwdruk worden ontworpen voor het Nederland aan heteinde van de
22ste eeuw. Maar er moet worden voorkomen dat mogelijkhedenonbenut blijven om voor latere generaties nu voorwaarden te scheppen voor een
goede leefomgeving. De Deltacommissie grijpt de historische kans graag met
beide handen aan om hiervoor een visie te geven, waarvan een
Deltaprogrammamet concrete maatregelen wordt afgeleid.
Nieuwe uitdagingen zijn door de Nederlandse bestuurders en waterbouwers
vaak als een bron voor vernieuwingen opgevat. Dat hoeft in de toekomst
niet anders te zijn: klimaatverandering en zeespiegelstijging openen nieuwe
perspectieven. Door nu weloverwogen richting te kiezen, voorkomen we
bovendien ingrepen waarvan we later spijt krijgen en neemt de kans toe dat de
gestelde doelen worden bereikt.
Ons toekomstbeeld
De commissie heeft voor de inrichting van Nederland op de lange termijn,
dat wil zeggen tot einde volgende eeuw, het volgende toekomstbeeld voor
ogen. Heel Nederland blijft een aantrekkelijk land om te wonen, werken,
investeren en recreëren. Veiligheid én duurzaamheid zijn de twee pijlers waarop
de strategie voor de komende eeuwen gebaseerd moet zijn. Duurzaamheid
vat de commissie op als het streven naar een zo efficiënt mogelijk gebruik
van water, energie en andere grondstoffen, zodanig dat de kwaliteit van de
leefomgeving behouden blijft of zelfs verbeterd wordt. De ontwikkeling naar
dit toekomstbeeld moet door en voor elke generatie zodanig vorm krijgen
dat voorzien wordt in de eigen behoeften, zonder de mogelijkheden van
toekomstige generaties om in hun behoeften te voorzien in gevaar te brengen.
Dit betekent onder andere dat overheid, bedrijven en huishoudens zuinig
omgaan met water, energie, sediment en andere grondstoffen, en zorgen voor
hergebruik van materialen (gesloten kringlopen).
samen
werken met water 39Bij de inrichting van het land wordt zoveel mogelijk aangesloten bij natuurlijke
processen. Een (gedeeltelijk) nieuwe biodiversiteit en nieuwe, aantrekkelijke
landschappen kunnen opbloeien als we meer ruimte bieden aan de dynamiek
van zee en rivieren. In waterbergingsgebieden, op nieuw land of op dijken
kunnen (aangepaste) woonmilieus gecreëerd worden. De mogelijkheden voor
verschillende vormen van energiewinning op zee en aan de kust (windmolens,
getijden- en osmose-energie) zijn veelbelovend. Door het ontwikkelen en
toepassen van duurzame energiebronnen wordt tegelijk de uitstoot van
broeikasgassen teruggedrongen en worden functies gecombineerd.
De Randstad blijft het hart van ons land: daar wonen de meeste mensen,
daar wordt het grootste deel van ons nationaal inkomen verdiend. Ook in
cultuurhistorisch opzicht en voor de voedselvoorziening blijft het laaggelegen
deel van ons land van internationale betekenis. Natuur, landschap en bijzondere
architectuur blijven kostbare goederen, in laag en hoog Nederland. De belangrijke
mainports leveren ook in de toekomst een wezenlijke bijdrage aan de
welvaart van ons land; Nederland handhaaft zich als internationaal knooppunt
van goederen, diensten en kennis. Verplaatsen van dit alles is niet nodig en zou
enorme kosten en een enorme kapitaalvernietiging met zich mee brengen.
Er blijft genoeg (zoet) water beschikbaar voor de functies waarvan het
belangrijk is dat ze hierover kunnen beschikken: drinkwatervoorziening,
landbouw, natuur, industrie, transport. Bij het nemen van besluiten houden
zowel overheid als burgers rekening met water; zowel met de kansen die water
biedt om te wonen, werken, recreëren en investeren als met het tekort aan water
(water als schaars goed), wateroverlast en de bedreiging van water (hoogwater
van zee, rivieren en meren).
De beste strategie om Nederland op den duur veilig en aangenaam bewoonbaar
te houden, is door mee te ontwikkelen met de klimaatverandering. Meebewegen
met en gebruik maken van de natuurlijke processen waar dat mogelijk is, leidt
tot oplossingen waaraan mens en natuur zich geleidelijk kunnen aanpassen.
Dit maakt het voor de verschillende functies – de aanleg van infrastructuur,
de reserveringen voor woningbouw en bedrijventerreinen, het gebruik van
grond voor landbouw, recreatie en natuur – ook beter mogelijk deze in
multifunctionele oplossingen te combineren. Doorgaans zullen dit ook de
oplossingen zijn die op termijn de laagste kosten hebben voor aanleg en
onderhoud. Dit zal vaak ook maatschappelijke meerwaarde opleveren, omdat
ze nieuwe mogelijkheden scheppen. Verandering van het waterpeil biedt
bijvoorbeeld nieuwe kansen voor recreatie en voor interessante woon- en
werkmilieus. Pogingen om de natuur te beheersen, zullen steeds grotere (en
duurdere) inspanningen vergen.
40
deltacommissie 2008‘Een voor het gehele kustgebied geldend
systeem van beveiliging, waarbij goed
gefundeerde normen en richtlijnen
in acht worden genomen, kan niet
worden ontbeerd’, schreef de eerste
Deltacommissie. Haar veiligheidsbeleid
was gebaseerd op de risicobenadering:
de kans dat een overstroming in een
gebied plaatsvindt, vermenigvuldigd met
het gevolg van die overstroming.
Het maximale aanvaardbare risico (de
veiligheidsnorm) heeft men vastgesteld
aan de hand van drie analyses:
- een analyse van de meest ongunstige
waterstand die in de rampnacht van
1953 had kunnen optreden als alles
tegen had gezeten;
- een analyse van de frequentie van het
optreden van stormvloeden;
- een vergelijking van de kosten van
dijkversterking met de economische
waarde (inclusief verlies aan mensenlevens
en immateriële waarden) van
het dijkringgebied Centraal-Holland.
De Deltacommissie achtte de te
beschermen belangen voor Noord-
Holland even groot als voor Centraal-
Holland en koos voor een veiligheidsnorm
van 1/10.000 per jaar. Dit betekent
dat een extreme waterstand met een
frequentie van eens in de 10.000 jaar
redelijkerwijs gekeerd moet kunnen
worden. Voor de andere kustgebieden
vond men een veiligheidsnorm van
1/4.000 per jaar voldoende. Dit gezien
het verschil in te beschermen belangen.
Voor de rivieren is later een lagere
norm van 1/1.250 per jaar afgeleid,
uitgaande van een geringere schade bij
overstroming door zoet- dan door zout
water, het belang van de waarden van
landschap, natuur en cultuur(historie), en
de voorspelbaarheid van hoogwater op
de rivieren. Voor de overgangsgebieden
tussen kust en rivier (inclusief
IJsselmeergebied) kwam men tot de
overgangsnorm van 1/2.000 per jaar.
Bron: Advies eerste Deltacommissie (1960) en
Waterveiligheid 21e eeuw Synthesedocument (2008)
De risicobenadering van de eerste Deltacommissie
De eerste opgeleverde kering van de Deltawerken: De Hollandse IJsselkering bij Krimpen aan de IJssel.
samen
werken met water 41Uitgangspunten
De commissie hanteert een aantal normatieve uitgangspunten, die leidend zijn
bij het kiezen van de paden om het toekomstige Nederland te bereiken:
1.
Nederland blijft de veiligste delta in de wereld. We houden Nederlandbewoonbaar.
2.
Waar dit kan, bewegen we mee met de natuurlijke ontwikkelingen diehet gevolg zijn van klimaatverandering en andere natuurlijke processen.
We bouwen en ontwikkelen het land zoveel mogelijk in harmonie met
ecologische processen.
3.
De commissie kiest voor een brede definitie van het begrip ‘waterveiligheid’.Tot die definitie worden gerekend: mensen (voorkomen van slachtoffers),
bescherming van economische-, ecologische- en cultuur(historische) waarden,
het voorkomen van beschadiging van de internationale reputatie van ons land
en het voorkomen van maatschappelijke ontwrichting.
4.
Waterveiligheid is voor heel Nederland van belang: als ergens in hetland een catastrofale dijkdoorbraak plaatsvindt, heeft dit ontwrichtende
gevolgen voor heel Nederland. Waterveiligheid is een collectieve, nationale
verantwoordelijkheid. Dat was het van oudsher en dat blijft ook zo. De
overheid waarborgt dit. Vanuit die collectieve verantwoordelijkheid wordt
het solidariteitsbeginsel gehanteerd: iedereen (ongeacht de woonplaats) heeft
belang bij waterveiligheid en draagt daar daarom financieel aan bij. Aandacht
en zorg van de huidige generatie vergroten de mogelijkheden van en beperken
de risico’s voor toekomstige generaties. Daarom is ook solidariteit tussen de
generaties noodzakelijk.
5.
De bescherming tegen hoogwater vindt plaats in goede samenwerking metonze buurlanden en binnen de gemeenschappelijk bepaalde EU-kaders.
6.
De commissie kiest ervoor om de methodiek van de vorige Deltacommissieals uitgangspunt te nemen, gebaseerd op een risicobenadering. Dit impliceert
maatregelen voor waterveiligheid die gericht zijn op het beperken van zowel
kansen op als gevolgen van overstromingen.
7.
De kans op dodelijke slachtoffers als gevolg van een overstroming moetten opzichte van de huidige situatie substantieel kleiner worden.
33 Dekans op overlijden door overstroming mag voor iedere Nederlander in
overstroombaar gebied (binnen een dijkring) niet groter zijn dan een bepaald
basisniveau. De commissie dringt bovendien aan op maatregelen om de kans
op grote aantallen slachtoffers door overstromingen met gerichte maatregelen
te verminderen. De manier waarop aan dit streven invulling wordt gegeven,
kan per gebied verschillen.
Een vernieuwde risicobenadering
34De commissie houdt vast aan de risicobenadering die door de eerste
Deltacommissie tot uitgangspunt is verheven. Beheersing van risico’s van
overstroming vindt plaats door een combinatie van maatregelen die de
kansenbeperken (bijvoorbeeld hoge en sterke waterkeringen) en maatregelen die
de
gevolgen beperken (bijvoorbeeld vanuit de regelgeving op het gebiedvan ruimtelijke ordening of door zonering, compartimentering, alarmering,
vluchtplannen, vluchtroutes, vluchtplaatsen). De combinatie van maatregelen
wordt afgestemd op het karakter van de potentiële ramp en de kenmerken van
de betreffende dijkring. Er moet sprake zijn van maatwerk. Het onderzoek dat
plaatsvindt in het kader van
Veiligheid Nederland in Kaart35 biedt hiervoorde mogelijkheden. Voorgesteld wordt primair te blijven sturen op kansen,
aangezien dit bewezen heeft het meest effectief te zijn.
42
deltacommissie 2008Het zijn de te beschermen belangen die het niveau van waterveiligheid
bepalen. De eerste Deltacommissie hanteerde een definitie van het begrip
veiligheid die alleen betrekking had op economische schade en slachtoffers.
De nieuwe Deltacommissie meent dat voor het vaststellen van het gewenste
veiligheidsniveau meer aspecten moeten worden meegewogen. Zij is van mening
dat het beschermingsniveau moet worden bepaald door:
~
de kans voor ieder individu om te overlijden door een overstroming;~
de kans op grote aantallen slachtoffers in één keer;~
de potentiële schade, waarbij meer dan alleen de economische schadebeschouwd moet worden.
Waterveiligheid hoogste prioriteit
Een mensenleven is overal evenveel waard en de kans op overlijden als gevolg
van een overstroming moet daarom overal op een maatschappelijk overeen
te komen basisniveau worden gerealiseerd. In het ‘externe veiligheidsbeleid’
36gericht op bescherming van personen en milieu tegen ongevallen bij industriële
installaties, transport en opslag van gevaarlijke stoffen, treinemplacementen
en in het luchtverkeer - wordt dat het Individueel of Plaatsgebonden Risico
genoemd. Hiervoor wordt de waarde van
10-6 (één op een miljoen) per jaaraangehouden. De commissie stelt voor om deze waarde ook te hanteren als het
basisniveau dat overal (binnen elke dijkring) voor waterveiligheid van kracht
moet zijn. Dat wil zeggen dat overal in (overstroombaar) Nederland de kans dat
iemand overlijdt door een overstroming, niet groter dan één op een miljoen per
jaar mag zijn.
Momenteel is de kans op grote aantallen dodelijke slachtoffers in één keer
(het Groepsrisico) door een overstroming veel groter dan het risico van alle
andere hierboven genoemde terreinen waarvoor het extern veiligheidsbeleid
geldt, bij elkaar opgeteld. Dit vindt de commissie niet acceptabel: grote
aantallen slachtoffers vanwege een overstroming moeten worden vermeden.
Op dit moment is er nog geen geaccepteerde maat voor het Groepsrisico voor
overstromingen beschikbaar.
37 Daarom dringt de Deltacommissie aan om opbasis van nader onderzoek zo’n maat voor Groepsrisico voor overstromingen te
ontwikkelen.
Als derde pijler voor het bepalen van het gewenste waterveiligheidsniveau ziet
de commissie het belang van het vermijden van schade door een overstroming.
Deze schade moet op basis van de huidige kennis en maatschappelijke
opvattingen worden beschouwd. Dit betekent dat directe en indirecte
kosten van een overstroming binnen en buiten het overstroomde gebied
meegenomen moeten worden, maar ook een monetaire waardering van
landschappelijke, natuurlijke en cultuur(historische) waarden, reputatieschade
en maatschappelijke ontwrichting. Door optimalisatie van de kosten en de
baten (vermeden schade) van beschermingsmaatregelen, kan voor dit element
een maat in de vorm van een overstromingskans worden vastgesteld.
Deze drie elementen moeten tezamen resulteren in één aangepaste norm voor
waterveiligheid voor elke dijkring. De waterveiligheidsnorm wordt uitgedrukt
in maximaal aanvaardbare kansen. Regelmatig (gekoppeld aan de
EU-richtlijnOverstromingsrisico’s
) is herijking van de waterveiligheidsnorm nodig, aangezien(de voorspelling over) het klimaat verandert en de potentiële gevolgen
veranderen (vanwege sociale en economische ontwikkelingen). Met deze
samen
werken met water 43aanpak blijft het principe van ruimtelijke differentiatie van veiligheidsniveaus
zoals door de vorige Deltacommissie geïntroduceerd, gehandhaafd, maar
is er wel een basisveiligheidsniveau voor iedereen. Bij de uitwerking van de
drie elementen kan blijken dat er, ten opzichte van de huidige situatie, meer
ruimtelijke differentiatie ontstaat. De commissie is daarbij wel van mening dat
binnen samenhangende groepen van dijkringen de gelijkheid gewaarborgd moet
worden, en dus regionaal sterk variërende differentiatie niet wenselijk is.
De inzichten in hoe de drie elementen uitwerken in een nieuwe norm zijn nog
niet compleet. Nadere uitwerking is nodig. Echter, de commissie vindt het
vaststellen van veiligheidsniveaus niet iets dat enkel op basis van rekenexercities
moet plaatsvinden. In het licht van wat nu reeds bekend is, waarbij de
commissie het veel grotere ‘maatschappelijke’ risico voor overstromingen nog
eens wil benadrukken, is zij van mening dat de aangepaste norm in ieder geval
moet leiden tot een hoger veiligheidsniveau dan het huidige. De commissie wil
dan ook duidelijk zijn op dit punt.
Om iedereen hetzelfde basisniveau van veiligheid te geven, zal naar verwachting
in de dijkringen van het rivierengebied de overstromingskans met een factor
10verlaagd moeten worden. Om grote aantallen slachtoffers te voorkomen, moet
in meerdere dijkringen zowel aan de kust als in het (beneden)rivierengebied de
overstromingskans volgens de huidige inzichten eveneens met meer dan een
factor
10 verlaagd worden. Na zorgvuldige afweging komt de commissie tothet oordeel om de overstromingskansen voor alle dijkringen (de aangepaste
norm voor waterveiligheid) ten opzichte van de huidige normen minimaal
met een factor
10 te verminderen en dus het veiligheidsniveau met een factor10
te verhogen. Deze huidige normen worden hierbij door de commissiegeïnterpreteerd als overstromingskansen.
38 De nadere uitwerking van dedrie elementen voor de norm mag volgens de commissie alleen met een zeer
deugdelijke onderbouwing leiden tot een lagere factor dan
10. Vanwege deaanzienlijke risico’s voor grote aantallen slachtoffers
39 verwacht de commissieeerder dat voor meerdere dijkringen de nadere uitwerking zal leiden tot een nog
hogere factor waarmee de veiligheid verbeterd moet worden.
31. A uke van der Woud.
Het lege land, blz. 23.32. Van de Ven.
De Nieuwe Waterweg en hetNoordzeekanaal: een waagstuk
. Onderzoek inopdracht van de Deltacommissie, 2008.
33. Het volledig uitsluiten van dodelijke slachtoffers
en maatschappelijke ontwrichting is onmogelijk.
34. Zie bijlage 4 voor een nadere toelichting op de
visie op veiligheid van de Deltacommissie
35. D oor het project Veiligheid van Nederland
in Kaart (VNK ) worden de kansen op en
de gevolgen van overstromingen van de
dijkringen in Nederland in kaart gebracht
volgens een nieuwe methode. De sterkte van
kunstwerken, inzicht in zwakke plekken in de
dijkring en het omgaan met onzekerheden in
kennis vormen belangrijke onderdelen van het
project.
36. Het besluit Externe Veiligheid (VROM, 2004)
bevat de hoogte van maatschappelijk acceptabele
risiconormen.
37. O p dit moment bestaat er geen oriëntatiewaarde
voor het Groepsrisico van overstromingen
(Beckers et al., 2008). Het risico per dijkring
is immers niet eenvoudig te vergelijken met
risico’s bij een inrichting of transport van
gevaarlijke stoffen, waar het gevolg afhangt
van een activiteit op één enkele locatie; een
overstroming treft meestal een substantieel
groter gebied. Ook zijn overstromingen van
een heel ander karakter dan de door menselijk
handelen veroorzaakte gevaren.
38. E en verbetering van de veiligheid met een factor
10 vergt naar schatting van de adviescommissie
Financiering Primaire Waterkeringen
(Commissie Vellinga) een investering van
9 miljard euro.
39. Jonkman, S.N., 2008
. Schattingen Groepsrisicoten behoeve van het advies van
de Deltacommissie
. Memo 9T6387.AO/NN0001/902968/Rott
44
deltacommissie 2008samen
werken met water 45Zelfs al zouden we mondiaal de doelen van het Kyotoprotocol en zijn opvolgers
realiseren en zelfs al zou van vandaag op morgen de uitstoot van broeikasgassen
wereldwijd drastisch worden verminderd, dan nog zal de opwarming van de
aarde eeuwenlang na-ijlen. En dus weten we zeker dat we ons als laaggelegen
delta aan de Noordzee moeten voorbereiden op de gevolgen van:
~
zeespiegelstijging voor de bescherming van de Hollandse kust, hetWaddengebied en de Zuidwestelijke delta;
~
hogere rivierafvoeren voor de veiligheid langs de rivieren;~
toenemende verzilting en lagere rivierafvoeren voor de watervoorziening indroge zomers;
~
zeespiegelstijging voor de intergetijdengebieden in de Waddenzee en deZuidwestelijke delta;
~
en dit alles in combinatie met bodemdaling.Om de gevolgen van klimaatverandering het hoofd te bieden, is naar de overtuiging
van de Deltacommissie ‘mee-ontwikkelen met de klimaatverandering
en andere ecologische processen’ de verstandigste strategie. Geleidelijkheid,
flexibiliteit (mogelijkheid tot bijsturen), kennis van natuurlijke processen
en kosteneffectiviteit zijn in deze strategie sleutelbegrippen. Meegaan met
natuurlijke processen waar dat kan, bouwen met de natuur, biedt mens en
natuur de beste kansen om zich aan de veranderende omstandigheden te
blijven aanpassen en geeft op termijn de minste kosten. In algemene zin moet
verder opgemerkt worden dat als zoet water in de toekomst schaarser wordt,
het nodig is om meer ruimte te vinden voor zoetwateropslag. De verwachting
is dat met toenemende schaarste de prijs van zoet water steeds hoger zal
worden. Dit zal bijdragen aan innovaties om effectiever met water om te
gaan. De Deltacommissie onderstreept het belang van sterke maatschappelijke
betrokkenheid bij de waterveiligheid van ons land. Alleen als er in de
samenleving – door bewoners en bedrijfsleven – bewust en behoedzaam met
het water wordt omgegaan, kan de noodzakelijke aanpak voor de bescherming
tegen overstromingen en een duurzame zoetwatervoorziening werkelijkheid
worden.
De commissie ziet drie tijdshorizonnen en wil haar aanbevelingen daarnaar
richten:
~
concrete maatregelen voor de periode tot 2050;~
een duidelijke visie voor de periode tot 2100 en~
beschouwingen voor de heel lange termijn na 2100.Voor de korte horizon denkt de commissie dat het realistisch is met behulp
van beschikbare scenario’s te extrapoleren vanuit het verleden en heden. Voor
4
Werken aan de toekomst:mee-ontwikkelen met het klimaat
Texel
46
deltacommissie 2008de middellange termijn (
2050-2100) wordt dit moeilijker - immers, de trendis wel duidelijk maar het tempo van klimaatverandering is nog erg onzeker.
Maar omdat al op korte termijn moet worden voorgesorteerd op wat na
2050in het verschiet ligt, vindt de commissie het verstandig dit ook op basis van
extrapolatie te doen en komt daarom ook met concrete aanbevelingen voor deze
termijn. Wel tekent de commissie hierbij aan dat bepaalde aanbevelingen (voor
de periode na
2050) in een ander daglicht kunnen komen te staan als scenario’szich heel anders ontwikkelen dan nu wordt gedacht. Op de heel lange termijn
is extrapolatie niet realistisch en zal vanuit mogelijke toekomstscenario’s
moeten worden teruggekeken (backcasting) en worden getoetst of maatregelen
doeltreffend zijn voor verschillende toekomstbeelden.
Alvorens de aanbevelingen op de korte en middellange termijn te verwoorden
in een
Deltaprogramma, wordt een schets gegeven van de keuzes die Nederlandin het verleden heeft gemaakt die geleid hebben tot ons huidige samenhangende
watersysteem. Daarna volgt een verkenning van mogelijke conceptuele keuzes
voor het integrale watersysteem in de verre toekomst. Voor alle te maken
keuzes, wordt uitgegaan van de huidige situatie: ons huidige, samenhangende
watersysteem met de bijbehorende inrichting om aan de verschillende
gebruiksfuncties te kunnen voldoen. Tegelijk zijn de aanbevelingen in dit
advies voor de korte en middellange termijn zo gekozen dat op de lange termijn
verschillende opties zoveel mogelijk open blijven, zodat toekomstige generaties
nog de ruimte hebben om op basis van de dan geldende inzichten en waarden
hun eigen afwegingen te maken.
De commissie geeft in haar adviezen aan welke maatregelen vanuit het langetermijnperspectief
onontkoombaar zijn en hoe daarop vanaf nu kan worden
geanticipeerd (‘
hoe-dan-ook maatregelen’). Het reserveren van ruimte en euro’svoor later maakt van deze strategie een essentieel onderdeel uit. Uitdaging is om
steeds als dit tegen redelijke kosten mogelijk is, die oplossingen tot ontwikkeling
te brengen die bredere maatschappelijke meerwaarde bieden. De aanpak van de
opgaven op het gebied van waterveiligheid biedt immers kansen om ook andere
belangen en functies, zoals landbouw, natuur, recreatie, wonen, bereikbaarheid
en energievoorziening verder te ontwikkelen of te verenigen.
Ons watersysteem: een product van het werk van eeuwen
Om de kans op overstromingen te verminderen en landbouw (beter) mogelijk
te maken, zijn de Nederlanders al meer dan
1000 jaar geleden begonnen metmaatregelen als drainage en de inpoldering van intergetijdengebieden. Met
name in de Hollandse provincies zijn de afgelopen eeuwen meren drooggelegd,
waarvan het Haarlemmermeer als laatste (met behulp van stoomgemalen).
Midden
19e eeuw is de keuze gemaakt om de Amsterdamse haven via sluizenmet de Noordzee te verbinden en geen getijdenwerking via het Noordzeekanaal
toe te laten. Voor de regio Rotterdam is eind
19e eeuw met de aanleg van deNieuwe Waterweg gekozen voor vrije toegang tot de haven van Rotterdam.
De afvoer van Rijn en Maas vindt plaats via de Nieuwe Waterweg en het
Haringvliet.
De overstromingen van
1916 (Zuiderzee) en 1953 (Zuidwestelijke delta) hebbengeleid tot ingrijpende kustverkortingsmaatregelen: de aanleg van de Afsluitdijk
en de Deltawerken. De Waddenzee en Westerschelde zijn nu nog de enige twee
grote natuurlijke systemen die onder vrije invloed staan van stroming, getij en
samen
werken met water 47golven. Kenmerkend voor deze omvangrijke ingrepen van de vorige eeuw, is
de multifunctionele en integrale aanpak. Hierdoor zijn belangrijke voordelen
geboekt op het gebied van zoetwatervoorziening (via het IJsselmeer), voor de
landbouw (omvangrijke nieuwe arealen), de veiligheid tegen overstroming (tot
en met Amsterdam), ontsluiting van de eilanden, de ontwikkeling van recreatie
en watersport en natuurwaarden. Zo is in laag Nederland een intensief gebruikt
en sterk gereguleerd watersysteem ontstaan. De veiligheid tegen overstromen
wordt gewaarborgd door dijkringen.
De noordelijke provincies worden gekenmerkt door peilcontrole van het
zoete buitenwater (IJmeer, Markermeer en IJsselmeer) en een ‘natuurlijke’
Waddenzee. De commissie verwacht dat ook op de middellange en zeer lange
termijn deze keuzes verdedigbaar blijven.
De noodzaak tot het geleiden van de rivierafvoer via Zuidwest-Nederland vindt
zijn oorsprong in de historische inrichting van ons watersysteem. De commissie
voorziet dat al op middellange termijn het geleiden van grote rivierafvoeren
mede via de Nieuwe Waterweg tot moeilijk oplosbare veiligheidsproblemen
voor Rotterdam en de Drechtsteden gaat leiden. Vandaar dat de commissie
aanbevelingen doet om dit gebied bij extreme situaties vanuit zee en vanuit
de rivieren te beschermen, waarbij de extreme afvoeren geheel via de
Zuidwestelijke delta moeten worden afgevoerd. Op de heel lange termijn zou
bij een sterkere zeespiegelstijging en bij een tegenvallende economie de optie
om de Nieuwe Waterweg structureel te sluiten reëel kunnen worden. Het
scheepvaartverkeer zou dan via sluizen moeten worden bediend.
Voor de periode tot
2050 ziet de commissie mogelijkheden voor versterkingvan het estuariene karakter van Zuidwest-Nederland, waarbij, als altijd,
rekening moet worden gehouden met de geleiding van hoge rivierafvoeren,
de zoetwatervoorziening en de veiligheid. Natuurlijk moeten de kwetsbare
stedelijke gebieden afdoende beschermd worden. Dit biedt tegelijk kansen voor
stedelijke ontwikkeling.
Voor de rivieren geldt: zo lang mogelijk het winterbed behouden en verruimen,
en zorgen voor voldoende veiligheid in aangrenzende polders.
Over de wijze waarop de financiering van de benodigde investeringen vorm kan
worden gegeven, wordt in het volgende hoofdstuk gesproken. In dit hoofdstuk
wordt een virtuele rondvlucht over de Nederlandse delta gemaakt – de kust, het
Waddengebied de Zuidwestelijke delta, het rivierenland en het IJsselmeer – om
vast te stellen welke oplossingsrichtingen geboden zijn om de waterveiligheid en
watervoorziening van ons land zeker te stellen. Zee en rivieren vloeien in elkaar
over; hoogwaterbescherming en zoetwatervoorziening maken onderdeel uit
van hetzelfde systeem. Vanuit dit brede, samenhangende perspectief vragen per
gebied verschillende opgaven specifieke aandacht.
Beheersen van overstromingsrisico’s
De waterveiligheidsnormen dateren uit de jaren zestig van de vorige eeuw.
Momenteel voldoet ongeveer een kwart van de waterkeringen niet aan die
geldende normen en van nog eens bijna een derde is niet bekend of ze voldoen.
40Het Hoogwaterbeschermingsprogramma is erop gericht deze achterstand
in te halen. Het is overigens inherent aan de huidige toetssystematiek dat
48
deltacommissie 2008zijn zo hoog, breed of sterk dat de kans
op een plotselinge en oncontroleerbare
overstroming vrijwel nihil is. Afhankelijk
van de specifieke situatie, verschilt
het karakter van de Deltadijk: de
precieze uitvoering vereist plaatselijk
maatwerk. Het kan in de vorm van
een doorbraakbestendige dijk, in de
vorm van een extra hoge dijk, een heel
brede dijk, of een van binnen extra
versterkte dijk (door het aanbrengen van
damwanden). Het gaat er om de risico’s
(ofwel de kansen, ofwel de gevolgen)
op een (economisch) optimale manier te
verminderen.
Punt van aandacht is dat Deltadijken
alleen dan effectief zijn als er geen
zwakke schakels in de dijkring zijn.
Eerste inzichten uit recent onderzoek
geven aan dat met de aanleg van
Deltadijken tegen relatief weinig kosten
de overstromingskans met een factor
van minimaal 100 gereduceerd worden
(Silva en Van Velzen, 2008). Er worden
praktijkexperimenten uitgevoerd
en voorbereid onder de noemers
COMCOAST
1 en ‘Klimaatdijk’2.Deltadijken kunnen, afhankelijk van
hun vorm, gecombineerd worden met
andere functies. In stedelijke gebieden
zouden Deltadijken bijvoorbeeld
kunnen worden gecombineerd met
projecten waarin bedrijventerreinen en
woonwijken opnieuw ingericht worden.
Wanneer infrastructuur in of op een dijk
wordt ondergebracht, ontstaat echte
ruimtewinst en ruimtelijke kwaliteit.
1.
COMCOAST is een project waarin nieuwe manierenworden onderzocht en experimenten worden uitgevoerd
voor inrichting en beheer van de kustzone
2.
Klimaatdijk is een project van het onderzoekprogrammaLeven met Water
.Deltadijken...
‘Deltadijk’ in Japan
samen
werken met water 49er achterstanden ontstaan: achteraf wordt getoetst of de waterveiligheid
voldoet en pas als een waterkering wordt afgekeurd -en er dus sprake is van
achterstand-, worden verbetermaatregelen ingepland.
De commissie vindt dat de normen en de toetssystematiek moeten worden
aangepast (zie het vorige hoofdstuk en bijlage
4). Deze nieuwe normen dienenzo snel mogelijk vastgelegd te worden (volgens de waterbeheerders is
2013hiervoor een haalbare datum) en bij het vastleggen van de nieuwe methodiek
moet aandacht worden gegeven aan de mogelijkheid om meer anticiperend
te kunnen toetsen. Hierdoor wordt het mogelijk om de noodzaak van
verbetermaatregelen te signaleren voordat de waterkering feitelijk niet meer
voldoet. Door dan tijdig de maatregelen uit te voeren, wordt voorkomen dat er
achterstanden ontstaan.
De maatregelen om het veiligheidsniveau met minimaal een factor
10 vooralle dijkringen te verhogen, moeten voor
2050 zijn uitgevoerd. Daar waarbij nadere onderbouwing het veiligheidsniveau nog (veel) verder omhoog
moet om grote aantallen slachtoffers te voorkomen, acht de Deltacommissie
het essentieel de kans op of de gevolgen van plotselinge en onbeheersbare
overstromingen sterk te reduceren. Te allen tijde moet immers vermeden
worden dat door diepe bressen langdurig en met veel geweld grote hoeveelheden
water kunnen binnenstromen. De commissie beveelt hiervoor het concept van
de ‘Deltadijken’ aan: dijken die door hun breedte, hoogte of interne constructie
zo sterk zijn, dat een plotselinge onbeheersbare overstroming vrijwel uitgesloten
is (zie box ‘Deltadijken…’). De precieze uitwerking van dit concept vereist
plaatselijk maatwerk, rekening houdend met de te voorkomen gevolgen en de
eigenschappen en mogelijkheden van de waterkering ter plekke. Per gebied
moet op basis van kosteneffectiviteit bezien worden met welke maatregelen het
benodigde veiligheidsniveau het best bereikt kan worden.
De huidige veiligheidsniveaus van alle dijkringen moeten met een factor
10verbeterd worden. Verdere uitwerking van de normen kan leiden tot een
hogere factor waarmee de veiligheid moet worden verbeterd. Alleen met een
zeer goede onderbouwing kan deze herijking tot een lagere factor leiden. De
aangepaste normen moeten zo snel mogelijk (
2013) vastgesteld worden. Daarwaar sprake is van een verhoging van de veiligheid die groter is dan de factor
10(bijvoorbeeld een factor
100) is het concept van de Deltadijk veelbelovend. Ditconcept moet daartoe op korte termijn verder worden uitgewerkt.
De benodigde maatregelen voor de verhoging van het veiligheidsniveau moeten
voor
2050 zijn gerealiseerd. Hierbij moet vanzelfsprekend rekening wordengehouden met de voorziene klimaatverandering en de lange termijn visie van de
Deltacommissie.
De veiligheidsniveaus moeten met regelmaat, ‘gekoppeld’ aan de EU-richtlijn
Overstromingsrisico’s, geactualiseerd worden. Dit kan leiden tot de noodzaak
van aanvullende maatregelen.
Tot 2050
Na 2050
Aanbeveling 1
Veiligheidsniveau
50
deltacommissie 2008In het project
Urban Flood Managementin Dordrecht wordt, in samenwerking met
de steden Hamburg en Londen, kennis
ontwikkeld voor het toepassen van
duurzaam stedelijk hoogwaterbeheer,
waarbij risicobeheersing als integraal
onderdeel van de ruimtelijke
inrichting geldt. Buitendijks bouwen,
risicomanagement en kosteneffectiviteit
zijn hierbij belangrijke uitgangspunten.
Door ‘overstromingsbestendig’ te
bouwen, kunnen in buitendijkse
gebieden innovatieve en aantrekkelijke
woonconcepten tot stand worden
gebracht. De gemeente Dordrecht heeft
onlangs besloten op deze wijze 1000 tot
1200 woningen te realiseren.
Urban Flood Management
(UFM)Stadswerven van Dordrecht
samen
werken met water 51Aanbeveling 2
Nieuwbouwplannen
Wateroverlast
Voor het realiseren van een hoger veiligheidsniveau kunnen naast
veiligere waterkeringen en ruimte voor water, ook gevolgbeperkende
maatregelen worden ingezet. Hierbij kan onder andere gedacht worden aan
aangepaste bouwvoorschriften, het bouwen op een verhoogde ondergrond,
compartimentering en het afleiden van water van (woon)kernen via lage
dammen. Dit soort maatregelen vindt de commissie zeer geschikt voor de
bestrijding van de gevolgen van wateroverlast door overstromingen uit
regionale wateren en door zware regenval.
Bouwen in diepe polders en op slappe veengrond vereist extra inspanningen om
wateroverlast en schade door overstroming uit boezemwateren te voorkomen.
Vanwege bodemdaling en klimaatverandering kunnen in de toekomst de
kosten voor aanleg, beheer en onderhoud van infrastructuur en gebouwen
fors toenemen. De commissie acht een verbod op bouwen op deze fysisch
gezien ongunstige locaties niet zonder meer geboden: ruimte is nu eenmaal
schaars. De besluitvorming over nieuwbouwplannen, inclusief grootschalige
herstructurering in deze gebieden dient wel plaats te vinden op basis van
een integrale kosten-batenanalyse. De kosten als gevolg van lokale besluiten
moeten niet op een andere bestuurslaag of de samenleving als geheel worden
afgewenteld, maar gedragen worden door degenen die ervan profiteren.
Bovenstaande afwegingen spelen mede een rol in het afwegingskader
voor locatiekeuze, de inrichting van grootschalige projecten, gebiedsontwikkelingen
en investeringsprogramma’s die binnen het
NationaleAdaptatieprogramma Ruimte en Klimaat
41 wordt ontwikkeld. De commissievindt een dergelijk afwegingskader een relevant instrument en is van mening
dat zo’n afwegingskader ook voor regionale en lokale afwegingen beschikbaar
moet komen. Daarbij is het van belang dat de waterbeheerder vroegtijdig bij
ontwikkelingen in de ruimtelijke inrichting betrokken wordt, zodat er geen
sprake kan zijn van vrijblijvendheid.
Besluitvorming over nieuwbouwplannen op fysisch ongunstige locaties dient
gebaseerd te zijn op een integrale kosten-batenafweging, waarin alle kosten
nu en in de toekomst voor alle partijen zijn berekend. De commissie acht het
onwenselijk dat de rekening van lokale besluiten op een andere bestuurslaag
of de samenleving als geheel wordt afgewenteld; zij moet bij degenen die ervan
profiteren in rekening worden gebracht.
Dit principe moet in een breder afwegingskader voor klimaatbestendigheid
worden ondergebracht dan op regionaal en lokaal niveau toegepast kan
worden. De waterbeheerders moeten in een vroeg stadium betrokken worden;
er mag geen sprake van vrijblijvendheid zijn.
52
deltacommissie 2008Buitendijkse gebieden
Voor buitendijkse gebieden geldt dat de overheid er in principe geen
bescherming tegen overstromingen kan geven. Het gaat hier immers om
terreinen die, buitendijks, onder de directe invloed van rivierafvoer, meerpeil
of zeespiegel staan. Voor de kustplaatsen zijn veiligheidsniveaus afgesproken
voor de delen die buitendijks zijn gelegen. Deze worden door de overheid
gehandhaafd. In buitendijkse gebieden in het rivieren- en merengebied zijn geen
beschermingsniveaus vastgesteld. Bewoners en gebruikers hebben hier een eigen
verantwoordelijkheid voor het treffen van gevolgbeperkende maatregelen. De
commissie vindt dat dit in ieder geval voor alle nieuwe ontwikkelingen moet
gelden. De overheid informeert, adviseert, alarmeert en (eventueel) evacueert
en kan eisen stellen aan de aanleg, zoals bijvoorbeeld bij de Maasvlakte is
gedaan. Vanwege de waterstaatsfunctie van deze gebieden, zijn activiteiten en
ontwikkelingen er onderworpen aan eisen vanuit het waterbeheer, zoals de
Beleidslijn voor de Rivier
: de afvoercapaciteit van de rivier (of een eventueletoekomstige meerpeilstijging) mag niet belemmerd worden.
Binnen deze kaders kunnen in het buitendijkse gebied allerlei verschillende
woon- en werkmilieus ontstaan. Terpen in stroomluwe delen zijn een beproefde
optie; deze kunnen ook goed worden aangelegd met baggerspecie die vrijkomt
bij het op peil houden van vaargeulen en uiterwaarden. Andere mogelijkheden
zijn drijvend wonen of woningen op palen. Bij relatief geringe maar wel
frequent voorkomende overstromingen, kunnen woningen waterproof worden
gebouwd zodat het water niet in de woning kan komen.
Nieuwe ontwikkelingen in buitendijkse gebieden dienen de afvoercapaciteit
van de rivier en eventueel toekomstig peilopzet van meren niet te belemmeren.
Bewoners/gebruikers zijn zelf verantwoordelijk voor het treffen van
gevolgbeperkende maatregelen. De overheid heeft een faciliterende rol op het
gebied van voorlichten, informeren en waarschuwen.
Noordzeekust
De Noordzeekust bestaat uit de eilandkoppen in de Zuidwestelijke delta,
de Hollandse kust en het Waddengebied. Tegen de stijgende zeespiegel kan
Nederland zich blijven beschermen door de kustbescherming op orde te houden.
In principe kan hiervoor uit twee oplossingsrichtingen gekozen worden:
‘harde’ keringen, zoals stormvloedkeringen die voor een bepaalde stijging
zijn ontworpen, of zandsuppleties die ‘natuurlijk’ kunnen meegroeien met de
verandering van de zeespiegel (waar nodig en gewenst te combineren met lokale
harde maatregelen).
Zandsuppleties vormen de kern van ons huidige kustbeheer en bieden een
goede mogelijkheid om mee te ontwikkelen met het klimaat. Om de kust van
Zeeland tot en met het Waddengebied met de zeespiegel te laten meestijgen, is
7
miljoen m3 zand nodig voor iedere millimeter zeespiegelstijging.42Een stijging van
6 - 12 millimeter/jaar (dat is 65 - 130 cm in 2100), vereist dan40
- 85 miljoen m3/jaar.43Als deze gangbare praktijk van zandsuppleties geïntensiveerd wordt, door
jaarlijks meer te suppleren dan louter nodig is voor de veiligheid, ontstaat
een geleidelijke kustuitbreiding. Zo kan bij een extra suppletievolume van
Aanbeveling 3
Buitendijkse gebieden
samen
werken met water 5340
miljoen m3/jaar, de Hollandse en Zeeuwse Noordzeekust over 100 jaarongeveer
1 kilometer richting de Noordzee zijn verbreed.44 Nadrukkelijkmoet dit niet worden uitgevoerd als een kustverbreding ineens, maar op een
geleidelijke wijze, die ruimte laat voor ecologische processen en in harmonie
met de ruimtelijke ordening kan plaatsvinden.
Een bredere kust biedt meer ruimte aan de natuur, waarmee veel van de
kwaliteit die de afgelopen
150 jaar aan de kust verloren is gegaan, teruggewonnenzou kunnen worden.
45 Het is daarvoor van belang dat er open,afwisselende en dynamische leefgebieden voor plant- en diersoorten ontstaan,
met gradiënten van zoet en brak water zoals hier in het verleden ook bestonden.
Er komt ook meer ruimte voor recreatie beschikbaar en er kan op dit nieuwe
land lokaal hoogwaardige en hoogwaterbestendige bebouwing worden
gerealiseerd, zodat bestaande kustplaatsen de voordelen van hun ligging aan
zee kunnen blijven benutten. Bovendien is het zeer wel mogelijk ondergrondse
infrastructuur aan te leggen om de kust duurzaam te ontsluiten en de overige
infrastructuur te ontlasten. Een ander voordeel van een bredere kust is een
grotere zoetwatervoorraad in de duinen. Dat heeft bovendien een positief effect
op het terugdringen van zoute kwel. Kortom, een bredere kust biedt nieuwe
mogelijkheden en kan een belangrijke bijdrage leveren aan een aantrekkelijk
Nederland.
46Uit veiligheidsoverwegingen acht de commissie het zinvol om voor de benodigde
zandsuppleties uit te gaan van een zeespiegelstijging van
130 cm in 2100. Mochtde zeespiegelstijging geringer zijn, kan de hoeveelheid worden bijgesteld.
Het voor suppleties benodigde zand is op het Nederlands deel van het
continentale plat voldoende aanwezig, hoewel het vanwege het toenemende
ruimtegebruik op de Noordzee wel noodzakelijk is de komende jaren de
vereiste winlocaties ruimtelijk te reserveren. Ook zal getoetst moeten worden
of suppleties zodanig plaatsvinden dat zij de draagkracht van de natuur niet
schaden, conform reeds bestaande nationale en Europese regelgeving. Ten
slotte zouden de toegepaste win- en transportmethoden energiezuiniger en
milieuvriendelijker kunnen worden door technologische vernieuwing en
grootschalige aanpak, zeker als in de toekomst langdurig een veel grootschaligere
inzet van baggerschepen in het verschiet ligt. De mogelijkheden
hiervoor lijken veelbelovend en nader onderzoek, met name naar de ecologische
consequenties, is noodzakelijk.
De commissie heeft uiteraard kennisgenomen van de ideeën die er zijn om
eilanden voor de kust te aan te leggen. Deze ideeën zijn door de commissie
vanuit het perspectief van waterveiligheid in beschouwing genomen (zie
bijlage
5 ‘Eilanden en kustriffen nader bezien’). Eilanden beperken degolfwerking en golfoploop en kunnen daarmee een licht positief effect voor
de kustveiligheid hebben. In combinatie met diepe geulen en een uitgekiende
ligging, kan de hoogte van stormvloeden in beperkte mate afnemen. Maar
net als de bestaande kust moeten ook eilanden worden beschermd, zodat
het onderhoud aan de primaire kustkeringen aanzienlijk toeneemt; langs die
delen van de kust waar geen eilanden voor liggen, moet de veiligheid van de
kust ook nog steeds op orde gehouden worden. De aanleg van eilanden of
kunstriffen verstoort daarnaast het natuurlijk herstel van het oorspronkelijk
profiel na een stormperiode. Niet uitgesloten mag worden dat eilanden zullen
54
deltacommissie 2008Figuur 7 Meegroeiboulevards
(Steef Buijs, Schetsen van ruimtelijke
ontwikkelingen ten behoeve van de
Deltacommissie, 2008)
(a)
‘meebewegende boulevard’ – verplaatsbare bebouwing:demontabel, of rollend of drijvend.
(b)
‘transparante coulissen’ – nieuwe boulevard met transparantebebouwing; oude boulevard behoudt uitzicht en bezonning.
(c)
‘gedraaide boulevard’ – omknikken huidige boulevard naar hetnoorden; door haar steeds te verlengen, blijft het uiteinde in contact
met de zee.
(d)
‘baaiboulevard’ – kustverbreding uitgevoerd als ondiep binnenmeer,verlenging van de bestaande boulevard kan er omheen groeien.
(e)
‘vlucht naar voren’ – nieuwe boulevard ver in zee aangelegd, als eenpier die later door de kustverbreding wordt ingehaald.
samen
werken met water 55Aanbeveling 4
Noordzeekust
Tot 2050
Na 2050
leiden tot vermindering van de stabiliteit van het kustprofiel en versterking van
de kustachteruitgang. Deze aspecten leiden ertoe dat de commissie, voor wat
betreft de waterveiligheid, kiest voor het principe van zandsuppleties voor de
kust.
Een reden om eilanden aan te leggen, is meestal het scheppen van extra ruimte,
bijvoorbeeld voor functies waarvoor op het vasteland moeilijk ruimte te vinden
is, zoals milieubelastende of scheepvaartgebonden activiteiten als een vliegveld
of energieopslag. Eilanden kunnen in principe ook voor land- en tuinbouw
gebruikt worden en voor recreatieve doeleinden, natuurontwikkeling en wonen.
‘Eilanden voor de kust’ kunnen dus nieuwe mogelijkheden scheppen. Vanuit
het oogpunt van kosteneffectiviteit biedt kustverbreding door zandsuppleties
meer mogelijkheden voor recreatie, natuur en wonen (uitbreiding van de
badplaatsen). Vandaar dat de commissie voor de maatschappelijke vraag rond
extra ruimte voor natuur en recreatie kiest voor kustuitbreiding. Voor andere
functies doet de commissie geen uitspraak.
Voor de kust kiest de commissie voor ‘bouwen met de natuur’. Voor de zandige
kust van Zeeland, Holland en de Waddeneilanden wordt de kustveiligheid
op orde gehouden door het suppleren van zand. Waar nodig worden
stroomgeulen verlegd. De commissie gaat tot
2050 uit van een hoeveelheid van85
miljoen m3/jaar en houdt dus tot 2050 rekening met een zeespiegelstijgingvan
12 mm/jaar.Om tegemoet te komen aan maatschappelijke behoeften, adviseert de commissie
om de suppleties op zo’n schaal uit te voeren dat de kust de komende eeuw kan
aangroeien. Dit levert grote maatschappelijke meerwaarde voor Nederland op.
Op korte termijn moeten zandwinlocaties gereserveerd worden. Tevens moet
op korte termijn onderzoek worden gedaan naar hoe deze grote volumes in
termen van ecologie, economie en energie zo efficiënt mogelijk kunnen worden
gesuppleerd.
Afhankelijk van de zeespiegelstijging worden de suppleties gehandhaafd of
verminderd. Bij een minder grote stijging dan
12 mm/jaar (1,30 m in 2100),draagt een eventueel surplus aan zand op dat moment bij aan extra ruimte voor
de kust en biedt veiligheid voor de periode na
2050.56
deltacommissie 2008Waddengebied
Door de zeespiegelstijging zal het huidige natuurlijke karakter van de
Waddenzee veranderen.
47 Dit komt doordat bij toenemende zeespiegelstijgingde zandimport die in de Waddenzee nodig is om te kunnen meegroeien zodanig
groot wordt dat dit fysisch onverenigbaar is met de aanwezigheid van grote
oppervlakken getijdengebied.
48Met de zandsuppleties die de commissie voor de kust voorstelt, wordt in een
deel van de behoefte aan sedimentimport van de Waddenzeebekkens voorzien.
Hiermee wordt voor het Waddengebied en de waardevolle intergetijdengebieden
een bijdrage geleverd aan het meegroeien met de zeespiegelstijging.
Daarenboven moeten, om de Waddeneilanden veilig en bewoonbaar te houden,
de waterkeringen van de eilandpolders verbeterd worden of anders moet op
termijn worden overgestapt op een meer hoogwaterbestendige inrichting.
Tevens moeten de waterkeringen die Noord-Nederland beschermen op orde
gehouden worden.
Het voortbestaan van de Waddenzee zoals wij die nu kennen, is in het licht
van de klimaatverandering niet vanzelfsprekend. De zandsuppleties langs de
Noordzeekust dragen echter bij aan het meegroeien van het Waddengebied.
De ontwikkelingen moeten goed worden geobserveerd en geanalyseerd; de
commissie acht het van belang dit in internationale context te doen.
De bescherming van de polders van de Waddeneilanden en de kust van Noord-
Nederland moet gewaarborgd blijven.
De Zuidwestelijke delta
De Oosterscheldekering kan een zeespiegelstijging van
50 cm opvangen.Mits goed onderhouden, is er in ieder geval tot ca.
2050 dan ook geenveiligheidsprobleem. Daarna zullen aanvullende maatregelen moeten worden
getroffen. Hierbij kan onder meer worden gedacht aan andere sluitregimes
en het dichten van de kieren tussen de schuiven en de drempels, waardoor de
waterkerende werking van de stormvloedkering verbetert en de functionele
levensduur wordt verlengd. De verwachting is dat de Oosterscheldekering met
aanpassingen een zeespiegelstijging tot
1 m kan ‘doorstaan’.Daar komt bij dat als gevolg van de Oosterscheldekering het ecosysteem
lijdt onder de te beperkte getijdenwerking. Zonder aanvullende maatregelen
zullen de waardevolle intergetijdengebieden al voor
2050 grotendeels onderwater verdwijnen (‘zandhonger’). Hoewel de commissie er op wijst dat een
Oosterschelde-estuarium met minder plaatareaal ook een waardevol systeem is,
vindt zij het van belang dat aanvullende maatregelen op korte termijn worden
genomen. Bijvoorbeeld in de vorm van zandsuppleties waarbij zand van buiten
naar binnen wordt gehaald en wordt aangebracht op de eroderende platen of
langs de dijken.
49 In dat laatste geval wordt ook meteen een bijdrage aan dewaterveiligheid geleverd. In tegenstelling tot de Wadden dragen de suppleties
aan de Zeeuwse kust niet bij omdat natuurlijke zandimport door grote
ontgrondingskuilen voor en achter de kering in de Oosterschelde niet optreedt.
Voor het laten meegroeien op de langere termijn van de waardevolle intergetijdengebieden
wil de commissie dat de getijdenwerking in de Oosterschelde
Aanbeveling 5
Waddengebied
samen
werken met water 57Aanbeveling 7
Zuidwestelijke delta:
Westerschelde
Aanbeveling 6
Zuidwestelijke delta:
Oosterschelde
Tot 2050
Na 2050
zoveel als mogelijk wordt hersteld. Dit kan door op de termijn waarop de
bestaande kering niet meer voldoet, te streven naar een oplossing voor de
veiligheid waarin zo volledig mogelijke getijdendynamiek wordt gerealiseerd.
Een dergelijke oplossing heeft de voorkeur van de Deltacommissie, waarbij zij
niet vooruit wil en kan lopen op de technische en ecologische mogelijkheden die
er te zijner tijd zullen zijn. Om oplossingsmogelijkheden open te houden, moet
enige decennia voordat de functionele levensduur van de huidige kering afloopt
de keuze worden gemaakt. Immers, als voor een open Oosterschelde wordt
gekozen, is er tijd nodig om de waterkeringen te versterken.
In ieder geval tot
2050 voldoet de Oosterscheldekering aan de eisen. De nadelenvan de kering (beperking van de getijdenwerking) worden op zo kort mogelijke
termijn ondervangen door de verliezen aan intergetijdengebieden met suppleties
met zand van buiten (bijvoorbeeld uit de Voordelta) te bestrijden.
De levensduur van de Oosterscheldekering wordt verlengd. Dit is mogelijk
tot het niveau van een zeespiegelstijging van rond de
1 m. Dit niveau wordtvolgens de schattingen van de maximale zeespiegelstijging op zijn vroegst rond
2075
verwacht en zou ook pas rond 2125 kunnen optreden. Daarna moetenmaatregelen worden genomen om de veiligheid te waarborgen.
De commissie ziet goede argumenten om als de Oosterscheldekering niet meer
voldoet, de oplossing voor de veiligheid zo in te richten dat de getijdendynamiek
weer (bijna) volledig in de Oosterschelde wordt teruggebracht. Hier moeten
enkele decennia voordat de levensduur van de kering afloopt keuzes over
worden gemaakt, teneinde het volledige palet van oplossingen te kunnen
benutten.
Vanwege de internationaal overeengekomen vrije scheepvaart naar Antwerpen
is de Westerschelde de enige zeearm in Zeeland die nog een open verbinding met
de zee heeft. Hierdoor is de Westerschelde het enige volledig open estuarium van
Zuidwest-Nederland, met waardevolle natuurgebieden als het Verdronken Land
van Saeftinghe. Bij voortgaande zeespiegelstijging zullen de waterkeringen langs
de Westerschelde verder verhoogd moeten worden om voldoende veiligheid
tegen overstromen te blijven bieden.
50 Hierbij moet sprake zijn van dusdanigontwerpen dat rekening wordt gehouden met de mogelijke zeespiegelstijging en
de toename van de getijdenslag.
Voor de Westerschelde is uitgangspunt deze open te houden om de waardevolle
estuariene karakteristiek en de vaarroute naar Antwerpen te behouden.
Veiligheid moet op peil worden gehouden door dijkversterking.
Het Krammer-Volkerak Zoommeer is, samen met de Grevelingen en eventueel
de Oosterschelde, nodig voor de tijdelijke berging of onmiddellijke afvoer van
water om de overstromingsdreiging voor de Drechtsteden en Rotterdam te
verminderen voor het geval een hoge Rijnafvoer en stormvloed samenvallen.
51Daarnaast vervult het gebied een belangrijke functie in de regionale zoetwatervoorziening
voor Zuidwest-Nederland (de land- en tuinbouwgebieden van
West-Brabant en de Zeeuwse- en Zuidhollandse eilanden). Eutrofiëring zal
in de komende decennia nog voor ernstige waterkwaliteitsproblemen blijven
zorgen. Hierdoor kan in de praktijk maar beperkt invulling worden gegeven
58
deltacommissie 2008De Brouwersdam aan de zeezijde van
de Grevelingen kan beter doorlatend
gemaakt worden teneinde de
getijdendynamiek deels te herstellen en
een betere waterkwaliteit te verkrijgen.
Dit dient primair het herstel van
natuurwaarden in de Grevelingen, maar
kan ook benut worden voor het winnen
van elektriciteit uit getijdenverschillen.
Door het benutten van de kracht van
het in- en uitstromende water, kunnen
turbines worden aangedreven met een
potentieel vermogen van 60 MW.
Grevelingen
Figuur 8, Overzicht voorgestelde maatregelen
voor het Krammer-Volkerak Zoommeer
Brouwersdam
samen
werken met water 59Aanbeveling 8
Zuidwestelijke delta:
Krammer–Volkerak Zoommeer
Tot 2050
aan de zoetwaterfunctie. Om de waterkwaliteitsproblemen aan te pakken,
wordt op korte termijn overwogen het meer opnieuw in open verbinding met
de Oosterschelde te brengen en een zoet-zoutgradiënt toe te staan; op deze
wijze wordt mede invulling gegeven aan de doelstellingen van de
EuropeseKaderrichtlijn Water
.52Voor de gebieden die voor hun zoet water van het Krammer-Volkerak
Zoommeer afhankelijk zijn, moeten dan alternatieven ontwikkeld worden.
Die alternatieven kunnen in ieder geval bestaan uit waterbesparing door
verbeterde beregening/infiltratie, de aanvoer van water vanuit het Hollands
Diep via de Roode Vaart, Mark en Vliet, en via lokale berging in aangrenzende
polders, zo mogelijk in combinatie met natuurontwikkeling. De commissie
vindt dat de overheid een verantwoordelijkheid heeft voor het realiseren van
aanvoerroutes van zoet water. In echt droge tijden zullen die noodzakelijk zijn
voor de watervoorziening. Dit water mag voor de afnemers wel een reële prijs
hebben. De commissie vindt het verstandig als bij de situatie rond het Krammer-
Volkerak Zoommeer onderzoek wordt gedaan naar een reële prijsbepaling van
het water. Dit zal naar verwachting van de commissie niet alleen innovaties
stimuleren in de landbouw, maar ook - door producenten en gebruikers - in
de waterbehandeling. De kennis die hier wordt opgedaan, kan vervolgens
worden gebruikt in andere delen van Nederland waar voor alternatieve
zoetwatervoorziening wordt gezorgd.
De Deltacommissie beveelt aan om het Krammer-Volkerak Zoommeer samen
met de Grevelingen en eventueel de Oosterschelde in te richten voor de tijdelijke
berging van rivierwater voor de situatie waarin hoge rivierafvoeren samenvallen
met gesloten stormvloedkeringen in de Rijnmond.
De Deltacommissie is van mening dat een zoet-zoutgradiënt voor het Krammer-
Volkerak Zoommeer een goede oplossing is voor het waterkwaliteitsprobleem
en nieuwe ecologische kansen kan scheppen. Voor alternatieve zoetwatervoorziening
moet in dat geval zorg worden gedragen.
Voorafgaand aan de uitvoering is het nodig onderzoek te laten verrichten naar
de vraag welke afvoer- en inlaatwerken nodig zijn om deze koers te kunnen
combineren met waterberging en doorvoer tijdens situaties van extreem hoogwater.
Tevens is onderzoek nodig naar een reële prijsbepaling van zoetwater.
60
deltacommissie 2008samen
werken met water 61Rivierengebied
Het lopende rivierverruimingsprogramma
Ruimte voor de Rivier is erop gerichtin
2015 binnen Nederland een Rijnafvoer van 16.000 m3/s veilig te kunnenafvoeren. Om toekomstige afvoeren van de Rijn tot
18.000 m3/s in Nederlandte kunnen verwerken, zijn verdere rivierverruimende maatregelen langs IJssel
en Waal nodig, alsmede dijkversterking langs IJssel, Waal en de Merwede.
53De hiervoor benodigde ruimte is gereserveerd. De commissie wil dat de korte
termijn maatregelen van de PKB
Ruimte voor de Rivier voortvarend wordenuitgevoerd en afgerond, de ruimtelijke reserveringen voor hogere afvoeren
behouden blijven (uitgaande van bestaande plannen om
18.000 m3/s tekunnen afvoeren en handhaving van de bijbehorende afvoer-verdeling over de
Rijntakken) en de afvoer van rivierwater de primaire functie van het winterbed
blijft. Wat betreft de ruimtelijk reservering kan gedacht worden aan het vestigen
van een permanent voorkeursrecht. Dit stelt de water-beheerder in staat om ook
daadwerkelijk de gronden te verwerven op het moment dat de eigenaar bereid
is deze gronden te verkopen. Naast reserveren kan de overheid ook strategische
grondposities verwerven (grond aankopen) als zich kansen daartoe voordoen.
Waar mogelijk moet in het huidige programma of bij ruimtelijke initiatieven
die daartoe aanleiding geven, al geanticipeerd worden op de maximale afvoer
van
18.000 m3/s. De commissie gaat er vanuit dat hierbij in beginsel dezelfdevoorwaarden voor het meenemen van ruimtelijke kwaliteit gelden als van
toepassing zijn voor het huidige programma
Ruimte voor de Rivier.In Duitsland zullen (nog niet geplande en zeer omvangrijke) maatregelen
moeten worden uitgevoerd om overstromingen bij aanzienlijk hogere
afvoeren te voorkomen of te beperken. Integrale dijkverhoging op het traject
Keulen–Düsseldorf/Duisburg, maar ook langs de Oberrhein wordt niet
waarschijnlijk geacht, onder andere doordat er technische beperkingen zijn
voor de uitvoering; veeleer zal worden overgegaan tot verdere verruiming
van retentiemogelijkheden en de bescherming van speciale objecten.
54 Metandere woorden, de commissie acht het op de middellange termijn zeer
onwaarschijnlijk dat afvoeren groter dan
18.000 m3/s Nederland zullenbereiken. Bovendien vereist de
EU-richtlijn Overstromingsrisico’s overleg metNederland voordat in Duitsland met ingrijpende maatregelen kan worden
begonnen. Dit is ook van belang omdat bij overstromingen in Duitsland het
water ons ‘via de achterdeur’ bereikt. Het water dat in Duitsland over de
dijken gaat, stroomt over land tot in Nederland en leidt ook daar tot flinke
schade. Voor de heel lange termijn kunnen afvoeren hoger dan
18.000 m3/s niethelemaal uitgesloten worden. De commissie kan zich in dat geval voorstellen
dat vooral de Waal en de Zuidwestelijke delta als afvoerroute worden gebruikt.
Dit vereist forse ingrepen die te zijner tijd goed afgewogen moeten worden.
Voor de Maas geldt dat, aanvullend op de
Maaswerken, maatregelen nodigzijn om een mogelijke maatgevende Maasafvoer van
4.600 m3/s veilig tekunnen verwerken. Hiervoor bestaat een regionaal gedragen toekomstvisie
(
Integrale Verkenning Maas 2, IVM2). De commissie acht het noodzakelijkdat, anticiperend op de klimaatverandering en in vergelijkbare zin als is gedaan
voor de Rijn, in samenwerking met de regio de verdere uitwerking en uitvoering
van
IVM2 wordt voorbereid, zowel technisch als financieel, zoals ook bij deRijn is gebeurd. Waar mogelijk moet bij de uitvoering van het
Maaswerkenprogramma al op de hogere afvoer worden geanticipeerd.
Rivier de Maas
in Rotterdam
62
deltacommissie 2008De commissie bepleit een sterkere
koppeling tussen projecten in het
kader van de waterveiligheid en
gebiedsontwikkelingen. Een voorbeeld
is het
Meerjarenplan Zandmaas 2. Ditbestrijkt het gebied van de Maas van
Roermond tot Afferden.
Dit door de provincie Limburg
opgestelde plan gaat uit van een brede
gebiedsontwikkeling waarmee doelen
op het gebied van waterveiligheid,
natuurontwikkeling, land- en tuinbouw,
recreatie, wonen en grondstoffenwinning
worden gediend. Daar waar mogelijk
wordt uitgegaan van of aangesloten
bij particuliere initiatieven. Als dit
plan wordt uitgevoerd, kunnen de
langetermijndoelstellingen van
IntegraleVerkenning Maas
(een Maasafvoervan 4600 m3/s) hier tegen veel lagere
overheidskosten worden gerealiseerd.
Een proactieve programmatische aanpak
kan zo op termijn veel geld besparen
en door het realiseren van andere
maatschappelijke doelen op meer
draagvlak rekenen.
Een dergelijke anticiperende
benadering past echter niet in de
huidige financieringssystematiek van
de rijksoverheid. Nu stelt het rijk pas
gelden beschikbaar wanneer na een
hoogwater – al dan niet gepaard gaand
met een overstroming – de normen
worden verhoogd (waarna binnen een
zeer beperkte tijd de norm weer gehaald
moet worden).
Gebiedsontwikkeling Zandmaas
In het najaar van 2007 is de
EUrichtlijnOverstromingsrisico’s
vankracht geworden. Het doel van deze
Hoogwaterrichtlijn
is het reducerenvan het aantal slachtoffers en het
verminderen van de financiële gevolgen
van overstromingen. Dit moet onder
andere bereikt worden door het opstellen
van overstromingsrisicobeheerplannen,
waarin voor elk stroomgebied de
‘adequate doelstelling voor het beheer
van de overstromingsrisico’s’ wordt
vastgelegd en de maatregelen die
genomen moeten worden om het
afgesproken beschermingsniveau te
halen. Een belangrijke randvoorwaarde
is dat maatregelen niet mogen leiden tot
een toename van het overstromingsrisico
in beneden- of bovenstrooms gelegen
landen.
De overstromingsrisicobeheerplannen
moeten uiterlijk op 22 december 2015
zijn voltooid. Vervolgens moeten de
plannen elke zes jaar worden getoetst en
zonodig worden bijgesteld.
Overstromingsrisicobeheerplannen
Verzilting van oppervlaktewater en
grondwater is een probleem voor huidige
gebruiksfuncties. De commissie voorziet
in haar advies in oppervlaktewater van
goede kwaliteit. Echter, de zoute kwel
en verzilting van het grondwater is
moeilijk te bestrijden. Op dit vlak vinden
innovatieve ontwikkelingen plaats in het
project Ecopolder dat wordt uitgevoerd
binnen het programma
Leven met Water.Ten zuiden van Amsterdam wordt het
concept van de Ecopolder gerealiseerd,
gebaseerd op het
cradle-to-cradleprincipe.Door vanuit een integrale en
multifunctionele benadering diverse
technieken en processen aan elkaar te
koppelen, worden oplossingen op het
vlak van water, milieu, afval en energie
kosteneffectief met elkaar verbonden.
In de Ecopolder wordt brak kwelwater
via drains opgepompt en ontzilt tot
grijs water. Het waterschap hoeft
hierdoor minder door te spoelen (wat
geld bespaart) en de waterkwaliteit
verbetert. De benodigde energie
voor ontzilting wordt verkregen uit
de restwarmte van de Amsterdamse
afvalverbrandingcentrale. Het
restproduct uit de ontzilting (brijn)
wordt met behulp van restwarmte
ingedampt tot droog zout, dat als
wegenzout kan worden ingezet. Verder
kan biogas (methaan) uit het grondwater
worden gebruikt voor de productie
van energie. Het methaan kan ook
gehaald worden uit het huishoudelijk
afvalwater (en uit landbouwafval) via een
vergistingsinstallatie.
Ecopolder, illustratie van innovatief omgaan met verzilting
samen
werken met water 63Aanbeveling 9
Rivierengebied
Tot 2050
2050 - 2100
Na 2100
De programma’s Ruimte voor de Rivier en Maaswerken moeten onverwijld
worden doorgevoerd. Daar waar dit kosteneffectief is, moeten maatregelen
meteen voor
18.000 m3/s voor de Rijn respectievelijk 4.600 m3/s voor de Maasworden uitgevoerd.
Overleg met de buurlanden in het kader van de EU-richtlijn Overstromingsrisico’s
is noodzakelijk om maatregelen op elkaar af te stemmen.
Er moet ruimte worden gereserveerd en zo nodig moeten strategische
grondposities worden betrokken om het riviersysteem in staat te stellen
18
.000 m3/s Rijnwater en 4.600 m3/s Maaswater veilig te kunnen afvoeren.Mogelijkheden voor het vestigen van een permanent voorkeursrecht moeten
worden onderzocht.
Anticiperend op klimaatverandering, in vergelijkbare zin als is gedaan voor
de Rijn, moet in samenwerking met de regio de uitvoering van de Integrale
Verkenning Maas
2 worden voorbereid.Voltooiing van aanvullende maatregelen om voor de Rijn
18.000 m3/s en deMaas
4.600 m3/s te kunnen verwerken.Voor de hele lange termijn kan voor de Rijn een afvoer van meer dan
18
.000 m3/s niet helemaal uitgesloten worden. De commissie kan zich in datgeval voorstellen dat vooral de Waal en de Zuidwestelijke delta als afvoerroute
worden gebruikt.
Rijnmond
De opgave voor Rijnmond en Drechtsteden kan eenvoudig worden samengevat:
hoe blijft het gebied veilig tegen overstromen vanuit de rivieren en de zee en hoe
worden de negatieve gevolgen van verzilting voorkomen? De Maeslantkering
is ontworpen om
50 cm zeespiegelstijging aan te kunnen. In ieder geval is er tot2050
nog geen veiligheidsprobleem. Daarna neemt de sluitfrequentie mogelijkzodanig toe dat de kans op samenloop met hoge rivierafvoeren steeds vaker tot
extreem hoge waterstanden in het benedenrivierengebied (achter de kering) kan
leiden.
De veiligheid tegen overstromen kan in dit gebied op termijn op verschillende
manieren worden gewaarborgd. Er kan gekozen worden voor versterking van
de dijken, eventueel met een geheel open Nieuwe Waterweg en Haringvliet. In
het recente verleden is gebleken dat dit in dit sterk verstedelijkte gebied een erg
moeilijke en kostbare opgave is. Bovendien helpt het niet voor de bescherming
van de hier veel voorkomende buitendijkse gebieden met bewoning en andere
activiteiten. Er kan ook gekozen worden voor het permanent sluiten van de
Nieuwe Waterweg. Dit heeft grote voordelen voor de zoetwatervoorziening
en voor stedelijke ontwikkeling en biedt mogelijkheden voor zoet-zoutenergieopwekking.
Maar deze variant heeft grote nadelen voor het natuurlijk
systeem en is bovendien zeer belemmerend voor de scheepvaart.
De commissie ziet een derde mogelijkheid, die voordelen van de twee andere
varianten combineert en de nadelen van die varianten beperkt. Deze variant
64
deltacommissie 2008Figuur 9 Waterfronten
(Steef Buijs, Schetsen van ruimtelijke
ontwikkelingen ten behoeve van de
Deltacommissie, 2008)
Al vanaf 1970 worden in Rotterdam verouderde haven- en
industrieterreinen langs de Nieuwe Maas opnieuw ontwikkeld.
In de ‘afsluitbaar open’-variant blijft de dynamische relatie
van deze gebieden met het water bestaan en kan de
herstructurering volgens plan worden voortgezet in het
Waalhaven-Eemhavengebied, de Merwehaven, en de havens
van Schiedam en Vlaardingen. Daarmee begint een nieuwe
periode die ruimschoots capaciteit biedt om de herstructurering
nog eens veertig jaar in dit tempo voort te zetten, met nieuwe
vestigingsmogelijkheden voor creatieve bedrijvigheid en ‘vrijetijdsbesteding’.
Voor de toekomst van de stad zijn dat cruciale
economische sectoren, die bijzonder goed gedijen in dergelijke
herstructureringsgebieden met hun vele industriële erfgoed, hun
nabijheid tot het stadscentrum, de uitstekende bereikbaarheid en
het grootse uitzicht over de rivier.
samen
werken met water 65Aanbeveling 10
Rijnmond
Tot 2050
houdt in dat het Rijnmondgebied ‘afsluitbaar open’ blijft. Bij extreem hoge
waterstanden op zee wordt het gebied afgesloten met de Maeslant- en
Hartelkering, de Haringvlietsluizen en, eventueel aanvullend, afsluitbare
keringen in het Spui, de Oude Maas, Dordtse Kil en Merwede. Er zijn dan
minder dijkversterkingen nodig, terwijl het geheel wel als een dijkring fungeert
en er daardoor nieuwe perspectieven voor hoogwaardige gebiedsontwikkeling
ontstaan.
Voor de opvang van het rivierwater onder die omstandigheden wordt extra
berging in het Krammer-Volkerak Zoommeer en eventueel de Grevelingen
gevonden. Omdat de ontwikkeling van de Rotterdamse haven steeds meer op
de Maasvlakten zal plaatsvinden, ontstaan er in het Rijnmondgebied met deze
variant veel nieuwe mogelijkheden voor stadsfrontontwikkeling (aantrekkelijke
woonmilieus, zie figuur
9) en natuur in de buitendijkse gebieden. Nagegaanmoet worden hoe het water van de Lek kan worden afgeleid en in hoeverre
de Rijnmond volledig afgesloten moet worden (of dat een gedeeltelijke
afsluiting ook voldoende is) in combinatie met de beschikbare berging in het
Rijnmondgebied.
Zoutindringing via de Nieuwe Waterweg wordt niet langer meer met grote
hoeveelheden rivierwater bestreden. De inlaatpunten worden, waar nodig,
verlegd. Innovatieve ontwikkelingen in de behandeling van zout water kunnen
bijdragen. Verder komt de zoetwatervoorziening voor West-Nederland uit het
IJsselmeer en mogelijk uit lokale berging.
Door deze variant ontstaat er in het Rijnmondgebied meer ruimte voor de
natuurlijke dynamiek, terwijl er wel rekening mee wordt gehouden dat het
hier een kwetsbaar gebied betreft dat niet ongecontroleerd aan stormvloeden
vanuit zee en hoge rivierafvoeren kan worden blootgesteld. De keuze voor een
‘afsluitbaar open’ Rijnmond heeft veel voordelen en met de aanleg hoeft niet
gewacht te worden tot
2050. Nader onderzoek dient op korte termijn gestartte worden om mogelijke plannen uit te werken en voor- en nadelen zorgvuldig
gedocumenteerd in beeld te brengen. Hierbij dient ook aandacht besteed te
worden aan de mogelijkheden van beheer en onderhoud van een dergelijke
variant. In figuur
10 is een illustratie van een mogelijke invulling van de‘afsluitbaar open’ variant gegeven.
Uit oogpunt van toekomstbestendigheid biedt een ‘afsluitbaar open’ Rijnmond
goede vooruitzichten voor de combinatie van doelen op het gebied van
veiligheid, zoetwatervoorziening, stedelijke ontwikkeling en natuur. De
commissie beveelt hiervoor nader onderzoek op korte termijn aan.
Het benodigde water voor West-Nederland moet via het IJsselmeer worden
aangevoerd. De infrastructuur hiervoor moet worden aangepast. Verder
moet er ruimte komen voor lokale berging in diepe droogmakerijen. De
zoetwatervoorziening voor het Rijnmondgebied moet onderdeel van het
onderzoek uitmaken.
66
deltacommissie 2008Het Rijnmondgebied wordt zowel vanuit
zee als vanuit de rivier beschermd
met keringen. Figuur 10 geeft een
mogelijke invulling van het principe.
Nader onderzoek moet uitwijzen hoe
‘afsluitbaar open’ het beste kan worden
vormgegeven.
In deze variant staan bij normale
omstandigheden de Haringvlietsluizen
open, behalve bij een stormvloed.
In het Haringvliet keert daardoor de
zoet-zoutgradiënt terug, zodanig dat
bij een lage rivierafvoer het Spui nog
beschikbaar blijft voor waterinlaat. In
combinatie met de peilvariatie onder
invloed van het getij ontstaan goede
mogelijkheden voor natuurherstel.
Energiewinning met getij-energie wordt
mogelijk bij de Haringvlietsluizen.
In de Nieuwe Waterweg zal bij lage
rivierafvoer de zouttong verder
landwaarts opdringen, waardoor
verzilting van Zuid-Holland dreigt.
Voor de grondgebonden land- en
tuinbouw kan dit gecompenseerd
worden door wateraanvoer vanuit het
IJsselmeer, hetgeen aanpassingen aan
de infrastructuur vereist. Voor zover
nodig (en bovenop de mogelijkheden
van zoetwateraanvoer via het Spui),
moeten aanvullende voorzieningen
worden getroffen. Ook kan voor de
zoetwatervoorziening gedacht worden
aan lokale berging in oude diepe. Deze
waterberging kan ook benut worden
voor het opvangen van wateroverlast en
worden gecombineerd met woningbouw
en natuurontwikkeling.
???????????????????????????
?????????????????????????????????????????????????????????????????????????????
??????????????????????????????????????????????????????????????????
??????????
?????????
??????????
????????????
?????????????
?????????????
??????
????????????????
???????????
?????????????????
Illustratie: Sendra Design Studio | © TU Delft - HKV Lijn in Water - Ties Rijcken
Afsluitbaar open
Figuur 10: Mogelijke invulling van de
‘afsluitbaar open’-variant voor het
Rijnmondgebied (Ties Rijcken, TU Delft, 2008)
samen
werken met water 67IJsselmeergebied
Met de afsluiting van de Zuiderzee is in de eerste helft van de
20ste eeuween strategische keuze gemaakt die voor het integrale functioneren van het
Nederlandse watersysteem buitengewoon grote voordelen heeft opgeleverd. Het
IJsselmeergebied kan zijn functie van strategische zoetwatervoorraad blijven
vervullen mits, uiteraard, de Afsluitdijk gesloten blijft, het IJsselmeergebied
in het begin van het jaar voldoende gevuld wordt en het beheer wordt
aangepast. In combinatie met een hoger zomerpeil dan het huidige, komt er
meer zoet water beschikbaar voor de gebieden die hiervoor van het IJsselmeer
afhankelijk zijn. Het is daarvoor niet nodig extra Rijnwater over de IJssel te
sturen en de bestaande afvoerverdeling bij laagwater kan worden gehandhaafd.
Meer dynamiek in waterpeil is ook goed voor de natuurwaarden. De eerste
problemen ontstaan wanneer het zomerpeil verder zakt dan ca.
20 cm onderhet huidige zomerstreefpeil. Dan wordt waterinlaat uit het IJsselmeergebied
lastig voor de omliggende gebieden, met name in Noord-Nederland: zonder
pompen is dit dan niet goed meer mogelijk. Bij verder uitzakken (daling van het
peil) gaan problemen ontstaan voor de scheepvaart en de recreatieve functie.
Ook wordt het systeem bij een minder grote waterdiepte steeds gevoeliger voor
waterkwaliteitsproblemen. Niet uitgesloten kan worden dat bij ver uitzakken
van het peil er ook problemen ontstaan rond de stabiliteit van waterkeringen.
In het meest extreme KNMI-scenario is de huidige strategie van peilvariatie
vanaf
2050 niet toereikend om in droge zomers te kunnen blijven voorzien in dewaterbehoefte van Noord- en West-Nederland (exclusief Zuidwestelijke delta).
Hoewel deze situatie niet frequent optreedt, veroorzaakt de klimaatverandering
wel een toenemende kans op waterschaarste. Om in de toekomst zo flexibel
mogelijk te zijn voor de strategische zoetwaterfunctie, heeft de commissie een
voorkeur voor het laten stijgen van het peil van het IJsselmeergebied gekoppeld
aan het stijgen van de zeespiegel. In de meest extreme droge zomersituatie is een
‘waterschijf’ in het IJsselmeergebied nodig van maximaal
1,1 meter. Exclusiefhet Markermeer is dit
1,5 meter. Vol inzetten op uitzakken met 1,1 of 1,5 mgeeft echter minder flexibiliteit en heeft een aantal belangrijke nadelen voor
economie (recreatie, scheepvaart) en ecologie (waterkwaliteit).
55 Peilstijgingheeft ook nadelen: waterkeringen, havens, gemalen van omliggende gebieden en
bestaande buitendijkse bebouwing moeten worden aangepast en pompkosten
voor afwatering van omliggende gebieden zullen toenemen.
Het behoud van het zoete IJsselmeer impliceert het behoud van de Afsluitdijk
als harde grens tussen zoet en zout water. Dit biedt goede mogelijkheden voor
energiewinning; de commissie moedigt de voorgenomen experimenten in deze
richting aan, waarbij dit de voorraadfunctie van het IJsselmeer niet te sterk mag
beïnvloeden.
Stijging van het peil is ook van belang uit oogpunt van het omgaan met overtollig
water van het IJsselmeer. Momenteel wordt onder vrij verval gespuid naar
de Waddenzee. Extra spuicapaciteit maakt het mogelijk hiermee tot halverwege
deze eeuw door te gaan, rekening houdend met zeespiegelstijging. Daarna
is er de keuze tussen pompen of meestijgen van het peil van het IJsselmeer
met de zeespiegel. Met pompen kan het bestaande peil worden gehandhaafd.
Omdat vanwege de effecten op de omgeving het meerpeil niet ongelimiteerd
kan meestijgen, is het onontkoombaar dat er ooit met pompen begonnen moet
worden.
68
deltacommissie 2008Een nieuwe ontwikkeling die duurzame
energie combineert met water is het
benutten van het energiepotentieel
tussen zoet en zout water. Hierbij
wordt stroom opgewekt door de
ladingverschillen tussen zoet en zout
water te benutten via osmose. Bij deze
techniek worden zoet en zout water
gescheiden door een membraan, dat
wel water maar geen ionen doorlaat. De
verschillen in ionenconcentraties kunnen
worden benut voor het opwekken van
elektriciteit. Het enige afvalproduct is
brak water, dat op zee geloosd wordt.
Een dergelijke centrale kan onder twee
randvoorwaarden gerealiseerd worden:
allereerst is de aanwezigheid van zowel
zoet als zout water vereist en daarnaast
moet ook voldoende aanvoer van zoet
water gegarandeerd zijn (per MW h wordt
circa 2 m3/sec zoet water gebruikt).
Wordt aan deze voorwaarden voldaan,
dan biedt deze duurzame energiebron
het grote voordeel dat er in principe altijd
stroom geleverd kan worden als er vraag
naar is.
Momenteel wordt een studie uitgevoerd
naar de mogelijkheden voor een
toekomstige zoet-zout-centrale van
maximaal 200 MW bij de Afsluitdijk.
Als dit gerealiseerd wordt, zou deze
ongeveer 1% van de stroomproductie
van Nederland leveren en bijvoorbeeld
de stroombehoefte van de watersector
(pompen, keringen en gemalen)
kunnen dekken. Daarmee ontstaat een
wenkend perspectief: de waterkering als
energiebron.
Zoet-zout-energie
De afsluitdijk ter hoogte van Den Oever
samen
werken met water 69Maar nu al beginnen met pompen, zodat het IJsselmeerpeil niet omhoog
hoeft, heeft belangrijke nadelen. Pompen en het peil handhaven geeft geen
goede invulling aan de strategische zoetwaterfunctie van het IJsselmeergebied.
Daarnaast heeft nu al pompen als consequentie dat de hele omgeving en alle
nieuwe ontwikkelingen zich daar op gaan instellen. Als er in de toekomst toch
nog voor peilverhoging gekozen zou worden, zijn de belemmeringen daardoor
dan veel groter. Verder nemen, naarmate de zeespiegel stijgt, de kosten voor
pompen fors toe. Het past bovendien meer in de visie van de commissie om
waar mogelijk met de natuur mee te bewegen en dus zo lang mogelijk mee te
stijgen met de zeespiegel en zonder pompen te kunnen spuien.
Een hoger peil betekent wel dat de hele omgeving van het IJsselmeergebied
(binnen- en buitendijks) moet mee-ontwikkelen: buitendijkse gebieden
(waaronder pittoreske haventjes) komen vaker onder water te staan, hetgeen
een hoogwatervrije inrichting vereist. Bouwvoorschriften voor buitendijkse
gebieden zijn nodig (drijvende of hoogwatervrije nieuwbouw). Waterkeringen
moeten omhoog en de binnendijkse gebieden krijgen meer last van fosfaatrijke
kwel en zullen vaker en meer moeite hebben om hun overtollig water op
het hogere IJsselmeer te lozen. Dit vereist extra gemaalcapaciteit en/of
bergingsruimte in de omliggende polders.
56Bij een hoger IJsselmeerpeil zijn aanvullende maatregelen nodig om de hoogwaterstanden
te beheersen in de benedenloop van de IJssel en het Zwarte Water.
Bij een peilstijging van meer dan
1,5 m zijn op de benedenloop van de IJssel overgrote afstand (tot aan Zwolle) ingrijpende en kostbare dijkversterkingen nodig.
Het Markermeer is van IJssel en IJsselmeer waterhuishoudkundig gescheiden
door de Houtribdijk en - sluizen en speelt daardoor alleen een afgeleide rol in
het omgaan met overtollig water; er is geen noodzaak voor peilstijging van het
Markermeer. Dit heeft als voordeel dat, na het inhalen van de achterstand in de
veiligheid van de waterkeringen, niet opnieuw de (landschappelijk waardevolle)
waterkeringen langs de kust van Noord-Holland versterkt moeten worden.
Tevens wordt de kwelproblematiek van Noord-Holland onder controle
gehouden.
57 Voorts biedt duidelijkheid over het peil van het Markermeerhelderheid voor de stedelijke ontwikkeling van Amsterdam en Almere.
Alles overziende, kiest de commissie voor een peilstijging van alleen het
IJsselmeer. De belangen van de strategische zoetwatervoorraad en van het zo
lang mogelijk kunnen blijven lozen op de Waddenzee zonder afhankelijkheid
van pompen, weegt de commissie zwaarder dan de nadelen (en hogere kosten)
van deze peilstijging. Als zoetwatervoorraad is maximaal een ‘waterschijf’ van
1
,5 m nodig. Grote nadelige effecten voor de veiligheid in de benedenloop vande IJssel en het Zwarte Water ontstaan vanaf een peilstijging van
1,5 m.Om een zo groot mogelijke flexibiliteit te creëren, hanteert de commissie
daarom
1,5 meter als maximum voor de peilstijging.70
deltacommissie 2008Aanbeveling 11
IJsselmeergebied
Om zo lang mogelijk zonder pompen te kunnen spuien naar de Waddenzee,
kiest de commissie voor een hoger peil van maximaal
1,5 m in het IJsselmeer.Mede daardoor wordt voor de lange termijn voorzien in een zo groot mogelijke
flexibiliteit ten aanzien van de zoetwatervoorziening.
Het IJsselmeer zal zo zijn strategische functie als zoetwaterreservoir blijven
behouden voor Noord-Nederland en Noord-Holland én, vanwege de dieper
indringende zouttong in de Nieuwe Waterweg, ook voor West-Nederland.
Het peil van het Markermeer wordt niet verhoogd.
Onderzocht moet worden welke maatregelen bij een toename van het IJsselmeerpeil
met
1,5 m nodig zijn om de inrichting van de benedenloop van deIJssel en het Zwarte Water hierop aan te passen.
Het streven is om al rond
2050 zoveel mogelijk zoetwatervoorraad beschikbaarte hebben; de maatregelen om de peilstijging mogelijk te maken, kunnen
geleidelijk worden uitgevoerd. Eventueel kan gekozen worden voor een
gefaseerde aanpak met een combinatie van opzetten en uitzakken.
Maatregelen die op korte termijn gepland zijn, zoals de verbetering van
de Houtribdijk, moeten conform de visie van de Deltacommissie worden
uitgevoerd.
Afhankelijk van de gefaseerde aanpak is voltooiing van maatregelen nodig om
tot een peilstijging van
1,5 m te komen.Vanaf een zeespiegelstijging van ongeveer
2 m moet het water met pompenvanuit het IJsselmeer in de Waddenzee worden gebracht. Deze situatie zal zich
in ieder geval pas na
2100 voordoen.Tot 2050
Na 2050
samen
werken met water 71Scheepvaart
De scheepvaart kan in extreme klimaatscenario’s waarin langere periodes van
droogte optreden, vaker last krijgen van lage rivierafvoeren. Droge periodes
zoals in
2003 kunnen gemiddelde zomers worden en leveren veel problemen op.De vaardiepte kan worden verbeterd door de aanleg van langsdammen langs de
kribhoofden, waardoor de vaargeul wordt versmald. In aanvulling hierop acht
de commissie het verstandig dat de scheepvaart en (andere) transportsectoren
zich door de bouw van laagwatergeschikte scheepstypen en andere technische
aanpassingen voorbereiden op mogelijk langduriger periodes van droogte.
Verder denkt de commissie dat het verstandig is sterker in te zetten op
combinaties van multimodale transportmogelijkheden; hiermee kan rekening
worden gehouden bij de bouw van nieuwe transferia en overslagplekken en
waar mogelijk meegekoppeld worden met maatregelen voor de waterveiligheid.
Ook op de lange termijn zal Nederland een belangrijke toegangspoort tot
Europa zijn. De commissie acht een nadere studie naar dit onderwerp, bij
voorkeur in internationaal verband, zinvol.
Droogte op de hoge gronden
Met het rivier- en IJsselmeerwater kunnen niet alle gebieden in Nederland van
voldoende zoet water worden voorzien. Veel meer dan nu zal zoet water in
de toekomst een schaars goed zijn, met name ‘s zomers. Daarom is ook een
maatschappelijke omslag nodig in de manier waarop we met water leven: zoals
met alle schaarse goederen, zullen we er veel zuiniger mee om moeten gaan.
Daarmee valt nog een wereld aan water te winnen. Ook in dit kader moet de
wens van de commissie gezien worden om, daar waar specifieke maatregelen
voor zoetwatervoorziening moeten worden genomen, aandacht te besteden aan
een reële prijsbepaling voor water.
In aanvulling hierop moet op de hoge gronden in Oost- en Zuid-Nederland de
lokale en regionale berging van (regen)water versterkt worden. Dat kan door
de aanleg van lokale bekkens of door herinrichting van beekdalen, waardoor
water langer in de stroomdalen vastgehouden kan worden. Daardoor kan
gelijktijdig ook ruimte voor natuur en recreatie gewonnen worden. De natuur
wordt hierdoor ‘weerbaarder’ tegen extreme omstandigheden. Dit is belangrijk,
zeker in tijden van klimaatverandering waarin kwetsbare ecosystemen door
hogere temperaturen, andere neerslagpatronen en veranderingen in de (grond)
waterhuishouding onder druk komen te staan. Maatregelen in het kader van het
Investeringsprogramma Landelijk Gebied
en in het kader van de KaderrichtlijnWater
en Waterbeheer 21e Eeuw zijn hierop gericht. In droge tijden kan ookde lokale berging droogvallen. Ten behoeve van de land- en tuinbouw lijkt het
de commissie daarom verstandig dat wordt nagegaan in hoeverre bestaande
watertransportverbindingen kunnen worden verbeterd of in ere kunnen worden
hersteld.
72
deltacommissie 2008samen
werken met water 73Noordzee
De Noordzee biedt vele mogelijkheden voor integrale ontwikkeling, zoals
energiewinning uit getijdenstroom of wind of door wier- en algenproductie.
Perspectief biedt ook de duurzame ontwikkeling van visteelt en aquacultures.
Eilanden kunnen voor deze functies mogelijk een rol spelen. De commissie
onderkent de mogelijkheden van integrale ontwikkelingen in de Noordzee,
maar doet hier vanuit haar opdracht geen aanbevelingen over.
Wel moeten, zoals aangegeven, zandwinlocaties gereserveerd worden zodat
voldoende zand beschikbaar kan komen voor de zandsuppleties.
Kosten
Met de uitvoering van het bovenstaande totale pakket aan maatregelen dat
de Deltacommissie voorstelt – het
Deltaprogramma – is tot 2050 een bedragvan
1,2 à 1,6 miljard euro per jaar gemoeid en voor de periode 2050-2100 eenbedrag van
0,9 à 1,5 miljard euro per jaar. Dit bedrag is extra ten opzichte vande budgetten die nu zijn vastgelegd in begrotingen voor het op orde brengen van
de waterkeringen om deze aan de nu geldende normen voor waterveiligheid te
laten voldoen. De commissie veronderstelt dat de huidige programma’s voor
Ruimte voor de Rivier
, de Zwakke Schakels, de Maaswerken, Zeeweringen enhet
Hoogwaterbeschermingsprogramma worden uitgevoerd.In het overzicht zijn de jaarlijkse uitgaven voor beheer en onderhoud in relatie
tot waterveiligheid en watervoorziening niet opgenomen. Deze bedragen tellen
voor het rijk, waterschappen en provincies samen momenteel op tot circa
1
,2 miljard euro per jaar.58 De totale kosten om mee te groeien met het klimaaten te zorgen voor een hoger beschermingsniveau komen voor de periode tot
2050
dan op 2,4 à 2,8 miljard euro per jaar.Wanneer binnen het
Deltaprogramma ten behoeve van waterveiligheid dekustsuppletie wordt vergroot om in
100 jaar tijd de Hollandse en ZeeuwseNoordzeekust met bijvoorbeeld
1 km uit te breiden om zo ook ruimte tescheppen voor recreatie, natuur en andere functies, is een aanvullend bedrag
nodig van
0,1 à 0,3 miljard euro per jaar. Hierdoor komen de kosten van hetDeltaprogramma
voor de periode 2010-2050 op 1,3 à 1,9 miljard euro perjaar en voor de periode
2050-2100 op 1,2 à 1,8 miljard euro per jaar. Inclusiefbeheer en onderhoud komen de totale kosten om mee te groeien met het klimaat
en te zorgen voor een hoger beschermingsniveau dan op
2,5 à 3,1 miljard europer jaar tot
2050.Overigens wordt opgemerkt dat de hier genoemde bedragen een indicatie zijn
voor de kosten voor het
Deltaprogramma.59 Monitoring moet plaatsvinden vande ontwikkeling van de gevolgen van klimaatverandering. Nieuwe inzichten
kunnen leiden tot bijstelling van de invulling van maatregelen en dit kan
doorwerken in de genoemde kosten.
Figuur 11: Overzicht maatregelen
Deltaprogramma
Bedragen zijn uitgedrukt
in prijspeil 2007
en zijn inclusief BTW.
Indicatie extra kosten per jaar
[miljard euro]
Periode Gemiddeld
2010 - 2050 2050 - 2100 2010 - 2100
Deltaprogramma
1,2 tot 1,6 0,9 tot 1,5 1,0 tot 1,5Deltaprogramma
, met extra ruimteaan de kust voor andere functies
1,3 tot 1,9 1,2 tot 1,8 1,2 tot 1,8
74
deltacommissie 2008Menig politicus, belangenbehartiger,
beleidsambtenaar of wetenschapper
vindt dat maatschappelijke kostenbatenanalyses1
te weinig oog hebben
voor menselijke creativiteit en durf. Deze
critici benadrukken het belang van het
hebben van een visie. Zij betogen dat
belangrijke besluiten niet uitsluitend
kunnen worden genomen op basis
van lijstjes met in geld uitgedrukte
kosten en baten. Grote projecten als de
Afsluitdijk, de Nieuwe Waterweg en het
Noordzeekanaal zouden nooit tot stand
zijn gekomen als de uitkomst van een
kosten-batenanalyse doorslaggevend
zou zijn geweest.2 Een ander bezwaar
is dat belangrijke maatschappelijke
belangen zoals slachtoffers en het
verlies van landschap, cultuur en
natuurwaarden en de waarde van
zoetwater in 2100 moeilijk in geld zijn uit
te drukken en daarom onvoldoende hun
plek vinden in een kosten-batenanalyse.
Tegenover deze ‘visionairen’ staan de
voorstanders van kosten-batenanalyse:
de ‘rekenaars’. Hun kritiek luidt dat
visies vaak berusten op wensbeelden
(visioenen) die als feiten worden
gepresenteerd. De voorstanders van een
project maken niet duidelijk voor welk
probleem dat project een oplossing zou
moeten bieden en hebben onvoldoende
oog voor alternatieve (veelal efficiëntere)
oplossingen. Negatieve uitkomsten van
een kosten-batenanalyse worden vaak
op voorhand al verworpen.
Bovenstaande tegenstelling miskent dat
visies en kosten-batenanalyses elk hun
eigen rol in de besluitvorming spelen.
Visies op de toekomstige ontwikkeling
van Nederland genereren ideeën over
mogelijke projecten. Een kostenbatenanalyse
dwingt om concreet te
worden en vervolgens projecten te
kunnen vergelijken en beoordelen op
basis van maatschappelijke kosten en
baten. Kansrijke ideeën kunnen daardoor
van luchtfietserij worden onderscheiden.
Een kosten-batenanalyse kan echter niet
de rol van scherprechter vervullen. Voor
goede politieke keuzes zijn én visies én
calculaties nodig.
1. O ntleend aan Savelberg, ’t Hoen en Koopmans,
2008: De schijntegenstelling tussen visie en kostenbatenanalyse.
2. E en kosten-batenanalyse (KBA) geeft een overzicht
van alle voor- en nadelen voor de samenleving. Deze
voor- en nadelen worden zoveel mogelijk uitgedrukt
in geld, zowel voor de materiële als de immateriële
goederen en diensten zoals een schoon milieu. De
KBA geeft antwoord op de vraag of de welvaart als
gevolg van en project toeneemt t.o.v. de autonome
ontwikkeling (positief saldo van kosten en baten).
Een KBA helpt bij de afweging of een project zinvol is
(nut en noodzaak), bij het vergelijken van projecten/
varianten voor een projecten en bij het verbeteren van
een project.
3. Kosten-batenanalyses hebben hun beperkingen
als gekeken wordt naar kosten en baten voor een
periode van 50 tot 100 jaar. Een KBA is eigenlijk
een eenvoudige rekensom waarin kosten en baten
contant worden gemaakt. Hiervoor is het nodig dat
projecten voldoende concreet zijn uitgewerkt en kunnen
worden afgezet tegen een toekomst waarin het
project niet doorgaat. Kijkend naar een Deltatraject
voor 100 tot 200 jaar is dit fundamenteel lastig. Het
verschil in groeipad met en groeipad zonder project
zijn de welvaartseffecten van het project. De rekensom
faalt wanneer het groeipad zelf door het project
of i.c. het
Deltaprogramma, verandert. Ten tweedeis sprake van grote onzekerheden. Dit geldt voor 10
jaar, dus zeker voor een periode 100 jaar. Er doen
zich vrijwel zeker onvoorziene ontwikkelingen voor en
het is onmogelijk om alle complexe maatschappelijke
verhoudingen en krachten te betrekken. Ten derde
geldt de acute onomkeerbaarheid van projecten.
Wanneer de omstandigheden ongunstig zijn, is de
investering niet eenvoudig ongedaan te maken. Ten
vierde moet rekening worden gehouden met omvangrijke
ruimtelijke en financiële reserveringen die de
mogelijkheid bieden om in te spelen op nieuwe, deels
onverwachte, ontwikkelingen. Die reserveringen zijn
maar eenmalig te gebruiken en beïnvloeden daarmee
ook de toekomst.
Visie en kosten-batenanalyse beide noodzakelijk voor besluitvorming
1samen
werken met water 7540. Vanwege nieuwe inzichten in de Hydraulische
Randvoorwaarden voor de Waddenkust
in 2011 is er mogelijk op korte termijn een
nieuwe ronde versterkingen van keringen
van de Fries-Groningse waterkeringen op
het vasteland nodig. Hierdoor neemt de
“achterstand” verder toe.
41. D oor Rijk, provincies, gemeenten en
waterschappen wordt gewerkt aan het
nationaal adaptatieprogramma Ruimte en
Klimaat. Hierin wordt een strategie ontwikkeld
voor het klimaatbestendig maken van de
ruimtelijke inrichting van Nederland.
42. R ijkswaterstaat/Deltares:
BeantwoordingKennisvragen Deltacommissie, een
samenvatting
(2008)43. Bij een kostprijs van 4 euro per m3 kost dit
160 tot 340 miljoen euro per jaar.
44. A fgeleid uit
Economische analyse Kustbeleid,rapport fase 2 verkenning ex ante, opgesteld
door Rebelgroup, Witteveen en Bos en
Rijkswaterstaat RIKZ, 2007
45. Zie ook
Kust, ruimte voor mensen én vogels(Vogelbescherming, 2008).
46. R ijkswaterstaat/Deltares:
BeantwoordingKennisvragen Deltacommissie, een
samenvatting
(2008)47. Van Goor, M.A., Zitman, T.J., Wang, Z.B. and
Stive, M.J.F., 2003. ‘
Impact of sea-level riseon the morphological equilibrium state of tidal
inlets
.’ Marine Geology: 202 (3-4): 211-22748. Voor de kleinere getijdenbekkens zoals
het Eierlandse Gat neemt tot een
zeespiegelstijging van ongeveer 1 meter per
eeuw de plaatomvang lineair af met 30%.
Voor een groter bekken als het Amelander
Zeegat neemt de plaatomvang lineair zelfs
af met 40% bij een zeespiegelstijging tot
ongeveer 0,6 meter per eeuw. Voor zowel
kleinere als grotere getijdenbekkens geldt
dat de plaatomvang daarna exponentieel
afneemt. Platen zullen volledig verdwijnen als
de zeespiegel (ten opzichte van genoemde
respectievelijk 1,0 en 0,6 meter/eeuw) met
0,5 meter per eeuw extra stijgt.
49. D e commissie denkt hierbij aan een
suppletievolume van 3 miljoen m3 per
jaar, gebaseerd op Rijkswaterstaat/
Deltares:
Beantwoording KennisvragenDeltacommissie, een samenvatting
(2008).50. E en kruinverhoging van deze waterkeringen
met 50, 150 en 300 cm kost naar schatting
resp. 3,5; 5,5; en 10 miljoen euro per km Het
betreft in totaal 140 km
51. Hiervoor zijn ook doorvoermogelijkheden
vanuit Krammer-Volkerak Zoommeer naar
Grevelingen (en Oosterschelde) nodig, zoals
spuisluizen. In de incidentele gevallen dat
hiervan gebruik wordt gemaakt, heeft de
grote instroom van zoet water in het zoute
Grevelingen of Oosterschelde-estuarium een
grote ecologische impact. De commissie acht
dit acceptabel in het licht van de veiligheid
tegen overstromen, de geringe frequentie
waarmee dit optreedt en het feit dat de
ecosystemen hiervan weer herstellen.
52. D at kan door de dammen bij de Krammersluizen
naar de Oosterschelde weer voor
zout water doorstroombaar te maken.
Hiermee wordt ook de oorspronkelijke
getijdendynamiek enigszins teruggebracht
(binnen de marge die de scheepvaart tussen
Antwerpen en Rotterdam toelaat).
53. Kosten hiervan bedragen naar schatting
6,5 tot 7,0 miljard euro (excl. onvoorzien
van enige tientallen procenten), volgens
Rijkswaterstaat, 2008: memo W. Silva
in antwoord op vragen ter zake van de
Deltacommissie.
54. I nformatie op basis van een door de
Deltacommissie gehouden Duits-
Nederlandse expertbijeenkomst op 2 juli
2008.
55. D e visserij is een kleine sector in het
IJsselmeer. Er is niet specifiek gekeken
naar effecten van peilstijging/uitzakken voor
de visserij. Mogelijke problemen met de
waterkwaliteit als gevolg van uitzakken, zullen
een nadelig effect hebben.
56. Unie van Waterschappen, 2008.
Financiëleconsequenties peilopzet IJsselmeer.
57. D e kosten voor de aanleg en exploitatie
van een gemaal in de Houtribdijk en
aanpassingen langs de rest van het IJsselmeer
bedragen 700 miljoen tot 1 miljard euro.
58. W aterkeringen rijk 150 miljoen euro/jaar;
waterkeringen waterschappen 200 miljoen
euro/jaar; waterkwantiteitsbeheer
waterschappen 760 miljoen euro/jaar;
waterkeringen en grondwater provincies
85 miljoen euro/jaar. (bron:
Het hoofd bovenwater
, Nyfer 2008)59. D e kosten zijn gebaseerd op inschattingen
van experts van Rijkswaterstaat, Unie van
Waterschappen en ingenieursbureaus.
De bandbreedte in de kosten hangt samen
met de invulling en de omvang van de
maatregelen, het moment dat maatregelen
nodig zijn en de bandbreedte in gehanteerde
eenheidsprijzen.
76
deltacommissie 2008samen
werken met water 77De commissie realiseert zich dat zij met een lastige boodschap komt: na een
ramp wordt door iedereen de noodzaak gevoeld om in actie te komen om
herhaling te voorkomen. Dit advies is bedoeld juist om een bedreigende
situatie voor te zijn. Daarvoor moeten we wel nu al in actie komen. Gezien
de buitengewoon lange termijn waarop klimaatverandering ons dwingt te
denken en plannen te maken, en vanwege de vele en uiteenlopende maatregelen
die genomen moeten worden om de waterveiligheid te versterken, kan
gesproken worden van een uniek project: een
Deltaprogramma, dat talrijkeinvesteringsprojecten omvat, met een looptijd van meer dan een eeuw.
60Bedreigingen voor een koersvaste aanpak
Burgers nemen als vanzelfsprekend aan dat de overheid de waterveiligheid
waarborgt, maar zij ervaren dit niet als een urgent vraagstuk waaraan de politiek
prioriteit moet geven. De beduchtheid voor natuurrampen in Nederland
is laag, de risico’s van klimaatverandering uiten zich geleidelijk en spelen pas
op de langere termijn. Hoe kan zeker gesteld worden dat Nederland koersvast
blijft werken aan de opgaven die de Deltacommissie in dit advies heeft geschetst
en waarvoor zij richting wijst? En hoe is ervoor te zorgen dat plannen en maatregelen
op de korte én de lange termijn afdoende gefinancierd kunnen worden?
Waterveiligheid is een onmisbare voorwaarde voor de maatschappelijke en
economische ontwikkeling van Nederland. Maar er zijn allerlei factoren die
de voortvarende uitvoering van een
Deltaprogramma zoals door de commissiewordt aanbevolen, kunnen bemoeilijken:
~
bij de aanleg van infrastructuur – ook als het gaat om ingrepen van nationaalbelang – moet binnen het Nederlandse consensusmodel steeds gezocht
worden naar breed maatschappelijk draagvlak voor een besluit, waarbij
beschermen en uitbreiden van natuurwaarden steeds belangrijker worden
gevonden;
~
besluiten over ingrepen voor waterveiligheid vinden plaats binnen eenplanningshorizon van
50-100 jaar, terwijl er in besluiten over de ruimtelijkeordening veelal niet langer dan
10-25 jaar vooruit wordt gekeken;~
voor waterveiligheid zijn veel overheden en maatschappelijke partijenverantwoordelijk. Deze hebben vaak verschillende belangen en posities, met
als risico dat uiteindelijk niemand bevoegd is of de eindverantwoordelijkheid
neemt om een overkoepelend besluit te nemen
61;~
het Deltaprogramma kent een veelheid aan deeltrajecten die op verschillendeschaalniveaus, door verschillende ‘trekkers’ en verspreid over tientallen jaren,
in nauwe onderlinge samenhang tot uitvoering moeten worden gebracht;
~
investeringen in de waterveiligheid met baten voor de lange termijn,concurreren met andere overheidsuitgaven, uitgaven die zichtbaar baten
opleveren voor de korte termijn.
5
Besluitvorming:van visie naar uitvoering
Oosterscheldekering
78
deltacommissie 2008In de tweede helft van de 19e eeuw was
men ervan overtuigd dat een verbetering
van de infrastructuur noodzakelijk was
om Nederland welvarender te maken.
Uit een analyse van de uitgaven van de
rijksoverheid blijkt dat de aanleg van het
Noordzeekanaal en de Nieuwe Waterweg
in verhouding tot de rest van de uitgaven
in hun sector zeer aanzienlijk waren. Ook
de aanzienlijke kostenoverschrijdingen
in de jaren tachtig van die eeuw werden
geaccepteerd. Dit alles zonder dat
er een ramp had plaatsgevonden. In
1880 aarzelde de regering niet om
zeer grote investeringen te doen voor
baggerwerkzaamheden. In hetzelfde
decennium werd tegen zeer hoge
kosten ook de Kanaalmaatschappij
(opgericht met het oog op de aanleg
van het Noordzeekanaal) door het rijk
overgenomen. De reden hiervoor is
dat men zich er zeer goed van bewust
was dat men zonder de uitbouw van
het Noordzeekanaal en de Nieuwe
Waterweg de concurrentie met Hamburg
en Antwerpen niet zou aankunnen.1
1.
‘ De nieuwe Waterweg en het Noordzeekanaal, eenwaagstuk
’. Prof.dr. G.P. van de Ven; april 2008Negentiende-eeuwse visie
Investeringen in infrastructuur
in % van het bbp, 1800-20071
1. I nvesteringen in totale infrastructuur;
natte en droge
infrastructuur.
* NW = Nieuwe Waterweg;
N ZK = Noordzeekanaal;
S VK = Stormvloedkering
Bron: Cijfers periode 1800-1995
gebaseerd op Groote (1999);
periode 1995-2007 gebaseerd
op CBS Statline
samen
werken met water 79Eenduidige, verbindende nationale regie;
krachtige decentrale uitvoering
De borging van de waterveiligheid vraagt voor de langere termijn om grote
besluitvaardigheid en eenduidige regie. Op nationaal niveau worden daarom de
langetermijnvisie en nationale doelen vastgesteld.
Een nationaal kader is noodzakelijk voor de besluitvorming over en realisatie
van regionale opgaven. Dit maakt het rijk tot een betrouwbare spelbepaler en
medespeler in de realisatie van de regionale opgaven. Om de noodzakelijke
horizontale coördinatie op rijksniveau te vertalen naar slagvaardige regie en
besluitvorming, stelt de Deltacommissie voor een ministeriële stuurgroep onder
voorzitterschap van de minister-president in te stellen, waarin (in elk geval) de
meest betrokken ministeries vertegenwoordigd zijn: ministerie Volkshuisvesting,
Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer (VROM), Landbouw, Natuur en
Voedselkwaliteit (LNV) en Financiën.
62 De politieke eindverantwoordelijkheidvoor implementatie en uitvoering van maatregelen blijft belegd bij de bewindspersoon
van V&W.
Als secretaris van deze ministeriële stuurgroep wordt een
‘Deltaregisseur’aangesteld.
63 De Deltaregisseur zorgt voor de voorbereiding van debesluitvorming die plaatsvindt in de ministeriële stuurgroep en is tevens
verantwoordelijk voor de voortgang en samenhang van het proces.
Hiervoor krijgt hij
64 van genoemde ministers de benodigde (gemandateerde)bevoegdheden. Hij vertaalt, in goed overleg met de betrokken ministeries
en de regionale bestuurders, de nationale opgaven voor de komende
100
jaar (vastgelegd in termen van maatregelen in een Deltaprogramma) naarconcrete regionale opgaven voor de komende
25 jaar. Zo nodig intervenieerthij, bijvoorbeeld met instrumenten zoals die zijn vastgelegd in de nieuwe
Wetruimtelijke ordening
. Dit alles gebeurt met behoud van voldoende flexibiliteit enruimte om met inherente onzekerheden om te kunnen gaan.
De Deltaregisseur houdt de koers van het
Deltaprogramma vast, schept eennationaal kader, faciliteert en stimuleert (nationaal én regionaal), en waar
nodig hakt hij knopen door. Hij verbindt de verschillende bestuurslagen (rijk,
provincies, gemeenten, waterschappen) maar betrekt ook maatschappelijke
organisaties, bedrijven en burgers. Hij houdt continu het nationale belang in
het oog, mede via de Nederlandse vertegenwoordiging voor de waterveiligheid
in EU-gremia en door de omzetting van EU-richtlijnen in nationale wet- en
regelgeving. Taken en bevoegdheden van de Deltaregisseur worden in de
nieuwe
Deltawet (zie verder) vastgelegd. De Deltaregisseur rapporteert aan deministeriële stuurgroep en (via deze) aan het kabinet en de Tweede Kamer.
De Tweede Kamer wordt in overweging gegeven een (permanente)
Themacommissie in te stellen, om het belang te onderstrepen dat de Tweede
Kamer hecht aan adequate parlementaire controle op de uitvoering van het
Deltaprogramma
voor de 21ste eeuw.Het
Deltaprogramma kan alleen dan slagvaardig worden uitgevoerd,als bij de regionale opgaven wordt aangesloten op de daar aanwezige
initiatieven, kennis en netwerken. Daarnaast blijft de actieve betrokkenheid
van maatschappelijke organisaties, bedrijven en burgers bij regionale
opgaven noodzakelijk.
65 Om deze reden is regionale verantwoordelijkheid80
deltacommissie 2008voor de uitwerking en slagvaardigheid in de uitvoering van de regionale
opgaven (analoog aan de bestaande praktijk in bijvoorbeeld het programma
Ruimte voor de Rivier
) evident. Deze opgaven moeten bijdragen aande nationale visie en uitgevoerd worden binnen de nationaal gestelde
randvoorwaarden. De eindverantwoordelijkheid voor invulling en realisatie
van de (afzonderlijke) regionale opgaven ligt (over het algemeen) bij een
regionale bestuurder en kan in de praktische uitwerking worden belegd bij
een regionale ontwikkelingsmaatschappij, gebruikmakend van de ervaring
en uitvoeringskracht van Rijkswaterstaat en de waterschappen. De regionale
bestuurder maakt gebruik van de verantwoordelijkheden en bevoegdheden die
in bestaande wet- en regelgeving zijn vastgelegd. Hij heeft in de Deltaregisseur
zijn partner op landelijk niveau.
Geld mag geen probleem zijn
In een recente publicatie pleit de Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid
(WRR) voor een strategische heroriëntatie op langetermijninvesteringen
in de infrastructuur. De infrastructuren die ons beschermen tegen overstromingen,
noemt de WRR in dit verband terecht van wezenlijk belang.
66De eerste Deltacommissie stelde in haar advies dat Nederland zo’n
0,5% vanhaar BBP zou moeten besteden aan waterveiligheid. De nieuwe Deltacommissie
onderschrijft dit streven: Nederland moet minstens
0,5% van het BBP67 aanwaterveiligheid willen besteden.
68Omdat de overheid de Zuiderzeewerken
als een uitzonderlijk project
beschouwde, werd in de
Zuiderzeewetbesloten een apart fonds te stichten
voor de financiering van deze werken.
Hierdoor bleef het project buiten het
normale begrotingsbeleid van de
overheid. Het Zuiderzeefonds moest
dienen om de Zuiderzeewerken te
financieren totdat deze waren voltooid.
Andere zaken die uit het fonds moesten
worden bekostigd, waren kosten voor
militaire werken die met de indamming
samenhingen, de
Visserijzeesteunwet,de Zuiderzeeraad en kosten aan
aflossingen en rentebetalingen. Het
fonds werd gevoed door een jaarlijkse
bijdrage van twee miljoen gulden van de
Waterstaatsbegroting. Daarnaast waren
er bijdragen van de Oorlogsbegroting,
opbrengsten van afzonderlijke leningen,
voorschotten uit ‘s R ijks schatkist,
inkomsten van pacht of verkoop van
gronden en behaalde baten van het
voorafgaand dienstjaar.
De prognoses van kosten en baten
van de Zuiderzeewerken werden door
de jaren heen geregeld bijgesteld.
Zo begrootte Lely in 1891 de kosten
van de werken op circa 190 miljoen
gulden. Lely keek alleen naar de
directe financiële kosten en baten, en
zag mede daardoor nog niet in dat
de Afsluitdijk zijn eigen kosten zou
terugverdienen.1 De commissie Lovink,
die meer gedetailleerde berekeningen
uitvoerde, schatte de totale kosten
in 1925 op het dubbele, 380 miljoen
gulden. De uiteindelijke kosten van
de Zuiderzeewerken kunnen op circa
drie miljard gulden geschat worden.
De eerdere calculaties hebben deze
prijsstijgingen niet voorzien. Zoals
ingenieur Thijsse (rond 1972) stelde: ‘in
1925 had men er nog geen idee van,
wat er allemaal vast zit aan het winnen
van nieuw land en evenmin hoe groot de
agrarische opbrengst van dat land wel
zou zijn.’ Immers, een zo groot project
als de Afsluitdijk was nog niet eerder
uitgevoerd. Achteraf zijn zowel de kosten
als de opbrengsten vele malen hoger
uitgevallen dan men bij de aanvang van
het project had kunnen voorzien.
1. Thijsse
: Een halve eeuw Zuiderzeewerken (1972)Kosten en baten van de Zuiderzeewerken
samen
werken met water 81Voor de ingrepen die in het vorige hoofdstuk zijn aanbevolen, zijn extra
financiële middelen nodig. Deze zijn tot
2050 ruwweg begroot op jaarlijkstussen de
1,2 en 1,9 miljard euro bovenop de huidige uitgaven door rijk enwaterschappen voor aanleg en instandhouding van waterkeringen. Om deze
noodzakelijke financiën beschikbaar te krijgen en zeker te stellen,
~
moeten de extra lasten over verschillende generaties verdeeld worden: demaatschappelijke baten van ruimtelijke infrastructurele ingrepen komen ook
ten goede aan meerdere generaties;
~
draagt iedere Nederlander bij aan maatregelen die ons land klimaatbestendigmaken en houden;
~
hoeven de totaal benodigde bedragen niet op dag één beschikbaar te zijnmaar moet de omvang van het nog in te stellen Deltafonds (zie hieronder) het
uitgavenpatroon volgen;
~
zijn de huidige wet- en regelgeving (zoals de 3%-norm krachtens hetStabiliteits- en groeipact
)69 vertrekpunt, maar moet deze zo toegepast kunnenworden dat zij duurzame financiering van maatregelen niet in de weg staan.
Daarnaast wijst de Deltacommissie op de spanning tussen ‘lasten op de korte
termijn’ en ‘baten op de lange termijn’: investeringen in waterveiligheid
en zoetwatervoorziening brengen baten voor de lange termijn op, maar
concurreren ondertussen met uitgaven voor andere maatschappelijke
vraagstukken die onmiddellijke aandacht vragen. Hierbij wordt aangetekend
dat financiering door middel van samenwerking tussen publieke en private
partijen als volgt moet worden gezien: primair is de overheid verantwoordelijk
voor de waterveiligheid en zoetwatervoorziening. Echter in geval van het
combineren van functies opkomen, het combineren van belangen, is het waard
te onderzoeken of er kansen liggen voor samenwerking met private partijen.
Hierbij kan gedacht worden aan de ontwikkeling van extra gronden voor
woningbouw, recreatie, energieopwekking, natuurontwikkeling, etc.
Deltafonds stelt de financiën zeker
Gezien het bovenstaande stelt de Deltacommissie voor een zogenaamd
Deltafonds op te richten voor de realisatie van maatregelen voor waterveiligheid
en zoetwatervoorziening. Dit fonds wordt beheerd door de minister van
Financiën, maar staat ‘op afstand’ van de rijksbegroting of andere fondsen
zoals het Infrastructuurfonds en het Fonds Economische Structuurversterking
(FES), die immers (ook) andere doelen dienen.
70 Hierdoor blijven demiddelen bestemd voor datgene waarvoor ze bedoeld zijn: waterveiligheid
en zoetwatervoorziening. Middelen zijn in het fonds voorhanden op het
moment dat ze nodig zijn: uitgaven volgen het realisatietempo van de
ruimtelijke infrastructurele ingrepen. De financiële middelen die nodig zijn
om de waterveiligheid en de zoetwatervoorziening te waarborgen, worden
op deze wijze zekergesteld en concurrentie met de kortetermijnagenda wordt
voorkomen.
De voeding van het voorgestelde Deltafonds vindt plaats door een combinatie
van lenen en (een gedeelte van de) aardgasbaten. Door een relatie te leggen
tussen de besteding van aardgasbaten en waterveiligheid, wordt uitdrukking
gegeven aan het verband dat bestaat tussen het verbruik van fossiele
brandstoffen (zoals aardgas), klimaatverandering, de stijgende zeespiegel en de
maatregelen die de commissie aanbeveelt. De commissie ziet ook andere goede
argumenten om de aardgasbaten (deels) te gebruiken voor de voeding van het
82
deltacommissie 2008Deltafonds: geen toename van de schuld (van rijk of waterschappen), geen
toename van de lastendruk van burgers en bedrijven en meerdere generaties
genieten de baten.
Het aanwenden van (een gedeelte van de) aardgasbaten heeft echter wel
politieke implicaties. Weliswaar wordt ‘ondergronds vermogen omgezet in
bovengrondse veiligheid’ in de vorm van ruimtelijke infrastructurele ingrepen,
maar reservering hiervan in het Deltafonds kan op de korte termijn concurreren
met consumptieve- en investeringsuitgaven die nu met de aardgasbaten
gerealiseerd worden.
71Volledige voeding uit de aardgasbaten is om deze reden niet haalbaar maar
ook niet nodig. Want het is ook heel goed mogelijk om voor het Deltafonds
vreemd vermogen aan te trekken via de kapitaalmarkt, bijvoorbeeld in de vorm
van de uitgifte van langdurende staatsobligaties. De overheid kan daardoor
snel inspelen op veranderende omstandigheden, bijvoorbeeld in de rentestand:
bij een lage rentestand kan het uitvoeringstempo worden verhoogd. Andere
voordelen van deze mogelijkheid zijn:
~
incidenteel is voor dure ingrepen extra voeding van het fonds mogelijk;~
de lasten worden goed geëgaliseerd over verschillende generaties (iederegeneratie betaalt de rente en aflossing), terwijl de uitgaven toch met (extreme)
pieken kunnen plaatsvinden;
~
de uitgaven kunnen het realisatietempo van de ingrepen volgen;~
het is relatief eenvoudig om te blijven voldoen aan de 3%-EMU norm72;~
langlopende leningen zijn als beleggingsmateriaal aantrekkelijk voorpensioenfondsen, zeker als deze gekoppeld zijn aan de ontwikkeling van
inflatie.
Andere beoogde aanwendingen door middel van (een gedeelte van de)
aardgasbaten, zoals voor technologische innovatie, worden niet gekort.
De minister van Financiën is verantwoordelijk voor de voeding en het beheer
van het Deltafonds en houdt dus toezicht op de uitgaven. De bewindspersoon
van V&W is eindverantwoordelijk voor de uitgaven uit het fonds. De
nationale besluitvorming over de besteding van middelen is een voorwaarde
voor uitvoering van het
Deltaprogramma, dat door de Deltaregisseur wordtopgesteld en door de ministeriële stuurgroep vastgesteld. De Deltaregisseur
stelt vervolgens budgetten ter beschikking aan partijen die verantwoordelijk
zijn voor de (regionale) uitvoering van maatregelen, zoals waterschappen,
Rijkswaterstaat, etc. Een maatregel die opgenomen is in het
Deltaprogrammawordt gefinancierd uit het Deltafonds, ook als deze meerdere belangen of
functies dient naast hoogwaterbescherming en/of zoetwatervoorziening.
Een grote betrokkenheid van decentrale overheden aan de regionale opgave
van het
Deltaprogramma is cruciaal. Om dit te benadrukken, stelt deDeltacommissie voor dat decentrale overheden financieel bijdragen daar waar
het expliciete regionale belangen betreft met specifieke regionale voordelen.
Daarnaast is cofinanciering door maatschappelijke organisaties en private
partijen ten behoeve van extra maatschappelijke en/of economische meerwaarde
ook mogelijk.
samen
werken met water 83Een nieuwe
Deltawet als sluitstukVoor de uitvoering van de door de commissie aanbevolen maatregelen (voor de
korte(re) termijn) vormen de bestaande wetten, zoals de
Waterwet, de nieuweWet ruimtelijke ordening
en de Waterschapswet73 het kader. De ruimtelijkegevolgen van de wateropgaven worden in ruimtelijke plannen uitgewerkt. Om
dit effectief te kunnen doen, wordt in het planstelsel van de
Waterwet reeds een(juridische) koppeling gelegd met het planstelsel van de nieuwe
Wet ruimtelijkeordening
.Voor datgene dat niet geregeld is in de bestaande wetgeving adviseert de
Deltacommissie de invoering van een
Deltawet, waardoor de aanbevelingenvan dit advies juridisch worden verankerd.
74 In de eerste plaats brengt een(nieuwe)
Deltawet het belang tot uitdrukking van de integraliteit van de tenemen maatregelen. Daarnaast benadrukt een aparte wet het belang dat aan het
Deltaprogramma
wordt gehecht en dat de ‘normale’ besluitvorming in sommigeopzichten niet toereikend is om de realisatie ervan mogelijk te maken. Door
het opstellen van een
Deltawet wordt expliciet gemaakt dat er voor de langeretermijn een adequate procedurele, inhoudelijke en financiële borging moet zijn,
die de werking van ‘gewone’ wetten overstijgt:
~
procedureel: de taken en bevoegdheden van de Deltaregisseur (die secretarisvan de ministeriële stuurgroep is) en regelingen zoals voor strategische
grondverwerving, schadevergoeding en onttrekking geldelijke voordelen –
ook door private partijen – worden expliciet in de
Deltawet vastgelegd (voorzover niet in bestaande wetten benoemd);
~
inhoudelijk: de Deltawet bepaalt dat een Deltaprogramma wordt opgesteld.Dit omvat een lijst van deltawerken die moeten worden uitgevoerd (met een
globale omschrijving van de werken en een globale raming van de kosten van
de werken, plus de financiering);
~
financieel: de oprichting van het Deltafonds, alsmede de voedings- enonttrekkingsrechten daarvan. Hierbij wordt een expliciete vermelding
gemaakt van het doel van de maatregelen als ook van de voorwaarden
waaraan de te financieren maatregelen moeten voldoen.
Bovenstaande maatregelen op politiek-bestuurlijk, financieel en juridisch gebied
moeten deze kabinetsperiode nog worden voorbereid en de komende jaren
concreet invulling krijgen. Daarom beschouwt de Deltacommissie de huidige
politiek-bestuurlijke inrichting en cultuur (‘regionaal wat kan en nationaal wat
moet’) als uitgangspunt.
Figuur 12: schematisch
overzicht bestuurlijk/politiek/
juridische structuur
84
deltacommissie 2008Aanbeveling 12
Politiek-bestuurlijk,
juridisch en financieel
De Deltacommissie beveelt aan:
1.
de politiek-bestuurlijke organisatie voor waterveiligheid te versterken door:~
te voorzien in een verbindende nationale regie en regionaleverantwoordelijkheid voor de uitvoering:
~
instellen van een ministeriële stuurgroep, bestaande uit debewindspersonen van (in elk geval) de ministeries van V&W, LNV,
Financiën en VROM onder voorzitterschap van de minister-president;
~
deze stuurgroep is verantwoordelijk voor besluitvorming, regie en dehorizontale coördinatie op rijksniveau;
~
er is één politiek eindverantwoordelijke: de bewindspersoon van V&W.Deze blijft eindverantwoordelijk voor het programma en de nationale
doelen voor hoogwaterbescherming en zoetwatervoorziening;
~
de stuurgroep heeft een secretaris, de Deltaregisseur, die rapporteert aande ministeriële stuurgroep en (daarmee) aan het kabinet en de Tweede
Kamer;
~
deze Deltaregisseur vertaalt de nationale opgaven voor de komende100
jaar naar regionale opgaven voor de eerstvolgende 25 jaar;~
de eindverantwoordelijkheid voor invulling en realisatie van deregionale opgaven wordt over het algemeen belegd bij een per opgave
aangewezen (regionale) bestuurder. Dit kan, al naargelang de aard van
de opgave, een gemeentelijke, provinciale of waterschapsbestuurder
zijn. Deze bestuurder kan rekenen op de Deltaregisseur als zijn partner
op centraal niveau;
~
de Deltaregisseur beschouwt de regionale opgaven (als ook hunuitwerking en voortgang) in samenhang op nationaal niveau en stuurt
zo nodig bij; hij faciliteert het proces, stimuleert ontwikkeling en
besluitvorming en brengt hiervoor partijen en kennis bijeen. Hij treedt
zo nodig gezaghebbend op en hakt waar nodig knopen door;
~
in de Tweede Kamer een (permanente) Themacommissie in te stellen, dieeen nauwe parlementaire betrokkenheid verzekert;
2
. de financiële middelen voor maatregelen voor hoogwaterbescherming enzoetwatervoorziening zeker te stellen door:
~
een Deltafonds op te richten;~
het Deltafonds te voeden door onder andere een combinatie van lenen enstorting van (een gedeelte van de) aardgasbaten;
~
als rijk financiële middelen ter beschikking te stellen voor maatregelen enregels te stellen voor de onttrekking van financiële middelen uit het fonds;
3.
een Deltawet vast te stellen om de politiek-bestuurlijke organisatie en dezekerstelling van financiën te verankeren binnen het huidige staatsbestel en de
huidige wet- en regelgeving.
75In de nieuwe Deltawet
76 moet in ieder geval worden opgenomen:~
de oprichting van het Deltafonds, alsmede de voeding van en onttrekkingdaaruit;
~
taken en bevoegdheden van de Deltaregisseur;~
de bepaling dat een Deltaprogramma zal worden opgesteld;~
regelingen voor strategische grondverwerving, schadevergoeding voornadelen en onttrekking geldelijke voordelen die ontstaan door realisatie
van maatregelen uit het Deltaprogramma.
77samen
werken met water 8560. Zie ook het achtergrondrapport
Bouwstenenvoor de Deltacommissie
(Nyfer, 2008).61. Zie ook het rapport van de commissie-Elverding
Sneller en beter
(2008): ‘de behoeftein onze consensuscultuur om het bijna
onverenigbare toch te verenigen, strandt
[…] in veel gevallen op bestuurlijk en politiek
onvermogen om besluiten te nemen en een
eenmaal genomen besluit ook door te zetten.’
62. I n het verleden is de constructie ‘een ministeriële
commissie o.l.v. de minister-president’
reeds meerdere malen voor grote(re) projecten
toegepast.
63. C onform artikel 69, lid 3 van de
Grondwet;staatsrechtelijk ‘regeringscommissaris’.
64. Vanzelfsprekend kan de Deltaregisseur ook
een vrouw zijn.
65. Zie ook het rapport van de commissie-Elverding
Sneller en beter
(2008)66. WRR
. Sturen op infrastructuren (2008).67. Het BBP bedraagt in 2007 zo’n 550 miljard
euro.
68. O nder waterveiligheid schaart de commissie
ook wateroverlast en het veiligstellen van
voldoende zoet water. De geschatte kosten,
inclusief beheer en onderhoud, komen tot
2050 tussen de 2,4 en 3,1 miljard euro per
jaar, zie hfdst. 4, ongeveer 0,5% van het
BNP.
69. O ver de hoogte van het EMU-tekort zijn
binnen Europa afspraken gemaakt die zijn
neergelegd in het Verdrag van Maastricht en
het Stabiliteits- en Groeipact. Zo mag voor
een jaar het EMU-tekort van een land niet
boven de 3% BBP uitkomen.
70. D e Deltacommissie is zich bewust van de
recente bevestiging van het kabinetsvoornemen
(brief van Ministeries van Economische
zaken en Financiën d.d. 1 juli 2008 aan
Tweede Kamer) om de investeringsdomeinen
voor het FES uit te breiden met onder
andere waterbeheersing. De commissie adviseert
om een afzonderlijk Deltafonds op te
richten juist om de noodzakelijke middelen
voor waterveiligheid en zoetwatervoorziening
zeker te stellen en niet te laten concurreren
met andere investeringsdomeinen.
71. W ierts en Schotten
De Nederlandse Gasbatenen het Begrotingsbeleid
: Theorie versusPraktijk. Occasional Studies Vol.6/No. 5,.
Amsterdam, 2008
72. D it onder de veronderstelling dat Europa
hiervoor de zogenaamde ‘golden rule’
accepteert (artikel 104), die bepaalt dat het
in sommige gevallen (grote infrastructurele
investeringen) is ‘toegestaan’ dat de overheid
de 3%-norm overschrijdt.
73. R apport Nyfer
: Eb en vloed wachten opniemand
(2008)74. Prof. Bruil:
Naar een nieuwe Deltawet (2008)75. Bestaande wetten als de nieuwe
Wetruimtelijke ordening
, de Waterwet en deWaterschapswet blijven volledig bruikbaar
voor realisatie van maatregelen.
76. I n de wet, die fungeert als een programmawet,
is aandacht voor doel van de
maatregelen (hoogwaterbescherming en
zoetwatervoorziening) en de realisatie van
maatregelen in samenhang en op nationaal
niveau, en soms zelfs op internationaal
niveau.
77. Zo nodig kunnen in een
Deltawet voorzieningenworden opgenomen voor verticale en
horizontale coördinatie en besluitvorming
(voor zover dit nog/al niet voldoende is
geborgd in de huidige wet- en regelgeving).
86
deltacommissie 2008samen
werken met water 87De opdracht aan de commissie
De Deltacommissie is door de regering gevraagd te adviseren hoe Nederland
zo ingericht kan worden dat ons land ook op de zeer lange termijn veilig is
tegen overstromingen en een aantrekkelijke plaats kan blijven om te leven. De
commissie is daarbij gevraagd een bredere afweging te maken dan één die louter
kijkt naar de gevolgen voor de veiligheid. Zij is ook gevraagd te onderzoeken
waar synergie mogelijk is met andere maatschappelijke functies als wonen en
werken, landbouw, natuur, recreatie, landschap, infrastructuur en energie. De
commissie ziet een zee van kansen om verschillende functies en belangen te
combineren met de noodzakelijke aanpak van de waterveiligheid.
De commissie vat ‘de kust’ breed op: zij beslaat het hele laaggelegen
deel van Nederland. Het advies van de commissie gaat vooral over het
hoofdwatersysteem, maar hangt samen met en werkt door naar de ruimtelijke
inrichting van heel Nederland.
De opgave is urgent
Gezien de situatie in een aantal dijkringen is de veiligheidsopgave nu al urgent
en zal met een stijgende zeespiegel, een grotere variatie in rivierafvoeren en
een verdere groei van het beschermwaardig belang alleen maar groter worden.
Als ergens in het land een catastrofale doorbraak plaatsvindt, heeft dit
ontwrichtende gevolgen voor heel Nederland.
De huidige wettelijke normen dateren nog uit de jaren
60 van de vorige eeuw.Momenteel voldoet circa een kwart van de waterkeringen niet aan die wettelijke
normen en van nog eens ca.
30% is onbekend of ze voldoen.De Deltacommissie meent dat er rekening moet worden gehouden met een
zeespiegelstijging van
0,65 tot 1,30 meter in 2100 en van 2 tot 4 meter in2200
. Het effect van bodemdaling is hierin verdisconteerd. Deze waardenvertegenwoordigen de mogelijke bovengrenzen; het is verstandig om hiermee
rekening te houden, zodat de besluiten die worden genomen en de maatregelen
die worden getroffen voor lange tijd houdbaar zijn tegen de achtergrond van
wat Nederland mogelijk te wachten staat.
De temperatuurstijging en veranderende luchtcirculatie leiden voor de Rijn
en de Maas tot afnemende zomer- en toenemende winterafvoeren. Door de
beperkte afvoercapaciteit in Duitsland ligt de bovengrens van de afvoer die
Nederland rond
2100 kan bereiken op ongeveer 18.000 m3/s. Voor de Maasmoet rekening worden gehouden met een maatgevende afvoer van ten hoogste
4
.600 m3/s rond 2100.6
Een toekomstvast advies: conclusiesZandplaten in de Oosterschelde
88
deltacommissie 2008Wanneer de zeespiegel stijgt en het zoute water via de rivieren en het grondwater
verder landinwaarts binnendringt, komt de waterinname en daarmee de
zoetwatervoorziening van het land onder druk te staan. Droge zomers zoals
die van
2003 gaan vaker optreden en deze leiden tot schade voor landbouwen scheepvaart. Ook andere economische sectoren zullen de schade hiervan
ondervinden.
Een samenhangende visie en een nationaal perspectief
De commissie vindt dat heel Nederland een aantrekkelijk land moet blijven om
te wonen, werken, investeren en recreëren. Veiligheid en duurzaamheid zijn de
twee pijlers waarop de strategie de komende eeuwen gebaseerd moet zijn. De
beste strategie om Nederland op den duur veilig en aangenaam bewoonbaar te
houden, is: mee-ontwikkelen met de klimaatverandering en andere ecologische
processen.
Waterveiligheid is voor heel Nederland van belang. Een veilige delta is een
collectief maatschappelijk belang waarvoor de overheid verantwoordelijkheid
neemt en blijft nemen. Vanuit dat collectief maatschappelijk belang wordt
het solidariteitsbeginsel gehanteerd: iedereen draagt financieel bij aan de
waterveiligheid want iedereen heeft nu en in de toekomst belang bij een veilig
Nederland.
Een vernieuwde risicobenadering
De commissie houdt vast aan de risicobenadering die door de eerste
Deltacommissie tot uitgangspunt is verheven. Maar daar bovenop geeft de
nieuwe Deltacommissie expliciet aandacht aan het verminderen van de kans
op dodelijke slachtoffers en hanteert zij een brede definitie van het begrip
veiligheid, waarin schade méér omvat dan alleen economische schade.
Het beschermingsniveau van verschillende dijkringen moet worden vastgesteld
op basis van drie elementen:
~
De kans om te overlijden door een overstroming; een mensenlevenis overal evenveel waard en de kans op overlijden als gevolg van een
overstromingsramp moet daarom overal op een maatschappelijk overeen te
komen basisniveau worden gerealiseerd. De commissie stelt voor hiervoor
een kans van één op een miljoen te hanteren, hetgeen vergelijkbaar is met
andere veiligheidsrisico’s (zoals voor industriële installaties en transport van
gevaarlijke stoffen).
~
De kans op grote aantallen slachtoffers in één keer door een overstroming;die kans is nu veel groter dan voor andere veiligheidsterreinen bij elkaar
opgeteld. Dat vindt de commissie niet acceptabel. Er bestaat nog geen
maatstaf voor dit ‘Groepsrisico’ voor overstromingen. De commissie
adviseert dringend om deze zo spoedig mogelijk te ontwikkelen.
~
De mogelijke schade, waarbij het om meer gaat dan alleen economischeschade. De commissie vindt dat schade aan landschap, natuur en
cultuur(historische) waarden, maatschappelijke ontwrichting en
reputatieschade expliciet moeten worden meegenomen.
Deze drie elementen resulteren tezamen in één aangepaste norm voor
waterveiligheid.
samen
werken met water 89Waterveiligheid hoogste prioriteit
De inzichten in hoe de drie elementen uitwerken in een nieuwe norm zijn nog
niet compleet. Nadere uitwerking is nodig. Echter, de commissie vindt het
vaststellen van veiligheidsniveaus niet iets dat enkel op basis van rekenexercities
moet plaatsvinden. Na zorgvuldige afweging komt de commissie tot het oordeel
dat het huidige veiligheidsniveau voor alle dijkringen minimaal met een factor
10
moet worden verbeterd. Verdere uitwerking mag volgens de commissiealleen op grond van een zeer deugdelijke onderbouwing leiden tot een lagere
factor dan
10. Vanwege de aanzienlijke kansen op grote aantallen slachtoffersverwacht de commissie veeleer dat voor meerdere dijkringen de nadere
uitwerking zal leiden tot een nog hogere factor waarmee de veiligheid verbeterd
moet worden. Voor die dijkringen denkt de commissie aan het concept van
Deltadijken.
Een duurzame strategie…
Veiligheid komt voor de Deltacommissie op de eerste plaats. Maar met de
oplossingsrichtingen die de commissie voorstelt, wordt ook een belangrijke
bijdrage geleverd aan de ruimtelijke kwaliteit en daarmee aan het
vestigingsklimaat in Nederland. De voorstellen van de commissie
~
sluiten zoveel mogelijk aan bij natuurlijke processen: ‘bouwen met de natuuren andere ecologische processen’;
~
zijn zoveel mogelijk integraal en multifunctioneel van karakter,oplossingsrichtingen hebben maatschappelijk meerwaarde;
~
zijn kosteneffectief;~
zijn flexibel en geleidelijk te realiseren, inspelend op ontwikkelingen op delange termijn;
~
bevatten handelingsperspectief voor de korte termijn;~
wortelen in de Nederlandse traditie en hebben uitstraling naar de rest van dewereld.
De commissie benadrukt dat de overheid verantwoordelijk moet blijven voor
een klimaatbestendige inrichting. Het advies biedt daarnaast ook ruimte
voor actieve betrokkenheid van de markt: waar mogelijk kunnen private
partijen uitgenodigd worden mee te investeren in de duurzame inrichting van
Nederland, met name daar waar investeringen in waterveiligheid kunnen
samengaan met de versterking van andere belangen en waarden, zoals natuur,
recreatie, bedrijvigheid, landbouw, infrastructuur, energie en wonen.
… voor heel Nederland
Om ervoor te zorgen dat Nederland de effecten van klimaatverandering
kan opvangen en op de lange termijn nog steeds een aantrekkelijk en
veilig land is, komt de Deltacommissie tot een aantal aanbevelingen voor
een
Deltaprogramma, dat een samenhangend en veelomvattend pakketinvesteringen omvat, met een looptijd van meer dan een eeuw. De commissie
maakt daarbij keuzes, uitgaande van een visie op nationale schaal en geijkt aan
het (overkoepelend) nationaal belang; deelbelangen zijn hieraan ondergeschikt.
Vertrekpunt voor de commissie is ons huidige, samenhangende watersysteem
met de bijbehorende inrichting om aan de verschillende gebruiksfuncties te
kunnen voldoen. Tegelijk zijn de aanbevelingen in dit advies voor de korte en
middellange termijn zo gekozen dat op de lange termijn verschillende opties
open blijven. Toekomstige generaties houden daardoor de ruimte om op basis
90
deltacommissie 2008van de dan geldende inzichten en waarden hun eigen afwegingen te maken.
Flexibiliteit is wezenlijk: het is belangrijk ontwikkelingen te volgen, onze kennis
op peil te houden en de plannen daar steeds aan te blijven toetsen en eventueel
op aan te passen.
De commissie maakt onderscheid naar drie tijdshorizonnen en wil haar
aanbevelingen daarnaar richten:
~
concrete maatregelen voor de periode tot 2050;~
een duidelijke visie voor de periode tot 2100 en~
beschouwingen voor de heel lange termijn na 2100.Veiligheidsniveau
De achterstand in het op orde brengen van de waterkeringen in Nederland moet
snel worden ingehaald. Dit geldt ook voor het vaststellen van nieuwe normen
voor waterveiligheid, waardoor het huidig veiligheidsniveau met minimaal
een factor
10 zal worden verbeterd. Deze aanscherping is voor 2013 haalbaar.Voor
2050 moeten de maatregelen die nodig zijn voor het verhogen van hetveiligheidsniveau zijn uitgevoerd. Hierbij moet rekening worden gehouden met
de voorziene ontwikkelingen van de zeespiegel en rivierafvoeren, en met de
langetermijnvisie van de Deltacommissie. De commissie onderstreept het belang
van het combineren van waterveiligheid met het benutten van kansen voor
natuur, recreatie, wonen, landbouw en andere bedrijvigheid.
Nieuwbouwplannen
De commissie acht een verbod op bouwen op fysisch gezien ongunstige locaties
niet zonder meer geboden. Ruimte is nu eenmaal schaars. De besluitvorming
over nieuwbouwplannen in deze gebieden (bijvoorbeeld op slap veen) moet
expliciet plaatsvinden op basis van een integrale kosten-batenanalyse. De
kosten als gevolg van lokale besluiten moeten niet op een andere bestuurslaag
of de samenleving als geheel worden afgewenteld, maar gedragen worden door
degenen die ervan profiteren.
Dit principe moet in een breder afwegingskader voor klimaatbestendigheid
worden opgenomen, dat op regionaal en lokaal niveau kan worden toegepast.
Waterbeheerders moeten in een vroeg stadium bij het proces betrokken worden.
Buitendijkse gebieden
Nieuwe ontwikkelingen in buitendijkse gebieden mogen de afvoercapaciteit
van rivieren en toekomstig peilopzet van meren niet belemmeren. Bewoners en
gebruikers zijn zelf verantwoordelijk voor het treffen van gevolgbeperkende
maatregelen. De overheid heeft een faciliterende rol op het gebied van
voorlichten, informeren en waarschuwen.
Noordzeekust
Voor de Noordzeekust (Holland, koppen van Zeeland, Waddeneilanden)
ligt het accent op voortzetting van de praktijk van zandsuppleties. Hiermee
kan blijvend, tot ver in de volgende eeuw, veiligheid worden geboden. Om
tegemoet te komen aan maatschappelijke behoeften, adviseert de commissie
om de suppleties op zo’n schaal uit te voeren dat de kust de komende eeuw kan
aangroeien. Deze visie moet leidend zijn bij de aanpak van de ‘zwakke schakels’.
Kustaanwas schept met name extra ruimte voor natuur en recreatie (inclusief
de badplaatsen). Eilanden voor de kust hebben een positief effect voor de
kustveiligheid, maar dat is beperkt vergeleken met zandsuppleties. Zij kunnen
samen
werken met water 91aangelegd worden voor andere gebruiksfuncties, maar voor de genoemde
functies natuur en recreatie is kustuitbreiding kosteneffectiever.
Waddengebied
Grootschalige zandsuppleties langs de Noordzeekust leveren een positieve
bijdrage aan het meegroeien met de zeespiegelstijging van het Waddengebied.
De ontwikkeling van het Waddengebied moet goed geobserveerd worden. De
zeekeringen in Noord-Nederland en de Waddeneilanden worden op sterkte
gebracht en gehouden.
Zuidwestelijke delta
Voor de Oosterschelde ziet de commissie, als de levensduur van de
stormvloedkering niet langer meer verlengd kan worden (naar verwachting
ergens tussen
2075 en 2125), goede - in de eerste plaats ecologische -argumenten om de getijdendynamiek volledig te herstellen. Er moet tijdig voor
een oplossing gekozen worden omdat als te zijner tijd voor een volledig open
variant wordt geopteerd, de waterkeringen rondom de Oosterschelde op sterkte
moeten worden gebracht. Om het estuariene karakter te kunnen behouden,
moet op korte termijn met zandsuppleties de zandhonger van de Oosterschelde
worden aangepakt.
De Westerschelde moet open blijven om het waardevolle estuarium en de
vaarroute naar Antwerpen te behouden. Veiligheid moet op peil worden
gehouden door dijkversterking.
Het Krammer-Volkerak Zoommeer in combinatie met de Grevelingen
moeten worden ingericht om in tijden van extreme rivierafvoeren tijdelijk
rivierwater op te kunnen vangen. Het meer krijgt voor de verbetering van de
waterkwaliteit op korte termijn een zoet-zoutgradiënt. Via zoetwateraanvoer uit
het Hollands Diep moet de watervoorziening voor landbouw en industrie van
de Zuidwestelijke delta worden gewaarborgd. De commissie adviseert om bij
de uitwerking na te gaan hoe het principe van beprijzen van water een rol kan
spelen.
Rivierengebied
Voor het rivierengebied is het op de korte termijn van het grootste belang
om de programma’s
Ruimte voor de Rivier en Maaswerken uit te voeren. Decommissie gaat er vooralsnog van uit dat de maximale afvoer die Nederland in
2100
via de Rijn kan bereiken 18.000 m3/s is. Voor de Maas wordt uitgegaanvan een maatgevende afvoer van
4.600 m3/s in 2100. Afstemming met debuurlanden in het kader van de
EU-richtlijn Overstromingsrisico’s oversamenhang in maatregelen is essentieel. De benodigde ruimte om deze maximale
afvoeren te kunnen accommoderen, moet gereserveerd worden, mogelijk door
het vestigen van een permanent voorkeursrecht en zo nodig door het verwerven
van strategische grondposities. Voor zowel de Rijn als de Maas moet daar waar
mogelijk al vóór
2050 geanticipeerd worden op de afvoeren die rond 2100verwacht kunnen worden.
92
deltacommissie 2008Rijnmond
Voor het Rijnmondgebied beveelt de commissie aan per direct een ‘afsluitbaar
open’-variant in studie te nemen: bij extreem hoge waterstanden wordt het
gebied afgesloten met beweegbare keringen. Hierdoor wordt veiligheid geboden
maar kunnen tegelijk ook aantrekkelijke woonmilieus (stadsfronten) en natuur
tot ontwikkeling worden gebracht. Voor de ‘afsluitbaar open’ -variant zijn
nodig de Maeslantkering, de Hartelkering en de Haringvlietsluizen (die allemaal
tussen
2050 en 2100 vervangen moeten worden), eventueel aangevuld metandere afsluitbare keringen in Spui, Oude Maas, Dordtse Kil en Merwede.
Zoutindringing via de Nieuwe Waterweg wordt niet langer meer met grote
hoeveelheden rivierwater bestreden. De zoetwatervoorziening voor West-
Nederland komt voornamelijk uit het IJsselmeer en zo mogelijk uit lokale
waterberging. De commissie beveelt aan dit voor
2050 te realiseren. Dezoetwatervoorziening voor het Rijnmondgebied, inclusief mogelijkheden van
innovaties in waterbehandeling, moet in de studie naar de ‘afsluitbaar open’
aanpak worden meegenomen.
IJsselmeergebied
Voor het IJsselmeer kiest de commissie voor een peilstijging van maximaal
1
,5 m. Het belang van de strategische zoetwatervoorraad en van het zo langmogelijk kunnen blijven spuien op de Waddenzee zonder pompen, weegt de
commissie zwaarder dan de nadelen (en extra kosten) van een peilstijging.
Vanaf
2050 is met de verwachte klimaatverandering in extreem droge jaren een‘waterschijf’ in het IJsselmeer nodig van
1,5 m. Grote nadelige effecten voor deveiligheid in de benedenloop van de IJssel en het Zwarte Water ontstaan vanaf
een peilstijging van
1,5 m. Om een zo groot mogelijke flexibiliteit te voorzien,hanteert de commissie daarom
1,5 m als maximum voor de peilstijging.Eventueel kan gekozen worden voor een gefaseerde aanpak, waarbij het streven
wel moet wel zijn om al zoveel mogelijk zoetwatervoorraad beschikbaar te
hebben rond
2050.Het peil in het Markermeer wordt niet verhoogd. Duidelijkheid over het peil
biedt een helder perspectief voor de stedelijke ontwikkeling van Amsterdam
en Almere. Na het inhalen van de achterstand in de veiligheid, hoeven de
(landschappelijk waardevolle) waterkeringen langs de kust van Noord-Holland
niet opnieuw te worden versterkt.
Kosten
Met de uitvoering van het
Deltaprogramma is tot 2050 een bedrag van1,2
à 1,6 miljard euro per jaar gemoeid en voor de periode 2050-2100 eenbedrag van
0,9 à 1,5 miljard euro per jaar. Binnen het Deltaprogrammawordt voor de waterveiligheid zandsuppletie aan de kust toegepast. Als deze
zandsuppletie wordt vergroot om de Hollandse en Zeeuwse Noordzeekust
met bijvoorbeeld
1 km uit te breiden om zo ruimte te scheppen voor functiesals recreatie en natuur, is een aanvullend bedrag nodig van
0,1 à 0,3 miljardeuro per jaar. De hier genoemde bedragen zijn een indicatie. Nieuwe inzichten
kunnen leiden tot bijstelling van de maatregelen en dit kan doorwerken in de
kosten.
samen
werken met water 93Financiering en uitvoering
De Deltacommissie wijst erop dat de maatregelen die zij adviseert de inrichting
en het ruimtegebruik van grote delen van ons land beïnvloeden. De voorstellen
van de commissie zullen op verschillende schaalniveaus consequenties hebben
en daarmee veel functies en belangen raken. Het vergroten van de waterveiligheid
- de bescherming tegen overstromingen en wateroverlast en het
veiligstellen van de zoetwatervoorziening - dwingt tot keuzes in het grondgebruik
en raakt zo de ontwikkelingsmogelijkheden van landbouw en natuur,
stedelijke ontwikkeling, infrastructuur, scheepvaart, havens en andere sectoren
van de economie. Uitvoering van het
Deltaprogramma vereist daarom eenintegrale afstemming met andere facetten van het ruimtelijk beleid zoals
aspecten rond economie, energie, natuur en landschap, enzovoort. De noodzaak
van deze integrale benadering brengt de commissie ertoe aan te dringen
op de instelling van een ministeriële stuurgroep onder leiding van de ministerpresident.
De politieke eindverantwoordelijkheid voor implementatie en
uitvoering van maatregelen blijft belegd bij de bewindspersoon van V&W.
De politiek-bestuurlijke organisatie wordt verder versterkt door de aanstelling
van een Deltaregisseur die als secretaris van de ministeriële stuurgroep
horizontaal én verticaal verbindt. De Deltaregisseur vertaalt de nationale
opgave naar regionale opgaven. De verantwoordelijkheid voor uitwerking
en realisatie van de regionale opgaven wordt over het algemeen belegd bij
regionale bestuurders. In de praktische uitwerking adviseert de commissie om
gebruik te maken van de ervaring en uitvoeringskracht van de waterbeheerders.
Ten slotte stelt de Deltacommissie voor in de Tweede Kamer een (permanente)
Themacommissie voor de Delta in te stellen om de parlementaire controle op
implementatie en uitvoering van het
Deltaprogramma te verzekeren.De maatregelen die de commissie voorstelt, zijn dermate belangrijk voor de
waterveiligheid en zoetwatervoorziening van ons land, dat de financiering ervan
onafhankelijk moet zijn van politieke kortetermijnprioriteiten of economische
conjunctuur. Het advies van de commissie voorziet daarom in de instelling van
een Deltafonds dat gevoed wordt door (een gedeelte van de) aardgasbaten en
langlopende leningen.
De aanbevelingen op politiek- bestuurlijk en financieel gebied die nog niet in
huidige wet- en regelgeving zijn vastgelegd, worden juridisch verankerd in een
nieuwe
Deltawet.De Deltacommissie onderstreept het belang van sterke maatschappelijke
betrokkenheid bij de waterveiligheid van ons land. Alleen als er in de samenleving
– door bewoners en bedrijfsleven – bewust en behoedzaam met het water
wordt omgegaan, kan de noodzakelijke aanpak voor de bescherming tegen
overstromingen en een duurzame zoetwatervoorziening worden gerealiseerd.
Het
Deltaprogramma moet een duurzaam programma zijn, waarbij decommissie duurzaamheid opvat als het streven naar zo efficiënt mogelijk
gebruik van water, energie en andere grondstoffen, zodanig dat de kwaliteit
van de leefomgeving behouden blijft en zelfs wordt verbeterd. De commissie
ziet hiervoor legio kansen; multifunctionaliteit is hierbij een sleutelbegrip. De
biodiversiteit kan opbloeien als er meer ruimte komt voor de dynamiek van
zee en rivieren. In waterbergingsgebieden, op nieuw land of op Deltadijken
94
deltacommissie 2008kunnen (aangepaste) woonmilieus gecreëerd worden. Door het ontwikkelen en
toepassen van duurzame energiebronnen bij of met het water wordt tegelijk de
uitstoot van broeikasgassen teruggedrongen en worden functies gecombineerd.
Een toekomstvast advies
Het advies van de Deltacommissie is een integraal advies dat een heldere
richting wijst, maar het biedt geen kant-en-klare blauwdruk voor hoe
Nederland er over een of twee eeuwen uit zou moeten zien. Het advies is
gebaseerd op de laatste wetenschappelijke inzichten omtrent de gevolgen
van klimaatverandering en verbindt aanbevelingen voor de waterveiligheid
en zoetwatervoorziening aan oplossingen die de ruimtelijke kwaliteit van
Nederland duurzaam versterken.
Het verzekeren van de waterveiligheid vereist een langetermijnbenadering en
een lange adem. De commissie vindt het daarom essentieel dat haar advies
toekomstvast is. Dit wordt bereikt door de combinatie van een flexibel en
deels multifunctioneel pakket aan oplossingsrichtingen voor de inrichting
van Nederland én een stevig pakket aan politiek-bestuurlijke, financiële en
juridische waarborgen.
Een belangrijke onzekerheid voor de toekomst vindt de commissie de mate
van welvaart en de daarmee samenhangende bereidheid om te investeren in
bescherming en kwaliteit van ons land. Om mindere perioden te doorstaan
en het gevaar van niet-investeren te voorkomen, voorziet het advies in de
vorming van een Deltafonds. Daarnaast zijn de politiek-bestuurlijke en
juridische onderdelen van het advies gericht op het vasthouden van de
noodzakelijke aandacht voor het
Deltaprogramma: een stevige rol voor eenministeriële stuurgroep onder leiding van de minister-president, een Deltaregisseur
die horizontaal én verticaal verbindt en tevens verantwoordelijk is
voor de voortgang en samenhang van het proces, sterke verantwoordelijkheden
voor de regio, wettelijke verankering in een
Deltawet en een Themacommissiein de Tweede Kamer. Dit maakt het advies toekomstvast voor onzekerheden
rond politieke, economische en maatschappelijke ontwikkelingen.
Een andere belangrijke factor is de ruimtedruk. Ondanks onzekerheden
in demografische ontwikkelingen is de verwachting van de commissie dat
de ruimtedruk in Nederland groot zal blijven. Nederland zal hoe dan ook
dichtbevolkt zijn en landbouw, energiewinning, waterberging en andere functies
zullen veel ruimte vragen. De oplossingsrichtingen van de commissie hebben een
sterke relatie met de ruimtelijke inrichting. Kustuitbreiding biedt extra ruimte.
Multifunctionele oplossingsrichtingen zoals brede Deltadijken in combinatie
met wonen en infrastructuur zijn gericht op het efficiënt herinrichten van de
ruimte. Waterveiligheid kost ruimte, maar die ruimte komt weer terug en met
meer kwaliteit. Nu alvast ruimte reserveren, is onder alle omstandigheden
belangrijk.
In het advies speelt internationale samenwerking een rol, zeker voor het
rivierengebied. Grensoverschrijdende samenwerking wordt binnen de Europese
Unie terecht steeds meer gemeengoed. Mocht dit in de toekomst toch anders
lopen dan is met het inrichten van het rivierengebied voor
18.000 m3/s voor deRijn en
4.600 m3/s voor de Maas en de strategische zoetwatervoorraad in hetIJsselmeer, het advies ook in dit opzicht toekomstvast.
samen
werken met water 95Het advies loopt niet vooruit op technologische ontwikkelingen, die zeker groot
zullen zijn. Zo zal de ontwikkeling en toepassing van nieuwe materialen de
bouw van nieuwe typen dijken mogelijk maken. Er zullen ongetwijfeld nieuwe
vormen van energie- en voedselproductie mogelijk worden, met consequenties
voor het ruimtegebruik. Door ICT ontstaan nieuwe mogelijkheden voor
het monitoren van risico’s en het informeren en in veiligheid brengen van de
bevolking bij calamiteiten. Dergelijke ontwikkelingen zullen de kwaliteit van de
uitvoering van het advies alleen maar ten goede kunnen komen.
En stel nu dat de zeespiegel stijgt tot
4 m in het jaar 2200, houden de aanbevelingenvan de commissie dan stand? Van belang is dan vooral dat er in de
loop van de komende eeuwen geen maatregelen worden genomen die Nederland
‘klem zetten’. Het advies is ook in dat opzicht toekomstvast: het is mogelijk op
enig moment alsnog een kering in de Westerschelde te plaatsen en de Rijnmond
geheel te sluiten met een sluis, zoals bij IJmuiden. Er zal op enig moment
alsnog voor worden gekozen overtollig water uit het IJsselmeer te pompen
en ook voor het Krammer-Volkerak Zoommeer zijn op de lange termijn alle
beslissingen omkeerbaar. Doorgaande suppleties aan de kust en versterking van
waterkeringen - al dan niet in de vorm van Deltadijken - kunnen ons blijven
beschermen, ook voor een zeespiegelstijging van
4 m. Als na 2100 investeringendoor blijven gaan in de ordegrootte zoals de commissie die voorstelt, blijft ons
land tot in lengte van jaren een veilige plek om te leven.
En nu aan de slag!
Er komt veel op Nederland af, daar mag niemand de ogen niet voor sluiten.
Maar we hebben de middelen, de kennis en de tijd om de uitdagingen op te
pakken en de kansen te grijpen. Dat we de tijd hebben, betekent niet dat we
kunnen afwachten. Met het advies van de Deltacommissie moet Nederland
vanaf vandaag aan de slag: niet alleen aan de kust en langs de rivieren, maar
ook rond het Binnenhof en overal in het land waar politici en bestuurders,
professionals en wetenschappers werken aan de waterveiligheid en de inrichting
van Nederland.
Het advies gaat over de integrale opgave van waterveiligheid en beïnvloedt de
ruimtelijke inrichting van Nederland. Het biedt daarmee een perspectief voor
andere beleidsterreinen en schept voorwaarden voor ontwikkelingen op deze
beleidsterreinen. Het is dan ook vanzelfsprekend dat bij de uitvoering van
het
Deltaprogramma de mogelijkheden om verbindingen te leggen zoveel alsmogelijk benut moeten worden. De commissie denkt hierbij in ieder geval aan
verbinding met het nationaal programma
Adaptatie Ruimte en Klimaat, detoekomst van de Randstad, landschaps- en plattelandsbeleid, het re