Geschiedenis & Actueel! BKE lijsttrekkersdebat Ermelo 8 december 2005: "Project 31 Van kalvergier naar schone energie.  

GROEP HOP ©

Groep Hop wil Nederland verdelen in twee waterschappen Nederland Noord
en Nederland Zuid en de waterschap belastingen afschaffen 

Geef mij de controle over de valuta van een natie en het maakt me niet meer uit wie de wetten maakt
Mayer Amschel Rothschild, 1743 - 1812

Wat Mr. Rothschild had ontdekt was de basisprincipe van macht, invloed en controle over mensen indien toegepast op de economie. Dat principe is 'wanneer je het verschijnsel macht voorwendt, zullen de mensen je die al snel geven'. Het denksysteem van (de elite achter) de overheid is ontwikkeld om de burger in de (eigen) val te laten lopen. De economie werd een systeem dat erop gericht was het onverantwoord handelen van overheden, bedrijfsleven en particulier te stimuleren door de geldkraan wijd open te zetten en het lenen van geld werd en wordt nu op grote schaal als de meest positieve daad allertijden gepredikt.

Wat J. Hop, redacteur van de websites Censuur in Nederland en Groep Hop, vervolgens ontdekte (1) (116) (300) (95) (710) was dat het " rechtersleger" probeert het basisprincipe van macht, invloed en controle over mensen toe te passen op de economie. Door onafhankelijke producerende burgers en bedrijven financieel uit te kleden en/of kapot te maken om als oplossing gesubsidieerde hulpverlening te kunnen blijven verkopen. De elite in Nederland steeds verder te verrijken in overeenstemming met de uitgangsformule op de website Censuur in Nederland en de politieke groepering Groep Hop

 

 

 

 

Groep Hop wil Nederland verdelen in twee waterschappen Nederland Noord
en Nederland Zuid en de waterschap belastingen afschaffen

Geschiedenis. Jan Hop wilde zich als persoon kandidaat stellen voor verkiezingen waterschap maar de waterschapverkiezingen zijn een schijnvertoning geworden waaraan Jan Hop als persoon dan ook niet meer mocht meedoen

Chronologisch overzicht gebeurtenissen

Maandag 14 juli 2008 7:52 Informatieverzoek/kandidaatstelling J. Hop verkiezingen waterschap Veluwe 2008

Thursday, July 17, 2008 3:18 PM Antwoord Waterschap Veluwe op informatieverzoek/kandidaatstelling J. Hop

Thursday, July 17, 2008 7:25 PM Herhaald verzoek Jan Hop om registratie deelname als PERSOON aan de verkiezingen Waterschap Veluwe 2008

"Ik vraag mij af of het dan niet veel slimmer is de verkiezingen voor de waterschappen niet gelijk af te schaffen zodat direct voor iedere burger in Nederland direct duidelijk is dat de gevestigde politieke partijen de baantjes bij het waterschap onderling kunnen verdelen."

 

 

 

 

 

Maandag 14 juli 2008 7:52 Informatieverzoek J. Hop kandidaatstelling verkiezingen waterschap Veluwe 2008


Van: J. Hop [mailto:j.hop3@chello.nl]
Verzonden: maandag 14 juli 2008 7:52
Aan: Verkiezingen
Onderwerp: Informatieverzoek kandidaatstelling verkiezingen waterschap Veluwe 2008

 

Geachte heer/mevrouw, 

Ik overweeg/wil mij, als persoon, kandidaat te stellen voor de verkiezingen Waterschap Veluwe 2008. 

Gaarne ontvang ik informatie over: 

1. De eisen die gesteld worden aan deelname?

2. Alle formulieren die ingevuld moeten worden?

3. Overzicht van belangrijke data?

4. Op welke data en tijd formulieren op welk adres ingeleverd moeten worden?

5. De kosten voor deelname van een persoon aan de verkiezingen waterschap Veluwe 2008?

6. Overzicht nevenfuncties van het huidige bestuur?

7. Andere relevante informatie van belang voor deelname? 

De gevraagde informatie zie ik graag zo spoedig mogelijk, als bijlage per e-mail, tegemoet. 

Met vriendelijke groet,

 

J. Hop 

Joubertstraat 24, 3851 DM Ermelo 


Waterschap Veluwe gebruikt e-mail niet voor het aangaan van
verplichtingen of rechtsbetrekkingen. Aan persoonlijke opvattingen van
medewerkers kunnen geen rechten worden ontleend.



No virus found in this incoming message.
Checked by AVG.
Version: 7.5.524 / Virus Database: 270.4.11/1554 - Release Date: 15-7-2008 18:03  

 

 

Thursday, July 17, 2008 3:18 PM Antwoord Waterschap Veluwe op informatieverzoek/kandidaatstelling J. Hop 

----- Original Message -----

From: Verkiezingen

To: J. Hop

Sent: Thursday, July 17, 2008 3:18 PM

Subject: RE: Informatieverzoek kandidaatstelling verkiezingen waterschap Veluwe 2008  

Geachte heer,mevrouw Hop,  

Wij stellen het zeer op prijs dat u zich kandidaat wilt stellen voor een bestuurszetel bij het waterschap.  

De procedure hiervoor is als volgt:

De kandidaatstelling verloopt via geregistreerde belangengroeperingen.

Om aan de verkiezingen mee te kunnen doen, kunt u zich via een geregistreerde belangengroepering kandidaat stellen.  Hiervoor is eerst de registratie van de belangengroepering nodig. Ook kunt u zich aansluiten bij een reeds bestaande belangengroepering die is geregistreerd/zich wil laten registreren. Registratie kan tot en met 4 augustus 2008. Op 16 september 2008 is de dag van kandidaatstelling. Geregistreerde belanggroeperingen kunnen op die dag de kandidatenlijst indienen.

Uitgebreide informatie over de hele procedure kunt u vinden op de website van het waterschap: http://www.veluwe.nl/verkiezingen_2008/verkiezingen_2008  

Bijgaand treft u een aantal bijlagen aan die de informatie bevatten die u heeft gevraagd.  

Een overzicht van de nevenfuncties van de huidige bestuursleden is in te zien op het waterschapskantoor.  

Indien u nog vragen heeft kunt u bellen met het volgende nummer: 055 5272997  

Met vriendelijke groet,  

Willeke van de Brake

 

Waterschap Veluwe

Afdeling Bestuurlijk en Communicatie

Projectleider verkiezingen

[T] (055) 527 2997

[F] (055) 527 2704
[E]verkiezingen@veluwe.nl
 

 

 

 

Thursday, July 17, 2008 7:25 PM Herhaald verzoek Jan Hop om registratie deelname als PERSOON aan de verkiezingen Waterschap Veluwe 2008

"Ik vraag mij af of het dan niet veel slimmer is de verkiezingen voor de waterschappen niet gelijk af te schaffen zodat direct voor iedere burger in Nederland direct duidelijk is dat de gevestigde politieke partijen de baantjes bij het waterschap onderling kunnen verdelen."

 

----- Original Message -----

From: J. Hop

To: Verkiezingen

Sent: Thursday, July 17, 2008 7:25 PM

Subject: HERHAALD VERZOEK Informatieverzoek kandidaatstelling en registratie kandidaat als persoon voor deelname verkiezingen waterschap Veluwe 2008  

Stembureau Waterschap Veluwe, Postbus 4142, 7320 AC Apeldoorn.

Bureaus Verkiezingen Waterschap Veluwe. 

Onderwerp: Herhaald verzoek registratie kandidaat als persoon en herhaald verzoek om informatie. 

Geachte mevrouw W.E. (Willeke) van de Brake, 

Met verbijstering lees ik in uw bericht dat je als PERSOON WEL kan meedoen aan de verkiezingen gemeenteraad WEL kan meedoen aan de landelijke verkiezingen maar dat je als onafhankelijk burger NIET kan meedoen als PERSOON aan de verkiezingen waterschap Veluwe 2008. 

Ik vraag mij af of deze gang van zaken wel in overeenstemming is met internationale verdragen en regelgeving?

Ik vraag mij af of deze gang van zaken niet in strijd is met het Bupoverdrag?

Ik vraag mij af of het dan niet veel slimmer is de verkiezingen voor de waterschappen niet gelijk af te schaffen zodat direct voor iedere burger in Nederland direct duidelijk is dat de gevestigde politieke partijen de baantjes bij het waterschap onderling kunnen verdelen. 

Indien uw bericht juist blijkt te zijn denk ik dan ook dat het veel slimmer is Nederland te verdelen in twee waterschappen te weten Waterschap Noord en Waterschap Zuid en alle bureaucratie met al die extra bijbaantjes af te schaffen zodat bij en calamiteit maar met twee dijkgraven gecommuniceerd hoeft te worden.  

Beleefd informeer ik u voor de tweede keer (herhaald verzoek) dat ik niet als geregistreerde belangengroepering mee wil doen maar mij als PERSOON verkiesbaar wil stellen. 

Ik stel mij dus wederom (herhaald verzoek) verkiesbaar als PERSOON en doe hierbij een HERHAALD VERZOEK om registratie van mijn deelname ALS PERSOON aan de verkiezingen Waterschap Veluwe. 

Ik verzoek dus om toezending van de procedure en alle benodigde informatie om mij als PERSOON verkiesbaar te stellen. Ik stuur mijn (HERHAALD) VERZOEKEN nu ook per post en met mijn handtekening erop. 

Indien het niet mogelijk is om mij als PERSOON te laten registreren voor de verkiezingen Waterschap Veluwe 2008 dan verzoek ik u een BESLUIT op dit VERZOEK OM REGISTRATIE te nemen met vermelding van de juridisch juiste beroepsmogelijkheden. 

Ik verzoek u mijn verzoek om toezending nevenfuncties bestuurders Waterschap Veluwe DOOR TE STUREN naar het juiste bestuursorgaan dat op mijn VERZOEK een BESLUIT moet nemen. 

Met vriendelijke groet, 

J. Hop

 

Joubertstraat 24, 3851 DM Ermelo

 

 

Een verzoek voor registratie als PERSOON voldoet niet aan de door wetgever gestelde vereisten voor registratie van een belangengroepering waterschapsverkiezingen. Het stembureau Waterschap Veluwe heeft besloten het verzoek niet in behandeling te nemen

 

 

Thursday, July 17, 2008 7:25 PM Herhaald verzoek Jan Hop om registratie deelname als PERSOON aan de verkiezingen Waterschap Veluwe 2008

"Ik vraag mij af of het dan niet veel slimmer is de verkiezingen voor de waterschappen niet gelijk af te schaffen zodat direct voor iedere burger in Nederland direct duidelijk is dat de gevestigde politieke partijen de baantjes bij het waterschap onderling kunnen verdelen."

 

 

 

 

Bij de samenstelling van de Deltacommissie is bewust gezocht naar mensen uit verschillende vakgebieden zoals klimaat, ruimtelijke ordening, bouw en bestuur.

Voorzitter: Cees Veerman
Secretaris: Bart Parmet

Leden

Andries Heidema (burgemeester Deventer)
Ineke Bakker (voormalig DG RO nu Jeugdzorg Rotterdam),
Jaap van Duijn (hoogleraar economie, voormalig directeur Robeco),
Koos van Oord (ondernemer: baggeraar),
Louise Fresco (hoogleraar grondslagen van duurzame ontwikkeling in internationaal perspectief),
Marcel Stive (hoogleraar kustwaterbouwkunde),
Pavel Kabat (hoogleraar klimaathydrologie),
Tracy Metz (landschapsarchitecte, journaliste).

 

 

Cees Veerman

De huidige functie van Prof.dr. C.P. Veerman is bijzonder hoogleraar duurzame plattelandsontwikkeling in Europees perspectief aan de Wageningen Universiteit en Researchcentrum en de Universiteit van Tilburg.

Loopbaan

Veerman is onder meer:

 

Bart Parmet

Ir. B.W.A.H. Parmet (1966) is secretaris van de Deltacommissie. In die functie is hij verantwoordelijk voor de dagelijkse aansturing van het zevenkoppige secretariaat.

Verantwoordelijk voor

Loopbaan

 

 

ir. A.P. Andries Heidema, burgemeester gemeente Deventer en welke (bestuurlijke) nevenfuncties heeft de burgemeester?
Worden de (bestuurlijke) nevenfuncties van de burgemeester geweigerd? Indien ja, waarom dan?
(710) Iedere burgemeester behoort te weten dat in Nederland burgers door het rechtersleger worden genaaid zonder aanklacht op schrift en de burger krijgt geen (compleet) procesdossier!
NEVENFUNCTIES

Naam

Portefeuille

Algemeen bestuurlijke aangelegenheden,
Openbare Orde en Veiligheid,

coördinatie Grote Stedenbeleid,

coördinatie Wijkaanpak, Communicatie,

Regio Stedendriehoek,

Internationale betrekkingen,

wijkwethouder wijk 6 en 7 (Diepenveen, Schalkhaar, Lettele, Okkenbroek, Bathmen)

 

Benoemingen en nevenfuncties voortvloeiend uit de hoofdfunctie

Voorzitter Regio Stedendriehoek

Lid Comité EPD Oost-Nederland (EFRO, vanuit Stedendriehoek)

Plaatsvervangend Korpsbeheerder Politieregio IJsselland

Lid (plaatsvervangend voorzitter) van het Regionaal College Politieregio IJsselland

Lid (plaatsvervangend) van het Bestuur i.o. Veiligheidsregio IJsselland

Lid van het Dagelijks Bestuur Regio IJssel-Vecht

Voorzitter Overleg van Nederlandse Hanzesteden 

Lid Hansekommission (= DB v.h. Internationale Hanzeverbond) 

Lid Regiegroep Grote Stedenbeleid Overijssel

Lid Plenair Bestuurlijk Overleg van de G27

 

Overige benoemingen en functies, verbonden aan de hoofdfunctie

Lid Raad van Commissarissen NV Bergkwartier

Voorzitter Stichting Affiliatie

Lid van het Algemeen Bestuur Vereniging tot Beoefening van het Overijsselsch Reght en Geschiedenis

Lid Comité van Aanbeveling Nationaal Fonds Kinderhulp

Lid Comité van Aanbeveling Deventer Sportploeg

Lid Board of Ambassadors van het Orkest van het Oosten

Lid Nieuw Deventer Circuit

Lid Comité van Aanbeveling Restauratie Lebuïnuskerk

Lid Comité van Aanbeveling  Geert Groote Huis

 

Andersoortige nevenfuncties (niet verbonden aan het ambt)

Voorzitter Vereniging Stadswerk (2006), (reiskostenvergoeding)

Lid Commissie In Axis (2006), (reiskostenvergoeding)

Lid Deltacommissie (staatscommissie duurzame kustontwikkeling), (oktober 2007),

(vergoeding)

Lid Regieraad Bouw Oost Nederland, (najaar 2008), reiskostenvergoeding)

 

 

 

B&W

 

Ir. A.P. Heidema  

Burgemeester 

Nevenfunctie(s)  

Voorzitter Regio Stedendriehoek 

Lid Comité EPD Oost-Nederland (Efro, vanuit Stedendriehoek) 

Plaatsvervangend Korpsbeheerder Politieregio IJsselland

Lid (plaatsvervangend voorzitter) van het Regionaal College Politieregio IJsselland

Lid (plaatsvervangend) van het Bestuur i.o. Veiligheidsregio IJsselland

Lid van het Dagelijks Bestuur Regio IJssel-Vecht

Voorzitter Overleg van Nederlandse Hanzesteden 

Lid Hansekommission (= DB v.h. Internationale Hanzeverbond) 

Lid Regiegroep Grote Stedenbeleid Overijssel

Lid Plenair Bestuurlijk Overleg van de G27

Lid Raad van Commissarissen NV Bergkwartier

Voorzitter Stichting Affiliatie

Lid van het Algemeen Bestuur Vereniging tot Beoefening van het Overijsselsch Reght en Geschiedenis

Lid Comité van Aanbeveling Nationaal Fonds Kinderhulp

Lid Comité van Aanbeveling Deventer Sportploeg

Lid Board of Ambassadors van het Orkest van het Oosten

Lid Nieuw Deventer Circuit

Lid Comité van Aanbeveling Restauratie Lebuïnuskerk

Lid Comité van Aanbeveling  Geert Groote Huis

Voorzitter Vereniging Stadswerk (2006)

Lid Commissie In Axis (2006)

Lid Deltacommissie (staatscommissie duurzame kustontwikkeling)

Lid Regieraad Bouw Oost Nederland, (najaar 2008)

NEVENFUNCTIES GELINKT AAN "JEUGDZORG" en/of ELEKTRONISCH KINDDOSSIER?
?

Andries Heidema

Ir. A.P. Heidema is geboren in Haren (provincie Groningen). Hij studeerde af aan de Landbouwuniversiteit Wageningen, afstudeerrichting Cultuurtechniek.

Loopbaan:

Heidema is onder meer:

 

 

 

 

 

 

 

Ineke Bakker

Ir. Ineke M. Bakker (1952) studeerde aan de Landbouw Universiteit Wageningen met als afstudeerrichting Tuin- en Landschapsarchitectuur

Loopbaan

 

Jaap van Duijn

Dr. J.J. van Duijn (1943) studeerde economie aan de Nederlandsche Economische Hogeschool (drs. 1968, cum laude) en de University of Illinois in Champaign-Urbana (Ph.D. 1972).

Loopbaan:

Van Duijn is onder meer:

Jaap van Duijn is de auteur van honderden artikelen en acht boeken over economie en beleggen. Zijn laatstverschenen boeken zijn Met gemak betrouwbaar beleggen het verhaal van Robeco (Walburg Pers, 2005) en De groei voorbij (De Bezige Bij, 2007). Van dit laatste boek is inmiddels een derde druk verschenen.

 

Louise Fresco

Prof.dr. ir. L.O. Fresco is sinds 1 juni 2006 universiteitshoogleraar aan de Universiteit van Amsterdam met als aandachtsgebied de grondslagen van duurzame ontwikkeling in internationaal perspectief.

Loopbaan

Fresco is onder meer:

Louise Fresco hield in het najaar van 2006 de Duisenberg Lecture in Singapore. De lezing is gepubliceerd onder de titel Biomass for food or fuel: Is there a dilemma? Louise Fresco heeft een indrukwekkende lijst wetenschappelijke publicaties op haar naam staan. Ook buiten de wetenschap publiceert Fresco. Zij schreef columns in de onderwijs- en wetenschapbijlagen van NRC Handelsblad en literaire kritieken in Het Parool en Vrij Nederland. Bij uitgeverij Prometheus verschenen van haar hand drie romans, een bundel essays en het essay Schaduwdenkers en Lichtzoekers (Huizinga-lezing 1998).

 

 

Koos van Oord

Ing. Jac. G. (Koos) van Oord MBA.

Loopbaan:

Van Oord is onder meer:

Sinds 2001 actief met Van Oord BV in Dubai en heeft onder andere het eiland Palm Jumeirah aangelegd. Momenteel is Van Oord bezig met de uitvoering van The World, een groep van opgespoten eilanden in de vorm van de wereldkaart.

 

 

Marcel Stive

Prof.dr. ir. M.J.F. Stive behaalde zijn ingenieursdiploma Civiele Techniek in 1977 en zijn doctorstitel in 1988, beiden aan de Technische Universiteit Delft.

Loopbaan

Stive is onder meer:

 

 

Pavel Kabat

The current position of Prof.dr. P. Kabat (1958) is Full Professor and Chair Holder Earth System Science and Climate, Chair Board of the Wageningen Climate Centre (CCB); Science Director and Council Chair, Dutch National Climate Research Programme.

Expertise:

Scientific positions:

Other relevant positions:

 

 

Tracy Metz

Schrijfster en journaliste Tracy Metz is redacteur in deeltijd bij NRC Handelsblad, gastonderzoeker bij het Ruimtelijk Planbureau en lid van de Raad voor het Landelijk Gebied, het adviesorgaan van het ministerie van LNV.

Loopbaan:

Tracy Metz komt oorspronkelijk uit Californië. Zij schrijft over architectuur, stedenbouw en landschap, zowel in Nederland als in de Verenigde Staten, onder andere als internationale correspondent voor Architectural Record. Zij is auteur van een aantal boeken, waaronder PRET! Leisure en Landschap, over de invloed van onze vrije tijd op onze omgeving en Nieuwe natuur, een reportage over veranderend landschap. De nieuwe kaart, Atlas van Nederland in 2005, Op de grond, observaties vanuit Harvard.

 

 

 

 

SAMEN WERKEN MET WATER 9

De opdracht…

De Deltacommissie is door de regering gevraagd advies uit te brengen over de

bescherming van Nederland tegen de gevolgen van klimaatverandering. Daarbij

gaat het om de vraag hoe Nederland zo ingericht kan worden dat het ook op

de zeer lange termijn klimaatbestendig is, veilig tegen overstromingen, en een

aantrekkelijke plaats is en blijft om te leven; wonen, werken, recreëren en

investeren.

…en de invulling

Daarbij was de vraag breder te kijken dan naar (water)veiligheid alleen. In

de visie is daarom ook gelet op samenhang met wonen en werken, landbouw,

natuur, recreatie, landschap, infrastructuur en energie. Veiligheid en duurzaamheid

zijn de twee pijlers voor de strategie van de komende eeuwen. Naast

bescherming tegen het water, benadrukt en benoemt het advies de kansen voor

de Nederlandse samenleving.

Waterveiligheid

In het advies speelt ‘waterveiligheid’ een cruciale rol. Hierbij gaat het om de

bescherming tegen overstromingen en het veiligstellen van de zoetwatervoorziening.

Het zekerstellen van waterveiligheid voorkomt slachtoffers en

maatschappelijke ontwrichting, het voorkomt schade aan economie, landschap,

natuur, cultuur en reputatie.

Het advies gaat ervan uit dat een veilig Nederland een collectief maatschappelijk

belang is waarvoor de overheid verantwoordelijkheid neemt en blijft nemen.

Het veiligheidsniveau moet tenminste een factor 10 hoger dan het huidige

niveau.

Duurzame kansen

De aanbevelingen van de commissie leggen de nadruk op het kunnen meeontwikkelen

met klimaatverandering en andere ecologische processen, ze zijn

kosteneffectief en hebben een maatschappelijke meerwaarde. De aanbevelingen

zijn fl exibel en geleidelijk te realiseren en bevatten handelingsperspectief voor

de korte termijn. Met de uitvoering ervan is Nederland in staat de effecten

van klimaatverandering beter op te vangen en nieuwe kansen te creëren. De

voorgestelde ingrepen in het advies moeten duurzaam zijn: bij de uitvoering

ervan moet effi ciënt gebruik worden gemaakt van water, energie en andere

grondstoffen, zodanig dat de kwaliteit van de leefomgeving niet alleen

behouden blijft maar zelfs wordt verbeterd.

Uitvoering: het Deltaprogramma

Voor de uitvoering van het advies voor een klimaatbestendige inrichting

van Nederland heeft de Deltacommissie het Deltaprogramma opgesteld. Dit

programma wordt fi nancieel (Deltafonds) en politiek-bestuurlijk verankerd in

een vernieuwde Deltawet.

Samenvatting

10 DELTACOMMISSIE 2008

De opgave is urgent

De urgentie (voor uitvoering) van het advies is groot. Nederland heeft een

achterstand in te lopen omdat niet wordt voldaan aan de huidige geldende

normen. Bovendien zijn de normen achterhaald en moeten naar boven

worden bijgesteld. Daarnaast verandert het klimaat snel, stijgt de zeespiegel

waarschijnlijk sneller dan aangenomen en neemt de (extreme) variatie in

rivierafvoeren naar verwachting toe. Het economisch, maatschappelijk en

natuurlijk belang van Nederland is groot en groeit verder; een dijkdoorbraak

heeft zeer ontwrichtende gevolgen voor heel Nederland.

De Deltacommissie meent dat er rekening moet worden gehouden met een

zeespiegelstijging van 0,65 tot 1,30 meter in 2100 en van 2 tot 4 meter in

2200. Het effect van bodemdaling is hierin meegenomen. Deze waarden

vertegenwoordigen de mogelijke bovengrenzen; het is verstandig om hiermee

rekening te houden, zodat de besluiten die worden genomen en de maatregelen

die worden getroffen voor lange tijd houdbaar zijn tegen de achtergrond van

wat Nederland mogelijk te wachten staat.

De temperatuurstijging en veranderende luchtcirculatie leiden voor de Rijn

en de Maas tot afnemende zomer- en toenemende winterafvoeren. Voor de

maximale afvoer van de Rijn moet rond 2100 rekening worden gehouden met

ongeveer 18.000 m3/s. Voor de Maas komt dit op ongeveer 4.600 m3/s (huidige

maatgevende afvoeren zijn respectievelijk: 16.000 m3/s en 3.800 m3/s).

Een stijgende zeespiegel, afnemende rivierafvoeren in de zomer, langduriger

droogteperioden en indringend zout water via de rivieren en het grondwater

zetten de zoetwatervoorziening van het land onder druk. Dit leidt tot

schadelijke gevolgen voor de drinkwater-voorziening, landbouw, scheepvaart

en (koel)water gerelateerde economische sectoren.

Wetenschappelijke basis

De Deltacommissie heeft zich wetenschappelijk laten adviseren op een aantal

aspecten die mede de basis hebben gevormd van het advies. In hoofdlijn zijn

dit de bevindingen van een groep van (inter)nationale deskundigen (onder

andere) uit het IPCC-circuit en die van Nederlandse experts op het gebied van

waterveiligheid en -beheer. De groep (inter)nationale deskundigen heeft de

laatste inzichten over klimaatscenario’s aangevuld en heeft nieuwe schattingen

van de extremen gegeven.

SAMEN WERKEN MET WATER 11

Kosten

Met de uitvoering van het Deltaprogramma is tot 2050 een bedrag van

1,2 à 1,6 miljard euro per jaar gemoeid en voor de periode 2050-2100 een

bedrag van 0,9 à 1,5 miljard euro per jaar. Binnen het Deltaprogramma

wordt voor de waterveiligheid zandsuppletie aan de kust toegepast. Als deze

zandsuppletie wordt vergroot om de Hollandse en Zeeuwse Noordzeekust met

bijvoorbeeld 1 km uit te breiden om zo ruimte te scheppen voor functies als

recreatie en natuur, is een aanvullend bedrag nodig van 0,1 à 0,3 miljard euro

per jaar.

Bedragen zijn uitgedrukt in prijspeil 2007 en zijn inclusief BTW.

Twaalf aanbevelingen voor de toekomst

De Deltacommissie heeft een toekomstvisie ontwikkeld die reikt tot na 2100.

Op zo’n lange termijn is deze afhankelijk van de nationale, Europese en

mondiale ontwikkelingen. Op de korte en middellange termijn ontkomen we

niet aan het doen van concrete aanbevelingen, omdat actie nu noodzakelijk is

voor het verhogen van het veiligheidsniveau. De Deltacommissie heeft daarom

twaalf aanbevelingen voor de korte en middellange termijn geformuleerd die

hier in sterk verkorte versie zijn opgenomen.

Indicatie extra kosten per jaar

[miljard euro]

Periode Gemiddeld

2010 - 2050 2050 - 2100 2010 - 2100

Deltaprogramma 1,2 tot 1,6 0,9 tot 1,5 1,0 tot 1,5

Deltaprogramma, met extra ruimte

aan de kust voor andere functies

1,3 tot 1,9 1,2 tot 1,8 1,2 tot 1,8

12 DELTACOMMISSIE 2008

Twaalf aanbevelingen voor de toekomst

Aanbeveling 1

Veiligheidsniveau

Aanbeveling 2

Nieuwbouwplannen

Aanbeveling 3

Buitendijkse gebieden

Aanbeveling 4

Noordzeekust

Aanbeveling 5

Waddengebied

Aanbeveling 6

Zuidwestelijke delta:

Oosterschelde

Aanbeveling 7

Zuidwestelijke delta:

Westerschelde

Aanbeveling 8

Zuidwestelijke delta:

Krammer–Volkerak Zoommeer

De huidige veiligheidsniveaus van alle dijkringen moeten met een factor 10 verbeterd worden.

Hiertoe moeten de normen zo snel mogelijk (2013) worden vastgesteld. Daar waar meer

veiligheid gewenst is, is het concept van de Deltadijk veelbelovend (deze dijken zijn of zo hoog,

of zo breed of zo sterk dat de kans op een plotselinge en oncontroleerbare overstroming vrijwel

nihil is). Gelet op specifieke of plaatselijke omstandigheden is maatwerk hierbij het devies.

Maatregelen voor de verhoging van het veiligheidsniveau moeten voor 2050 zijn gerealiseerd.

De veiligheidsniveaus moeten met regelmaat geactualiseerd worden.

De keuze van wel of geen nieuwbouw op fysisch ongunstige locaties moet gebaseerd zijn op

een kosten-batenanalyse. Hierin moeten huidige en toekomstige kosten voor alle partijen zijn

berekend. De kosten als gevolg van lokale besluiten moeten niet op een andere bestuurslaag of

de samenleving als geheel worden afgewenteld, maar gedragen worden door degenen die ervan

profiteren.

Nieuwe ontwikkelingen in buitendijkse gebieden mogen de afvoercapaciteit van de rivier

en toekomstige peilopzet van meren niet belemmeren. Bewoners/gebruikers zijn zelf

verantwoordelijk voor het treffen van gevolgbeperkende maatregelen. De overheid heeft een

faciliterende rol op het gebied van voorlichten, informeren en waarschuwen.

Bouwen met de natuur. Voor de kust van Zeeland, Holland en de Waddeneilanden wordt de

kustveiligheid op orde gehouden door het suppleren van zand, eventueel met verlegging van de

stroomgeulen. De suppleties moeten zodanig worden uitgevoerd dat de kust de komende eeuw

kan aangroeien. Dit levert grote maatschappelijke meerwaarde op.

Op korte termijn moeten zandwinlocaties gereserveerd worden. Ook moet onderzocht worden

hoe deze grote volumes ecologisch, economisch en energetisch zo efficiënt mogelijk kunnen

worden gesuppleerd.

Blijven suppleren - afhankelijk van de zeespiegelstijging met meer of minder zand.

De zandsuppleties langs de Noordzeekust dragen bij aan het meegroeien van het Waddengebied.

Het voortbestaan van de Waddenzee zoals wij die nu kennen, is echter niet

vanzelfsprekend. De ontwikkelingen moeten in internationale context worden geobserveerd en

geanalyseerd.

De bescherming van de eilandpolders en de kust van Noord-Nederland moet gewaarborgd

blijven.

De Oosterscheldekering voldoet aan de eisen. Het nadeel van de kering is de beperking van

de getijdenwerking en het verlies van intergetijdengebieden. Met zandsuppleties van buiten

(bijvoorbeeld uit de Voordelta) wordt dit bestreden.

De levensduur van de Oosterscheldekering wordt verlengd. Dit is mogelijk tot het niveau van een

zeespiegelstijging van ongeveer 1 m (op zijn vroegst rond 2075). Als de Oosterscheldekering

niet meer voldoet, wordt naar een oplossing voor de veiligheid gezocht waarbij de

getijdendynamiek in de Oosterschelde grotendeels wordt teruggebracht.

Deze moet open blijven om het waardevolle estuarium en de vaarroute naar Antwerpen te

behouden. Veiligheid moet op peil worden gehouden door dijkversterking.

Het Krammer-Volkerak Zoommeer samen met de Grevelingen en eventueel de Oosterschelde

inrichten voor de tijdelijke berging van het overtollig rivierwater van Rijn en Maas.

Een zoet-zoutgradiënt (een natuurlijke overgang tussen zoet en zout water) voor dit gebied

is een goede oplossing voor het waterkwaliteitsprobleem en kan nieuwe ecologische kansen

bieden. In dat geval moet er een alternatieve zoetwatervoorziening komen.

Tot 2050

Na 2050

Tot 2050

Na 2050

Tot 2050

Na 2050

Tot 2050

SAMEN WERKEN MET WATER 13

De programma’s Ruimte voor de Rivier en Maaswerken moeten snel worden uitgevoerd.

Daar waar dit kosteneffectief is, moeten nu al maatregelen worden genomen voor afvoeren van

18.000 m3/s voor de Rijn en 4.600 m3/s voor de Maas. In dit licht is het noodzakelijk overleg

te voeren met de buurlanden in het kader van de EU-richtlijn Overstromingsrisico’s zodat

maatregelen op elkaar kunnen worden afgestemd. Ook moet ruimte worden gereserveerd

en zonodig gronden worden aangekocht zodat het riviersysteem in staat is de 18.000 m3/s

Rijnwater en 4.600 m3/s Maaswater veilig te kunnen afvoeren.

Voltooiing van maatregelen zodat de Rijn 18.000 m3/s en de Maas 4.600 m3/s kunnen

verwerken.

Een ‘afsluitbaar open’ Rijnmond biedt goede vooruitzichten voor de combinatie van de functies

veiligheid, zoetwatervoorziening, stedelijke ontwikkeling en natuur. De extreme afvoeren van de

Rijn en Maas moeten dan via de Zuidwestelijke delta worden afgevoerd.

Het water voor West-Nederland moet via het IJsselmeer worden aangevoerd. De infrastructuur

hiervoor moet worden aangepast. Er moet ruimte komen voor lokale berging in diepe droogmakerijen.

Nader onderzoek naar de ‘afsluitbaar open’ Rijnmond moet op korte termijn starten.

Het peil van het IJsselmeer wordt met maximaal 1,5 m verhoogd. Daarmee kan tot na 2100

onder vrij verval worden gespuid op de Waddenzee. Het peil van het Markermeer wordt

niet verhoogd. Het IJsselmeer behoudt zijn strategische functie als zoetwaterreservoir voor

Noord-Nederland, Noord-Holland en, vanwege de dieper indringende zouttong in de Nieuwe

Waterweg, voor West-Nederland.

Uitvoer van de maatregelen om de peilstijging te realiseren, kan geleidelijk gebeuren. Gestreefd

moet worden naar een zo groot mogelijke zoetwatervoorraad rond 2050. Onderzocht moet

worden welke maatregelen nodig zijn om de inrichting van de benedenloop van de IJssel en het

Zwarte Water aan te passen aan een verhoging van het IJsselmeerpeil met 1,5 m.

Afhankelijk van de gefaseerde aanpak zijn nog maatregelen nodig om tot een peilstijging van

1,5 m te komen.

1. De politiek-bestuurlijke organisatie voor onze waterveiligheid dient te worden versterkt door:

~ te voorzien in een verbindende nationale regie en regionale verantwoordelijkheid voor de

uitvoering (ministeriële stuurgroep met MP als voorzitter, V&W-bewindspersoon politiek

verantwoordelijk, de deltaregisseur voor samenhang en voortgang, regionale bestuurders

voor invulling en realisatie van de (afzonderlijke) regionale opgaven);

~ in de Tweede Kamer een permanente Themacommissie in te stellen.

2. De financiële middelen dienen zeker te worden gesteld door:

~ een Deltafonds op te richten onder beheer van de minister van Financiën;

~ het Deltafonds te voeden met een combinatie van lenen, en storting van (een gedeelte van

de) aardgasbaten;

~ als Rijk financiële middelen ter beschikking te stellen, en regels op te stellen voor

onttrekking van financiële middelen uit het fonds.

3. Een Deltawet moet de politiek-bestuurlijke organisatie en de zekerstelling van financiën

verankeren binnen het huidige staatsbestel en de huidige wet- en regelgeving.

Hierin moet in ieder geval worden opgenomen het Deltafonds en de voeding ervan; taken

en bevoegdheden van de Deltaregisseur; de bepaling dat een Deltaprogramma zal worden

opgesteld; regelingen voor strategische grondverwerving, schadevergoeding voor nadelen

en onttrekking geldelijke voordelen die ontstaan door realisatie van maatregelen uit het

Deltaprogramma.

Aanbeveling 9

Rivierengebied

Aanbeveling 10

Rijnmond

Aanbeveling 11

IJsselmeergebied

Aanbeveling 12

Politiek-bestuurlijk,

juridisch en fi nancieel

Tot 2050

2050 - 2100

Tot 2050

Tot 2050

Na 2050

 

 

 

 

Samen werken

met water

Een land dat leeft, bouwt aan zijn toekomst

Bevindingen van de Deltacommissie 2008

Fragment uit: Het Sterreschip

door Ida Gerhardt

Verzamelde Gedichten II

Athenaeum-Polak & van Gennep

Amsterdam 1992

De ondertitel van het advies is

ontleend aan de spreuk op het

monument op de Afsluitdijk

samen werken met water 1

Aan de watergang amoonmmaae tn t zd evide ej esrnmt h gaatorminlojeeitdnnleie gnshnetge nrebto n ivovj aemt nmre gm gohzeoenbiotgjdoroneeergn ne,gen,nr,o,nden

bBbmazilldajiiiengjjjmff vdi eiikoenkko wm rzhnzieeaeejtrtngae g hlrvaide endht rg ibeewnetmon nahgw dtevaaeb elrbtrre eteensarwkp, lreaaeearnker.endn.e,n;

2 deltacommissie 2008

Uit: Het Sterreschip

door Ida Gerhardt

Verzamelde Gedichten II

Athenaeum-Polak & van Gennep

Amsterdam 1992

De ondertitel van het advies is

ontleend aan de spreuk op het

monument op de Afsluitdijk

samen werken met water 3

Samen werken

met water

Een land dat leeft, bouwt aan zijn toekomst

Bevindingen van de Deltacommissie 2008

4 deltacommissie 2008

Uit: Het Sterreschip

door Ida Gerhardt

Verzamelde Gedichten II

Athenaeum-Polak & van Gennep

Amsterdam 1992

De ondertitel van het advies is

ontleend aan de spreuk op het

monument op de Afsluitdijk

Aan de watergang geboren,

aan de grote stroom getogen,

met verholen het vermogen,

om zijn tijdingen te horen,

om de maningen van zijn gronden

Na te stamelen bij monde.

samen werken met water 5

Zonder water zou Nederland ondenkbaar zijn. Juist alle inspanningen die de

bewoners van onze delta door de eeuwen heen en tot op de dag van vandaag

hebben geleverd om zich aan de zee en rivieren te ontworstelen, zijn bepalend

geweest voor het aanzien dat ons land gekregen heeft. Aan de monding van vier

grote, bevaarbare rivieren met toegang tot alle wereldzeeën, wordt ons land in

veel opzichten door het water gedragen. Dit geldt voor natuur en landschap,

voor welvaart en economie, voor de wijze waarop ons land bestuurd wordt

(waterschappen en poldermodel): de zee en de rivieren hebben onze identiteit

en het land vorm gegeven.

De ramp van februari 1953 staat in ons recente collectieve geheugen gegrift;

nog diezelfde maand installeerde de minister van Verkeer en Waterstaat (V&W)

een commissie die de vraag moest beantwoorden ‘welke waterstaatstechnische

voorzieningen dienen te worden getroffen met betrekking tot de door de stormvloed

[…] geteisterde gebieden, waarbij in het onderzoek ware te betrekken

de vraag of een afsluiting van de zeearmen zulk een voorziening behoort te

vormen’.1 Het advies van deze eerste Deltacommissie heeft het zuidwesten van

Nederland ingrijpend van aanzien veranderd en de veiligheid duurzaam zeker

gesteld. De uitvoering van de ‘eerste’ Deltawerken heeft daarmee een solide

basis gelegd waarop we in dit advies dankbaar kunnen voortbouwen. Ook

in de verdediging van de Hollandse kust en de Waddenkust en de bedijking

van de rivieren is de afgelopen decennia fors geïnvesteerd. Met de aanpak van

de zogeheten ‘zwakke schakels’ van de kustverdediging en de programma’s

Maaswerken en Ruimte voor de Rivier wordt hier de komende jaren nog verder

aan gewerkt.

Een nieuwe Deltacommissie

Nu dringt de klimaatverandering zich op als een nieuwe, niet te negeren,

realiteit. De voorspelde stijging van de zeespiegel en de grotere variatie in

rivierafvoeren dwingen ons ver vooruit te kijken, de blik te verruimen en te

anticiperen op ontwikkelingen in de verdere toekomst. Daarom heeft het

kabinet een ‘nieuwe Deltacommissie’ ingesteld, de commissie Duurzame

Kustontwikkeling, met de opdracht zich te buigen over de bescherming van

de Nederlandse kust en het achterland op de lange termijn.

Onze opdracht is breder dan die van onze voorgangers in de eerste Deltacommissie.

Toen ging het eerst en vooral om ‘waterstaatstechnische

voorzieningen’ die een acute dreiging moesten keren. Voor ons als tweede

Deltacommissie is de dreiging niet acuut, maar de opgave wel urgent. Er is

geen enkele reden voor paniek, maar we moeten ons wel zorgen maken over

de toekomst. Om goed voorbereid te zijn op de verwachte klimaatverandering,

moeten we onze waterkeringen versterken en de inrichting van ons land

Voorwoord

Kust ter hoogte van Ter Heijde

6 deltacommissie 2008

samen werken met water 7

aanpassen, zowel in fysieke als bestuurlijke zin. De opdracht waarvoor onze

commissie is geplaatst, is daarmee bijzonder: ons is een advies gevraagd,

niet omdat er een ramp is gebeurd, maar om te vermijden dat we ooit in een

bedreigende situatie zullen komen. Bijzonder is ook het karakter van het

gevraagde advies: het gaat om een integrale visie, waarmee we als Nederland

eeuwen vooruit moeten kunnen.

Wezenlijk is daarbij dat de uitdagingen waar Nederland de komende eeuwen

voor staat niet in de eerste plaats het karakter hebben van een bedreiging, maar

juist ook nieuwe perspectieven bieden. Het aanpassen van de inrichting van ons

land aan de gevolgen van klimaatverandering schept nieuwe mogelijkheden

en het werken met water biedt uitgelezen kansen voor innovatieve ideeën en

toepassingen. Waar water is, kan nieuwe natuur tot leven komen. Water trekt

mensen: aan of op het water willen we graag wonen en recreëren. Met water

kan voedsel worden voortgebracht en energie worden opgewekt. Waterkeringen

kunnen als transportassen worden ingericht.

Het land waar we willen leven

De fundamentele vraag die in dit rapport centraal staat is: hoe kunnen we

ervoor zorgen dat ons land nog voor vele toekomstige generaties een aantrekkelijke

plaats blijft om te wonen en te werken, te investeren en te recreëren?

Dit advies schept voorwaarden om die gewenste toekomst werkelijkheid te

laten worden. Met het realiseren van die voorwaarden kunnen we, wat de

Deltacommissie betreft, vanaf vandaag met woord en daad aan de slag.

Immers: ‘een land dat leeft, bouwt aan zijn toekomst’.

Prof. Dr. C.P. Veerman,

Voorzitter van de Deltacommissie

1. Rapport Deltacommissie. Eindverslag en

interimadviezen. Deel 1, blz. 15 (1960)

Flevopolder ter hoogte van Lelystad

8 deltacommissie 2008

samen werken met water 9

De opdracht…

De Deltacommissie is door de regering gevraagd advies uit te brengen over de

bescherming van Nederland tegen de gevolgen van klimaatverandering. Daarbij

gaat het om de vraag hoe Nederland zo ingericht kan worden dat het ook op

de zeer lange termijn klimaatbestendig is, veilig tegen overstromingen, en een

aantrekkelijke plaats is en blijft om te leven; wonen, werken, recreëren en

investeren.

…en de invulling

Daarbij was de vraag breder te kijken dan naar (water)veiligheid alleen. In

de visie is daarom ook gelet op samenhang met wonen en werken, landbouw,

natuur, recreatie, landschap, infrastructuur en energie. Veiligheid en duurzaamheid

zijn de twee pijlers voor de strategie van de komende eeuwen. Naast

bescherming tegen het water, benadrukt en benoemt het advies de kansen voor

de Nederlandse samenleving.

Waterveiligheid

In het advies speelt ‘waterveiligheid’ een cruciale rol. Hierbij gaat het om de

bescherming tegen overstromingen en het veiligstellen van de zoetwatervoorziening.

Het zekerstellen van waterveiligheid voorkomt slachtoffers en

maatschappelijke ontwrichting, het voorkomt schade aan economie, landschap,

natuur, cultuur en reputatie.

Het advies gaat ervan uit dat een veilig Nederland een collectief maatschappelijk

belang is waarvoor de overheid verantwoordelijkheid neemt en blijft nemen.

Het veiligheidsniveau moet tenminste een factor 10 hoger dan het huidige

niveau.

Duurzame kansen

De aanbevelingen van de commissie leggen de nadruk op het kunnen meeontwikkelen

met klimaatverandering en andere ecologische processen, ze zijn

kosteneffectief en hebben een maatschappelijke meerwaarde. De aanbevelingen

zijn flexibel en geleidelijk te realiseren en bevatten handelingsperspectief voor

de korte termijn. Met de uitvoering ervan is Nederland in staat de effecten

van klimaatverandering beter op te vangen en nieuwe kansen te creëren. De

voorgestelde ingrepen in het advies moeten duurzaam zijn: bij de uitvoering

ervan moet efficiënt gebruik worden gemaakt van water, energie en andere

grondstoffen, zodanig dat de kwaliteit van de leefomgeving niet alleen

behouden blijft maar zelfs wordt verbeterd.

Uitvoering: het Deltaprogramma

Voor de uitvoering van het advies voor een klimaatbestendige inrichting

van Nederland heeft de Deltacommissie het Deltaprogramma opgesteld. Dit

programma wordt financieel (Deltafonds) en politiek-bestuurlijk verankerd in

een vernieuwde Deltawet.

Samenvatting

10 deltacommissie 2008

De opgave is urgent

De urgentie (voor uitvoering) van het advies is groot. Nederland heeft een

achterstand in te lopen omdat niet wordt voldaan aan de huidige geldende

normen. Bovendien zijn de normen achterhaald en moeten naar boven

worden bijgesteld. Daarnaast verandert het klimaat snel, stijgt de zeespiegel

waarschijnlijk sneller dan aangenomen en neemt de (extreme) variatie in

rivierafvoeren naar verwachting toe. Het economisch, maatschappelijk en

natuurlijk belang van Nederland is groot en groeit verder; een dijkdoorbraak

heeft zeer ontwrichtende gevolgen voor heel Nederland.

De Deltacommissie meent dat er rekening moet worden gehouden met een

zeespiegelstijging van 0,65 tot 1,30 meter in 2100 en van 2 tot 4 meter in

2200. Het effect van bodemdaling is hierin meegenomen. Deze waarden

vertegenwoordigen de mogelijke bovengrenzen; het is verstandig om hiermee

rekening te houden, zodat de besluiten die worden genomen en de maatregelen

die worden getroffen voor lange tijd houdbaar zijn tegen de achtergrond van

wat Nederland mogelijk te wachten staat.

De temperatuurstijging en veranderende luchtcirculatie leiden voor de Rijn

en de Maas tot afnemende zomer- en toenemende winterafvoeren. Voor de

maximale afvoer van de Rijn moet rond 2100 rekening worden gehouden met

ongeveer 18.000 m3/s. Voor de Maas komt dit op ongeveer 4.600 m3/s (huidige

maatgevende afvoeren zijn respectievelijk: 16.000 m3/s en 3.800 m3/s).

Een stijgende zeespiegel, afnemende rivierafvoeren in de zomer, langduriger

droogteperioden en indringend zout water via de rivieren en het grondwater

zetten de zoetwatervoorziening van het land onder druk. Dit leidt tot

schadelijke gevolgen voor de drinkwater-voorziening, landbouw, scheepvaart

en (koel)water gerelateerde economische sectoren.

Wetenschappelijke basis

De Deltacommissie heeft zich wetenschappelijk laten adviseren op een aantal

aspecten die mede de basis hebben gevormd van het advies. In hoofdlijn zijn

dit de bevindingen van een groep van (inter)nationale deskundigen (onder

andere) uit het IPCC-circuit en die van Nederlandse experts op het gebied van

waterveiligheid en -beheer. De groep (inter)nationale deskundigen heeft de

laatste inzichten over klimaatscenario’s aangevuld en heeft nieuwe schattingen

van de extremen gegeven.

samen werken met water 11

Kosten

Met de uitvoering van het Deltaprogramma is tot 2050 een bedrag van

1,2 à 1,6 miljard euro per jaar gemoeid en voor de periode 2050-2100 een

bedrag van 0,9 à 1,5 miljard euro per jaar. Binnen het Deltaprogramma

wordt voor de waterveiligheid zandsuppletie aan de kust toegepast. Als deze

zandsuppletie wordt vergroot om de Hollandse en Zeeuwse Noordzeekust met

bijvoorbeeld 1 km uit te breiden om zo ruimte te scheppen voor functies als

recreatie en natuur, is een aanvullend bedrag nodig van 0,1 à 0,3 miljard euro

per jaar.

Bedragen zijn uitgedrukt in prijspeil 2007 en zijn inclusief BTW.

Twaalf aanbevelingen voor de toekomst

De Deltacommissie heeft een toekomstvisie ontwikkeld die reikt tot na 2100.

Op zo’n lange termijn is deze afhankelijk van de nationale, Europese en

mondiale ontwikkelingen. Op de korte en middellange termijn ontkomen we

niet aan het doen van concrete aanbevelingen, omdat actie nu noodzakelijk is

voor het verhogen van het veiligheidsniveau. De Deltacommissie heeft daarom

twaalf aanbevelingen voor de korte en middellange termijn geformuleerd die

hier in sterk verkorte versie zijn opgenomen.

Indicatie extra kosten per jaar

[miljard euro]

Periode Gemiddeld

2010 - 2050 2050 - 2100 2010 - 2100

Deltaprogramma 1,2 tot 1,6 0,9 tot 1,5 1,0 tot 1,5

Deltaprogramma, met extra ruimte

aan de kust voor andere functies

1,3 tot 1,9 1,2 tot 1,8 1,2 tot 1,8

12 deltacommissie 2008

Twaalf aanbevelingen voor de toekomst

Aanbeveling 1

Veiligheidsniveau

Aanbeveling 2

Nieuwbouwplannen

Aanbeveling 3

Buitendijkse gebieden

Aanbeveling 4

Noordzeekust

Aanbeveling 5

Waddengebied

Aanbeveling 6

Zuidwestelijke delta:

Oosterschelde

Aanbeveling 7

Zuidwestelijke delta:

Westerschelde

Aanbeveling 8

Zuidwestelijke delta:

Krammer–Volkerak Zoommeer

De huidige veiligheidsniveaus van alle dijkringen moeten met een factor 10 verbeterd worden.

Hiertoe moeten de normen zo snel mogelijk (2013) worden vastgesteld. D aar waar meer

veiligheid gewenst is, is het concept van de Deltadijk veelbelovend (deze dijken zijn of zo hoog,

of zo breed of zo sterk dat de kans op een plotselinge en oncontroleerbare overstroming vrijwel

nihil is). Gelet op specifieke of plaatselijke omstandigheden is maatwerk hierbij het devies.

Maatregelen voor de verhoging van het veiligheidsniveau moeten voor 2050 zijn gerealiseerd.

De veiligheidsniveaus moeten met regelmaat geactualiseerd worden.

De keuze van wel of geen nieuwbouw op fysisch ongunstige locaties moet gebaseerd zijn op

een kosten-batenanalyse. Hierin moeten huidige en toekomstige kosten voor alle partijen zijn

berekend. De kosten als gevolg van lokale besluiten moeten niet op een andere bestuurslaag of

de samenleving als geheel worden afgewenteld, maar gedragen worden door degenen die ervan

profiteren.

Nieuwe ontwikkelingen in buitendijkse gebieden mogen de afvoercapaciteit van de rivier

en toekomstige peilopzet van meren niet belemmeren. Bewoners/gebruikers zijn zelf

verantwoordelijk voor het treffen van gevolgbeperkende maatregelen. De overheid heeft een

faciliterende rol op het gebied van voorlichten, informeren en waarschuwen.

Bouwen met de natuur. Voor de kust van Zeeland, Holland en de Waddeneilanden wordt de

kustveiligheid op orde gehouden door het suppleren van zand, eventueel met verlegging van de

stroomgeulen. De suppleties moeten zodanig worden uitgevoerd dat de kust de komende eeuw

kan aangroeien. Dit levert grote maatschappelijke meerwaarde op.

Op korte termijn moeten zandwinlocaties gereserveerd worden. Ook moet onderzocht worden

hoe deze grote volumes ecologisch, economisch en energetisch zo efficiënt mogelijk kunnen

worden gesuppleerd.

Blijven suppleren - afhankelijk van de zeespiegelstijging met meer of minder zand.

De zandsuppleties langs de Noordzeekust dragen bij aan het meegroeien van het Waddengebied.

Het voortbestaan van de Waddenzee zoals wij die nu kennen, is echter niet

vanzelfsprekend. De ontwikkelingen moeten in internationale context worden geobserveerd en

geanalyseerd.

De bescherming van de eilandpolders en de kust van Noord-Nederland moet gewaarborgd

blijven.

De Oosterscheldekering voldoet aan de eisen. Het nadeel van de kering is de beperking van

de getijdenwerking en het verlies van intergetijdengebieden. Met zandsuppleties van buiten

(bijvoorbeeld uit de Voordelta) wordt dit bestreden.

De levensduur van de Oosterscheldekering wordt verlengd. Dit is mogelijk tot het niveau van een

zeespiegelstijging van ongeveer 1 m (op zijn vroegst rond 2075). Als de Oosterscheldekering

niet meer voldoet, wordt naar een oplossing voor de veiligheid gezocht waarbij de

getijdendynamiek in de Oosterschelde grotendeels wordt teruggebracht.

Deze moet open blijven om het waardevolle estuarium en de vaarroute naar Antwerpen te

behouden. Veiligheid moet op peil worden gehouden door dijkversterking.

Het Krammer-Volkerak Zoommeer samen met de Grevelingen en eventueel de Oosterschelde

inrichten voor de tijdelijke berging van het overtollig rivierwater van Rijn en Maas.

Een zoet-zoutgradiënt (een natuurlijke overgang tussen zoet en zout water) voor dit gebied

is een goede oplossing voor het waterkwaliteitsprobleem en kan nieuwe ecologische kansen

bieden. In dat geval moet er een alternatieve zoetwatervoorziening komen.

Tot 2050

Na 2050

Tot 2050

Na 2050

Tot 2050

Na 2050

Tot 2050

samen werken met water 13

De programma’s Ruimte voor de Rivier en Maaswerken moeten snel worden uitgevoerd.

Daar waar dit kosteneffectief is, moeten nu al maatregelen worden genomen voor afvoeren van

18.000 m3/s voor de Rijn en 4.600 m3/s voor de Maas. In dit licht is het noodzakelijk overleg

te voeren met de buurlanden in het kader van de EU-richtlijn Overstromingsrisico’s zodat

maatregelen op elkaar kunnen worden afgestemd. Ook moet ruimte worden gereserveerd

en zonodig gronden worden aangekocht zodat het riviersysteem in staat is de 18.000 m3/s

Rijnwater en 4.600 m3/s Maaswater veilig te kunnen afvoeren.

Voltooiing van maatregelen zodat de Rijn 18.000 m3/s en de Maas 4.600 m3/s kunnen

verwerken.

Een ‘afsluitbaar open’ Rijnmond biedt goede vooruitzichten voor de combinatie van de functies

veiligheid, zoetwatervoorziening, stedelijke ontwikkeling en natuur. De extreme afvoeren van de

Rijn en Maas moeten dan via de Zuidwestelijke delta worden afgevoerd.

Het water voor West-Nederland moet via het IJsselmeer worden aangevoerd. De infrastructuur

hiervoor moet worden aangepast. Er moet ruimte komen voor lokale berging in diepe droogmakerijen.

Nader onderzoek naar de ‘afsluitbaar open’ Rijnmond moet op korte termijn starten.

Het peil van het IJsselmeer wordt met maximaal 1,5 m verhoogd. Daarmee kan tot na 2100

onder vrij verval worden gespuid op de Waddenzee. Het peil van het Markermeer wordt

niet verhoogd. Het IJsselmeer behoudt zijn strategische functie als zoetwaterreservoir voor

Noord-Nederland, Noord-Holland en, vanwege de dieper indringende zouttong in de Nieuwe

Waterweg, voor West-Nederland.

Uitvoer van de maatregelen om de peilstijging te realiseren, kan geleidelijk gebeuren. Gestreefd

moet worden naar een zo groot mogelijke zoetwatervoorraad rond 2050. Onderzocht moet

worden welke maatregelen nodig zijn om de inrichting van de benedenloop van de IJssel en het

Zwarte Water aan te passen aan een verhoging van het IJsselmeerpeil met 1,5 m.

Afhankelijk van de gefaseerde aanpak zijn nog maatregelen nodig om tot een peilstijging van

1,5 m te komen.

1. D e politiek-bestuurlijke organisatie voor onze waterveiligheid dient te worden versterkt door:

~ te voorzien in een verbindende nationale regie en regionale verantwoordelijkheid voor de

uitvoering (ministeriële stuurgroep met MP als voorzitter, V&W-bewindspersoon politiek

verantwoordelijk, de deltaregisseur voor samenhang en voortgang, regionale bestuurders

voor invulling en realisatie van de (afzonderlijke) regionale opgaven);

~ in de Tweede Kamer een permanente Themacommissie in te stellen.

2. D e financiële middelen dienen zeker te worden gesteld door:

~ een Deltafonds op te richten onder beheer van de minister van Financiën;

~ het Deltafonds te voeden met een combinatie van lenen, en storting van (een gedeelte van

de) aardgasbaten;

~ als Rijk financiële middelen ter beschikking te stellen, en regels op te stellen voor

onttrekking van financiële middelen uit het fonds.

3. E en Deltawet moet de politiek-bestuurlijke organisatie en de zekerstelling van financiën

verankeren binnen het huidige staatsbestel en de huidige wet- en regelgeving.

Hierin moet in ieder geval worden opgenomen het Deltafonds en de voeding ervan; taken

en bevoegdheden van de Deltaregisseur; de bepaling dat een Deltaprogramma zal worden

opgesteld; regelingen voor strategische grondverwerving, schadevergoeding voor nadelen

en onttrekking geldelijke voordelen die ontstaan door realisatie van maatregelen uit het

Deltaprogramma.

Aanbeveling 9

Rivierengebied

Aanbeveling 10

Rijnmond

Aanbeveling 11

IJsselmeergebied

Aanbeveling 12

Politiek-bestuurlijk,

juridisch en financieel

Tot 2050

2050 - 2100

Tot 2050

Tot 2050

Na 2050

14 deltacommissie 2008

samen werken met water 15

Voorwoord 5

Samenvatting 9

1. De opdracht 17

2. De basis van het advies: uitdagingen en kansen 21

3. Vanuit een samenhangende visie kansen creëren 37

4. Werken aan de toekomst: mee-ontwikkelen met het klimaat 45

5. Besluitvorming: van visie naar uitvoering 77

6. Een toekomstvast advies: conclusies 87

Bijlagen:

1 I nstellingsbesluit en samenstelling staatscommissie en secretariaat 100

2 O verzicht achtergronddocumenten 105

3 T oelichting op de door de Deltacommissie gebruikte klimaatscenario’s 106

4 T oelichting op visie waterveiligheid 118

5 E ilanden en kustriffen nader bezien 125

6 L ijst van afkortingen en begrippen 129

7 O verzicht geraadpleegde literatuur 131

Figuur 1: Hoogteligging Nederland

in meters ten opzichte van het NAP

Inhoudsopgave

16 deltacommissie 2008

samen werken met water 17

De Deltacommissie heeft de opdracht gekregen strategieën in beeld te

brengen voor een toekomstgerichte kustontwikkeling, voor de lange termijn

(2100-2200), waarin naast veiligheid ook aandacht is voor de ruimtelijke

kwaliteit. Het kabinet heeft de Deltacommissie daarbij uitgenodigd

nadrukkelijk te kijken naar innovatieve maatregelen om de kust te versterken

en de interactie met de verhoogde rivierafvoeren in de adviezen mee te nemen.

De commissie is daarnaast gevraagd een bredere afweging te maken dan één

die louter kijkt naar de gevolgen voor de veiligheid: waar is synergie mogelijk

tussen waterveiligheid en andere maatschappelijke functies als wonen en

werken, zoetwatervoorziening, natuur, recreatie, landschap, infrastructuur en

energie.

De ministerraad van 7 september 2007 heeft de opdracht aan de Deltacommissie

in een instellingsbesluit vastgelegd (zie bijlage 1).

Afbakening opdracht

Voor de geografische en inhoudelijke afbakening van haar opdracht heeft de

commissie zich de vraag gesteld: hoe ‘breed’ is de kust, zowel in fysieke zin als

waar het gaat om de samenhang met andere functies. De commissie ziet de kust

breed: zij omvat zowel de zee en de kustzone als het laaggelegen achterland,

inclusief de interactie met de rivieren en het IJsselmeer, en met inbegrip van

de interactie met grensoverschrijdende aspecten van rivieren en kustzone (zie

figuur 2). Deze breedte is noodzakelijk omdat het hydrologisch, ecologisch en

economisch in hoge mate om één systeem gaat.

Voor de inhoudelijke afbakening sluit de commissie aan bij het in het

instellingsbesluit genoemde belang van de samenhang tussen waterveiligheid en

andere maatschappelijke belangen en waarden. ‘Waterveiligheid’ wordt door

de commissie daarom beschouwd als een integrale opgave, die de bescherming

tegen overstromen en wateroverlast omvat, maar ook het veiligstellen van

de zoetwatervoorziening en het behoud van estuaria. Het advies van de

commissie gaat vooral over het hoofdsysteem, maar hangt samen met en

werkt door naar de ruimtelijke inrichting van heel Nederland. De bestuurlijke

verantwoordelijkheden, het juridisch instrumentarium en de financiële

zekerstelling vormen dan ook een wezenlijk onderdeel van het advies.

1 De opdracht

Figuur 2: Onderscheid

naar regio’s in het advies

van de Deltacommissie

18 deltacommissie 2008

De commissie aan het werk

De Deltacommissie bestaat uit negen leden: de heer prof. dr. C.P. (Cees)

Veerman (voorzitter), mevrouw ir. I.M. (Ineke) Bakker, de heer dr. J.J.

(Jaap) van Duijn, mevrouw prof. dr. ir. L.O. (Louise) Fresco, de heer ir. A.P.

(Andries) Heidema, de heer prof. dr. P. (Pavel) Kabat, mevrouw T. (Tracy)

Metz, de heer ing. Jac. G. (Koos) van Oord MBA en de heer prof. dr. ir. M.J.F.

(Marcel) Stive. De commissie is bijgestaan door een secretariaat onder leiding

van de secretaris van de commissie, de heer ir. B.W.A.H. (Bart) Parmet.

De commissie heeft tienmaal plenair vergaderd, waarvan enkele keren

meerdaags. Daarnaast zijn binnen de commissie subcommissies gevormd,

die zich hebben gericht op de uitwerking van specifieke onderdelen van de

opdracht: het fysisch systeem, de gebruiksfuncties, toekomstscenario’s, en

bestuurlijke, juridische en financiële aspecten.

Waterveiligheid is een onderwerp dat de hele samenleving raakt en waarbij

veel burgers zich persoonlijk betrokken voelen. De commissie heeft gemerkt

dat het gevoel van urgentie dat bij haarzelf leeft, breed wordt gedeeld. Zij heeft

zich door de opvattingen en creatieve ideeën van veel mensen uit verschillende

hoeken van de samenleving laten inspireren en verrijken. De commissie heeft

veel spontane reacties gekregen, waaruit blijkt dat de problematiek breed

gedragen wordt. Zij heeft zich op nationaal en regionaal niveau uitvoerig laten

informeren door bestuurders, maatschappelijke organisaties en experts over

de door hen onderkende opgaven en de bij hen levende ideeën. Zo kreeg de

commissie niet alleen een beeld van de uitdagingen op nationaal niveau, maar

ook een indruk van de uitdagingen, mogelijkheden en oplossingsrichtingen die

regionaal worden gevoeld en beleefd.

De commissie heeft workshops met deskundigen en stakeholders georganiseerd,

waarbij ook nadrukkelijk aandacht is gegeven aan young professionals (hieruit

is later een ‘jonge Deltacommissie’ ontstaan, zie het achtergrondrapport

met ideeën voortkomend uit dit initiatief). De internationale dimensie van

de opdracht heeft ertoe geleid dat er ook op verschillende niveaus met onze

buurlanden en de Europese Commissie2 uitwisselingen van opvattingen, kennis

en ideeën heeft plaatsgevonden tijdens bilaterale gesprekken, workshops en

werkbezoeken.

Daarnaast zijn een postbus en een website opengesteld en ook is enkele keren in

de pers aandacht gevraagd voor de vraagstukken waarover de commissie zich

heeft gebogen.

De commissie heeft haar analyses en aanbevelingen ook wetenschappelijk

onderbouwd en getoetst door bij experts, kennisinstituten, nationale planbureaus,

departementen, uitvoeringsorganisaties, enzovoorts te rade te gaan.

Voor een aantal meeromvattende vraagstukken is de benodigde informatie

aangereikt in de vorm van studies; deze zijn als achtergrondrapporten bij

het advies gepubliceerd (zie bijlage 2 voor een overzicht van de achtergrondrapporten).

De commissie is alle personen en instanties die gevraagd en ongevraagd advies

hebben gegeven en hun kennis hebben gedeeld zeer erkentelijk voor hun inbreng

en betrokkenheid.

samen werken met water 19

Resultaat

Het advies reikt naar een verre toekomst, waarvan nog erg ongewis is hoe deze

eruit zal zien. Maar er moet nu al doelbewust naar die toekomst toe worden

gewerkt. De commissie levert daarvoor geen kant-en-klare blauwdruk, maar

wijst een duidelijke richting aan die ruimte laat voor nadere en latere invulling.

Zij doet voorstellen voor institutionele kaders die waarborgen bieden opdat de

noodzakelijke besluiten op tijd en op het juiste niveau genomen kunnen worden

en er voldoende middelen beschikbaar zijn voor de gevraagde investeringen. De

commissie is concreter in haar aanbevelingen voor de korte dan voor de lange

termijn. Daarmee wordt ruimte geschapen voor mogelijk afwijkende scenario’s

en toekomstverwachtingen.

Er zijn problemen en opgaven die we het hoofd moeten bieden, zeker, maar

bovenal zijn er kansen, mogelijkheden en nieuwe perspectieven.

2. D e Europese Commissie heeft adaptatie voor

klimaatverandering nadrukkelijk op haar agenda

staan. Op dit moment wordt een Witboek

voorbereid dat naar verwachting in het vierde

kwartaal van 2008 zal worden uitgebracht.

20 deltacommissie 2008

samen werken met water 21

De kust, de ongeveer 350 kilometer lange strook waar zee en land samenkomen

en in elkaar overgaan, is voor Nederland van onomstreden waarde; de

bescherming tegen hoogwater, ook vanuit de rivieren, van levensbelang.3 De

leefbaarheid van onze delta is nooit vanzelfsprekend. Behoud en ontwikkeling

hiervan vereisen een continue inspanning, het werk is nooit af. Het realiseren

van deze opgave biedt grote kansen voor het creëren van extra ruimtelijke

kwaliteit.

De waarden van de delta

Direct achter de kust, in het laaggelegen deel van Nederland, wonen de meeste

mensen en ligt het zwaartepunt van de Nederlandse economie. In het deel van

Nederland dat door dijken en duinen langs de kust en de grote rivieren wordt

beschermd, wonen bijna 9 miljoen mensen en wordt ongeveer 65% van het

bruto binnenlands product verdiend.4 De grote zee- en luchthavens, gelegen

aan of nabij de Noordzee, vormen vitale knooppunten in de internationale

vervoernetwerken en zijn tegelijk belangrijke vestigingsfactoren voor industrie

en dienstverlening.

Dit zijn belangrijke redenen waarom Nederland hoge normen voor

bescherming tegen hoog water hanteert. De gevolgen van een overstroming

zijn in ons dichtbevolkte en intensief gebruikte land immers niet te overzien.5

In de Voortgangsbrief Nationale Veiligheid 20086 zijn de ergst denkbare

overstromingsscenario’s door de minister van Binnenlandse Zaken en

Koninkrijkrelaties (BZK) gekwalificeerd als ‘zeer onwaarschijnlijk [maar met]

catastrofale gevolgen voor Nederland’. Zou zo’n catastrofe zich voordoen,

dan zal deze niet alleen veel mensen treffen en tot ernstige maatschappelijke

ontwrichting leiden, maar ook onmiddellijk zware repercussies op de

investeringsbeslissingen van het internationale bedrijfsleven hebben.

De Noordzee, het Waddengebied en de Westerschelde vormen de meest

natuurlijke en dynamische ‘landschappen’ van Nederland. Landschapsvormende

processen kunnen hier vaak nog betrekkelijk ongestoord hun gang

gaan. Terecht is Nederland dan ook zuinig op de natuurlijke en landschappelijke

waarden van de kust – waarden die (inter)nationaal erkend en verankerd zijn,

onder meer door aanwijzing van grote delen van de kust als behorend tot de

Ecologische Hoofdstructuur en vallend onder de Vogel- en Habitatrichtlijnen.

De Noordzee, de Waddenzee, het IJsselmeer en de andere grote wateren

ontlenen hun betekenis in belangrijke mate aan de grote natuurwaarden die ze

herbergen als broed-, trek- en overwinteringsgebied van vogels, als leefgebied

voor zeezoogdieren, schelpdieren en waterflora en als kraamkamer voor vissen.

2 De basis van het advies:

uitdagingen en kansen

Figuur 3: Resultaten van de tweede

veiligheidstoetsing van de primaire

waterkeringen, 2006

22 deltacommissie 2008

Door het CBS is in 19971 een

schatting gegeven van het nationaal

vermogen. De uitkomst was dat het

nationaal vermogen vijf keer het

nationaal inkomen bedroeg. Hierbij

waren ecologische, landschappelijke

en culturele (LNC ) waarden niet in

beschouwing genomen. De CBSdefinitie

volgend zou het nationaal

vermogen op dit moment zo’n

2750 miljard euro bedragen2. Omdat

naar schatting 65% van dit vermogen

in overstroombaar gebied ligt, is het

vermogen dat potentieel bedreigd

wordt ordegrootte 1800 miljard euro.

Dit kan gezien worden als een indicatie

voor het ‘te verzekeren bedrag’ voor

waterveiligheid.

De potentiële economische schade

als gevolg van overstromingen is door

RIVM (2004) voor alle dijkringen samen

geschat. De middenwaarde tussen

de schattingen van de onder- en

bovengrenzen van de schade is het

hoogst voor Zuid- en Noord-Holland,

Friesland en Groningen en enkele

dijkringgebieden langs Rijn en Maas:

tussen de 10 en 50 miljard euro per

dijkringgebied.

Nieuwe berekeningen tonen aan dat in

de praktijk de (grote) dijkringgebieden

nauwelijks of nooit helemaal zullen

vollopen, waardoor verschillen in de

locatie waar de dijk doorbreekt tot

grote verschillen in de economische

schade leiden. De omvang van

de schade die een overstroming

veroorzaakt, is onder meer afhankelijk

van de grootte van het ondergelopen

gebied, de waterdiepte in het

ondergelopen gebied en de duur

van de overstroming. Uitgaand van

differentiatie van de waterdieptes per

dijkring (zie ministerie BZK, 2008:

www.risicokaart.nl), en rekening

houdend met het overstroomde

oppervlak per dijkring, hebben Aerts

et al (2008) de potentiële economische

schade als gevolg van overstromingen

voor alle dijkringen samen nu op

ongeveer 190 miljard euro geraamd.

Het betreft hier een combinatie van

directe en indirecte schade. Voor 2040

neemt - bij een zeespiegelstijging van

24 tot 60 cm - de potentiële schade toe

tot ongeveer 400 à 800 miljard euro als

er geen maatregelen worden genomen.

Bij 150 cm zeespiegelstijging in 2100

kan, als er geen maatregelen worden

genomen, de potentiële schade

oplopen tot 3700 miljard euro.

De bepalende factoren voor het

berekenen van de toekomstige

potentiële schade zijn de economische

groei in combinatie met de indirecte

schade. De methodieken om deze

berekeningen uit te voeren, gaan nog

met veel onzekerheden gepaard.

Aanvullend onderzoek moet beter

inzicht geven in de mogelijke omvang

van indirecte schade als gevolg van

een overstroming, bijvoorbeeld door

bedrijfsuitval, stagnatie van toelevering

van goederen, etc.

Vóór de ramp met de orkaan Katrina

in New Orleans werd de potentiële

schade daar op 16,8 miljard US$

geschat. Na de ramp blijkt alleen

de directe schade aan woningen,

overheidsgebouwen en publieke

infrastructuur al 27 miljard US$ te

bedragen3.

1. Van Tongeren en Van de Ven, De Nationale Balans

en de Overheidsbalans, 1997.

2. Bruto Nationaal Product van Nederland in 2007 was

550 miljard euro.

3. I nteragency Performance Evaluation Taskforce

(IPET). Evaluation of the New Orleans and Southeast

Louisiana Hurricane Protection System. Vol 1 –

Executive summary and Overview, 2008.

Potentiële economische schade

New Orleans

samen werken met water 23

Kortom: onze delta - de kust en haar achterland - herbergt een grote rijkdom

aan economische, ecologische en maatschappelijke waarden; een rijkdom

waarvan het ondenkbaar is dat Nederland deze zou willen prijsgeven.

Het water dringt op

De veiligheidsopgave is nu al urgent op een groot aantal plaatsen en zal met

een hogere zeespiegel, een grotere variatie in rivierafvoeren, en een groeiend

beschermwaardig belang alleen nog maar groter worden.

De huidige Nederlandse veiligheidsnormen zijn afgeleid van het werk van

de vorige Deltacommissie en dateren uit de jaren zestig. Sindsdien zijn de

te beschermen belangen enorm toegenomen: actualisering van de normen

van de vorige Deltacommissie levert voor meerdere dijkringen hogere

beschermingsniveaus op.7 Maar op de laatste peildatum (1 januari 2006)

voldeed 24% van onze waterkeringen niet aan de geldende (gedateerde) normen

en voor 32% van de waterkeringen kon hierover geen uitspraak worden

gedaan, zie figuur 3.8 Uit deze rapportage blijkt verder dat van de onderzochte

kunstwerken 22% de score ‘voldoet niet’ krijgt, 49% daarvan krijgt ‘geen

oordeel’. Bovendien is het van belang dat wij ons realiseren dat er voor de

afzienbare toekomst in de laaggelegen delen van Nederland op grote schaal

nieuwe investeringen in woon- en werklocaties, en infrastructuur zijn voorzien.9

Er liggen daardoor tegelijkertijd op de korte termijn al veel uitdagingen om

kansen te benutten.

Klimaatscenario’s 2006

Dát de aarde opwarmt, deels als gevolg van de toenemende emissie van

broeikasgassen, en dat deze opwarming gevolgen zal hebben voor de

zeespiegelhoogte en voor het weer, is inmiddels vrijwel onomstreden. Wel

is er nog veel onzekerheid over de mate waarin en de snelheid waarmee

klimaatverandering plaatsvindt en over de omvang van de consequenties ervan.

Het KNMI hanteert voor Nederland 4 scenario’s, die variëren voor wat

betreft de gemiddelde temperatuurstijging en luchtcirculatiepatronen.10

In de onderscheiden scenario’s stijgen in Nederland de gemiddelde zomeren

wintertemperaturen van enkele graden tot 4 °C in het jaar 2100. De

droogteproblematiek neemt door een hogere verdamping en veranderde

neerslagpatronen toe.11

Het KNMI heeft in 2006 een tweetal scenario’s voor de zeespiegelstijging voor

de Nederlandse kust uitgewerkt. In een ‘lage temperatuur scenario’ (‘gematigd’-

scenario) wordt uiteengegaan van een temperatuurstijging van 2 °C in 2100, in

een ‘hoog scenario’ (‘warm’-scenario) met 4 °C temperatuurstijging in 2100.12

Dit resulteert in een zeespiegelstijging van 15 tot 35 cm in 2050 en 35 tot

85 centimeter in 2100. In beide gevallen wordt hierbij geen rekening gehouden

met autonome bodemdaling en is als referentie het jaar 1990 aangehouden (zie

figuur 4).

De Deltacommissie wil haar advies baseren op de meest recente wetenschappelijke

inzichten ten aanzien van een plausibele bovengrens voor de

mondiale en regionale zeespiegelstijging, verandering van de stormcondities

boven de Noordzee en neerslagveranderingen die leiden tot veranderingen

in afvoeren van grote rivieren. De commissie heeft daarom aanvullend

24 deltacommissie 2008

Er is een verband tussen wereldwijde

temperatuurstijging en de verwachte

stijging van de zeespiegel. De toename

van de temperatuur wordt veroorzaakt

door emissies van broeikasgassen,

met als belangrijkste bron het gebruik

van de fossiele brandstoffen. Op dit

moment ligt de concentratie van CO2

in de atmosfeer rond 385 ppm. Hoe

zich deze concentratie in de toekomst

gaat ontwikkelen, hangt mede af van

toekomstige sociaal-economische

ontwikkelingen, politieke afspraken en

van terugkoppelingen in het fysieke

klimaatsysteem. Een temperatuurstijging

van rond 6 °C in 2100 zal volgens

het IPCC kunnen optreden als de

atmosferische CO2-concentratie rond

2100 toeneemt tot een waarde van rond

de 750 ppm.

Het A1FI-scenario van IPCC, dat de

Deltacommissie heeft gebruikt als

randvoorwaarde voor berekeningen/

schattingen van enkele belangrijke

componenten van zeespiegelstijging

in 2100/2200, geeft een goed beeld

van algemene sociaal-economische

ontwikkelingen die tot een dergelijke

toename zouden kunnen leiden.

De belangrijkste reden waarom dit

scenario tot heel hoge emissies leidt,

is dat de investeringen in nieuwe

technologie zich concentreren op

fossiele energie als de drijvende kracht

van de wereldeconomie, inclusief het

gebruik van de overvloedig aanwezige

kolenvoorraden en onconventionele

olievoorraden in teerzanden en

olieschalies, met hoge CO2-emissies

per eenheid energieverbruik. Het effect

hiervan op emissies is groter dan dat

van verbeteringen van de energieefficiëntie.

Dat dit scenario realistisch is,

mag blijken uit het feit dat de werkelijke

emissies sinds 2000 in lijn zijn, of zelfs

hoger uitkomen dan deze IPCC A1FIscenario’s1.

Tegelijkertijd moet worden

aangetekend dat de verbeteringen in het

reduceren van CO2-emissies bij gebruik

van kolen als ook de CO2-opslag zich snel

ontwikkelen. Op dit moment is het moeilijk

om het totale effect van technologische

verbeteringen aan te geven.

Volgens het Klimaatverdrag van

UNFCC moeten de concentraties

van broeikasgassen in de atmosfeer

worden gestabiliseerd op een niveau dat

natuurlijke aanpassing van ecosystemen

en duurzame ontwikkeling mogelijk

laat en de voedselproductie niet in

gevaar brengt. Er is op dit moment

geen politieke overeenstemming over

het bijbehorende stabiliseringniveau,

maar de Europese Unie heeft als doel

van klimaatbeleid afgesproken dat de

mondiale temperatuur wereldwijd (ten

opzichte van het pré-industriële niveau)

met niet meer dan 2 oC mag stijgen. Dit

komt overeen met een stabiliseringniveau

van tussen 450 ppm en 550 ppm CO2 in

2100 en vereist volgens de huidige stand

van de kennis enorme inspanningen tot

mondiale emissiereducties in 2100 in de

orde van 80% ten opzichte van het jaar

2000. Ter vergelijking: het Kyotoprotocol

beoogt een gemiddelde mondiale

reductie in 2012 van 5,2% ten opzichte

van de emissieniveau in 1990.

1. Raupach, M. et al. Global and regional drivers of

accelerating CO2 emissions. Proceedings of the

National Academy of Sciences of the United States

of America. Vol. 104, no. 24, 2007.

Broeikasgassen, temperatuurstijging en zeespiegel

Figuur 4: Scenario’s voor

zeespiegelstijging. De verwachte

toename zeespiegel voor de

Nederlandse kust in 2050, 2100 en

2200 (referentiejaar is 1990, effecten

van de bodemdaling zijn in de grafiek

niet meegenomen)

samen werken met water 25

onderzoek laten uitvoeren om de recentste informatie over klimaatscenario’s

systematisch in kaart te brengen (zie bijlage 3). Een twintigtal vooraanstaande

nationale en internationale klimaatdeskundigen, waaronder enkele auteurs

van het Intergovernmental Panel on Climate Change (IPCC), heeft daartoe in

opdracht van de Deltacommissie aanvullende scenario’s gemaakt op de IPCC

2007- en KNMI 2006-scenario’s voor 2100. Hierbij is voor de beschouwing

van scenario’s voor zeespiegelstijging onder meer gebruik gemaakt van de

temperatuurstijging zoals die wordt berekend door IPCC op basis van het

hoogste emissiescenario van het IPCC aangeduid als A1FI (zie kader). Tevens

zijn er schattingen gemaakt van mogelijke klimaatontwikkelingen in het jaar

2200. Hieruit kunnen de volgende conclusies getrokken worden.13

Hogere zeespiegel

De afgelopen 100 jaar is de zeespiegel langs de Nederlandse kust met ca.

20 cm gestegen ten opzichte van het NAP. Volgens de IPCC 2007-rapportage

moet er wereldwijd in 2100 rekening gehouden worden met temperaturen

die tot 1,5 tot 6 °C hoger kunnen liggen dan nu. In combinatie met andere

aannames gemaakt voor deze scenario’s, betekent dit dat er aan het einde van

deze eeuw bij een temperatuurstijging van 6 °C, een zeespiegelstijging van

0,55 tot 1,20 meter kan optreden.14 De gemiddelde autonome bodemdaling

langs de kust van Nederland, veroorzaakt door glaciale isostatie en compactie

van de ondergrond15, bedraagt ruim 10 cm tot 2100.16 Per saldo betekent dit

voor Nederland een (relatieve) ‘zeespiegelstijging’ van 0,65 tot 1,30 meter in

2100.17

Voor 2200 moet volgens het voor de Deltacommissie verrichte onderzoek

wereldwijd rekening gehouden worden met een maximale zeespiegelstijging

van 1,5 tot 3 meter, afhankelijk van de gehanteerde methode; lokaal kan dit

oplopen tot 2 tot 4 meter.18 Maar de onzekerheden over de klimaatontwikkeling

en over de ontwikkeling van het landijs op Groenland en Antarctica zijn op

deze lange termijn dermate groot dat een vertaling van dit bovenscenario naar

de Nederlandse kust uitsluitend als indicatief beschouwd moet worden. Tot

2100 zijn scenario’s betrouwbaarder vanwege de kennis over het huidige tempo

van zeespiegelstijging en het feit dat een grote versnelling van dit tempo op

een tijdschaal van enkele tientallen jaren onwaarschijnlijk is. Voorbij het jaar

2100 is deze betrouwbaarheid veel minder. Wel kan in algemene zin verwacht

worden dat de zeespiegel in 2200 in elk geval hoger zal staan dan in 2100 en

dat dit proces als gevolg van het lang doorwerkende effect van hogere gehaltes

broeikasgassen in de atmosfeer ook nog lang daarna kan doorgaan.19

De Deltacommissie concludeert dat volgens de jongste inzichten de bovengrens

voor zeespiegelstijging in 2100 dus hoger kan uitvallen dan tot voor kort werd

aangenomen. Naarmate de inzichten zich verder ontwikkelen, blijkt er een

opgaande trend in de schattingen waarneembaar.

Voor 2050 hanteert de Deltacommissie de KNMI 2006-scenario’s voor de

zeespiegelstijging. Met een gemiddelde bodemdaling van ongeveer 5 cm tot die

tijd is de relatieve zeespiegelstijging dan 0,20 tot 0,40 m.

De maatregelen die op basis van KNMI 2006-scenario’s zijn ontwikkeld,

behoeven op dit moment voor de korte termijn nog niet herzien te worden.

Maar er is, gelet op de trend van de schattingen, wel reden de voorgenomen

maatregelen tijdig, onverkort en toekomstvast uit te voeren. Het is zaak de

26 deltacommissie 2008

kennis over de ontwikkeling van de zeespiegel goed op peil te houden en het

beleid steeds aan de laatste inzichten te toetsen en aan te passen, met andere

woorden het is zaak adaptief beleid te voeren.

Voor een klimaatbestendige strategie voor de waterveiligheid moet rekening

worden gehouden met de mogelijkheid dat dergelijke hoge stabiliseringniveaus

niet gehaald worden. Ook als het lukt de concentraties van broeikasgassen op

ongeveer 750 ppm te stabiliseren, zullen mondiaal de gemiddelde temperaturen

na 2100 boven de 6 °C kunnen stijgen; een niveau dat de Deltacommissie als

mogelijke bovengrens voor het einde van deze eeuw hanteert.

Groeiend zandtekort

Voor de Nederlandse delta betekent de relatieve zeespiegelstijging -geologisch

gezien- dat er voortdurend behoefte is aan afzetting van zand: blijft de aanvoer

van zand achter dan ontstaat er een zandtekort. De Nederlandse kust ontvangt

vandaag de dag netto vrijwel geen zand meer vanuit de zee en rivieren. Het

zandtekort in het samenhangende systeem van Noordzeekust, Waddenzee,

Wester- en Oosterschelde groeit hierdoor.20

Wind en storm

De klimaatmodellen laten een lichte toename van de hoogste daggemiddelde

windsnelheid per jaar zien. De sterkte van de zware stormen, voornamelijk

uit zuidwestelijke richtingen, die minder dan eens per jaar voorkomen, neemt

boven Noordwest-Europa eveneens licht toe.

Voor de periode na 2100 kunnen op basis van de beschikbare modellen en data

op dit moment geen duidelijke uitspraken worden gedaan. Nader onderzoek

op basis van bestaande tijdreeksen en met projecties waarbij gebruikt

wordt gemaakt van de data gegenereerd door meervoudige applicaties van

verschillende (klimaat)modellen, wordt door de commissie zinvol geacht.

Meer water door Rijn en Maas

De temperatuurstijging en veranderde luchtcirculatie leiden in de genoemde

KNMI-scenario’s uit 2006 voor de Rijn tot afnemende zomer- en toenemende

winterafvoeren. Voor de zomer kan de gemiddelde Rijnafvoer van 1700 m3/s

nu, afnemen tot 700 m3/s in 2100. In de winter kunnen hoge rivierafvoeren die

nu nog als zeldzaam gelden, normaal worden. Zo is er nu nog een kans van

1/50 per jaar dat de in 1995 opgetreden afvoer van 12.000 m3/s plaatsvindt,

maar die kans neemt toe tot 1/10 per jaar in 2100. Als gevolg daarvan stijgt

ook de afvoer die bij de kans van 1/1250 per jaar behoort (de maatgevende

afvoer, bij Lobith), van 16.000 m3/s nu, naar 17.000 tot 22.000 m3/s in 2100.21

De onzekerheden zijn dus nog erg groot. Voor de periode 21002200 kan met

de beschikbare klimaatmodellen geen zinvolle invulling van scenario’s worden

gegeven.

Bij extreem hoge rivierafvoeren zullen in Duitsland grootschalige overstromingen

optreden: de hoogte van de waterkeringen is daar zodanig dat bij

afvoeren vanaf ca. 14.000 m3/s grootschalige overstromingen optreden. In een

gezamenlijke studie van Rijkswaterstaat, de provincie Gelderland en Nordrhein-

Westfalen is berekend dat voor de Rijn bij Lobith bij een potentiële afvoer van

19.000 m3/s, die volgens klimaatveranderingsscenario’s denkbaar is in 2050,

de top die uiteindelijk Nederland bereikt 16.000 m3/s is. In een klimaatscenario

voor 2100 waarbij er genoeg regen valt voor potentieel 22.000 m3/s zou een

samen werken met water 27

maximale afvoer van afgerond 18.000 m3/s optreden. Hierdoor is dus sprake

van een bovengrens in de afvoer die Nederland kan bereiken van 18.000 m3/s.

De maatgevende afvoer van de Maas is gebaseerd op een kans van

1/1250 per jaar en bedraagt nu bij Borgharen 3.800 m3/s. Klimatologische

veranderingen kunnen rond 2050 en 2100 tot een maatgevende afvoer

van 4.200 respectievelijk 4.600 m3/s22 leiden. Het is niet aannemelijk dat

maatregelen in Frankrijk, België en Duitsland tot substantiële afname van de

toekomstige maatgevende afvoer van de Maas zullen leiden.23

Rekening houden met de (plausibele) bovengrens van klimaatscenario’s

Het is niet waarschijnlijk dat de geschetste maximale waarden in de genoemde

jaren daadwerkelijk overschreden worden. Belangrijker vindt de commissie dat

de trend onmiskenbaar is: de zeespiegel zal stijgen, ook al is nu nog niet met

zekerheid te voorspellen op welk moment tot welk niveau. Zeker is wel dat de

eerste problemen in ons watersysteem zich al voordoen ruimschoots voordat de

maximaal voorspelde stijgingen van zeespiegel en rivierafvoeren optreden. De

besluiten die worden genomen en de maatregelen die worden getroffen, moeten

houdbaar zijn tegen de achtergrond van wat Nederland mogelijk te wachten

staat. Voorkomen moet worden dat toekomstige generaties voor voldongen

feiten worden geplaatst als de gevolgen van klimaatverandering groter zijn

dan we nu willen en kunnen onderkennen. De Deltacommissie houdt daarom

rekening met de bovengrenzen van klimaatscenario’s en de effecten voor

zeespiegel en rivierafvoer, zoals hierboven is beschreven.

Hogere temperaturen en zoetwatertekorten

Wanneer de zeespiegel stijgt en het zoute water verder landinwaarts de rivieren

oprukt en de bodem binnendringt, komt de zoetwatervoorziening in het

westen van het land in gevaar. De land- en tuinbouw en andere economische

sectoren zullen de schade hiervan ondervinden. Het gaat om twee bedreigingen:

verzilting en - in warme, droge zomers – een tekort aan beschikbaar zoet water.

In het ‘extreemste’ KNMI-scenario kan er rond de volgende eeuwwisseling in

een gemiddeld jaar een watertekort ontstaan vergelijkbaar met het tekort in

het droogste jaar tot op heden, 1976. Door dit watertekort kunnen landbouw,

natuur en scheepvaart significante schade oplopen.24

Hogere temperaturen en de genoemde bedreigingen voor de zoetwatervoorziening,

leiden ertoe dat de omstandigheden voor dier- en plantsoorten in

Nederland zo sterk zullen veranderen dat onze natuur naar verwachting (deels)

een geheel ander karakter krijgt. Sommige soorten en bepaalde ecosystemen

kunnen zich onder de veranderende omstandigheden niet handhaven; andere

soorten, die hier in het verleden niet konden gedijen, zullen zich juist in onze

regionen kunnen en willen vestigen. Dit zal consequenties voor het natuurbeleid

moeten hebben; een beleid gericht op de bescherming van nu voorkomende

soorten zal onder invloed van de klimaatverandering vermoedelijk niet vol te

houden noch wenselijk zijn.

Ook de land- en tuinbouw zal met veranderingen te maken krijgen door

de hogere temperaturen, wisselende beschikbaarheid van zoet water of het

voorkomen van zout in de bodem en het grondwater. Klimaatverandering

is voor de voedselproductie niet per se een bedreiging. Integendeel: er

ontstaan ook nieuwe kansen voor Nederland om ook op de lange termijn

een belangrijke voedselleverancier te blijven, mits voldoende geïnvesteerd

28 deltacommissie 2008

samen werken met water 29

wordt en de agrarische wetenschap er in slaagt om tijdig de kennis en kunde

te ontwikkelen die nodig zijn om adequaat in te spelen op veranderende

productieomstandigheden.

Door de hoge temperaturen kunnen waterkwaliteitsproblemen optreden. Door

de uitvoering van de Europese Kaderrichtlijn Water zullen de randvoorwaarden

voor een goede waterkwaliteit, ook met een hogere temperatuur, aanzienlijk

verbeteren. Dat levert daarmee een goede basis voor klimaatbestendigheid op

dit punt. Bij hogere temperaturen wordt koelwater voor energieopwekking een

groter probleem. De sector heeft echter voorzieningen getroffen om hier op

korte termijn zo goed mogelijk mee om te kunnen gaan.

Nederland niet ingericht op klimaatverandering

De klimaatverandering stelt Nederland voor grote aanpassingsopgaven die

niet zonder consequenties kunnen blijven voor de inrichting van ons land. De

ruimtelijke ordening zal moeten inspelen op de andere leefomstandigheden die

voor mens en natuur ontstaan; ook in tijden van klimaatverandering moet

ons land aangenaam bewoonbaar blijven. Dit betekent dat er onder alle omstandigheden

ruimte moet zijn voor wonen, werken, verplaatsen, voedselproductie,

energieopwekking, recreatie, natuur, etc.; waar mogelijk door deze

functies op een slimme manier met elkaar te combineren. Water is daarbij een

belangrijk ordenend principe; in de toekomst zal dit nog sterker het geval zijn.

Als geen aanvullende maatregelen worden genomen, zullen de overstromingskansen

toenemen en komt de zoetwatervoorziening onder druk te staan. Hierbij

is het besef van de samenhang tussen de verschillende elementen van het watersysteem

wezenlijk: in onze waterrijke delta hangt alles met alles samen. De

figuren 5 en 6 geven een beeld van de consequenties voor het watersysteem in

2050 respectievelijk 2100. Als de stroom van de Rijn aanwast, zal de capaciteit

van de Waal en/of van de IJssel vergroot moeten worden. Meer rivierwater in

combinatie met zeespiegelstijging heeft consequenties voor de bescherming

tegen hoogwater van ‘kritische’ plaatsen, zoals de Drechtsteden en Rotterdam,

maar ook voor de inrichting van het rivierengebied (waar is bijvoorbeeld nog

woningbouw mogelijk en in welke vorm) en voor de berging van zoet water

in het IJsselmeer en eventueel in de Zeeuwse en Zuid-Hollandse delta. Stijging

van de zeespiegel dwingt tot aanpassing van de grote waterkeringen. Zulke

aanpassingen blijven niet zonder gevolgen voor de natuurlijke processen in en

ecologische waarden van de estuariene milieus. Zij werken daarnaast door naar

de economische sectoren die van deze milieus afhankelijk zijn (toerisme, visserij,

etc.).

Bij het ontwerp van de stormvloedkeringen in Oosterschelde en Nieuwe

Waterweg is destijds rekening gehouden met een zeespiegelstijging van

respectievelijk 20 en 50 cm per eeuw.25 Als de zeespiegel daar overheen

gaat, moeten deze stormvloedkeringen vervangen of aangepast worden. De

sluitfrequentie van de Maeslantkering (Nieuwe Waterweg) kan tussen de

jaren 2050 en 2100 veel hoger worden dan de veronderstelde frequentie van

eens in de 10 jaar. Bij een zeespiegelstijging van 85 cm zal de Maeslantkering

ongeveer 3 maal in het jaar gesloten worden en bij een stijging met 1,3 meter

neemt de sluitfrequentie toe tot zo’n 7 maal per jaar. Als een sluiting samenvalt

met een hoge rivierafvoer, betekent dit dat het rivierwater tijdelijk niet vrij kan

Figuur 5: Gevolgen van

zeespiegelstijging en veranderde

rivierafvoeren voor het Nederlandse

watersysteem in 2050

30 deltacommissie 2008

samen werken met water 31

afstromen en zich landwaarts van de gesloten kering ophoopt.26 Gevolg is dat

de frequentie toeneemt waarmee buitendijks gebied overstroomt. Ook groeit

het oppervlak dat dan onder water komt te staan. Verder zullen, wanneer

aanpassingen aan de waterkeringen uitblijven, de overstromingskansen

in Rijnmond en in de omgeving van Dordrecht stijgen: elke 40 tot 60 cm

zeespiegelstijging zorgt in deze regio voor een vertienvoudiging van die

overstromingskans.27

Het huidige rivierverruimingsprogramma van de Rijntakken is gericht op

een afvoercapaciteit van 16.000 m3/s en kan met extra maatregelen (langetermijnvisie

Ruimte voor de Rivier) vergroot worden tot 18.000 m3/s. Het is

belangrijk dat deze capaciteitsvergroting daadwerkelijk gerealiseerd wordt. De

Maasafvoer kan toenemen tot 4.600 m3/s; aanvullende maatregelen ten opzichte

van de Maaswerken (Integrale Verkenning Maas) zijn nodig om die afvoer te

kunnen verwerken.

Lagere rivierafvoeren in de zomer kunnen problemen voor de zoetwaterinname

en de landbouw opleveren. Naar verwachting zal de zoetwaterinname in 2050

in het meest extreme scenario voor de waterinnamepunten bij Bernisse (nabij

Hellevoetsluis/Spijkenisse) en bij Gouda al bijna de helft van het jaar gestaakt

moeten worden.28 Het proces van verzilten van het grondwater is eeuwen

geleden in gang gezet door inpolderingen en droogmakerijen en gaat tot op de

dag van vandaag gestaag door. Een hogere zeespiegelstand ten opzichte van het

land betekent dat zoute kwel zal toenemen.

Door een hogere zeespiegel moet polder- en boezemwater over een steeds

grotere hoogte weggepompt worden naar de Noordzee of de daarmee in

verbinding staande zeearmen en estuaria. Daar komt bij dat naar verwachting

vaker hogere piekneerslagen zullen optreden. Deze combinatie van ontwikkelingen

leidt tot een toenemende behoefte aan waterberging en pompcapaciteit.29

Vanaf 2050 komt spuien onder vrij verval vanuit het IJsselmeer in gevaar. Een

combinatie van pompen en/of peilopzet, is dan nodig.

Voor de Oosterschelde is berekend dat wanneer er geen maatregelen worden

genomen, het areaal slikken en schorren (kwelders) dramatisch zal afnemen.

Oorzaak hiervan is de aanleg van de stormvloedkering, waardoor dit estuarium

voor sedimenttransport praktisch van de zee is afgesloten. De verwachte zeespiegelstijging

versterkt dit proces. Zonder ingrijpen zullen over enkele decennia

de platen en slikken in de Oosterschelde naar verwachting gehalveerd zijn:

van ruim 11.000 ha in 1986 tot ongeveer 5.000 ha in 2045 (en ca. 1.500 ha

in 2100). Schorren zijn in 2050 dan alleen nog op beschutte locaties in de

Oosterschelde te vinden.30

Door de zeespiegelstijging zal het natuurlijk karakter van de Waddenzee

veranderen. Aangenomen wordt dat met het natuurlijke sedimenttransport

(de instroom van zand- en slibhoudend vloedwater) intergetijdengebieden

een zeespiegelstijging van 30 tot 60 cm per eeuw kunnen bijhouden. Hoe

groter het getijdengebied, hoe groter de sedimentbehoefte en hoe kleiner de

zeespiegelstijging die op natuurlijke wijze kan worden bijgehouden. Over de

afgelopen eeuw bedroeg de zeespiegelstijging ca. 20 cm. Bij een snellere stijging

dan 30 tot 60 cm per eeuw, mogelijk vanaf 2050-2100, is het waarschijnlijk

dat de intergetijdengebieden in de relatief grote, meest westelijke delen van

Figuur 6: Gevolgen van

zeespiegelstijging en veranderde

rivierafvoeren voor het Nederlandse

watersysteem in 2100

32 deltacommissie 2008

Op basis van het MNP-rapport*

kan ten aanzien van demografie en

economie voor het Nederland van over

ongeveer een halve eeuw het volgende

beeld worden geschetst. Voor wat

betreft de bevolkingsomvang wordt

uitgegaan van een bandbreedte van

15 miljoen inwoners in 2050 in het

laagste bevolkingsscenario (Regional

Communities) tot boven de 20 miljoen

in het scenario met de hoogste

bevolkingsgroei (Global Economy). De

verwachting is dat na 2035 de bevolking

alleen in en om de grote steden in West-

Nederland nog licht zal blijven groeien

(behalve in het Regional Communities

scenario, daarin daalt het). Binnen de

Randstad groeit de Noordvleugel sneller

dan de Zuidvleugel. Tegelijk vindt er

groeiende migratie plaats vanuit de

Randstad naar aangrenzende regio’s

als de Kop van Noord-Holland, West-

Brabant, Flevoland en Gelderland.

Met name in de steden zal de trend

aanhouden dat huishoudens gemiddeld

steeds kleiner worden; het aantal

huishoudens stijgt naar verwachting

van 7,1 miljoen nu tot 8,1 miljoen in

2035. Tot 2040 zullen er in Nederland

nog tussen de 500.000 en 1.500.000

woningen worden bijgebouwd. Door

toenemende welvaart, individualisering

en diversificering binnen de samenleving,

worden steeds hogere en steeds

gevarieerdere eisen gesteld aan de

leefomgeving.

Volgens de gehanteerde scenario’s ligt

het BBP per hoofd van de bevolking

in 2040 tussen 30% en 120% hoger

dan nu. De Randstad zal van de

economische groei van Nederland naar

verwachting meer dan de helft voor zijn

rekening nemen. Door welvaarts- en

bevolkingsgroei neemt de potentiële

schade door overstromingen in dit deel

van Nederland dus sterk toe).

Door ontwikkelingen op de wereldmarkt,

wordt de laagwaardige industriële

productie (de ‘maakindustrie’) steeds

meer naar elders (China, India,

Brazilië, Oost-Europa) verplaatst. Ook

dienstverlening en R&D verplaatsen

zich naar buiten de EU. Nederland, de

Randstad in het bijzonder, zal het in

toenemende mate moeten hebben van

de kenniseconomie en de ontwikkeling

van hoogwaardige technologieën.

Nieuwe opkomende bedrijvigheid

zijn de culturele productie en de

creatieve economie. Groei is er ook

in de commerciële dienstensector en

in de gezondheids- en welzijnszorg.

De betekenis van de grondgebonden

landbouw zal in de Randstad afnemen.

*Bron: Milieu en Natuur Planbureau. Nederland Later.

Tweede Duurzaamheidsverkenning, deel Fysieke

leefomgeving Nederland. Den Haag, 2007.

Nederland Later

Woningen aan het water in Lelystad

samen werken met water 33

de Waddenzee (het eerst) de zeespiegelstijging niet bij kunnen houden en hun

huidige vorm gaan verliezen. Dit zal ook gebeuren met de buitendijkse kwelders

van de Waddeneilanden.

Nederland ooit

De maatschappelijke, sociaal-economische en demografische ontwikkelingen

en de verdere groei en verdeling van de welvaart zijn op de lange termijn van

minstens zo’n grote betekenis als de fysieke uitdagingen voor de waterveiligheid.

Maar prognoses voor een dergelijk verre tijdshorizon (2100-2200) zijn per

definitie zeer onzeker. We hoeven slechts in gedachten terug te gaan naar

het jaar 1900 of 1800 om de hachelijkheid in te zien van een poging ons een

voorstelling te maken van hoe de wereld er over 100 of 200 jaar uit zou kunnen

zien. Hadden we de grootvaders van onze grootmoeders kunnen uitleggen hoe

het is te leven in een wereld met gemotoriseerd wegverkeer, trans-Atlantische

luchtverbindingen, elektriciteit, ruimtevaart, ICT en gentechnologie?

Tot ongeveer 2040 zijn door verschillende instanties in binnen- en buitenland,

waaronder de Nederlandse planbureaus, scenario’s ontwikkeld. Voor de verdere

toekomst neemt de mate van onzekerheid zienderogen toe. De commissie heeft

zich van verschillende zijden laten adviseren over mogelijke toekomstscenario’s

voor de langere termijn. De Deltacommissie ziet ruimtedruk en bereidheid tot

investeren als de dominante variabelen voor de lange termijn. De ruimtedruk

bepaalt hoe gemakkelijk er fysieke oplossingen voor waterveiligheid gevonden

kunnen worden en in hoeverre er behoefte is aan multifunctionele oplossingen.

De bereidheid tot investeren is de resultante van de maatschappelijke

afwegingen die anno 2100 of 2200 worden gemaakt, maar zal hoe dan ook

sterk afhangen van de stand van de economie en van het welvaartspeil dat we

op dat moment genieten.

Behalve op ruimtedruk en investeringsbereidheid, wijst de commissie ook

op het belang van de mate waarin grensoverschrijdend -met name met

Duitsland- wordt samengewerkt, en de technologische ontwikkelingen. De

verschillende oplossingsrichtingen die de commissie aanbeveelt, zullen op hun

toekomstvastheid worden getoetst.

34 deltacommissie 2008

3. Nederland wordt door in totaal 3600 km

primaire keringen tegen overstromingen

beschermd; meer dan driekwart hiervan

(2767 km) zijn zgn. a-keringen: primaire

waterkeringen die behoren tot stelsels

die dijkringgebieden omsluiten en direct

buitenwater keren. Bron: Toekomst voor het

polderconcept, blz. 5.

4. Brief staatssecretaris van V&W over de Voortgang

van de verkenning Waterveiligheid

21ste eeuw (WV21). Tweede Kamer 2006-2007,

27 625, nr. 79.

5. De gevolgen van de overstroming van

Zuidwest-Nederland van 1 februari 1953

waren 1836 slachtoffers, 100.000 evacués,

ruim 1,5 miljard gulden schade en een periode

van 1 jaar voordat ondergelopen gebieden

weer drooggepompt waren.

6. Tweede Kamer 2007-2008, 30 821, nr. 6.

7. Kind, J. Kengetallen kostenbaten analyses

Waterveiligheid 21e Eeuw. Eindconcept april

2008. Rijkswaterstaat Waterdienst.

8. Primaire waterkeringen getoetst. Landelijke

rapportage toetsing 2006 (Inspectie Verkeer

en Waterstaat, Lelystad, 2006).

9. I n de Randstad zullen er naar verwachting van

CBS, CPB en RPB tot 2030 circa 400.000

woningen bij komen. Op nationale schaal

heeft het rijk voor de periode tot 2020 alleen

al in de categorie ‘transport en vervoer’

ruimtelijke investeringen ter waarde van bijna

90 miljard euro ingeboekt. Investeringen

in bijvoorbeeld waterbeheer, stedelijke- en

plattelandsgebieden en energie, die ook in de

miljarden lopen, komen daar nog bij. Bron:

Kennis voor een KlimaatBestendig Nederland

(KBN). Een voorstel voor een Kennisprogramma

in het kader van de FES investeringsronde

(april 2006).

10. KNMI Climate Change Scenarios 2006 for

the Netherlands. KNMI Scientific Report WR

2006-01.

11. Het IPCC-rapport en de betekenis voor Nederland

(PCC, mei 2007).

12. Het recente rapport van het KNMI ‘De toestand

van het klimaat 2008’ laat zien dat in meetreeksen

van de temperatuur voor Nederland

een duidelijke opwarming zichtbaar is. Nederland

is sinds 1950 twee keer zo snel opgewarmd

als de wereldgemiddelde temperatuur.

13. Zie bijlage 3, ‘Toelichting op door de Deltacommissie

gebruikte klimaatscenario’s’ en zie

achtergrondrapport Vellinga, waaraan de

volgende deskundigen hebben meegewerkt:

Pier Vellinga (Wageningen UR, Vrije Universiteit

Amsterdam), Caroline A. Katsman (KNMI),

Andreas Sterl (KNMI), Jules Beersma (KNMI),

John A. Church (CSIRO, Australië), Robert E.

E. Kopp (Princeton University, VS) Dick Kroon

(University of Edinburg, Schotland, Vrije Universiteit,

Amsterdam), Michael Oppenheimer

(Princeton University, VS), Hans-Peter Plag

(University of Nevada, VS), Stefan Rahmstorf

(Potsdam Institute for Climate Impact

Research, Duitsland), Jeff Ridley (Meteorological

Institute, VK), Hans von Storch (GKSS,

Geesthacht, Duitsland), David G. Vaughan

(British Antarctic Survey, VK), Roderik S.W.

van der Wal (IMAU, Universiteit Utrecht), Wilco

Hazeleger (KNMI), Natasha Marinova (Wageningen

UR), Ralf Weisse (GKSS, Geesthacht,

Duitsland), Jason Lowe (Hadley Centre for

Climate Prediction, VK), Henk van den Brink

(KNMI), Reindert Haarsma (KNMI), Erik van

Meijgaard (KNMI),Hans de Vries (KNMI), Jaap

Kwadijk (Deltares), Rita Lammersen (RWS

Waterdienst).

14. Door klimaatverandering stijgt de zeespiegel

met 12 tot 49 cm door thermische uitzetting

van de oceaan, 7 tot 18 cm door het afsmelten

van gletsjers, -1 tot 41 cm en met 13 tot

22 cm door het afsmelten van landijs van

respectievelijk Groenland en Antarctica, -5 tot

20 cm door lokale uitzetting oceaan.

M ogelijk effect van de verdeling van smeltwater

afkomstig van landijs over de oceanen, aangeduid

als gravitatie-effect, is op dit moment

onderwerp van wetenschappelijk debat, en

als zodanig niet meegenomen. De genoemde

separate bandbreedten zijn via een nietlineaire

sommatiemethode vertaald naar de

finale gecombineerde bandbreedte (zie

bijlage 3)

15. Isostatie: waar de bodem in Scandinavië na het

smelten van de ijspakken (en dus het wegvallen

van het gewicht daarvan) na de laatste

ijstijd(en) nog altijd opveert, kantelt als tegenhanger

daarvan de aardschol in onze regio. In

Noord-Holland zakt het ca. 8 cm per eeuw en

in Zuid-Limburg stijgt het ca. 10 cm per eeuw.

Compactie of inklinking: verdichting van het

sediment van zee en rivieren door eigen gewicht,

kruip en andere natuurlijke processen.

Jonge sedimenten kunnen compacter worden

dan oudere, dieper afgezette grondlagen.

16. De diepste delen van Nederland zakken

nauwelijks meer door compactie. Het zijn

voornamelijk droogmakerijen en deze hebben

veelal een kleibodem. De ondiepere

veenpolders zakken wel, maar hiervan ligt de

bodem in de regel 2 – 3 m hoger dan die van

de droogmakerijen.

17. Recente satellietwaarneming toont aan dat

lokaal de autonome bodemdaling langs de

kust mogelijk 4 keer groter is (deformatiestudie

Hondsbossche en Pettemer Zeewering

met behulp van radarinterferometrie, Hansje

Brinker Dijkmonitoring 2008). Dit correspondeert

met een relatieve zeespiegelstijging van

0,95 tot 1,60 m in 2100. In het binnenland zal

in veengebieden de inklinking van de bodem

doorgaan als het huidige landgebruik, waarbij

sprake is van ontwateringsystemen, in stand

blijft. De afgelopen eeuw is de bodem in de

veengebieden van het Groene Hart gemiddeld

40 cm gezakt, met lokale uitschieters naar

meer dan 1 m.

18. Zonder rekening te houden met mogelijke effecten

van het gravitatie-effect.

19. I n het kader van het voor de Deltacommissie

uitgevoerde onderzoek zijn door paleoklimatologen

nog aanvullende verkenningen

uitgevoerd. Deze onderzoekers hebben de

afgelopen tientallen jaren onderzoek gedaan

naar de snelheid van de zeespiegelstijging in

het verleden, met name in de aanloop naar

de voorgaande warme periode, ongeveer

122.000 jaar geleden. De resultaten van deze

analyses zijn niet direct vergelijkbaar met de

projecties van de klimaatmodellen omdat ze

op een heel andere manier tot stand komen,

via zogenaamde proxy data. De resultaten

echter, geven wel een duiding van wat er in

het verleden is gebeurd in een situatie die wat

betreft ijsbedekking over de aardbol grote

gelijkenis vertoont met de huidige situatie. De

paleo-klimatologische schattingen voor de

wereldgemiddelde stijging van de zeespiegel

komen uit op een mogelijke zeespiegelstijging

van 50-70 cm in 2050, 140-190 cm in 2100

en 310-430 cm in 2200 .

20. Het zandtekort groeit met 7 miljoen m3 per mm

stijging van de zeespiegel per jaar.

21. Voor het berekenen van de veranderingen

in maatgevende afvoer is naast de KNMI

2006-scenario’s ook directe output van

klimaatmodellen gebruikt. Dit vanwege de

grote gevoeligheid van de piekafvoeren voor

veranderingen in de variabiliteit van meerdaagse

neerslag en het feit dat een mogelijke

verandering van deze variabiliteit onvoldoende

is meegenomen in KNMI 2006-scenario’s.

22. D eltares. ‘Klimaatbestendigheid van Nederland

Waterland, knikpunten in beleid en beheer.’

Delft, 2008

23. R ijkswaterstaat/Deltares: Beantwoording Kennisvragen

Deltacommissie, een samenvatting

(2008)

24. R ijkswaterstaat/Deltares: Beantwoording Kennisvragen

Deltacommissie, een samenvatting

(2008)

25. R ijkswaterstaat/Deltares: Beantwoording Kennisvragen

Deltacommissie, een samenvatting

(2008)

26. R ijkswaterstaat/Deltares: Beantwoording Kennisvragen

Deltacommissie, een samenvatting

(2008)

27. Kind, J. Kengetallen kostenbaten analyses

Waterveiligheid 21e Eeuw. Eindconcept april

2008. Rijkswaterstaat Waterdienst

28. R ijkswaterstaat/Deltares: Beantwoording Kennisvragen

Deltacommissie, een samenvatting

(2008)

29. Hierbij past de kanttekening dat de meeste

van onze polders overgedimensioneerd zijn.

Doordat ze vaak waren ingericht op molenbemaling

was een relatief grote berging nodig.

30. R ijkswaterstaat/Deltares: Beantwoording Kennisvragen

Deltacommissie, een samenvatting

(2008)

Het Groene Hart

samen werken met water 35

36 deltacommissie 2008

samen werken met water 37

Rond 1800 woonden in ons land ongeveer 2 miljoen mensen en stonden elke

winter grote delen van laag Nederland maandenlang onder water doordat

laaggelegen grasland als winterberging voor het boezemwater fungeerde.

‘Watersnoden die het gevolg waren van dijkdoorbraken aan de kust of langs

de grote rivieren waren in de decennia voor en na 1800 rampen die zich om

de paar jaar herhaalden.’31 Anno 2008 slagen we erin de voeten van meer dan

16 miljoen inwoners vrijwel permanent droog te houden. Onze kennis van

de waterstaat en ons vermogen het water zo te laten stromen als we willen,

is de afgelopen eeuwen geweldig toegenomen. De opgave om Nederland een

welvarend en veilig land te houden waarin we over voldoende schoon zoet

water beschikken voor mens en natuur, kunnen we dan ook met vertrouwen ter

hand nemen: we hebben hiervoor de tijd, de kennis en de middelen.

Een nieuwe koers

De gevolgen van de verwachte klimaatverandering zullen de veiligheid van

onze laaggelegen delta wel veel meer onder druk zetten. Bovendien zijn we in de

loop van de tijd ook andere waarden als beschermwaardig gaan beschouwen;

waarden die niet zo gemakkelijk in geld zijn uit te drukken, zoals natuur en

cultuurhistorie (landschap, archeologie en gebouwen). Dit maakt deel uit van

het streven naar duurzame ontwikkeling, die kenmerkend is voor de 21ste eeuw.

Deze combinatie van factoren maakt het noodzakelijk dat we een nieuwe

koers uitzetten voor de toekomst. Gevraagd wordt een leefomgeving waarin

mensen zich thuis voelen, waar ondernemers zich welkom weten, waar de

natuur de ruimte heeft en waar wonen, werken en recreëren door hoogwaardige

infrastructuur comfortabel en snel met elkaar verbonden zijn. Daarvoor is meer

nodig dan veiligheid alleen.

Hoewel we uit de geschiedenis weten dat er vaak een ramp nodig is voordat

tot actie wordt overgegaan, is het zo niet altijd gegaan. Daarnaast zijn er in het

verleden vaak grote ruimtelijke, infrastructurele beslissingen genomen zonder

dat men alle consequenties ervan kon overzien. Denk aan de besluiten tot

aanleg van de Nieuwe Waterweg en het Noordzeekanaal.32 Toch was men ervan

overtuigd dat het een goed besluit was, omdat het uitging van een krachtige visie

en een helder toekomstbeeld.

Voor zo’n instelling wil de commissie pleiten: laat iedereen zich een beeld

durven vormen van wat eraan kan komen en vooruit denken op welke wijze

deze uitdagingen kunnen worden aangegaan. Of beter: op welke wijze kansen

voor de toekomst kunnen worden gecreëerd.

3 Vanuit een samenhangende visie

kansen creëren

Kust ter hoogte van Ter Heijde

38 deltacommissie 2008

Een duurzaam perspectief, kansen voor de toekomst

De Deltacommissie beschouwt de lange termijnbescherming van de delta en de

ruimtelijke inrichting van kust en achterland vanuit een samenhangende visie.

Regionale afwegingen voor ‘specifieke’ vraagstukken moeten steeds integraal en

vanuit landelijk perspectief gemaakt worden. Het advies van de Deltacommissie

richt zich dan ook op het hoofdwatersysteem. Maar de uitwerking van de

aanbevelingen zal veelal op gebiedsniveau moeten plaatsvinden. Voor gedragen

en voldragen beslissingen over de gewenste investeringen is bovendien goede

betrokkenheid van maatschappelijke partijen een wezenlijke voorwaarde. Ook

dit is een aspect dat bij uitstek op regionale schaal invulling kan krijgen.

Om tot een klimaatbestendige inrichting van het land te komen, zullen regionale

opgaven integraal moeten worden aangepakt; de aanpak van de wateropgave

kan niet los worden gezien van de aanpak van de opgaven op het gebied van

natuur, landschap en stedelijke ontwikkeling.

De visie van de commissie vormt de brug tussen de opgaven die zij voor zich ziet

en de oplossingsrichtingen die zij daarvoor aanbeveelt. Aan het begin van de

21ste eeuw moet geen blauwdruk worden ontworpen voor het Nederland aan het

einde van de 22ste eeuw. Maar er moet worden voorkomen dat mogelijkheden

onbenut blijven om voor latere generaties nu voorwaarden te scheppen voor een

goede leefomgeving. De Deltacommissie grijpt de historische kans graag met

beide handen aan om hiervoor een visie te geven, waarvan een Deltaprogramma

met concrete maatregelen wordt afgeleid.

Nieuwe uitdagingen zijn door de Nederlandse bestuurders en waterbouwers

vaak als een bron voor vernieuwingen opgevat. Dat hoeft in de toekomst

niet anders te zijn: klimaatverandering en zeespiegelstijging openen nieuwe

perspectieven. Door nu weloverwogen richting te kiezen, voorkomen we

bovendien ingrepen waarvan we later spijt krijgen en neemt de kans toe dat de

gestelde doelen worden bereikt.

Ons toekomstbeeld

De commissie heeft voor de inrichting van Nederland op de lange termijn,

dat wil zeggen tot einde volgende eeuw, het volgende toekomstbeeld voor

ogen. Heel Nederland blijft een aantrekkelijk land om te wonen, werken,

investeren en recreëren. Veiligheid én duurzaamheid zijn de twee pijlers waarop

de strategie voor de komende eeuwen gebaseerd moet zijn. Duurzaamheid

vat de commissie op als het streven naar een zo efficiënt mogelijk gebruik

van water, energie en andere grondstoffen, zodanig dat de kwaliteit van de

leefomgeving behouden blijft of zelfs verbeterd wordt. De ontwikkeling naar

dit toekomstbeeld moet door en voor elke generatie zodanig vorm krijgen

dat voorzien wordt in de eigen behoeften, zonder de mogelijkheden van

toekomstige generaties om in hun behoeften te voorzien in gevaar te brengen.

Dit betekent onder andere dat overheid, bedrijven en huishoudens zuinig

omgaan met water, energie, sediment en andere grondstoffen, en zorgen voor

hergebruik van materialen (gesloten kringlopen).

samen werken met water 39

Bij de inrichting van het land wordt zoveel mogelijk aangesloten bij natuurlijke

processen. Een (gedeeltelijk) nieuwe biodiversiteit en nieuwe, aantrekkelijke

landschappen kunnen opbloeien als we meer ruimte bieden aan de dynamiek

van zee en rivieren. In waterbergingsgebieden, op nieuw land of op dijken

kunnen (aangepaste) woonmilieus gecreëerd worden. De mogelijkheden voor

verschillende vormen van energiewinning op zee en aan de kust (windmolens,

getijden- en osmose-energie) zijn veelbelovend. Door het ontwikkelen en

toepassen van duurzame energiebronnen wordt tegelijk de uitstoot van

broeikasgassen teruggedrongen en worden functies gecombineerd.

De Randstad blijft het hart van ons land: daar wonen de meeste mensen,

daar wordt het grootste deel van ons nationaal inkomen verdiend. Ook in

cultuurhistorisch opzicht en voor de voedselvoorziening blijft het laaggelegen

deel van ons land van internationale betekenis. Natuur, landschap en bijzondere

architectuur blijven kostbare goederen, in laag en hoog Nederland. De belangrijke

mainports leveren ook in de toekomst een wezenlijke bijdrage aan de

welvaart van ons land; Nederland handhaaft zich als internationaal knooppunt

van goederen, diensten en kennis. Verplaatsen van dit alles is niet nodig en zou

enorme kosten en een enorme kapitaalvernietiging met zich mee brengen.

Er blijft genoeg (zoet) water beschikbaar voor de functies waarvan het

belangrijk is dat ze hierover kunnen beschikken: drinkwatervoorziening,

landbouw, natuur, industrie, transport. Bij het nemen van besluiten houden

zowel overheid als burgers rekening met water; zowel met de kansen die water

biedt om te wonen, werken, recreëren en investeren als met het tekort aan water

(water als schaars goed), wateroverlast en de bedreiging van water (hoogwater

van zee, rivieren en meren).

De beste strategie om Nederland op den duur veilig en aangenaam bewoonbaar

te houden, is door mee te ontwikkelen met de klimaatverandering. Meebewegen

met en gebruik maken van de natuurlijke processen waar dat mogelijk is, leidt

tot oplossingen waaraan mens en natuur zich geleidelijk kunnen aanpassen.

Dit maakt het voor de verschillende functies – de aanleg van infrastructuur,

de reserveringen voor woningbouw en bedrijventerreinen, het gebruik van

grond voor landbouw, recreatie en natuur – ook beter mogelijk deze in

multifunctionele oplossingen te combineren. Doorgaans zullen dit ook de

oplossingen zijn die op termijn de laagste kosten hebben voor aanleg en

onderhoud. Dit zal vaak ook maatschappelijke meerwaarde opleveren, omdat

ze nieuwe mogelijkheden scheppen. Verandering van het waterpeil biedt

bijvoorbeeld nieuwe kansen voor recreatie en voor interessante woon- en

werkmilieus. Pogingen om de natuur te beheersen, zullen steeds grotere (en

duurdere) inspanningen vergen.

40 deltacommissie 2008

‘Een voor het gehele kustgebied geldend

systeem van beveiliging, waarbij goed

gefundeerde normen en richtlijnen

in acht worden genomen, kan niet

worden ontbeerd’, schreef de eerste

Deltacommissie. Haar veiligheidsbeleid

was gebaseerd op de risicobenadering:

de kans dat een overstroming in een

gebied plaatsvindt, vermenigvuldigd met

het gevolg van die overstroming.

Het maximale aanvaardbare risico (de

veiligheidsnorm) heeft men vastgesteld

aan de hand van drie analyses:

- een analyse van de meest ongunstige

waterstand die in de rampnacht van

1953 had kunnen optreden als alles

tegen had gezeten;

- een analyse van de frequentie van het

optreden van stormvloeden;

- een vergelijking van de kosten van

dijkversterking met de economische

waarde (inclusief verlies aan mensenlevens

en immateriële waarden) van

het dijkringgebied Centraal-Holland.

De Deltacommissie achtte de te

beschermen belangen voor Noord-

Holland even groot als voor Centraal-

Holland en koos voor een veiligheidsnorm

van 1/10.000 per jaar. Dit betekent

dat een extreme waterstand met een

frequentie van eens in de 10.000 jaar

redelijkerwijs gekeerd moet kunnen

worden. Voor de andere kustgebieden

vond men een veiligheidsnorm van

1/4.000 per jaar voldoende. Dit gezien

het verschil in te beschermen belangen.

Voor de rivieren is later een lagere

norm van 1/1.250 per jaar afgeleid,

uitgaande van een geringere schade bij

overstroming door zoet- dan door zout

water, het belang van de waarden van

landschap, natuur en cultuur(historie), en

de voorspelbaarheid van hoogwater op

de rivieren. Voor de overgangsgebieden

tussen kust en rivier (inclusief

IJsselmeergebied) kwam men tot de

overgangsnorm van 1/2.000 per jaar.

Bron: Advies eerste Deltacommissie (1960) en

Waterveiligheid 21e eeuw Synthesedocument (2008)

De risicobenadering van de eerste Deltacommissie

De eerste opgeleverde kering van de Deltawerken: De Hollandse IJsselkering bij Krimpen aan de IJssel.

samen werken met water 41

Uitgangspunten

De commissie hanteert een aantal normatieve uitgangspunten, die leidend zijn

bij het kiezen van de paden om het toekomstige Nederland te bereiken:

1. Nederland blijft de veiligste delta in de wereld. We houden Nederland

bewoonbaar.

2. Waar dit kan, bewegen we mee met de natuurlijke ontwikkelingen die

het gevolg zijn van klimaatverandering en andere natuurlijke processen.

We bouwen en ontwikkelen het land zoveel mogelijk in harmonie met

ecologische processen.

3. De commissie kiest voor een brede definitie van het begrip ‘waterveiligheid’.

Tot die definitie worden gerekend: mensen (voorkomen van slachtoffers),

bescherming van economische-, ecologische- en cultuur(historische) waarden,

het voorkomen van beschadiging van de internationale reputatie van ons land

en het voorkomen van maatschappelijke ontwrichting.

4. Waterveiligheid is voor heel Nederland van belang: als ergens in het

land een catastrofale dijkdoorbraak plaatsvindt, heeft dit ontwrichtende

gevolgen voor heel Nederland. Waterveiligheid is een collectieve, nationale

verantwoordelijkheid. Dat was het van oudsher en dat blijft ook zo. De

overheid waarborgt dit. Vanuit die collectieve verantwoordelijkheid wordt

het solidariteitsbeginsel gehanteerd: iedereen (ongeacht de woonplaats) heeft

belang bij waterveiligheid en draagt daar daarom financieel aan bij. Aandacht

en zorg van de huidige generatie vergroten de mogelijkheden van en beperken

de risico’s voor toekomstige generaties. Daarom is ook solidariteit tussen de

generaties noodzakelijk.

5. De bescherming tegen hoogwater vindt plaats in goede samenwerking met

onze buurlanden en binnen de gemeenschappelijk bepaalde EU-kaders.

6. De commissie kiest ervoor om de methodiek van de vorige Deltacommissie

als uitgangspunt te nemen, gebaseerd op een risicobenadering. Dit impliceert

maatregelen voor waterveiligheid die gericht zijn op het beperken van zowel

kansen op als gevolgen van overstromingen.

7. De kans op dodelijke slachtoffers als gevolg van een overstroming moet

ten opzichte van de huidige situatie substantieel kleiner worden.33 De

kans op overlijden door overstroming mag voor iedere Nederlander in

overstroombaar gebied (binnen een dijkring) niet groter zijn dan een bepaald

basisniveau. De commissie dringt bovendien aan op maatregelen om de kans

op grote aantallen slachtoffers door overstromingen met gerichte maatregelen

te verminderen. De manier waarop aan dit streven invulling wordt gegeven,

kan per gebied verschillen.

Een vernieuwde risicobenadering34

De commissie houdt vast aan de risicobenadering die door de eerste

Deltacommissie tot uitgangspunt is verheven. Beheersing van risico’s van

overstroming vindt plaats door een combinatie van maatregelen die de kansen

beperken (bijvoorbeeld hoge en sterke waterkeringen) en maatregelen die

de gevolgen beperken (bijvoorbeeld vanuit de regelgeving op het gebied

van ruimtelijke ordening of door zonering, compartimentering, alarmering,

vluchtplannen, vluchtroutes, vluchtplaatsen). De combinatie van maatregelen

wordt afgestemd op het karakter van de potentiële ramp en de kenmerken van

de betreffende dijkring. Er moet sprake zijn van maatwerk. Het onderzoek dat

plaatsvindt in het kader van Veiligheid Nederland in Kaart35 biedt hiervoor

de mogelijkheden. Voorgesteld wordt primair te blijven sturen op kansen,

aangezien dit bewezen heeft het meest effectief te zijn.

42 deltacommissie 2008

Het zijn de te beschermen belangen die het niveau van waterveiligheid

bepalen. De eerste Deltacommissie hanteerde een definitie van het begrip

veiligheid die alleen betrekking had op economische schade en slachtoffers.

De nieuwe Deltacommissie meent dat voor het vaststellen van het gewenste

veiligheidsniveau meer aspecten moeten worden meegewogen. Zij is van mening

dat het beschermingsniveau moet worden bepaald door:

~ de kans voor ieder individu om te overlijden door een overstroming;

~ de kans op grote aantallen slachtoffers in één keer;

~ de potentiële schade, waarbij meer dan alleen de economische schade

beschouwd moet worden.

Waterveiligheid hoogste prioriteit

Een mensenleven is overal evenveel waard en de kans op overlijden als gevolg

van een overstroming moet daarom overal op een maatschappelijk overeen

te komen basisniveau worden gerealiseerd. In het ‘externe veiligheidsbeleid’36

gericht op bescherming van personen en milieu tegen ongevallen bij industriële

installaties, transport en opslag van gevaarlijke stoffen, treinemplacementen

en in het luchtverkeer - wordt dat het Individueel of Plaatsgebonden Risico

genoemd. Hiervoor wordt de waarde van 10-6 (één op een miljoen) per jaar

aangehouden. De commissie stelt voor om deze waarde ook te hanteren als het

basisniveau dat overal (binnen elke dijkring) voor waterveiligheid van kracht

moet zijn. Dat wil zeggen dat overal in (overstroombaar) Nederland de kans dat

iemand overlijdt door een overstroming, niet groter dan één op een miljoen per

jaar mag zijn.

Momenteel is de kans op grote aantallen dodelijke slachtoffers in één keer

(het Groepsrisico) door een overstroming veel groter dan het risico van alle

andere hierboven genoemde terreinen waarvoor het extern veiligheidsbeleid

geldt, bij elkaar opgeteld. Dit vindt de commissie niet acceptabel: grote

aantallen slachtoffers vanwege een overstroming moeten worden vermeden.

Op dit moment is er nog geen geaccepteerde maat voor het Groepsrisico voor

overstromingen beschikbaar.37 Daarom dringt de Deltacommissie aan om op

basis van nader onderzoek zo’n maat voor Groepsrisico voor overstromingen te

ontwikkelen.

Als derde pijler voor het bepalen van het gewenste waterveiligheidsniveau ziet

de commissie het belang van het vermijden van schade door een overstroming.

Deze schade moet op basis van de huidige kennis en maatschappelijke

opvattingen worden beschouwd. Dit betekent dat directe en indirecte

kosten van een overstroming binnen en buiten het overstroomde gebied

meegenomen moeten worden, maar ook een monetaire waardering van

landschappelijke, natuurlijke en cultuur(historische) waarden, reputatieschade

en maatschappelijke ontwrichting. Door optimalisatie van de kosten en de

baten (vermeden schade) van beschermingsmaatregelen, kan voor dit element

een maat in de vorm van een overstromingskans worden vastgesteld.

Deze drie elementen moeten tezamen resulteren in één aangepaste norm voor

waterveiligheid voor elke dijkring. De waterveiligheidsnorm wordt uitgedrukt

in maximaal aanvaardbare kansen. Regelmatig (gekoppeld aan de EU-richtlijn

Overstromingsrisico’s) is herijking van de waterveiligheidsnorm nodig, aangezien

(de voorspelling over) het klimaat verandert en de potentiële gevolgen

veranderen (vanwege sociale en economische ontwikkelingen). Met deze

samen werken met water 43

aanpak blijft het principe van ruimtelijke differentiatie van veiligheidsniveaus

zoals door de vorige Deltacommissie geïntroduceerd, gehandhaafd, maar

is er wel een basisveiligheidsniveau voor iedereen. Bij de uitwerking van de

drie elementen kan blijken dat er, ten opzichte van de huidige situatie, meer

ruimtelijke differentiatie ontstaat. De commissie is daarbij wel van mening dat

binnen samenhangende groepen van dijkringen de gelijkheid gewaarborgd moet

worden, en dus regionaal sterk variërende differentiatie niet wenselijk is.

De inzichten in hoe de drie elementen uitwerken in een nieuwe norm zijn nog

niet compleet. Nadere uitwerking is nodig. Echter, de commissie vindt het

vaststellen van veiligheidsniveaus niet iets dat enkel op basis van rekenexercities

moet plaatsvinden. In het licht van wat nu reeds bekend is, waarbij de

commissie het veel grotere ‘maatschappelijke’ risico voor overstromingen nog

eens wil benadrukken, is zij van mening dat de aangepaste norm in ieder geval

moet leiden tot een hoger veiligheidsniveau dan het huidige. De commissie wil

dan ook duidelijk zijn op dit punt.

Om iedereen hetzelfde basisniveau van veiligheid te geven, zal naar verwachting

in de dijkringen van het rivierengebied de overstromingskans met een factor 10

verlaagd moeten worden. Om grote aantallen slachtoffers te voorkomen, moet

in meerdere dijkringen zowel aan de kust als in het (beneden)rivierengebied de

overstromingskans volgens de huidige inzichten eveneens met meer dan een

factor 10 verlaagd worden. Na zorgvuldige afweging komt de commissie tot

het oordeel om de overstromingskansen voor alle dijkringen (de aangepaste

norm voor waterveiligheid) ten opzichte van de huidige normen minimaal

met een factor 10 te verminderen en dus het veiligheidsniveau met een factor

10 te verhogen. Deze huidige normen worden hierbij door de commissie

geïnterpreteerd als overstromingskansen.38 De nadere uitwerking van de

drie elementen voor de norm mag volgens de commissie alleen met een zeer

deugdelijke onderbouwing leiden tot een lagere factor dan 10. Vanwege de

aanzienlijke risico’s voor grote aantallen slachtoffers39 verwacht de commissie

eerder dat voor meerdere dijkringen de nadere uitwerking zal leiden tot een nog

hogere factor waarmee de veiligheid verbeterd moet worden.

31. A uke van der Woud. Het lege land, blz. 23.

32. Van de Ven. De Nieuwe Waterweg en het

Noordzeekanaal: een waagstuk. Onderzoek in

opdracht van de Deltacommissie, 2008.

33. Het volledig uitsluiten van dodelijke slachtoffers

en maatschappelijke ontwrichting is onmogelijk.

34. Zie bijlage 4 voor een nadere toelichting op de

visie op veiligheid van de Deltacommissie

35. D oor het project Veiligheid van Nederland

in Kaart (VNK ) worden de kansen op en

de gevolgen van overstromingen van de

dijkringen in Nederland in kaart gebracht

volgens een nieuwe methode. De sterkte van

kunstwerken, inzicht in zwakke plekken in de

dijkring en het omgaan met onzekerheden in

kennis vormen belangrijke onderdelen van het

project.

36. Het besluit Externe Veiligheid (VROM, 2004)

bevat de hoogte van maatschappelijk acceptabele

risiconormen.

37. O p dit moment bestaat er geen oriëntatiewaarde

voor het Groepsrisico van overstromingen

(Beckers et al., 2008). Het risico per dijkring

is immers niet eenvoudig te vergelijken met

risico’s bij een inrichting of transport van

gevaarlijke stoffen, waar het gevolg afhangt

van een activiteit op één enkele locatie; een

overstroming treft meestal een substantieel

groter gebied. Ook zijn overstromingen van

een heel ander karakter dan de door menselijk

handelen veroorzaakte gevaren.

38. E en verbetering van de veiligheid met een factor

10 vergt naar schatting van de adviescommissie

Financiering Primaire Waterkeringen

(Commissie Vellinga) een investering van

9 miljard euro.

39. Jonkman, S.N., 2008. Schattingen Groepsrisico

ten behoeve van het advies van

de Deltacommissie. Memo 9T6387.AO/

NN0001/902968/Rott

44 deltacommissie 2008

samen werken met water 45

Zelfs al zouden we mondiaal de doelen van het Kyotoprotocol en zijn opvolgers

realiseren en zelfs al zou van vandaag op morgen de uitstoot van broeikasgassen

wereldwijd drastisch worden verminderd, dan nog zal de opwarming van de

aarde eeuwenlang na-ijlen. En dus weten we zeker dat we ons als laaggelegen

delta aan de Noordzee moeten voorbereiden op de gevolgen van:

~ zeespiegelstijging voor de bescherming van de Hollandse kust, het

Waddengebied en de Zuidwestelijke delta;

~ hogere rivierafvoeren voor de veiligheid langs de rivieren;

~ toenemende verzilting en lagere rivierafvoeren voor de watervoorziening in

droge zomers;

~ zeespiegelstijging voor de intergetijdengebieden in de Waddenzee en de

Zuidwestelijke delta;

~ en dit alles in combinatie met bodemdaling.

Om de gevolgen van klimaatverandering het hoofd te bieden, is naar de overtuiging

van de Deltacommissie ‘mee-ontwikkelen met de klimaatverandering

en andere ecologische processen’ de verstandigste strategie. Geleidelijkheid,

flexibiliteit (mogelijkheid tot bijsturen), kennis van natuurlijke processen

en kosteneffectiviteit zijn in deze strategie sleutelbegrippen. Meegaan met

natuurlijke processen waar dat kan, bouwen met de natuur, biedt mens en

natuur de beste kansen om zich aan de veranderende omstandigheden te

blijven aanpassen en geeft op termijn de minste kosten. In algemene zin moet

verder opgemerkt worden dat als zoet water in de toekomst schaarser wordt,

het nodig is om meer ruimte te vinden voor zoetwateropslag. De verwachting

is dat met toenemende schaarste de prijs van zoet water steeds hoger zal

worden. Dit zal bijdragen aan innovaties om effectiever met water om te

gaan. De Deltacommissie onderstreept het belang van sterke maatschappelijke

betrokkenheid bij de waterveiligheid van ons land. Alleen als er in de

samenleving – door bewoners en bedrijfsleven – bewust en behoedzaam met

het water wordt omgegaan, kan de noodzakelijke aanpak voor de bescherming

tegen overstromingen en een duurzame zoetwatervoorziening werkelijkheid

worden.

De commissie ziet drie tijdshorizonnen en wil haar aanbevelingen daarnaar

richten:

~ concrete maatregelen voor de periode tot 2050;

~ een duidelijke visie voor de periode tot 2100 en

~ beschouwingen voor de heel lange termijn na 2100.

Voor de korte horizon denkt de commissie dat het realistisch is met behulp

van beschikbare scenario’s te extrapoleren vanuit het verleden en heden. Voor

4 Werken aan de toekomst:

mee-ontwikkelen met het klimaat

Texel

46 deltacommissie 2008

de middellange termijn (2050-2100) wordt dit moeilijker - immers, de trend

is wel duidelijk maar het tempo van klimaatverandering is nog erg onzeker.

Maar omdat al op korte termijn moet worden voorgesorteerd op wat na 2050

in het verschiet ligt, vindt de commissie het verstandig dit ook op basis van

extrapolatie te doen en komt daarom ook met concrete aanbevelingen voor deze

termijn. Wel tekent de commissie hierbij aan dat bepaalde aanbevelingen (voor

de periode na 2050) in een ander daglicht kunnen komen te staan als scenario’s

zich heel anders ontwikkelen dan nu wordt gedacht. Op de heel lange termijn

is extrapolatie niet realistisch en zal vanuit mogelijke toekomstscenario’s

moeten worden teruggekeken (backcasting) en worden getoetst of maatregelen

doeltreffend zijn voor verschillende toekomstbeelden.

Alvorens de aanbevelingen op de korte en middellange termijn te verwoorden

in een Deltaprogramma, wordt een schets gegeven van de keuzes die Nederland

in het verleden heeft gemaakt die geleid hebben tot ons huidige samenhangende

watersysteem. Daarna volgt een verkenning van mogelijke conceptuele keuzes

voor het integrale watersysteem in de verre toekomst. Voor alle te maken

keuzes, wordt uitgegaan van de huidige situatie: ons huidige, samenhangende

watersysteem met de bijbehorende inrichting om aan de verschillende

gebruiksfuncties te kunnen voldoen. Tegelijk zijn de aanbevelingen in dit

advies voor de korte en middellange termijn zo gekozen dat op de lange termijn

verschillende opties zoveel mogelijk open blijven, zodat toekomstige generaties

nog de ruimte hebben om op basis van de dan geldende inzichten en waarden

hun eigen afwegingen te maken.

De commissie geeft in haar adviezen aan welke maatregelen vanuit het langetermijnperspectief

onontkoombaar zijn en hoe daarop vanaf nu kan worden

geanticipeerd (‘hoe-dan-ook maatregelen’). Het reserveren van ruimte en euro’s

voor later maakt van deze strategie een essentieel onderdeel uit. Uitdaging is om

steeds als dit tegen redelijke kosten mogelijk is, die oplossingen tot ontwikkeling

te brengen die bredere maatschappelijke meerwaarde bieden. De aanpak van de

opgaven op het gebied van waterveiligheid biedt immers kansen om ook andere

belangen en functies, zoals landbouw, natuur, recreatie, wonen, bereikbaarheid

en energievoorziening verder te ontwikkelen of te verenigen.

Ons watersysteem: een product van het werk van eeuwen

Om de kans op overstromingen te verminderen en landbouw (beter) mogelijk

te maken, zijn de Nederlanders al meer dan 1000 jaar geleden begonnen met

maatregelen als drainage en de inpoldering van intergetijdengebieden. Met

name in de Hollandse provincies zijn de afgelopen eeuwen meren drooggelegd,

waarvan het Haarlemmermeer als laatste (met behulp van stoomgemalen).

Midden 19e eeuw is de keuze gemaakt om de Amsterdamse haven via sluizen

met de Noordzee te verbinden en geen getijdenwerking via het Noordzeekanaal

toe te laten. Voor de regio Rotterdam is eind 19e eeuw met de aanleg van de

Nieuwe Waterweg gekozen voor vrije toegang tot de haven van Rotterdam.

De afvoer van Rijn en Maas vindt plaats via de Nieuwe Waterweg en het

Haringvliet.

De overstromingen van 1916 (Zuiderzee) en 1953 (Zuidwestelijke delta) hebben

geleid tot ingrijpende kustverkortingsmaatregelen: de aanleg van de Afsluitdijk

en de Deltawerken. De Waddenzee en Westerschelde zijn nu nog de enige twee

grote natuurlijke systemen die onder vrije invloed staan van stroming, getij en

samen werken met water 47

golven. Kenmerkend voor deze omvangrijke ingrepen van de vorige eeuw, is

de multifunctionele en integrale aanpak. Hierdoor zijn belangrijke voordelen

geboekt op het gebied van zoetwatervoorziening (via het IJsselmeer), voor de

landbouw (omvangrijke nieuwe arealen), de veiligheid tegen overstroming (tot

en met Amsterdam), ontsluiting van de eilanden, de ontwikkeling van recreatie

en watersport en natuurwaarden. Zo is in laag Nederland een intensief gebruikt

en sterk gereguleerd watersysteem ontstaan. De veiligheid tegen overstromen

wordt gewaarborgd door dijkringen.

De noordelijke provincies worden gekenmerkt door peilcontrole van het

zoete buitenwater (IJmeer, Markermeer en IJsselmeer) en een ‘natuurlijke’

Waddenzee. De commissie verwacht dat ook op de middellange en zeer lange

termijn deze keuzes verdedigbaar blijven.

De noodzaak tot het geleiden van de rivierafvoer via Zuidwest-Nederland vindt

zijn oorsprong in de historische inrichting van ons watersysteem. De commissie

voorziet dat al op middellange termijn het geleiden van grote rivierafvoeren

mede via de Nieuwe Waterweg tot moeilijk oplosbare veiligheidsproblemen

voor Rotterdam en de Drechtsteden gaat leiden. Vandaar dat de commissie

aanbevelingen doet om dit gebied bij extreme situaties vanuit zee en vanuit

de rivieren te beschermen, waarbij de extreme afvoeren geheel via de

Zuidwestelijke delta moeten worden afgevoerd. Op de heel lange termijn zou

bij een sterkere zeespiegelstijging en bij een tegenvallende economie de optie

om de Nieuwe Waterweg structureel te sluiten reëel kunnen worden. Het

scheepvaartverkeer zou dan via sluizen moeten worden bediend.

Voor de periode tot 2050 ziet de commissie mogelijkheden voor versterking

van het estuariene karakter van Zuidwest-Nederland, waarbij, als altijd,

rekening moet worden gehouden met de geleiding van hoge rivierafvoeren,

de zoetwatervoorziening en de veiligheid. Natuurlijk moeten de kwetsbare

stedelijke gebieden afdoende beschermd worden. Dit biedt tegelijk kansen voor

stedelijke ontwikkeling.

Voor de rivieren geldt: zo lang mogelijk het winterbed behouden en verruimen,

en zorgen voor voldoende veiligheid in aangrenzende polders.

Over de wijze waarop de financiering van de benodigde investeringen vorm kan

worden gegeven, wordt in het volgende hoofdstuk gesproken. In dit hoofdstuk

wordt een virtuele rondvlucht over de Nederlandse delta gemaakt – de kust, het

Waddengebied de Zuidwestelijke delta, het rivierenland en het IJsselmeer – om

vast te stellen welke oplossingsrichtingen geboden zijn om de waterveiligheid en

watervoorziening van ons land zeker te stellen. Zee en rivieren vloeien in elkaar

over; hoogwaterbescherming en zoetwatervoorziening maken onderdeel uit

van hetzelfde systeem. Vanuit dit brede, samenhangende perspectief vragen per

gebied verschillende opgaven specifieke aandacht.

Beheersen van overstromingsrisico’s

De waterveiligheidsnormen dateren uit de jaren zestig van de vorige eeuw.

Momenteel voldoet ongeveer een kwart van de waterkeringen niet aan die

geldende normen en van nog eens bijna een derde is niet bekend of ze voldoen. 40

Het Hoogwaterbeschermingsprogramma is erop gericht deze achterstand

in te halen. Het is overigens inherent aan de huidige toetssystematiek dat

48 deltacommissie 2008

zijn zo hoog, breed of sterk dat de kans

op een plotselinge en oncontroleerbare

overstroming vrijwel nihil is. Afhankelijk

van de specifieke situatie, verschilt

het karakter van de Deltadijk: de

precieze uitvoering vereist plaatselijk

maatwerk. Het kan in de vorm van

een doorbraakbestendige dijk, in de

vorm van een extra hoge dijk, een heel

brede dijk, of een van binnen extra

versterkte dijk (door het aanbrengen van

damwanden). Het gaat er om de risico’s

(ofwel de kansen, ofwel de gevolgen)

op een (economisch) optimale manier te

verminderen.

Punt van aandacht is dat Deltadijken

alleen dan effectief zijn als er geen

zwakke schakels in de dijkring zijn.

Eerste inzichten uit recent onderzoek

geven aan dat met de aanleg van

Deltadijken tegen relatief weinig kosten

de overstromingskans met een factor

van minimaal 100 gereduceerd worden

(Silva en Van Velzen, 2008). Er worden

praktijkexperimenten uitgevoerd

en voorbereid onder de noemers

COMCOAST1 en ‘Klimaatdijk’2.

Deltadijken kunnen, afhankelijk van

hun vorm, gecombineerd worden met

andere functies. In stedelijke gebieden

zouden Deltadijken bijvoorbeeld

kunnen worden gecombineerd met

projecten waarin bedrijventerreinen en

woonwijken opnieuw ingericht worden.

Wanneer infrastructuur in of op een dijk

wordt ondergebracht, ontstaat echte

ruimtewinst en ruimtelijke kwaliteit.

1. COMCOAST is een project waarin nieuwe manieren

worden onderzocht en experimenten worden uitgevoerd

voor inrichting en beheer van de kustzone

2. Klimaatdijk is een project van het onderzoekprogramma

Leven met Water.

Deltadijken...

‘Deltadijk’ in Japan

samen werken met water 49

er achterstanden ontstaan: achteraf wordt getoetst of de waterveiligheid

voldoet en pas als een waterkering wordt afgekeurd -en er dus sprake is van

achterstand-, worden verbetermaatregelen ingepland.

De commissie vindt dat de normen en de toetssystematiek moeten worden

aangepast (zie het vorige hoofdstuk en bijlage 4). Deze nieuwe normen dienen

zo snel mogelijk vastgelegd te worden (volgens de waterbeheerders is 2013

hiervoor een haalbare datum) en bij het vastleggen van de nieuwe methodiek

moet aandacht worden gegeven aan de mogelijkheid om meer anticiperend

te kunnen toetsen. Hierdoor wordt het mogelijk om de noodzaak van

verbetermaatregelen te signaleren voordat de waterkering feitelijk niet meer

voldoet. Door dan tijdig de maatregelen uit te voeren, wordt voorkomen dat er

achterstanden ontstaan.

De maatregelen om het veiligheidsniveau met minimaal een factor 10 voor

alle dijkringen te verhogen, moeten voor 2050 zijn uitgevoerd. Daar waar

bij nadere onderbouwing het veiligheidsniveau nog (veel) verder omhoog

moet om grote aantallen slachtoffers te voorkomen, acht de Deltacommissie

het essentieel de kans op of de gevolgen van plotselinge en onbeheersbare

overstromingen sterk te reduceren. Te allen tijde moet immers vermeden

worden dat door diepe bressen langdurig en met veel geweld grote hoeveelheden

water kunnen binnenstromen. De commissie beveelt hiervoor het concept van

de ‘Deltadijken’ aan: dijken die door hun breedte, hoogte of interne constructie

zo sterk zijn, dat een plotselinge onbeheersbare overstroming vrijwel uitgesloten

is (zie box ‘Deltadijken…’). De precieze uitwerking van dit concept vereist

plaatselijk maatwerk, rekening houdend met de te voorkomen gevolgen en de

eigenschappen en mogelijkheden van de waterkering ter plekke. Per gebied

moet op basis van kosteneffectiviteit bezien worden met welke maatregelen het

benodigde veiligheidsniveau het best bereikt kan worden.

De huidige veiligheidsniveaus van alle dijkringen moeten met een factor 10

verbeterd worden. Verdere uitwerking van de normen kan leiden tot een

hogere factor waarmee de veiligheid moet worden verbeterd. Alleen met een

zeer goede onderbouwing kan deze herijking tot een lagere factor leiden. De

aangepaste normen moeten zo snel mogelijk (2013) vastgesteld worden. Daar

waar sprake is van een verhoging van de veiligheid die groter is dan de factor 10

(bijvoorbeeld een factor 100) is het concept van de Deltadijk veelbelovend. Dit

concept moet daartoe op korte termijn verder worden uitgewerkt.

De benodigde maatregelen voor de verhoging van het veiligheidsniveau moeten

voor 2050 zijn gerealiseerd. Hierbij moet vanzelfsprekend rekening worden

gehouden met de voorziene klimaatverandering en de lange termijn visie van de

Deltacommissie.

De veiligheidsniveaus moeten met regelmaat, ‘gekoppeld’ aan de EU-richtlijn

Overstromingsrisico’s, geactualiseerd worden. Dit kan leiden tot de noodzaak

van aanvullende maatregelen.

Tot 2050

Na 2050

Aanbeveling 1

Veiligheidsniveau

50 deltacommissie 2008

In het project Urban Flood Management

in Dordrecht wordt, in samenwerking met

de steden Hamburg en Londen, kennis

ontwikkeld voor het toepassen van

duurzaam stedelijk hoogwaterbeheer,

waarbij risicobeheersing als integraal

onderdeel van de ruimtelijke

inrichting geldt. Buitendijks bouwen,

risicomanagement en kosteneffectiviteit

zijn hierbij belangrijke uitgangspunten.

Door ‘overstromingsbestendig’ te

bouwen, kunnen in buitendijkse

gebieden innovatieve en aantrekkelijke

woonconcepten tot stand worden

gebracht. De gemeente Dordrecht heeft

onlangs besloten op deze wijze 1000 tot

1200 woningen te realiseren.

Urban Flood Management (UFM)

Stadswerven van Dordrecht

samen werken met water 51

Aanbeveling 2

Nieuwbouwplannen

Wateroverlast

Voor het realiseren van een hoger veiligheidsniveau kunnen naast

veiligere waterkeringen en ruimte voor water, ook gevolgbeperkende

maatregelen worden ingezet. Hierbij kan onder andere gedacht worden aan

aangepaste bouwvoorschriften, het bouwen op een verhoogde ondergrond,

compartimentering en het afleiden van water van (woon)kernen via lage

dammen. Dit soort maatregelen vindt de commissie zeer geschikt voor de

bestrijding van de gevolgen van wateroverlast door overstromingen uit

regionale wateren en door zware regenval.

Bouwen in diepe polders en op slappe veengrond vereist extra inspanningen om

wateroverlast en schade door overstroming uit boezemwateren te voorkomen.

Vanwege bodemdaling en klimaatverandering kunnen in de toekomst de

kosten voor aanleg, beheer en onderhoud van infrastructuur en gebouwen

fors toenemen. De commissie acht een verbod op bouwen op deze fysisch

gezien ongunstige locaties niet zonder meer geboden: ruimte is nu eenmaal

schaars. De besluitvorming over nieuwbouwplannen, inclusief grootschalige

herstructurering in deze gebieden dient wel plaats te vinden op basis van

een integrale kosten-batenanalyse. De kosten als gevolg van lokale besluiten

moeten niet op een andere bestuurslaag of de samenleving als geheel worden

afgewenteld, maar gedragen worden door degenen die ervan profiteren.

Bovenstaande afwegingen spelen mede een rol in het afwegingskader

voor locatiekeuze, de inrichting van grootschalige projecten, gebiedsontwikkelingen

en investeringsprogramma’s die binnen het Nationale

Adaptatieprogramma Ruimte en Klimaat41 wordt ontwikkeld. De commissie

vindt een dergelijk afwegingskader een relevant instrument en is van mening

dat zo’n afwegingskader ook voor regionale en lokale afwegingen beschikbaar

moet komen. Daarbij is het van belang dat de waterbeheerder vroegtijdig bij

ontwikkelingen in de ruimtelijke inrichting betrokken wordt, zodat er geen

sprake kan zijn van vrijblijvendheid.

Besluitvorming over nieuwbouwplannen op fysisch ongunstige locaties dient

gebaseerd te zijn op een integrale kosten-batenafweging, waarin alle kosten

nu en in de toekomst voor alle partijen zijn berekend. De commissie acht het

onwenselijk dat de rekening van lokale besluiten op een andere bestuurslaag

of de samenleving als geheel wordt afgewenteld; zij moet bij degenen die ervan

profiteren in rekening worden gebracht.

Dit principe moet in een breder afwegingskader voor klimaatbestendigheid

worden ondergebracht dan op regionaal en lokaal niveau toegepast kan

worden. De waterbeheerders moeten in een vroeg stadium betrokken worden;

er mag geen sprake van vrijblijvendheid zijn.

52 deltacommissie 2008

Buitendijkse gebieden

Voor buitendijkse gebieden geldt dat de overheid er in principe geen

bescherming tegen overstromingen kan geven. Het gaat hier immers om

terreinen die, buitendijks, onder de directe invloed van rivierafvoer, meerpeil

of zeespiegel staan. Voor de kustplaatsen zijn veiligheidsniveaus afgesproken

voor de delen die buitendijks zijn gelegen. Deze worden door de overheid

gehandhaafd. In buitendijkse gebieden in het rivieren- en merengebied zijn geen

beschermingsniveaus vastgesteld. Bewoners en gebruikers hebben hier een eigen

verantwoordelijkheid voor het treffen van gevolgbeperkende maatregelen. De

commissie vindt dat dit in ieder geval voor alle nieuwe ontwikkelingen moet

gelden. De overheid informeert, adviseert, alarmeert en (eventueel) evacueert

en kan eisen stellen aan de aanleg, zoals bijvoorbeeld bij de Maasvlakte is

gedaan. Vanwege de waterstaatsfunctie van deze gebieden, zijn activiteiten en

ontwikkelingen er onderworpen aan eisen vanuit het waterbeheer, zoals de

Beleidslijn voor de Rivier: de afvoercapaciteit van de rivier (of een eventuele

toekomstige meerpeilstijging) mag niet belemmerd worden.

Binnen deze kaders kunnen in het buitendijkse gebied allerlei verschillende

woon- en werkmilieus ontstaan. Terpen in stroomluwe delen zijn een beproefde

optie; deze kunnen ook goed worden aangelegd met baggerspecie die vrijkomt

bij het op peil houden van vaargeulen en uiterwaarden. Andere mogelijkheden

zijn drijvend wonen of woningen op palen. Bij relatief geringe maar wel

frequent voorkomende overstromingen, kunnen woningen waterproof worden

gebouwd zodat het water niet in de woning kan komen.

Nieuwe ontwikkelingen in buitendijkse gebieden dienen de afvoercapaciteit

van de rivier en eventueel toekomstig peilopzet van meren niet te belemmeren.

Bewoners/gebruikers zijn zelf verantwoordelijk voor het treffen van

gevolgbeperkende maatregelen. De overheid heeft een faciliterende rol op het

gebied van voorlichten, informeren en waarschuwen.

Noordzeekust

De Noordzeekust bestaat uit de eilandkoppen in de Zuidwestelijke delta,

de Hollandse kust en het Waddengebied. Tegen de stijgende zeespiegel kan

Nederland zich blijven beschermen door de kustbescherming op orde te houden.

In principe kan hiervoor uit twee oplossingsrichtingen gekozen worden:

‘harde’ keringen, zoals stormvloedkeringen die voor een bepaalde stijging

zijn ontworpen, of zandsuppleties die ‘natuurlijk’ kunnen meegroeien met de

verandering van de zeespiegel (waar nodig en gewenst te combineren met lokale

harde maatregelen).

Zandsuppleties vormen de kern van ons huidige kustbeheer en bieden een

goede mogelijkheid om mee te ontwikkelen met het klimaat. Om de kust van

Zeeland tot en met het Waddengebied met de zeespiegel te laten meestijgen, is

7 miljoen m3 zand nodig voor iedere millimeter zeespiegelstijging.42

Een stijging van 6 - 12 millimeter/jaar (dat is 65 - 130 cm in 2100), vereist dan

40 - 85 miljoen m3/jaar.43

Als deze gangbare praktijk van zandsuppleties geïntensiveerd wordt, door

jaarlijks meer te suppleren dan louter nodig is voor de veiligheid, ontstaat

een geleidelijke kustuitbreiding. Zo kan bij een extra suppletievolume van

Aanbeveling 3

Buitendijkse gebieden

samen werken met water 53

40 miljoen m3/jaar, de Hollandse en Zeeuwse Noordzeekust over 100 jaar

ongeveer 1 kilometer richting de Noordzee zijn verbreed.44 Nadrukkelijk

moet dit niet worden uitgevoerd als een kustverbreding ineens, maar op een

geleidelijke wijze, die ruimte laat voor ecologische processen en in harmonie

met de ruimtelijke ordening kan plaatsvinden.

Een bredere kust biedt meer ruimte aan de natuur, waarmee veel van de

kwaliteit die de afgelopen 150 jaar aan de kust verloren is gegaan, teruggewonnen

zou kunnen worden.45 Het is daarvoor van belang dat er open,

afwisselende en dynamische leefgebieden voor plant- en diersoorten ontstaan,

met gradiënten van zoet en brak water zoals hier in het verleden ook bestonden.

Er komt ook meer ruimte voor recreatie beschikbaar en er kan op dit nieuwe

land lokaal hoogwaardige en hoogwaterbestendige bebouwing worden

gerealiseerd, zodat bestaande kustplaatsen de voordelen van hun ligging aan

zee kunnen blijven benutten. Bovendien is het zeer wel mogelijk ondergrondse

infrastructuur aan te leggen om de kust duurzaam te ontsluiten en de overige

infrastructuur te ontlasten. Een ander voordeel van een bredere kust is een

grotere zoetwatervoorraad in de duinen. Dat heeft bovendien een positief effect

op het terugdringen van zoute kwel. Kortom, een bredere kust biedt nieuwe

mogelijkheden en kan een belangrijke bijdrage leveren aan een aantrekkelijk

Nederland.46

Uit veiligheidsoverwegingen acht de commissie het zinvol om voor de benodigde

zandsuppleties uit te gaan van een zeespiegelstijging van 130 cm in 2100. Mocht

de zeespiegelstijging geringer zijn, kan de hoeveelheid worden bijgesteld.

Het voor suppleties benodigde zand is op het Nederlands deel van het

continentale plat voldoende aanwezig, hoewel het vanwege het toenemende

ruimtegebruik op de Noordzee wel noodzakelijk is de komende jaren de

vereiste winlocaties ruimtelijk te reserveren. Ook zal getoetst moeten worden

of suppleties zodanig plaatsvinden dat zij de draagkracht van de natuur niet

schaden, conform reeds bestaande nationale en Europese regelgeving. Ten

slotte zouden de toegepaste win- en transportmethoden energiezuiniger en

milieuvriendelijker kunnen worden door technologische vernieuwing en

grootschalige aanpak, zeker als in de toekomst langdurig een veel grootschaligere

inzet van baggerschepen in het verschiet ligt. De mogelijkheden

hiervoor lijken veelbelovend en nader onderzoek, met name naar de ecologische

consequenties, is noodzakelijk.

De commissie heeft uiteraard kennisgenomen van de ideeën die er zijn om

eilanden voor de kust te aan te leggen. Deze ideeën zijn door de commissie

vanuit het perspectief van waterveiligheid in beschouwing genomen (zie

bijlage 5 ‘Eilanden en kustriffen nader bezien’). Eilanden beperken de

golfwerking en golfoploop en kunnen daarmee een licht positief effect voor

de kustveiligheid hebben. In combinatie met diepe geulen en een uitgekiende

ligging, kan de hoogte van stormvloeden in beperkte mate afnemen. Maar

net als de bestaande kust moeten ook eilanden worden beschermd, zodat

het onderhoud aan de primaire kustkeringen aanzienlijk toeneemt; langs die

delen van de kust waar geen eilanden voor liggen, moet de veiligheid van de

kust ook nog steeds op orde gehouden worden. De aanleg van eilanden of

kunstriffen verstoort daarnaast het natuurlijk herstel van het oorspronkelijk

profiel na een stormperiode. Niet uitgesloten mag worden dat eilanden zullen

54 deltacommissie 2008

Figuur 7 Meegroeiboulevards

(Steef Buijs, Schetsen van ruimtelijke

ontwikkelingen ten behoeve van de

Deltacommissie, 2008)

(a) ‘meebewegende boulevard’ – verplaatsbare bebouwing:

demontabel, of rollend of drijvend.

(b) ‘transparante coulissen’ – nieuwe boulevard met transparante

bebouwing; oude boulevard behoudt uitzicht en bezonning.

(c) ‘gedraaide boulevard’ – omknikken huidige boulevard naar het

noorden; door haar steeds te verlengen, blijft het uiteinde in contact

met de zee.

(d) ‘baaiboulevard’ – kustverbreding uitgevoerd als ondiep binnenmeer,

verlenging van de bestaande boulevard kan er omheen groeien.

(e) ‘vlucht naar voren’ – nieuwe boulevard ver in zee aangelegd, als een

pier die later door de kustverbreding wordt ingehaald.

samen werken met water 55

Aanbeveling 4

Noordzeekust

Tot 2050

Na 2050

leiden tot vermindering van de stabiliteit van het kustprofiel en versterking van

de kustachteruitgang. Deze aspecten leiden ertoe dat de commissie, voor wat

betreft de waterveiligheid, kiest voor het principe van zandsuppleties voor de

kust.

Een reden om eilanden aan te leggen, is meestal het scheppen van extra ruimte,

bijvoorbeeld voor functies waarvoor op het vasteland moeilijk ruimte te vinden

is, zoals milieubelastende of scheepvaartgebonden activiteiten als een vliegveld

of energieopslag. Eilanden kunnen in principe ook voor land- en tuinbouw

gebruikt worden en voor recreatieve doeleinden, natuurontwikkeling en wonen.

‘Eilanden voor de kust’ kunnen dus nieuwe mogelijkheden scheppen. Vanuit

het oogpunt van kosteneffectiviteit biedt kustverbreding door zandsuppleties

meer mogelijkheden voor recreatie, natuur en wonen (uitbreiding van de

badplaatsen). Vandaar dat de commissie voor de maatschappelijke vraag rond

extra ruimte voor natuur en recreatie kiest voor kustuitbreiding. Voor andere

functies doet de commissie geen uitspraak.

Voor de kust kiest de commissie voor ‘bouwen met de natuur’. Voor de zandige

kust van Zeeland, Holland en de Waddeneilanden wordt de kustveiligheid

op orde gehouden door het suppleren van zand. Waar nodig worden

stroomgeulen verlegd. De commissie gaat tot 2050 uit van een hoeveelheid van

85 miljoen m3/jaar en houdt dus tot 2050 rekening met een zeespiegelstijging

van 12 mm/jaar.

Om tegemoet te komen aan maatschappelijke behoeften, adviseert de commissie

om de suppleties op zo’n schaal uit te voeren dat de kust de komende eeuw kan

aangroeien. Dit levert grote maatschappelijke meerwaarde voor Nederland op.

Op korte termijn moeten zandwinlocaties gereserveerd worden. Tevens moet

op korte termijn onderzoek worden gedaan naar hoe deze grote volumes in

termen van ecologie, economie en energie zo efficiënt mogelijk kunnen worden

gesuppleerd.

Afhankelijk van de zeespiegelstijging worden de suppleties gehandhaafd of

verminderd. Bij een minder grote stijging dan 12 mm/jaar (1,30 m in 2100),

draagt een eventueel surplus aan zand op dat moment bij aan extra ruimte voor

de kust en biedt veiligheid voor de periode na 2050.

56 deltacommissie 2008

Waddengebied

Door de zeespiegelstijging zal het huidige natuurlijke karakter van de

Waddenzee veranderen.47 Dit komt doordat bij toenemende zeespiegelstijging

de zandimport die in de Waddenzee nodig is om te kunnen meegroeien zodanig

groot wordt dat dit fysisch onverenigbaar is met de aanwezigheid van grote

oppervlakken getijdengebied.48

Met de zandsuppleties die de commissie voor de kust voorstelt, wordt in een

deel van de behoefte aan sedimentimport van de Waddenzeebekkens voorzien.

Hiermee wordt voor het Waddengebied en de waardevolle intergetijdengebieden

een bijdrage geleverd aan het meegroeien met de zeespiegelstijging.

Daarenboven moeten, om de Waddeneilanden veilig en bewoonbaar te houden,

de waterkeringen van de eilandpolders verbeterd worden of anders moet op

termijn worden overgestapt op een meer hoogwaterbestendige inrichting.

Tevens moeten de waterkeringen die Noord-Nederland beschermen op orde

gehouden worden.

Het voortbestaan van de Waddenzee zoals wij die nu kennen, is in het licht

van de klimaatverandering niet vanzelfsprekend. De zandsuppleties langs de

Noordzeekust dragen echter bij aan het meegroeien van het Waddengebied.

De ontwikkelingen moeten goed worden geobserveerd en geanalyseerd; de

commissie acht het van belang dit in internationale context te doen.

De bescherming van de polders van de Waddeneilanden en de kust van Noord-

Nederland moet gewaarborgd blijven.

De Zuidwestelijke delta

De Oosterscheldekering kan een zeespiegelstijging van 50 cm opvangen.

Mits goed onderhouden, is er in ieder geval tot ca. 2050 dan ook geen

veiligheidsprobleem. Daarna zullen aanvullende maatregelen moeten worden

getroffen. Hierbij kan onder meer worden gedacht aan andere sluitregimes

en het dichten van de kieren tussen de schuiven en de drempels, waardoor de

waterkerende werking van de stormvloedkering verbetert en de functionele

levensduur wordt verlengd. De verwachting is dat de Oosterscheldekering met

aanpassingen een zeespiegelstijging tot 1 m kan ‘doorstaan’.

Daar komt bij dat als gevolg van de Oosterscheldekering het ecosysteem

lijdt onder de te beperkte getijdenwerking. Zonder aanvullende maatregelen

zullen de waardevolle intergetijdengebieden al voor 2050 grotendeels onder

water verdwijnen (‘zandhonger’). Hoewel de commissie er op wijst dat een

Oosterschelde-estuarium met minder plaatareaal ook een waardevol systeem is,

vindt zij het van belang dat aanvullende maatregelen op korte termijn worden

genomen. Bijvoorbeeld in de vorm van zandsuppleties waarbij zand van buiten

naar binnen wordt gehaald en wordt aangebracht op de eroderende platen of

langs de dijken.49 In dat laatste geval wordt ook meteen een bijdrage aan de

waterveiligheid geleverd. In tegenstelling tot de Wadden dragen de suppleties

aan de Zeeuwse kust niet bij omdat natuurlijke zandimport door grote

ontgrondingskuilen voor en achter de kering in de Oosterschelde niet optreedt.

Voor het laten meegroeien op de langere termijn van de waardevolle intergetijdengebieden

wil de commissie dat de getijdenwerking in de Oosterschelde

Aanbeveling 5

Waddengebied

samen werken met water 57

Aanbeveling 7

Zuidwestelijke delta:

Westerschelde

Aanbeveling 6

Zuidwestelijke delta:

Oosterschelde

Tot 2050

Na 2050

zoveel als mogelijk wordt hersteld. Dit kan door op de termijn waarop de

bestaande kering niet meer voldoet, te streven naar een oplossing voor de

veiligheid waarin zo volledig mogelijke getijdendynamiek wordt gerealiseerd.

Een dergelijke oplossing heeft de voorkeur van de Deltacommissie, waarbij zij

niet vooruit wil en kan lopen op de technische en ecologische mogelijkheden die

er te zijner tijd zullen zijn. Om oplossingsmogelijkheden open te houden, moet

enige decennia voordat de functionele levensduur van de huidige kering afloopt

de keuze worden gemaakt. Immers, als voor een open Oosterschelde wordt

gekozen, is er tijd nodig om de waterkeringen te versterken.

In ieder geval tot 2050 voldoet de Oosterscheldekering aan de eisen. De nadelen

van de kering (beperking van de getijdenwerking) worden op zo kort mogelijke

termijn ondervangen door de verliezen aan intergetijdengebieden met suppleties

met zand van buiten (bijvoorbeeld uit de Voordelta) te bestrijden.

De levensduur van de Oosterscheldekering wordt verlengd. Dit is mogelijk

tot het niveau van een zeespiegelstijging van rond de 1 m. Dit niveau wordt

volgens de schattingen van de maximale zeespiegelstijging op zijn vroegst rond

2075 verwacht en zou ook pas rond 2125 kunnen optreden. Daarna moeten

maatregelen worden genomen om de veiligheid te waarborgen.

De commissie ziet goede argumenten om als de Oosterscheldekering niet meer

voldoet, de oplossing voor de veiligheid zo in te richten dat de getijdendynamiek

weer (bijna) volledig in de Oosterschelde wordt teruggebracht. Hier moeten

enkele decennia voordat de levensduur van de kering afloopt keuzes over

worden gemaakt, teneinde het volledige palet van oplossingen te kunnen

benutten.

Vanwege de internationaal overeengekomen vrije scheepvaart naar Antwerpen

is de Westerschelde de enige zeearm in Zeeland die nog een open verbinding met

de zee heeft. Hierdoor is de Westerschelde het enige volledig open estuarium van

Zuidwest-Nederland, met waardevolle natuurgebieden als het Verdronken Land

van Saeftinghe. Bij voortgaande zeespiegelstijging zullen de waterkeringen langs

de Westerschelde verder verhoogd moeten worden om voldoende veiligheid

tegen overstromen te blijven bieden.50 Hierbij moet sprake zijn van dusdanig

ontwerpen dat rekening wordt gehouden met de mogelijke zeespiegelstijging en

de toename van de getijdenslag.

Voor de Westerschelde is uitgangspunt deze open te houden om de waardevolle

estuariene karakteristiek en de vaarroute naar Antwerpen te behouden.

Veiligheid moet op peil worden gehouden door dijkversterking.

Het Krammer-Volkerak Zoommeer is, samen met de Grevelingen en eventueel

de Oosterschelde, nodig voor de tijdelijke berging of onmiddellijke afvoer van

water om de overstromingsdreiging voor de Drechtsteden en Rotterdam te

verminderen voor het geval een hoge Rijnafvoer en stormvloed samenvallen.51

Daarnaast vervult het gebied een belangrijke functie in de regionale zoetwatervoorziening

voor Zuidwest-Nederland (de land- en tuinbouwgebieden van

West-Brabant en de Zeeuwse- en Zuidhollandse eilanden). Eutrofiëring zal

in de komende decennia nog voor ernstige waterkwaliteitsproblemen blijven

zorgen. Hierdoor kan in de praktijk maar beperkt invulling worden gegeven

58 deltacommissie 2008

De Brouwersdam aan de zeezijde van

de Grevelingen kan beter doorlatend

gemaakt worden teneinde de

getijdendynamiek deels te herstellen en

een betere waterkwaliteit te verkrijgen.

Dit dient primair het herstel van

natuurwaarden in de Grevelingen, maar

kan ook benut worden voor het winnen

van elektriciteit uit getijdenverschillen.

Door het benutten van de kracht van

het in- en uitstromende water, kunnen

turbines worden aangedreven met een

potentieel vermogen van 60 MW.

Grevelingen

Figuur 8, Overzicht voorgestelde maatregelen

voor het Krammer-Volkerak Zoommeer

Brouwersdam

samen werken met water 59

Aanbeveling 8

Zuidwestelijke delta:

Krammer–Volkerak Zoommeer

Tot 2050

aan de zoetwaterfunctie. Om de waterkwaliteitsproblemen aan te pakken,

wordt op korte termijn overwogen het meer opnieuw in open verbinding met

de Oosterschelde te brengen en een zoet-zoutgradiënt toe te staan; op deze

wijze wordt mede invulling gegeven aan de doelstellingen van de Europese

Kaderrichtlijn Water.52

Voor de gebieden die voor hun zoet water van het Krammer-Volkerak

Zoommeer afhankelijk zijn, moeten dan alternatieven ontwikkeld worden.

Die alternatieven kunnen in ieder geval bestaan uit waterbesparing door

verbeterde beregening/infiltratie, de aanvoer van water vanuit het Hollands

Diep via de Roode Vaart, Mark en Vliet, en via lokale berging in aangrenzende

polders, zo mogelijk in combinatie met natuurontwikkeling. De commissie

vindt dat de overheid een verantwoordelijkheid heeft voor het realiseren van

aanvoerroutes van zoet water. In echt droge tijden zullen die noodzakelijk zijn

voor de watervoorziening. Dit water mag voor de afnemers wel een reële prijs

hebben. De commissie vindt het verstandig als bij de situatie rond het Krammer-

Volkerak Zoommeer onderzoek wordt gedaan naar een reële prijsbepaling van

het water. Dit zal naar verwachting van de commissie niet alleen innovaties

stimuleren in de landbouw, maar ook - door producenten en gebruikers - in

de waterbehandeling. De kennis die hier wordt opgedaan, kan vervolgens

worden gebruikt in andere delen van Nederland waar voor alternatieve

zoetwatervoorziening wordt gezorgd.

De Deltacommissie beveelt aan om het Krammer-Volkerak Zoommeer samen

met de Grevelingen en eventueel de Oosterschelde in te richten voor de tijdelijke

berging van rivierwater voor de situatie waarin hoge rivierafvoeren samenvallen

met gesloten stormvloedkeringen in de Rijnmond.

De Deltacommissie is van mening dat een zoet-zoutgradiënt voor het Krammer-

Volkerak Zoommeer een goede oplossing is voor het waterkwaliteitsprobleem

en nieuwe ecologische kansen kan scheppen. Voor alternatieve zoetwatervoorziening

moet in dat geval zorg worden gedragen.

Voorafgaand aan de uitvoering is het nodig onderzoek te laten verrichten naar

de vraag welke afvoer- en inlaatwerken nodig zijn om deze koers te kunnen

combineren met waterberging en doorvoer tijdens situaties van extreem hoogwater.

Tevens is onderzoek nodig naar een reële prijsbepaling van zoetwater.

60 deltacommissie 2008

samen werken met water 61

Rivierengebied

Het lopende rivierverruimingsprogramma Ruimte voor de Rivier is erop gericht

in 2015 binnen Nederland een Rijnafvoer van 16.000 m3/s veilig te kunnen

afvoeren. Om toekomstige afvoeren van de Rijn tot 18.000 m3/s in Nederland

te kunnen verwerken, zijn verdere rivierverruimende maatregelen langs IJssel

en Waal nodig, alsmede dijkversterking langs IJssel, Waal en de Merwede.53

De hiervoor benodigde ruimte is gereserveerd. De commissie wil dat de korte

termijn maatregelen van de PKB Ruimte voor de Rivier voortvarend worden

uitgevoerd en afgerond, de ruimtelijke reserveringen voor hogere afvoeren

behouden blijven (uitgaande van bestaande plannen om 18.000 m3/s te

kunnen afvoeren en handhaving van de bijbehorende afvoer-verdeling over de

Rijntakken) en de afvoer van rivierwater de primaire functie van het winterbed

blijft. Wat betreft de ruimtelijk reservering kan gedacht worden aan het vestigen

van een permanent voorkeursrecht. Dit stelt de water-beheerder in staat om ook

daadwerkelijk de gronden te verwerven op het moment dat de eigenaar bereid

is deze gronden te verkopen. Naast reserveren kan de overheid ook strategische

grondposities verwerven (grond aankopen) als zich kansen daartoe voordoen.

Waar mogelijk moet in het huidige programma of bij ruimtelijke initiatieven

die daartoe aanleiding geven, al geanticipeerd worden op de maximale afvoer

van 18.000 m3/s. De commissie gaat er vanuit dat hierbij in beginsel dezelfde

voorwaarden voor het meenemen van ruimtelijke kwaliteit gelden als van

toepassing zijn voor het huidige programma Ruimte voor de Rivier.

In Duitsland zullen (nog niet geplande en zeer omvangrijke) maatregelen

moeten worden uitgevoerd om overstromingen bij aanzienlijk hogere

afvoeren te voorkomen of te beperken. Integrale dijkverhoging op het traject

Keulen–Düsseldorf/Duisburg, maar ook langs de Oberrhein wordt niet

waarschijnlijk geacht, onder andere doordat er technische beperkingen zijn

voor de uitvoering; veeleer zal worden overgegaan tot verdere verruiming

van retentiemogelijkheden en de bescherming van speciale objecten.54 Met

andere woorden, de commissie acht het op de middellange termijn zeer

onwaarschijnlijk dat afvoeren groter dan 18.000 m3/s Nederland zullen

bereiken. Bovendien vereist de EU-richtlijn Overstromingsrisico’s overleg met

Nederland voordat in Duitsland met ingrijpende maatregelen kan worden

begonnen. Dit is ook van belang omdat bij overstromingen in Duitsland het

water ons ‘via de achterdeur’ bereikt. Het water dat in Duitsland over de

dijken gaat, stroomt over land tot in Nederland en leidt ook daar tot flinke

schade. Voor de heel lange termijn kunnen afvoeren hoger dan 18.000 m3/s niet

helemaal uitgesloten worden. De commissie kan zich in dat geval voorstellen

dat vooral de Waal en de Zuidwestelijke delta als afvoerroute worden gebruikt.

Dit vereist forse ingrepen die te zijner tijd goed afgewogen moeten worden.

Voor de Maas geldt dat, aanvullend op de Maaswerken, maatregelen nodig

zijn om een mogelijke maatgevende Maasafvoer van 4.600 m3/s veilig te

kunnen verwerken. Hiervoor bestaat een regionaal gedragen toekomstvisie

(Integrale Verkenning Maas 2, IVM2). De commissie acht het noodzakelijk

dat, anticiperend op de klimaatverandering en in vergelijkbare zin als is gedaan

voor de Rijn, in samenwerking met de regio de verdere uitwerking en uitvoering

van IVM2 wordt voorbereid, zowel technisch als financieel, zoals ook bij de

Rijn is gebeurd. Waar mogelijk moet bij de uitvoering van het Maaswerken

programma al op de hogere afvoer worden geanticipeerd.

Rivier de Maas

in Rotterdam

62 deltacommissie 2008

De commissie bepleit een sterkere

koppeling tussen projecten in het

kader van de waterveiligheid en

gebiedsontwikkelingen. Een voorbeeld

is het Meerjarenplan Zandmaas 2. Dit

bestrijkt het gebied van de Maas van

Roermond tot Afferden.

Dit door de provincie Limburg

opgestelde plan gaat uit van een brede

gebiedsontwikkeling waarmee doelen

op het gebied van waterveiligheid,

natuurontwikkeling, land- en tuinbouw,

recreatie, wonen en grondstoffenwinning

worden gediend. Daar waar mogelijk

wordt uitgegaan van of aangesloten

bij particuliere initiatieven. Als dit

plan wordt uitgevoerd, kunnen de

langetermijndoelstellingen van Integrale

Verkenning Maas (een Maasafvoer

van 4600 m3/s) hier tegen veel lagere

overheidskosten worden gerealiseerd.

Een proactieve programmatische aanpak

kan zo op termijn veel geld besparen

en door het realiseren van andere

maatschappelijke doelen op meer

draagvlak rekenen.

Een dergelijke anticiperende

benadering past echter niet in de

huidige financieringssystematiek van

de rijksoverheid. Nu stelt het rijk pas

gelden beschikbaar wanneer na een

hoogwater – al dan niet gepaard gaand

met een overstroming – de normen

worden verhoogd (waarna binnen een

zeer beperkte tijd de norm weer gehaald

moet worden).

Gebiedsontwikkeling Zandmaas

In het najaar van 2007 is de EUrichtlijn

Overstromingsrisico’s van

kracht geworden. Het doel van deze

Hoogwaterrichtlijn is het reduceren

van het aantal slachtoffers en het

verminderen van de financiële gevolgen

van overstromingen. Dit moet onder

andere bereikt worden door het opstellen

van overstromingsrisicobeheerplannen,

waarin voor elk stroomgebied de

‘adequate doelstelling voor het beheer

van de overstromingsrisico’s’ wordt

vastgelegd en de maatregelen die

genomen moeten worden om het

afgesproken beschermingsniveau te

halen. Een belangrijke randvoorwaarde

is dat maatregelen niet mogen leiden tot

een toename van het overstromingsrisico

in beneden- of bovenstrooms gelegen

landen.

De overstromingsrisicobeheerplannen

moeten uiterlijk op 22 december 2015

zijn voltooid. Vervolgens moeten de

plannen elke zes jaar worden getoetst en

zonodig worden bijgesteld.

Overstromingsrisicobeheerplannen

Verzilting van oppervlaktewater en

grondwater is een probleem voor huidige

gebruiksfuncties. De commissie voorziet

in haar advies in oppervlaktewater van

goede kwaliteit. Echter, de zoute kwel

en verzilting van het grondwater is

moeilijk te bestrijden. Op dit vlak vinden

innovatieve ontwikkelingen plaats in het

project Ecopolder dat wordt uitgevoerd

binnen het programma Leven met Water.

Ten zuiden van Amsterdam wordt het

concept van de Ecopolder gerealiseerd,

gebaseerd op het cradle-to-cradleprincipe.

Door vanuit een integrale en

multifunctionele benadering diverse

technieken en processen aan elkaar te

koppelen, worden oplossingen op het

vlak van water, milieu, afval en energie

kosteneffectief met elkaar verbonden.

In de Ecopolder wordt brak kwelwater

via drains opgepompt en ontzilt tot

grijs water. Het waterschap hoeft

hierdoor minder door te spoelen (wat

geld bespaart) en de waterkwaliteit

verbetert. De benodigde energie

voor ontzilting wordt verkregen uit

de restwarmte van de Amsterdamse

afvalverbrandingcentrale. Het

restproduct uit de ontzilting (brijn)

wordt met behulp van restwarmte

ingedampt tot droog zout, dat als

wegenzout kan worden ingezet. Verder

kan biogas (methaan) uit het grondwater

worden gebruikt voor de productie

van energie. Het methaan kan ook

gehaald worden uit het huishoudelijk

afvalwater (en uit landbouwafval) via een

vergistingsinstallatie.

Ecopolder, illustratie van innovatief omgaan met verzilting

samen werken met water 63

Aanbeveling 9

Rivierengebied

Tot 2050

2050 - 2100

Na 2100

De programma’s Ruimte voor de Rivier en Maaswerken moeten onverwijld

worden doorgevoerd. Daar waar dit kosteneffectief is, moeten maatregelen

meteen voor 18.000 m3/s voor de Rijn respectievelijk 4.600 m3/s voor de Maas

worden uitgevoerd.

Overleg met de buurlanden in het kader van de EU-richtlijn Overstromingsrisico’s

is noodzakelijk om maatregelen op elkaar af te stemmen.

Er moet ruimte worden gereserveerd en zo nodig moeten strategische

grondposities worden betrokken om het riviersysteem in staat te stellen

18.000 m3/s Rijnwater en 4.600 m3/s Maaswater veilig te kunnen afvoeren.

Mogelijkheden voor het vestigen van een permanent voorkeursrecht moeten

worden onderzocht.

Anticiperend op klimaatverandering, in vergelijkbare zin als is gedaan voor

de Rijn, moet in samenwerking met de regio de uitvoering van de Integrale

Verkenning Maas 2 worden voorbereid.

Voltooiing van aanvullende maatregelen om voor de Rijn 18.000 m3/s en de

Maas 4.600 m3/s te kunnen verwerken.

Voor de hele lange termijn kan voor de Rijn een afvoer van meer dan

18.000 m3/s niet helemaal uitgesloten worden. De commissie kan zich in dat

geval voorstellen dat vooral de Waal en de Zuidwestelijke delta als afvoerroute

worden gebruikt.

Rijnmond

De opgave voor Rijnmond en Drechtsteden kan eenvoudig worden samengevat:

hoe blijft het gebied veilig tegen overstromen vanuit de rivieren en de zee en hoe

worden de negatieve gevolgen van verzilting voorkomen? De Maeslantkering

is ontworpen om 50 cm zeespiegelstijging aan te kunnen. In ieder geval is er tot

2050 nog geen veiligheidsprobleem. Daarna neemt de sluitfrequentie mogelijk

zodanig toe dat de kans op samenloop met hoge rivierafvoeren steeds vaker tot

extreem hoge waterstanden in het benedenrivierengebied (achter de kering) kan

leiden.

De veiligheid tegen overstromen kan in dit gebied op termijn op verschillende

manieren worden gewaarborgd. Er kan gekozen worden voor versterking van

de dijken, eventueel met een geheel open Nieuwe Waterweg en Haringvliet. In

het recente verleden is gebleken dat dit in dit sterk verstedelijkte gebied een erg

moeilijke en kostbare opgave is. Bovendien helpt het niet voor de bescherming

van de hier veel voorkomende buitendijkse gebieden met bewoning en andere

activiteiten. Er kan ook gekozen worden voor het permanent sluiten van de

Nieuwe Waterweg. Dit heeft grote voordelen voor de zoetwatervoorziening

en voor stedelijke ontwikkeling en biedt mogelijkheden voor zoet-zoutenergieopwekking.

Maar deze variant heeft grote nadelen voor het natuurlijk

systeem en is bovendien zeer belemmerend voor de scheepvaart.

De commissie ziet een derde mogelijkheid, die voordelen van de twee andere

varianten combineert en de nadelen van die varianten beperkt. Deze variant

64 deltacommissie 2008

Figuur 9 Waterfronten

(Steef Buijs, Schetsen van ruimtelijke

ontwikkelingen ten behoeve van de

Deltacommissie, 2008)

Al vanaf 1970 worden in Rotterdam verouderde haven- en

industrieterreinen langs de Nieuwe Maas opnieuw ontwikkeld.

In de ‘afsluitbaar open’-variant blijft de dynamische relatie

van deze gebieden met het water bestaan en kan de

herstructurering volgens plan worden voortgezet in het

Waalhaven-Eemhavengebied, de Merwehaven, en de havens

van Schiedam en Vlaardingen. Daarmee begint een nieuwe

periode die ruimschoots capaciteit biedt om de herstructurering

nog eens veertig jaar in dit tempo voort te zetten, met nieuwe

vestigingsmogelijkheden voor creatieve bedrijvigheid en ‘vrijetijdsbesteding’.

Voor de toekomst van de stad zijn dat cruciale

economische sectoren, die bijzonder goed gedijen in dergelijke

herstructureringsgebieden met hun vele industriële erfgoed, hun

nabijheid tot het stadscentrum, de uitstekende bereikbaarheid en

het grootse uitzicht over de rivier.

samen werken met water 65

Aanbeveling 10

Rijnmond

Tot 2050

houdt in dat het Rijnmondgebied ‘afsluitbaar open’ blijft. Bij extreem hoge

waterstanden op zee wordt het gebied afgesloten met de Maeslant- en

Hartelkering, de Haringvlietsluizen en, eventueel aanvullend, afsluitbare

keringen in het Spui, de Oude Maas, Dordtse Kil en Merwede. Er zijn dan

minder dijkversterkingen nodig, terwijl het geheel wel als een dijkring fungeert

en er daardoor nieuwe perspectieven voor hoogwaardige gebiedsontwikkeling

ontstaan.

Voor de opvang van het rivierwater onder die omstandigheden wordt extra

berging in het Krammer-Volkerak Zoommeer en eventueel de Grevelingen

gevonden. Omdat de ontwikkeling van de Rotterdamse haven steeds meer op

de Maasvlakten zal plaatsvinden, ontstaan er in het Rijnmondgebied met deze

variant veel nieuwe mogelijkheden voor stadsfrontontwikkeling (aantrekkelijke

woonmilieus, zie figuur 9) en natuur in de buitendijkse gebieden. Nagegaan

moet worden hoe het water van de Lek kan worden afgeleid en in hoeverre

de Rijnmond volledig afgesloten moet worden (of dat een gedeeltelijke

afsluiting ook voldoende is) in combinatie met de beschikbare berging in het

Rijnmondgebied.

Zoutindringing via de Nieuwe Waterweg wordt niet langer meer met grote

hoeveelheden rivierwater bestreden. De inlaatpunten worden, waar nodig,

verlegd. Innovatieve ontwikkelingen in de behandeling van zout water kunnen

bijdragen. Verder komt de zoetwatervoorziening voor West-Nederland uit het

IJsselmeer en mogelijk uit lokale berging.

Door deze variant ontstaat er in het Rijnmondgebied meer ruimte voor de

natuurlijke dynamiek, terwijl er wel rekening mee wordt gehouden dat het

hier een kwetsbaar gebied betreft dat niet ongecontroleerd aan stormvloeden

vanuit zee en hoge rivierafvoeren kan worden blootgesteld. De keuze voor een

‘afsluitbaar open’ Rijnmond heeft veel voordelen en met de aanleg hoeft niet

gewacht te worden tot 2050. Nader onderzoek dient op korte termijn gestart

te worden om mogelijke plannen uit te werken en voor- en nadelen zorgvuldig

gedocumenteerd in beeld te brengen. Hierbij dient ook aandacht besteed te

worden aan de mogelijkheden van beheer en onderhoud van een dergelijke

variant. In figuur 10 is een illustratie van een mogelijke invulling van de

‘afsluitbaar open’ variant gegeven.

Uit oogpunt van toekomstbestendigheid biedt een ‘afsluitbaar open’ Rijnmond

goede vooruitzichten voor de combinatie van doelen op het gebied van

veiligheid, zoetwatervoorziening, stedelijke ontwikkeling en natuur. De

commissie beveelt hiervoor nader onderzoek op korte termijn aan.

Het benodigde water voor West-Nederland moet via het IJsselmeer worden

aangevoerd. De infrastructuur hiervoor moet worden aangepast. Verder

moet er ruimte komen voor lokale berging in diepe droogmakerijen. De

zoetwatervoorziening voor het Rijnmondgebied moet onderdeel van het

onderzoek uitmaken.

66 deltacommissie 2008

Het Rijnmondgebied wordt zowel vanuit

zee als vanuit de rivier beschermd

met keringen. Figuur 10 geeft een

mogelijke invulling van het principe.

Nader onderzoek moet uitwijzen hoe

‘afsluitbaar open’ het beste kan worden

vormgegeven.

In deze variant staan bij normale

omstandigheden de Haringvlietsluizen

open, behalve bij een stormvloed.

In het Haringvliet keert daardoor de

zoet-zoutgradiënt terug, zodanig dat

bij een lage rivierafvoer het Spui nog

beschikbaar blijft voor waterinlaat. In

combinatie met de peilvariatie onder

invloed van het getij ontstaan goede

mogelijkheden voor natuurherstel.

Energiewinning met getij-energie wordt

mogelijk bij de Haringvlietsluizen.

In de Nieuwe Waterweg zal bij lage

rivierafvoer de zouttong verder

landwaarts opdringen, waardoor

verzilting van Zuid-Holland dreigt.

Voor de grondgebonden land- en

tuinbouw kan dit gecompenseerd

worden door wateraanvoer vanuit het

IJsselmeer, hetgeen aanpassingen aan

de infrastructuur vereist. Voor zover

nodig (en bovenop de mogelijkheden

van zoetwateraanvoer via het Spui),

moeten aanvullende voorzieningen

worden getroffen. Ook kan voor de

zoetwatervoorziening gedacht worden

aan lokale berging in oude diepe. Deze

waterberging kan ook benut worden

voor het opvangen van wateroverlast en

worden gecombineerd met woningbouw

en natuurontwikkeling.

???????????????????????????

?????????????????????????????????????????????????????????????????????????????

??????????????????????????????????????????????????????????????????

??????????

?????????

??????????

????????????

?????????????

?????????????

??????

????????????????

???????????

?????????????????

Illustratie: Sendra Design Studio | © TU Delft - HKV Lijn in Water - Ties Rijcken

Afsluitbaar open

Figuur 10: Mogelijke invulling van de

‘afsluitbaar open’-variant voor het

Rijnmondgebied (Ties Rijcken, TU Delft, 2008)

samen werken met water 67

IJsselmeergebied

Met de afsluiting van de Zuiderzee is in de eerste helft van de 20ste eeuw

een strategische keuze gemaakt die voor het integrale functioneren van het

Nederlandse watersysteem buitengewoon grote voordelen heeft opgeleverd. Het

IJsselmeergebied kan zijn functie van strategische zoetwatervoorraad blijven

vervullen mits, uiteraard, de Afsluitdijk gesloten blijft, het IJsselmeergebied

in het begin van het jaar voldoende gevuld wordt en het beheer wordt

aangepast. In combinatie met een hoger zomerpeil dan het huidige, komt er

meer zoet water beschikbaar voor de gebieden die hiervoor van het IJsselmeer

afhankelijk zijn. Het is daarvoor niet nodig extra Rijnwater over de IJssel te

sturen en de bestaande afvoerverdeling bij laagwater kan worden gehandhaafd.

Meer dynamiek in waterpeil is ook goed voor de natuurwaarden. De eerste

problemen ontstaan wanneer het zomerpeil verder zakt dan ca. 20 cm onder

het huidige zomerstreefpeil. Dan wordt waterinlaat uit het IJsselmeergebied

lastig voor de omliggende gebieden, met name in Noord-Nederland: zonder

pompen is dit dan niet goed meer mogelijk. Bij verder uitzakken (daling van het

peil) gaan problemen ontstaan voor de scheepvaart en de recreatieve functie.

Ook wordt het systeem bij een minder grote waterdiepte steeds gevoeliger voor

waterkwaliteitsproblemen. Niet uitgesloten kan worden dat bij ver uitzakken

van het peil er ook problemen ontstaan rond de stabiliteit van waterkeringen.

In het meest extreme KNMI-scenario is de huidige strategie van peilvariatie

vanaf 2050 niet toereikend om in droge zomers te kunnen blijven voorzien in de

waterbehoefte van Noord- en West-Nederland (exclusief Zuidwestelijke delta).

Hoewel deze situatie niet frequent optreedt, veroorzaakt de klimaatverandering

wel een toenemende kans op waterschaarste. Om in de toekomst zo flexibel

mogelijk te zijn voor de strategische zoetwaterfunctie, heeft de commissie een

voorkeur voor het laten stijgen van het peil van het IJsselmeergebied gekoppeld

aan het stijgen van de zeespiegel. In de meest extreme droge zomersituatie is een

‘waterschijf’ in het IJsselmeergebied nodig van maximaal 1,1 meter. Exclusief

het Markermeer is dit 1,5 meter. Vol inzetten op uitzakken met 1,1 of 1,5 m

geeft echter minder flexibiliteit en heeft een aantal belangrijke nadelen voor

economie (recreatie, scheepvaart) en ecologie (waterkwaliteit).55 Peilstijging

heeft ook nadelen: waterkeringen, havens, gemalen van omliggende gebieden en

bestaande buitendijkse bebouwing moeten worden aangepast en pompkosten

voor afwatering van omliggende gebieden zullen toenemen.

Het behoud van het zoete IJsselmeer impliceert het behoud van de Afsluitdijk

als harde grens tussen zoet en zout water. Dit biedt goede mogelijkheden voor

energiewinning; de commissie moedigt de voorgenomen experimenten in deze

richting aan, waarbij dit de voorraadfunctie van het IJsselmeer niet te sterk mag

beïnvloeden.

Stijging van het peil is ook van belang uit oogpunt van het omgaan met overtollig

water van het IJsselmeer. Momenteel wordt onder vrij verval gespuid naar

de Waddenzee. Extra spuicapaciteit maakt het mogelijk hiermee tot halverwege

deze eeuw door te gaan, rekening houdend met zeespiegelstijging. Daarna

is er de keuze tussen pompen of meestijgen van het peil van het IJsselmeer

met de zeespiegel. Met pompen kan het bestaande peil worden gehandhaafd.

Omdat vanwege de effecten op de omgeving het meerpeil niet ongelimiteerd

kan meestijgen, is het onontkoombaar dat er ooit met pompen begonnen moet

worden.

68 deltacommissie 2008

Een nieuwe ontwikkeling die duurzame

energie combineert met water is het

benutten van het energiepotentieel

tussen zoet en zout water. Hierbij

wordt stroom opgewekt door de

ladingverschillen tussen zoet en zout

water te benutten via osmose. Bij deze

techniek worden zoet en zout water

gescheiden door een membraan, dat

wel water maar geen ionen doorlaat. De

verschillen in ionenconcentraties kunnen

worden benut voor het opwekken van

elektriciteit. Het enige afvalproduct is

brak water, dat op zee geloosd wordt.

Een dergelijke centrale kan onder twee

randvoorwaarden gerealiseerd worden:

allereerst is de aanwezigheid van zowel

zoet als zout water vereist en daarnaast

moet ook voldoende aanvoer van zoet

water gegarandeerd zijn (per MW h wordt

circa 2 m3/sec zoet water gebruikt).

Wordt aan deze voorwaarden voldaan,

dan biedt deze duurzame energiebron

het grote voordeel dat er in principe altijd

stroom geleverd kan worden als er vraag

naar is.

Momenteel wordt een studie uitgevoerd

naar de mogelijkheden voor een

toekomstige zoet-zout-centrale van

maximaal 200 MW bij de Afsluitdijk.

Als dit gerealiseerd wordt, zou deze

ongeveer 1% van de stroomproductie

van Nederland leveren en bijvoorbeeld

de stroombehoefte van de watersector

(pompen, keringen en gemalen)

kunnen dekken. Daarmee ontstaat een

wenkend perspectief: de waterkering als

energiebron.

Zoet-zout-energie

De afsluitdijk ter hoogte van Den Oever

samen werken met water 69

Maar nu al beginnen met pompen, zodat het IJsselmeerpeil niet omhoog

hoeft, heeft belangrijke nadelen. Pompen en het peil handhaven geeft geen

goede invulling aan de strategische zoetwaterfunctie van het IJsselmeergebied.

Daarnaast heeft nu al pompen als consequentie dat de hele omgeving en alle

nieuwe ontwikkelingen zich daar op gaan instellen. Als er in de toekomst toch

nog voor peilverhoging gekozen zou worden, zijn de belemmeringen daardoor

dan veel groter. Verder nemen, naarmate de zeespiegel stijgt, de kosten voor

pompen fors toe. Het past bovendien meer in de visie van de commissie om

waar mogelijk met de natuur mee te bewegen en dus zo lang mogelijk mee te

stijgen met de zeespiegel en zonder pompen te kunnen spuien.

Een hoger peil betekent wel dat de hele omgeving van het IJsselmeergebied

(binnen- en buitendijks) moet mee-ontwikkelen: buitendijkse gebieden

(waaronder pittoreske haventjes) komen vaker onder water te staan, hetgeen

een hoogwatervrije inrichting vereist. Bouwvoorschriften voor buitendijkse

gebieden zijn nodig (drijvende of hoogwatervrije nieuwbouw). Waterkeringen

moeten omhoog en de binnendijkse gebieden krijgen meer last van fosfaatrijke

kwel en zullen vaker en meer moeite hebben om hun overtollig water op

het hogere IJsselmeer te lozen. Dit vereist extra gemaalcapaciteit en/of

bergingsruimte in de omliggende polders.56

Bij een hoger IJsselmeerpeil zijn aanvullende maatregelen nodig om de hoogwaterstanden

te beheersen in de benedenloop van de IJssel en het Zwarte Water.

Bij een peilstijging van meer dan 1,5 m zijn op de benedenloop van de IJssel over

grote afstand (tot aan Zwolle) ingrijpende en kostbare dijkversterkingen nodig.

Het Markermeer is van IJssel en IJsselmeer waterhuishoudkundig gescheiden

door de Houtribdijk en - sluizen en speelt daardoor alleen een afgeleide rol in

het omgaan met overtollig water; er is geen noodzaak voor peilstijging van het

Markermeer. Dit heeft als voordeel dat, na het inhalen van de achterstand in de

veiligheid van de waterkeringen, niet opnieuw de (landschappelijk waardevolle)

waterkeringen langs de kust van Noord-Holland versterkt moeten worden.

Tevens wordt de kwelproblematiek van Noord-Holland onder controle

gehouden.57 Voorts biedt duidelijkheid over het peil van het Markermeer

helderheid voor de stedelijke ontwikkeling van Amsterdam en Almere.

Alles overziende, kiest de commissie voor een peilstijging van alleen het

IJsselmeer. De belangen van de strategische zoetwatervoorraad en van het zo

lang mogelijk kunnen blijven lozen op de Waddenzee zonder afhankelijkheid

van pompen, weegt de commissie zwaarder dan de nadelen (en hogere kosten)

van deze peilstijging. Als zoetwatervoorraad is maximaal een ‘waterschijf’ van

1,5 m nodig. Grote nadelige effecten voor de veiligheid in de benedenloop van

de IJssel en het Zwarte Water ontstaan vanaf een peilstijging van 1,5 m.

Om een zo groot mogelijke flexibiliteit te creëren, hanteert de commissie

daarom 1,5 meter als maximum voor de peilstijging.

70 deltacommissie 2008

Aanbeveling 11

IJsselmeergebied

Om zo lang mogelijk zonder pompen te kunnen spuien naar de Waddenzee,

kiest de commissie voor een hoger peil van maximaal 1,5 m in het IJsselmeer.

Mede daardoor wordt voor de lange termijn voorzien in een zo groot mogelijke

flexibiliteit ten aanzien van de zoetwatervoorziening.

Het IJsselmeer zal zo zijn strategische functie als zoetwaterreservoir blijven

behouden voor Noord-Nederland en Noord-Holland én, vanwege de dieper

indringende zouttong in de Nieuwe Waterweg, ook voor West-Nederland.

Het peil van het Markermeer wordt niet verhoogd.

Onderzocht moet worden welke maatregelen bij een toename van het IJsselmeerpeil

met 1,5 m nodig zijn om de inrichting van de benedenloop van de

IJssel en het Zwarte Water hierop aan te passen.

Het streven is om al rond 2050 zoveel mogelijk zoetwatervoorraad beschikbaar

te hebben; de maatregelen om de peilstijging mogelijk te maken, kunnen

geleidelijk worden uitgevoerd. Eventueel kan gekozen worden voor een

gefaseerde aanpak met een combinatie van opzetten en uitzakken.

Maatregelen die op korte termijn gepland zijn, zoals de verbetering van

de Houtribdijk, moeten conform de visie van de Deltacommissie worden

uitgevoerd.

Afhankelijk van de gefaseerde aanpak is voltooiing van maatregelen nodig om

tot een peilstijging van 1,5 m te komen.

Vanaf een zeespiegelstijging van ongeveer 2 m moet het water met pompen

vanuit het IJsselmeer in de Waddenzee worden gebracht. Deze situatie zal zich

in ieder geval pas na 2100 voordoen.

Tot 2050

Na 2050

samen werken met water 71

Scheepvaart

De scheepvaart kan in extreme klimaatscenario’s waarin langere periodes van

droogte optreden, vaker last krijgen van lage rivierafvoeren. Droge periodes

zoals in 2003 kunnen gemiddelde zomers worden en leveren veel problemen op.

De vaardiepte kan worden verbeterd door de aanleg van langsdammen langs de

kribhoofden, waardoor de vaargeul wordt versmald. In aanvulling hierop acht

de commissie het verstandig dat de scheepvaart en (andere) transportsectoren

zich door de bouw van laagwatergeschikte scheepstypen en andere technische

aanpassingen voorbereiden op mogelijk langduriger periodes van droogte.

Verder denkt de commissie dat het verstandig is sterker in te zetten op

combinaties van multimodale transportmogelijkheden; hiermee kan rekening

worden gehouden bij de bouw van nieuwe transferia en overslagplekken en

waar mogelijk meegekoppeld worden met maatregelen voor de waterveiligheid.

Ook op de lange termijn zal Nederland een belangrijke toegangspoort tot

Europa zijn. De commissie acht een nadere studie naar dit onderwerp, bij

voorkeur in internationaal verband, zinvol.

Droogte op de hoge gronden

Met het rivier- en IJsselmeerwater kunnen niet alle gebieden in Nederland van

voldoende zoet water worden voorzien. Veel meer dan nu zal zoet water in

de toekomst een schaars goed zijn, met name ‘s zomers. Daarom is ook een

maatschappelijke omslag nodig in de manier waarop we met water leven: zoals

met alle schaarse goederen, zullen we er veel zuiniger mee om moeten gaan.

Daarmee valt nog een wereld aan water te winnen. Ook in dit kader moet de

wens van de commissie gezien worden om, daar waar specifieke maatregelen

voor zoetwatervoorziening moeten worden genomen, aandacht te besteden aan

een reële prijsbepaling voor water.

In aanvulling hierop moet op de hoge gronden in Oost- en Zuid-Nederland de

lokale en regionale berging van (regen)water versterkt worden. Dat kan door

de aanleg van lokale bekkens of door herinrichting van beekdalen, waardoor

water langer in de stroomdalen vastgehouden kan worden. Daardoor kan

gelijktijdig ook ruimte voor natuur en recreatie gewonnen worden. De natuur

wordt hierdoor ‘weerbaarder’ tegen extreme omstandigheden. Dit is belangrijk,

zeker in tijden van klimaatverandering waarin kwetsbare ecosystemen door

hogere temperaturen, andere neerslagpatronen en veranderingen in de (grond)

waterhuishouding onder druk komen te staan. Maatregelen in het kader van het

Investeringsprogramma Landelijk Gebied en in het kader van de Kaderrichtlijn

Water en Waterbeheer 21e Eeuw zijn hierop gericht. In droge tijden kan ook

de lokale berging droogvallen. Ten behoeve van de land- en tuinbouw lijkt het

de commissie daarom verstandig dat wordt nagegaan in hoeverre bestaande

watertransportverbindingen kunnen worden verbeterd of in ere kunnen worden

hersteld.

72 deltacommissie 2008

samen werken met water 73

Noordzee

De Noordzee biedt vele mogelijkheden voor integrale ontwikkeling, zoals

energiewinning uit getijdenstroom of wind of door wier- en algenproductie.

Perspectief biedt ook de duurzame ontwikkeling van visteelt en aquacultures.

Eilanden kunnen voor deze functies mogelijk een rol spelen. De commissie

onderkent de mogelijkheden van integrale ontwikkelingen in de Noordzee,

maar doet hier vanuit haar opdracht geen aanbevelingen over.

Wel moeten, zoals aangegeven, zandwinlocaties gereserveerd worden zodat

voldoende zand beschikbaar kan komen voor de zandsuppleties.

Kosten

Met de uitvoering van het bovenstaande totale pakket aan maatregelen dat

de Deltacommissie voorstelt – het Deltaprogramma – is tot 2050 een bedrag

van 1,2 à 1,6 miljard euro per jaar gemoeid en voor de periode 2050-2100 een

bedrag van 0,9 à 1,5 miljard euro per jaar. Dit bedrag is extra ten opzichte van

de budgetten die nu zijn vastgelegd in begrotingen voor het op orde brengen van

de waterkeringen om deze aan de nu geldende normen voor waterveiligheid te

laten voldoen. De commissie veronderstelt dat de huidige programma’s voor

Ruimte voor de Rivier, de Zwakke Schakels, de Maaswerken, Zeeweringen en

het Hoogwaterbeschermingsprogramma worden uitgevoerd.

In het overzicht zijn de jaarlijkse uitgaven voor beheer en onderhoud in relatie

tot waterveiligheid en watervoorziening niet opgenomen. Deze bedragen tellen

voor het rijk, waterschappen en provincies samen momenteel op tot circa

1,2 miljard euro per jaar.58 De totale kosten om mee te groeien met het klimaat

en te zorgen voor een hoger beschermingsniveau komen voor de periode tot

2050 dan op 2,4 à 2,8 miljard euro per jaar.

Wanneer binnen het Deltaprogramma ten behoeve van waterveiligheid de

kustsuppletie wordt vergroot om in 100 jaar tijd de Hollandse en Zeeuwse

Noordzeekust met bijvoorbeeld 1 km uit te breiden om zo ook ruimte te

scheppen voor recreatie, natuur en andere functies, is een aanvullend bedrag

nodig van 0,1 à 0,3 miljard euro per jaar. Hierdoor komen de kosten van het

Deltaprogramma voor de periode 2010-2050 op 1,3 à 1,9 miljard euro per

jaar en voor de periode 2050-2100 op 1,2 à 1,8 miljard euro per jaar. Inclusief

beheer en onderhoud komen de totale kosten om mee te groeien met het klimaat

en te zorgen voor een hoger beschermingsniveau dan op 2,5 à 3,1 miljard euro

per jaar tot 2050.

Overigens wordt opgemerkt dat de hier genoemde bedragen een indicatie zijn

voor de kosten voor het Deltaprogramma.59 Monitoring moet plaatsvinden van

de ontwikkeling van de gevolgen van klimaatverandering. Nieuwe inzichten

kunnen leiden tot bijstelling van de invulling van maatregelen en dit kan

doorwerken in de genoemde kosten.

Figuur 11: Overzicht maatregelen

Deltaprogramma

Bedragen zijn uitgedrukt

in prijspeil 2007

en zijn inclusief BTW.

Indicatie extra kosten per jaar

[miljard euro]

Periode Gemiddeld

2010 - 2050 2050 - 2100 2010 - 2100

Deltaprogramma 1,2 tot 1,6 0,9 tot 1,5 1,0 tot 1,5

Deltaprogramma, met extra ruimte

aan de kust voor andere functies

1,3 tot 1,9 1,2 tot 1,8 1,2 tot 1,8

74 deltacommissie 2008

Menig politicus, belangenbehartiger,

beleidsambtenaar of wetenschapper

vindt dat maatschappelijke kostenbatenanalyses1

te weinig oog hebben

voor menselijke creativiteit en durf. Deze

critici benadrukken het belang van het

hebben van een visie. Zij betogen dat

belangrijke besluiten niet uitsluitend

kunnen worden genomen op basis

van lijstjes met in geld uitgedrukte

kosten en baten. Grote projecten als de

Afsluitdijk, de Nieuwe Waterweg en het

Noordzeekanaal zouden nooit tot stand

zijn gekomen als de uitkomst van een

kosten-batenanalyse doorslaggevend

zou zijn geweest.2 Een ander bezwaar

is dat belangrijke maatschappelijke

belangen zoals slachtoffers en het

verlies van landschap, cultuur en

natuurwaarden en de waarde van

zoetwater in 2100 moeilijk in geld zijn uit

te drukken en daarom onvoldoende hun

plek vinden in een kosten-batenanalyse.

Tegenover deze ‘visionairen’ staan de

voorstanders van kosten-batenanalyse:

de ‘rekenaars’. Hun kritiek luidt dat

visies vaak berusten op wensbeelden

(visioenen) die als feiten worden

gepresenteerd. De voorstanders van een

project maken niet duidelijk voor welk

probleem dat project een oplossing zou

moeten bieden en hebben onvoldoende

oog voor alternatieve (veelal efficiëntere)

oplossingen. Negatieve uitkomsten van

een kosten-batenanalyse worden vaak

op voorhand al verworpen.

Bovenstaande tegenstelling miskent dat

visies en kosten-batenanalyses elk hun

eigen rol in de besluitvorming spelen.

Visies op de toekomstige ontwikkeling

van Nederland genereren ideeën over

mogelijke projecten. Een kostenbatenanalyse

dwingt om concreet te

worden en vervolgens projecten te

kunnen vergelijken en beoordelen op

basis van maatschappelijke kosten en

baten. Kansrijke ideeën kunnen daardoor

van luchtfietserij worden onderscheiden.

Een kosten-batenanalyse kan echter niet

de rol van scherprechter vervullen. Voor

goede politieke keuzes zijn én visies én

calculaties nodig.

1. O ntleend aan Savelberg, ’t Hoen en Koopmans,

2008: De schijntegenstelling tussen visie en kostenbatenanalyse.

2. E en kosten-batenanalyse (KBA) geeft een overzicht

van alle voor- en nadelen voor de samenleving. Deze

voor- en nadelen worden zoveel mogelijk uitgedrukt

in geld, zowel voor de materiële als de immateriële

goederen en diensten zoals een schoon milieu. De

KBA geeft antwoord op de vraag of de welvaart als

gevolg van en project toeneemt t.o.v. de autonome

ontwikkeling (positief saldo van kosten en baten).

Een KBA helpt bij de afweging of een project zinvol is

(nut en noodzaak), bij het vergelijken van projecten/

varianten voor een projecten en bij het verbeteren van

een project.

3. Kosten-batenanalyses hebben hun beperkingen

als gekeken wordt naar kosten en baten voor een

periode van 50 tot 100 jaar. Een KBA is eigenlijk

een eenvoudige rekensom waarin kosten en baten

contant worden gemaakt. Hiervoor is het nodig dat

projecten voldoende concreet zijn uitgewerkt en kunnen

worden afgezet tegen een toekomst waarin het

project niet doorgaat. Kijkend naar een Deltatraject

voor 100 tot 200 jaar is dit fundamenteel lastig. Het

verschil in groeipad met en groeipad zonder project

zijn de welvaartseffecten van het project. De rekensom

faalt wanneer het groeipad zelf door het project

of i.c. het Deltaprogramma, verandert. Ten tweede

is sprake van grote onzekerheden. Dit geldt voor 10

jaar, dus zeker voor een periode 100 jaar. Er doen

zich vrijwel zeker onvoorziene ontwikkelingen voor en

het is onmogelijk om alle complexe maatschappelijke

verhoudingen en krachten te betrekken. Ten derde

geldt de acute onomkeerbaarheid van projecten.

Wanneer de omstandigheden ongunstig zijn, is de

investering niet eenvoudig ongedaan te maken. Ten

vierde moet rekening worden gehouden met omvangrijke

ruimtelijke en financiële reserveringen die de

mogelijkheid bieden om in te spelen op nieuwe, deels

onverwachte, ontwikkelingen. Die reserveringen zijn

maar eenmalig te gebruiken en beïnvloeden daarmee

ook de toekomst.

Visie en kosten-batenanalyse beide noodzakelijk voor besluitvorming1

samen werken met water 75

40. Vanwege nieuwe inzichten in de Hydraulische

Randvoorwaarden voor de Waddenkust

in 2011 is er mogelijk op korte termijn een

nieuwe ronde versterkingen van keringen

van de Fries-Groningse waterkeringen op

het vasteland nodig. Hierdoor neemt de

“achterstand” verder toe.

41. D oor Rijk, provincies, gemeenten en

waterschappen wordt gewerkt aan het

nationaal adaptatieprogramma Ruimte en

Klimaat. Hierin wordt een strategie ontwikkeld

voor het klimaatbestendig maken van de

ruimtelijke inrichting van Nederland.

42. R ijkswaterstaat/Deltares: Beantwoording

Kennisvragen Deltacommissie, een

samenvatting (2008)

43. Bij een kostprijs van 4 euro per m3 kost dit

160 tot 340 miljoen euro per jaar.

44. A fgeleid uit Economische analyse Kustbeleid,

rapport fase 2 verkenning ex ante, opgesteld

door Rebelgroup, Witteveen en Bos en

Rijkswaterstaat RIKZ, 2007

45. Zie ook Kust, ruimte voor mensen én vogels

(Vogelbescherming, 2008).

46. R ijkswaterstaat/Deltares: Beantwoording

Kennisvragen Deltacommissie, een

samenvatting (2008)

47. Van Goor, M.A., Zitman, T.J., Wang, Z.B. and

Stive, M.J.F., 2003. ‘Impact of sea-level rise

on the morphological equilibrium state of tidal

inlets.’ Marine Geology: 202 (3-4): 211-227

48. Voor de kleinere getijdenbekkens zoals

het Eierlandse Gat neemt tot een

zeespiegelstijging van ongeveer 1 meter per

eeuw de plaatomvang lineair af met 30%.

Voor een groter bekken als het Amelander

Zeegat neemt de plaatomvang lineair zelfs

af met 40% bij een zeespiegelstijging tot

ongeveer 0,6 meter per eeuw. Voor zowel

kleinere als grotere getijdenbekkens geldt

dat de plaatomvang daarna exponentieel

afneemt. Platen zullen volledig verdwijnen als

de zeespiegel (ten opzichte van genoemde

respectievelijk 1,0 en 0,6 meter/eeuw) met

0,5 meter per eeuw extra stijgt.

49. D e commissie denkt hierbij aan een

suppletievolume van 3 miljoen m3 per

jaar, gebaseerd op Rijkswaterstaat/

Deltares: Beantwoording Kennisvragen

Deltacommissie, een samenvatting (2008).

50. E en kruinverhoging van deze waterkeringen

met 50, 150 en 300 cm kost naar schatting

resp. 3,5; 5,5; en 10 miljoen euro per km Het

betreft in totaal 140 km

51. Hiervoor zijn ook doorvoermogelijkheden

vanuit Krammer-Volkerak Zoommeer naar

Grevelingen (en Oosterschelde) nodig, zoals

spuisluizen. In de incidentele gevallen dat

hiervan gebruik wordt gemaakt, heeft de

grote instroom van zoet water in het zoute

Grevelingen of Oosterschelde-estuarium een

grote ecologische impact. De commissie acht

dit acceptabel in het licht van de veiligheid

tegen overstromen, de geringe frequentie

waarmee dit optreedt en het feit dat de

ecosystemen hiervan weer herstellen.

52. D at kan door de dammen bij de Krammersluizen

naar de Oosterschelde weer voor

zout water doorstroombaar te maken.

Hiermee wordt ook de oorspronkelijke

getijdendynamiek enigszins teruggebracht

(binnen de marge die de scheepvaart tussen

Antwerpen en Rotterdam toelaat).

53. Kosten hiervan bedragen naar schatting

6,5 tot 7,0 miljard euro (excl. onvoorzien

van enige tientallen procenten), volgens

Rijkswaterstaat, 2008: memo W. Silva

in antwoord op vragen ter zake van de

Deltacommissie.

54. I nformatie op basis van een door de

Deltacommissie gehouden Duits-

Nederlandse expertbijeenkomst op 2 juli

2008.

55. D e visserij is een kleine sector in het

IJsselmeer. Er is niet specifiek gekeken

naar effecten van peilstijging/uitzakken voor

de visserij. Mogelijke problemen met de

waterkwaliteit als gevolg van uitzakken, zullen

een nadelig effect hebben.

56. Unie van Waterschappen, 2008. Financiële

consequenties peilopzet IJsselmeer.

57. D e kosten voor de aanleg en exploitatie

van een gemaal in de Houtribdijk en

aanpassingen langs de rest van het IJsselmeer

bedragen 700 miljoen tot 1 miljard euro.

58. W aterkeringen rijk 150 miljoen euro/jaar;

waterkeringen waterschappen 200 miljoen

euro/jaar; waterkwantiteitsbeheer

waterschappen 760 miljoen euro/jaar;

waterkeringen en grondwater provincies

85 miljoen euro/jaar. (bron: Het hoofd boven

water, Nyfer 2008)

59. D e kosten zijn gebaseerd op inschattingen

van experts van Rijkswaterstaat, Unie van

Waterschappen en ingenieursbureaus.

De bandbreedte in de kosten hangt samen

met de invulling en de omvang van de

maatregelen, het moment dat maatregelen

nodig zijn en de bandbreedte in gehanteerde

eenheidsprijzen.

76 deltacommissie 2008

samen werken met water 77

De commissie realiseert zich dat zij met een lastige boodschap komt: na een

ramp wordt door iedereen de noodzaak gevoeld om in actie te komen om

herhaling te voorkomen. Dit advies is bedoeld juist om een bedreigende

situatie voor te zijn. Daarvoor moeten we wel nu al in actie komen. Gezien

de buitengewoon lange termijn waarop klimaatverandering ons dwingt te

denken en plannen te maken, en vanwege de vele en uiteenlopende maatregelen

die genomen moeten worden om de waterveiligheid te versterken, kan

gesproken worden van een uniek project: een Deltaprogramma, dat talrijke

investeringsprojecten omvat, met een looptijd van meer dan een eeuw.60

Bedreigingen voor een koersvaste aanpak

Burgers nemen als vanzelfsprekend aan dat de overheid de waterveiligheid

waarborgt, maar zij ervaren dit niet als een urgent vraagstuk waaraan de politiek

prioriteit moet geven. De beduchtheid voor natuurrampen in Nederland

is laag, de risico’s van klimaatverandering uiten zich geleidelijk en spelen pas

op de langere termijn. Hoe kan zeker gesteld worden dat Nederland koersvast

blijft werken aan de opgaven die de Deltacommissie in dit advies heeft geschetst

en waarvoor zij richting wijst? En hoe is ervoor te zorgen dat plannen en maatregelen

op de korte én de lange termijn afdoende gefinancierd kunnen worden?

Waterveiligheid is een onmisbare voorwaarde voor de maatschappelijke en

economische ontwikkeling van Nederland. Maar er zijn allerlei factoren die

de voortvarende uitvoering van een Deltaprogramma zoals door de commissie

wordt aanbevolen, kunnen bemoeilijken:

~ bij de aanleg van infrastructuur – ook als het gaat om ingrepen van nationaal

belang – moet binnen het Nederlandse consensusmodel steeds gezocht

worden naar breed maatschappelijk draagvlak voor een besluit, waarbij

beschermen en uitbreiden van natuurwaarden steeds belangrijker worden

gevonden;

~ besluiten over ingrepen voor waterveiligheid vinden plaats binnen een

planningshorizon van 50-100 jaar, terwijl er in besluiten over de ruimtelijke

ordening veelal niet langer dan 10-25 jaar vooruit wordt gekeken;

~ voor waterveiligheid zijn veel overheden en maatschappelijke partijen

verantwoordelijk. Deze hebben vaak verschillende belangen en posities, met

als risico dat uiteindelijk niemand bevoegd is of de eindverantwoordelijkheid

neemt om een overkoepelend besluit te nemen61;

~ het Deltaprogramma kent een veelheid aan deeltrajecten die op verschillende

schaalniveaus, door verschillende ‘trekkers’ en verspreid over tientallen jaren,

in nauwe onderlinge samenhang tot uitvoering moeten worden gebracht;

~ investeringen in de waterveiligheid met baten voor de lange termijn,

concurreren met andere overheidsuitgaven, uitgaven die zichtbaar baten

opleveren voor de korte termijn.

5 Besluitvorming:

van visie naar uitvoering

Oosterscheldekering

78 deltacommissie 2008

In de tweede helft van de 19e eeuw was

men ervan overtuigd dat een verbetering

van de infrastructuur noodzakelijk was

om Nederland welvarender te maken.

Uit een analyse van de uitgaven van de

rijksoverheid blijkt dat de aanleg van het

Noordzeekanaal en de Nieuwe Waterweg

in verhouding tot de rest van de uitgaven

in hun sector zeer aanzienlijk waren. Ook

de aanzienlijke kostenoverschrijdingen

in de jaren tachtig van die eeuw werden

geaccepteerd. Dit alles zonder dat

er een ramp had plaatsgevonden. In

1880 aarzelde de regering niet om

zeer grote investeringen te doen voor

baggerwerkzaamheden. In hetzelfde

decennium werd tegen zeer hoge

kosten ook de Kanaalmaatschappij

(opgericht met het oog op de aanleg

van het Noordzeekanaal) door het rijk

overgenomen. De reden hiervoor is

dat men zich er zeer goed van bewust

was dat men zonder de uitbouw van

het Noordzeekanaal en de Nieuwe

Waterweg de concurrentie met Hamburg

en Antwerpen niet zou aankunnen.1

1. ‘ De nieuwe Waterweg en het Noordzeekanaal, een

waagstuk’. Prof.dr. G.P. van de Ven; april 2008

Negentiende-eeuwse visie

Investeringen in infrastructuur

in % van het bbp, 1800-20071

1. I nvesteringen in totale infrastructuur;

natte en droge

infrastructuur.

* NW = Nieuwe Waterweg;

N ZK = Noordzeekanaal;

S VK = Stormvloedkering

Bron: Cijfers periode 1800-1995

gebaseerd op Groote (1999);

periode 1995-2007 gebaseerd

op CBS Statline

samen werken met water 79

Eenduidige, verbindende nationale regie;

krachtige decentrale uitvoering

De borging van de waterveiligheid vraagt voor de langere termijn om grote

besluitvaardigheid en eenduidige regie. Op nationaal niveau worden daarom de

langetermijnvisie en nationale doelen vastgesteld.

Een nationaal kader is noodzakelijk voor de besluitvorming over en realisatie

van regionale opgaven. Dit maakt het rijk tot een betrouwbare spelbepaler en

medespeler in de realisatie van de regionale opgaven. Om de noodzakelijke

horizontale coördinatie op rijksniveau te vertalen naar slagvaardige regie en

besluitvorming, stelt de Deltacommissie voor een ministeriële stuurgroep onder

voorzitterschap van de minister-president in te stellen, waarin (in elk geval) de

meest betrokken ministeries vertegenwoordigd zijn: ministerie Volkshuisvesting,

Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer (VROM), Landbouw, Natuur en

Voedselkwaliteit (LNV) en Financiën.62 De politieke eindverantwoordelijkheid

voor implementatie en uitvoering van maatregelen blijft belegd bij de bewindspersoon

van V&W.

Als secretaris van deze ministeriële stuurgroep wordt een Deltaregisseur

aangesteld.63 De Deltaregisseur zorgt voor de voorbereiding van de

besluitvorming die plaatsvindt in de ministeriële stuurgroep en is tevens

verantwoordelijk voor de voortgang en samenhang van het proces.

Hiervoor krijgt hij64 van genoemde ministers de benodigde (gemandateerde)

bevoegdheden. Hij vertaalt, in goed overleg met de betrokken ministeries

en de regionale bestuurders, de nationale opgaven voor de komende

100 jaar (vastgelegd in termen van maatregelen in een Deltaprogramma) naar

concrete regionale opgaven voor de komende 25 jaar. Zo nodig intervenieert

hij, bijvoorbeeld met instrumenten zoals die zijn vastgelegd in de nieuwe Wet

ruimtelijke ordening. Dit alles gebeurt met behoud van voldoende flexibiliteit en

ruimte om met inherente onzekerheden om te kunnen gaan.

De Deltaregisseur houdt de koers van het Deltaprogramma vast, schept een

nationaal kader, faciliteert en stimuleert (nationaal én regionaal), en waar

nodig hakt hij knopen door. Hij verbindt de verschillende bestuurslagen (rijk,

provincies, gemeenten, waterschappen) maar betrekt ook maatschappelijke

organisaties, bedrijven en burgers. Hij houdt continu het nationale belang in

het oog, mede via de Nederlandse vertegenwoordiging voor de waterveiligheid

in EU-gremia en door de omzetting van EU-richtlijnen in nationale wet- en

regelgeving. Taken en bevoegdheden van de Deltaregisseur worden in de

nieuwe Deltawet (zie verder) vastgelegd. De Deltaregisseur rapporteert aan de

ministeriële stuurgroep en (via deze) aan het kabinet en de Tweede Kamer.

De Tweede Kamer wordt in overweging gegeven een (permanente)

Themacommissie in te stellen, om het belang te onderstrepen dat de Tweede

Kamer hecht aan adequate parlementaire controle op de uitvoering van het

Deltaprogramma voor de 21ste eeuw.

Het Deltaprogramma kan alleen dan slagvaardig worden uitgevoerd,

als bij de regionale opgaven wordt aangesloten op de daar aanwezige

initiatieven, kennis en netwerken. Daarnaast blijft de actieve betrokkenheid

van maatschappelijke organisaties, bedrijven en burgers bij regionale

opgaven noodzakelijk.65 Om deze reden is regionale verantwoordelijkheid

80 deltacommissie 2008

voor de uitwerking en slagvaardigheid in de uitvoering van de regionale

opgaven (analoog aan de bestaande praktijk in bijvoorbeeld het programma

Ruimte voor de Rivier) evident. Deze opgaven moeten bijdragen aan

de nationale visie en uitgevoerd worden binnen de nationaal gestelde

randvoorwaarden. De eindverantwoordelijkheid voor invulling en realisatie

van de (afzonderlijke) regionale opgaven ligt (over het algemeen) bij een

regionale bestuurder en kan in de praktische uitwerking worden belegd bij

een regionale ontwikkelingsmaatschappij, gebruikmakend van de ervaring

en uitvoeringskracht van Rijkswaterstaat en de waterschappen. De regionale

bestuurder maakt gebruik van de verantwoordelijkheden en bevoegdheden die

in bestaande wet- en regelgeving zijn vastgelegd. Hij heeft in de Deltaregisseur

zijn partner op landelijk niveau.

Geld mag geen probleem zijn

In een recente publicatie pleit de Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid

(WRR) voor een strategische heroriëntatie op langetermijninvesteringen

in de infrastructuur. De infrastructuren die ons beschermen tegen overstromingen,

noemt de WRR in dit verband terecht van wezenlijk belang.66

De eerste Deltacommissie stelde in haar advies dat Nederland zo’n 0,5% van

haar BBP zou moeten besteden aan waterveiligheid. De nieuwe Deltacommissie

onderschrijft dit streven: Nederland moet minstens 0,5% van het BBP67 aan

waterveiligheid willen besteden. 68

Omdat de overheid de Zuiderzeewerken

als een uitzonderlijk project

beschouwde, werd in de Zuiderzeewet

besloten een apart fonds te stichten

voor de financiering van deze werken.

Hierdoor bleef het project buiten het

normale begrotingsbeleid van de

overheid. Het Zuiderzeefonds moest

dienen om de Zuiderzeewerken te

financieren totdat deze waren voltooid.

Andere zaken die uit het fonds moesten

worden bekostigd, waren kosten voor

militaire werken die met de indamming

samenhingen, de Visserijzeesteunwet,

de Zuiderzeeraad en kosten aan

aflossingen en rentebetalingen. Het

fonds werd gevoed door een jaarlijkse

bijdrage van twee miljoen gulden van de

Waterstaatsbegroting. Daarnaast waren

er bijdragen van de Oorlogsbegroting,

opbrengsten van afzonderlijke leningen,

voorschotten uit ‘s R ijks schatkist,

inkomsten van pacht of verkoop van

gronden en behaalde baten van het

voorafgaand dienstjaar.

De prognoses van kosten en baten

van de Zuiderzeewerken werden door

de jaren heen geregeld bijgesteld.

Zo begrootte Lely in 1891 de kosten

van de werken op circa 190 miljoen

gulden. Lely keek alleen naar de

directe financiële kosten en baten, en

zag mede daardoor nog niet in dat

de Afsluitdijk zijn eigen kosten zou

terugverdienen.1 De commissie Lovink,

die meer gedetailleerde berekeningen

uitvoerde, schatte de totale kosten

in 1925 op het dubbele, 380 miljoen

gulden. De uiteindelijke kosten van

de Zuiderzeewerken kunnen op circa

drie miljard gulden geschat worden.

De eerdere calculaties hebben deze

prijsstijgingen niet voorzien. Zoals

ingenieur Thijsse (rond 1972) stelde: ‘in

1925 had men er nog geen idee van,

wat er allemaal vast zit aan het winnen

van nieuw land en evenmin hoe groot de

agrarische opbrengst van dat land wel

zou zijn.’ Immers, een zo groot project

als de Afsluitdijk was nog niet eerder

uitgevoerd. Achteraf zijn zowel de kosten

als de opbrengsten vele malen hoger

uitgevallen dan men bij de aanvang van

het project had kunnen voorzien.

1. Thijsse: Een halve eeuw Zuiderzeewerken (1972)

Kosten en baten van de Zuiderzeewerken

samen werken met water 81

Voor de ingrepen die in het vorige hoofdstuk zijn aanbevolen, zijn extra

financiële middelen nodig. Deze zijn tot 2050 ruwweg begroot op jaarlijks

tussen de 1,2 en 1,9 miljard euro bovenop de huidige uitgaven door rijk en

waterschappen voor aanleg en instandhouding van waterkeringen. Om deze

noodzakelijke financiën beschikbaar te krijgen en zeker te stellen,

~ moeten de extra lasten over verschillende generaties verdeeld worden: de

maatschappelijke baten van ruimtelijke infrastructurele ingrepen komen ook

ten goede aan meerdere generaties;

~ draagt iedere Nederlander bij aan maatregelen die ons land klimaatbestendig

maken en houden;

~ hoeven de totaal benodigde bedragen niet op dag één beschikbaar te zijn

maar moet de omvang van het nog in te stellen Deltafonds (zie hieronder) het

uitgavenpatroon volgen;

~ zijn de huidige wet- en regelgeving (zoals de 3%-norm krachtens het

Stabiliteits- en groeipact)69 vertrekpunt, maar moet deze zo toegepast kunnen

worden dat zij duurzame financiering van maatregelen niet in de weg staan.

Daarnaast wijst de Deltacommissie op de spanning tussen ‘lasten op de korte

termijn’ en ‘baten op de lange termijn’: investeringen in waterveiligheid

en zoetwatervoorziening brengen baten voor de lange termijn op, maar

concurreren ondertussen met uitgaven voor andere maatschappelijke

vraagstukken die onmiddellijke aandacht vragen. Hierbij wordt aangetekend

dat financiering door middel van samenwerking tussen publieke en private

partijen als volgt moet worden gezien: primair is de overheid verantwoordelijk

voor de waterveiligheid en zoetwatervoorziening. Echter in geval van het

combineren van functies opkomen, het combineren van belangen, is het waard

te onderzoeken of er kansen liggen voor samenwerking met private partijen.

Hierbij kan gedacht worden aan de ontwikkeling van extra gronden voor

woningbouw, recreatie, energieopwekking, natuurontwikkeling, etc.

Deltafonds stelt de financiën zeker

Gezien het bovenstaande stelt de Deltacommissie voor een zogenaamd

Deltafonds op te richten voor de realisatie van maatregelen voor waterveiligheid

en zoetwatervoorziening. Dit fonds wordt beheerd door de minister van

Financiën, maar staat ‘op afstand’ van de rijksbegroting of andere fondsen

zoals het Infrastructuurfonds en het Fonds Economische Structuurversterking

(FES), die immers (ook) andere doelen dienen.70 Hierdoor blijven de

middelen bestemd voor datgene waarvoor ze bedoeld zijn: waterveiligheid

en zoetwatervoorziening. Middelen zijn in het fonds voorhanden op het

moment dat ze nodig zijn: uitgaven volgen het realisatietempo van de

ruimtelijke infrastructurele ingrepen. De financiële middelen die nodig zijn

om de waterveiligheid en de zoetwatervoorziening te waarborgen, worden

op deze wijze zekergesteld en concurrentie met de kortetermijnagenda wordt

voorkomen.

De voeding van het voorgestelde Deltafonds vindt plaats door een combinatie

van lenen en (een gedeelte van de) aardgasbaten. Door een relatie te leggen

tussen de besteding van aardgasbaten en waterveiligheid, wordt uitdrukking

gegeven aan het verband dat bestaat tussen het verbruik van fossiele

brandstoffen (zoals aardgas), klimaatverandering, de stijgende zeespiegel en de

maatregelen die de commissie aanbeveelt. De commissie ziet ook andere goede

argumenten om de aardgasbaten (deels) te gebruiken voor de voeding van het

82 deltacommissie 2008

Deltafonds: geen toename van de schuld (van rijk of waterschappen), geen

toename van de lastendruk van burgers en bedrijven en meerdere generaties

genieten de baten.

Het aanwenden van (een gedeelte van de) aardgasbaten heeft echter wel

politieke implicaties. Weliswaar wordt ‘ondergronds vermogen omgezet in

bovengrondse veiligheid’ in de vorm van ruimtelijke infrastructurele ingrepen,

maar reservering hiervan in het Deltafonds kan op de korte termijn concurreren

met consumptieve- en investeringsuitgaven die nu met de aardgasbaten

gerealiseerd worden.71

Volledige voeding uit de aardgasbaten is om deze reden niet haalbaar maar

ook niet nodig. Want het is ook heel goed mogelijk om voor het Deltafonds

vreemd vermogen aan te trekken via de kapitaalmarkt, bijvoorbeeld in de vorm

van de uitgifte van langdurende staatsobligaties. De overheid kan daardoor

snel inspelen op veranderende omstandigheden, bijvoorbeeld in de rentestand:

bij een lage rentestand kan het uitvoeringstempo worden verhoogd. Andere

voordelen van deze mogelijkheid zijn:

~ incidenteel is voor dure ingrepen extra voeding van het fonds mogelijk;

~ de lasten worden goed geëgaliseerd over verschillende generaties (iedere

generatie betaalt de rente en aflossing), terwijl de uitgaven toch met (extreme)

pieken kunnen plaatsvinden;

~ de uitgaven kunnen het realisatietempo van de ingrepen volgen;

~ het is relatief eenvoudig om te blijven voldoen aan de 3%-EMU norm72;

~ langlopende leningen zijn als beleggingsmateriaal aantrekkelijk voor

pensioenfondsen, zeker als deze gekoppeld zijn aan de ontwikkeling van

inflatie.

Andere beoogde aanwendingen door middel van (een gedeelte van de)

aardgasbaten, zoals voor technologische innovatie, worden niet gekort.

De minister van Financiën is verantwoordelijk voor de voeding en het beheer

van het Deltafonds en houdt dus toezicht op de uitgaven. De bewindspersoon

van V&W is eindverantwoordelijk voor de uitgaven uit het fonds. De

nationale besluitvorming over de besteding van middelen is een voorwaarde

voor uitvoering van het Deltaprogramma, dat door de Deltaregisseur wordt

opgesteld en door de ministeriële stuurgroep vastgesteld. De Deltaregisseur

stelt vervolgens budgetten ter beschikking aan partijen die verantwoordelijk

zijn voor de (regionale) uitvoering van maatregelen, zoals waterschappen,

Rijkswaterstaat, etc. Een maatregel die opgenomen is in het Deltaprogramma

wordt gefinancierd uit het Deltafonds, ook als deze meerdere belangen of

functies dient naast hoogwaterbescherming en/of zoetwatervoorziening.

Een grote betrokkenheid van decentrale overheden aan de regionale opgave

van het Deltaprogramma is cruciaal. Om dit te benadrukken, stelt de

Deltacommissie voor dat decentrale overheden financieel bijdragen daar waar

het expliciete regionale belangen betreft met specifieke regionale voordelen.

Daarnaast is cofinanciering door maatschappelijke organisaties en private

partijen ten behoeve van extra maatschappelijke en/of economische meerwaarde

ook mogelijk.

samen werken met water 83

Een nieuwe Deltawet als sluitstuk

Voor de uitvoering van de door de commissie aanbevolen maatregelen (voor de

korte(re) termijn) vormen de bestaande wetten, zoals de Waterwet, de nieuwe

Wet ruimtelijke ordening en de Waterschapswet73 het kader. De ruimtelijke

gevolgen van de wateropgaven worden in ruimtelijke plannen uitgewerkt. Om

dit effectief te kunnen doen, wordt in het planstelsel van de Waterwet reeds een

(juridische) koppeling gelegd met het planstelsel van de nieuwe Wet ruimtelijke

ordening.

Voor datgene dat niet geregeld is in de bestaande wetgeving adviseert de

Deltacommissie de invoering van een Deltawet, waardoor de aanbevelingen

van dit advies juridisch worden verankerd.74 In de eerste plaats brengt een

(nieuwe) Deltawet het belang tot uitdrukking van de integraliteit van de te

nemen maatregelen. Daarnaast benadrukt een aparte wet het belang dat aan het

Deltaprogramma wordt gehecht en dat de ‘normale’ besluitvorming in sommige

opzichten niet toereikend is om de realisatie ervan mogelijk te maken. Door

het opstellen van een Deltawet wordt expliciet gemaakt dat er voor de langere

termijn een adequate procedurele, inhoudelijke en financiële borging moet zijn,

die de werking van ‘gewone’ wetten overstijgt:

~ procedureel: de taken en bevoegdheden van de Deltaregisseur (die secretaris

van de ministeriële stuurgroep is) en regelingen zoals voor strategische

grondverwerving, schadevergoeding en onttrekking geldelijke voordelen –

ook door private partijen – worden expliciet in de Deltawet vastgelegd (voor

zover niet in bestaande wetten benoemd);

~ inhoudelijk: de Deltawet bepaalt dat een Deltaprogramma wordt opgesteld.

Dit omvat een lijst van deltawerken die moeten worden uitgevoerd (met een

globale omschrijving van de werken en een globale raming van de kosten van

de werken, plus de financiering);

~ financieel: de oprichting van het Deltafonds, alsmede de voedings- en

onttrekkingsrechten daarvan. Hierbij wordt een expliciete vermelding

gemaakt van het doel van de maatregelen als ook van de voorwaarden

waaraan de te financieren maatregelen moeten voldoen.

Bovenstaande maatregelen op politiek-bestuurlijk, financieel en juridisch gebied

moeten deze kabinetsperiode nog worden voorbereid en de komende jaren

concreet invulling krijgen. Daarom beschouwt de Deltacommissie de huidige

politiek-bestuurlijke inrichting en cultuur (‘regionaal wat kan en nationaal wat

moet’) als uitgangspunt.

Figuur 12: schematisch

overzicht bestuurlijk/politiek/

juridische structuur

84 deltacommissie 2008

Aanbeveling 12

Politiek-bestuurlijk,

juridisch en financieel

De Deltacommissie beveelt aan:

1. de politiek-bestuurlijke organisatie voor waterveiligheid te versterken door:

~ te voorzien in een verbindende nationale regie en regionale

verantwoordelijkheid voor de uitvoering:

~ instellen van een ministeriële stuurgroep, bestaande uit de

bewindspersonen van (in elk geval) de ministeries van V&W, LNV,

Financiën en VROM onder voorzitterschap van de minister-president;

~ deze stuurgroep is verantwoordelijk voor besluitvorming, regie en de

horizontale coördinatie op rijksniveau;

~ er is één politiek eindverantwoordelijke: de bewindspersoon van V&W.

Deze blijft eindverantwoordelijk voor het programma en de nationale

doelen voor hoogwaterbescherming en zoetwatervoorziening;

~ de stuurgroep heeft een secretaris, de Deltaregisseur, die rapporteert aan

de ministeriële stuurgroep en (daarmee) aan het kabinet en de Tweede

Kamer;

~ deze Deltaregisseur vertaalt de nationale opgaven voor de komende

100 jaar naar regionale opgaven voor de eerstvolgende 25 jaar;

~ de eindverantwoordelijkheid voor invulling en realisatie van de

regionale opgaven wordt over het algemeen belegd bij een per opgave

aangewezen (regionale) bestuurder. Dit kan, al naargelang de aard van

de opgave, een gemeentelijke, provinciale of waterschapsbestuurder

zijn. Deze bestuurder kan rekenen op de Deltaregisseur als zijn partner

op centraal niveau;

~ de Deltaregisseur beschouwt de regionale opgaven (als ook hun

uitwerking en voortgang) in samenhang op nationaal niveau en stuurt

zo nodig bij; hij faciliteert het proces, stimuleert ontwikkeling en

besluitvorming en brengt hiervoor partijen en kennis bijeen. Hij treedt

zo nodig gezaghebbend op en hakt waar nodig knopen door;

~ in de Tweede Kamer een (permanente) Themacommissie in te stellen, die

een nauwe parlementaire betrokkenheid verzekert;

2. de financiële middelen voor maatregelen voor hoogwaterbescherming en

zoetwatervoorziening zeker te stellen door:

~ een Deltafonds op te richten;

~ het Deltafonds te voeden door onder andere een combinatie van lenen en

storting van (een gedeelte van de) aardgasbaten;

~ als rijk financiële middelen ter beschikking te stellen voor maatregelen en

regels te stellen voor de onttrekking van financiële middelen uit het fonds;

3. een Deltawet vast te stellen om de politiek-bestuurlijke organisatie en de

zekerstelling van financiën te verankeren binnen het huidige staatsbestel en de

huidige wet- en regelgeving.75

In de nieuwe Deltawet76 moet in ieder geval worden opgenomen:

~ de oprichting van het Deltafonds, alsmede de voeding van en onttrekking

daaruit;

~ taken en bevoegdheden van de Deltaregisseur;

~ de bepaling dat een Deltaprogramma zal worden opgesteld;

~ regelingen voor strategische grondverwerving, schadevergoeding voor

nadelen en onttrekking geldelijke voordelen die ontstaan door realisatie

van maatregelen uit het Deltaprogramma. 77

samen werken met water 85

60. Zie ook het achtergrondrapport Bouwstenen

voor de Deltacommissie (Nyfer, 2008).

61. Zie ook het rapport van de commissie-Elverding

Sneller en beter (2008): ‘de behoefte

in onze consensuscultuur om het bijna

onverenigbare toch te verenigen, strandt

[…] in veel gevallen op bestuurlijk en politiek

onvermogen om besluiten te nemen en een

eenmaal genomen besluit ook door te zetten.’

62. I n het verleden is de constructie ‘een ministeriële

commissie o.l.v. de minister-president’

reeds meerdere malen voor grote(re) projecten

toegepast.

63. C onform artikel 69, lid 3 van de Grondwet;

staatsrechtelijk ‘regeringscommissaris’.

64. Vanzelfsprekend kan de Deltaregisseur ook

een vrouw zijn.

65. Zie ook het rapport van de commissie-Elverding

Sneller en beter (2008)

66. WRR . Sturen op infrastructuren (2008).

67. Het BBP bedraagt in 2007 zo’n 550 miljard

euro.

68. O nder waterveiligheid schaart de commissie

ook wateroverlast en het veiligstellen van

voldoende zoet water. De geschatte kosten,

inclusief beheer en onderhoud, komen tot

2050 tussen de 2,4 en 3,1 miljard euro per

jaar, zie hfdst. 4, ongeveer 0,5% van het

BNP.

69. O ver de hoogte van het EMU-tekort zijn

binnen Europa afspraken gemaakt die zijn

neergelegd in het Verdrag van Maastricht en

het Stabiliteits- en Groeipact. Zo mag voor

een jaar het EMU-tekort van een land niet

boven de 3% BBP uitkomen.

70. D e Deltacommissie is zich bewust van de

recente bevestiging van het kabinetsvoornemen

(brief van Ministeries van Economische

zaken en Financiën d.d. 1 juli 2008 aan

Tweede Kamer) om de investeringsdomeinen

voor het FES uit te breiden met onder

andere waterbeheersing. De commissie adviseert

om een afzonderlijk Deltafonds op te

richten juist om de noodzakelijke middelen

voor waterveiligheid en zoetwatervoorziening

zeker te stellen en niet te laten concurreren

met andere investeringsdomeinen.

71. W ierts en Schotten De Nederlandse Gasbaten

en het Begrotingsbeleid: Theorie versus

Praktijk. Occasional Studies Vol.6/No. 5,.

Amsterdam, 2008

72. D it onder de veronderstelling dat Europa

hiervoor de zogenaamde ‘golden rule’

accepteert (artikel 104), die bepaalt dat het

in sommige gevallen (grote infrastructurele

investeringen) is ‘toegestaan’ dat de overheid

de 3%-norm overschrijdt.

73. R apport Nyfer: Eb en vloed wachten op

niemand (2008)

74. Prof. Bruil: Naar een nieuwe Deltawet (2008)

75. Bestaande wetten als de nieuwe Wet

ruimtelijke ordening, de Waterwet en de

Waterschapswet blijven volledig bruikbaar

voor realisatie van maatregelen.

76. I n de wet, die fungeert als een programmawet,

is aandacht voor doel van de

maatregelen (hoogwaterbescherming en

zoetwatervoorziening) en de realisatie van

maatregelen in samenhang en op nationaal

niveau, en soms zelfs op internationaal

niveau.

77. Zo nodig kunnen in een Deltawet voorzieningen

worden opgenomen voor verticale en

horizontale coördinatie en besluitvorming

(voor zover dit nog/al niet voldoende is

geborgd in de huidige wet- en regelgeving).

86 deltacommissie 2008

samen werken met water 87

De opdracht aan de commissie

De Deltacommissie is door de regering gevraagd te adviseren hoe Nederland

zo ingericht kan worden dat ons land ook op de zeer lange termijn veilig is

tegen overstromingen en een aantrekkelijke plaats kan blijven om te leven. De

commissie is daarbij gevraagd een bredere afweging te maken dan één die louter

kijkt naar de gevolgen voor de veiligheid. Zij is ook gevraagd te onderzoeken

waar synergie mogelijk is met andere maatschappelijke functies als wonen en

werken, landbouw, natuur, recreatie, landschap, infrastructuur en energie. De

commissie ziet een zee van kansen om verschillende functies en belangen te

combineren met de noodzakelijke aanpak van de waterveiligheid.

De commissie vat ‘de kust’ breed op: zij beslaat het hele laaggelegen

deel van Nederland. Het advies van de commissie gaat vooral over het

hoofdwatersysteem, maar hangt samen met en werkt door naar de ruimtelijke

inrichting van heel Nederland.

De opgave is urgent

Gezien de situatie in een aantal dijkringen is de veiligheidsopgave nu al urgent

en zal met een stijgende zeespiegel, een grotere variatie in rivierafvoeren en

een verdere groei van het beschermwaardig belang alleen maar groter worden.

Als ergens in het land een catastrofale doorbraak plaatsvindt, heeft dit

ontwrichtende gevolgen voor heel Nederland.

De huidige wettelijke normen dateren nog uit de jaren 60 van de vorige eeuw.

Momenteel voldoet circa een kwart van de waterkeringen niet aan die wettelijke

normen en van nog eens ca. 30% is onbekend of ze voldoen.

De Deltacommissie meent dat er rekening moet worden gehouden met een

zeespiegelstijging van 0,65 tot 1,30 meter in 2100 en van 2 tot 4 meter in

2200. Het effect van bodemdaling is hierin verdisconteerd. Deze waarden

vertegenwoordigen de mogelijke bovengrenzen; het is verstandig om hiermee

rekening te houden, zodat de besluiten die worden genomen en de maatregelen

die worden getroffen voor lange tijd houdbaar zijn tegen de achtergrond van

wat Nederland mogelijk te wachten staat.

De temperatuurstijging en veranderende luchtcirculatie leiden voor de Rijn

en de Maas tot afnemende zomer- en toenemende winterafvoeren. Door de

beperkte afvoercapaciteit in Duitsland ligt de bovengrens van de afvoer die

Nederland rond 2100 kan bereiken op ongeveer 18.000 m3/s. Voor de Maas

moet rekening worden gehouden met een maatgevende afvoer van ten hoogste

4.600 m3/s rond 2100.

6 Een toekomstvast advies: conclusies

Zandplaten in de Oosterschelde

88 deltacommissie 2008

Wanneer de zeespiegel stijgt en het zoute water via de rivieren en het grondwater

verder landinwaarts binnendringt, komt de waterinname en daarmee de

zoetwatervoorziening van het land onder druk te staan. Droge zomers zoals

die van 2003 gaan vaker optreden en deze leiden tot schade voor landbouw

en scheepvaart. Ook andere economische sectoren zullen de schade hiervan

ondervinden.

Een samenhangende visie en een nationaal perspectief

De commissie vindt dat heel Nederland een aantrekkelijk land moet blijven om

te wonen, werken, investeren en recreëren. Veiligheid en duurzaamheid zijn de

twee pijlers waarop de strategie de komende eeuwen gebaseerd moet zijn. De

beste strategie om Nederland op den duur veilig en aangenaam bewoonbaar te

houden, is: mee-ontwikkelen met de klimaatverandering en andere ecologische

processen.

Waterveiligheid is voor heel Nederland van belang. Een veilige delta is een

collectief maatschappelijk belang waarvoor de overheid verantwoordelijkheid

neemt en blijft nemen. Vanuit dat collectief maatschappelijk belang wordt

het solidariteitsbeginsel gehanteerd: iedereen draagt financieel bij aan de

waterveiligheid want iedereen heeft nu en in de toekomst belang bij een veilig

Nederland.

Een vernieuwde risicobenadering

De commissie houdt vast aan de risicobenadering die door de eerste

Deltacommissie tot uitgangspunt is verheven. Maar daar bovenop geeft de

nieuwe Deltacommissie expliciet aandacht aan het verminderen van de kans

op dodelijke slachtoffers en hanteert zij een brede definitie van het begrip

veiligheid, waarin schade méér omvat dan alleen economische schade.

Het beschermingsniveau van verschillende dijkringen moet worden vastgesteld

op basis van drie elementen:

~ De kans om te overlijden door een overstroming; een mensenleven

is overal evenveel waard en de kans op overlijden als gevolg van een

overstromingsramp moet daarom overal op een maatschappelijk overeen te

komen basisniveau worden gerealiseerd. De commissie stelt voor hiervoor

een kans van één op een miljoen te hanteren, hetgeen vergelijkbaar is met

andere veiligheidsrisico’s (zoals voor industriële installaties en transport van

gevaarlijke stoffen).

~ De kans op grote aantallen slachtoffers in één keer door een overstroming;

die kans is nu veel groter dan voor andere veiligheidsterreinen bij elkaar

opgeteld. Dat vindt de commissie niet acceptabel. Er bestaat nog geen

maatstaf voor dit ‘Groepsrisico’ voor overstromingen. De commissie

adviseert dringend om deze zo spoedig mogelijk te ontwikkelen.

~ De mogelijke schade, waarbij het om meer gaat dan alleen economische

schade. De commissie vindt dat schade aan landschap, natuur en

cultuur(historische) waarden, maatschappelijke ontwrichting en

reputatieschade expliciet moeten worden meegenomen.

Deze drie elementen resulteren tezamen in één aangepaste norm voor

waterveiligheid.

samen werken met water 89

Waterveiligheid hoogste prioriteit

De inzichten in hoe de drie elementen uitwerken in een nieuwe norm zijn nog

niet compleet. Nadere uitwerking is nodig. Echter, de commissie vindt het

vaststellen van veiligheidsniveaus niet iets dat enkel op basis van rekenexercities

moet plaatsvinden. Na zorgvuldige afweging komt de commissie tot het oordeel

dat het huidige veiligheidsniveau voor alle dijkringen minimaal met een factor

10 moet worden verbeterd. Verdere uitwerking mag volgens de commissie

alleen op grond van een zeer deugdelijke onderbouwing leiden tot een lagere

factor dan 10. Vanwege de aanzienlijke kansen op grote aantallen slachtoffers

verwacht de commissie veeleer dat voor meerdere dijkringen de nadere

uitwerking zal leiden tot een nog hogere factor waarmee de veiligheid verbeterd

moet worden. Voor die dijkringen denkt de commissie aan het concept van

Deltadijken.

Een duurzame strategie…

Veiligheid komt voor de Deltacommissie op de eerste plaats. Maar met de

oplossingsrichtingen die de commissie voorstelt, wordt ook een belangrijke

bijdrage geleverd aan de ruimtelijke kwaliteit en daarmee aan het

vestigingsklimaat in Nederland. De voorstellen van de commissie

~ sluiten zoveel mogelijk aan bij natuurlijke processen: ‘bouwen met de natuur

en andere ecologische processen’;

~ zijn zoveel mogelijk integraal en multifunctioneel van karakter,

oplossingsrichtingen hebben maatschappelijk meerwaarde;

~ zijn kosteneffectief;

~ zijn flexibel en geleidelijk te realiseren, inspelend op ontwikkelingen op de

lange termijn;

~ bevatten handelingsperspectief voor de korte termijn;

~ wortelen in de Nederlandse traditie en hebben uitstraling naar de rest van de

wereld.

De commissie benadrukt dat de overheid verantwoordelijk moet blijven voor

een klimaatbestendige inrichting. Het advies biedt daarnaast ook ruimte

voor actieve betrokkenheid van de markt: waar mogelijk kunnen private

partijen uitgenodigd worden mee te investeren in de duurzame inrichting van

Nederland, met name daar waar investeringen in waterveiligheid kunnen

samengaan met de versterking van andere belangen en waarden, zoals natuur,

recreatie, bedrijvigheid, landbouw, infrastructuur, energie en wonen.

… voor heel Nederland

Om ervoor te zorgen dat Nederland de effecten van klimaatverandering

kan opvangen en op de lange termijn nog steeds een aantrekkelijk en

veilig land is, komt de Deltacommissie tot een aantal aanbevelingen voor

een Deltaprogramma, dat een samenhangend en veelomvattend pakket

investeringen omvat, met een looptijd van meer dan een eeuw. De commissie

maakt daarbij keuzes, uitgaande van een visie op nationale schaal en geijkt aan

het (overkoepelend) nationaal belang; deelbelangen zijn hieraan ondergeschikt.

Vertrekpunt voor de commissie is ons huidige, samenhangende watersysteem

met de bijbehorende inrichting om aan de verschillende gebruiksfuncties te

kunnen voldoen. Tegelijk zijn de aanbevelingen in dit advies voor de korte en

middellange termijn zo gekozen dat op de lange termijn verschillende opties

open blijven. Toekomstige generaties houden daardoor de ruimte om op basis

90 deltacommissie 2008

van de dan geldende inzichten en waarden hun eigen afwegingen te maken.

Flexibiliteit is wezenlijk: het is belangrijk ontwikkelingen te volgen, onze kennis

op peil te houden en de plannen daar steeds aan te blijven toetsen en eventueel

op aan te passen.

De commissie maakt onderscheid naar drie tijdshorizonnen en wil haar

aanbevelingen daarnaar richten:

~ concrete maatregelen voor de periode tot 2050;

~ een duidelijke visie voor de periode tot 2100 en

~ beschouwingen voor de heel lange termijn na 2100.

Veiligheidsniveau

De achterstand in het op orde brengen van de waterkeringen in Nederland moet

snel worden ingehaald. Dit geldt ook voor het vaststellen van nieuwe normen

voor waterveiligheid, waardoor het huidig veiligheidsniveau met minimaal

een factor 10 zal worden verbeterd. Deze aanscherping is voor 2013 haalbaar.

Voor 2050 moeten de maatregelen die nodig zijn voor het verhogen van het

veiligheidsniveau zijn uitgevoerd. Hierbij moet rekening worden gehouden met

de voorziene ontwikkelingen van de zeespiegel en rivierafvoeren, en met de

langetermijnvisie van de Deltacommissie. De commissie onderstreept het belang

van het combineren van waterveiligheid met het benutten van kansen voor

natuur, recreatie, wonen, landbouw en andere bedrijvigheid.

Nieuwbouwplannen

De commissie acht een verbod op bouwen op fysisch gezien ongunstige locaties

niet zonder meer geboden. Ruimte is nu eenmaal schaars. De besluitvorming

over nieuwbouwplannen in deze gebieden (bijvoorbeeld op slap veen) moet

expliciet plaatsvinden op basis van een integrale kosten-batenanalyse. De

kosten als gevolg van lokale besluiten moeten niet op een andere bestuurslaag

of de samenleving als geheel worden afgewenteld, maar gedragen worden door

degenen die ervan profiteren.

Dit principe moet in een breder afwegingskader voor klimaatbestendigheid

worden opgenomen, dat op regionaal en lokaal niveau kan worden toegepast.

Waterbeheerders moeten in een vroeg stadium bij het proces betrokken worden.

Buitendijkse gebieden

Nieuwe ontwikkelingen in buitendijkse gebieden mogen de afvoercapaciteit

van rivieren en toekomstig peilopzet van meren niet belemmeren. Bewoners en

gebruikers zijn zelf verantwoordelijk voor het treffen van gevolgbeperkende

maatregelen. De overheid heeft een faciliterende rol op het gebied van

voorlichten, informeren en waarschuwen.

Noordzeekust

Voor de Noordzeekust (Holland, koppen van Zeeland, Waddeneilanden)

ligt het accent op voortzetting van de praktijk van zandsuppleties. Hiermee

kan blijvend, tot ver in de volgende eeuw, veiligheid worden geboden. Om

tegemoet te komen aan maatschappelijke behoeften, adviseert de commissie

om de suppleties op zo’n schaal uit te voeren dat de kust de komende eeuw kan

aangroeien. Deze visie moet leidend zijn bij de aanpak van de ‘zwakke schakels’.

Kustaanwas schept met name extra ruimte voor natuur en recreatie (inclusief

de badplaatsen). Eilanden voor de kust hebben een positief effect voor de

kustveiligheid, maar dat is beperkt vergeleken met zandsuppleties. Zij kunnen

samen werken met water 91

aangelegd worden voor andere gebruiksfuncties, maar voor de genoemde

functies natuur en recreatie is kustuitbreiding kosteneffectiever.

Waddengebied

Grootschalige zandsuppleties langs de Noordzeekust leveren een positieve

bijdrage aan het meegroeien met de zeespiegelstijging van het Waddengebied.

De ontwikkeling van het Waddengebied moet goed geobserveerd worden. De

zeekeringen in Noord-Nederland en de Waddeneilanden worden op sterkte

gebracht en gehouden.

Zuidwestelijke delta

Voor de Oosterschelde ziet de commissie, als de levensduur van de

stormvloedkering niet langer meer verlengd kan worden (naar verwachting

ergens tussen 2075 en 2125), goede - in de eerste plaats ecologische -

argumenten om de getijdendynamiek volledig te herstellen. Er moet tijdig voor

een oplossing gekozen worden omdat als te zijner tijd voor een volledig open

variant wordt geopteerd, de waterkeringen rondom de Oosterschelde op sterkte

moeten worden gebracht. Om het estuariene karakter te kunnen behouden,

moet op korte termijn met zandsuppleties de zandhonger van de Oosterschelde

worden aangepakt.

De Westerschelde moet open blijven om het waardevolle estuarium en de

vaarroute naar Antwerpen te behouden. Veiligheid moet op peil worden

gehouden door dijkversterking.

Het Krammer-Volkerak Zoommeer in combinatie met de Grevelingen

moeten worden ingericht om in tijden van extreme rivierafvoeren tijdelijk

rivierwater op te kunnen vangen. Het meer krijgt voor de verbetering van de

waterkwaliteit op korte termijn een zoet-zoutgradiënt. Via zoetwateraanvoer uit

het Hollands Diep moet de watervoorziening voor landbouw en industrie van

de Zuidwestelijke delta worden gewaarborgd. De commissie adviseert om bij

de uitwerking na te gaan hoe het principe van beprijzen van water een rol kan

spelen.

Rivierengebied

Voor het rivierengebied is het op de korte termijn van het grootste belang

om de programma’s Ruimte voor de Rivier en Maaswerken uit te voeren. De

commissie gaat er vooralsnog van uit dat de maximale afvoer die Nederland in

2100 via de Rijn kan bereiken 18.000 m3/s is. Voor de Maas wordt uitgegaan

van een maatgevende afvoer van 4.600 m3/s in 2100. Afstemming met de

buurlanden in het kader van de EU-richtlijn Overstromingsrisico’s over

samenhang in maatregelen is essentieel. De benodigde ruimte om deze maximale

afvoeren te kunnen accommoderen, moet gereserveerd worden, mogelijk door

het vestigen van een permanent voorkeursrecht en zo nodig door het verwerven

van strategische grondposities. Voor zowel de Rijn als de Maas moet daar waar

mogelijk al vóór 2050 geanticipeerd worden op de afvoeren die rond 2100

verwacht kunnen worden.

92 deltacommissie 2008

Rijnmond

Voor het Rijnmondgebied beveelt de commissie aan per direct een ‘afsluitbaar

open’-variant in studie te nemen: bij extreem hoge waterstanden wordt het

gebied afgesloten met beweegbare keringen. Hierdoor wordt veiligheid geboden

maar kunnen tegelijk ook aantrekkelijke woonmilieus (stadsfronten) en natuur

tot ontwikkeling worden gebracht. Voor de ‘afsluitbaar open’ -variant zijn

nodig de Maeslantkering, de Hartelkering en de Haringvlietsluizen (die allemaal

tussen 2050 en 2100 vervangen moeten worden), eventueel aangevuld met

andere afsluitbare keringen in Spui, Oude Maas, Dordtse Kil en Merwede.

Zoutindringing via de Nieuwe Waterweg wordt niet langer meer met grote

hoeveelheden rivierwater bestreden. De zoetwatervoorziening voor West-

Nederland komt voornamelijk uit het IJsselmeer en zo mogelijk uit lokale

waterberging. De commissie beveelt aan dit voor 2050 te realiseren. De

zoetwatervoorziening voor het Rijnmondgebied, inclusief mogelijkheden van

innovaties in waterbehandeling, moet in de studie naar de ‘afsluitbaar open’

aanpak worden meegenomen.

IJsselmeergebied

Voor het IJsselmeer kiest de commissie voor een peilstijging van maximaal

1,5 m. Het belang van de strategische zoetwatervoorraad en van het zo lang

mogelijk kunnen blijven spuien op de Waddenzee zonder pompen, weegt de

commissie zwaarder dan de nadelen (en extra kosten) van een peilstijging.

Vanaf 2050 is met de verwachte klimaatverandering in extreem droge jaren een

‘waterschijf’ in het IJsselmeer nodig van 1,5 m. Grote nadelige effecten voor de

veiligheid in de benedenloop van de IJssel en het Zwarte Water ontstaan vanaf

een peilstijging van 1,5 m. Om een zo groot mogelijke flexibiliteit te voorzien,

hanteert de commissie daarom 1,5 m als maximum voor de peilstijging.

Eventueel kan gekozen worden voor een gefaseerde aanpak, waarbij het streven

wel moet wel zijn om al zoveel mogelijk zoetwatervoorraad beschikbaar te

hebben rond 2050.

Het peil in het Markermeer wordt niet verhoogd. Duidelijkheid over het peil

biedt een helder perspectief voor de stedelijke ontwikkeling van Amsterdam

en Almere. Na het inhalen van de achterstand in de veiligheid, hoeven de

(landschappelijk waardevolle) waterkeringen langs de kust van Noord-Holland

niet opnieuw te worden versterkt.

Kosten

Met de uitvoering van het Deltaprogramma is tot 2050 een bedrag van

1,2 à 1,6 miljard euro per jaar gemoeid en voor de periode 2050-2100 een

bedrag van 0,9 à 1,5 miljard euro per jaar. Binnen het Deltaprogramma

wordt voor de waterveiligheid zandsuppletie aan de kust toegepast. Als deze

zandsuppletie wordt vergroot om de Hollandse en Zeeuwse Noordzeekust

met bijvoorbeeld 1 km uit te breiden om zo ruimte te scheppen voor functies

als recreatie en natuur, is een aanvullend bedrag nodig van 0,1 à 0,3 miljard

euro per jaar. De hier genoemde bedragen zijn een indicatie. Nieuwe inzichten

kunnen leiden tot bijstelling van de maatregelen en dit kan doorwerken in de

kosten.

samen werken met water 93

Financiering en uitvoering

De Deltacommissie wijst erop dat de maatregelen die zij adviseert de inrichting

en het ruimtegebruik van grote delen van ons land beïnvloeden. De voorstellen

van de commissie zullen op verschillende schaalniveaus consequenties hebben

en daarmee veel functies en belangen raken. Het vergroten van de waterveiligheid

- de bescherming tegen overstromingen en wateroverlast en het

veiligstellen van de zoetwatervoorziening - dwingt tot keuzes in het grondgebruik

en raakt zo de ontwikkelingsmogelijkheden van landbouw en natuur,

stedelijke ontwikkeling, infrastructuur, scheepvaart, havens en andere sectoren

van de economie. Uitvoering van het Deltaprogramma vereist daarom een

integrale afstemming met andere facetten van het ruimtelijk beleid zoals

aspecten rond economie, energie, natuur en landschap, enzovoort. De noodzaak

van deze integrale benadering brengt de commissie ertoe aan te dringen

op de instelling van een ministeriële stuurgroep onder leiding van de ministerpresident.

De politieke eindverantwoordelijkheid voor implementatie en

uitvoering van maatregelen blijft belegd bij de bewindspersoon van V&W.

De politiek-bestuurlijke organisatie wordt verder versterkt door de aanstelling

van een Deltaregisseur die als secretaris van de ministeriële stuurgroep

horizontaal én verticaal verbindt. De Deltaregisseur vertaalt de nationale

opgave naar regionale opgaven. De verantwoordelijkheid voor uitwerking

en realisatie van de regionale opgaven wordt over het algemeen belegd bij

regionale bestuurders. In de praktische uitwerking adviseert de commissie om

gebruik te maken van de ervaring en uitvoeringskracht van de waterbeheerders.

Ten slotte stelt de Deltacommissie voor in de Tweede Kamer een (permanente)

Themacommissie voor de Delta in te stellen om de parlementaire controle op

implementatie en uitvoering van het Deltaprogramma te verzekeren.

De maatregelen die de commissie voorstelt, zijn dermate belangrijk voor de

waterveiligheid en zoetwatervoorziening van ons land, dat de financiering ervan

onafhankelijk moet zijn van politieke kortetermijnprioriteiten of economische

conjunctuur. Het advies van de commissie voorziet daarom in de instelling van

een Deltafonds dat gevoed wordt door (een gedeelte van de) aardgasbaten en

langlopende leningen.

De aanbevelingen op politiek- bestuurlijk en financieel gebied die nog niet in

huidige wet- en regelgeving zijn vastgelegd, worden juridisch verankerd in een

nieuwe Deltawet.

De Deltacommissie onderstreept het belang van sterke maatschappelijke

betrokkenheid bij de waterveiligheid van ons land. Alleen als er in de samenleving

– door bewoners en bedrijfsleven – bewust en behoedzaam met het water

wordt omgegaan, kan de noodzakelijke aanpak voor de bescherming tegen

overstromingen en een duurzame zoetwatervoorziening worden gerealiseerd.

Het Deltaprogramma moet een duurzaam programma zijn, waarbij de

commissie duurzaamheid opvat als het streven naar zo efficiënt mogelijk

gebruik van water, energie en andere grondstoffen, zodanig dat de kwaliteit

van de leefomgeving behouden blijft en zelfs wordt verbeterd. De commissie

ziet hiervoor legio kansen; multifunctionaliteit is hierbij een sleutelbegrip. De

biodiversiteit kan opbloeien als er meer ruimte komt voor de dynamiek van

zee en rivieren. In waterbergingsgebieden, op nieuw land of op Deltadijken

94 deltacommissie 2008

kunnen (aangepaste) woonmilieus gecreëerd worden. Door het ontwikkelen en

toepassen van duurzame energiebronnen bij of met het water wordt tegelijk de

uitstoot van broeikasgassen teruggedrongen en worden functies gecombineerd.

Een toekomstvast advies

Het advies van de Deltacommissie is een integraal advies dat een heldere

richting wijst, maar het biedt geen kant-en-klare blauwdruk voor hoe

Nederland er over een of twee eeuwen uit zou moeten zien. Het advies is

gebaseerd op de laatste wetenschappelijke inzichten omtrent de gevolgen

van klimaatverandering en verbindt aanbevelingen voor de waterveiligheid

en zoetwatervoorziening aan oplossingen die de ruimtelijke kwaliteit van

Nederland duurzaam versterken.

Het verzekeren van de waterveiligheid vereist een langetermijnbenadering en

een lange adem. De commissie vindt het daarom essentieel dat haar advies

toekomstvast is. Dit wordt bereikt door de combinatie van een flexibel en

deels multifunctioneel pakket aan oplossingsrichtingen voor de inrichting

van Nederland én een stevig pakket aan politiek-bestuurlijke, financiële en

juridische waarborgen.

Een belangrijke onzekerheid voor de toekomst vindt de commissie de mate

van welvaart en de daarmee samenhangende bereidheid om te investeren in

bescherming en kwaliteit van ons land. Om mindere perioden te doorstaan

en het gevaar van niet-investeren te voorkomen, voorziet het advies in de

vorming van een Deltafonds. Daarnaast zijn de politiek-bestuurlijke en

juridische onderdelen van het advies gericht op het vasthouden van de

noodzakelijke aandacht voor het Deltaprogramma: een stevige rol voor een

ministeriële stuurgroep onder leiding van de minister-president, een Deltaregisseur

die horizontaal én verticaal verbindt en tevens verantwoordelijk is

voor de voortgang en samenhang van het proces, sterke verantwoordelijkheden

voor de regio, wettelijke verankering in een Deltawet en een Themacommissie

in de Tweede Kamer. Dit maakt het advies toekomstvast voor onzekerheden

rond politieke, economische en maatschappelijke ontwikkelingen.

Een andere belangrijke factor is de ruimtedruk. Ondanks onzekerheden

in demografische ontwikkelingen is de verwachting van de commissie dat

de ruimtedruk in Nederland groot zal blijven. Nederland zal hoe dan ook

dichtbevolkt zijn en landbouw, energiewinning, waterberging en andere functies

zullen veel ruimte vragen. De oplossingsrichtingen van de commissie hebben een

sterke relatie met de ruimtelijke inrichting. Kustuitbreiding biedt extra ruimte.

Multifunctionele oplossingsrichtingen zoals brede Deltadijken in combinatie

met wonen en infrastructuur zijn gericht op het efficiënt herinrichten van de

ruimte. Waterveiligheid kost ruimte, maar die ruimte komt weer terug en met

meer kwaliteit. Nu alvast ruimte reserveren, is onder alle omstandigheden

belangrijk.

In het advies speelt internationale samenwerking een rol, zeker voor het

rivierengebied. Grensoverschrijdende samenwerking wordt binnen de Europese

Unie terecht steeds meer gemeengoed. Mocht dit in de toekomst toch anders

lopen dan is met het inrichten van het rivierengebied voor 18.000 m3/s voor de

Rijn en 4.600 m3/s voor de Maas en de strategische zoetwatervoorraad in het

IJsselmeer, het advies ook in dit opzicht toekomstvast.

samen werken met water 95

Het advies loopt niet vooruit op technologische ontwikkelingen, die zeker groot

zullen zijn. Zo zal de ontwikkeling en toepassing van nieuwe materialen de

bouw van nieuwe typen dijken mogelijk maken. Er zullen ongetwijfeld nieuwe

vormen van energie- en voedselproductie mogelijk worden, met consequenties

voor het ruimtegebruik. Door ICT ontstaan nieuwe mogelijkheden voor

het monitoren van risico’s en het informeren en in veiligheid brengen van de

bevolking bij calamiteiten. Dergelijke ontwikkelingen zullen de kwaliteit van de

uitvoering van het advies alleen maar ten goede kunnen komen.

En stel nu dat de zeespiegel stijgt tot 4 m in het jaar 2200, houden de aanbevelingen

van de commissie dan stand? Van belang is dan vooral dat er in de

loop van de komende eeuwen geen maatregelen worden genomen die Nederland

‘klem zetten’. Het advies is ook in dat opzicht toekomstvast: het is mogelijk op

enig moment alsnog een kering in de Westerschelde te plaatsen en de Rijnmond

geheel te sluiten met een sluis, zoals bij IJmuiden. Er zal op enig moment

alsnog voor worden gekozen overtollig water uit het IJsselmeer te pompen

en ook voor het Krammer-Volkerak Zoommeer zijn op de lange termijn alle

beslissingen omkeerbaar. Doorgaande suppleties aan de kust en versterking van

waterkeringen - al dan niet in de vorm van Deltadijken - kunnen ons blijven

beschermen, ook voor een zeespiegelstijging van 4 m. Als na 2100 investeringen

door blijven gaan in de ordegrootte zoals de commissie die voorstelt, blijft ons

land tot in lengte van jaren een veilige plek om te leven.

En nu aan de slag!

Er komt veel op Nederland af, daar mag niemand de ogen niet voor sluiten.

Maar we hebben de middelen, de kennis en de tijd om de uitdagingen op te

pakken en de kansen te grijpen. Dat we de tijd hebben, betekent niet dat we

kunnen afwachten. Met het advies van de Deltacommissie moet Nederland

vanaf vandaag aan de slag: niet alleen aan de kust en langs de rivieren, maar

ook rond het Binnenhof en overal in het land waar politici en bestuurders,

professionals en wetenschappers werken aan de waterveiligheid en de inrichting

van Nederland.

Het advies gaat over de integrale opgave van waterveiligheid en beïnvloedt de

ruimtelijke inrichting van Nederland. Het biedt daarmee een perspectief voor

andere beleidsterreinen en schept voorwaarden voor ontwikkelingen op deze

beleidsterreinen. Het is dan ook vanzelfsprekend dat bij de uitvoering van

het Deltaprogramma de mogelijkheden om verbindingen te leggen zoveel als

mogelijk benut moeten worden. De commissie denkt hierbij in ieder geval aan

verbinding met het nationaal programma Adaptatie Ruimte en Klimaat, de

toekomst van de Randstad, landschaps- en plattelandsbeleid, het realiseren van

de natuurdoelstellingen, het werken aan een duurzame energievoorziening en de

verdere ontwikkeling van Nederland als transport- en vestigingsland.

96 deltacommissie 2008

De uitvoeringsagenda waarmee nog in deze kabinetsperiode een start kan

worden gemaakt, is wat de Deltacommissie betreft ambitieus. Op de heel korte

termijn is nodig:

~ de installatie van een ministeriële stuurgroep onder voorzitterschap van

de minister-president, waarvan het secretariaat wordt gevoerd door een

Deltaregisseur;

~ het opstellen van een Deltawet en de vorming van een Deltafonds waarmee

het Deltaprogramma van start kan gaan.

In ieder geval voor 2020 wil de commissie de volgende onderdelen van het

Deltaprogramma agenderen:

~ ga door met het wegwerken van de achterstand in de veiligheid van de

primaire waterkeringen en anticipeer op verwachte ontwikkelingen in

zeespiegelstijging en rivierafvoer zoals door de commissie onderzocht en op

de langetermijnvisie van de commissie;

~ voer de programma’s Ruimte voor de Rivier en Maaswerken onverkort

uit en anticipeer waar kosteneffectief op een Rijnafvoer van 18.000 m3/s

respectievelijk een Maasafvoer van 4.600 m3/s;

~ reserveer ruimte met een permanent voorkeursrecht en/of verwerf

strategische grondposities die op termijn nodig zijn om de riviersystemen van

de Rijn en de Maas in staat te stellen 18.000 m3/s respectievelijk 4600 m3/s

veilig af te kunnen voeren;

~ pak de ‘Zwakke Schakels’ aan conform de visie van de Deltacommissie;

~ leg nieuwe normen voor waterveiligheid vast in de Waterwet, conform het

voorstel van de Deltacommissie;

~ ontwikkel een instrumentarium dat gebruikt kan worden om tot een

klimaatbestendige ruimtelijke inrichting op regionale en lokale schaal te

komen: dit mag niet vrijblijvend zijn waar het bouwen op ongunstige plekken

en vroegtijdig betrekken van de waterbeheerder betreft;

~ start met

~ uitgebreide en geleidelijke zandsuppleties voor de Noordzeekust, streef

hierbij naar innovatieve concepten;

~ suppleties in de Oosterschelde om de zandhonger daar te compenseren;

~ het toelaten van zout water in het Krammer-Volkerak Zoommeer

en met de aanleg van alternatieven voor gebieden die voor hun

zoetwatervoorziening van dit meer afhankelijk zijn;

~ het inrichten van het Krammer-Volkerak Zoommeer en de Grevelingen

voor het bergen van water bij extreem hoge rivierafvoeren.

Voor 2050 vindt de commissie het belangrijk dat:

~ de maatregelen zijn uitgevoerd om de waterveiligheid in Nederland conform

het voorstel van de Deltacommissie te verbeteren, dus minimaal met een

factor 10;

~ de Rijnmond zo is ingericht dat het gebied niet meer ongecontroleerd aan de

invloed van storm en extreme rivierafvoeren wordt blootgesteld;

~ de zoetwateraanvoer vanaf het IJsselmeergebied naar West-Nederland

mogelijk is;

~ het IJsselmeer is ingericht op een peilstijging van 1,5 m.

Uitvoeringsagenda

Samen werken met water

samen werken met water 97

De uitdaging om de kansen te benutten die het klimaatbestendig maken van

Nederland biedt, vraagt om de ontwikkeling van integrale kennis. Kennis die

‘groen’, ‘blauw’ en ‘rood’ verbindt. In de kenniswereld is deze beweging naar

integratie al gaande en het advies van de Deltacommissie versterkt de noodzaak

hiervan. Nederland is een ideale proeftuin voor experimenten op dit gebied,

ook in mondiaal opzicht. De commissie ziet nadrukkelijk een structurele rol

voor de Nederlandse kennisinstituten, planbureaus en universiteiten om het

Deltaprogramma te ondersteunen.

Om de aanbevelingen van de Deltacommissie goed in gang te kunnen zetten, is

de volgende kennisagenda aan de orde:

~ bouwen met de natuur; innovatieve manieren voor grootschalige en

geleidelijke zandsuppleties voor de kust en de Oosterschelde;

~ monitoring van de ontwikkeling van de Waddenzee en de

intergetijdengebieden;

~ de benodigde aanpassingen in het Krammer-Volkerak Zoommeer, inclusief

een reële prijsbepaling van water;

~ innovaties in waterbehandeling en watergebruik door industrie en landbouw,

experimenten met duurzame energie gekoppeld aan de mogelijkheden die

water biedt;

~ de realisatie van een ‘afsluitbaar open’ Rijnmond, inclusief de

zoetwatervoorziening voor het Rijnmondgebied;

~ uitwerking van de maatregelen de nodig zijn in verband met de peilstijging in

het IJsselmeer;

~ het concept Deltadijken, inclusief hun mogelijke multifunctionaliteit, in

relatie tot dijkringen waar volgens de nieuwe normen het veiligheidsniveau

met meer dan een factor 10 verbeterd moet worden.

Tot slot, het werk is nooit af: dat is eigen aan het leven in een delta. De

omstandigheden en vooruitzichten zullen blijven veranderen. Het is daarom

nodig het kennisniveau op peil te houden en de plannen steeds te blijven

aanpassen aan de nieuwste ontwikkelingen en inzichten. En ondertussen blijft

het zinvol om voorbereid te zijn op eventuele rampen door overstromingen en

als samenleving (overheid, burgers en bedrijfsleven) de rampenbestrijding en

crisisbeheersing op orde te hebben, hoe klein de kans op een catastrofe ook mag

zijn.

De opgave om Nederland ook op de lange termijn een veilig en aantrekkelijk

land te laten blijven, kunnen we aan. Bovendien zijn er veel kansen en nieuwe

perspectieven. Kansen vooral om Nederland duurzamer in te richten, de

aanwezige kennis en kunde verder te ontwikkelen en ook elders in de wereld

uit te dragen en in de praktijk te brengen. Met de ambitieuze uitvoeringsagenda

van de Deltacommissie kan en moet Nederland vanaf vandaag aan de slag. In

wisselwerking met het water kunnen wij als bewoners van dit land zelf vorm

geven aan het Nederland van de toekomst – precies zoals onze voorouders door

de eeuwen heen altijd gedaan hebben.

Kennisagenda

Samen werken met water

98 deltacommissie 2008

samen werken met water 99

Bijlagen

Maeslantkering

100 deltacommissie 200100 2008

Bijlage 1

Instellingsbesluit en samenstelling

Staatscommissie voor Duurzame Kustontwikkeling en Secretariaat

De leden van de Staatscommissie voor Duurzame Kustontwikkeling:

- De heer prof. dr. C.P. Veerman (voorzitter)

- Mevrouw ir. I.M. Bakker

- De heer dr. J.J. van Duijn

- De heer ir. A.P. Heidema

- Mevrouw prof. dr. ir. L.O. Fresco

- De heer prof. dr. P. Kabat

- Mevrouw T. Metz

- De heer Ing. Jac.G. van Oord MBA

- De heer prof. dr. ir. M.J.F. Stive

- De heer ir. B.W.A.H. Parmet (secretaris)

Het secretariaat van de commissie heeft bestaan uit:

- De heer drs. J.S.L.J. van Alphen

- De heer ir. P.J. van Berkum

- De heer ir. L.J. van Bussel

- Mevrouw A. van den Hurk

- Mevrouw L. Hurts

- Mevrouw drs. E. Rijken

- De heer drs. T.J. Verhoef

- De heer drs. C.D. Vlak

- Mevrouw M. Wismeijer

- De heer ir. F.T. van Woerden

samen werken met water 101

-

102 deltacommissie 200102 2008

samen werken met water 103

104 deltacommissie 200104 2008

samen werken met water 105

Bijlage 2

Overzicht achtergronddocumenten

Aarts, J, Sprong, T en Bannink, B (eds)

Aandacht voor Veiligheid. BSIK Leven met Water, BSIK Klimaat voor Ruimte,

DG Water, 2008.

Arcadis

De Deltacommissie legt haar oor te luisteren; verslag van de workshops, 2008

Bruil, D.W

Naar een nieuwe Deltawet. Onderzoek in opdracht van de Deltacommissie, 2008.

Buijs, S.

Schetsen van ruimtelijke ontwikkelingen ten behoeve van de Deltacommissie.

Achtergronddocument opgesteld in opdracht van de Deltacommissie, 2008.

Jonge Deltacommissie

‘Nederland veilig, nu en later’. Ideeën voor de Deltacommissie. 2008.

Jonkman, B.

Schattingen Groepsrisico t.b.v. advies Deltacommissie.

Memo in opdracht van de Deltacommissie

9T6387.A0/NN0001/902968/Rotterdam 2008.

Kok, M., B. Jonkman, W. Kanning, T. Rijcken en J. Stijnen

Toekomst voor het Nederlandse polderconcept. Technische en

financiële houdbaarheid. TU Delft, HKV-Lijn in Water, Royal Haskoning.

Studie in opdracht van Deltacommissie, 2008.

Nyfer

Eb en vloed en wachten op niemand. Bouwstenen voor de Deltacommissie.

Onderzoek in opdracht van de Deltacommissie. 2008.

Nyfer

Het hoofd boven water. Tweehonderd jaar investeren in waterwerken.

Onderzoek in opdracht van de Deltacommissie. 2008.

Rijkswaterstaat/Deltares

‘Beantwoording Kennisvragen Deltacommissie, een samenvatting’.

Rijkswaterstaat en Deltares. 2008

Vellinga, P., Katsman C.A., A. Sterl and J.J. Beersma, (eds)

Exploring high end climate change scenarios for flood protection of the Netherlands:

an international scientific assessment. 2008.

Ven, G.P. van de

De Nieuwe Waterweg en het Noordzeekanaal: een waagstuk.

Onderzoek in opdracht van de Deltacommissie. Nijmegen, 2008.

Wageningen IMARES

Werken aan Deltanatuur: compenseren of versterken?

Onderzoek in opdracht van de Deltacommissie. Wageningen, 2008.

Witteveen + Bos

Economische waardering imponderabilia. Overstromingsschadekaarten.

Achtergronddocument opgesteld in opdracht van de Deltacommissie.

Rotterdam, 2008.

106 deltacommissie 200106 2008

Bijlage 3

Toelichting op door de Deltacommissie gebruikte klimaatscenario’s78

Inleiding

Deze bijlage heeft als doel een beknopte achtergrond te geven over klimaatscenario’s

en om de door de Deltacommissie in het advies gehanteerde klimaatscenario’s te

positioneren ten opzichte van IPCC 2007 mondiale klimaatscenario’s en KNMI 2006

regionale klimaatscenario’s.

Het advies van de Deltacommissie is gebaseerd op de meest recente wetenschappelijke

inzichten ten aanzien van de te verwachten mondiale en regionale zeespiegelstijging,

verandering van windcondities boven de Noordzee en de neerslagveranderingen die leiden

tot veranderingen in afvoeren van grote rivieren. De Deltacommissie heeft een aanvullend

onderzoek laten uitvoeren om de meest recente informatie over klimaatscenario’s

systematisch in kaart te brengen (Vellinga et al, 2008). In dit onderzoek heeft een twintigtal

vooraanstaande nationale en internationale klimaatdeskundigen, onder wie enkele IPCC

auteurs, een aanvulling gemaakt op de scenario’s voor 2100 van IPCC 2007 en KNMI

2006.

In hun verkenningen van de scenario’s voor zeespiegelstijging zijn deze deskundigen

uitgegaan van een wereldgemiddelde temperatuurstijging van 2 tot 6 ºC in 2100, dat

overeenkomt met het IPCC-scenario met hoge economische groei en een ruim, wereldwijd

gebruik van fossiele brandstoffen, met name steenkool. Dit scenario is aangeduid als

A1FI. In het onderzoek is veel aandacht besteed aan plausibele bovengrenzen voor

toekomstige zeespiegelstijging. De ontwikkelde scenario’s moeten worden beschouwd als

bovenwaarden, ofwel waarden die als referentie kunnen dienen voor een langere termijn

robuustheidtoets van te nemen maatregelen en investeringen.

Door het internationale team van onderzoekers zijn ook schattingen gemaakt van de

bovengrens voor zeespiegelstijging voor het jaar 2200. Deze schattingen zijn weliswaar

omklemd met zeer grote onzekerheden, maar het lijken de beste schattingen die gemaakt

kunnen worden op basis van huidige kennis en inzichten. Het internationale team van

deskundigen geeft aan dat deze schattingen kunnen worden bijgesteld wanneer het

inzicht in onder andere het smeltproces van de ijskappen van Groenland en Antarctica

groeit en er additionele waarnemingen beschikbaar komen.

De IPCC-emissiescenario’s

Het Intergovernmental Panel on Climate Change (IPCC) heeft in 2000 scenario’s

opgesteld voor mogelijke sociaal-economische ontwikkelingen in de wereld en de daaraan

gerelateerde emissies van broeikasgassen. Deze scenario’s zijn onder meer gebruikt

voor het derde (2001) en het vierde (2007) IPCC Assessment Rapport, als de basis voor

scenario’s voor de veranderingen in het klimaat en de impacts daarvan. De scenario’s

hebben een tijdshorizon tot 2100. De wereld zal dan op een manier veranderd zijn die

men zich nu nog moeilijk kan voorstellen, net zoals het voor iemand aan het begin van

de 20ste eeuw moeilijk zou zijn geweest om zich de wereld van vandaag voor te stellen.

Desalniettemin kúnnen niet alleen zulke toekomstbeelden worden ontwikkeld, maar móet

dit ook worden gedaan om betekenisvolle uitspraken te kunnen doen over mogelijke

veranderingen in het klimaat over een eeuw of meer.

De IPCC heeft gekozen voor een viertal ‘scenariofamilies’, waarbij voor iedere

familie andere veronderstellingen zijn gekozen voor wat betreft veranderingen in

samen werken met water 107

de demografische, economische en technologische ontwikkelingen, die leiden tot

toenemende divergentie over de tijd. In verband met de lange tijdschaal gaat het hierbij

expliciet niet om extrapolaties van huidige trends, maar over mogelijke, plausibele

toekomstbeelden. Omdat de toekomst in principe onkenbaar is, doet IPCC expliciet

geen uitspraak over de mate van waarschijnlijkheid van de scenario’s. Geen van de

scenario’s veronderstelt enige vorm van klimaatbeleid dat verder gaat dan wat in 2000

was vastgesteld. De scenario’s beogen niet een volledig beeld te geven van alle mogelijke

toekomstbeelden. Extreme scenario’s met grote discontinuïteiten in sociaal-economische

ontwikkelingen - zoals in oorlogs-, rampen- of utopische scenario’s - zijn bijvoorbeeld niet

meegenomen. Wel omvatten de ontwikkelde scenario’s een belangrijk deel van wat de

auteurs als plausibel beschouwden.

Het gaat om scenario’s met vele dimensies, zodat ervoor is gekozen om ze geen

(ééndimensionale) namen te geven, maar letter-cijfercombinaties (A1, B1, A2 en B2) rond

twee assen: enerzijds de nadruk op een materialistische economische groei dan wel op

duurzaamheid, anderzijds de nadruk op internationale convergentie (‘mondialisering’)

dan wel fragmentatie (‘regionalisering’). De A-scenario’s benadrukken economische groei

als belangrijkste drijvende kracht, maar verschillen wat betreft de mate van sociale en

economische convergentie, met name tussen de arme en rijke landen. De B-scenario’s

benadrukken duurzame ontwikkeling als belangrijkste drijvende kracht, en verschillen

eveneens wat betreft de mate van sociale en economische convergentie.

De A1-scenariofamilie beschrijft een wereld met snelle economische groei, een mondiale

bevolkingsomvang die in het midden van deze eeuw een maximum bereikt en daarna

afneemt, en de snelle introductie van nieuwe en efficiëntere technologie. De belangrijkste

thema’s in dit wereldbeeld zijn convergentie en toenemende sociale en culturele interacties

tussen regio’s, met als gevolg een substantiële afname in inkomensverschillen tussen

de regio’s. IPCC heeft voor dit door veel dynamiek gekenmerkte wereldbeeld gekozen

voor verschillende mogelijke richtingen van de technologische ontwikkeling, met name

in de energiesector. Deze technologische ontwikkeling zou zich kunnen onderscheiden

door een voortdurende aandacht voor het toegankelijk maken en benutten van fossiele

energiebronnen (A1FI - Fossil Intensive, zie kader), maar ook door een snelle groei van

niet-fossiele bronnen (A1T). Ook zou de energievoorziening zich niet speciaal op één

vorm van energieopwekking kunnen richten, onder de veronderstelling dat dezelfde

verbeteringssnelheid voor alle energie opwekkings- en energieverbruikstechnologieën

gelden (A1B).

De A2-scenariofamilie beschrijft een veel heterogenere wereld. Hier ligt het accent op

zelfvoorziening in regio’s en bescherming van de lokale identiteit. In dit scenario groeien

de vruchtbaarheidscijfers tussen de regio’s veel langzamer naar elkaar toe, met een

gestaag doorgroeiende wereldbevolking als resultaat. Economische ontwikkeling is primair

gericht op de regio en inkomensgroei en technologische ontwikkelingen vertonen een veel

gefragmenteerder beeld en zijn trager dan in de andere scenario’s.

De B1-scenariofamilie beschrijft een convergerende wereld, met een bevolking die net

als in A1 toeneemt tot halverwege de eeuw en dan afneemt. In deze scenario’s beweegt

de wereld zich echter minder in een materiaalintensieve richting en ligt het accent op een

diensten- en informatiegerichte economie met sterke reducties in materiaalintensiteit en de

invoering van schone en efficiënte technologieën. In B1 spelen internationale oplossingen

voor economische, sociale en milieuproblemen een hoofdrol bij het streven naar duurzame

ontwikkeling, inclusief verminderen van de inkomenskloof tussen arm en rijk, maar

exclusief een oplossing voor het klimaatprobleem.

108 deltacommissie 200108 2008

Het A1FI emissiescenario en de

daarbij behorende stijging van de

wereldgemiddelde temperatuur van

maximaal 6 °C in 2100 is door de

Deltacommissie gebruikt als een van

de uitgangspunten voor aanvullende

scenario’s voor bovengrenzen van

de zeespiegelstijging. Net zoals

de andere A1 scenario’s, wordt dit

scenario gekenmerkt door snelle

economische groei, een voorkeur voor

het oplossen voor problemen via de

markt, hoge investeringen in onderwijs

en technologieontwikkeling (inclusief

energie-efficiëntie), en internationale

mobiliteit van ideeën, mensen en

technologie. De belangrijkste reden dat

dit scenario toch tot heel hoge emissies

leidt, is dat de investeringen in nieuwe

technologie zich concentreren op

fossiele energie als de drijvende kracht

van de wereldeconomie, inclusief het

gebruik van de overvloedig aanwezige

kolenvoorraden en onconventionele

olievoorraden in teerzanden en

olieschalies, met hoge CO2-emissies per

eenheid energieverbruik. Het effect

hiervan op emissies is groter dan het

positieve effect van verbeteringen van

de energie-efficiëntie. Dat het A1FIscenario

niet onrealistisch is, mag blijken

uit het feit dat de werkelijke emissies

sinds 2000 in lijn zijn of zelfs uitstijgen

boven dit hoogste van de IPCCemissiescenario’s

(zie figuur 1)

Figuur 1: Gerealiseerde mondiale emissies

van fossiele brandstoffen in vergelijking

met de IPCC SRES scenario’s. Het A1FIscenario

gaat uit van een groeisnelheid

van 2,71% per jaar. Gemiddeld over 2000

-2006 bedroeg de groeisnelheid 3,3%

(aangepast van Raupach et al. 2007,

PNAS).

Figuur 2: Klimaatscenario’s

van het IPCC (2007)

A1FI: gematigde bevolkingsgroei, snelle technologische ontwikkeling, toch hoge emissies

samen werken met water 109

Ook in B2 zijn sociale, economische en ecologische duurzaamheid belangrijke drijvende

krachten van sociaal-economische ontwikkelingen, maar wordt vooral naar lokale en

regionale oplossingen gezocht. De wereldbevolking blijft weliswaar toenemen, maar veel

langzamer dan in A2. Economische groeisnelheden zijn hoger dan in A2, maar lager dan

in A1 en B1. Dat laatste geldt ook voor technologische ontwikkeling: die is meer divers, en

iets langzamer dan in A1 en B1.

De IPCC- klimaatscenario’s

IPCC heeft de bovengenoemde emissiescenario’s, waarvan 4 in de A-familie (A1B,

A1T, A1FI en A2) en twee in de B-familie (B1 en B2) aangeduid als illustratief. Deze zes

emissiescenario’s zijn vervolgens als input gebruikt voor berekeningen van veranderingen

in het klimaatsysteem, waarvoor 23 mondiale klimaatmodellen zijn gebruikt, die een

range van uitkomsten geven en een groot deel van de onzekerheden omspannen. IPCC

heeft voor de belangrijkste variabelen zoals temperatuur, neerslag en zeespiegelstijging

zowel in het Derde Assessmentrapport in 2001 als in het Vierde Assessment Rapport

in 2007 tot 2100 resultaten gerapporteerd (zie figuur 2). De spreiding in de verwachte

mondiale opwarming voor het einde van de 21ste eeuw bedraagt 1,1 tot 6.4 oC (figuur

2). Deze spreiding wordt enerzijds (vooral na 2050) bepaald door de verschillende

emissiescenario’s, maar daarnaast ook door de verschillen tussen de gebruikte

klimaatmodellen, vooral in termen van klimaatgevoeligheid (berekende mate van

opwarming als gevolg van een bepaalde toename in atmosferische concentratie van de

broeikasgassen).

De KNMI 2006-scenario’s in relatie tot IPCC-scenario’s

Het KNMI heeft in 2006 vier klimaatscenario’s voor Nederland gepresenteerd. Ze zijn

gebaseerd op de uitkomsten van berekeningen met klimaatmodellen die verspreid over

de hele wereld zijn uitgevoerd ten behoeve van het vierde IPCC rapport. De berekende

veranderingen in de wereldtemperatuur en de luchtstroming boven West-Europa

zijn gebruikt als uitgangspunt. Vervolgens zijn deze projecties ‘vertaald’ naar meer

gedetailleerde veranderingen in temperatuur, neerslag, verdamping, wind, en zeespiegel in

Nederland.

Vooral voor de neerslag (en daarmee voor droogte en de afvoer van de grote rivieren)

spelen de luchtstromingspatronen in onze regio een doorslaggevende rol. De huidige

generatie klimaatmodellen laten ofwel nauwelijks verandering in de luchtstroming zien,

ofwel een duidelijke verandering. Om met deze onzekerheid om te gaan, heeft het KNMI

gekozen voor een scenario zonder en een scenario met verandering van de luchtstroming

bij een wereldwijde opwarming van +1 °C en +2 °C in 2050 (+2 °C of +4 °C in 2100).

Het KNMI heeft de onzekerheid over ons toekomstige klimaat zo goed mogelijk in kaart

gebracht door zich te baseren op de berekeningen met een groot aantal verschillende

klimaatmodellen in plaats van één enkel model, zoals veelal gebruikelijk is in onze

buurlanden. De vier scenario’s (zie figuur 3) omspannen samen een brede range van

mogelijke veranderingen. Met de huidige kennis is niet aan te geven welke van de vier

scenario’s het meest waarschijnlijk is. Het feit dat volgens het vierde IPCC-rapport lagere

of hogere waarden voor de wereldwijde opwarming mogelijk zijn dan waar het KNMI van

uitgaat (bijvoorbeeld +6.4°C in 2100 als bovengrens van de waarschijnlijke spreiding bij

het A1FI-emissiescenario), speelt een ondergeschikte rol voor de klimaatverandering

in Nederland tot 2100. Voor scenario’s van zeespiegelstijging is het verschil wel van

belang omdat die onder andere samenhangen met de mondiaal gemiddelde temperatuur.

Tot 2050 (het zichtjaar waar de KNMI 2006-scenario’s zich primair op richten) zijn de

door IPCC gerapporteerde projecties voor de wereldgemiddelde temperatuur vrijwel

110 deltacommissie 200110 2008

onafhankelijk van het gekozen emissiescenario. In de KNMI 2006-scenario’s voor 2050

wordt bijna de volledige spreiding van de geprojecteerde wereldgemiddelde temperatuur,

en de daarmee samenhangende scenario’s voor zeespiegelstijging, gebruikt.

De vier scenario’s laten zien dat de veranderingen in de extremen in Nederland

waarschijnlijk anders zullen zijn dan de veranderingen van het gemiddelde klimaat.

Zo neemt in de scenario’s met verandering in de luchtstroming de temperatuur op

hittegolfdagen veel sterker toe dan de temperatuur van een gemiddelde zomerdag. Ook

komen zomerbuien gemiddeld minder vaak voor, maar als ze optreden zijn ze zwaarder.

Dit heeft belangrijke implicaties voor klimaatadaptatievraagstukken. In overeenstemming

met de werkwijze van het IPCC, worden nieuwe wetenschappelijke inzichten in een

volgende generatie KNMI klimaatscenario’s verwerkt. Die staat gepland voor omstreeks

2012.

Scenario’s voor zeespiegelstijging

Op verzoek van de Deltacommissie is de mondiale zeespiegelstijging en de

zeespiegelstijging langs de Nederlandse kust voor de jaren 2100 en 2200 onderzocht.

De scenario’s voor zeespiegelstijging die hier worden gepresenteerd, zijn gebaseerd

op een ander uitgangspunt dan eerder gepubliceerde scenario’s voor mondiale (IPCC

2007) en regionale (KNMI 2006) zeespiegelstijging. De analyse richt zich hier nadrukkelijk

op de bovengrens van de mogelijkheden onder gedane aannames in plaats van op de

bandbreedte van meest waarschijnlijke mogelijkheden. De gepresenteerde scenario’s zijn

daarmee een voor het werk van de Deltacommissie essentiële aanvulling op de bestaande

scenario’s (IPCC 2007; KNMI 2006).

Gezien de hiaten in onze kennis over huidige zeespiegelveranderingen en de

onzekerheden in het modelleren ervan, moeten de gepresenteerde scenario’s beschouwd

worden als plausibele bovengrensscenario’s van wat de groep van geconsulteerde

zeespiegeldeskundigen op basis van de huidige wetenschappelijke kennis mogelijk

acht. Zoals voor alle langetermijn(klimaat)scenario’s het geval is, moet er rekening mee

worden gehouden dat deze bovengrensscenario’s kunnen veranderen naar aanleiding van

voortschrijdend wetenschappelijk inzicht.

Figuur 3: De KNMI

2006-klimaatscenario’s

samen werken met water 111

a. Mondiaal 2100

Het bovengrensscenario voor mondiale zeespiegelstijging gaat uit van een mondiale

temperatuurstijging van 2 tot maximaal 6 °C, overeenkomstig het IPCC Assessment

Rapport 4 (AR4) emissiescenario A1FI (2007). Daarnaast is een inschatting gemaakt van

de mogelijke effecten van snelle ijsdynamica op de bijdragen van de Groenlandse en

Antarctische ijskap aan de mondiale zeespiegelstijging.

IPCC AR4 – A1FI

(inclusief extra uitstroom

ijskappen1)

bovengrensscenario

Deltacommissie

motivatie verschil in

aanpak/uitkomst

totaal2 +0.25 tot +0.76 m +0.55 tot +1.10 m

uitzetting

oceaan

+0.17 tot

+0.41 m

Uitkomsten klimaatmodellen +0.12 tot

+0.49 m

Analyse eenvoudig

verband tussen uitzetting

en atmosfeertemperatuur

gesimuleerd door

klimaatmodellen

(Katsman et al, 2008;

Rahmstorf 2007)

Er is een grotere bandbreedte in

temperatuurstijging beschouwd

dan wordt bereikt door de

klimaatmodellen3

gletsjers +0.08 tot

+0.17 m

Eenvoudig verband

tussen ijsafname en

atmosfeertemperatuur op basis

van waarnemingen4

+0.07 tot

+0.18 m

cf. IPCC 4AR De minimale verschillen

zijn het gevolg van kleine

verschillen in aannames over het

temperatuurverloop

Antarctica -0.14 tot

-0.03 m

(i) toename sneeuwval op basis

van klimaatmodellen

(ii) schatting ijsuitstroom

-0.01 tot

+0.41 m

(i) cf. IPCC 4AR

(ii) voortzetting dan wel

versnelling van recent

waargenomen ijsuitstroom

in de Amundsen Zee, op

Oost-Antarctica en op het

Antarctisch schiereiland

-

(ii) In de genoemde gebieden

is de ijskap kwetsbaar als

gevolg van de geografische

eigenschappen5. Recente

observaties laten zien dat de

ijskap daar nu in beweging is.

Of deze beweging vermindert,

voortzet of versnelt, is nu niet met

zekerheid te voorspellen.

Groenland +0.02 tot

+0.12 m

(i) volumeverandering op basis

van ijskapmodellen

(ii) ijsuitstroom zoals

waargenomen tussen 1993 en

2003

(iii) toename afsmelten in de

zomer

+0.13 tot

+0.22 m

(i) cf. IPCC AR4

(ii) versnelling van gletsjers aan

de randen van de ijskap die

uitstromen in zee

(iii) cf. IPCC AR4

-

Recente metingen tonen aan dat

deze gletsjers zeer snel kunnen

reageren op veranderende

omstandigheden

-

extra

uitstroom

ijskappen

-0.0 tot

+0.17 m

Extrapolatie van de

ijsuitstroom op basis van

het recent waargenomen

verband tussen ijsuitstroom en

temperatuurstijging

- - 6

Tabel 1: Aannames in de belangrijkste

bijdragen aan de scenario’s voor de

wereldwijde zeespiegelstijging voor het

jaar 2100 zoals gepresenteerd door de

Deltacommissie en IPCC AR4 (2007, A1FIscenario).

112 deltacommissie 200112 2008

Figuur 4: Bijdragen van de belangrijkste

componenten en totalen van de scenario’s

voor wereldgemiddelde zeespiegelstijging

voor het jaar 2100, zoals gepresenteerd

door de Deltacommissie (zwart) en IPCC

AR4 (2007, A1FI-scenario inclusief extra

uitstroom ijskappen, blauw).

Figuur 5: Bijdragen van de belangrijkste

componenten en totalen van de scenario’s

voor lokale zeespiegelstijging langs de

Nederlandse kust voor het jaar 2100 zoals

gepresenteerd door de Deltacommissie

(zwart getrokken lijn: geen gravitatieeffecten

meegenomen; stippellijnen inclusief

mogelijke gravitatie effecten) en KN MI

2006 (‘warm’-scenario, blauw, zonder

gravitatie-effect). Alle scenario’s zijn exclusief

bodemdaling.

Figuur 6: Bijdragen van de belangrijkste

componenten en totalen van de bovengrensscenario’s

voor zeespiegelstijging voor het

jaar 2200 zoals gepresenteerd door de

Deltacommissie (zwart: wereldgemiddeld;

blauw: langs de Nederlandse kust; getrokken

lijn: geen gravitatie-effecten meegenomen;

stippellijnen: inclusief mogelijke gravitatieeffecten).

Alle scenario’s zijn exclusief

verticale landbeweging.

samen werken met water 113

Regionaal langs de Nederlandse kust b. - 2100

De lokale zeespiegelstijging kan sterk afwijken van de gemiddelde stijging. Er zijn

twee lokale effecten beschouwd in het scenario voor de Nederlandse kust dat in het

achtergrondrapport is uitgewerkt.79 Ten eerste is rekening gehouden met mogelijke extra

lokale uitzetting van de oceaan als gevolg van veranderingen in oceaanstromingen. Een

tweede factor van belang is de verdeling van smeltwater afkomstig van landijs over de over

de oceanen.80 De kwantificering van dit tweede effect, aangeduid als het gravitatie-effect,

is op dit moment onderwerp van wetenschappelijk debat. Het bepaalt in belangrijke mate

de lokale bijdrage van de Groenlandse en de Antarctische ijskap en is daarom van groot

belang voor het uiteindelijke scenario voor lokale zeespiegelstijging dat wordt verkregen.

De discussie over de kwantificering van het gravitatie-effect is technisch van aard; het

achterliggende fysische principe van de verdeling van het smeltwater is helder.

In het achtergrondrapport (Vellinga et. al, 2008) worden scenario’s op basis van

twee rekenmethodes voor het gravitatie-effect uitgewerkt. Deze resultaten zijn ook

weergegeven in figuren 5 en 6. Het feit dat de bovengrenzen van de twee scenario’s

vrijwel samenvallen, is toeval. Een voorkeur voor één van de twee rekenmethodes kan

op dit moment niet uitgesproken worden en vereist meer onderzoek. Daarom is er door

de Deltacommissie voor gekozen om een bovengrensscenario te presenteren waarin

het gravitatie-effect niet is meegenomen. KNMI 2006-scenario’s voor zeespiegelstijging

houden evenmin rekening met dit mogelijke effect.

Tabel 2: Aannames in de belangrijkste

bijdragen aan de scenario’s voor de lokale

zeespiegelstijging langs de Nederlandse

kust voor het jaar 2100 zoals gepresenteerd

door de Deltacommissie (gravitatieeffect

niet meegenomen) en KN MI 2006

(‘warm’-scenario). Beide scenario’s zijn

exclusief verticale beweging van het land

(bodemdaling).

KNMI 2006 (‘warm’-scenario) bovengrensscenario Deltacommissie

(gravitatie-effect niet meegenomen)

motivatie

totaal +0,40 tot +0,85 m +0,55 tot +1,20 m

uitzetting

oceaan

+0,27 tot

+0,35 m

Analyse eenvoudig

verband tussen uitzetting

en atmosfeertemperatuur

berekend door klimaatmodellen

0,12-0,49

m

Extrapolatie van dit eenvoudige

verband tussen uitzetting en

atmosfeertemperatuur op

basis van twee methodes (cf.

KNMI’06 en Rahmstorf, 2007)

Er is een grotere bandbreedte

in temperatuurstijging

beschouwd dan in KNMI’067

lokale

uitzetting

oceaan

-0,04 tot

+0,15 m

Analyse eenvoudig verband

tussen lokale uitzetting

en atmosfeertemperatuur

berekend door klimaatmodellen

-0,05 tot

+0,2 m

Extrapolatie van dit eenvoudige

verband tussen uitzetting en

atmosfeertemperatuur

Er is een grotere bandbreedte

in temperatuurstijging

beschouwd dan in KNMI’06

gletsjers +0,06 tot

+0,15 m

Eenvoudig verband

tussen ijsafname en

atmosfeertemperatuur op basis

van waarnemingen8

+0,07 tot

+0,18 m

cf. Tabel 1 Methodiek sluit aan bij IPCC

AR4; grotere bandbreedte in

temperatuurstijging beschouwd

Antarctica -0,01 tot

+0,17 m9

Schatting op basis van recent

waargenomen ijsverlies en

modelberekeningen van de

gevoeligheid van de ijskap

voor veranderingen in de

atmosfeertemperatuur

-0,01 tot

+0,41 m

cf. Tabel 1 Nieuwe inzichten op basis van

recente observaties;

rekening gehouden met

mogelijke effecten van

snelle ijsdynamica die

niet direct gerelateerd zijn

aan veranderingen in de

atmosfeertemperatuur

Groenland -0,01 tot

+0,17 m

cf. Antarctica +0,13 tot

+0,22 m

cf. Tabel 1 Nieuwe inzichten op basis van

recente observaties

114 deltacommissie 200114 2008

c. Mondiaal en regionaal langs de Nederlandse kust – 2200

De bovengrensscenario’s voor 2200 gepresenteerd in dit rapport geven een indicatie

van de mogelijke zeespiegelstijging, niet van de meest waarschijnlijke. De scenario’s

voor de 21e eeuw worden begrensd doordat het huidige tempo van zeespiegelstijging

bekend is uit observaties en omdat een grote versnelling in dit tempo onwaarschijnlijk is

op een tijdschaal van enkele tientallen jaren. Voor de 22e eeuw ontbreekt een dergelijke

begrenzing.

d. Schattingen bovengrensscenario voor mondiale zeespiegelstijging

vanuit paleoklimatologisch perspectief

Paleoklimatologische studies bieden inzicht in de veranderingen die in het verleden in ons

klimaatsysteem hebben plaatsgevonden. Veranderingen in de wereldwijde zeespiegel

worden onder meer gereconstrueerd uit isotopenconcentraties (die indicatief zijn voor

de balans tussen water opgeslagen op het land en in de oceanen) en uit groeiringen

van koralen. Reconstructies van de zeespiegel in periodes die sterke overeenkomsten

vertonen met de huidige of verwachte toestand van het klimaat zijn een nuttige aanvulling

op de hierboven besproken klimaatscenario’s’ voor zeespiegelstijging.

Tijdens het laatste interglaciaal (het Eemian, 125.000 jaar geleden) was de

wereldgemiddelde temperatuur iets warmer dan tegenwoordig en bestonden er alleen

grote ijskappen op Antarctica en Groenland. Tijdens het Eemian steeg de zeespiegel

wereldwijd in een tempo van ruwweg 1 tot 2 meter per eeuw. De reconstructies zijn niet

gedetailleerd genoeg om met zekerheid te kunnen zeggen hoe lang een dergelijk tempo

van zeespiegelstijging kan aanhouden, noch hoe snel het klimaatsysteem kan overgaan

van een situatie met nauwelijks zeespiegelstijging (vergelijkbaar met het huidige klimaat)

naar een dergelijk snel tempo. Op basis van reconstructies van het verleden zou een

dergelijke overgang op z’n snelst in enkele tientallen jaren kunnen plaatsvinden.

Op basis van deze paleoklimatologische gegevens kan een alternatief bovengrensscenario

voor wereldwijde zeespiegelstijging worden geformuleerd. Indien wordt aangenomen

dat de zeespiegelstijging vanaf nu in een tijdsbestek van enkele tientallen jaren (wanneer

wereldgemiddeld bovengrens scenario lokaal bovengrens scenario

(gravitatie-effect niet meegenomen)

totaal +1,5 tot +3,5 m +2,0 tot +4,0 m

wereldgemiddelde

uitzetting oceaan

+0,3 tot +1,8 m Extrapolatie op basis van

vereenvoudigd verband

tussen uitzetting en

atmosfeertemperatuur berekend

door klimaatmodellen

cf. wereldgemiddeld

lokale uitzetting oceaan - - 0,0 tot +0,6 m mogelijke lokale effecten van

veranderingen in oceaancirculatie

gletsjers +0,1 tot +0,3 m extrapolatie eenvoudig

verband tussen ijsafname en

atmosfeertemperatuur op basis

van waarnemingen

cf. wereldgemiddeld

Antarctica +0,2 tot +1,4 m voortzetting van veranderingen

in het tempo van afsmelten

aangenomen voor 2100 (Tabel 1)

cf. wereldgemiddeld

Groenland +0,5 tot +0,8 m gebaseerd op zelfde aannames

als voor 2100 (Tabel 1)

cf. wereldgemiddeld

Tabel 3: Aannames voor de beschouwde

bijdragen aan de bovengrensscenario’s voor

wereldgemiddelde zeespiegelstijging en lokale

zeespiegelstijging langs de Nederlandse kust

(gravitatie-effect niet meegenomen) voor

het jaar 2200 zoals gepresenteerd door de

Deltacommissie.

samen werken met water 115

naar verwachting de wereldgemiddelde temperaturen net zo hoog zijn als destijds in

het Eemian) zal gaan stijgen tot een tempo van tegen de 2 meter per eeuw, resulteert

dit in bijna anderhalve meter wereldwijde zeespiegelstijging in het jaar 2100 en ruim drie

meter wereldwijde zeespiegelstijging in het jaar 2200. De bovengrensscenario’s voor de

wereldgemiddelde zeespiegelstijging op basis van paleoklimatologische reconstructies

van het verleden zijn dus hoger dan de hierboven besproken bovengrensscenario’s voor

zeespiegelstijging (zie tabel 4)

Scenario’s voor stormcondities op de Noordzee

Het onderzoek naar mogelijke veranderingen in windsterkte en -richting, golven en

wateropzet in de zuidelijke Noordzee en langs de Nederlandse kust is op de volgende

bronnen gebaseerd:

a. het vierde Assessment Report (AR4) van het IPCC;

b. de KNMI 2006-scenario’s;

c. recent gepubliceerd onderzoek waarbij gebruik werd gemaakt van regionale

klimaatmodellen, en

d. recente resultaten van het ESENCE project, waarbij de toekomstige ontwikkeling

van het klimaat voor het A1b scenario 17 keer is doorgerekend, gekoppeld met een

wateropzet model voor de Noordzee (WA QUA/DCSM98).

Deze bronnen zijn niet onafhankelijk van elkaar en vullen elkaar aan. De KNMI

2006-scenario’s zijn op dezelfde modellen gebaseerd als het IPCC AR4, en de

regionale klimaatmodellen gebruiken resultaten van dezelfde IPCC AR4 modellen als

randvoorwaarde. Tenslotte is het klimaatmodel dat in ESENCE gebruik is, ECHAM5/MPIOM,

een van de IPCC AR4 modellen. De regionale modellen verschaffen meer regionale

details dan de globale modellen, en de ESENCE en ESENCE-WA QUA/DCSM98

integraties zorgen voor een redelijke tot solide statistische basis om de 10.000-jaar

terugkeerwaardes te kunnen bepalen, die de Deltawet voorschrijft. De berekeningen met

ESENCE-WA QUA/DCSM98 werden specifiek voor de Deltacommissie uitgevoerd. De

resultaten van het recente onderzoek (regionale modellering en ESENCE) bevestigen en

preciseren de uitspraken uit de KNMI 2006-scenario’s.

De resultaten betreffende windcondities en golven kunnen als volgt worden samengevat:

1. de geprojecteerde toekomstige veranderingen zijn klein ten opzichte van de natuurlijke

variabiliteit, en ten opzichte van de onzekerheid inherent aan de statistische bewerking

van relatief korte reeksen van waarnemingen ;

2. de patronen van verandering over de Noordzee verschillen per model;

3. er is geen duidelijke afhankelijkheid van de gebruikte scenario’s van de toekomstige

uitstoot van broeikasgassen;

4. er is een tendens naar vaker optredende (zuid-)westen winden, maar geen aanwijzingen

voor meer of sterkere noordelijke winden. Winden vanuit het noorden veroorzaken de

hoogste wateropzetten aan de Nederlandse kust.

Methode /aannames Geschatte

zeespiegelstijging

in 2050 (m)

Geschatte

zeespiegelstijging

in 2100 (m)

Geschatte

zeespiegelstijging

in 2200 (m)

~ 1.7 meter zeespiegelstijging per 100 jaar op

basis van de paleo data van Rode Zee gebied

~ 0,5 ~ 1,4 ~ 3,1

~ 2,4 meter zeespiegelstijging per 100 jaar op

basis van de laatste interglaciaal

~ 0,7 ~ 1,9 ~ 4,3

Tabel 4: Schattingen voor bovengrensscenario’s

voor de wereldgemiddelde

zeespiegelstijging op basis van

paleoklimatologische reconstructies

(Vellinga et al, 2008)

116 deltacommissie 200116 2008

De waarneemreeks is te kort om de benodigde 10.000-jaar terugkeerwaarden voor de

wateropzet nauwkeurig te schatten. Dat geldt ook voor tijdreeksen uit klimaatmodellen

die gebaseerd zijn op 1 modelintegratie van de 20ste en 21ste eeuw. Op dit moment bevat

alleen het 17 leden tellende ESENCE-WA QUA/DCSM98 ensemble genoeg data om de

10.000-jaar terugkeerwaarde van de wateropzet met een statistische nauwkeurigheid

van ±0,5 m de bepalen. De resultaten van dit onderzoek geven aan dat de hoogte van de

extreme wateropzetten in de toekomst niet hoger is dan nu. Omdat de andere IPCC AR4

modellen ook geen toename van noordelijke winden laten zien is dit resultaat waarschijnlijk

onafhankelijk van het in ESENCE gebruikte klimaatmodel.

Scenario’s voor afvoer van de Rijn

Veranderingen in de gemiddelde afvoer van de Rijn

De veranderingen in de gemiddelde afvoer (zie tabel 5) zijn gebaseerd op de KNMI

2006-klimaatscenario’s in combinatie met hydrologische modellen voor de Rijn. In de

winter is er onder alle klimaatscenario’s een toename in de gemiddelde afvoer, maar in

de zomer is er vrijwel geen verandering tot een forse afname van de gemiddelde afvoer

mogelijk. In 2100 zijn de veranderingen ruwweg dubbel zo groot als in 2050. Vergeleken

met eerdere klimaatscenario’s (bijv. WB21) is de mogelijk forse afname van de gemiddelde

afvoer in de zomer (in de KNMI 2006-klimaatscenario’s waarin de luchtstromingspatronen

veranderen) het meest opvallend.

Veranderingen in de maatgevende afvoer van de Rijn

Bij de veranderingen in de maatgevende afvoer zijn naast de KNMI 2006-klimaatscenario’s

ook individuele klimaatmodellen als scenario gebruikt. Dit vanwege de grote gevoeligheid

van de piekafvoer van de Rijn voor veranderingen in de variabiliteit van meerdaagse

neerslag en het feit dat een mogelijke, maar zeer onzekere, verandering in deze variabiliteit

niet is meegenomen in de KNMI 2006-klimaatscenario’s. Door de statistische extrapolatie

naar een herhalingstijd van 1250 jaar heeft de huidige maatgevende afvoer, die is vastgesteld

op 16.000 m3/s, een 95% betrouwbaarheidsinterval van 13.000 tot 18.500 m3/s.

De geprojecteerde veranderingen in de maatgevende afvoer voor 2050 en 2100

(tabel 6) hebben een bovengrens (resp. 19.000 en 22.000 m3/s) die uitstijgt boven de

bovengrens van het betrouwbaarheidsinterval voor de huidige situatie. Belangrijk is dat

bij de resultaten in tabel 6 geen rekening is gehouden met het dempende effect van

overstromingen in Duitsland op de piekafvoer bij Lobith waardoor deze resultaten vooral

een theoretisch karakter hebben.

Onder de huidige dijksituatie zullen zeer grote piekafvoeren tot overstromingen in

Duitsland leiden waardoor de afvoerpiek bij Lobith sterk wordt gereduceerd. Het is op dit

moment niet duidelijk wat de dijksituatie in Duitsland in 2050 en 2100 zal zijn. Wel kan

het effect van overstromingen in Duitsland op de piekafvoer bij Lobith bepaald worden

op basis van de dijksituatie in Duitsland in 2020 (die wel vrij nauwkeurig bekend is). De

resultaten van combinatie van de dijksituatie in Duitsland in 2020 met de klimaatprojecties

voor 2050 en 2100 op de piekafvoer bij Lobith zijn gegeven in tabel 7. De reductie van de

piekafvoeren is aanzienlijk. Uiteindelijk zullen de piekafvoeren bij Lobith afhangen van de

werkelijke dijksituaties in 2050 en 2100 in Duitsland. Nu kan echter al wel gesteld worden

dat om afvoerpieken van rond de 22.000 m3/s Lobith te laten passeren aanzienlijke

aanpassingen in Duitsland nodig zijn.

Grensoverschrijdende overstromingen behoren ook tot de mogelijkheden. Bij de Duitse

dijksituatie in 2020 bedraagt de afvoercapaciteit in het noorden van de Duitse Niederrhein

ongeveer 17.500 m3/s. Wanneer als gevolg van klimaatverandering en hogere dijken

samen werken met water 117

bovenstrooms in Duitsland afvoerpieken groter dan 17.500 m3/s het noorden van de

Duitse Niederrhein kunnen bereiken, zal dit tot ongecontroleerde overstromingen in

dit gebied leiden en, als gevolg van grensoverschrijdende overstromingen via oude

rivierbeddingen, ook tot ongecontroleerde overstromingen in delen van het oosten van

Nederland.

78. D eze bijlage is tot stand gekomen onder redactie

van P. Kabat op basis van de bijdragen

van W. Hazeleger, C. Katsman, A. Sterl, J.

Beersma en A. Klein Tank (allen KNMI), en P.

Vellinga, R. Hutjes en R. Swart (allen Wageningen

UR)

79. D e lokale verticale beweging van het land

(bodemdaling) is apart beschouwd.

80. W anneer landijs smelt, verdeelt het smeltwater

zich niet gelijkmatig over de aarde. Zeewater

wordt door de zwaartekracht naar een op

het land liggende ijsmassa toe getrokken.

Het zeeoppervlak is daardoor relatief hoog in

de buurt van een ijskap. Wanneer (een deel

van) het landijs smelt, verdwijnt ook (een deel

van) de aantrekkende werking ervan op het

zeewater. Ook de verandering in de belasting

van de aardkorst door ijs dan wel smeltwater

heeft invloed op de lokale zeespiegel.

1968-1998 2050 2100 2200

Gem. zomerafvoer (m3/s) 1700 1100 – 1700 700 – 1700 n.b.

Verandering in gem.

zomerafvoer (%)

-35 – 0 -60 – 0 n.b.

Gem. winterafvoer (m3/s) 2750 2950 – 3200 3100 – 3600 n.b.

Verandering in gem.

winterafvoer (%)

+5 – +15 +15 – +30 n.b.

Tabel 5. Gemiddelde Rijnafvoer (m3/s) aan het

eind van de 20e eeuw, en projecties voor 2050

en 2100 (zinvolle resultaten voor 2200 zijn niet

beschikbaar). Zomer heeft betrekking op de

maanden augustus t/m oktober en winter op

januari t/m maart.

Tabel 6. Piekafvoer bij Lobith (m3/s) in 2050

en 2100. De referentie afvoer correspondeert

met de maatgevende afvoer voor de Rijn. De

onzekerheden in de hydrologische modellen en

hydraulische effecten (o.a. overstromingen in

Duitsland) zijn niet meegenomen.

Tabel 7. Piekafvoer bij Lobith (m3/s) in 2050

en 2100 uit tabel 6 aangepast voor de

effecten van overstromingen in Duitsland

onder aanname van de dijkcondities in

Duitsland in 2020.

Referentie

afvoer

2050 2100 2200

Piekafvoer (m3/s) 16.000 16.500 –

19.000

17.000 –

22.000

n.b.

Verandering piekafvoer % 3 – 19 6 – 38 n.b.

Referentie

afvoer

2050 2100 2200

Piekafvoer (m3/s) 16.000 15.500 –

17.000

16.000 –

17.500

n.b.

Tabelnoten

1. I n IPCC AR4 wordt deze extra

ijsuitstroom aangeduid als

‘scaled-up ice discharge’

2. D e totalen zijn afgerond op 5 cm,

en worden als volgt berekend.

Eerst wordt voor elke component

de centrale schatting x bepaald

(meestal het gemiddelde van

de gegeven bandbreedte).

De centrale schatting voor

het totaal X is de som van

de centrale waarden van de

componenten (X= Σ x). De totale

bandbreedte dX volgt uit de

kwadratische sommatie van de

gegeven bandbreedtes voor de

componenten: dX2 = Σ (x-X)2.

De gegeven bandbreedte voor

het totaal is (X-Dx, X+dX). Deze

procedure is de juiste wanneer

wordt aangenomen dat de

onzekerheden in de individuele

componenten onafhankelijk van

elkaar zijn, en wordt gevolgd

in zowel IPCC AR4 als in dit

rapport.

3. Het bovengrensscenario

van de Deltacommissie

beschouwt wereldgemiddelde

temperatuurstijgingen van

2 - 6 ºC. Klimaatmodellen laten

voor het A1FI-emissiescenario

wereldgemiddelde temperatuurstijgingen

van maximaal

5,2 ºC zien, maar houden

geen rekening met mogelijke

terugkoppelingen tussen het

klimaat en de koolstofcyclus.

4. D e analyse houdt rekening

met de afname van de

gevoeligheid van de gletsjers

voor temperatuurveranderingen

(de meest kwetsbare delen

verdwijnen het snelst) en

de afname van het totale

ijsvolume (hooggelegen delen

van de gletsjer die overblijven,

verdwijnen langzamer dan

laaggelegen delen).

5. Het gesteente waarop de

genoemde gletsjers rusten,

ligt onder zeeniveau en helt

naar beneden naar de rand van

de ijskap. Dergelijke mariene

gletsjers kunnen in theorie

helemaal verdwijnen, zij het over

een periode van een eeuw of

meer.

6. D e bijdrage van snelle ijsdynamica

is verwerkt in de individuele

bijdragen van Antarctica en

Groenland. In het scenario

voor de Deltacommissie is met

name de bijdrage van snelle

ijsdynamica ten gevolge van

veranderingen in de Antarctische

ijskap hoger ingeschat dan in

IPCC AR4.

7. Het bovengrensscenario van

de Deltacommissie beschouwt

wereldgemiddelde temperatuurstijgingen

van 2 - 6 ºC. Het KNMI

2006 ‘warme scenario’ gaat

uit van een wereldgemiddelde

temperatuurstijging van 4 ºC.

Klimaatmodellen laten wereldgemiddelde

temperatuurstijgingen

van maximaal 5,2 ºC

zien, maar houden geen rekening

met mogelijke terugkoppelingen

tussen het klimaat en de

koolstofcyclus.

8. I n KNMI 2006 is een iets eenvoudiger

verband gebruikt dan in

IPCC AR4

9. I n KNMI 2006 zijn de bijdragen

van de Groenlandse en Antarctische

ijskap gezamenlijk

beschouwd. In deze tabel is deze

gezamenlijke bijdrage evenredig

verdeeld.

118 deltacommissie 200118 2008

Bijlage 4

Toelichting op visie waterveiligheid

Voor het advies van de Deltacommissie zijn de uitgangspunten voor waterveiligheid

essentieel voor de aard en omvang van de voorgestelde maatregelen. De Deltacommissie

doet hiermee normatieve uitspraken over wat zij een maatschappelijk gewenst niveau

van waterveiligheid acht, met andere woorden: een maatschappelijk aanvaardbaar

risico. Hiermee zet zij volgende stappen op het pad dat is ingeslagen door de vorige

Deltacommissie.

Stevige basis huidig beleid

De eerste Deltacommissie heeft de basis gelegd voor het huidige beleid met betrekking

tot het voorkomen van rampen door overstromingen. Centraal hierin stond de

risicobenadering. Dit impliceert:

• De omvang van het risico wordt bepaald door de kans vermenigvuldigd met het gevolg.

Gebeurtenissen met een kleine kans en grote gevolgen kunnen eenzelfde risico hebben

als gebeurtenissen met een grote kans en kleine gevolgen.

• De beheersing van het risico vindt plaats door een combinatie van maatregelen die

de kans beperken (preventie) en maatregelen die de gevolgen beperken (pro-actie,

preparatie en respons)81.

De risicobenadering is in de huidige praktijk geoperationaliseerd in de vorm van ‘sturing

op kansen’. Dit betekent dat de waterveiligheidsnorm is uitgedrukt in de maximaal

aanvaardbare kans (zie tekstbox De eerste Deltacommissie en de Wet op de waterkering).

In de beheerderspraktijk wordt gekeken of een dijkring voldoet aan de norm. Als dat niet

het geval is, worden maatregelen getroffen in of aan de dijkring. Er wordt vooral gekeken

Wat betreft de organisatie van

de hoogwaterbescherming is er

een Angelsaksische stroming, die

uitgaat van een grote individuele

verantwoordelijkheid en marktwerking,

en een continentale stroming,

waarin vooral de overheid zware

verantwoordelijkheid draagt.

Lessen uit de VS en Engeland zijn

dat het toekennen van individuele

verantwoordelijkheid niet altijd betekent

dat mensen die verantwoordelijkheid ook

nemen. Er kan daardoor grote schade

optreden, met juridische procedures als

gevolg. Hoogwaterbescherming blijft

vaak beperkt tot lokale ‘postzegels’,

gebaseerd op lokale kostenbatenafwegingen

en levert daarom

niet altijd een consistent geheel. Voor

de Nederlandse situatie, met grote

overstroombare gebieden en een

uitgebreid stelsel van dijkringen, is

hoogwaterbescherming bij uitstek

een collectief goed en dus een

overheidsverantwoordelijkheid.

Van alle landen heeft Nederland de

beschermingszorg wettelijk het best

verankerd in de vorm van normen,

vijfjaarlijkse toetsing en rapportage

aan de politiek. Gevolgbeperking en

rampenbeheersing (en verzekering)

zijn beter georganiseerd in landen met

lagere beschermingsniveaus (en vaker

voorkomende overstromingen), zoals

Engeland en de VS. Japan heeft het

best de hele veiligheidsketen ‘afgedekt’,

dat wil zeggen vanaf ruimtelijke

ordening en preventie (waterkeringen)

tot rampenbeheersing en nazorg.

In Nederland ligt het accent vooral

op preventie, in de VS en Engeland

op rampenbeheersing. Japan heeft

onlangs ook een soort Deltacommissie

ingesteld die moet adviseren over een

klimaatbestendige inrichting van de

Japanse hoogwaterbescherming. Daar

wordt gestreefd naar ‘nul’ slachtoffers

ten gevolge van overstromingen.

Bron: ‘Beantwoording Kennisvragen Deltacommissie,

een samenvatting’. Rijkswaterstaat en Deltares. 2008

Bescherming tegen overstromingen

samen werken met water 119

naar preventieve maatregelen. Vele onderzoeken en casestudies tonen namelijk aan dat

een euro die in preventie wordt gestoken in veel gevallen het meest effectief is. In principe

zouden in aanvulling hierop ook gevolgbeperkende maatregelen aandacht verdienen,

zoals ook de vorige Deltacommissie signaleerde. Het gaat daarbij om beperkingen in de

ruimtelijke ordening, zonering, compartimentering, alarmering, vluchtplannen, vluchtroutes

en vluchtplaatsen.82 De optimale combinatie van maatregelen moet dan afgestemd zijn op

het karakter van de ramp, de kenmerken van een dijkring en de (kosten-)effectiviteit van de

verschillende typen maatregelen. Er is, kortom, sprake van maatwerk.

Expliciet aandacht voor slachtoffers

In de huidige waterveiligheidsnormen worden slachtoffers indirect meegeteld, door deze

in geld uit te drukken en op deze wijze mee te nemen in kosten en baten (vermeden

schade) van beschermingsmaatregelen. De Deltacommissie vindt dat het slachtoffers

ook expliciet meegenomen moeten worden bij het bepalen van waterveiligheidsnormen.

Overstromingsrisico’s worden door de huidige samenleving niet geaccepteerd

als een onvermijdelijk natuurverschijnsel, maar als een verschijnsel waartegen de

overheid bescherming biedt, ook al beseft de samenleving dat 100% veiligheid niet

bestaat. Hiermee kan het overstromingsrisico worden vergeleken met andere externe

veiligheidsrisico’s, zoals bij industriële installaties, transport en opslag van gevaarlijke

stoffen, treinemplacementen en in het luchtverkeer.

De Deltacommissie vindt dat iedere burger binnen een dijkring een basisniveau van

waterveiligheid mag verwachten van de overheid. De kans op overlijden door een

overstroming mag niet groter zijn dan een maatschappelijk acceptabel niveau. Daarnaast

vindt de Deltacommissie dat in het beschermingsniveau de aversie van de samenleving

tegen ‘grote aantallen slachtoffers in één keer’ door overstromingen tot uitdrukking moet

komen.

Brede definitie beschermwaardig belang

De Deltacommissie vindt het te beschermen belang breder dan alleen de kosten en

schades. Zij is van mening dat voorheen monetair niet-waardeerbare aspecten zoals

schade aan landschap, natuur, cultuur(historie) (LNC -waarden), maatschappelijk

ontwrichting en reputatieschade ook meegenomen moeten worden in de kostenbatenanalyse

om de normhoogte te bepalen. De vorige Deltacommissie had dezelfde

overtuiging, maar het ontbrak op dat moment aan goede gegevens over de economische

waarde van LNC -waarden en hoe om te gaan met slachtoffers. Voor de waardering van

deze zogenoemde ‘imponderabilia’ hanteerde de vorige Deltacommissie de factor 2

waarmee de directe schade vermenigvuldigd werd. Zo werd recht gedaan aan een extra

bescherming voor deze belangen.

Omdat in de afgelopen jaren onderzoeken gereed gekomen zijn met methodieken en

kentallen om landschap, natuur en cultuur(historie), maatschappelijke ontwrichting en

reputatieschade, en directe en indirecte schade te waarderen83, pleit de commissie ervoor

om deze elementen nu in de huidige afwegingen expliciet mee te nemen. Daarnaast

moet ook het aspect risicoaversie een plaats krijgen in de maatschappelijke kostenbatenanalyse.

Risicoaversie is de bereidheid om extra kosten te betalen voor de

vermindering van onzekerheid op heel extreme schade.

120 deltacommissie 200120 2008

Kern van het advies van de

Deltacommissie in 1960 is het

realiseren van een beschermingsniveau

dat recht doet aan de waarde van

de te beschermen belangen. Dat

beschermingsniveau werd vertaald

in een stormvloedstand op zee of

een hoogwaterstand op de rivieren.

De waterkeringen zouden deze

waterstanden met grote zekerheid

moeten kunnen keren. Hoe meer

kapitaal, bevolking en cultuurhistorisch

erfgoed zich achter de

waterkeringen bevindt, hoe hoger het

beschermingsniveau zou moeten zijn.

En dus werd voor Centraal Holland

het hoogste beschermingsniveau

geadviseerd: de bescherming tegen

een stormvloed die met een kans

van 1/10.000 per jaar kan optreden.

Elders langs de kust en langs de

benedenrivieren hanteren we wat

lagere beschermingsniveaus (1/4.000

of 1/2.000 jaar). Later kwamen er ook

normen voor de bovenrivieren, van

1/1.250 jaar.

Het beschermingsniveau in de Wet

op de waterkering (1996; de wet

wordt opgenomen in de Waterwet)

is gedefinieerd als de kans op

overschrijding van de hoogste

waterstand die de waterkering

moet kunnen keren. Die hoogste

waterstand heet de Maatgevende

Hoogwaterstand (MHW). De kans

heet de overschrijdingskans. Dat is

een wezenlijk ander begrip dan de

overstromingskans; dat is de kans

dat het land achter de waterkering

onder water komt te staan. Voor die

overstromingskans zijn ook de sterkte

van de dijken en de extra dijkhoogte ten

opzichte van de MHW van belang. De

kans op een overstroming is in principe

kleiner dan de overschrijdingskans.

Sturen op overstromingskans in

plaats van overschrijdingskans is nu

mogelijk, omdat ten opzichte van de

eerste Deltacommissie meer kennis

beschikbaar is over faalmechanismen

van waterkeringen.

Uit: Onze Delta. Feiten, mythen en mogelijkheden.

Deltares, 2008, blz. 12, 13.

De eerste Deltacommissie en de Wet op de waterkering

De commissie kiest voor een brede

definitie van ‘veiligheid’. Daarbinnen

vallen: mensenlevens, economische

waarden, landschappelijke-, natuurlijkeen

cultuur(historische) (LNC) waarden,

maatschappelijke componenten en

de reputatie van Nederland in het

buitenland.

Mensen kunnen op verschillende

wijzen en in verschillende mate schade

ondervinden van overstromingen. In

het ernstigste geval vallen er doden

en gewonden. Maar het kan ook gaan

om evacués en materiële schade.

Binnen het overstroomd gebied

kan directe economische schade

optreden: schade aan kapitaalgoederen

(opstal, infrastructuur, etc.); kosten

voor hulpverlening, evacuaties,

nazorg; gederfde inkomsten. Buiten

het overstroomd gebied is indirecte

schade mogelijk: zwaardere druk op

voorzieningen, gederfde inkomsten

(opvang evacués, minder consumptieve

uitgaven, werkloosheid).

Bij ecologische en cultuur(historische)

waarden gaat het om kwetsbare en

onvervangbare gebouwen, objecten

en gebieden, waarbij het een

maatschappelijke, soms ethische

keuze is wat als essentiële gebieden

aangewezen wordt. Van maatschappelijk

belang is dat ‘life lines’ (gas en andere

brandstoffen, water, elektra, wegen

en bruggen, riolering, zuivering,

telecommunicatie en ICT-netwerken,

etc.) met een bovenregionale belang

blijven functioneren. Wanneer dit

gedurende meerdere dagen niet het

geval is, kan gesproken worden van

maatschappelijke ontwrichting. Dit

heeft effecten op onder meer het

functioneren van het openbaar bestuur,

de gezondheidszorg en het financiële

verkeer. De reputatie van Nederland

is erbij gebaat dat een overstroming

geen langdurige catastrofale gevolgen

heeft, waardoor het vertrouwen van

internationale investeerders en daarmee

de kracht van de economie afneemt.

Een breed begrip van veiligheid

samen werken met water 121

Het zijn de te beschermen belangen die de norm voor waterveiligheid bepalen

De Deltacommissie is van mening dat norm voor waterveiligheid tot uitdrukking moeten

brengen:

1) het basisniveau van bescherming tegen overstromingen dat wordt geboden aan iedere

burger die binnen een dijkring leeft; met andere woorden een kans op overlijden voor

een burger door overstroming die niet hoger is dan een maatschappelijk bepaald niveau

– het individueel of plaatsgebonden risico;

2) een maatschappelijk acceptabele bovengrens voor kans op overlijden door een

overstroming met grote aantallen slachtoffers – het Groepsrisico;

3) de vermeden schade ten opzichte van de kosten die daarmee gemoeid zijn; dit is een

economische optimalisatie in de vorm van een maatschappelijke kosten-batenanalyse.

Daarbij dienen directe en indirecte kosten van de overstroming binnen en buiten het

overstroomde gebied meegenomen te worden, alsmede een monetaire waardering

van LNC -waarden, slachtoffers, maatschappelijke ontwrichting, risicoaversie en

reputatieschade.

Door combinatie van deze drie elementen worden zowel slachtoffers als economische

schade beschouwd. Daarbij wordt rekening gehouden met de verdeling van risico’s

over individuen (het gelijkheidsprincipe – gerelateerd aan basisveiligheid) en de balans

tussen maatschappelijke baten en lasten (efficiëntie – gerelateerd aan maatschappelijke

kosten-batenanalyse en Groepsrisico). Vanzelfsprekend zou de uiteindelijke

bescherming tenminste dezelfde moeten zijn als in de huidige situatie volgens het huidig

veiligheidsniveau van dijkringen. De dijkringen mogen er niet op achteruit gaan door

nieuwe normen.

De Deltacommissie is van mening dat deze drie elementen vertaald moeten worden

in één norm voor waterveiligheid en dat deze wettelijk vastgelegd moet worden. Dit

bevordert de handhaving van de waterveiligheid op de langere termijn. Het verdient

aanbeveling regelmatig de normhoogte te herijken, aangezien het klimaat (en de kans op

overstromingen) en de gevolgen van een eventuele overstroming (als gevolg van sociale en

economische ontwikkelingen) veranderen.

Met deze aanpak blijft het principe van ruimtelijke differentiatie van veiligheidsniveaus

zoals door de vorige Deltacommissie geïntroduceerd, gehandhaafd, maar is er wel een

basisveiligheidsniveau voor iedereen.

Bij de uitwerking van de drie elementen kan blijken dat er, ten opzichte van de huidige

situatie, meer ruimtelijke differentiatie ontstaat. De commissie is daarbij wel van mening

dat binnen samenhangende groepen van dijkringen de gelijkheid gewaarborgd moet

worden, en dus regionaal sterk variërende differentiatie niet wenselijk is.

Slachtoffers onderdeel van de waterveiligheidsnorm

De commissie kiest ervoor om bij het voorkomen van slachtoffers aansluiting te zoeken bij

bestaand extern veiligheidsbeleid gericht op bescherming van personen en milieu tegen

ongevallen bij industriële installaties, bij transport en opslag van gevaarlijke stoffen en

treinemplacementen en in het luchtverkeer. Bij de externe veiligheid worden het individueel

of plaatsgebonden risico (PR) en het Groepsrisico (GR) gebruikt als risicomaat.84

Het plaatsgebonden risico (PR) is de kans op overlijden door een overstroming op een

bepaalde plek in een dijkring. Het PR wordt bepaald uit de overstromingskans van die

dijkring vermenigvuldigd met de kans op overlijden, gegeven een overstroming op die

locatie. In de dijkringen met het laagste beschermingsniveau is de overstromingskans

122 deltacommissie 200122 2008

ongeveer 1/1.400 per jaar.85 De kans op overlijden bij een overstroming ligt in de

ordegrootte van 1/100. Hiermee is het PR ten gevolge van overstromingen voor de meeste

locaties in Nederland naar verwachting kleiner dan 10-3 x 10-2 = 10-5. De Deltacommissie

stelt voor om een veiligheidsniveau van 10-6 per jaar voor elke inwoner in overstroombare

gebieden als basisbeschermingsniveau voor overstromingen te hanteren. Dit is

vergelijkbaar met andere onderdelen van het externe veiligheidsbeleid.

Groepsrisico (GR) geeft de kans per jaar op een ramp met een bepaald aantal (N) of meer

slachtoffers. Het Groepsrisico wordt weergegeven in een FN-curve (grafiek waarin kans

is uitgezet tegen aantal slachtoffers). Het RIVM heeft in 2004 een schatting gemaakt

van het Groepsrisico voor overstromingen.86 Hieruit bleek dat de kans op veel doden

(Groepsrisico) door overstroming veel groter is dan het Groepsrisico voor alle onderkende

externe veiligheidsrisico’s bij elkaar opgeteld (zie grafiek). Dit vindt de commissie niet

acceptabel: het geschatte Groepsrisico voor overstromingen is vooral bij de hogere

aantallen een factor 10 tot 1000 groter omdat bij een overstroming van een dijkring een

groot aantal mensen getroffen wordt. Bovendien kunnen bij extreme hoogwaters langs

kust en rivieren meerdere dijkringen tegelijk overstromen.

Figuur 1: het Groepsrisico voor

overstroming in Nederland in relatie tot

de som van de Groepsrisico’s voor de

externe veiligheidsdomeinen in Nederland

die tot nu toe in het kader van studies

naar externe veiligheid door het RIVM

werden gepresenteerd (RIVM, 2004)

Figuur 2: het effect van

kansreducerende en

gevolgbeperkende maatregelen

op de FN-curve en de ligging

t.o.v. de normlijn.

������$������� ����������� ����� ���"�����@�������G ������������������������� ��������������(�

!��� ����������A������,!A-������ �����$��������,�A-�������" �������������� ��CO�

7� �$��� �����������������,!A-�������"�����$�������������������������� ��������$�������$������

$��"�����������"������7� �!A����� ���$������� ��������� �������"���������������"�����

������������������ ����"�����$������������������������������ ��������$��������� ����������

���"��������� ��� ������ �������������������������������� �������"��������������K��FCC�$���

������CJ�'��"�����$������������������������� ���������� ��������������� �������K�CC��7������������ �

!A� �������������������� ��������������������� ������ ����������������������������� ����

"������������C /�G��C &�`��C .��'��'�� ������������ �� ������������������������������������C B�$���

������������"������������������������������������������������������������������ ��������� ��

��� ������'� ������������"������� ������������������������� ��G ����������������������

����$��������,�A-����( ����"����$���������$��������$��� �������$�������� ���,�-��(������

����� �((�����7� �����$������������ ��������������������Q� ������,���(��"��������"��������� ���� �

�������� �������� �((���-��7� �A��<����( ����&CCF��������� ���������" ������� �����$��������

���������� ����������C%�7����� �����"��� ����"�����$������������,����$�������-����������� �������

�������� ������������ �����$�����������������������"������G ����������������������9��������"����

�$�� ����,�������(��"-��'� ����� ����������������� �����$ �������� ������� ������$�������������

����� ������������������������������������ ����������(�� ����C� � ��CCC���� ������� ������� �����

��������� ������������������"������������� ���� ������������ ��((������� ��@���������"������

�����G ����������� ����������"�� �������������������������"������� ������"������ �������

�� �@����� �>G ����������������,�A:<��&CCF-����� �������� ��������� ����$$����"�����$ ��������������������������� �

$��� ������������������������ ��� �����"���������C B�$������������������$������������ ����"������ ������������������C���CC�

�(��CCC����������������� ��������������������������$�� �������"��C .���C O�����C %��'������$������������������������

������ ������������������������� �������K��"���������7� ������������������ ������ �������������������� �

�(����"�������������������������� ��������������G ��������������������������� �������������������� ��CC�������

��� ���(�����������"������������(�� ����CC���������� ������������������������ ��C��������'���������������"�����$�����

���$������������"����������������� ��� �"������ ������� ���� ����������"������� �((�����'�������� � �������� ���"�

��������������(�� ������������

����'��<���"��������������������� ������������������� ����A��"��� ��� �� �&CCJ��?���������������@3��������5���=?% >�"-'���

���������$ �&%��$����&CCJ��

����A��<��&CCF��������4�����3���&������������'��@�� �

��������������������� ��&

samen werken met water 123

Er is op dit moment nog geen kant-en-klare methodiek noch norm voor het Groepsrisico

voor overstromingen beschikbaar. Om grote aantallen slachtoffers door overstromingen

met gerichte maatregelen te kunnen voorkomen, dringt de Deltacommissie aan een

maat te ontwikkelen voor het Groepsrisico door overstromingen. Hierbij verdient het de

voorkeur om uit te gaan van een zogenaamde normlijn met een kwadratische steilheid.

Deze normlijn drukt voor ieder aantal slachtoffers een aanvaardbare overstromingskans

uit. Het hanteren van een norm met een kwadratische steilheid houdt in dat een ongeval

met 10 keer meer slachtoffers een 100 keer kleinere kans van optreden mag hebben. Dit

wordt ook gebruikt in andere veiligheidsdomeinen en drukt de maatschappelijke aversie

tegen ongevallen met veel slachtoffers uit. Aanbevolen wordt om bij de afweging van het

Groepsrisico uit te gaan van het totale, nationale Groepsrisico.87 Voor een praktische

afweging van Groepsrisico’s kan worden uitgegaan van de te berekenen Groepsrisico’s per

dijkring. Een maat op dijkringniveau kan worden afgeleid van het nationaal gedefinieerde

ambitieniveau (de nationale GR-norm).

Na vaststelling van de GR-normlijn kunnen de FN-curves van elke dijkring vergeleken

worden met de normlijn en bepaald worden of aanvullende maatregelen nodig zijn. Door

kansbeperkende maatregelen, zoals betere waterkeringen, verschuift de lijn in zijn geheel

naar beneden: de kans op een bepaald aantal slachtoffers wordt kleiner. Dit kan ook

worden bereikt door gevolgbeperkende maatregelen, waardoor bij dezelfde kans het

aantal slachtoffers vermindert. Hierdoor buigt de lijn naar links (zie figuur 2). Er is ook een

combinatie van kans- en gevolgbeperkende maatregelen mogelijk.

Keuze van de Deltacommissie

De inzichten in hoe de drie elementen uitwerken in een nieuwe norm zijn nog niet

compleet. Nadere uitwerking is nodig. Echter, de commissie vindt het vaststellen van

veiligheidsniveaus niet iets dat enkel op basis van rekenexercities moet plaatsvinden.

In het licht van wat nu reeds bekend is, waarbij de commissie het veel grotere

maatschappelijke risico voor overstromingen nog eens wil benadrukken, is de

commissie van mening dat de aangepaste norm in ieder geval moet leiden tot een hoger

veiligheidsniveau dan het huidige. De commissie wil dan duidelijk zijn op dit punt.

Om iedereen hetzelfde basisniveau van veiligheid te geven, zal naar verwachting in de

dijkringen van het rivierengebied de overstromingskans met een factor 10 verlaagd moeten

worden. Om grote aantallen slachtoffers te voorkomen, moet in meerdere dijkringen

zowel aan de kust als in het (beneden)rivierengebied de overstromingskans volgens de

huidige inzichten eveneens met meer dan een factor 10 verlaagd worden. Na zorgvuldige

afweging komt de commissie tot het oordeel om de overstromingskansen voor alle

dijkringen (de aangepaste norm voor waterveiligheid) ten opzichte van de huidige normen

minimaal met een factor 10 te verminderen en dus het veiligheidsniveau met een factor

10 te verhogen. Deze huidige normen worden hierbij door de commissie geïnterpreteerd

als overstromingskansen. De nadere uitwerking van de drie elementen voor de norm mag

volgens de commissie alleen met een zeer deugdelijke onderbouwing leiden tot een lagere

factor dan 10. Vanwege de aanzienlijke risico’s voor grote aantallen slachtoffers verwacht

de commissie eerder dat voor meerdere dijkringen de nadere uitwerking zal leiden tot een

nog hogere factor waarmee de veiligheid verbeterd moet worden.88

De Deltacommissie acht het in die gevallen essentieel de kans op of de gevolgen van

plotselinge en onbeheersbare overstromingen sterk te reduceren, omdat daarbij door

de diepe bressen langdurig en met veel geweld grote hoeveelheden water kunnen

binnenstromen. De commissie beveelt hiervoor het concept van de ‘Deltadijken’ aan:

dijken die door hun breedte, hoogte of interne constructie zo sterk zijn dat een plotselinge,

124 deltacommissie 200124 2008

onbeheersbare overstroming vrijwel uitgesloten is. De precieze uitwerking van dit concept

vereist plaatselijk maatwerk, rekening houdend met de te voorkomen gevolgen en

eigenschappen en mogelijkheden van de waterkering ter plekke.

81. Preventieve maatregelen zijn dijkversterking en

rivierverruiming. Pro-actie omvat maatregelen

gericht op voorkomen van gevaarlijke

situaties, bijvoorbeeld door zonering in de

ruimtelijke ordening en bouwvoorschriften.

Preparatie betreft de organisatie van rampenbeheersing

en de voorbereiding op rampenbeheersing

(oefeningen). Respons is de

daadwerkelijke rampenbeheersing tijdens/

direct voorafgaand aan de overstroming.

82. D e commissie-Fransen (Taskforce Management

Overstromingen) heeft de opdracht

ervoor te zorgen dat de rampenbeheersing

voor overstromingen eind 2008 op orde is.

83. W itteveen en Bos, 2008. Economische

waardering imponderabilia, Achtergronddocument

in opdracht van de Deltacommissie.

84. Besluit Externe Veiligheid (VROM, 2004) bevat

de hoogte van maatschappelijk acceptabele

risiconormen. Voor het plaatsgebonden

risico bedraagt dit een kans van 10-6 per

jaar. Voor Groepsrisico geldt de kans dat bij

een ongeval 10, 100 of 1000 doden vallen

niet meer mag bedragen dan respectievelijk

10-5, 10-7 en 10-9. De Groepsrisiconormen

zijn geen absolute grenswaarden, maar richtwaarden/

ijkwaarden. Het bevoegd gezag

moet verantwoorden wanneer wordt afgeweken

van deze waarden. In het Nederlandse

externe veiligheidsbeleid wordt voor een

ongeval met 100 doden gestreefd naar een

kans die een factor 100 lager ligt dan voor

een ongeval met 10 doden. De aanvaardbare

kans op een ramp is dus omgekeerd

evenredig met het kwadraat van het aantal

dodelijke slachtoffers. Deze macht twee

wordt ook wel de aversiefactor genoemd.

85. D e Maaskades zijn hierbij buiten beschouwing

gelaten. Rijkswaterstaat 2008, Kentallen

kosten-batenanalyse (KBA) WV21, eindconcept

29 april 2008.

86. RI VM, 2004. Risico’s in bedijkte termen. De Bilt.

87. D e keuze van een landelijke GR-norm wordt

aanbevolen omdat: a) het waterveiligheidsbeleid

zich richt op de beveiliging van Nederland

tegen overstromingen; b) de impact van

een grootschalige overstroming ook buiten

de getroffen dijkring wordt gevoeld.

88. Jonkman, S.N., 2008. Schattingen Groepsrisico

t.b.v. advies Deltacommissie. Memo

9T6387.A0/NN0001/902968/Rott. Dijkringen

waar met een redelijke kans bij overstroming

ineens grote aantallen slachtoffers kunnen

vallen, die daardoor op nationaal niveau

het hoge Groepsrisico bij hoge slachtofferaantallen

sterk bepalen zijn IJsselmonde

(17), Zuid-Holland (14), Eiland van Dordrecht

(22), West Brabant (34), Voorne-Putten (20),

Alblasserwaard & Vijfheerenlanden (16),

Hoeksche Waard (21), Lopiker- en Krimpenerwaard

(15), Friesland en Groningen (6) en

Flevoland (8).

samen werken met water 125

Bijlage 5

Eilanden en kunstriffen nader bezien

Inleiding

Als gevolg van de klimaatverandering zal de zeespiegel stijgen en een mogelijk

veranderend storm- en golfklimaat leiden tot een grotere belasting van de waterkeringen

langs de Nederlandse kust. Er zijn verschillende manieren om deze belasting te

verminderen. Een optie is de aanleg van eilanden voor de kust, omdat een eiland de

richting en kracht van waterstromen kan beïnvloeden en de golfslag kan breken en

verminderen. Zodoende kan een eiland (plaatselijk) bijdragen aan de kustverdediging

en de veiligheid van Nederland. Het effect is afhankelijk van de vorm en omvang van het

eiland en van de afstand tussen het eiland en de kust.

Daarnaast kan een eiland voor de kust andere functies vervullen die bijdragen aan het

oplossen van maatschappelijke problemen en het benutten van economische kansen.

Bijvoorbeeld functies die raakvlakken hebben met water of functies waarvoor de ruimte

op het vasteland te beperkt of te kwetsbaar is. De Deltacommissie heeft veel voorstellen

ontvangen die deze optie uitwerken en het lijkt daarom goed in deze bijlage een algemene

beschrijving van de voor- en nadelen te geven.

Wat is het probleem?

De Nederlandse kust wordt incidenteel geteisterd door een zware storm. De combinatie

van getij-hoogwater en stormopzet kan dan waterstanden opleveren van ruim 5 meter

boven NAP. Door zeespiegelstijging nemen deze waterstanden toe. In combinatie met

lange, hoge golven kan dat leiden tot strand- en duinafslag op grote schaal, met als gevolg

schade aan de zeeweringen. In extreme gevallen kan dit leiden tot een overstroming van

het achtergelegen gebied.

Welke maatregelen zijn mogelijk?

Om erosie van strand en duinen alsmede schade aan de waterkeringen onder

maatgevende omstandigheden te verminderen, dienen de maatregelen aan te grijpen op

de stormopzet en/of golfwerking. Een rif of eiland dat voor de kust in de Noordzee ligt,

houdt wind- en deiningsgolven in meer of mindere mate tegen. Wanneer een zware storm

woedt, zijn het vooral de lange golven die vanuit zee een aanslag op de kust plegen. Van

deze golven, die tot op grote diepte zijn waar te nemen, is bekend dat zij terugkaatsen als

zij tegen steilere bodemhellingen aan botsen. Een kunstmatig rif of eiland, of een reeks

daarvan, kan dit gewenste effect versterken; in diep zeewater (NAP -10 /-15 meter) zwakt

het de lange golven af en laat het de kortere golven door.89 Langs de kustvakken waarvoor

geen eiland of rif ligt, treedt deze dempende werking niet of veel minder op. Daar moet de

kust op een andere wijze beschermd worden. Dus zelfs met een reeks eilanden moeten

delen van de kust aanvullend versterkt worden.

Een alternatief voor het beperken van de kusterosie is het verdiepen van de zeebodem,

waardoor de stormopzet vermindert. Dit dient bij voorkeur te gebeuren in de vorm van

langgerekte geulen waarmee het door de storm opgestuwde water langs de zeebodem

kan terugstromen. Het grootste effect wordt verwacht bij een noordwestelijke oriëntatie,

de richting met de zwaarste stormen en hoogste stormopzet. Oriënterende berekeningen

laten zien dat hiermee langs de Hollandse kust een waterstandsdaling van de 1953-storm

bereikt kan worden.90

126 deltacommissie 200126 2008

Beide maatregelen – rif of eiland en verdiepen van de zeebodem – kunnen gecombineerd

worden in een eilandenreeks buiten de -20m NA P lijn, in combinatie met geulen tussen en

langs de eilanden waaruit het zand gewonnen is. Verkennende berekeningen91 tonen aan

dat het mogelijk is om bij Hoek van Holland 20 cm verlaging en 10 cm op de rest van de

Hollandse kust op de maatgevende waterstand te realiseren. In de Westerschelde is het

mogelijk om 50 cm verlaging te realiseren bij een maatgevende storm van eens in de

4000 jaar. Deze reductie bestaat uit een afname van het dagelijks getij (20 cm) en een

afname van de windopzet (30 cm). Verkennende berekeningen aan een eiland op de Vlakte

van de Raan (gelegen landwaarts van de –20 m NAP dieptelijn) geven een indruk dat er

een verhoging van de maatgevende hoogwaterstanden plaats kan vinden, met name in de

Westerschelde. Dit wordt veroorzaakt doordat het eiland het karakter van de getijdengolf

verandert.

De grootste factor voor de verlaging langs de Nederlandse kust is het realiseren van

grote diepe geulen tussen de eilanden die naar het noordwesten toe gerealiseerd

worden. D aarnaast moeten de eilanden gestroomlijnd langs de kust liggen, zodanig dat

ze geen trechtervorming voor het getij of de windopzet vormen. De aanleg van de geulen

lijkt bovendien het ontstaan van wadvorming tegen te gaan, doordat de getijstroom wordt

gestimuleerd.

Voor de Hollandse kust zullen de extreme golven door de aanwezigheid van eilanden

kleiner zijn. De invloed van de eilanden op de golven hangt sterk af van de windrichting.

Bij wind uit het noordwesten kunnen golven die in de huidige situatie zo’n 7 meter zouden

zijn, ordegrootte 25% reduceren, zowel qua hoogte als qua periode.92

Wat is er nodig om deze maatregelen uit te voeren?

De aanleg van eilanden vraagt grote hoeveelheden zand. Bij een waterdiepte van 20 meter

(binnen de 12-mijlszone, maar buiten het zicht vanaf het strand) en een aanleghoogte

van minimaal 5 m boven NAP gaat het al om eilanden van 25 meter hoogte boven de

omringende zeebodem. De aanleg van een eiland(enreeks) van in totaal 100 km lang en

een gemiddelde profielbreedte van 6 km vergt dan 15 tot 20 miljard m3.

Vanwege het feit dat het eiland aan alle kanten omgeven is door zeewater vereist het een

goede bescherming tegen golven en stroming in de vorm van dure en harde constructies,

of, wanneer hiervoor niet gekozen wordt, regelmatig terugkerend onderhoud in de vorm

van suppleties. Voor het reduceren van golfwerking langs 100 km kust wordt dus op diep

water een eiland aangelegd met een te onderhouden kustlijn van ruim 200 km, al past

hierbij vanzelfsprekend de relativering dat de golfaanval eerst en vooral de buitenzijde van

een eiland zal treffen. Om het de golfreducerende werking ook in de toekomst te kunnen

laten vervullen, zal het eiland ook met de zeespiegel moeten meestijgen, hetgeen nog een

extra hoeveelheid zand vraagt. Ondertussen moet ook het onbeschermde deel van de

Noordzeekust (de resterende 250 km) nog steeds normaal onderhouden worden.

Zandwinning uit geulen levert aanvullende positieve effecten op voor reductie van

de waterstand (zie ook93). Nader onderzocht zou moeten worden of het principe van

zandwinning in geulen bruikbaar kan zijn als optimalisatievorm van zandwinning voor

suppletiedoeleinden.

Wat zijn de neveneffecten van deze maatregelen?

Lokaal en op korte termijn kan de golfdempende werking van eilanden dus positief voor

de kustveiligheid zijn. Het is echter belangrijk ook te kijken naar het effect op een grotere

schaal. Allereerst blijkt dan dat door de beschutting lokaal weliswaar verminderde afslag

samen werken met water 127

of zelfs aanzanding kan optreden. Maar deze lokale winst gaat vaak ten koste van een

versterkte erosie elders op de plekken waar het zand anders naar toe zou zijn gegaan.

Daarnaast heeft het veranderde golfklimaat gevolgen voor het gedrag van het kustprofiel.

Langs een natuurlijke kust zorgen lange golven in feite voor een tijdelijke verandering

van het kustprofiel: een steiler hoog gedeelte en een flauwer laag gedeelte. Als gevolg

van de natuurlijke golfwerking kan onder rustige omstandigheden het kustprofiel zich

weer herstellen. De aanleg van eilanden of kunstriffen verstoort niet alleen het kustprofiel

maar ook het natuurlijk herstel van het oorspronkelijk profiel na een stormperiode. Op de

langere termijn is daardoor het netto effect negatief: vermindering van de stabiliteit van het

kustprofiel en versterking van de kustachteruitgang. Dit geldt niet voor de natuurlijke riffen

langs de kust, de zogenaamde brekerbanken. Die geven namelijk zand door naar ondieper

water, in tegenstelling tot kunstriffen.

Eilanden beïnvloeden niet alleen het golfklimaat tijdens storm; ook onder normale

omstandigheden ontstaat een rustiger klimaat. De Waddenzee toont waartoe dit kan

leiden. In het rustiger milieu nemen de omstandigheden voor de sedimentatie van fijn

materiaal toe, de energie om zand naar de kust te verplaatsen, neemt af. Op langere

termijn kan zich een wad-achtig milieu ontwikkelen, terwijl aan de oude kust de strand- en

duinvorming stagneert. Zoals eerder aangegeven, kan de aanleg van geulen dit mogelijk

voorkomen.

Een belangrijke reden om eilanden aan te leggen, is meestal het scheppen van extra

land, bijvoorbeeld voor functies waarvoor op het vaste land moeilijk ruimte te vinden is,

zoals milieubelastende of scheepvaartgebonden activiteiten. Een eiland kan gebruikt

worden voor de overslag en opslag van goederen. Dit vereist havens en terminals.

Indien zo’n zeehaven wordt gecombineerd met een luchthaven, ontstaat op het eiland

een distributieknooppunt dat aansluit bij de voorzieningen op het vasteland en dat de

ruimte- en milieudruk aldaar kan verminderen. Eilanden kunnen in principe ook voor

wonen gebruikt worden. Wellicht is het eiland ook bruikbaar voor de huisvesting van

viskwekerijen, algenkwekerijen en andere watergerelateerde bedrijvigheid als toerisme

(strand, jachthaven, recreatiefaciliteiten). Mogelijk zelfs voor landbouw, maar dat stelt

specifieke eisen aan bodemkwaliteit en watervoorziening. Afhankelijk van het gebruik zijn

verbindingen met de kust nodig in de vorm van wegen, bruggen, tunnels of veerdiensten

alsmede aansluitende infrastructuur op het vasteland.

Het water rondom een eiland kan worden benut voor zowel het opwekken van energie

(getijden, golfslag) als het opslaan van energie (valmeer) en het overslaan van energie

(LNG-terminal). Overigens kunnen op het eiland ook andere energiegerelateerde functies

worden ondergebracht, zoals windmolens of een haven voor aanvoer, assemblage en

onderhoud van windmolens, boorplatforms en andere off shore-activiteiten.

Eilanden kunnen positieve ecologische effecten hebben, door de vorming van extra

ondiepe mariene- of intergetijdenmilieus langs de randen in een omgeving die minder

troebel (lichtgelimiteerd) is dan de kustwateren. Dit maakt kraamkamers voor vis,

fourageergebieden voor vogels en aquacultures mogelijk. Deze ecologische voordelen

dienen overigens afgewogen te worden tegen het verlies aan ecologische waarden door

de aanleg en aanwezigheid van het eiland op de plek van de voormalige zeebodem.94

Internationale voorbeelden

De aanleg van eilanden voor de kust voor bewoning en recreatiedoeleinden is recentelijk

vooral bekend uit de Arabische Golf, met name Dubai. In Japan en Hongkong

128 deltacommissie 200128 2008

zijn voorbeelden van eilanden voor vliegvelden. In Singapore zijn op grote schaal

landreclamaties in de vorm van eilanden en kustuitbreiding gerealiseerd voor met

name woningbouw en industriële toepassingen. Over de effecten hiervan voor de

kustbescherming is vooralsnog weinig bekend.

Voor kunstriffen is dat anders. Over de gehele wereld zijn er boven- en onder water riffen

aangelegd ter bescherming van de achterliggende kust. Ze liggen allemaal relatief dicht

bij de kust (op een afstand van minder dan 500 meter binnen de brandingszone tijdens

extreme omstandigheden) en het succes is zeer wisselend. Het succes is groter bij geringe

getijdenslag. Direct achter het rif vindt soms sedimentatie plaats en kan het rif zelfs

vastgroeien aan de kust (‘tombolo effect’). Gegeven de afstand tot de kust en de lengte

van het rif kan middels empirische formules worden voorspeld of tombolovorming zal

plaatsvinden. Ter weerszijden van het rif is de kans op negatieve effecten zeer groot. Het

gesedimenteerde zand is ergens vandaan gekomen. Beschouwingen over deze andere

effecten op grotere schaal ontbreken veelal.

In Spanje en Italië is ondervonden dat riffen lokaal tot aanzanding kunnen leiden maar

dat de overall sedimentbalans negatief is. Dit vindt vooral zijn oorsprong in het feit dat de

riffen tot horizontale circulaties leiden die sediment netto uit het systeem transporteren. In

Spanje heeft dit ertoe geleid zoveel mogelijk riffen uit het kustsysteem te verwijderen en

suppleties toe te passen. In Italië bestaat de behoefte eenzelfde strategie toe te passen

maar de omvang van de toepassing van riffen leidt tot terughoudendheid in verband met

economische overwegingen.

89. D eze principewerking is voor de Nederlandse

kust met laboratorium- en modelproeven

bevestigd. In een verkennende studie voor

Scheveningen blijkt tijdens een extreme

storm de golfhoogte achter een rif op 10 meter

waterdiepte af te nemen met 30 tot 40%

(Jacobse, S; M. Meijerink en J. de Ronde,

(2007), Verkenning kunstrif Scheveningen;

faserapport technische haalbaarheid, WIN

Samenwerkingsverband Rijkswaterstaat &

Royal Haskoning, rapport 9R8885.B0/R0005

/SJAC/SSOM/Rott1). In de brekerzone op

een diepte van 6 meter, neemt de golfhoogte

met meer dan 1 meter af. Ook is de golfperiode

aldaar ongeveer 1 seconde lager. Volgens

modelberekeningen wordt hierdoor de

duinafslag significant gereduceerd (indicatie:

15 – 20 m).

90. F. Groenendijk, 2008. Kustveiligheid en eilanden,

een eerste oriënterende verdiepende

studie.

91. S vasek en Boskalis, betreffende onderzoek

naar effecten ruimtegebruik van de Noordzee,

rekening houdend met morfologie en

ecologie, ongepubliceerd

92. S vasek en Boskalis, betreffende onderzoek

naar effecten ruimtegebruik van de Noordzee,

rekening houdend met morfologie en

ecologie, ongepubliceerd

93. F. Groenendijk, 2008. Kustveiligheid en eilanden,

een eerste oriënterende verdiepende

studie.

94. W ageningen IMARES, 2008. Werken aan

Deltanatuur: compenseren of versterken.

samen werken met water 129

Bijlage 6

Lijst van afkortingen en begrippen

BBP: Buto binnenlands product; de totale waarde van alle in een land geproduceerde

goederen (en diensten) gedurende een bepaalde periode

(Ministerie) BZK: M inisterie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties

CBS: C entraal Bureau voor de Statistiek

CPB: C entraal Plan Bureau

EMU: E uropese Monetaire Unie

FES: Fonds Economische Structuurversterking

ICT: I nformatie- en communicatietechnologie

IPCC: I ntergovernmental Panel on Climate Change

KNMI: Koninklijk Nederlands Meteorologisch Instituut

LNC(-waarden): L andschappelijke-, natuurlijke en cultuur(historische) waarden

(Ministerie) LNV: M inisterie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit

MNP: M ilieu Natuur Planbureau

NAP: N ormaal Amsterdams Peil

PKB: Planologische Kernbeslissing

RPB: R uimtelijk Plan Bureau

(Ministerie) V&W: M inisterie van Verkeer en Waterstaat

(Ministerie) VROM: M inisterie van Volkshuisvesting Ruimtelijke Ordening en Milieu

Benedenrivierengebied: het door Rijn en Maas gevoede rivierengebied ten westen van de lijn Vianen, Gorinchem en

Heusden, inclusief Hollands Diep en Haringvliet, maar zonder de Hollandsche IJssel. De

combinatie van stormvloed op zee en rivierafvoeren veroorzaakt in dit gebied de hoge

waterstanden.

Bovenrivierengebied: de IJssel en het door Rijn en Maas gevoede rivierengebied ten oosten van de lijn

Vianen, Gorinchem en Heusden waar de hoge waterstanden geen significante invloed

ondervinden van storm op de Noordzee en het IJsselmeer. De getijhoog-waterstijging

speelt hier geen rol.

Dijkringgebied: een gebied dat door aaneengesloten primaire waterkeringen zoals dijken, duinen, gemalen,

sluizen of door hoge gronden beschermd wordt tegen overstromingen. Nederland telt

95 dijkringen, vastgelegd in de Waterwet. Waterschappen en Rijkswaterstaat beheren de

waterkeringen van de dijkringen.

Ecologische een samenhangend netwerk van bestaande en nog te ontwikkelen belangrijke

Hoofdstructuur: natuurgebieden in Nederland. Het vormt de ruggengraat van de Nederlandse natuur.

Estuarium: een verbrede, veelal trechtervormige riviermonding, waar zoet rivierwater en zout zeewater

vermengd worden en zodoende brak water ontstaat, en waar getijverschil waarneembaar

is. Wanneer een rivier als een stelsel van aftakkingen in zee uitmondt, dan spreekt men van

een delta.

Hydraulische de belastende druk die hydraulische condities (waterstanden, stroming, golfhoogten

randvoorwaarden: en golflengten) op een waterkering uitoefenen. De hydraulische randvoorwaarden worden,

zoals voorgeschreven in de Waterwet, ieder 5 jaar opnieuw vastgesteld en leggen de

relatie vast tussen de hydraulische belasting en de norm.

130 deltacommissie 200130 2008

Inklinking: het proces van volumevermindering van grond door verdroging of onttrekking van

grondwater. Het komt vooral voor bij veen en (in mindere mate) bij klei. Het gevolg is

bodemdaling.

Kribhoofd: een korte stenen dam in een rivierbedding, haaks op de zomerkade, die het stroomprofiel

van de rivier beperkt. Op die manier wordt het meanderen van de rivier voorkomen en is de

rivier beter bevaarbaar doordat de vaargeul diep en goed op zijn plaats blijft.

Kustfundament: de zone waarin, nu en op langere tijdschaal, actief zandtransport door de opbouwende

en eroderende processen als stroming en golven plaatsvindt. Het kustfundament wordt

gevormd door duinen, zeedijken, strand en onderzeese vooroevers tot de dieptelijn van

NAP –20 m.

Kwel: grondwater dat onder druk uit de grond komt en aan het maaiveld of in de watergangen

tevoorschijn komt.

Kwelder (schor): een begroeide buitendijkse landaanwas die bij een gemiddeld hoogwater niet meer

onderloopt.

Lagune: een ondiep zout of brak water afgescheiden van de diepere zee door een ondiepte, in de

Nederlandse situatie meestal een zandbank.

Langsdam: een geleide dam parallel aan de rivier. Deze is nodig om aanzanding in de vaargeul te

voorkomen.

Maatgevende afvoer: de rivierafvoer die bepalend is voor de maatgevende hoogwaterstand waartegen een dijk in

ieder geval bestand moet zijn.

Paleo-klimatologie: de studie van het klimaat met behulp van gegevens die in de bodem zijn opgeslagen.

Klimaatgegevens kunnen uit zeer verschillend materiaal worden afgeleid; er is een grote

variatie aan onderzoeksmethoden.

Retentie: het tijdelijk bergen van water, opdat stroomafwaarts gelegen gebieden niet zullen

overstromen.

Slik: een droogvallende plaat in een getijdenwater. Slikken vallen droog bij eb en lopen onder

water bij vloed.

Verzilting: het geleidelijk toenemen van het zoutgehalte van bodem of water

Zouttong: zout water dat bij vloed onder het lichtere afstromend rivierwater doorstroomt.

samen werken met water 131

Bijlage 7

Overzicht geraadpleegde literatuur

Adviescommissie financiering primaire waterkeringen

(Commissie Vellinga)

Tussensprint naar 2015, Rotterdam 2006

Adviescommissie Water

- Aanbevelingen van de Adviescommissie Water inzake

verzekeren tegen wateroverlast. Advies 2006/002. Den Haag,

2006.

- Advies veiligheid tegen overstromen. Advies 2006/103. Den

Haag, 2006

Advies Commissie Versnelling Besluitvorming

Infrastructurele Projecten (commissie Elverding)

Sneller en Beter. Den Haag, 2008

Aerts, J. B. Kolen, H. v.d. Most, M. Kok, S. v.’t Klooster, B.

Satijn en A. Leusink

Waterveiligheid en klimaatbestendigheid in breder perspectief

(Routeplanner 2050). 2007.

Andriesse, L.A. e.a.

Natuurlijke klimaatbuffers voor een klimaatbestendiger

Nederland. (Definitiestudie Royal Haskoning i.o.v.

Natuurmonumenten, Waddenvereniging, Staatsbosbeheer,

Vogelbescherming Nederland en AR K Natuurontwikkeling)

Rotterdam, 2007.

Alterra

Transitie en toekomst van de Deltalandbouw. Alterra rapport

1132, Wageningen, 2006

Braakhekke, W. e.a.

Hoogtij voor Laag Nederland. (Geschreven in opdracht van het

Wereld Natuur Fonds). Zeist, 2008.

Brinke, W. ten

Land in Zee, de watergeschiedenis van Nederland, Diemen,

2007.

Bureau de Ruimte

Kenniskaarten IJsselmeergebied, opgesteld in opdracht van

Rijkswaterstaat RIZA. Utrecht, 2007.

Buuren, M. van en P. Schengenga

Randstad in zicht. Lange termijnperspectieven voor water

en ruimtelijke ontwikkeling in de randstad. (Rijkswaterstaat

Waterdienst en H+N+S Landschapsarchitecten i.o.v. ministerie

van V&W). 2007.

CPB

Optimal safety standards for dike-ring areas (discussion paper

62). Den Haag, 2006.

DEFRA

Fisheries 2027. Towards a contract for the future of marine

fisheries. London, 2007.

Deltacommissie

Eindverslag en interimadviezen. Den Haag, 1960.

Deltares

- K limaatbestendigheid van Nederland Waterland, knikpunten

in beleid en beheer. Delft, 2008

- Onze Delta. Feiten, mythen en mogelijkheden. Staat en

Toekomst van de Delta 2008 – Eerste stap. Delft, 2008.

- Grenzen aan de gevolgen van een overstroming?

Discussiestuk voor Waterveiligheid 21e eeuw. Delft, 2008.

Europese Commissie

- R ecommendation concerning the implementation of

Integrated Coastal Zone Management –ICZM. Brussel, 2002.

- Groenboek Maritiem Beleid. Naar een toekomstig maritiem

beleid voor de Unie, een Europese visie op oceanen en

zeeën. Brussel, 2006.

- Directive 2007/60/EG on the assessment and management

of flood risk. Brussel, 2007.

- Groenboek Aanpassing aan klimaatverandering in Europa –

mogelijkheden voor EU-actie {SEC(2007)849}

Ecorys

Quick scan van kosten van waterbeheersvarianten voor

het IJsselmeergebied. Verandering peilbeheer 2050-2100.

Rotterdam, 2008

Flyland

Missie van Flyland naar Azië, 21 mei –31 mei 2002. Den Haag,

2002.

Goor, M.A. van, Zitman, T.J., Wang, Z.B. and Stive, M.J.F.

Impact of sea-level rise on the morphological equilibrium state of

tidal inlets. Marine Geology: 202 (3-4): 211-227, 2003.

Inspectie Verkeer en Waterstaat

Primaire waterkeringen getoetst. Landelijke rapportage toetsing

2006. Lelystad, 2006.

132 deltacommissie 200132 2008

Instituut SMO

Startnotitie Toekomstverkenning Afsluitdijk. Naar een

toekomstbestendige en duurzame Afsluitdijk (in opdracht van

Rijkswaterstaat). Den Haag, 2007.

Internationale Commissie ter Bescherming van de Rijn (ICBR)

Ministerieel communiqué MIN07-02 van de

Rijnministersconferentie Bonn, 18 oktober 2007.

InnovatieNetwerk

Het zout en de pap. Een verkenning bij marktexperts naar lange

termijn mogelijkheden voor zilte landbouw. 2007.

Jeuken, A. en H. van Waveren

Drie perspectieven voor een klimaatbestendig NL.

Adaptiemaatregelen voor het Nederlandse waterbeheer.

(Tussentijdse rapportage tbv de Deltacommissie). (Deltares),

Delft, 2008.

Kennis voor een KlimaatBestendig Nederland (KBN)

Een voorstel voor een Kennisprogramma in het kader van de

FES investeringsronde. Den Haag, 2006.

KNMI

Klimaat in de 21e eeuw, 4 scenario’s voor Nederland. De Bilt,

2006.

Landelijk Bestuurlijk Overleg Water

Water in beeld. Voortgangsrapportage over het waterbeheer in

Nederland 2008. Den Haag, 2008.

Milieu- en Natuurplanbureau

Nederland Later. Tweede duurzaamheidsverkenning, deel

Fysieke leefomgeving Nederland. Bilthoven, 2007.

Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties

Voortgangsbrief Nationale Veiligheid 2008 aan de Tweede

Kamer. Den Haag, 2008.

Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit

Kiezen voor landbouw. Een visie op de toekomst van de

Nederlandse agrarische sector. Den Haag, 2005.

Ministerie van Verkeer en Waterstaat

- Zeespiegelrijzing, worstelen met wassend water. Den Haag,

1986.

- R uimte voor de Rivier, PKB deel 4, Den Haag, 2006

- Integrale Verkenning Maas (IVM) II, 2006

- Beleidslijn kust. Den Haag, 2007.

- Water in de Randstad. Den Haag, 2007.

- E en ander IJsselmeergebied, een ander beleid. Den Haag,

2007.

- N ederland veroveren op de toekomst (Watervisie), Den Haag,

2007.

- Van Lobith en Eijsden naar zee. Aanspraak op ruimte en

afvoercapaciteit in het rivierbed op de lange termijn vanuit

de veiligheid tegen overstroming. Concept mei 2007.

Rijkswaterstaat RIZA, Lelystad, 2007

- R ode Delta’s, overstromingsrisicobeheer in verstedelijkt

gebied, de praktijk in het buitenland. Rijkswaterstaat RIZA,

Lelystad, 2007

- Systeemanalyse Rijn-Maasmonding. Rijkswaterstaat Zuid

Holland, Rotterdam 2008

- W aterveiligheid 21e eeuw, synthesedocument 17 april 2008.

Den Haag, 2008.

- K entallen kosten-batenanalyse waterveiligheid 21e eeuw.

Concept 29 april, Rijkswaterstaat Waterdienst Lelystad,

2008.

- Coastal flood risk and trends for the future in the North

Sea region. Synthesis report. Safecoast project team.

Rijkswaterstaat Waterdienst,Den Haag, 2008

Ministerie van Verkeer en Waterstaat, Ministerie van

Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer,

Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit.

- Integraal Beleidsplan Noordzee 2015. Den Haag, 2005.

- Beleidsnota IJsselmeergebied, concept 13 juni 2008. Den

Haag, 2008.

Ministerie van VROM.

- Besluit Externe Veiligheid. Den Haag, 2004.

- R andstad 2040 facts & figures. Wat komt er op de Randstad

af? Den Haag, 2007

- R eactie op motie van Bochove/Depla over ruimtelijke

gevolgen ‘worst-case’ klimaatscenario. Brief aan Tweede

Kamer (2007)

- De Wet ruimtelijke ordening. Beantwoording van gestelde

vragen over nieuwe Wro. 2008

Ministerie van VROM, LNV, V&W en EZ.

- N ota Ruimte, Ruimte voor ontwikkeling, deel 4. Den Haag,

2006.

- PKB Waddenzee deel 4: Ontwikkeling van de Wadden voor

natuur en mens. Den Haag, 2007.

samen werken met water 133

Ministerie VROM, V&W, LNV, EZ, IPO, VNG en UvW.

Maak ruimte voor klimaat. Beleidsnotitie nationale

adaptatiestrategie. Den Haag, 2007

Molenbroek, dr. E.C.

Energie uit zout en zoet water met osmose. Rotterdam (Ecofys),

2007.

Natuur- en Recreatieschap De Grevelingen e.a.

Ontwikkelingschets Zicht op de Grevelingen. 2006.

De Nederlandse Bank

- Gevolgen van klimaatverandering voor de Nederlandse

overheidsfinanciën. Kwartaalbericht DNB september 2007.

Amsterdam, 2007

- De Nederlandse Gasbaten en het Begrotingsbeleid: Theorie

versus Praktijk. Occasional Studies Vol.6/No. 5. , Wierts en

Schotten. Amsterdam, 2008

Nienhuis, P.

Environmental History of the Rhine-Meuse Delta An ecological

story on evolving human-environmental relations coping with

climate change and sea-level rise. 2008

Office of Science and Technology

Foresight Future flooding. Executive Summary. London, 2004.

Platform Communication on Climate Change (PCCC)

Het IPCC-rapport en de betekenis voor Nederland. De Bilt/

Wageningen, 2007.

Provincie Friesland

Streekplan, Leeuwarden, 2007.

Provincie Gelderland

Waterveiligheid Gelderland, Gelderse visie klimaatbestendige

hoogwaterveiligheid 21e eeuw. Arnhem, 2008.

Provincie Groningen

- Provinciaal Omgevingsplan 2. Groningen, 2007.

- K ustvisie provincie Groningen. Groningen, 2008.

Provincie Zeeland

- Omgevingsplan Zeeland 2006 –2012, Middelburg, 2006.

- ‘Nieuwe verbindingen’, coalitie-akkoord. Middelburg, 2007.

Provincie Zeeland, Zuid-Holland en Noord-Brabant

- K racht van de Delta, de agenda voor een Deltaprogramma.

Middelburg, 2006

Provincie Zuid-Holland

Coalitie-akkoord, Den Haag, 2007.

Raad voor het Delta

Onderzoek Strategische Deltavraagstukken, 2007.

Raad voor Verkeer en Waterstaat

Investeren in de Noordzee. Den Haag, 2005.

Raupach, M. et al.

Global and regional drivers of accelerating CO2 emissions.

Proceedings of the National Academy of Sciences of the United

States of America. Vol. 104, no. 24, 2007

RIVM

Risico’s in bedijkte termen. Den Haag, 2004.

Royal Haskoning

- Investeringsruimte voor toekomstige droogte. Verkenning

van de hydrologische effecten en economische schade

in de KNMI’06 klimaatscenario’s. Studie in opdracht van

Rijkswaterstaat RIZA. Amsterdam, 2007

- Overstromingsrisicozonering. Naar een groter

risicobewustzijn in ruimtelijke afwegingen. In opdracht van

ministeries van V&W en VROM. Rotterdam, 2008

Royal Haskoning, HKV-Lijn in Water, Jongejan Risk

Management Consulting en TU Delft.

Verkenning slachtofferrisico’s in het

hoogwaterbeschermingsbeleid. Rotterdam, 2008.

Ruimtelijk Plan Bureau, Milieu- en Natuur Planbureau, CBS

Welvaart en Leefomgeving. Den Haag, 2006.

Ruimtelijk Plan Bureau

Overstromingsrisico’s als ruimtelijke opgave. Den Haag, 2007

Saeijs, H.L.F.

Turning the tide. Essays on Dutch ways with water. Delft, 2008.

Silva, W en E. van Velzen

Quick scan doorbraakvrije dijken (concept juli 2008).

Sprong, T.A.

Achtergronddocument Case Business as Usual:

kostenschattingen. Eindversie maart 2008. www.adaptation.nl

Staatsbosbeheer en Natuurmonumenten

Dans met de zee. Duurzaam leven in laag-Nederland. Arnhem,

2008.

134 deltacommissie 200134 2008

(Japanese) Subcommittee on Climate Change Adaptation for

Flood Control

Climate change adaptation strategies to cope with water-related

disasters due to global warming. Draft policy paper June. Tokyo,

2008.

TNO Bouw en Ondergrond

Eilanden voor de kust van Nederland. Pre-feasibility verkenning.

TNO-notitie 2008-IenR-N007-RSTA -PEM. Delft, 2008.

Twynstra Gudde

Quick scan alternatieve veiligheidsmaatregelen. Amersfoort,

2007.

Unie van Waterschappen

Financiële consequenties peilopzet IJsselmeer. Inbreng t.b.v.

Deltacommissie. Den Haag, 2008.

Vogelbescherming Nederland

Kust, ruimte voor mensen én vogels. Zeist, 2008.

VROM Raad

De hype voorbij. Klimaatverandering als structureel ruimtelijk

vraagstuk. (advies 60) Den Haag, 2007.

Waaldijk, C.

Grondwet voor het Koninkrijk der Nederlanden. (bewerking)

Koninklijke Vermande BV, Lelystad 1991.

Waddenvereniging

Natuurlijke klimaatbufffers, oktober 2006

Waterloopkundig Laboratorium

- De Rijn op termijn, een veerkrachtstrategie. Rapp. R

3124.10. Delft, 1998

- Afvoerverdeling Rijntakken: een vast gegeven? Rapp. R

3294.95. Delft, 1999.

WL/Delft Hydraulics

- Overstromingsrisico’s in Nederland in een veranderend

klimaat. Verwachtingen, schattingen en berekeningen voor

het project Nederland Later. Delft, 2007.

- R isky places in the Netherlands: a first approximation for

floods. Delft, 2007.

Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid

- W aterbeheer en waterveiligheid. Den Haag, 2007.

- Sturen op infrastructuren. Een investeringsopdracht. Den

Haag, 2008.

Witmond, B. en J. Bovens

Quick scan van kosten van waterbeheersvarianten voor het

Ijsselmeergebied. Verandering peilbeheer 2050-2100. (rapport

Ecorys Nederland BV i.o.v. Geodelft en het deskundigenteam

Beleidskader IJsselmeer) Rotterdam, 2008.

Woud, Auke van der

Het lege land - de ruimtelijke orde van Nederland 1798-1848,

1987

samen werken met water 135

136 deltacommissie 200136 2008

Colofon

Verantwoordelijk voor redactie :

Secretariaat Deltacommissie

Verantwoordelijk voor opmaak:

Synergos Communicatie

Verantwoording foto’s:

Jos van Alphen, Esther Rijken, Rob Stroeks

www.katrinadestruction.com

Illustraties:

Landschapsarchitectenbureau H+N+S

Meer informatie:

www.deltacommissie.com

Behorende bij dit advies is nog

beschikbaar een DVD waarop

achtergrondrapporten en een film

Drukker:

Hollandia Printing

Eerste druk september 2008

IS BN/EAN 978-90-9023484-7

 

Groep Hop wil Nederland verdelen in twee waterschappen Nederland Noord
en Nederland Zuid en de waterschap belastingen afschaffen

De  schijnvertoning verkiezingen waterschap 2008
Jan Hop mocht niet meer als PERSOON meedoen aan de verkiezingen Waterschap Veluwe 2008
Waterschap Blija Buitendijks, waarom doet Waterschap Blija Buitendijks niet mee aan verkiezingen waterschap 2008?
Hoogheemraadschap Amstel, Gooi en Vecht met Proces-verbaal 24 september 2008 verkiezingen waterschap
POSTZEGELHoogheemraadschap van Delfland met Proces-verbaal 24 september 2008 verkiezingen waterschap
Hoogheemraadschap van Rijnland  met Proces-verbaal 24 september 2008 verkiezingen waterschap + RKC
Hoogheemraadschap van Schieland en de Krimpenerwaard met Proces-verbaal 24 september 2008 verkiezingen waterschap
Hoogheemraadschap De Stichtse Rijnlanden met Proces-verbaal 24 september 2008 verkiezingen waterschap
Hoogheemraadschap Hollands Noorderkwartier met Proces-verbaal 24 september 2008 verkiezingen waterschap
Waterschap Aa en Maas  met Proces-verbaal 24 september 2008 verkiezingen waterschap
Waterschap Brabantse Delta met Proces-verbaal 24 september 2008 verkiezingen waterschap
Waterschap De Dommel met Proces-verbaal 24 september 2008 verkiezingen waterschap
Waterschap Groot Salland met Proces-verbaal 24 september 2008 verkiezingen waterschap
Waterschap Hollandse Delta met Proces-verbaal 24 september 2008 verkiezingen waterschap
Waterschap Hunze en Aa's met Proces-verbaal 24 september 2008 verkiezingen waterschap
Waterschap Noorderzijlvest met Proces-verbaal 24 september 2008 verkiezingen waterschap
Waterschap Peel en Maasvallei met Proces-verbaal 24 september 2008 verkiezingen waterschap
Waterschap Reest en Wieden met Proces-verbaal 24 september 2008 verkiezingen waterschap
Waterschap Regge en Dinkel met Proces-verbaal 24 september 2008 verkiezingen waterschap
Waterschap Rijn en IJssel met Proces-verbaal 24 september 2008 verkiezingen waterschap
Waterschap Rivierenland met Proces-verbaal 24 september 2008 verkiezingen waterschap
Waterschap Roer en Overmaas met Proces-verbaal 24 september 2008 verkiezingen waterschap
Waterschap Vallei & Eem met Proces-verbaal 24 september 2008 verkiezingen waterschap
Waterschap Velt en Vecht met Proces-verbaal 24 september 2008 verkiezingen waterschap
Waterschap Veluwe met Proces-verbaal 24 september 2008 verkiezingen waterschap
Waterschap Zeeuwse Eilanden met Proces-verbaal 24 september 2008 verkiezingen waterschap
Waterschap Zeeuws-Vlaanderen met Proces-verbaal 24 september 2008 verkiezingen waterschap
Waterschap Zuiderzeeland met Proces-verbaal 24 september 2008 verkiezingen waterschap
Wetterskip Fryslân met Proces-verbaal 24 september 2008 verkiezingen waterschap

top